Een beetje aarzelend komt hij de keuken in en ze merkt direct dat er iets is. Bijna 10 jaar getrouwd zijn is lang genoeg om te weten dat zij nu moet zwijgen om hem de tijd te geven zelf op de proppen te komen met wat hem blijkbaar dwars zit. Ze draait het gas onder de winterpeen met uien en de aardappels laag, pakt twee glazen uit het kastje en de fles witte wijn uit de koelkast.
“Ga maar zitten,” zegt ze en schenkt de twee glazen halfvol.
Tegenover elkaar aan de keukentafel proosten ze en dan wacht ze af. Het duurt even. Dan zucht hij diep en zegt met zachte stem:
“Ik moet dit jaar het kerstverhaal schrijven.”

Twee gedachten schieten door haar hoofd. De eerste geeft een gevoel van opluchting. Je weet per slot van rekening nooit waar een denker als hij mee komt, maar gelukkig, als het meer niet is dan valt het alleszins mee. De tweede gedachte wekt bij haar verbazing op. Haar eigen vent die nooit, werkelijk nooit praat hij over zijn werk als journalist en columnist van de krant komt nu zomaar met deze mededeling. Het zit hem dus behoorlijk hoog.
“En wat is het probleem?” vraagt ze om hem op gang te helpen.
“Ik heb geen verhaal en ik weet dus echt niet wat ik moet schrijven.”
“Hoe lang loop je hier al mee,” wil ze weten.
“Vanaf half augustus. We hadden toen een vergadering over het laatste kwartaal. Iedereen wist natuurlijk dat die hele zwarte pieten discussie er aan zat te komen. We hebben de standpunten en de mogelijke heftigheid geschat en besproken hoeveel aandacht wij daar aan zouden geven. En dan komt natuurlijk ook Kerst, oud en nieuw en dat vuurwerkgedoe om de hoek kijken. Bij het agendapunt Kerstbijlage bleek dat het mijn beurt was om een kerstverhaal te schrijven. Prima, dacht ik toen en heb mij daar geen zorgen over gemaakt. Dat komt wel, dacht ik maar dat is dus niet zo. Het lijkt wel alsof ik de sfeer en de goede gedachten niet te pakken krijg. Het is ook geen echt winter en die sfeer die de winter zou moeten geven heb ik wel nodig wil ik tenminste iets op papier krijgen.”
Ze schiet in de lach.
“Kom, we gaan een boom kopen en tuigen hem vanavond op en bespuiten hem met kunstsneeuw. Leuke verrassing voor de kinderen als ze morgen beneden komen en jij hebt je broodnodige sfeer en goede gedachten.”
Een beetje getergd kijkt hij haar aan.

“Vertel eens, wat je al hebt bedacht?” vraagt ze.
“Ik wil een beetje modern verhaal schrijven. Die Dickens, W.G. van der Hulst of Godfried Bomans hadden het makkelijk. De meeste mensen geloofden toen nog echt in een kindeke Jezus, herdertjes, een os en een ezel in de stal en drie wijzen uit het oosten. Nu heeft de Katholieke Kerk al gezegd dat er helemaal geen os en ezel in de stal waren en ondertussen wordt algemeen aangenomen dat, als er al een kindeke Jezus is geweest, deze helemaal niet op eerste kerstdag geboren is. Steeds minder mensen kennen dat verhaal. Je kunt ook niet meer aankomen met een meisje met zwavelstokjes, verloren gewaande familieleden die, bij voorkeur op kerstavond, plotseling opduiken, koude nachten met dikke pakken sneeuw, vorst die kraakt en kaarsjes voor een raam.”
Hij zucht diep en staart zonder te kijken naar zijn glas geestrijk vocht.
“Mag ik je helpen?” vraagt ze en het verbaasd haar dat hij na enig nadenken daarin toestemt.
Na het eten brengt hij de kinderen naar bed en zij gaat, met een grote kan koffie, aan tafel zitten. Ze schrijft of haar leven er van hangt en als hij beneden komt staat het verhaal in grote lijnen op papier.
“Nou wat heb je bedacht?” vraagt hij.
“Het is maar een eerste idee hoor. Het gaat over een meisje dat verpleegkundige is en voor Artsen Zonder Grenzen en in een vluchtelingenkamp gaat werken. Als er ergens Jozefs en Maria’s te vinden moeten zijn is het daar wel. Ze laat haar vriendje hier achter en het contact loopt daarna via skype. Dat gaat, om redenen die ik nog moet verzinnen, natuurlijk helemaal fout en iemand als een Robert ten Brink zorgt er voor dat het op kerstavond weer goed komt. Lijkt het je wat?”
“Het idee van Artsen Zonder Grenzen is goed, maar het is niet dramatisch genoeg. Als we dat meisje nu enig kind maken van een orthodox of conservatief echtpaar. Ze willen beslist niet dat ze gaat maar zij gooit haar idealistische kont tegen de kribbe en gaat toch.”
“Ja, dan kunnen we mooi de worsteling van die ouders beschrijven.”
“Ze gaat in een ziekenhuis werken in Syrië of Irak.”
“Die vader dreigt zijn dochter te verstoten.”
“Ja, en die moeder probeert de boel bij elkaar te houden.”
“Twee geloven, de christelijke en de islam, die botsen.”

Hun enthousiasme kent geen grenzen. Wilde ideeën rollen over de tafel en samen beslissen ze dat een vriendin, die via skype contact met de dochter heeft, de moeder stiekem toch op de hoogte houdt. De dochter raakt uiteraard gewond door een bombardement. Een foutje van de Amerikanen. Ze wordt overgebracht naar een Nederlands ziekenhuis en op kerstavond komen die ouders toch naar dat ziekenhuis en kunnen alleen met hun hand op het glas contact met hun dochter maken. De dochter wordt natuurlijk beter en alles komt weer goed. Tevreden en trots nemen ze nog een glas.
“Bij de tijd, dramatisch en herkenbaar,” zegt hij tevreden en heft het glas.
“Laat dit schrijversechtpaar maar schuiven,” zegt zij, “We zijn gewoon goed!”
Ze vist ’s morgens de Kerstbijlage uit de krant. Op pagina 5 staat het kerstverhaal. Hun kerstverhaal. Het valt haar direct op dat er een andere titel boven staat. Het hele verhaal is anders. Het is niet hun verhaal. Het is een oubollig kletskerstverhaal van een ezel in een stal die ooggetuige is van de geboorte van een mensenkind. Het staat vol met ‘ezeliaanse’ gedachten en ja hoor, het is koud, er valt een dik pak sneeuw in Betlehem en er dagen wijzen uit het oosten op die met mirre, wierook en goud smijten.
“Wat is er met ons verhaal gebeurd!?” vraagt ze als hij tegen de avond thuis komt.
“Tja, ik moest vanmiddag bij de hoofdredacteur op het matje komen. Het verhaal was net iets te gewaagd, te modern en niet herkenbaar voor onze lezers. Hij had nog net kunnen voorkomen dat het gisteravond gedrukt werd. Er lag nog een ‘verhaal in geval van nood’ op de plank wat risicoloos gepubliceerd kon worden. Nu mag ik nooit meer een kerstverhaal schrijven. Ik heb hem maar niet verteld dat deze kerstgratificatie in grote dank door mij aanvaard werd. Weet je wat hij zei toen ik zijn kantoor verliet? Hij had van een nuchtere columnist die toch de waarheid moet dienen, in ons verhaal de geloofwaardigheid gemist. Ik had moeten weten dat dit voor een kwaliteitskrant die juist die waarheid dient, een fundamenteel ‘iets’ is ”

© Peter Gortworst / dec.2014
foto’s: http://www.kleurpalet.nl / http://www.fotoleren.nl / http://www.nieuwsland.com / http://www.kerstmisplaatjes.net
…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….


Waar zelfs toegestaan wordt dat in de politiek met veel meer dan neerbuigende taal over jouw volk wordt gesproken. Het gaat er niet meer om of ‘wij’ er mee begonnen zijn of dat ‘zij’ de oorzaak zijn. Die ‘de kip of het ei’ discussie moeten we achter ons laten. Het is fout zoals het nu gaat.” Weer slaat ze met haar hand op de tafel: “Het is heel erg fout!”




“En is de mol dan …. uh, dood?” Ze durfde het bijna niet te vragen maar eigenlijk weet ze het antwoord wel. “Als het goed is wel,” antwoord de jongen monter, “en anders moet hij nog even een tik krijgen.”
“U heeft er ervaring mee, hoor ik. Welke kan ik het beste nemen?” De man parkeert zijn kar midden in het pad en bukt zich over de verzameling. Dan pakt hij er twee op en na een korte blik op beide laat hij een glimmend zwart gelakt exemplaar weer vallen. Met een rood hoofd komt hij weer overeind. “Deze moet je hebben. Kijk, je knijpt deze handels naar elkaar toe, laat dit pennetje er tussen door komen en haakt dat achter dit lipje. Dan zoek je de gang van de mol, zet de klem in de gang en dek het af met oude bladeren of gras. Elke dag twee keer kijken of de klem uit elkaar staat en als dat zo is heb je hem.” Als demonstratie spant hij de klem en als hij voorzichtig tussen de scharen het lipje indrukt, klapt de klem dicht. “Zo gaat dat.” Bijna trots houdt hij de klem omhoog. Ze is onder de indruk. “Is de mol dan meteen dood?” wil ze weten. “Tja, als ik ze vind zijn ze dood. Als je lijf zo in elkaar gedrukt wordt leef je niet lang meer maar of ze nou meteen dood zijn…… “ Hij staart een tijdje zorgelijk naar de klem.


Het zwaarste dat hij mag drinken is een glaasje rode port maar vanaf nu wordt dat helemaal anders. En hij zal zelf wel zijn havermoutpap gaan koken. Hij is oud en wijs genoeg om zelf te beslissen wat goed voor hem is en waar hij van wil genieten. Daar heeft hij zijn vrouw niet voor nodig. Wat denkt ze wel! In de wetenschap dat morgen alles weer ontnuchterend normaal zal zijn, geven we hem helemaal gelijk en zijn het zelfs hartgrondig met hem eens.
Hij draait zich naar haar toe en zegt:



Hij had het nest van Ekster gekregen maar het is hem te bewerkelijk. Het dak boven zijn nest is vervallen en omdat hij geen ervaring met daken boven nesten heeft was hij blij het te kunnen verkopen aan een gezinnetje van de Alpenkraaien. Die kunnen het makkelijk betalen. Zij verdienen goed met het verkopen van lekkere hapjes uit zuidelijke streken. Zij slijten hun waren op plaatsen waar men zich verpoost. Het is even wennen voor de traditionele eters maar zoals zo vaak neemt de jeugd het voortouw en nu hoort het lekkers er helemaal bij. Het is zelfs zo gewoon geworden dat een avondje stappen niet af is zonder een zuidelijk hapje halen bij de Alpenkraai.

We gaan op weg. Camperduin is geen badplaats van internationale allure en in het enige hotel is alles donker. Bij de basaltbergen aangekomen begint het wachten. Het is koud en met onze handen in de zakken kijken we naar het oosten. Daar wordt het langzaam licht. Vanuit het binnendijkse land horen we het te-piet te-piet te-piet van een paar scholeksters. Verder hoor je alleen de branding ruisen. Om half zeven schrijft Dick de tijd in zijn boekje. Na vijf minuten doet hij dat weer en na weer vijf minuten opnieuw. Er is nog geen vogel voorbij gekomen. Een paar minuten voor zeven komt er een groepje kramsvogels voorbij. Kort daarna twee kauwtjes en een houtduif. Dan weer niets. Een groep spreeuwen vliegt langs en we tellen er 75. Ze zijn nog niet uit het zicht verdwenen of daar komt de volgende groep spreeuwen. Een langgerekte sliert die we schatten op 300 vogels. Het houdt niet op. De ene grote groep volgt na de andere. Als het zo doorgaat komen we in de duizenden en we besluiten dat Ans en Robert alleen maar de spreeuwen gaan tellen. Henk en ik neem alle andere soorten voor onze rekening. Dick schrijft zijn vingers nog blauwer dan ze door de kou al zijn. Robert en Ans geven ongelooflijke aantallen door terwijl wij slechts af en toe iets roepen van: “Graspieper tien, Kneu vijf, nog twintig gras, drie roeken”
















