Mijn nieuwe vriend.

“Nee, je stoort niet. Over ruim een uur ga ik naar beneden om koffie te drinken met de rest van de bewoners. In de dagelijkse sleur is dat een hoogtepunt. Wakker worden en wachten tot ze me komen wassen is er ook één. Met een lift vanuit je bed in je rolstoel gezet worden, eten, de krant lezen, naar buiten kijken en luisteren naar het dagelijkse gezeik van Gerard: allemaal hoogtepunten in een eindeloze sleur van dagen die onderling niet van elkaar verschillen. Straks zit iedereen aan de tafel. Voor Gerard is de koffie te koud, te warm, te sterk, te slap of niet zoet genoeg. En iedereen zal dat moeten weten. Dokter Jan kan alleen maar stil zijn en zitten en krijgt de koffie via een rietje. Ik ook, maar ik kan tenminste de beker nog zelf vasthouden. Jantine zal weer hele verhalen vertellen waar niemand iets van verstaat en omdat ze daarom geen reactie krijgt, wordt ze ook weer boos. Elke dag is hetzelfde en iedereen is hier volkomen nutteloos. Wat heeft het leven hier nog te bieden? Zijn de ouders van Jantine echt blij dat hun dochter niet aan de gevolgen van het ongeluk is overleden? Wat hebben ze nu? Is een dochter met een onherstelbare hersenbeschadiging beter af? Wat moet de vrouw van dokter Jan? De dag na zijn promotie tot dokter kreeg hij een hersenbloeding. Hij kan nu niets meer en weet niet eens wie en waar hij is. En wat moet ik? Halfzijdig verlamt en nog de rechterkant ook. Ik kan gelukkig nog een beetje normaal praten maar links schrijven is nog steeds hanenpotenwerk.

Ik was getrouwd met mijn café. Mijn hele leven draaide om dat café. Het was ook het enige wat ik had. Mijn ouders zijn allang overleden en broers of zussen zijn er niet. Ik heb wel eens verkering gehad maar altijd ging de zaak voor. Vrouwen snappen dat blijkbaar niet. Ik vond daar wat ik nodig had en deed alles alleen. Stond alleen achter de bar, verzorgde alle administratie zelf en maakte elke dag schoon. Er was altijd wel wat te doen en ik vond elke dag een feest. Ik had veel vaste klanten en er hing altijd een geweldige sfeer. Het liep als een trein en met Marcus, één van mijn vaste klanten, heb ik wel eens over het verkopen van de tent gesproken. Hij maakte de ene verre reis na de andere en dat was iets wat ik ook wel wilde. We hadden zitten rekenen dat over een jaar of tien de zaak zo veel op kon brengen dat ik er de rest van mijn leven van rond kon komen. Een compleet pand op een A-locatie wil iedereen wel hebben. Dan zou ik ook verre reizen gaan maken. Nieuw Zeeland leek me prachtig. De reis daar naar toe moet al een hele belevenis zijn. Maar ja, je ziet dat het even iets anders is gelopen.

Ze hebben me beneden in de kelder gevonden. Ik zou wat flessen drank ophalen. Omdat het nogal lang duurde voor ik weer terug kwam, zijn ze maar eens gaan kijken. Dat het goed fout was zagen ze meteen. Ik weet daar allemaal niets meer van. Ik werd wakker in een bed met slangetjes, metertjes en piepende kastjes onder de witte tl-lampen. Ik snapte er niets van! Ik vroeg van alles maar had niet door dat ze er geen woord van konden verstaan. Alleen maar brabbelen. Meer kwam er niet uit. Als ik er nog aan terugdenk hoe ik me toen voelde…….

Ik ben nog nooit zo bang geweest, nog nooit zo kwaad, zo verdrietig en zo machteloos. Je kunt helemaal niks en je wilt van alles. Opstandigheid is een zwakke term bij wat ik voelde en wilde. Je lijf heeft je in de steek gelaten. Je vertrouwen in je eigen lijf is weg. Je voelt je zo onnoemlijk alleen…… Een deel van wie je bent, die eenheid van lichaam en geest heeft je in de steek gelaten en wie of wat ben je nu nog? Het lichaam doet niet meer wat jij wilt en je geest wil nog zo veel. En dan de vernedering en de schaamte. De vernedering die je voelt omdat je niets kan en de schaamte omdat je niet eens je eigen kont kan schoonmaken. Tijdens mijn revalidatie zeiden ze dat het zou helpen om te accepteren dat er een nieuwe situatie is ontstaan. En vanuit die acceptatie ga je weer bouwen aan een andere, nieuwe toekomst. Hallo! Ik wilde alleen maar mijn oude leven en mijn eigen café terug en later verre reizen maken. Niet dus…..

Mijn vier beste stamgasten hebben geholpen om de zaak te verkopen. Gouden kerels zijn dat. Ze komen altijd op bezoek. Soms alleen, soms met z’n tweeën en  een enkele keer allemaal. Dan is het feest hoor! Ik weet niet hoe ik alles had moeten doen zonder die jongens. Ik hoef maar te piepen en ze zijn er. En ze regelen alles voor mij.

Ze weten het nog niet maar ik heb een testament laten maken. Alles gaat naar hun toe en van dat geld moeten ze, met hun vrouwen, een maand naar Nieuw Zeeland. Het geld dat daarna over is mogen ze eerlijk onder elkaar verdelen. Ze hebben het wel verdiend. De enige voorwaarde is dat ze mij moeten meenemen; nou ja, dat wat er van mij over is. Ik wil gecremeerd worden en mijn as mogen ze daar, op een mooi plekje, uitstrooien. Ben ik toch nog in Nieuw Zeeland.

Ja, gistermorgen kwam de brief waarin stond dat mijn euthanasieverzoek was goedgekeurd. Je kunt je niet voorstellen hoe blij ik daar mee ben. Weet je wel hoeveel je moet praten en hoeveel plotselinge bezoeken je krijgt? Toneel spelen, vooral niets doen wat gelinkt kan worden aan depressiviteit en bovenal opgewekt en verstandig overkomen. Man, man, wat een gedoe en alleen maar omdat ik het netjes wil doen. Ik wil niet dat iemand anders last heeft van het feit dat ik dood wil. Als ik met deze rolstoel voor de trein ga staan of de gracht instuur, zadel ik andere mensen op met mijn rotzooi. Dat wil ik helemaal niet. Ik wil, met mijn vrienden om mij heen, zachtjes gaan slapen en nooit meer wakker worden. Mijn vier vrienden blijven achter en ik ga met de dood, mijn nieuwe vriend, mee.

Vandaag ga ik ze bellen. Ze zullen wel schrikken want ze weten nog van niks. Ik denk dat ze het wel begrijpen.

Kom, we gaan naar beneden. De koffie wacht. Gerard zal wel zeggen wat voor koffie het is en als we geluk hebben verteld dokter Jan een goeie mop.”

© peter gortworst / feb.2011

.

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Klik

Hij is te vroeg. Hij is altijd te vroeg. Niet omdat hij bang is te laat te komen maar om te wennen aan de omgeving of de situatie. Op het laatste moment aankomen en dan in korte tijd alles in zich opnemen geeft stress en dat wil hij voorkomen.

Het is niet druk op het terras en hij heeft een tafeltje uitgekozen waar geen looproute langs loopt. De serveerster heeft hij afgewimpeld met de mededeling dat hij straks gaat bestellen. “Ik wacht nog op iemand,” is zijn verklaring en nu zit hij te wachten.

Een beetje zenuwachtig is hij wel. De eerste ontmoeting met een vrouw die hij nauwelijks kent. Een foto van een gezicht en een paar mailtjes met weinig wetenswaardigheden. Meer is er niet. Zijn vraag om een ontmoeting was positief beantwoord. Gelukkig maar want aan ellenlange mailtjes om elkaar een beetje te leren kennen, heeft hij een broertje dood. Schrijven is niet zijn ding.

Hij ziet haar komen op de fiets. Het gezicht herkent hij van de foto maar de rest klopt niet met de opgegeven beschrijving. Een ‘normaal’ figuur is dus een subjectief begrip. Zelfs ‘volslank’ dekt niet geheel de lading. Hij is gaan staan en ze stapt op hem af. Hij steekt zijn hand uit en zegt: “Dag, ik ben Henk.” “En ik ben dus Ank,” zegt ze en schudt zijn hand. Ze gaan zitten en glimlachen geforceerd naar elkaar. “Wat wil je drinken?” vraagt Henk. “Doe maar gewoon koffie,” zegt ze en Henk wuift naar de serveerster.

“Jij bent dus weduwe. Al lang?” vraagt Henk. “Komende zondag twee jaar,” zegt ze. “En ik mis hem nog elke dag. We waren 35 jaar getrouwd. Dat hebben we samen nog gevierd met een leuk weekend in Berlijn. Een mooie stad waar heel veel te zien is. We hebben nog tegen elkaar gezegd dat we er nog een keer heen moesten omdat er meer te zien is dan je in één weekend kan bekijken maar ja, dat is er dus niet meer van gekomen. Drie dagen later, we zitten, met onze jassen aan, even in de tuin. Hij maakt nog een opmerking over de hazelaar die uit begint te lopen, hoest een keer heel lelijk, geeft zomaar over, zakt naar voren en is dood. Je weet niet wat je overkomt. Wat moet je doen? Ik heb 112 gebeld en die hebben nog wel geprobeerd om hem te reanimeren maar blijkbaar was het al te laat.

Je denkt elkaar te kennen, ik bedoel, we waren zo lang samen, we hebben geen kinderen dus je bent op elkaar aangewezen maar ik heb nooit iets gemerkt van hartklachten of zo. Hij heeft er ook nooit iets over gezegd. Misschien heeft hij wel eens wat gevoeld maar het was niet zo’n man die voor elk wissewasje naar de dokter loopt. Ik heb hem er wel eens naar toe moeten sturen omdat hij maar bleef hoesten en zich niet goed voelde. Bleek hij een longontsteking te hebben! Dus misschien heeft hij wel eens wat gevoeld maar er zijn mond over gehouden.

Het was ook niet zo’n prater. Soms, als er wat was en zeg nu zelf, in elk huwelijk is wel eens wat, moest ik er echt voor gaan zitten om te ontdekken wat hem dwars zat. Je moest bijna de antwoorden in zijn mond leggen. Ik wist heel goed wat hem dwars zat maar ik wilde het hem horen zeggen. Hij had het van thuis blijkbaar niet meegekregen dat praten over gevoelens en zo. En opkroppen hé. Hij slikte liever zijn ongenoegen in dan er over te praten en ja, dat gaat fout. Het is net een emmer die langzaam gevuld wordt en dan plotseling omkiept en leeg loopt. In het begin van ons huwelijk heb ik dat ook een paar keer meegemaakt. Je weet niet wat je overkomt! Er gaat een kleinigheidje mis en je krijgt een bak verwijten naar je hoofd waar de honden geen brood van lusten.

Maar dat is wel beter geworden. Ik pikte dat niet en heb het hem wel geleerd om dat anders te doen en gelukkig wilde hij dat ook wel. Weet je, je houdt van elkaar en we waren alle twee vechters die wisten dat we voor elkaar bestemd waren. Dat we geen kinderen konden krijgen was wel zwaar. Als ze toen die technieken hadden die er tegenwoordig zijn, was het misschien wel gelukt maar ja, op een gegeven moment ben je domweg te oud”.

Ze pakt haar kopje en drinkt haar koffie. Over de rand van het kopje kijkt ze naar Henk. Een beetje ongemakkelijk kijkt hij terug. Weet zich geen houding te geven maar weet wel dat ze nog lang niet is uitgepraat. Zijn volgende vraag die deze monoloog, deze niet voorziene woordenwaterval zou kunnen stoppen of het ‘gesprek’ een andere wending zou kunnen geven, komt jammerlijk te laat.

“In het begin van ons huwelijk was de seks gewoon leuk,” gaat ze verder. “Maar toen er kinderen moesten komen ging het op werken lijken. Temperaturen bijhouden en als het zover was deden we het om de haverklap. Juist het moeten verpestte alles en toen we ons realiseerden dat het niets zou worden hebben we een hond genomen. Nou ja, ìk heb een hond genomen. Hij wilde geen beesten in huis maar ik moest toch wat met mijn gevoel. Hij had er een vreselijke hekel aan om ’s avonds laat nog met dat beest naar buiten te gaan maar ik ging zo laat niet in mijn eentje de straat op. Toen hij een keer thuis kwam met een gebroken pols omdat hij, bij het uitlaten van de hond in de sneeuw uitgegleden was, heeft hij mij voor de keuze gesteld. De hond er uit of hij er uit. Dat vond ik heel lelijk van hem. Ik had die hond toch niet voor niks?

Nee, hij had wel vaker van die eigenaardige dingen. Ging soms gewoon zijn eigen gang zonder rekening met mij te houden. Met zijn pensioen bijvoorbeeld. Hij had een goede baan en kon met zijn 61e al met pensioen maar dat wilde hij niet. Hij heeft doorgewerkt tot zijn allerlaatste dag en alle argumenten die ik aandroeg wuifde hij gewoon weg. We hadden al zoveel eerder samen leuke dingen kunnen doen maar blijkbaar was zijn werk belangrijker dan mijn geluk. Ik neem het hem niet kwalijk hoor maar jammer is het natuurlijk wel.”

Ze stopt even en kijkt naar Henk. “Jij bent ook niet zo’n prater,” constateert ze. Henk haalt even zijn schouders op maar voor hij antwoord kan geven is ze hem weer voor. “Ik zoek een vent die wat te vertellen heeft, waar ik mijn verhaal bij kwijt kan en waarbij ik een klik voel. Volgens mij kan ik dat niet bij jou en die klik voel ik ook niet. Jij wel?” “Nee,” zegt Henk, “Ik voel ook geen klik.”

“Dan zijn we klaar. Ik neem aan dat jij de koffie betaalt?” Ze staat op, geeft Henk een hand en vertrekt.

kopstoot

Terug in zijn stoel steekt hij zijn hand op naar de serveerster. “Ik wil graag een kopstoot.” Ze kijkt hem vragend aan. “Een groot glas bier en een jonkie ernaast,” verklaart Henk. “Ben ik heel erg aan toe.”

© peter gortworst aug.2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De optimist

kappersymbool

Nu dacht ik het dialect aardig te kunnen verstaan maar het taaltje waarmee die twee zich met elkaar onderhouden klinkt mij als plat Nairobi’s in de oren. ‘Die twee’ zijn de kapper en de klant in de stoel. Ik hoor het met verbazing aan en terwijl ik wacht tot het mijn beurt is, rust mijn oog op een blad met een foto van iemand die een ‘Bekende Nederlander’ blijkt te zijn . Hij heeft spijt van zijn tattoo en verwijderen blijk pijn op te leveren in zijn portemonnee en op zijn borstkast. Het interesseert mij niet. Ik denk na over het onverstaanbare taaltje. Je hebt dus, naast het Algemeen Beschaafd Nederlands, verschillende dialecten. En heb je dan in die dialecten, als een soort diepere laag, nog meer dialecten zitten? Hier praten ze meestal plat maar is dit dan nog platter of is het een ander plat? Ik probeer herkenbare woorden op te vangen maar zelfs dat lukt niet. Ik sluit mijn ogen en dagdroom dat ik mij bevind in een ver en vreemd land met twee inboorlingen op gehoorafstand.

Er klinkt gestommel en de klant is blijkbaar geknipt en geschoren. Hij rekent af en met iets van een ‘meui’ of ‘heuiù’ gaat hij de deur uit. De kapper kantelt de zitting van de stoel, veegt de haren op de grond bij elkaar, pakt het grote donkerrode laken bij twee puntjes vast en vraagt dan: “Wie is de volgende?” Ik kijk even snel naar rechts en links want volgens mij zat ik hier alleen. Dat blijkt nog steeds zo te zijn dus met een “Dat zal ik dan wel zijn” kom ik overeind.

Beroepsdeformatie. Dat is het natuurlijk. Het is een standaard zin geworden die hij te pas en te onpas uitspreekt. Net als de slager die altijd zegt: “Het is iets meer. Mag dat?” en vroeger zei de kruidenier dat ook. Ik heb ooit een huisarts gehad die, voor hij hulp kreeg van een bevallige assistente en voor die eeuwig stomme nummertjesautomaat, de deur van de volle wachtkamer opende en met: “Wie is de volgende?” elke keer weer een gezelschapsspel startte van elkaar aankijkende en opnieuw de volgorde van opkomst vaststellende potentiele patiënten. “U bent na mij binnengekomen en u bent nog voor mij.” “En die meneer die nu buiten staat?” “Die is pas na deze mevrouw toch?”

Is het je wel eens opgevallen dat een groenteman nooit vraagt of dat ietsje meer wel mag? Die gooit zo veel aardappelen, wortelen of prei in de weegschaal tot de naald over het gewenste gewicht heen gaat. Dat het ‘iets meer’ is, spreekt bij hen blijkbaar voor zichzelf.

kappersstoel

Ik zit en met een paar pompbewegingen van zijn been kom ik op werkhoogte. Een elastisch papieren kraagje met plakstrip wordt om mijn nek gedaan, het donkerrode laken drapeert hij om mij heen en met zijn handen in elkaar gevouwen staat hij schuin achter mij. “Hoe had u het gehad willen hebben?” vraagt hij en kijkt mij via de spiegel aan. Nu haalt geen enkele haar op mijn hoofd de lengte van drie centimeter dus veel keus is er niet en bovendien overvalt de vraag mij. “Gewoon, alles wat inkorten en de zijkanten en de achterkant korter dan bovenop,” zeg ik enigszins onbeholpen. Als je verkering al heel lang jouw haar doet is het ‘Hoe had u het gehad willen hebben’ een overrompelende vraag.

Hij plukt wat aan mijn haar en vist een indrukwekkende tondeuse uit een lade. Er gaat niet, zoals thuis, een kammetje op voor de goede hoogte. Met een forse zwarte kam, als een spade zo groot, in zijn linkerhand en de brommende tondeuse in zijn rechter, wordt de aanval ingezet. Lijdzaam onderga ik de strijd. Ik kan mij niet voorstellen dat er kappers zijn die vragen: “Het is iets meer. Mag dat?” en mocht het toch hopeloos fout gaan dan is een gladde kale kop ook een oplossing. Bovendien hebben haren de prettige eigenschap weer aan te groeien.

wahl-moser-tondeuses-cat

“U komt hier niet vandaan?” vraagt de kapper. “Nee, ik kom uit Zaandam. Ik ben een geboren en getogen Zaankanter,” vertel ik niet zonder trots, “Maar ik woon hier al vijftien jaar met groot genoegen.” Hij zwijgt even omdat hij zich moet concentreren op het lijntje achter mijn linker oor. Dan, en klinkt bijna verwijtend, zegt hij: “Ik heb u, volgens mij, niet eerder in de stoel gehad.” “Nee, dat kan kloppen. Ik ga eigenlijk nooit naar een kapper. Normaal wordt het onderhoud door mijn verkering gedaan maar die is veertien dagen met een stel vriendinnen naar Turkije. We zouden, voor zij wegging, mijn haar nog doen maar er kwam van alles tussen dus dat ging niet door. Nu haal ik haar morgen op van Schiphol en het lijkt mij wel een leuke verrassing als ik daar met een mooi geknipt koppie sta.” De kapper is het met mij eens en het is ook het laatste wat hij zegt. De brommende tondeuse is het enige wat de stilte verstoort. Het zal vast een hele foute opmerking geweest zijn waardoor hij in zijn wiek is geschoten maar wel de waarheid.

Het is klaar. Met een zwierige zwaai wordt het laken verwijdert, de stoel zakt naar uitstaphoogte en met een borsteltje worden wat haren uit mijn nek gepoetst. Ik vraag wat ik betalen moet en als hij het bedrag noemt floept er bijna een “Het is iets minder. Mag dat?” uit. Dat kan natuurlijk niet dus ik reken een bedrag af wat mij doet besluiten om voortaan, elke keer dat mijn verkering mijn haar heeft gedaan, haar in natura te ‘betalen’ met een extra mooie bos bloemen. Dat kan makkelijk uit. “Dag,” zegt ik tegen de kapper en met een gemaakte glimlach op zijn gezicht zegt hij zeer nadrukkelijk: “Tot ziens meneer!”

Een ras-optimist. Daar kan je er niet genoeg van hebben.

© peter gortworst / aug.2015

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Er gebeurt hier niks

Het loopt tegen de avond. Een mooie en warme zomerdag komt aan zijn einde en ik zit op de kade van een oud haventje. De vishengel ligt naast mij en het dobbertje staat net zo stil als het groenige water. De stilte is weldadig en zou compleet zijn als er niet af en toe een auto voorbij kwam. Toch geniet ik van de rust, de lome warmte en de namiddagzon. Ik hoef helemaal niets, heb de tijd voor mijzelf en samen met het slaperige havenstadje aan de voormalige Zuiderzee, doezel ik een beetje weg.

haven blokzijl 2

“Willen ze nog een beetje bijten?”
Ik schrik wakker en kijk achter mij. Met een grote zwarte fiets aan de hand staat daar een overduidelijk bejaarde man. Hij kijkt mij vragend aan en ik beken:
“Ik zou het je niet kunnen zeggen. Eerlijk gezegd zat ik een beetje te slapen.”
Hij knikt begrijpend zijn hoofd en meent dat slapen misschien wel het meest zinvolle is om hier te doen.
“D’r zit hier nooit wat en d’r gebeurt hier ook niks,” stelt hij vervolgens vast.
“Dat zal nog wel meevallen,” meen ik te moeten opmerken.
Hij haalt zijn schouders op en maakt aanstalten om zijn fiets te bestijgen.
“Naar huis?” vraag ik.
“Ja, ik heb bruine bonen in de week staan. Die moeten nog koken.”
“Bruine bonen in de zomer?”
“Ja, bruine bonen in de zomer! Ik ben alleen en bepaal zelf wat ik eet en als ik bruine bonen wil eten doe ik dat!”
Hij kijkt mij aan alsof ik de aanval in wil zetten. Ik probeer een verzachtende toon aan te slaan en vraag:
“En je vrouw? Of is je vrouw….?”
Hij schudt zijn hoofd.
“Of ze dood is? Nee, die leeft nog. Ik ben gescheiden.”

opafiets

Hij zet zijn fiets schuin en leunt met zijn achterwerk tegen het zadel. Zijn gezichtsuitdrukking is veranderd en hij kijkt mij niet meer aan. Zonder duidelijke aanleiding of aanmoediging begint hij te vertellen:
“Ik was bijna veertig jaar getrouwd en toen had ze zomaar ineens een ander. Van de ene op de andere dag was ze weg. Niemand had het aan zien komen. Ik niet en mijn kinderen niet. Het hele dorp had het erover en iedereen vond het onbegrijpelijk. Toch was het zo.”
Hij staart naar de straatstenen en als ik vraag of hij de kinderen toen nog thuis had, kijkt hij mij weer aan en zegt:
“Nee, die waren de deur al uit maar dat betekent niet dat het hun koud liet. Die kwamen natuurlijk verhaal halen maar ik wist er net zo weinig van als hun. Ik weet nog steeds niet of er al langer wat speelde, of ze al eerder met die andere vent wat had. En van haar hoorden mijn kinderen ook niks.”
“Maar weten jullie ondertussen waarom zij wilde scheiden?”
“Nee, dat is juist het rare. Als ze nou een jongere vent aan de haak had geslagen of één met geld…. dan was het logisch geweest. Maar de vent waar ze bij introk was nog ouder dan ik en hij zat er heus niet warmer bij. Ze heeft het nooit willen vertellen. Zelfs nu nog niet.”

“Spreek je haar dan nog?”
“Ja, bijna elke dag. Kom er net vandaan. Die vent van haar is vorig jaar overleden en nou zit ze daar alleen. Ik haal boodschappen voor haar omdat zij moeilijk kan lopen. Ze heeft zo’n rollator weet je wel….”
Hij aarzelt. Vraagt hij zich af of er niet te veel verteld wordt? Dan, en ik vermoed dat ik, als vreemdeling geen bedreiging vorm, gaat hij met een glimlach verder.
“Toen we uit elkaar gingen wilde ze van mij geen geld. Mijn pensioen mocht ik houden. Ze had niets van mij nodig en nou heeft ze alleen maar d’r aow. Dat is geen vetpot en ik vertik het om haar iets te geven. Ik schiet ook niks voor. Het is boter bij de vis”
Ik kan een kort lachje niet onderdrukken.
“Dat klinkt een beetje als ‘net goed’ en eigen schuld, dikke bult,” merk ik op.
“Misschien heb je wel gelijk. Je mag het eigenlijk niet zeggen maar denken doe ik het wel.”

De glimlach is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor een vragende blik.
“Nou moet jij eens zeggen wat je hier van vindt. Twee weken terug zei ze tegen mij dat ze wel bij mij terug wilde komen. Ze had spijt van de scheiding, ze mist mij, ze mist het goede contact met de kinderen en wil weer terug naar zoals het vroeger was. Ik weet niet wat ik daarvan moet denken.”
“Zou ze alleen maar spijt hebben omdat haar paradijs in elkaar is gestort?” vraag ik.
“Dat heb ik ook al lopen denken! Maar ik heb ondertussen ook niet stil gezeten. Ik heb ook moeten leren om alleen te leven. Ik kon nog geen water koken en nu doe ik alles. Ik kook mijn eigen potje, draai mijn eigen was en houd mijn huis schoon. Alles is op orde. Ik heb mijn vrijheid en geniet daar echt van. Dat geef ik toch niet zomaar op? Wat zouden de kinderen wel niet denken!?”
Ik beantwoord zijn vragende blik door mijn armen een beetje te spreiden en te zeggen:
“Nou? Je hebt zelf het antwoord al gegeven.”

Hij kijkt mij nadenkend aan en knikt dan langzaam.
“Ja, ik zou wel gek zijn! Veertig jaar heb ik onder haar knoet geleefd en dat wil ik nooit meer. Wat denkt ze wel! Ik verdom het!”
Het lijkt wel of hij van zichzelf schrikt. Hij schiet rechtop, pakt het stuur met beide handen vast en steppend met één voet op de trapper zwaait hij zijn andere been over het zadel. Dan steekt hij zijn hand omhoog en roept, terwijl hij achterom naar mij kijkt:
“Moi hè!”

worm aan haakje

Ik haal mijn hengel op. Het aas zit onaangeroerd aan het haakje. Er gebeurt hier inderdaad nooit iets.

© peter gortworst / Mrt 2013

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

19 HUF

Ik behoor tot het argeloze soort. Nooit controleer ik een kassabon van de supermarkt en als ze mij al zo’n papiertje toeschuiven is mijn standaard zin: “Doe maar in het ronde archief.” Die argeloosheid zal mij vast wel eens geld gekost hebben en misschien ook wel eens wat opgeleverd. Ik weet het niet en wil dat graag zo houden. In ieder geval is, naar mijn ervaring, een argeloos leven een prettig leven.

Het is druk en benauwend warm in deze grote Hongaarse supermarkt. Voor mij heeft een vrouw al haar boodschappen op de band gelegd en als de kassière haar spul door de piep haalt kijkt zij nauwlettend op het schermpje. Er liggen twee lange worsten. “Piep” zegt het apparaat bij de eerste worst maar bij de tweede zegt het ding niks. Nog een paar keer proberen, turen naar de streepjescode, weer proberen….. niks. De kassière pakt de eerste worst en haalt deze langs de scanner. “Piep” zegt het apparaat monter en ze gaat verder met de rest. De vrouw pakt de twee worsten uit de rij en bekijkt de prijskaartjes. Dan houdt ze de twee worsten op ooghoogte voor de kassière en wijst met haar vinger naar de prijzen. In gebrekkig Duits gelardeerd met Engelse en Nederlandse woorden wordt duidelijk gemaakt dat worst 1 duurder is dan worst 2.

Ik zucht maar eens diep en ga wat gemakkelijker staan. Een Nederlandse met een probleem de financiën betreffende, gaat tijd kosten. De kassière drukt op een knop, een lampje boven in een paal gaat branden en een dame met een indrukwekkende omvang spoed zich ter plaatse. Het probleem wordt vertelt en aanschouwelijk gemaakt, een sleuteltje wordt in de kassa gestoken en de niet piepende worst wordt weer langs de scanner gehaald. Geen piep. De streepjescode wordt met de punt van een jasje gepoetst maar weer geen piep.

worst

“Zit er een groot prijsverschil tussen die twee worsten?” vraag ik aan de dame die zeer strijdbaar alles in de gaten houdt. Het blijken 19 hele forinten te zijn. Ik reken even snel om en kom uit op 6 eurocent. “Ik heb een idee”, zeg ik haar, “U rekent gewoon af en ik betaal u het prijsverschil van die 10 eurocent.”

Fout! Helemaal fout. Het blijkt een principekwestie te zijn hoewel die een beetje aan het wankelen wordt gebracht als ik een hele euro bied maar nee, ze houdt stand. “Als je niet een beetje oplet, flessen ze je in dit land  waar je bij staat,” is de mening. “Je moet constant alles in de gaten houden!” Tja, wie ben ik om, in een rij voor de kassa, even iemands mening op een ander spoor te zetten?

De vrouw wordt verzocht om af te rekenen. Met handen, voeten en worsten wordt duidelijk gemaakt dat de verrekening elders plaats vindt. Ze betaalt en verdwijnt met de omvangrijke dame die de twee worsten draagt, naar een balie. Even later zie ik een medewerkster met de worsten door de winkel lopen. Misschien ligt er nog een worst 1. Ik weet nu al dat die kans erg klein is: handgemaakte worsten zijn geen eenheidsworsten. Er zal uiteindelijk een bonnetje geschreven worden waarmee ze naar de kassa kan om als overwinnaar en standvastig aan haar principes, een muntje van 20 forinten in ontvangst te nemen. Toch nog 1 forintje er extra uitgesleept.

forint

Er is niets mis met principes maar in dit geval vraag ik mij af of er niet enige rekbaarheid mogelijk was. Kom op meid, je bent op vakantie! Waarom dan al die heisa voor 6 cent? En wat had je gedaan als worst 1 goedkoper was dan worst 2? Bah! Krentenkakker!

© peter gortworst / aug.2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Als je Sara ziet…..

Zoals elke morgen bezorgt de wekker haar de schrik van haar leven. Klaarwakker is ze en het duurt maar even voordat ze Evert aanstoot en zegt: “Ga eens kijken!” “Kijken?” bromt Evert met zijn ogen nog dicht, “Waarnaar?” Ze gaat rechtop zitten. “In de voortuin natuurlijk. Je moet kijken of ze een Sara hebben neergezet!” Al meer dan een jaar geleden had ze aan al haar familie, vrienden en kennissen laten weten dat ze beslist geen Sara in de voortuin wilde hebben en ook geen bord met het verzoek om drie keer te toeteren. Vijftig worden kan je ook zonder al die poespas. Wonen in een dorp waar men nog tradities heeft is heel mooi maar soms hoeft het voor haar niet. Evert zwaait twee witte benen uit het bed, trekt het gordijn een stukje opzij en zegt na een vluchtige blik over hun grondgebied: “Niks te zien.” Ze haalt opgelucht adem, kijkt naar haar Evert en zegt dan met een guitig lachje: “Vergeet je niet wat?” Met een brede lach stapt hij op het houten schot van het voeteneind. “Je krijgt vijftig dikke smokken!” roept hij en laat zich voorover vallen. Ze kan nog net wegdraaien, het bed kraakt vernietigend en samen belanden ze met de matras op de vloer. Geschrokken kijken ze elkaar aan. “Ja jongetje, je bent te groot geworden voor dit soort spelletjes,” constateert ze en barst dan in lachen uit. De vijftig smokken krijgt ze.

Het was als een wild idee ontstaan en het had moeite gekost om haar Evert te overtuigen. Dit jaar geen familie en vrienden meer in de woonkamer die na een uurtje was opgedeeld in een mannen- en vrouwenhelft. Geen standaard borreltjes, flesjes bier en advocaat en geen blokjes kaas, plakjes leverworst en hamrolletjes met een asperge uit blik. Bij de Bond hadden ze een lezing gehad over de Chinese cultuur. Daar ontdekte zij dat haar teken in de Chinese dierenriem de tijger was en haar element water. Ze wist dat ze op een zaterdag jarig zou zijn en waarom zou je deze twee feiten niet combineren? Toen Evert het plan had gehoord en tot zijn opluchting hoorde dat hij maar één ding moest organiseren was hij om. Je vrouw wordt niet iedere dag vijftig dus het mag wat kosten en dat ene waarvoor hij moest zorgen was geen probleem. Zijn jongens konden mooi helpen.

jr vd tijger

Klokslag negen rijdt het ingehuurde cateringbedrijf met een vrachtwagen en een busje het erf op. Drie mannen en een vrouw bekijken de schoongemaakte deel. Na een kortstondig overleg gaan ze aan de slag en na een paar uur is de deel veranderd in klein Chinatown. Veel lampions, veel bamboe, veel afbeeldingen van tijgers met Chinese tekens, slingers en hier en daar een drakenkop. Een lange tafel voor het buffet, gezellige zitjes, tafels waar je bij moet gaan staan, een koffieautomaat, een heuse biertap en een koelkast met een glazen deur waarachter je de dranken ziet liggen. Midden op de deel de bijdrage van Evert. Een indrukwekkende toren van een oude zinken badkuip, cementtonnen en een antieke wastobbe. Het water valt vanuit de kuip in de tonnen en de tobbe. De pomp hoor je nauwelijks, de lelijke houten stellage wordt aan het oog onttrokken door tactisch geplaatste dennentakken en dat klaterende geluid van het vallende en stromende water is een lust voor het oor. Ze vindt het allemaal prachtig en kan niet wachten tot vier uur. Dan zullen de gasten komen. Buiten de familie komen alle buren, de mensen van het koor, de dames van de Bond, de leden van de toneelvereniging en de oudercommissie van de school. Al met al zo’n zeventig mensen.

Precies op tijd komen de eerste gasten. Samen met Evert heet ze iedere gast welkom en wordt hen duidelijk gemaakt dat ze zelf voor hun natje en droogje kunnen zorgen. Of het deze mededeling is of de indrukwekkende aankleding van de feestruimte weet ze niet maar de gasten zijn er even stil van.

Haar jongens verzorgen de muziek en tot nu toe houden ze zich keurig aan de regels: niet te hard en geen boem-boem-boem-herrie. De oudste rijdt haar oude vader in zijn rolstoel rond en laat hem zo alles zien. Als hij de rolstoel het opstapje naar het huis opduwt gaat ze even naar hen toe. “Opa moet plassen,” zegt de zoon en daarom neemt ze het van hem over.

Haar opzet om de opdeling tussen een vrouwen- en een mannengedeelte te voorkomen faalt jammerlijk. De mannen staan bijna allemaal in de buurt van de biertap. Zwager Henk blijkt een kundig tapper van moppen en glazen te zijn. Elk glas wordt goedkeurend met twee vingers getest op de goede schuimhoogte. Af en toe lopen een paar mannen naar de tafel met de lekkere hapjes maar veel tijd gunnen ze zich niet. Als er weer een bulderend gelach opsteekt gaan ze op een holletje terug om te constateren dat ze de laatste mop gemist hebben.

pilsje

Hun vrouwen hebben zich in kleine groepjes in de ruimte verdeeld. Martha heeft zich zo opgesteld dat ze haar Henk in de gaten kan houden. Als geen ander weet ze dat Henk, naast een goede tapper ook een goede innemer is en ze wil voorkomen dat het fout gaat. Els staat vlak bij haar. Manlief Wouter is niet veel gewend en behoefd dus ook enige controle. Samen zijn ze het er over eens dat te veel vrijheid lelijk kan ontaarden in anarchie en losbandigheid en ze begrijpen de opzet van de gastvrouw wel maar ze had toch wel rekening moeten houden met de zwakheden van hun echtgenoten. Wanneer de gastvrouw even later bij hen komt staan houden ze daarover echter stijf hun mond. Nee, het is reuze gezellig en wat slim om het zo te vieren, liegen ze. Plots klinkt er gejoel vanuit het huis. De jarige haast zich naar binnen en vindt daar een vijftal mannen en twee vrouwen die staan te wachten voor de deur van de wc. Wat is leuker dan degene die aan de beurt is op te jagen met bonzen op de deur en mededelingen te doen over de noodzaak om enige haast te maken? Er is geen tweede wc. Moet ze hier wat aan doen? De angst slaat haar om het hart als ze verneemt dat de mannen van plan zijn buiten een goede gelegenheid te zoeken. Ze schiet haar Evert aan. Hij moet er voor zorgen dat de mannen dan maar aan de rand van de mestvaalt gaan staan.

Tegen zessen komt het cateringbedrijf met het avondeten. Grote schalen vinden hun plaats op de tafel en elke schaal bevat een chinees gerecht. Bakjes met sambal, bakjes met kokos en pinda’s en schalen met kroepoek worden tussen de grote schalen gezet. Tot slot worden een stapel borden en een plateau met bestek naar binnen gebracht en kan het eten beginnen. Voor haar vader heeft de gastvrouw een pannetje met boerenkool klaargemaakt. Ze weet dat hij de kruiden niet goed kan verdragen en als zij het bordje bij hem neer zet geeft hij te kennen dat hij weer naar de wc moet. Er zit niet anders op dan hem in de rij voor de wc te stallen en te laten wachten op zijn beurt. Eén van de wachtende vrouwen zal haar laten weten wanneer dat is. Terugkomend op de deel ontwaart ze een opstootje bij de tafel waar haar vader net zat. Buur Piet heeft het bordje met boerenkool gezien en is van mening dat dit het voedsel is wat hier voor iedereen geserveerd dient te worden. “Ik woon niet in China! Ik woon in Nederland en Nederlands betekent voor mij boerenkool! Ik hoef die Chinese rommel niet!” Zijn vrouw Stientje probeert hem richting uitgang te duwen. “Kom Piet, we gaan even naar buiten. Even een frisse neus halen.” Ze verontschuldigt zich bij de gastvrouw: “Hij heeft er een paar te veel op en dan krijg je dit…” Een tweetal broeders in het kwaad leiden Piet naar buiten en op een holletje gaat de jarige terug naar de wc.

Pa is aan de beurt en als ze bijna met hem klaar is klinken er opnieuw kreten vanaf de deel. Onverantwoord snel duwt ze de rolstoel de deel op. Het waterkunstwerk is gaan schuimen. Grote wolken van schuim stijgen op vanuit de verschillende kuipen, worden topzwaar en vallen langs de randen op de vloer. Ontzet staart zij naar dit verschijnsel en ruikt een wilde geur van limoenen. Dan ontdekt zij haar lege fles afwasmiddel tussen de dennentakken. Wie heeft…..? “Evert! Zet dat ding uit!” commandeert zij met een iets te schelle stem. Ze kijkt woedend om zich heen maar niemand wijst naar iemand. Even wordt het haar allemaal te veel maar ze vermand zich en alsof er niets is gebeurt, schept zij zich een bord vol.

chinees eten

Ze eet samen met Evert haar bord leeg. Een weldadige stilte vult de deel. Haar gasten genieten van het eten, de klaterende waterval klinkt niet meer en plots weet ze waarom het bij de wc zo druk was.

Martha komt met een rood hoofd binnen en vertelt dat ze naar huis moet. Henk heeft zich bij de mestvaalt verstapt en is tot zijn kruis in de stront gaan staan. Zelf vond hij het nog meevallen maar Martha is niet meer om te praten. “Je zou minder stinken als je niet zo veel gezopen had,” zegt ze en Henk heeft niets meer in te brengen.

Het bier is op, de schalen met eten zijn koud of leeg. De laatste gasten zijn vertrokken en ze zit samen met Evert zwijgend aan een tafel. “Hoe vond je het gaan?” vraagt Evert na een tijdje. Ze probeert niet te denken aan de wc die ze morgen beslist schoon moet maken, aan de benen van Henk, aan de schrale lucht van al het gemorste bier, aan alle kritische opmerkingen die, verpakt in huichelachtige algemeenheden, slechts één ding duidelijk wilden maken: een verjaardag viert men hier niet op deze manier.

“Vertel ik je morgen,” antwoord ze, “We gaan nu naar bed. Ik ben doodmoe” “O shit, het bed!” zegt Evert.

kapot bed

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Mijn hond doet dat niet…..

Maartje is bijna veertien jaar en dat kan je aan haar zien: de snuit is grijs, het gehoor behoorlijk minder, de gang wat houterig en alle konijnen zijn haar tegenwoordig te snel af. Soms waant ze zich nog een jonge meid. Uitdagend loopt ze dan met een speeltje in haar bek en daagt je uit om het af te pakken, weg te gooien en dat het liefst een keer of tien. Andere keren staat ze zo oud te wezen dat spontaan dood neervallen beslist niet denkbeeldig is. Maar het is bovenal een lieve en sociale hond. Ze voelt feilloos stemmingen aan en handelt er ook naar. Elke hond die we te logeren krijgen wordt zondermeer geaccepteerd, voor de drie katten hier in huis heeft ze een heilig respect en elk kind dat haar wil aaien, mag dat.

Ik maak haar los van de riem. Hier kan dat zonder gevaar voor haar en anderen. Plotseling davert er een zwarte labrador op ons af. Een jonge hond zo te zien. Maartje heeft de staart hoog en wacht de onvermijdelijke ontmoeting af. Wederzijds gesnuffel, geen nekharen die omhoog staan en staarten die kwispelen. De labrador neemt een speelhouding aan en tot mijn verbazing wil Maartje wel. Het duurt maar even en dan rennen ze over het kleine grasveldje achter elkaar aan. De labrador legt, als ze even stil staan, zijn voorpoot in de nek van Maartje maar met een duidelijke waarschuwing laat mevrouw weten daar niet van gediend te zijn. Het is leuk om naar te kijken en ik weet nu al dat onze dame straks dodelijk vermoeid in haar mand ligt.

lab1

“Max! Max!” Links achter de bomen roept een mannenstem een hond. Het zal zonder twijfel deze labrador betreffen maar de hond reageert niet. Spelen is veel leuker dan een baas. Tussen de bomen door komt er een man aanlopen. “Is dat uw hond?” vraag ik. “Ja,” en ongevraagd deelde hij mee: “het is een zwarte labrador. Een reu.” “Leuke hond. Nog niet zo oud denk ik.” Hij draait ondertussen een sjekkie en antwoordt: “Nee, zes maanden.”

Het valt me op dat hij geen hondenriem bij zich heeft en ook de hond draagt geen halsband. “Hij zal wel lekker aan het puberen zijn?” vraag ik. De man kijkt me niet-begrijpend aan. “Ik bedoel dat de hond wat leeftijd betreft een puber is. Hij weet plotseling niet meer wat ‘af’ is. Van ‘op je plaats’ heeft hij nog nooit gehoord en ‘kom hier’ betekent vanaf nu overal zijn maar niet dáár. Net een mensenpuber.” “Nee, dat doet hij niet. Ik heb hem prima onder appèl.” Het klinkt een beetje verontwaardigd, een beetje als een vader of moeder die je aanspreekt op het wangedrag van hun kind: “Mijn kind doet zoiets niet….”

We praten nog wat over honden, koetjes en kalfjes en besluiten ieder ons weegs te gaan. Ik klap in mijn handen (dat hoort ze nog) en Maartje komt aanlopen met de tong uit de bek. Max volgt haar, ook de tong uit de bek en klaar voor nog een rondje grasveld. “Kom maar meisje. We gaan verder.” Maartje volgt me maar Max ook. “Max, kom hier!” roept de man achter mij, “Hier!” Ik stop en draai me om. “Gewoon weglopen en niet meer roepen. Max komt dan vanzelf wel,” roep ik als advies. Met z’n drieën kijken we naar de verdwijnende rug van de baas. Na een kleine vijftig meter kijkt hij om. “Het werkt niet!” roep ik, “je zult hem moeten halen!” Ik hoor hem vloeken. Vlakbij gekomen probeert hij het weer. “Max! Hier!” dondert het. De hond gaat achter me staan. “Ik zou ook niet komen,” zeg ik, “Bij een boze baas moet je niet in de buurt komen.” “Ja, wat moet ik dan!?” moppert hij. “Je moet het leuk voor hem maken om bij je te komen. Zet een vrolijk hoog stemmetje op, ga door de knieën en zorg dat je wat lekkers bij je hebt om hem te belonen. Hoewel, als je hem onder appèl hebt is dat eigenlijk niet nodig.” Hij kijkt mij vuil aan maar ik doe alsof mijn neus spontaan is gaan bloeden. Hij jaagt de hond voor zich uit en loopt weg. Ik ga de andere kant op.

Na een paar honderd meter is Max er weer. Zonder baas. Opgetogen blaffend springt hij om Maartje heen. Wat te doen? Zal ik doorlopen of zal ik wachten tot de ‘baas’ er weer is? Het lijkt mij het beste om maar te wachten. Waarschijnlijk is de man al boos genoeg. Dat klopt. Met een gezicht dat op hevig noodweer staat en mopperend over die rothond die niet wil luisteren, komt hij aanlopen. Met de opmerking: “Ik denk dat Max op oude vrouwen valt,” probeer ik enige humor in de situatie te brengen. Dat wordt of niet begrepen, of niet gewaardeerd, want hij kijkt me alleen maar stom aan.

lab2

“Weet je wat? Ik doe hem de halsband van mijn hond om. Dan neem je hem gewoon aan de riem mee en lever je de riem met halsband later bij mij thuis af.” Hij aarzelt. Het kost hem zichtbaar moeite om deze oplossing te accepteren maar zijn perfecte hond laat hem niet veel keus. Ik vertel hem waar ik woon en verwissel de halsband. “Je moet voorzichtig zijn met deze riem. Het is al een oude. Als je er een ruk aan geeft bestaat de kans dat hij breekt. Zorg er dus voor dat Max netjes naast je loopt.”

Op het commando: “Max naast!” gaat de hond warempel keurig naast de man zitten. “Max volgen!” en Max loopt netjes naast de man mee. Het is dus echt een onberekenbare puber. “Zie je wel! Hij kan het wel!” roept de man met gehavende, maar gepaste trots. Max kijkt even om. Nooit geweten dat honden kunnen knipogen.

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Pareltje

Ik weet nog niet zo precies waar ik nu ben en zie er ook niet meer uit zoals ik was. Volgens mij zie ik er helemaal niet meer uit maar ik voel mij wel goed. Alles is hier nieuw voor mij. Het is ook niet donker. Ik heb nog nooit eerder licht gezien maar dit is wel een beetje raar licht. Het lijkt wel of het overal vandaan komt. En om nu te zeggen dat ik veel kan zien…nou, nee… Ik heb al wel ontdekt dat ik niet alleen ben. Vreemd toch dat ik dat dan weer wel weet. Ze zijn allemaal als ik. Geen idee wie dat allemaal zijn. Ik zou het wel graag willen weten. Lijkt mij wel gezellig maar om de één of andere reden lukt dat niet. Het is net alsof ik niet om mij heen kan kijken… Nee, dat is niet het goede woord. Is het ‘om mij heen denken’? Of is het ‘om mij heen zijn’?

Shell-Pearl-Wallpaper-High-Resolution

Raar. Ik kan wel achteruit en naar ‘nu’ kijken en dan bedoel ik echt ‘zien’, maar naar voren, zeg maar iets wat je ‘later’ zou kunnen noemen, is er niet. Misschien is het ‘nog niet’ en komt dat nog wel. Ik laat het maar gebeuren en wacht wel af. Dat kan ik wel. Dat heb ik al eens gedaan.

Het voelde wel lekker waar ik eerst was. Warm, zacht, wiebelig en donker. Ik had het prima naar mijn zin. Er viel niets te zien maar ik voelde mijzelf mooi en het mooiste was dat ik bijna elke dag een beetje anders voelde. Oké, ik was heel klein maar ook iets van een paar millimeter kan mooi zijn. Misschien dat zij mij daarom nog steeds Pareltje noemt. Ik leek een beetje op een hele kleine walvis met een echte staart. Toch jammer om te ontdekken dat die steeds kleiner werd. Ik liet het maar gebeuren en wachtte af.

foetus

Die paar millimeter miniwalvis was “ook ik”. Nu is die “ook ik”, die miniwalvis er niet meer. Geen idee hoe dat gekomen is. Plotseling dreef ik los rond, werd weggeduwd, meegevoerd en waar ik nu ben, werd ik weer wakker.

Ik zie mijn moeder op het bed liggen. Er staan een man en een vrouw met witte jassen aan, naast haar. “Ja, jammer,” zegt de vrouw, “maar zulke dingen gebeuren nu eenmaal.” “Het lichaam stoot niet voor niets een foetus af,” zegt de man en het klinkt bijna dreigend. “Neem het er maar even lekker van, probeer nu te slapen en ga dan weer, rustig aan, met de dagelijkse dingen beginnen. Lichamelijk is er niets mis met u. Wat mij betreft staat niets een toekomstige zwangerschap in de weg.”

Ze zijn gegaan maar mijn moeder slaapt niet. Ze ligt op haar zij en huilt. Dan gaat de deur open en een man, met in zijn hand een kopje thee, komt binnen. Ah ha! Dàt is dus mijn vader. Hij zet het kopje op het nachtkastje, gaat naast mijn moeder liggen en slaat zijn arm om haar heen. Ze zeggen niets! Zij huilt en hij ligt naar het plafond te staren. Doe je mond open man! Praat met haar, vraag haar wat ze denkt en voelt. Hier ligt je vrouw die haar, nee, jullie kind heeft verloren. Ik was geen ‘foetus’ of een ‘bloedprop’. Ik was daar echt bij jullie en die hele miniwalvis van 6 millimeter is nu dood. Dood ja! Ik was een écht kind. Ze had mij lief en nu ben ik dood!

Hij zegt niets en hij kijkt in het niets.

Ze draait zich naar hem toe. “Weet je,” zegt ze, “Ik vertrouw mijn eigen lijf nu even niet meer. Ik heb het gevoel dat ik gefaald heb en daarom Pareltje ben kwijtgeraakt. Denk jij dat ook?”

O, nee hè! Man! Pas op! Als je het, na dat stommetje spelen, ook nog waagt om ook maar één milliseconde te aarzelen met je antwoord en ook nog het verkeerde antwoord te geven dan…. Ja, wat moet ik dan? Vaststellen dat er daar iets onherstelbaar stuk gaat? Wat kan ik nog?

Goddank! Hij zegt gelijk dat hij dat absoluut niet denkt. Veel beter wordt het echter niet: “Ik zie het als iets heel natuurlijks,” zegt de sukkel, “Je lichaam heeft het afgestoten omdat er iets mee was. Het is niet anders. Maar we blijven het gewoon proberen toch?” Hij kijkt naar haar met een lach op zijn gezicht. Verbijsterd kijkt zij naar dat lachende gezicht, draait dan haar hoofd van hem weg en haar rug naar hem toe. Een beetje verbolgen trekt hij zijn schouders op, gaat staan en loopt de kamer uit. Ja, gooi het maar op die hormonen van haar! Hoezo ‘er was iets met mij’? Nee, jij bent een licht! Ik ben toch ook jouw kind en niet zomaar een biologisch verschijnsel?! Ik ben toch geliefd en gewild en die liefde kan toch niet zomaar weg zijn?

Jammer dat ik nog niet weet hoe hier alles werkt. Zou het mogelijk zijn om je moeder te laten weten dat ik er nog wel ben maar dat het ergens anders is? Dat het ‘hier’ is? Het zal haar vast goed doen als ze weet dat ik haar werkelijk voelbare verdriet en pijn ken. Dat ik weet dat zij om mij rouwt en dat ze mij onvoorwaardelijk lief heeft.

Ik ga hier maar even rondkijken en dit, misschien wel voor een kleine eeuwigheid, mijn thuis maken. En dan? Kan ik het dan maar laten gebeuren? Kan ik dan maar afwachten of moet ik hier een goede geest zoeken die mij kan vertellen hoe ik mijn moeder kan troosten? Of kan ik dat helemaal niet en zal ze het moeten hebben van mensen om haar heen die een goede geest hebben? Die zullen daar toch wel zijn?

Hè, wat een hoop lastige vragen voor een kind dat nog maar net dood is.

Geschreven voor een lieve vriendin. Augustus 2014

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Knickerbocker

Ik ben heel omzichtig en langzaam omhoog gekropen en kijk nu, plat op mijn buik, net over het dijkje naar mijn vogelparadijs. Het ligt in een redelijk onbekend en daardoor zeer matig bezocht natuurgebied. Mijn paradijs is een aardig eindje lopen vanaf de parkeerplaats en dus te ver voor de gemiddelde frisse-lucht-snuiver. Bovendien is het deze herfstdag waterkoud en af en toe miezert het een beetje.

Ik klap mijn bril omhoog en zet de kijker voor mijn ogen. Voor mij strekt zich een veenplas uit. Hele stukken land staan net droog en meer naar het midden is het vast dieper omdat daar zich de verschillende soorten duikeenden vaak ophouden. Het is druk. Op de voorgrond twee zwarte kraaien en natuurlijk zijn de meerkoeten en wilde eenden in grote getale aanwezig. Mijn aandacht wordt getrokken door een reiger die, omgeven door andere steltlopertjes, met zijn poten net in het water staat. Ik geloof mijn ogen niet maar het zou best eens een purperreiger kunnen zijn. Dat zou de eerste zijn die ik in mijn leven zie. Ik vis mijn vogelboek uit mijn jas en zoek hem op. Eigenlijk weet ik het wel zeker maar wat zijn de typische kenmerken van een purperreiger? Waar moet ik op letten?

purperreiger

“Wat valt hier te zien?” Ik schrik mij wezenloos. Niet alleen van die harde stem maar ook van een neus behorend bij een bruine labrador die, getuige zijn hijgerig gesnuif, mijn linkeroor machtig interessant vindt ruiken. Ik schiet overeind. De stem komt van een man met knickerbocker plus groene kousen en hij staat al bovenop het dijkje te kijken naar mijn vogelparadijs. Daar is van pure schrik alles op de wieken gegaan te beginnen met de twee zwarte kraaien. De labrador is er achteraan gerend en plonst met zijn lompe poten het water in. “Zijn dat zwarte kraaien?” vraagt de man. “Ja, dat wáren twee zwarte kraaien,” zeg ik gelaten. “Twee kraaien pikken elkaar de ogen niet uit en een vliegende kraai vindt altijd wat,” zegt de man. “Oude gezegden. Wist je dat?”

Met stomme verbazing hoor ik hem aan en speel dus stommetje. “Jij kijkt vogeltjes?” Ik knik. “Grappig, er zijn heel veel spreekwoorden en gezegden die over vogels gaan. Men kent de vogel aan zijn veren. Ken je die?” In een vlaag van gevatheid wil ik een opmerking maken die zijn kleding als onderwerp heeft maar verstandig lijkt mij dat niet. “Een amateurornitholoog zal dat niet weten,” zeg ik, mij van de domme houdend. Dat kost weinig moeite en gaat mij meestal goed af. “Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. Vogeltjes die vroeg zingen zijn meestal voor de poes. Zie je wel? Er zijn er meer dan genoeg die over vogels gaan. Grappig hè?”

Ik kijk hem zwijgend aan. Wat moet ik met zo’n neerlandicus die met zijn hond mijn vogelparadijs komt verstoren? “Kom je hier vaak?” wil de knickerbocker weten. “Alleen als er een goede kans is dat ik niet gestoord wordt.” Hij kijkt mij nadenkend aan. “Ja, dat is natuurlijk vervelend maar zo veel toeristen komen hier toch niet? Ik kom hier af en toe maar dit is wel het rustigste deel van dit hele natuurgebied. Nee, er is niet veel kans dat je hier gestoord wordt, toch?” Een bord voor de kop hebben. Ha, kijk eens aan. Ik kan ook nog wel een gezegde uit mijn mouw schudden maar wijselijk houd ik mijn mond.

Ik realiseer mij terdege dat ik geen gezellige en opgewekte gesprekspartner ben en hij merkt het zeer zeker ook. Een beetje ongemakkelijk staan we daar. Hij werpt nog een blik op het water, kijkt mij nog een keer aan, fluit dan zijn hond en met een “Nou, we gaan maar weer eens. Veel plezier verder.” vertrekt mijn vogelverschrikker.

Mijn paradijs ligt er verlaten bij. Alleen de eenden zijn er nog; helemaal aan de andere kant van het water. Als ik mij omdraai zie ik de knickerbocker het pad afmarcheren richting de parkeerplaats. Nu weet ik er ook nog één: De tijden worden slecht, zei de kraai toen de galg werd afgebroken.

Geen idee of dit spreekwoord hier van toepassing is maar de combinatie van een mooie zwarte kraai en een hoge galg ontstaat spontaan en wordt stiekem ingevuld door mijn teleurstelling. Ik wens het beest betere tijden.

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

Gierzwaluwen

De route van mijn krantenwijk voert dwars door een groenstrook tussen twee flats. Door de plaatselijke overheid wordt het stug een ‘park’ genoemd. Goed, er staan wat bomen, er zijn speelveldjes en hier en daar zijn bankjes neergezet met in de directe omgeving een wipkip. Jammer voor de overheid, de voetballende jeugd en de moeders met kinderen: het park wordt voornamelijk als uitlaatplaats gebruikt door de vele hondenbezitters die massaal het losloopverbod negeren.

Het is vroeg. Net na zessen en nog donker. Op een bankje langs het pad zit iemand. In het voorbijgaan zie ik dat het een jonge vrouw is. Ik schat haar eind twintig, rank gebouwd en donker gekleurd. Er klopt iets niet. Wie gaat er nu zo vroeg in het donker, helemaal alleen, op een bankje zitten? Ik fiets terug. “Jij dacht dat er iets niet klopte,” zegt ze zodra ik stil sta en voor ik één vraag kan stellen. Ik kan in het donker haar gezicht niet goed zien maar volgens mij zei ze het met glimlach. “Ja, je verwacht toch niet dat er nu iemand hier op een bankje zit? Gaat het wel goed?” “O ja hoor. Ik hoef alleen maar te wachten.” De gedachte dat ik getuige kan zijn van een geheime ontmoeting schiet door mijn hoofd. “Het is niet wat je denkt,” zegt ze, “ik wacht op de vogels.” “Vogels? Wat voor vogels?” vraag ik met een stem waarin het onbegrip duidelijk te horen moet zijn. “De vogels die hier wonen,” antwoordt ze. Het is duidelijk: die spoort niet. Ik draai mijn fiets weer om en zeg: “Die komen vast wel. Gewoon nog even wachten. Dag hoor!” Als ik weg wil rijden zegt ze snel: “Ik ben niet gek!” Ja, dat zegt elke gek en ik weet wel beter.

Als mijn kranten bezorgd zijn fiets ik via het park terug. Het is omrijden maar ik wil weten of ze er nog is. Ze is er niet. Misschien loopt ze hier in het donker ergens rond. Ik maak me een beetje zorgen maar de tijd ontbreekt om er nu iets mee te doen. Het lukt me niet om het van me af te zetten maar gedurende de dag raakt het hele voorval toch op de achtergrond.

Op het moment dat ik de kranten in mijn fietstas doe herinner ik mij de vrouw op het bankje. Ik hoop dat ze er weer is want dat kan betekenen dat ze hier in de buurt woont. Ze zit op hetzelfde bankje. “Dag,” zeg ik en blijf met één voet aan de grond staan. “Dag,” zegt ze, “je hebt gisteren gekeken of ik er nog was.” “Heb je mij dan gezien?” “Nee, maar ik weet het.” Ik voel me betrapt. “Waar was jij dan,” vraag ik. Ze zegt niets. “Woon je hier in de buurt?”wil ik weten. Ze knikt met haar hoofd in een richting die precies tussen de twee flats loopt maar daar staan helemaal geen huizen. Het is net bouwrijp gemaakt en er kan nog geen mens wonen. “De zanglijster is terug,” zegt ze, “hoor maar!” “Ik weet het. De lente is begonnen,” antwoord ik en wil wat meer weten over haar woonadres. Ze reageert niet op mijn vragen en bovendien is het tijd om te gaan. “Dag,” zeg ik. “Dag,” zegt zij.

Ook vandaag is ze er weer. Ik stap af en ga naast haar zitten. Ze kijkt even opzij. “Hoe heet je?” vraag ik. “Supa,” antwoordt ze. “Dat is geen Nederlandse naam,” concludeer ik, “waar komt die naam, nee, waar kom jij vandaan?” “Je moet weg. Je band is kapot.” Verbluft kijk ik naar haar gezicht en naar mijn fietsbanden. Zij kijkt met haar grote, bijna zwarte ogen een beetje schuin omhoog alsof zij ze ziet vliegen en aan mijn banden is niets bijzonders te zien. Zonder een woord te zeggen stap ik op en rij weg. Bij de flat fiets ik van de stoep en met een knal loopt alle lucht uit mijn achterband.

Als ik zeg dat zij mij mateloos boeit, druk ik mij zwak uit. Ik sta, figuurlijk gesproken, met haar op en ga met haar naar bed. Elke morgen zit zij op het bankje. Dat maakt mij blij en tegelijkertijd maakt ze mij onrustig. Ik krijg geen vat op haar en barst van de vragen. Ze weet altijd wat ik wil gaan zeggen of wat ik wil vragen. Het is heel raar om antwoorden te krijgen op vragen die je nog wilt stellen en waarom accepteer ik dat zij vaak geen antwoorden geeft? Hoe komt het dat ze zo veel van mij weet? Soms voel ik mij een nachtvlinder die om een lantaarnlamp fladdert: zo dicht bij het doel en toch onbereikbaar. Wie is zij? Wie of wat is Supa?

“Er is niks aan de hand,” zei ze op een keer. Wist zij dat ik mij ‘s morgens zorgen had gemaakt over een knobbeltje dat ik meende te voelen? Mijn grootste angst is de terugkomst van de ziekte en die angst vreet energie en belemmert mijn ‘normale’ functioneren. Ik ben nooit meer geworden die ik was en aan accepteren ben ik nog niet toe.

Voordat mijn oude vader met spoed in het ziekenhuis werd opgenomen wegens hartritmestoornissen had ze die morgen gezegd: “Je moet niet bang zijn. Het komt goed.” Het heeft geholpen. Ik was niet bang maar begon wel een beetje bang van haar te worden.

“De tjiftjaf is terug.” Deze mededeling verbaast mij niet. De afgelopen weken ben ik regelmatig van de terugkomst van allerhande vogels op de hoogte gehouden. Als ik zelf niet had ontdekt dat ze weer terug waren, vertelde zij het mij wel. “Wanneer houdt dit op? Wanneer is de laatste vogel terug?” vraag ik. “Als de gierzwaluwen er zijn.” “En dan Supa? Wat gebeurt er dan?” Ze geeft weer geen antwoordt. Ik had het kunnen weten.

Pasen valt laat dit jaar. Volgens alle meteorologen wordt het fantastisch mooi weer. Het is Goede Vrijdag, net na zessen en het is inderdaad al behaaglijk warm. Supa zit op het bankje en gedraagt zich duidelijk anders dan normaal. Ze is opgewonden en druk. “Misschien vandaag en anders morgen!” zegt ze. “Wat vandaag of morgen?” vraag ik. “De gierzwaluwen, de gierzwaluwen!” en voor het eerst zie ik haar gaan staan. Ze kijkt zoekend in de lucht en draait rondjes om haar as. Plotseling stopt ze met draaien. Ze gaat naast mij zitten, kijkt mij met die grote, bijna zwarte ogen aan en legt voor het eerst een hand op mijn knie. “Duik niet weg als je bang bent. Wat is één moment van angst in de eeuwigdurende cadans van de seizoenen?” Ze gaat weer staan en tuurt de hemel af. “Elke gevangene wil alleen maar vrij zijn,” zegt ze. Het voelt alsof ze dit niet alleen tegen mij zegt. Denkt ze hardop of is het de bedoeling dat ik het ook hoor?

Stille Zaterdag. Prachtig voorjaarsweer maar Supa is er niet. Boven mijn hoofd cirkelt een groepje gierzwaluwen. Terwijl ik naar ze kijk duikt één vogel naar beneden en schiet met een schreeuw langs mij over het pad. Een vlugge draai en met snelle vleugelslag vliegt het beestje op ooghoogte naar mij toe. Ik duik in elkaar en als ik weer rechtop sta zie ik de vogel opnieuw op mij af komen. Nogmaals duik ik naar beneden. Dan schieten mij de woorden van Supa door het hoofd. Als de vogel weer naar mij toe vliegt blijf ik staan en op het moment dat het beestje vlak over mijn hoofd schiet voel ik een windvlaag door mijn haren gaan. Het is alsof een nieuwe geest in mij wakker is geworden en met mijn handen in de lucht schreeuw ik “Supa! Supa! Apus Apus!” Weer komt zij op mij af. Veel sneller vliegend maar ruimschoots voor mij schiet het als een raket omhoog en schreeuwend voegt het zich bij de anderen. Ik schreeuw mee. Loze kreten maar ze komen uit het diepste van mijn ontketend lijf. Het is mij gelukt! Ik ben niet weggedoken en ik merk dat een diep gevoel van geluk mij heeft gevuld. Het is lang geleden dat ik mij zo voelde. Het voelt als een zomerse warmte. Er is ruimte in mij gemaakt, kan dieper ademhalen en voel mij kilo’s lichter.

gierzwa

Ik ga op ons bankje zitten en kijk ik omhoog. Het groepje zwaluwen cirkelt nog rond. Eén van deze vogels kent mij beter dan ik mijzelf ken. Ik wil en zoek geen verklaring voor deze gebeurtenis. Wonderen gebeuren blijkbaar zomaar en mijn wonderdoener vliegt daar.

Mijn Supa…..mijn gierzwaluw met haar ranke gestalte, haar grote donkere ogen, haar naam…. Was zij ook een gevangene die de vrijheid zocht of heeft ze het voor mij gedaan? Is zij gestuurd en door wie dan wel? Waarom naar mij?

Ik schud mijn kop. Het zijn moeilijke en lastige vragen die ik niet zou mogen stellen. Accepteren dat er iemand is die het beste met je voor heeft en je gelukkig wilt zien, is soms al moeilijk genoeg.

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

De IJssel bij Deventer

Dit had ik niet gedacht. Het is vroeg in de middag en de order is binnen. Ik had rekening gehouden met langdurige onderhandelingen over prijzen, betalingen en voorwaarden maar alles is soepel verlopen. Nu sta ik buiten en het is een schitterende zomerdag. De zon schijnt volop en de temperatuur is behaaglijk. Ik besluit het er van te nemen en een pauze te houden aan de oever van de IJssel.

Bij een klein winkelcentrum koop ik vier krentenbollen en een flesje frisdrank. Aan het eind van de Kazernestraat ga ik, via de rotonde, de Emmastraat in, neem de ventweg die mij langs de ramen met de rode lampjes voert en draai rechtsaf de Welle op. Net na de spoorbrug sla ik rechtsaf en parkeer de auto.Met frisdrank en krentenbollen loop ik terug naar de dijk.

Voor mij stroomt de IJssel. Er is een bankje vrij. Mijn colbertjas doe ik uit, stroop de mouwen op en ga een beetje gedraaid naar de zon zitten. Met een hap krentenbol in mijn mond kijk ik om mij heen. Links, onder de spoorbrug door, schittert de zon op het water. Aan de overkant lopen twee vrouwen die hun honden uitlaten. Daar vliegt ook een aalscholver. Hij landt op het water en waarschijnlijk duikt de vogel meteen onder want ik zie hem niet meer. Van rechts komt er een vrachtschip. Met zwaar motorgebrom vaart het langzaam tegen de stroom in. De dekluiken zijn dicht maar aan de diepgang kan je zien dat het zwaar geladen is. Als het schip dichterbij gekomen is kan ik de naam lezen. ‘Volharding’ heet de boot en uit ervaring weet ik dat het typisch een naam voor een binnenvaartschip is. In de stuurhut staat een man en op het achterdek is een vrouw was aan het ophangen.

Door lawaai van een trein kijk ik omhoog. Langzaam rijdt een goederentrein over de brug en ik ontdek een fietser die ook de brug overgaat. Nooit geweten dat daar een fietspad loopt. Logisch is het wel. Je zult maar naar de overkant willen en altijd moeten omrijden via de Rijksstraatweg. Met het veerpontje lukt het ook wel maar dat kost tijd.

De rivier stroomt snel. In de winter staat het water soms wel zes meter hoger maar nu kan ik mij dat moeilijk voorstellen. Een stuk boomstam met een rechtopstaande tak als ware het een mast, komt voorbij. Meegevoerd door de stroom. Waar zal het eindigen? Zal het onderweg ergens blijven steken of maakt het de hele reis tot het IJsselmeer?

Ik houd van deze rivier. Als ik naar Zwolle moet neem ik vaak de weg die langs de rivier voert. Ik geniet van het rivierlandschap en als de tijd het toelaat spot ik de eenden en ganzen die in de uiterwaarden bij Olst en Wijhe zitten. Wat mij zo aanspreekt zijn de vele gezichten die deze rivier toont. Het smalle stroompje langs de autoweg bij Dieren, de brede watervlakte bij Kampen, het winterse hoge water dat net niet over de muur Deventer instroomt of het kabbelende water bij de jachthaven van Hattem; het is steeds dezelfde rivier. Bij Gorssel ben ik eens met de auto via moeilijk begaanbare landweggetjes tot vlak bij de rivier gekomen. Daar staan de resten van een wilg. Een manshoog gedeelte van de stam staat er nog maar over de volle hoogte is de helft weg. Het stroomafwaarts gericht gedeelte ontbreekt. Het lijkt een kolossaal staand stuk dakgoot of een eenpersoons wachthuisje. Ik wilde het toen vastleggen en heb nog geprobeerd het te tekenen. Helaas is deze kunde voor mij niet weggelegd. Altijd een fototoestel bij je hebben is een optie maar dit soort voornemens blijven net zo vaak alleen maar voornemens.

Zo ook het voornemen om ooit een boot te huren en de rivier vanaf de Rijn tot het IJsselmeer af te varen. Ik zal er ruim de tijd voor nemen, alle plaatsen langs de rivier bezoeken, veel filmen en fotograferen en overnachten op stille plekjes of jachthavens. Ik stel mij een zonovergoten rivierlandschap voor met aangename temperaturen en interessante gesprekken met schippers van de beroeps- en pleziervaart. Op knusse terrasjes bij een ondergaande zon mooie verhalen beluisteren van havenmeesters en pontbazen.Een voornemen dat, naarmate de jaren verstrijken, een stille dood zal sterven. Mijn vrouw houdt niet van varen en een vaarbewijs bezit ik ook niet.

Om mij te pesten vaart er een plezierjachtje voorbij. Het gaat met de stroom mee en waarschijnlijk draait de motor net hard genoeg om te kunnen sturen. Ik kijk het bootje na en voel mij weemoedig worden. Dat heb ik ook als er hoog in de lucht een vliegtuig witte strepen trekt of als ik in IJmuiden op de pier sta en een schip zeewaarts vaart. Het verlangen is dat wat mij weemoedig maakt. Ik wil mee. Mee naar verre oorden. Meer van de onbekende wereld zien dan alleen dit overbekende kikkerlandje. Nieuwe landen zien, nieuwe geuren ruiken, andere mensen, andere culturen ontmoeten en beleven. Het is niet een afzetten tegen de dagelijkse gang van zaken waarin ik nu verkeer maar een verlangen naar het onbekende. Weten dat je aan één leven niet genoeg hebt om alles te zien en te ontdekken en je realiseren dat je in dit ene leven er niet aan toe komt om daar een serieus begin mee te maken. Er zal nu eenmaal geld verdiend moeten worden. Ik heb verplichtingen naar mijn gezin, naar de familie en mijn vrienden. Ik kan niet zomaar weg gaan en doen waar ik zin in hebt. Mijn favoriete dichtregels van Willem Elsschot schieten mij te binnen:

‘Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat’

Zo is het nou maar net. Vol van gedachten en met een onrustig gevoel staar ik naar mijn lege flesje frisdrank. Een onbekende dwang maakt dat ik opsta en naar de auto loop. Met een potlood en stukjes van een papieren zakdoekje maak ik de binnenkant van het flesje droog. Uit mijn kladblok scheur ik een velletje en schrijf er mijn telefoonnummer op. Ik rol het op en wil het in het flesje duwen. Dan bedenk ik mij en schrijft voor het telefoonnummer nog 00-31. Zekerheid voor alles. Het briefje gaat in de fles en ik draait de dop goed aan. Ik voel haast en loop naar het begin van het fietspad dat over de brug gaat.

Op de brug kies ik zorgvuldig mijn plek uit. Ik wil precies in het midden van de rivier staan. Dan laat ik het flesje in het water vallen en kijk het na tot het niet meer te zien is. Een klein stukje van mij is op reis gegaan. Ik voel de rust weer in mij terugkeren. De gejaagdheid is weg. Ik heb een daad verricht. Misschien is dit voor iedereen een belachelijk gedoe. Ik voel dit zo niet. Als ik zelf niet weg kan, dan toch iets van mij persoonlijk, ook al is het slechts mijn eigen nummer. Het flesje komt vast heel ver. Misschien wel via de sluizen in de Afsluitdijk en via de Waddenzee tot aan de Deense kust. Misschien nog wel verder en krijg ik een telefoontje uit Noorwegen. Terwijl ik de brug weer afloop fantaseer ik er lustig op los. Zal ik naar Kampen rijden om te zien of het flesje daar voorbij komt? Onzin natuurlijk maar het lijkt mij zo mooi om te zien dat dit kleine stukje van mij, in volle vrijheid, op weg is naar verre oorden.

Aan het begin van het fietspad staan een man en een vrouw in uniform. Als ik dichterbij kom zie ik dat het Stadswachters zijn. De man spreekt mij aan. “Zagen wij het goed dat u een plastic flesje in het water gooide?” Ik beken en wil enthousiast vertellen van het briefje en de verre reis die het gaat maken. Ik kom er niet aan toe. “Dat is een milieudelict,” onderbreekt de vrouw mij. “Wij moeten u daarvoor bekeuren. Hebt u een legitimatie bij u?”

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Reünie

“Jij? Ga jij naar een reünie?” Ik sta met een geopende enveloppe en de uitnodiging in mijn hand bij de keukentafel. Mijn verkering kijkt mij met een gezicht vol ongeloof aan. “Dat is toch niets voor jou? Ga je er echt heen?” “Ja, ik denk het wel. Het is pas over twee maanden maar het lijkt mij wel leuk om die mensen na veertig jaar weer eens te zien.” “Je gaat er spijt van krijgen,” is het laatste wat ze er over kwijt wil.

Na een rit van twee uur en een kwartier kom ik bij de feestzaal aan. Als ik naar binnen loop staan er twee jonge dames van een jaar of zestien, achter een tafel. Op die tafel een boek en een aantal naamkaartjes. “Wilt u uw naam en adres in het boek schrijven?” vraagt één van de dames. “Jullie hebben mijn adres toch?” merk ik op. De dame haalt haar schouders op. “Het moet van mijn vader. Iets met controle of zo.” “Wie is jouw vader dan?” wil ik weten. “Schouten, Berend Schouten.” Dat had ik kunnen weten. Tijdens mijn lidmaatschap was hij de voorzitter en toen al een schrijfgrage Pietje Precies. Ik noteer mijn gegevens in het boek en krijg een naamkaartje opgespeld. Dan wordt mij gevraagd om met een gekleurde pin op een grote landkaart van Nederland mijn woonplaats te markeren. Ik prik hem over de grens op de plek waar ik mijn woonplaats vermoed. “Daar is niks,” menen de dames. “Dáár woon ik en er is wel degelijk iets.” Ze zwijgen en als ik de gang inloop kijken ze mij na als ware ik een exotisch schepsel.

Het ontvangstcomité staat bij de ingang van de zaal en heet Berend. Het is nog steeds de vlotte zakelijke boy met tandpasta-glimlach. Veertig jaar ouder maar dat zal het leitmotiv van de hele avond wel zijn. “Peter! Wat leuk dat je er bent! Hoe is het met je? Je woont helemaal in Duitsland toch? Hoe kom je daar nou terecht?” Als hij echt antwoord wil op zijn vragen zijn we wel even bezig en dat zal de bedoeling niet zijn. Er staan al nieuwe gasten achter mij. Dus ik zeg dat het mij goed gaat en dat we misschien tijdens de avond een mogelijkheid vinden om verder te praten. “Ja leuk,” antwoordt Berend en over mijn schouder kijkend roept hij: “En wie hebben we daar?”

Bij de bar bestel ik wat te drinken en neem de zaal in ogenschouw. Het is niet verwonderlijk dat het grijze koppen niveau hoog is. De meerderheid zal, net als ik, zo rond de zestig zijn. Afgaande van het aantal spelden op de kaart van Nederland, zijn er slechts een paar die naar elders verhuisd zijn. Al diegenen die hier zijn blijven wonen, zullen elkaar in de voorbijgegane veertig jaar wel eens gezien hebben. Ik heb, op weg naar deze reünie, mij namen en gezichten voor de geest proberen te halen. Een paar namen met gezichten en een paar gezichten zonder naam was de schrale oogst. Dat wreekt zich nu. Op straat zou ik ze voorbij lopen omdat ik ze domweg niet meer herken. Hier geven alleen de naamkaartjes redding.

Bij het raam staan twee heren met elkaar te praten en ik besluit om mij daar bij aan te sluiten. ‘Dirk’ en ‘Paul’ staat er op hun kaartjes. De naam Dirk stond op mijn herinneringslijstje maar het is zijn manier van praten waaraan ik hem herken. “Moest jij toen niet de hakkenbar van je vader overnemen omdat hij plotseling overleden was?” vraag ik hem. “Ja, dat klopt. En in de loop van de jaren zijn er twaalf bijgekomen,” is het trotse antwoord. “En jij was toch bioloog aan het worden?” “Nee,” zegt Paul, “hij zat op een technische opleiding in Amsterdam.” “Ja, en ik ben nog steeds techneut. Maar jou kan ik mij niet herinneren.” “Ik was schilder en woonde in  populierenstraat. Ik had toen verkering met Annie Kluiver en dat was een vriendin van Marijke Pol. Die moet je nog wel kennen.” De namen roepen langzaam beelden op. De naam van Marijke wist ik nog wel. Met haar had ik op een feestavond zo innig gedanst en zo hevig gezoend dat ik zelfs mijn vader over deze verkering vertelde. Dat het de week daarop al weer voorbij zou zijn wist ik toen nog niet. Mijn vader vroeg er ook niet naar.

Een dame, klein van stuk, komt bij ons staan. ‘Connie’ vermeldt het naamkaartje. “Ken je mij nog?” vraagt ze aan mij. Ze moet mij even op weg helpen. “Ik was toen de secretaresse en ik ben getrouwd met Berend. Die was toen de voorzitter…..” Verwachtingsvol kijkt ze mij aan en ik beantwoord haar verwachtingen met een “Ja hoor, dat weet ik nog heel goed.” “En je woont helemaal in Duitsland! Groot huis zeker?” Ik vertel het één en ander en vraag dan naar eventuele kinderen. Die hebben ze en ze doen het fantastisch. De jongste is net de deur uit en daarom ze willen een ander huis gaan kopen. Niet een bestaande woning maar één die ze onder architectuur laten bouwen. “In het nieuwe plan komen alleen maar ons soort huizen. Hier in de stad woont het niet meer prettig. Te veel criminaliteit en zo……” Een veelzeggende blik moet duidelijk maken wat ze bedoeld. “Weet je dat Marijke er ook is?” vraagt ze, “Ze zit daar aan dat tafeltje naast de bar.” Blijkbaar heeft mijn verkering van één week niet alleen op mij indruk gemaakt.

Aan het tafeltje zitten twee heren. De dame moet dan wel Marijke zijn en het eerste wat ik constateer is dat ik goed weggekomen ben. De dame is, als ik het lief zeg, volslank. Haar gezicht is pafferig en grof. Hoe kan iemand die zo’n goddelijk figuur had in de loop van de jaren zo veranderen? Ik weet dat het beslist niet eerlijk is om iemand op het uiterlijk te beoordelen. Misschien is het een schat van een moeder waar alle kinderen uit de buurt over de vloer mogen komen. Zet ze zich in voor allerhande liefdadigheidswerk of heeft ze een eigen bedrijf waar ze een goede bazin voor haar personeel is. Ik heb geen behoefte om met haar te gaan praten en rondzwervend door de zaal en hier en daar een gesprekje voerend, voel ik mij steeds onprettiger worden. Ik spreek met een man die ik mij helemaal niet herinner. Hij heeft het over zijn geweldige dochter die het toch maar tot Tweede Kamerlid heeft geschopt. Als hij zegt: “Haar studie kostte een paar centen maar kijk eens wat het je oplevert,” weet ik het. Het gaat hier bijna alleen maar over maatschappelijk geslaagd zijn. Ben je een beetje belangrijk geworden, hebben jouw kinderen gestudeerd, staat jouw koophuis op stand en hoe duur is jouw auto?

De gesprekken zijn nietszeggend en oppervlakkig. Misschien is het gebrek aan tijd waardoor je niet toekomt aan onderwerpen die over het echte leven gaan, aan antwoorden op vragen die wij elkaar toen stelden. Zoals onze ouders het deden was niet goed. Wij zouden het anders gaan doen: rechtvaardiger, menselijker, eerlijk delen, omzien naar elkaar. Er waren immers grenzen aan de groei? Krijgen wij nu, als wij ons in de spiegel eerlijk aankijken, een positief antwoord op de vraag wat er is overgebleven van dit ‘wij gaan het anders doen’?

Ik wil hier weg en loop zo onopvallend mogelijk richting uitgang. Bennie belemmert mijn aftocht. Toen al de wiskundige en is nu blijkbaar een hoge pief bij een meteorologische dienst. Ik vraag niets en krijg van alles te horen over zijn eigen weerstation in zijn riante tuin, over hoge- en lage drukgebieden, barometers met paardenhaar en digitaal, meetresultaten die steeds meer zeggen over de opwarming van de aarde, koude en warmterecords en fijne internationale contacten omdat weersverschijnselen nu eenmaal grensoverschrijdend zijn. Hij hoort zichzelf blijkbaar graag praten, en ik wordt daar zo moe van dat ik het niet kan laten. Als hij even adem haalt zeg ik: “Ja, en ’s nachts is het ook kouder dan buiten.” Zijn adem stokt. Hij knikt zijn hoofd een beetje naar achteren en kijkt mij, over zijn wangen heen, zwijgend aan. Dan draait hij zich om en loopt weg.

“Hoe was het?” vraagt mijn verkering. “In meerdere opzichten confronterend,” antwoord ik, “En mocht er ooit weer een uitnodiging voor een reünie komen, help mij dan te herinneren dat ik het absoluut niet leuk vind.” “Had ik je vooraf al kunnen vertellen” zegt ze.

Het is nacht en nog koud ook. Ik loop even naar buiten, de tuin in.

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , | 4 reacties

Chauffeurscafé

Voor mijn broodnodige inkomsten zit ik veel langs de weg. Er zijn weinig wegen waar ik niet minstens één maal op gereden heb en net zo weinig steden of dorpen waar ik niet ben geweest. Veel plaatsen kan ik zonder raadpleging van een wegenkaart vinden en mijn eerste navigatiesysteem vertelde mij dan ook weinig nieuws. Ik noem mijn systeem Truus en zij verraste mij soms positief door een route te plannen die ik niet bedacht zou kunnen hebben. Maar net zo vaak snoerde ik haar de mond omdat ik, eigenwijs als ik soms kan zijn, het veel beter meende te weten. We hebben een soort haat-liefde verhouding ontwikkeld en het zal mij niet verbazen dat zij, wanneer ik weer eens een andere weg neem dan zij, met al haar digitale wijsheid, uitgestippeld heeft, de pijp aan Maarten geeft met de opmerking: “Ja zeg, zoek het dan verder maar lekker zelf uit.”

Onze wegen scheiden zich dus regelmatig maar we kunnen niet zonder elkaar. Zij woont per slot van rekening ergens in de auto die ik dagelijks nodig heb.

Als je er een beetje oog voor hebt, ga je soorten weggebruikers per jaargetijde herkennen. Dan bedoel ik niet de asociale jakkeraars. Die kom je het hele jaar door tegen. Nee, ik bedoel de auto’s met een aanhangertje waarop minimaal een bed, een stoel, een bureautje en een paar kartonnen dozen staan. Dan weet je dat het weer augustus is en de vader, met naast zich de aankomende student of studente, de met de nodige dosis geluk gevonden studentenkamer moet inrichten.

Ik bedoel natuurlijk de zomermaanden als de caravans  met een daverend snelheidsverschil van hooguit 1 kilometer per uur een vrachtwagen inhalen en er heel lang over doen om weer naar rechts te gaan. Je weet immers niet hoe lang de caravan precies is en een vrachtwagen snijden is geen slimme actie.

Ik bedoel de maanden mei en juni als de krasse knarren met hun campers de weg opgaan en de dagen vlak voor en na de verschillende feestdagen. Dan tref je de minder ervaren rijders aan die een lange rit naar een ver familielid een spannend gebeuren vinden, vaak stoïcijns 120 op de linkerbaan blijven rijden en zwaar gepikeerd naar links kijken als je ze eindelijk kan inhalen.

Ik bedoel de auto’s met minimaal 4 dames die jou met vliegende vaart inhalen, terugzakken in snelheid zodat jij, met de auto op cruise control, hen weer moet inhalen om even later weer door hen gepasseerd te worden waarna het spelletje zich weer herhaalt. Dan weet je dat de Libelle zomerweek of de Huishoudbeurs weer gehouden wordt.

Ik bedoel dat ene weekend in juni als jouw eigen Truus plotseling harder gaat praten omdat je, werkelijk niets vermoedend, plotseling aan alle kanten omgeven bent door motoren. Dan weet je dat zij met ronkend geweld en minimale bagage onderweg zijn naar de TT van Assen.

En ik bedoel natuurlijk februari als de auto’s met de lange latten, verborgen in futuristische dakconstructies, richting sneeuw rijden.

En je weet dat het nu zomer is en de kinderen schoolvakantie hebben als in het chauffeurscafé, ’s morgens zo rond een uur of zeven, tussen zes bonken van stoere vrachtwagenchauffeurs die sloten koffie drinken, uitsmijters en balletjes mayo verorberen er een jongetje stil op de stoel zit en met een rietje chocolademelk uit het flesje drinkt. Van alle dikke verhalen over het leven op de vrachtwagen, alle mopperpartijen over keuringen, verkeersinspectie, laad en losproblemen begrijpt hij de helft niet. Dat geeft niets. Hij hoeft niet naar school en mag met pappa mee op de vrachtwagen. Aandoenlijk om te zien en een mooier leven bestaat er voor zo’n jochie niet.

Juli 2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 5 reacties

De geur van een bloem

Hij stapt de lift in en drukt op het knopje van de tweede etage. Terwijl de lift omhoog gaat controleert hij in de spiegel of zijn zijden stropdas goed zit en slaat wat denkbeeldig stof van zijn schouders. De deur gaat open en als hij rechtsaf wil gaan naar de kamer van zijn vader, komt een zuster hem tegemoet. “Uw vader zit beneden in de recreatiezaal hoor,” zegt ze vriendelijk glimlachend. “O, dank je,” en terug in de lift kijkt hij opnieuw in de spiegel en frommelt wat aan de kraag van zijn overhemd. Tevreden over zijn uiterlijk gaat hij naar de recreatiezaal. Bij de ingang blijft hij staan. Tussen veertig grijze hoofden het ene grijze hoofd van je vader ontdekken valt niet mee. Zijn vader ziet hem wel. “Arnold! Hier!” schreeuwt hij. Een harde schreeuw die een moment van diepe stilte in de zaal achterlaat. Hij zit aan een tafeltje met drie medebewoonsters. Hij staat op, maakt een buigende beweging naar de dames en met zijn altijd te harde stem zegt hij: “Lieve meisjes, het spijt mij dat ik u moet verlaten maar ik krijg hoog bezoek van mijn zoon, de centenman.” De lieve meisjes schieten in de lach en ook de omliggende tafels genieten mee. Opgelaten volgt de zoon zijn vader naar een leeg tafeltje.

Die harde stem heeft hij altijd gehad. Wanneer je als jong matroosje bij de marine komt en opklimt tot bootsman en als je daarna stuurman op de grote vaart wordt, houd je er blijkbaar een harde stem en goed pensioen aan over. Zoonlief weet niet beter en heeft zich vaak voor hem geschaamd. Het is niet alleen die harde stem. Het zijn ook zijn manieren, zijn opmerkingen, zijn meningen en zijn liefde voor alles wat vrouwelijk is.

Hij was een half jaar met pensioen toen zijn vrouw plotseling overleed. Zij was het die hem sturing kon geven sinds hij voorgoed aan de wal was. Ze kende hem van haver tot gort en was de enige die hem met een enkel woord of gebaar in het gareel kon houden. Zij zag in hem het grote kind en dat wist hij. Voor haar hoefde hij niet te doen alsof en zeker geen orders te geven. In zijn werk was hij de onverschrokken stuurman, thuis de lichtmatroos. Toen zijn vrouw overleed wist hij het niet meer. Zonder zijn eigen kapitein was hij stuurloos geworden. Een grotere klap kon je hem niet geven. Bovendien was alles waar ze naar toe hadden geleefd als sneeuw voor de zon verdwenen. De reizen die ze zouden gaan maken, het appartement met zeezicht dat ze zouden kopen, de bezoeken aan hun dochter en kleinkinderen in Engeland; het was weg. De klap kwam niet alleen geestelijk hard aan. Ook met zijn lichaam betaalde hij de tol. Een beroerte bepaalde dat het lopen zonder rollator en scootmobiel niet meer mogelijk was. Arnold en zijn zus hadden niet veel overtuigingskracht nodig om hem te laten inzien dat wonen in een verzorgingshuis voor iedereen beter was. Arnold vond het heel belangrijk dat het een particulier verzorgingshuis zou worden. Hij behoorde toen al tot de top van de Nederlandse accountants en vond dat zijn status bepaalde dat vader op stand moest wonen. Dat er maandelijks een behoorlijk bedrag van zijn rekening werd afgeschreven had hij er wel voor over. Status kost nu eenmaal geld.

“Hoe is het, jongen?” “Ja, het gaat goed.” “Met het vrouwtje ook alles naar wens?” Daar gaan we weer. Hier heeft hij zo’n hekel aan! Dat neerbuigende ‘vrouwtje’ terwijl hij donders goed weet dat ze een goede, in fraudezaken gespecialiseerde advocate is. “Met Ellie is het ook goed. Ze kon vanwege drukte op haar werk niet meekomen maar je moet de groeten van haar hebben.” “Hoe kunnen jullie het nou druk hebben. Je moet eens leren om wat door te schuiven naar morgen. Pas als je écht werk doet, dán kan je het druk hebben. Een schip met pech dat toch op tijd in de haven moet zijn: dáár kan je druk mee zijn. Niet met wat cijfertjes en een vent die wat achterover heeft gedrukt.” Arnold zucht. Het is het bekende liedje: je werkt alleen als je iets met je handen doet. Al het andere is wittehandjesgespuis. Die kosten in zijn ogen alleen maar geld.

“Wil je koffie?” vraagt zijn vader. “Ja, doe maar.” “Mooi, wacht even….” Hij komt half overeind en roept naar de tafel waar de zusters aan hun koffiepauze bezig zijn: “Hè Gullie….! Gullie….!” “Pa, laat dat! Ik ga wel even halen.” “Zitten jij!” knalt zijn commando. Bijna alle ogen zijn gericht op hun tafeltje. Arnold zakt geschokt terug op zijn stoel en schaamt zich. Gullie komt aanlopen. Een mooie jonge vrouw met een Zuid-Europees uiterlijk. Arnold kijkt naar haar en betrapt zich op de gedachte het bijzonder te vinden dat hier een Marokkaanse vrouw zonder hoofddoek werkt. Misschien wel verwesterd of zou het een Italiaanse zijn, denkt hij nog. “Zeg het eens, mijnheer de Rooy, wat kan ik voor u doen?” “We willen graag koffie,” en het klinkt opvallend vriendelijk. “Het komt er zo aan.” Als ze wegloopt zegt Arnold: “Daar lopen dames die voor de koffie zorgen. Waarom roep je dan een zuster? Die hebben toch ook recht op een koffiepauze?” “Nee,” zegt zijn vader, “die koffiedames zijn stuk voor stuk kletstantes. Als je tegen één van hen vertelt dat je met een mesje in je vinger heb gesneden denkt morgen het hele huis dat je arm er af ligt. Gullie is mijn zuster. Die moet het doen”. Gullie komt met de koffie en als ze het op tafel zet ziet Arnold ‘Gulbihn’ op haar naambordje staan. “Zal ik straks nog een kopje koffie brengen?” vraagt ze. “Ja, lekker. En bedankt hoor.” zegt zijn vader en weer valt het Arnold op dat het bijna slijmend vriendelijk klinkt.

Zwijgend drinken ze hun koffie. “Ze heet niet Gullie.” zegt Arnold als hij zijn kopje neerzet. “Voor mij wel,” antwoordt zijn vader, “ze is mijn zuster.” “Niemand heeft hier een eigen zuster. Het zou wat moois zijn als iedereen hier een privézuster had. Dan zou het onbetaalbaar worden.” “Maken jullie nog een keer kleinkinderen of kan dat wegens de drukte ook niet?” “Pa! Dat vraag je toch niet!.” Ongelovig staart Arnold zijn vader aan. Dat is typisch zijn vader. Er zijn mensen die dat ‘direct’ noemen. Hij vindt het ronduit lomp. “Dus niet,” concludeert Pa en vervolgt: “dan kom ik dus bij je inwonen en Gullie gaat mee. Je hebt een groot huis en geen kinderen en van mij zal je geen last hebben. Ik wil wel weer eens in een normaal huis wonen en Gullie verzorgt mij wel.” Op dat moment wordt het tweede kopje koffie gebracht maar Arnold staat op. Hij schrok zich rot en voelt zich kwaad worden. Tot elke prijs wil hij voorkomen dat in deze zaal de boel uit de hand gaat lopen. Hoe haalt zijn vader het in zijn hoofd om dat te willen? Van zijn eigen pensioen kon hij hier niet eens wonen. ‘Ondankbaar’ is het woord dat door zijn hoofd schiet. “Ik ga nu weg. Dat laatste heb ik niet gehoord en ik wil het ook niet meer horen. Nooit meer! Wat denk je wel!” sist hij zijn vader toe. Die kijkt hem met een stalen blik aan. “Je hebt het wel gehoord en de volgende keer begin ik er weer over.” “Dag Pa!” en met grote stappen loopt hij de zaal uit.

“Er is een kopje over.” zegt Pa tegen Gullie, “Hebben?” “Nee, ik moet nu echt aan het werk maar om drie uur ben ik klaar. Zal ik dan even een kopje koffie bij u op de kamer drinken?” “Dat is goed, meisje.”

Geamuseerd ziet Gulbihn de zoon vertrekken. Mijnheer de Rooy had vooraf aan haar verteld dat hij dit zou doen. Gewoon om te kijken hoe zijn ‘centenman’ zou reageren. “Ik wed dat hij de humor er niet van inziet,” had hij gezegd. Dat klopt dus. Het is niet haar humor maar om drie uur gaan ze er samen om lachen. Zij en die man waar ze een zwak voor heeft. Die nooit lastig is, altijd vriendelijk en meegaand terwijl andere zusters zijn bloed soms wel kunnen drinken. Ze heeft nagedacht over het waarom. Hij lijkt op haar favoriete opa die ze niet meer heeft gezien sinds ze uit Irak is gevlucht. Misschien straalt ze die liefde en dat gemis in een onbekende energie naar deze blanke, westerse opa uit.

scheepsklok

Hij kijkt op zijn koperen scheepsklok. Het is nog lang geen drie uur. Dan zal ze komen en hij zal zich weer gelukkig voelen. Hij zal weer kunnen praten over wat hij denkt, over wat hij voelt, over het leven toen zijn vrouw er nog was en het leven nu, zonder zijn liefste, en over kinderen en kleinkinderen die je te weinig ziet. Zij zal luisteren en hem begrijpen. Hij zal luisteren naar haar verhalen over alles wat zij heeft meegemaakt, over haar vlucht uit Irak, over haar broer die in de gevangenis is vermoord en over haar vader die verminkt en mank geslagen, meer dood dan levend uit de gevangenis kwam. Samen voelen ze elkaars verdriet over hen die ze missen, die ze nooit meer zullen zien maar die ze nimmer zullen vergeten. Ze vinden elkaar in het verdriet maar vinden daarin ook de troost die ze zo hard nodig hebben.

De laatste keer dat hij het graf van zijn vrouw bezocht was ze meegegaan. Ze had ook een bosje bloemen meegenomen. “Ik laat mijn naam hier achter. Gulbihn is mijn naam en in het Koerdisch betekent dat: de geur van een bloem” zei ze toen ze bosje op het graf legde. Dat vond hij heel mooi maar een brok in zijn keel verhinderde hem om dat te zeggen.

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 3 reacties

Welkom.

mailsl

L.S.

Eind juli 2015 in het diepe gesprongen: een eigen blog. Een schrijver wil per slot van rekening gelezen worden. Voor een redelijke digibeet als ondergetekende bleek de stap iets groter maar de digitale hindernis is genomen. De verhaaltjes gaan, naar mijn bescheiden mening, mij beter af maar uiteindelijk is het aan u om dat te bepalen. Eerst even een nadere kennismaking:

Ik ben een amateur-auteur die met veel plezier voornamelijk korte verhalen schrijft. Deze verhaaltjes gaan meestal over mensen. Wij zijn nu eenmaal een onuitputtelijke bron van onderwerpen die meer dan genoeg stof tot schrijven geeft en net zo veel stof tot nadenken.

Er bestaat geen ‘gewoon’ mens. Ieder mens heeft een verhaal. Is het niet het grote verhaal van het leven dan zijn het wel de kleine of grote gebeurtenissen die bepalend waren voor gemaakte keuzes, ingenomen stellingen of overtuigingen. Dit in woorden vangen is elke keer een uitdaging maar net zo makkelijk geeft een enkele, terloops opgevangen zin, een flard van een gesprek, het simpel waarnemen van gedrag of het uitbundig gebruik van de dikke duim meer dan genoeg inspiratie voor een nieuw verhaaltje. 

Humor is belangrijk en dit vind u dan ook met regelmaat terug. Zonder de pretentie te hebben er daadwerkelijk in te slagen, probeer ik mijn lezers vaak met mij mee te laten denken of zelf aan het denken te zetten. Soms probeer ik dat te bereiken door het verhaal zelf en soms door een enkele zin. Met regelmaat ventileer ik mijn eigen vragen, levensvreugde, (on)zekerheden of (on)genoegen in het verhaaltje.

Ik besteed veel aandacht aan het taalgebruik en ben niet snel tevreden met de geschreven tekst. Zinnen moeten lopen, dat wat ik duidelijk wil maken moet ook duidelijk zijn: woorden luisteren nauw. Toch kan het gebeuren dat er fouten in mijn verhaaltjes of artikelen staan. Niets menselijks is mij vreemd. Bij deze mijn verontschuldigingen en ik zou het op prijs stellen als u mij opmerkzaam maakt op grove of storende fouten.

Behalve de verhaaltjes en artikelen op deze site zijn er de afgelopen jaren verhalen gepubliceerd in diverse verhalenbundels. Mijn eerste boek, een verhalenbundel met de titel ‘Vandaag en anders morgen’, kwam in juni 2013 uit maar is per 1.11.14 niet meer verkrijgbaar door beëindiging van het contract bij de uitgever.

In september 2021 heeft mijn boek ‘Wraak kent geen winnaars’ het levenslicht gezien. Het schrijven en uitgeven daarvan was voor een korte-verhalen-schrijver een spannend proces. Gelukkig is het, afgaande op alle positieve reacties, een goed en spannend boek geworden. Het motiveerde mij om een volgend boek te schrijven.
In  mei 2023 kwam  ‘De glimlachende dode’ ter wereld. Ook dit boek is goed ontvangen en ja, er wordt al gewerkt aan een nieuw boek. De verwachtingen van mijn lezers kan ik mu eenmaal niet onbeantwoord laten.  Wilt u de boeken aan uzelf of anderen cadeau geven, bestel ze dan bij uw plaatselijke boekhandel. Mocht dat niet lukken dan is het ook te bestellen via:

http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode

Tot slot: het delen van de verhaaltjes is geen probleem mits mijn naam genoemd wordt. Reacties, in welke vorm dan ook, zijn altijd welkom. Positieve ervaar ik als een aai over mijn bol en van de negatieve kan je alleen maar leren. Aarzel dus niet. 

Veel leesplezier.

                                                                                                                                  Peter Gortworst

Geplaatst in startpagina | 6 reacties