De IJssel bij Deventer

Dit had ik niet gedacht. Het is vroeg in de middag en de order is binnen. Ik had rekening gehouden met langdurige onderhandelingen over prijzen, betalingen en voorwaarden maar alles is soepel verlopen. Nu sta ik buiten en het is een schitterende zomerdag. De zon schijnt volop en de temperatuur is behaaglijk. Ik besluit het er van te nemen en een pauze te houden aan de oever van de IJssel.

Bij een klein winkelcentrum koop ik vier krentenbollen en een flesje frisdrank. Aan het eind van de Kazernestraat ga ik, via de rotonde, de Emmastraat in, neem de ventweg die mij langs de ramen met de rode lampjes voert en draai rechtsaf de Welle op. Net na de spoorbrug sla ik rechtsaf en parkeer de auto.Met frisdrank en krentenbollen loop ik terug naar de dijk.

Voor mij stroomt de IJssel. Er is een bankje vrij. Mijn colbertjas doe ik uit, stroop de mouwen op en ga een beetje gedraaid naar de zon zitten. Met een hap krentenbol in mijn mond kijk ik om mij heen. Links, onder de spoorbrug door, schittert de zon op het water. Aan de overkant lopen twee vrouwen die hun honden uitlaten. Daar vliegt ook een aalscholver. Hij landt op het water en waarschijnlijk duikt de vogel meteen onder want ik zie hem niet meer. Van rechts komt er een vrachtschip. Met zwaar motorgebrom vaart het langzaam tegen de stroom in. De dekluiken zijn dicht maar aan de diepgang kan je zien dat het zwaar geladen is. Als het schip dichterbij gekomen is kan ik de naam lezen. ‘Volharding’ heet de boot en uit ervaring weet ik dat het typisch een naam voor een binnenvaartschip is. In de stuurhut staat een man en op het achterdek is een vrouw was aan het ophangen.

Door lawaai van een trein kijk ik omhoog. Langzaam rijdt een goederentrein over de brug en ik ontdek een fietser die ook de brug overgaat. Nooit geweten dat daar een fietspad loopt. Logisch is het wel. Je zult maar naar de overkant willen en altijd moeten omrijden via de Rijksstraatweg. Met het veerpontje lukt het ook wel maar dat kost tijd.

De rivier stroomt snel. In de winter staat het water soms wel zes meter hoger maar nu kan ik mij dat moeilijk voorstellen. Een stuk boomstam met een rechtopstaande tak als ware het een mast, komt voorbij. Meegevoerd door de stroom. Waar zal het eindigen? Zal het onderweg ergens blijven steken of maakt het de hele reis tot het IJsselmeer?

Ik houd van deze rivier. Als ik naar Zwolle moet neem ik vaak de weg die langs de rivier voert. Ik geniet van het rivierlandschap en als de tijd het toelaat spot ik de eenden en ganzen die in de uiterwaarden bij Olst en Wijhe zitten. Wat mij zo aanspreekt zijn de vele gezichten die deze rivier toont. Het smalle stroompje langs de autoweg bij Dieren, de brede watervlakte bij Kampen, het winterse hoge water dat net niet over de muur Deventer instroomt of het kabbelende water bij de jachthaven van Hattem; het is steeds dezelfde rivier. Bij Gorssel ben ik eens met de auto via moeilijk begaanbare landweggetjes tot vlak bij de rivier gekomen. Daar staan de resten van een wilg. Een manshoog gedeelte van de stam staat er nog maar over de volle hoogte is de helft weg. Het stroomafwaarts gericht gedeelte ontbreekt. Het lijkt een kolossaal staand stuk dakgoot of een eenpersoons wachthuisje. Ik wilde het toen vastleggen en heb nog geprobeerd het te tekenen. Helaas is deze kunde voor mij niet weggelegd. Altijd een fototoestel bij je hebben is een optie maar dit soort voornemens blijven net zo vaak alleen maar voornemens.

Zo ook het voornemen om ooit een boot te huren en de rivier vanaf de Rijn tot het IJsselmeer af te varen. Ik zal er ruim de tijd voor nemen, alle plaatsen langs de rivier bezoeken, veel filmen en fotograferen en overnachten op stille plekjes of jachthavens. Ik stel mij een zonovergoten rivierlandschap voor met aangename temperaturen en interessante gesprekken met schippers van de beroeps- en pleziervaart. Op knusse terrasjes bij een ondergaande zon mooie verhalen beluisteren van havenmeesters en pontbazen.Een voornemen dat, naarmate de jaren verstrijken, een stille dood zal sterven. Mijn vrouw houdt niet van varen en een vaarbewijs bezit ik ook niet.

Om mij te pesten vaart er een plezierjachtje voorbij. Het gaat met de stroom mee en waarschijnlijk draait de motor net hard genoeg om te kunnen sturen. Ik kijk het bootje na en voel mij weemoedig worden. Dat heb ik ook als er hoog in de lucht een vliegtuig witte strepen trekt of als ik in IJmuiden op de pier sta en een schip zeewaarts vaart. Het verlangen is dat wat mij weemoedig maakt. Ik wil mee. Mee naar verre oorden. Meer van de onbekende wereld zien dan alleen dit overbekende kikkerlandje. Nieuwe landen zien, nieuwe geuren ruiken, andere mensen, andere culturen ontmoeten en beleven. Het is niet een afzetten tegen de dagelijkse gang van zaken waarin ik nu verkeer maar een verlangen naar het onbekende. Weten dat je aan één leven niet genoeg hebt om alles te zien en te ontdekken en je realiseren dat je in dit ene leven er niet aan toe komt om daar een serieus begin mee te maken. Er zal nu eenmaal geld verdiend moeten worden. Ik heb verplichtingen naar mijn gezin, naar de familie en mijn vrienden. Ik kan niet zomaar weg gaan en doen waar ik zin in hebt. Mijn favoriete dichtregels van Willem Elsschot schieten mij te binnen:

‘Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat’

Zo is het nou maar net. Vol van gedachten en met een onrustig gevoel staar ik naar mijn lege flesje frisdrank. Een onbekende dwang maakt dat ik opsta en naar de auto loop. Met een potlood en stukjes van een papieren zakdoekje maak ik de binnenkant van het flesje droog. Uit mijn kladblok scheur ik een velletje en schrijf er mijn telefoonnummer op. Ik rol het op en wil het in het flesje duwen. Dan bedenk ik mij en schrijft voor het telefoonnummer nog 00-31. Zekerheid voor alles. Het briefje gaat in de fles en ik draait de dop goed aan. Ik voel haast en loop naar het begin van het fietspad dat over de brug gaat.

Op de brug kies ik zorgvuldig mijn plek uit. Ik wil precies in het midden van de rivier staan. Dan laat ik het flesje in het water vallen en kijk het na tot het niet meer te zien is. Een klein stukje van mij is op reis gegaan. Ik voel de rust weer in mij terugkeren. De gejaagdheid is weg. Ik heb een daad verricht. Misschien is dit voor iedereen een belachelijk gedoe. Ik voel dit zo niet. Als ik zelf niet weg kan, dan toch iets van mij persoonlijk, ook al is het slechts mijn eigen nummer. Het flesje komt vast heel ver. Misschien wel via de sluizen in de Afsluitdijk en via de Waddenzee tot aan de Deense kust. Misschien nog wel verder en krijg ik een telefoontje uit Noorwegen. Terwijl ik de brug weer afloop fantaseer ik er lustig op los. Zal ik naar Kampen rijden om te zien of het flesje daar voorbij komt? Onzin natuurlijk maar het lijkt mij zo mooi om te zien dat dit kleine stukje van mij, in volle vrijheid, op weg is naar verre oorden.

Aan het begin van het fietspad staan een man en een vrouw in uniform. Als ik dichterbij kom zie ik dat het Stadswachters zijn. De man spreekt mij aan. “Zagen wij het goed dat u een plastic flesje in het water gooide?” Ik beken en wil enthousiast vertellen van het briefje en de verre reis die het gaat maken. Ik kom er niet aan toe. “Dat is een milieudelict,” onderbreekt de vrouw mij. “Wij moeten u daarvoor bekeuren. Hebt u een legitimatie bij u?”

Dit bericht werd geplaatst in eerder en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s