‘Je hebt zoveel ouwe-lullen-dagen en snipperuren staan, dat je wel drie maanden op vakantie kunt.’
De directeur had hem aangekeken met een blik die zowel zorg als afgunst weerspiegelde.
‘Drie maanden vakantie gaat natuurlijk niet gebeuren, maar ik heb wat zitten rekenen. Als je nu elke week tot aan je pensioen de woensdag vrij neemt, kom je precies uit. Je hebt nul uren over op de dag van je pensioen. Het is voor jou ook beter om alvast te wennen aan meer vrije tijd en bovendien breekt het de week. Twee dagen werken, dagje vrij en weer twee dagen werken. Wat denk je ervan? Ik zou ervoor tekenen maar ja, ik moet nog een paar jaartjes voor ik mij deze luxe kan veroorloven.’
Na overleg met zijn vrouw had hij ingestemd met het voorstel. Ze was zelfs zeer enthousiast toen hij het haar vertelde.
‘We gaan die dagen leuke dingen doen,’ besliste ze, ‘Ik wil niet dat we als oude besjes die dagen vullen met niks. We kunnen bijvoorbeeld op bezoek gaan bij de kleinkinderen. Die vinden het vast leuk dat opa en oma er woensdagmiddags zijn. En wat dacht je van een lang weekend weg?’
‘Met een vrije woensdag maak je geen lang weekend.’
‘Behalve met Hemelvaart. Dan heb je van woensdag tot zondag vrij.’
‘En waar wil jij dat lange weekend dan naar toe?’
‘Naar onze geboortegrond.’
Kinderen van kleine zelfstandigen waren ze. Hun ouders hadden elk een winkel in dezelfde winkelstraat. Al vroeg leerden ze dat er geen vaste werktijden waren. Buiten de openingsuren van de winkel was er altijd werk. Schoonmaken, voorraadbeheer, administratie, bezoekjes van vertegenwoordigers, bankzaken ….. Een negen-tot-vijfinstelling is hem niet aangeboren. Dat hij nu een overschot aan vrije dagen heeft, is daarom niet verwonderlijk.
Ze kenden elkaar al vanaf de lagere schoolleeftijd. Hij ging naar de christelijke en zij naar de katholieke. Ze speelden samen op straat, in de speeltuin, achter de huizen waar ooit een smalle strontsloot liep of ze bouwden hutten van takken achter de dichte struiken in het volkspark. Als er ijs lag, schaatsten ze op de vaart met hun Friese doorlopers en bij wedstrijdjes wie het hardste kon, won zij altijd. Dat hij een jongen was en zij een meisje speelde geen rol tot ze beiden in de zesde klas zaten en zaken als verkering en zoenen aan de orde kwamen.
‘Hebben wij verkering?’ vroeg hij toen ze in de warme herfstwind op het muurtje bij de vaart zaten.
‘Ja toch?’ vroeg ze verbaasd, ‘We gaan toch met elkaar?’
‘….. Ja …..’
‘Daar hoort zoenen bij,’ meende ze en boog haar hoofdje naar hem toe.
Aarzelend beroerde hij met zijn lippen haar wang.
‘Dat is kussen. Zoenen doe je op de mond.’
Ze voegde de daad bij het woord en hij wist niet wat hem overkwam.
Thuis vertelde hij over zijn verkering.
‘Met wie?’ wilde zijn moeder weten.
‘Met Betsie.’
‘Dat meisje van verderop? Die zijn katholiek. Dat gaat dus niet gebeuren!’
Het geloof in de liefde voor elkaar breekt door alle soorten van kerkelijk geloof heen. Ook als je twaalf jaar oud bent. De tegenwerking maakte hun band sterker en toen ze beiden in Groningen gingen studeren, was samenwonen in een studentenkamer een vanzelfsprekendheid.
Ze checken woensdagmiddag in. Het hotel is modern en van alle gemakken voorzien. Het uitzicht wordt gedomineerd door het kantoor van de Rabobank. Ze weten nog hoe dat gebouwd werd. Op de begane grond maakte men een verdieping die omhoog gekrikt werd. Laag voor laag drukte de aannemer de flat omhoog. Elke week eentje erbij.
Ze lopen door de winkelstraat. In de winkel van haar ouders zit nu een bruidsmodezaak. In zijn winkel een brillenzaak van een landelijke keten. De Stationsstraat is niet meer de deftige straat van toen met de kerk, de pastorie, het huis van de tandarts, het reclamebureau waarvan de eigenaar in zijn vrije tijd theologie studeerde en daarom af en toe mocht preken, het grote huis van de Hendriksen met de acht kinderen en het café-restaurant. Het toont wat gewoontjes, wat armoedig en dat spijt ze. Het muurtje bij de vaart is er nog wel. Ze gaan er op zitten.
‘Hier zoenden wij elkaar voor het eerst,’ zegt ze.
Hij buigt zich naar haar toe.
‘Een kusje of een zoen?’ vraagt hij.
Ze zegt niets maar zoent hem zoals het hoort. Langdurig en innig.
De volgende dag, Hemelvaartsdag, besluiten ze met de fiets langs alle bekende plekken te gaan. Het wordt wat teleurstellend. De hele spoorwijk met de karakteristieke kleine huisjes is verdwenen. De lagere scholen van haar en van hem zijn afgebroken. De HBS die in hun tijd eenzaam en alleen tussen de weilanden stond, is omgeven door andere scholen en woningen. Het centrum is een verzameling van landelijk opererende winkelketens en mist de sfeer en gemoedelijkheid van vroeger. De brandweerkazerne is verhuisd en de snackbar waar ze vaak samen een patatje kochten, is nu een woonhuis.
‘We zijn echt wel een stel ouwe lullen,’ merkt ze op, ‘We kijken naar wat er niet meer is en de waarde van wat ervoor in de plaats gekomen is, zien we evenmin.’
Hij kan niet anders dan haar gelijk geven.
Ze rijden over de Herengracht en als ze linksaf willen slaan, schampt een om de hoek komende fatbike zijn voorwiel. Hij valt op straat en voelt gelijk dat het met zijn pols niet goed is.
“Sorry!” roept het meisje van de fatbike en rijdt gewoon door.
Zijn vrouw helpt hem overeind.
‘Heb je wat?’ vraagt ze.
‘M’n pols is kapot.’
Uit het niets zijn daar omstanders en een ambulance. Blijkbaar heeft iemand 112 gebeld. Ze nemen hem mee naar het ziekenhuis.
Met zijn gebroken pols in het gips lopen ze het ziekenhuis uit.
‘Blijven we of gaan we naar huis?’ vraagt ze.
‘We blijven. Er zijn nog genoeg dingen die we kunnen doen. Ik laat mijn lange weekend niet afbreken door iets als een gebroken pols. Vanavond wil ik Grieks eten. Daar heb ik me al een week op verheugd.’
‘Gaan we doen, lieverd. Zal ik je vlees dan snijden?’
Daar had hij even niet aan gedacht en enigszins bezorgd kijkt hij haar aan.
‘Alleen als je me niet voert en “grote jongen” zegt zodra ik een hapje neem.’