De optimist

kappersymbool

Nu dacht ik het dialect aardig te kunnen verstaan maar het taaltje waarmee die twee zich met elkaar onderhouden klinkt mij als plat Nairobi’s in de oren. ‘Die twee’ zijn de kapper en de klant in de stoel. Ik hoor het met verbazing aan en terwijl ik wacht tot het mijn beurt is, rust mijn oog op een blad met een foto van iemand die een ‘Bekende Nederlander’ blijkt te zijn . Hij heeft spijt van zijn tattoo en verwijderen blijk pijn op te leveren in zijn portemonnee en op zijn borstkast. Het interesseert mij niet. Ik denk na over het onverstaanbare taaltje. Je hebt dus, naast het Algemeen Beschaafd Nederlands, verschillende dialecten. En heb je dan in die dialecten, als een soort diepere laag, nog meer dialecten zitten? Hier praten ze meestal plat maar is dit dan nog platter of is het een ander plat? Ik probeer herkenbare woorden op te vangen maar zelfs dat lukt niet. Ik sluit mijn ogen en dagdroom dat ik mij bevind in een ver en vreemd land met twee inboorlingen op gehoorafstand.

Er klinkt gestommel en de klant is blijkbaar geknipt en geschoren. Hij rekent af en met iets van een ‘meui’ of ‘heuiù’ gaat hij de deur uit. De kapper kantelt de zitting van de stoel, veegt de haren op de grond bij elkaar, pakt het grote donkerrode laken bij twee puntjes vast en vraagt dan: “Wie is de volgende?” Ik kijk even snel naar rechts en links want volgens mij zat ik hier alleen. Dat blijkt nog steeds zo te zijn dus met een “Dat zal ik dan wel zijn” kom ik overeind.

Beroepsdeformatie. Dat is het natuurlijk. Het is een standaard zin geworden die hij te pas en te onpas uitspreekt. Net als de slager die altijd zegt: “Het is iets meer. Mag dat?” en vroeger zei de kruidenier dat ook. Ik heb ooit een huisarts gehad die, voor hij hulp kreeg van een bevallige assistente en voor die eeuwig stomme nummertjesautomaat, de deur van de volle wachtkamer opende en met: “Wie is de volgende?” elke keer weer een gezelschapsspel startte van elkaar aankijkende en opnieuw de volgorde van opkomst vaststellende potentiele patiënten. “U bent na mij binnengekomen en u bent nog voor mij.” “En die meneer die nu buiten staat?” “Die is pas na deze mevrouw toch?”

Is het je wel eens opgevallen dat een groenteman nooit vraagt of dat ietsje meer wel mag? Die gooit zo veel aardappelen, wortelen of prei in de weegschaal tot de naald over het gewenste gewicht heen gaat. Dat het ‘iets meer’ is, spreekt bij hen blijkbaar voor zichzelf.

kappersstoel

Ik zit en met een paar pompbewegingen van zijn been kom ik op werkhoogte. Een elastisch papieren kraagje met plakstrip wordt om mijn nek gedaan, het donkerrode laken drapeert hij om mij heen en met zijn handen in elkaar gevouwen staat hij schuin achter mij. “Hoe had u het gehad willen hebben?” vraagt hij en kijkt mij via de spiegel aan. Nu haalt geen enkele haar op mijn hoofd de lengte van drie centimeter dus veel keus is er niet en bovendien overvalt de vraag mij. “Gewoon, alles wat inkorten en de zijkanten en de achterkant korter dan bovenop,” zeg ik enigszins onbeholpen. Als je verkering al heel lang jouw haar doet is het ‘Hoe had u het gehad willen hebben’ een overrompelende vraag.

Hij plukt wat aan mijn haar en vist een indrukwekkende tondeuse uit een lade. Er gaat niet, zoals thuis, een kammetje op voor de goede hoogte. Met een forse zwarte kam, als een spade zo groot, in zijn linkerhand en de brommende tondeuse in zijn rechter, wordt de aanval ingezet. Lijdzaam onderga ik de strijd. Ik kan mij niet voorstellen dat er kappers zijn die vragen: “Het is iets meer. Mag dat?” en mocht het toch hopeloos fout gaan dan is een gladde kale kop ook een oplossing. Bovendien hebben haren de prettige eigenschap weer aan te groeien.

wahl-moser-tondeuses-cat

“U komt hier niet vandaan?” vraagt de kapper. “Nee, ik kom uit Zaandam. Ik ben een geboren en getogen Zaankanter,” vertel ik niet zonder trots, “Maar ik woon hier al vijftien jaar met groot genoegen.” Hij zwijgt even omdat hij zich moet concentreren op het lijntje achter mijn linker oor. Dan, en klinkt bijna verwijtend, zegt hij: “Ik heb u, volgens mij, niet eerder in de stoel gehad.” “Nee, dat kan kloppen. Ik ga eigenlijk nooit naar een kapper. Normaal wordt het onderhoud door mijn verkering gedaan maar die is veertien dagen met een stel vriendinnen naar Turkije. We zouden, voor zij wegging, mijn haar nog doen maar er kwam van alles tussen dus dat ging niet door. Nu haal ik haar morgen op van Schiphol en het lijkt mij wel een leuke verrassing als ik daar met een mooi geknipt koppie sta.” De kapper is het met mij eens en het is ook het laatste wat hij zegt. De brommende tondeuse is het enige wat de stilte verstoort. Het zal vast een hele foute opmerking geweest zijn waardoor hij in zijn wiek is geschoten maar wel de waarheid.

Het is klaar. Met een zwierige zwaai wordt het laken verwijdert, de stoel zakt naar uitstaphoogte en met een borsteltje worden wat haren uit mijn nek gepoetst. Ik vraag wat ik betalen moet en als hij het bedrag noemt floept er bijna een “Het is iets minder. Mag dat?” uit. Dat kan natuurlijk niet dus ik reken een bedrag af wat mij doet besluiten om voortaan, elke keer dat mijn verkering mijn haar heeft gedaan, haar in natura te ‘betalen’ met een extra mooie bos bloemen. Dat kan makkelijk uit. “Dag,” zegt ik tegen de kapper en met een gemaakte glimlach op zijn gezicht zegt hij zeer nadrukkelijk: “Tot ziens meneer!”

Een ras-optimist. Daar kan je er niet genoeg van hebben.

© peter gortworst / aug.2015

Dit bericht werd geplaatst in eerder en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s