Een hardnekkig gif

Ik heb een probleem. Al heel lang. Het is niet zo groot dat ik er wakker van lig of er dagelijks mee bezig ben maar het is hardnekkig en knaagt op gezette tijden aan mij. Ik heb geen idee hoe en of ik het op kan lossen. Ik denk, maar zeker weten doe ik dat allerminst, dat ik niet de enige ben met dat probleem. Om gelijk maar ter zake te komen: het gaat over racisme of beter gezegd het beoordelen van  mensen met een andere huidskleur.
Ik kan zeggen dat iedereen voor mij gelijk is en dat ik geen onderscheid maak tussen mensen met verschillende huidskleuren of afkomst. Helaas is dat niet zo. Ik maak dat onderscheid wel en voor u verkeerde conclusies trekt, even wat achtergrondinformatie en voorbeelden.

Ik ben geboren en groot geworden in de Zaanstreek. Gastarbeiders waren er nog niet en de zwarte mensen woonden allemaal in dat verre Afrika. Daar gingen zendelingen heen en je spaarde voor die arme zwarte kindertjes zilverpapier. De school was wit, de verenigingen waren wit, de kerk was wit en zo ook het straatbeeld. Toen waren er plotseling mannen uit Zuid-Europa. Eerst veel jonge mannen. Later ook oudere die met hun veelal gezette vrouwen in lange broek met jurk, door de winkelstraat liepen. De man voorop, de vrouw erachter. Men zei dat het domme mensen waren die werk deden wat Nederlanders niet meer wilden doen. Je moest oppassen voor die lui. Wel vriendelijk zijn maar goed oppassen want je weet maar nooit. Voor de meisjes waren er aanvullende waarschuwingen en verboden want stel je toch eens voor wat voor vreselijks er wel niet allemaal kan gebeuren.

Er waren nog andere mensen waar je voor op moest passen: Duitsers. Zij hadden ons land bezet, de Joden vermoord en goede mensen doodgeschoten. Als een Mof je de weg vraagt moet je hem de andere kant opsturen was de algemene raadgeving. Ze deugen immers geen van alle.

Ik ging, toen ik 13/14 was, in Amsterdam naar school. Daar leerde ik de eerste Indonesiërs kennen. Ze stonken naar knoflook. Een gewas wat wij niet kenden. In spinazie, boerenkool, spruitjes of bloemkool gebruik je dat niet. Het waren vriendelijke mensen, dat wel maar die geur was zeer onaangenaam. Je kwam ook nooit bij hen thuis. Bij mijn Nederlandse vriend die geboren was in Indonesië, een keer een originele nasi-schotel gegeten. Mijn eerste keer en het was een volkomen onbekend gerecht maar wel heel erg lekker.

Gedurende de jaren kwamen er steeds meer verschillende nationaliteiten bij. Helaas werd met iedere nieuwe bevolkingsgroep de argwaan met bijbehorende typeringen en waarschuwingen groter. Als het woord ‘tsunami’ toen al een modewoord was, had het zeker geklonken. Ook de media deden lustig mee. Zinnen als ‘de verdachte van Turkse afkomst’ hebben bijgedragen aan de algemene beeldvorming.

Het is voor mij wel duidelijk dat gedurende de tijd van het van kind naar de volwassene een gif mijn hersenen heeft besmet. Oppassen, argwaan, verdacht, messentrekkers, kinderverkrachters, dieven, steuntrekkers, oplichters. Dit en nog veel meer, kleurden je jeugd en voedde je met een lelijk gif. Het blijkt een hardnekkig gif te zijn wat onder de naam ‘vooroordelen’ vele varianten kent.

Zo herinner ik mij de eerste meubelmaakster en de eerste metaalbewerkster. Leuk natuurlijk maar geheel onbevangen kon ik toch niet naar kijken. Het was toen beslist niet normaal en de kwalijke bijgedachten speelden op: het zal wel een manwijf zijn of waarschijnlijk lesbisch. Gelukkig bleken het wel normale vrouwen te zijn en alleen deze zin zegt meer dan genoeg.

Altijd zit er in mijn hoofd het duiveltje van de maat nemen. De ander afmeten aan je eigen normen. Ik kijk anders naar een chirurg met een Zuid-Europees uiterlijk. Zo ook naar een Afro-Amerikaanse commentator als ik weer eens op de hoogte wil blijven wat die gek in Amerika nu weer presteert. Naar de autoverkoper met een duidelijke Oost-Europese afkomst en waarom? Het zijn gelukkig zelden negatieve gedachten. Het is vaak bewondering maar ook dat deugt niet. Hoezo is het knap dat iemand met een donkere huidskleur, professor kan worden? Waarom voel ik bewondering en onbehagen als ik een geslaagde zakenman spreek van Marokkaanse afkomst? Waarom denk ik er niets bij zoals ik met elke witte man of vrouw wel doe? Waarom zit dat gif nog steeds in mijn kop en schaam ik mij elke keer dat het in een flits mijn gedachten infecteert?

Ik ga, vanaf het moment dat ik volwassen begon te worden, graag met mensen van verschillende afkomst om. Er valt veel te leren van hun gastvrijheid, cultuur, gewoonten en bereiding van de meest verrukkelijke maaltijden. Mensen die in een AZC verblijven maken je vaak deelgenoot van hun moeilijkheden en je zou graag willen dat hun verhaal bekent wordt bij veel meer mensen. Ik vind werkelijk dat ons land verrijkt is met al die nieuwe Nederlanders en het gezeur over ‘tradities’ komt mij de strot uit. De functie die een traditie heeft, namelijk het in stand houden van de maatschappelijke stabiliteit, kan gewoon niet volgehouden worden. Onze maatschappij is al lang niet meer stabiel. Die lijkt zo instabiel te worden dat het gevaar bestaat dat de meest fundamentele beginselen van de democratie ten onder dreigen te gaan. Zelfs de rechtsstaat staat te vaak niet meer recht en is dat iets waar we ons druk over moeten maken.

Met steeds grotere regelmaat schaam ik mij er voor een witte Nederlander te zijn. Het zou zo mooi zijn als al die Nederlanders die roepen dat zij geen racist zijn, zich zouden uiten op het moment dat de rechtsstaat in het geding is. De terreuraanval tegen KOZP is daar een schrijnend voorbeeld van.
Overigens zijn alle mogelijke relatievormen en  Zwarte Piet voor mij al jaren geen thema’s. Roetveegpieten zijn voorlopig een mooi compromis.

En ondanks alle positieve ervaringen zit dat gif in mijn kop. Voor u misschien geen probleem. Voor mij wel want het heeft mij berooft van de, misschien wel kinderlijke, argeloosheid. Een hardnekkig gif waar misschien alleen blanken last van hebben of kunnen hebben. Mijn vraag is hoe ik daar van af kom.

 

 

© peter gortworst / nov. 2019
afbeelding: 1jour1actu.com

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 6 reacties

Stadsduif met pleinvrees.

Goed, vandaag ben ik dus 21 geworden. Dat had ik een paar jaar geleden niet gedacht. Ik wordt nu eenmaal niet oud. Iemand met zo veel kwalen en zwakke gezondheid als ik, leeft niet lang en wees nu eerlijk, 21 is al best een hoge leeftijd. Vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer een pilsje gedronken. Dom want hoeveel hersencellen zijn er wel niet naar de Filistijnen gegaan? Alcohol is gewoon slecht voor je. Net als roken, melk, te koude lucht inademen, suiker, plastic schoenen, zwemmen in een zwembad, vet, de stad en kraanwater.

Nu lig ik al zeker een kwartier in bed en heb het nog steeds koud. Dat is vast niet goed. Mijn hart pompt het bloed natuurlijk niet hard genoeg rond. Mensen die dood gaan hebben dat ook. De vingers en de tenen zijn het eerste koud.

Waarom heb ik mij laten overhalen om toch een biertje te drinken? Normaal trek ik mij niets aan van wat ze van mij denken en laat ik mij zeker niet dwingen maar op een verjaardagsfeestje gaat het soms anders. Misschien wel omdat Henny er bij was. Leuke meid maar helaas niets voor mij. Ik kan toch moeilijk een relatie aanknopen terwijl ik weet dat ik morgen dood in bed kan liggen. Papa en mamma hebben haar natuurlijk niet voor niets gevraagd te komen. Die hopen vast dat zij zich in mij interesseert en ze weten niet dat Henny al lang weet wat ik ben. Ja, ik weet het zelf ook: een hypochonder van het zuiverste water maar dat is natuurlijk niet zonder reden. Wacht, even mijn pols voelen……. Zie je wel, hij vergeet af en toe gewoon een slag. Niemand die mij serieus neemt maar vannacht is het met mij gedaan.

Waarom heeft Vincent mij vanavond eigenlijk een optimistische hypochonder genoemd? Was dat sarcasme? Hij heeft wel vaker van die rare opmerkingen of manke vergelijkingen. Net als die schoonmaker die een hekel aan zijn werk had. Een luiaard met ADHD noemde hij hem. Slaat nergens op en dat kan bovendien niet. Net als een stadsduif met pleinvrees of een nijlpaard met anorexia. Ha ha, wel leuk om zoiets te bedenken. Hij vroeg of ik niet altijd bang ben maar dat is niet zo. Misschien wel omdat het gewoon bij mij hoort. Misschien omdat ik met een soort berusting leef, nou ja, zolang ik nog leef.

Zouden mijn ouders ondertussen wel weten hoe ik mijn begrafenis wil hebben? Ik heb ze toch hopelijk genoeg hints gegeven maar ja, ze rekenen er natuurlijk niet op dat ik morgen misschien wel dood in bed lig. Toch wel sneu voor ze als ik er niet meer ben. Kan er natuurlijk niets aan veranderen maar misschien moet ik morgen een brief voor ze schrijven met welke muziek ze moeten draaien in de aula. Stel dat ik het op één of andere manier toch meemaak dan moet het toch minstens naar mijn smaak zijn.

Een vogel met vliegangst of een mol met claustrofobie. Uh, even denken….. een eekhoorn met een notenallergie of een koe die lactose intolerant is. Een vegetarische leeuw, een varken met smetvrees of een aalscholver die bang is voor water. Grappig.

Hoe kan ik het koud hebben en toch zweten? Waar is de thermometer. Zie je wel: 37,3. Een lichte verhoging noemen ze dat. Alsof je ook een klein beetje zwanger kan zijn of een beetje kanker kan hebben. Ik heb gewoon koorts en mijn lijf vecht nu terug. Dat voel ik en misschien verliest het vannacht de strijd wel.

Ik hoop niet, nee, dat moet ik ook opschrijven: er mag geen pastoor aan mijn bed komen en in de kerk wil ik helemaal niet komen te liggen. Mama moest erg lachen toen ik zei dat ik weer katholiek wordt als de paus een zwarte, lesbische vrouw met een kind is. Maar ik meen het wel! Toch best wel jammer dat ze van mij geen kleinkinderen kan verwachten.

Uhm, uh, een kuddedier met verlatingsangst…. nee, dat is normaal gedrag. Iets met narcolepsie…. Welk dier mag er niet plotseling in slaap vallen? Een jachtluipaard? Ah, nog één: een vleermuis met entomofobie! Dat kan wel. Of een aaseter met necrofobie. Ook leuk. Kan een lintworm eigenlijk angst hebben voor een lintworm of een vluchteling een xenofobie? Morgen maar eens op Google kijken of ik daar iets over vinden kan. Hoewel….. eerst maar eens zien of ik er morgen nog wel ben.

Even voelen……. dacht ik wel: de pols is nog steeds onregelmatig en ik hoor nu ook mijn eigen adem. Ik piep een beetje. Misschien stik ik vannacht wel. Dat is een akelige manier van doodgaan maar ja, als het anders niet is, dan moet het maar zo. Wacht even….. waar komt die buikpijn vandaan? Het is nu nog maar een klein beetje maar het wordt vast erger. Even drukken… ja hoor, boven in de buik. Dat kan mijn hart zijn maar ook mijn slokdarm en dan is het vast kanker. Iets anders kan haast niet, hoewel, misschien is het wel mijn aorta die op knappen staat. Hoe schadelijk is maagzuur als dat in je slokdarm komt? Het was natuurlijk dom om alles door elkaar te eten. Asperges met ham, kaas, leverworst, zoutjes, een gebakje en van die zoute stengels: roer het door elkaar en je vreet het niet maar het zit nu wel in mijn maag. Dat water met koolzuur heeft de hele handel aan het gisten gebracht en nu vreet het zuur mij van binnen weg. Nu doodgaan is mijn eigen schuld. Het minst erge is dat ik wellicht een allergie oploop en laat het dan alsjeblieft geen waterallergie zijn. Dan wordt mijn leven nog beroerder dan het nu als is. Bestaat er eigenlijk zoete haring? Haring die ze in de rivieren vangen bijvoorbeeld. Die kan ik dan wel eten omdat een zoute haring mijn vocht teveel vasthoudt.

Een bever met twee linkerhanden. Een stokvis met krukken…. Is die leuk? Nou…nee.

Laat ik mij maar omdraaien. Als ik dan een scheet moet laten zit er niets in de weg. Wie weet slaap ik dan ook in. Misschien voorgoed. Dat kan maar zo.

Een meikever die geen kalender kan lezen, een processierups die een einzelgänger is, een eendagsvlieg die zijn dag niet heeft of een, kom, hoe heette dat beestje van Vondel nou…. O ja, een schrijverke maar dan een laaggeletterde. Mwah…..

 

 

© peter gortworst / nov 2019
foto: geratherm koortsthermometer
leef.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Elske -3-

Het is geen verliefdheid die hij voor haar voelt. Hij zou het eerder omschrijven als interesse. Elske is geen meisje als alle anderen. Elske heeft twee gezichten en hij is misschien wel de enige die dat ziet. Voor iedereen is het de lachebek, de jongensgek, de brutale en de vaak ordinaire puber. Ze wisselt als een knipperlicht van vriendjes en al snel heeft ze ‘de hoer van de school’ als naam. Ze lijkt er niet mee te zitten. Het zou zelfs kunnen dat ze er een beetje trots op is.

Hij zit alleen in de schoolkantine en eet zijn brood. Eén boterham met kaas, eentje met worst en eentje met jam. Elke dag hetzelfde omdat uit orde en regelmaat, rust voortkomt. Plotseling zit zij naast hem. Hij kijkt haar verwondert aan.
‘Ik heb nog nooit met jou gesproken,’ zegt ze.
Zonder iets te zeggen slikt hij zijn hap brood door en weet dat hij haar zoveelste verovering moet worden.
‘Zou je mij niet willen leren kennen?’ vraagt ze met een lachend gezicht.
Als hij haar aankijkt, knipoogt ze naar hem. Zo’n knipoog die meer beduidt. Hij kijkt terug en bestudeert zo lang haar gezicht dat zij zich er ongemakkelijk bij gaat voelen.
‘Waarom huil je?’ vraagt hij.
De lach is plotseling verdwenen.
‘Ik huil niet.’
‘Je gezicht niet, nee, maar je ogen wel.’
Even zegt ze niets en kijkt hem aan, met een gezicht wat een mengeling geeft van nietszeggendheid en brutaliteit.
Ze staat op. Voor ze wegloopt sist ze hem toe:
‘Idioot!’
Hij kijkt haar na. Ze loopt als een mannequin en haar kleine kontje wipt bij iedere stap, beurtelings rechts en links, een beetje omhoog. Hij kan er niets aan doen: ‘Something in the way she moves’ zingt het in zijn hoofd als de volgende boterham aan de beurt is.

Het is hem duidelijk dat ze hem heeft opgewacht. Ze staat niet voor niets in de stalling bij zijn fiets. Het is het begin van een relatie die bol staat van tegenstrijdige verwachtingen. Hij wil heel graag weten waarom zij hem uitgekozen heeft en wie zij werkelijk is. Zijn vragen worden met zwijgen, irritatie en nukkigheid gepareerd. Zij wil graag plezier met hem maken en vrijen maar alleen al aan de eerste tongzoen houdt hij een nare smaak in de mond over. Het duurt daarom niet lang voor hij haar een brief schrijft met de mededeling dat het voor hem over en uit is. Ze hebben elkaar na die schooltijd nooit meer gezien en zij is voor hem in de vergetelheid verdwenen. Zij was een rimpeling in zijn bestaan en de tijd heeft deze glad gestreken.

 

En nu zit zij bij het voeteneinde van het bed.
‘Hoe kom je hier? Is dit soms een enorme halloweenstunt?’ vraagt hij.
‘Nee, daar heeft het niets mee te maken, hoewel, het zou inderdaad een mooie stunt zijn maar nee, het is gewoon….. ik weet het niet, ik schijn dit te kunnen.’
Als hij niets zegt en haar alleen maar vragend aankijkt, zegt ze:
‘Ik ben dood. Ik was de laatste in een file en de vrachtwagen achter mij had dat niet door. Ik heb mijzelf gezien in mijn auto en vanaf daar is het een beetje vreemd. Die tunnel waarover gesproken wordt is er wel maar ik wilde nog niet. Het was te plotseling en ik was nog niet klaar.’
‘Hè? Je bent dood? Hoe kan het dan dat je hier zit als Elske van toen? Ben jij die vrouw die ik overal tegengekomen ben of zijn er meer als jou?’
‘Nee, ik was het alleen en ik denk dat ik er uit zie zoals ik mij op dat moment voel. Ik heb daar geen controle over. Weet je, als je ouder wordt ga je terugkijken. Dat doe jij ook. En dan zijn er zaken die je altijd hebt willen weten. Waarom en met welke zin is dat toen en toen gebeurt? Wat als ik een andere beslissing genomen had? Hoe is het met die of die gegaan en hoe zou het geweest zijn als ik niet die maar met die andere getrouwd was? Allemaal vragen waar je normaal geen antwoord op krijgt. Het ‘wat als’ opent een deur die je beter dicht kan laten. Het verleden is verleden tijd en alles is gegaan zoals het gegaan is. Daar verander je niets meer aan.’
‘Maar waar ben jij dan nog niet klaar mee? Wat wil je nog doen en kan je eigenlijk wel wat doen?’
‘Jij bent één van de dingen waar ik nog niet klaar mee was. Weet je nog dat ik naast je kwam zitten in de kantine?’
‘Ja, nu wel en ik weet niet waarom. Ik heb er nooit meer aan gedacht en nu staat het mij bij alsof het gisteren gebeurt is.’
Ze glimlacht.
‘Jij hebt mij toen gevraagd waarom ik huilde. Ik ben die vraag nooit vergeten omdat het zo verschrikkelijk waar was. De vraag maakte mij bang en ik voelde mij gelijktijdig door jou aangetrokken. Ik kon toen niet anders reageren en ook gedurende onze verkeringstijd niet. Ik moest mijn grote geheim bewaren. Er over praten wilde ik wel maar kon ik niet omdat de consequenties te groot en te onoverzichtelijk waren. Toen jouw brief kwam, was mijn laatste kans om het er misschien in de toekomst over te hebben, verkeken. Ik heb jouw brief altijd bewaart en ik heb je later vaak gezocht. Om eerlijk te zijn: je bent nooit uit mijn gedachten geweest. Jij was anders dan al die mannen uit mijn leven. Ze wilden mij allemaal hebben omdat ik donders goed wist hoe ik ze tevreden kon stellen met mijn lijf. Niemand vroeg mij wie ik echt was. Misschien was het ook wel mijn eigen schuld. De liefde die ik geleerd heb, was geen liefde of misschien slechts een deel van wat liefde zou moeten zijn. Helaas was jij onvindbaar. Geen Facebook, Instagram of Twitter. Niemand die wist waar je gebleven was en het mooie van dood zijn is dat dit soort zaken eenvoudig op te lossen zijn.’
‘Ik begrijp niet goed…. nee, ik snap hier niets van. Voor mij is dood echt dood. Er is gewoon niets meer en nu zit jij hier mijn zekerheden omver te gooien. Hoe ziet het eruit waar je nu bent? Hoe beweeg jij je? Ben je nu een geest? Hoe weet je wat je doen moet?
‘Dat kan ik je allemaal niet zeggen. Geen idee hoe alles hier werkt. Het is voor mij ook de eerste keer. Ik weet alleen dat ik tijd gekregen heb om jou te ontmoeten. Ik wilde zo graag weten hoe het jou is vergaan. Was ik jouw eerste meisje en waren er na mij andere?’
‘Jij was de eerste en ook de laatste.’
‘En ben ik daar de oorzaak van?’
‘Nee, het gaat mij goed als ik alleen ben. Dan is alles overzichtelijk. Ik weet, ik ben een zonderling maar dan wel een gelukkige.’
Plotseling schiet hem de hond te binnen.
‘Waarom heeft mijn hond eerst tegen jou geblaft en later niet meer?’
‘Omdat een hond meer ziet dan een mens. Ik ben een nieuwe verschijning voor hem maar nu niet meer. Hij ligt beneden in zijn mand en ik heb hem even gerustgesteld. Het is een lief beest.’

Langzaam is het gezicht van Elske aan het veranderen. Het is meer een vrouw op middelbare leeftijd en niet langer het meisje van toen.
‘Je gezicht wordt ouder,’ merkt hij op.
‘Ja, ik weet het. Mijn tijd zit er bijna op.’
‘En dan?’
‘Dan ga ik door de tunnel en ben ik, voor zo ver ik nu weet, voor altijd weg.’
‘Wat is dat grote geheim waar je over sprak?’
‘Ach, het gewone verhaal. Een vader met losse handjes en een net zo losse gulp. Een vriend van hem die er ook wel pap van lustte en een machteloze moeder die regelmatig alle hoeken van de kamer zag. Het is alleen zo jammer dat zoiets je hele leven tekent.’

Hij voelt een kou zijn hart omklemmen. Hoezo het ‘gewone verhaal’? Dit is niet normaal. Dit mag toch nooit gewoon worden? ‘Jammer’ is in dit geval een understatement van de bovenste plank.
‘Daarom heb ik je altijd gezocht,’ gaat ze verder, ‘Jij gaf mij een vermoeden van een andere wereld. Een wereld waarin een mooi of lekker lijf met alles wat je daar mee kan doen, niet het belangrijkste is.’
‘Het spijt mij dat ik onvindbaar voor je was. Ik heb nooit kunnen vermoeden dat een vraag van drie woorden zo belangrijk was.’
‘Je moet geen spijt hebben. Je hebt mij iets gegeven wat ik als een juweel bewaard heb: de hoop dat ik je ooit zou vinden en jouw rust de mijne zou kunnen maken. Nu hoef ik niet meer te zoeken. Wat ik gehoopt had met jou te vinden is hier volop. Vreedzaam is misschien wel het goede woord.’

Ze is nu een vrouw geworden met een gezicht wat past bij haar leeftijd.
‘Ik moet gaan,’ zegt ze zacht.
Hij knikt en voelt de tranen in zijn ogen branden. Ze staat op, knielt naast zijn bed en slaat haar armen om hem heen. Ze kust hem op zijn mond.
‘Dag,’ zegt ze en hij is alleen.

Hij valt achterover en een genadige diepe slaap overvalt hem. Als hij wakker wordt, ontdekt hij de hond die naast hem ligt. Het beest slaapt. Zijn emoties nemen de overhand en hij kan maar aan één ding denken:
‘Elske!’ stamelt hij.
Dan begraaft hij zijn gezicht in de nekharen van de hond en huilt.

 

 

© petergortworst / okt. 2019
foto: maker Alexey_M
         Getty Images/iStockphoto

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Elske -2-

Schokkend om te ervaren dat een rustig, kalm bestaan kan veranderen in één groot vraagteken. Laat in de middag komen ze thuis en de hond ploft meteen op zijn kussen. Zo moe heeft hij dat beest nog nooit gezien. Zelfs zijn lekkers moet hij brengen en met lange tanden wordt het naar binnen gewerkt.

Hij maakt voor zichzelf koffie en met de mok gaat hij aan de eettafel zitten. Het wordt langzaam donker. De motregen lijkt wel wat minder geworden maar al met al blijft het een grauwe en naargeestige oktoberdag. Hij huivert en de oorzaak daarvan zit niet in de grauwheid van deze dag maar meer in wat hij beleeft heeft. Vragen, vragen en vragen schieten door zijn schedel. Hoe kan die vrouw zo snel op dat bankje gekomen zijn en hoe zo snel bij de auto? Waarom is zijn hond zo bang? Kent zij hem en waarvan dan? Maar wie is zij? Vooralsnog is dat de grootste vraag en de beantwoording daarvan zal waarschijnlijk veel duidelijk maken. Dat loopje van haar. Dat kent hij ergens van maar wie in zijn kennissenkring heeft blond haar en is slank?

Hij maakt wat te eten en verzet zijn gedachten door een dom spelletje op de computer te spelen. Het lukt maar ten dele want domme spelletjes geven je brein nog genoeg speelruimte om na te denken. Plotseling begint de hond als een gek te blaffen en spurt met poten die wegglijden op het laminaat naar de achterdeur. Hij schrikt zich rot en haast zich ook naar de deur. De hond staat met de poten tegen het raam en is helemaal dol. Eerst trekt hij de hond weg naar het halletje en tuurt dan door het glas. Niets of niemand te zien. Voorzichtig draait hij de deur van het slot en als hij naar buiten stapt, gaat de buitenverlichting aan. Als er iemand was had het moeten branden en die wetenschap stelt hem enigszins gerust. Hij loopt weer naar binnen en bevrijdt de hond. Die rent naar de achterdeur maar stopt dan abrupt. Geen stap zet die hond buiten de deur. Zacht jankend en met de staart tussen de poten kijkt hij wisselend naar buiten en naar hem. Het beest is beslist van iets bang. Hij doet de deur voor zijn neus dicht en loopt de keuken in. Ergens staat nog een fles whisky. Een longdrink met half cola half geestrijk vocht kan hij nu wel gebruiken. Hij nestelt zich op de bank en als de hond hem vragend aankijkt, mag hij naast hem liggen. Na een diepe zucht ligt de hond met de kop op zijn dijbeen gelukkig te wezen en hij vraagt zich af wat dat hele gedoe nu weer was.

De slaap is diep en lang. Als hij zijn ogen opent is het al licht. Hij blijft stil liggen omdat de hond, wanneer hij geluid maakt, weet dat hij naar boven mag komen. Hij heeft tijd nodig om na te denken en zodra de dagelijkse bezigheden daar zijn, gaat dat stuk lastiger. Zijn hele leven was één groot ordelijk geheel. Bijna alles was voorspelbaar omdat hij verrassingen en onregelmatigheden haat. Nooit getrouwd, altijd gewerkt en sinds zijn pensionering zielsgelukkig met alle vrije tijd. Een nieuw ritme vinden was niet moeilijk en de aangeschafte hond past daar moeiteloos in. Een hond zeurt niet, vraagt niet wat je denkt, wil niet iets gezelligs doen, accepteert dat wat er op tv is en doet niet moeilijk over eten. Zijn gelukkige bestaan als eeuwige vrijgezel kon zonder problemen worden voortgezet en de hond helpt hem om er een duidelijk ritme aan te geven.

En plotseling is daar al dat onverklaarbare. Het zit hem dwars omdat hij geen duidelijke oorzaak of reden kan vinden. Aan iets bovennatuurlijks denkt hij niet. Dat is iets voor zweverige types en hij weet van zichzelf dat hij dat beslist niet is. Die opgedoken vrouw en die hond hebben iets met elkaar te maken maar wat? Of niet? Is wat gisteren gebeurde dom toeval en is er vandaag niets meer aan de hand? Hij roept de hond en met een snoekduik landt het beest op bed.

 

Als hij beneden komt, schuift hij de gordijnen open. Schuin aan de overkant stapt een slanke jonge vrouw met blonde haren op de fiets. Hij kan haar alleen op de rug zien. Ze steekt haar hand op en fiets weg. Hij voelt zijn hart in zijn keel kloppen en staart haar verbijsterd na. Het is dus niet alleen iets van gisteren.

Als iemand hem zou vragen hoe het is om langzaam gek te worden, kan hij je dat haarfijn vertellen. Het is niet alleen de hond die regelmatig als een gek bij de achterdeur staat te blaffen en vervolgens bang weigert om ook maar één poot in de ogenschijnlijk lege en donkere achtertuin te zetten. Het is vooral die ongrijpbare vrouw die hem het leven moeilijk maakt. Al zijn gepieker wie het zou kunnen zijn heeft nog geen enkel resultaat gehad en zijn voornemen om haar aan te spreken zodra hij haar ziet, lukt om onverklaarbare redenen niet. Hij dacht de beste kans te hebben toen hij in de stad was en besloot om in het stadscafé koffie te drinken. Hij ging bij het raam zitten en toen hij om zich heen keek zat aan de andere kant van de ruimte een slanke, blonde vrouw. Iets klopte niet. Het was geen jonge vrouw. Haar gezicht was duidelijk door de tijd getekend. Ze keek hem aan, stak haar hand op en verdween, met dat loopje wat hij ergens van zou moeten kennen, naar de toiletten. Hij heeft gewacht tot ze terug kwam maar na drie koppen koffie was duidelijk dat daar geen sprake van was. De serveerster is op zijn verzoek nog even gaan kijken of er iemand op het toilet was maar die kwam onverrichterzake terug.

Hij is weer in de stad geweest en stapt in zijn geparkeerde auto. De motor wordt gestart en hij zet de automaat op standje D. Dan ziet hij haar aan de overkant van de straat staan. Ze steekt haar hand op en hij drukt het gaspedaal van pure schrik te diep in. Het parkeerpaaltje ligt plat en de deuk is aanzienlijk. Als hij uitstapt, ziet hij haar om de hoek van de straat verdwijnen. Nu heeft hij er een nieuw probleem bij. Hoe vertel je een verzekeringsagent dat je, wegens een onbekende vrouw, tegen een parkeerpaaltje bent gereden?

De onzekerheid en de vragen groeien met de dag. Bestaat die vrouw wel echt of is het een waanbeeld. Elke keer dat hij haar ziet, of misschien dus wel meent te zien, steekt ze haar hand op en is vervolgens spoorloos verdwenen. De ene keer is het een vrouw van middelbare leeftijd, dan een jonge vrouw of is het een oudere dame maar altijd wordt die hand opgestoken. Inmiddels meent hij zeker te weten dat het niet één vrouw is en dat maakt het probleem alleen maar groter. Waarom steken vrouwen van blijkbaar verschillende leeftijden maar wel allemaal met dat nog niet plaatsbare loopje, slanke gestalte, lange benen en kleine kontje, hun hand naar hem op? Hij is de enige die gek wordt van de onzekerheid. Zijn hond lijkt langzaam aan het ‘verschijnsel’ te wennen. Als hij met de hond loopt en haar niet ziet, doet zijn hond dat wel. Hij blaft nog wel maar de angst lijkt wel wat te minderen. ’s Avonds staat hij niet meer als een dolle bij de achterdeur. Hij loopt er wel naar toe en jankt dan een beetje maar meer niet. Voor een beest is het blijkbaar makkelijker om aan iets onverklaarbaars te wennen maar als je gezegend bent met een gezond verstand, lukt dat niet zomaar. Hoewel… gezond verstand?

 

Hij droomt. Meneer van der Bos geeft wiskunde en vraagt hem hoe je de inhoud van een cilinder berekent. Kwart pi D in het kwadraat maal de hoogte wil hij zeggen maar hij krijgt het niet uit zijn mond. Hij zegt het wel maar er komt geen geluid. Eerst is er de verbazing. Dan de angst. Hij probeert het keer op keer maar het gaat niet. De klas wacht en als ze hem zien worstelen, beginnen ze te lachen. Steeds harder en ook meneer van der Bos doet mee. Paniek slaat toe en plotseling zit daar, schuin voor hem, de blonde en slanke vrouw. Met een schreeuw springt hij op en wijst naar haar.

Zijn eigen schreeuw maakt hem wakker. Langzaam voelt hij de paniek uit zijn lijf verdwijnen en wordt zijn ademhaling weer normaal. Dan kucht er iemand zacht en het klinkt vreselijk dichtbij. Hij knalt overeind en ziet, in een diffuus blauwachtig licht, bij het voeteneind de slanke, blonde vrouw zitten. Ze steekt haar hand op. Haar gezicht is van een tiener en hij herkent het onmiddellijk.

‘Elske?’ stamelt hij.

                                                                   wordt vervolgd

 

 

 

©peter gortworst / okt 2019
afbeelding: maker Alexey_M
                     Getty Images/iStockphoto    

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Elske -1-

Voor de hond maakt het niets uit. Een natte, sombere en nevelige oktoberdag is hem net zo lief als elke andere dag. Het bos is altijd vol geuren, sporen en geluiden die duiden op iets spannends. De kleine druppels op zijn brillenglazen  hinderen hem bij het kijken maar hij weet dat de hond hem niet uit het oog verliest en de weg in het bos net zo goed kent als hij. Op de parkeerplaats stond geen enkele auto en daarom vermoedt hij dat er niemand anders in het bos is. Het is daarom een verrassing dat de hond, bij een kruising van bospaden, plotseling begint te blaffen. Hij veegt met zijn vingers het meeste water van zijn bril en als hij ook op de kruising komt, ziet hij een stuk op het pad dat naar rechts voert, iemand stil staan. Erg goed kan hij het niet zien omdat brillenglaswater het beeld vertekent maar het is duidelijk een vrouw met lichte haren en ze staat stil op zo’n honderd meter afstand. Hij roept dat de hond niets doet en ze steek haar hand op. Dan loopt hij door en de hond volgt hem. Raar beest. Normaal interesseert het hem niets als er andere mensen in het bos zijn en waarom nu dan wel?

 

Als hij een stuk verder is, merkt hij dat de hond vlak achter hem loopt en met grote regelmaat achterom kijkt. De staart die normaal fier omhoog staat, hangt in een boog. Hij bromt dat er niets aan de hand is en moedigt de hond aan weer te gaan struinen. Dat heeft geen effect en met de gedachte dat het wel weer over zal gaan, loopt hij verder. Als hij bij de rand van het bos, daar waar de heide begint, staat, twijfelt hij of hij met een boog door het bos terug zal gaan of nog een ronde over de heide zal lopen. Hij besluit het laatste en hoort dan de hond, die nog steeds achter hem staat, grommen. Met de staart tussen de poten is het beest gefixeerd op de vrouw die blijkbaar dezelfde weg heeft genomen. Ze is nog altijd zo’n honderd meter weg en staat stil. Hij maakt zijn bril droog met een papieren zakdoekje en kijkt naar de vrouw. Het is een jonge vrouw. Slank, jong, lange benen en blonde haren. Ze zet hem aan het denken omdat ze hem bekend voorkomt. Helaas heeft hij geen idee van waar of hoe hij haar zou kennen. Het komt niet in hem op om naar haar toe te stappen. Zo iets doet men niet en hij besluit verder de heide op te lopen. De hond volgt hem en het duurt maar even voordat deze zijn schijnbare angst heeft verloren. Hij struint weer van links naar rechts en de staart staat weer omhoog.

 

Vlak voor hij de bosrand aan de andere kant van de heide bereikt, besluit hij met een boog naar links terug te lopen. Normaal doet hij dat niet. Hij loopt meestal door tot het bos om daar op een bankje te gaan zitten. Dat staat op een kleine verhoging en vaak geniet hij dan van het uitzicht over de heide. Vandaag heeft dat geen zin. Het bankje is natuurlijk nat en het uitzicht is beperkt door de grijze mist en motregen. Bovendien is het bankje nu bezet. Met een schok meent hij de jonge, blonde vrouw te zien maar de afstand is te groot. Hij veegt zijn glazen schoon en constateert dat zij het inderdaad is. Ze steekt haar hand op en hij draait zich abrupt om. Hoe is zij daar zo snel gekomen? De weg die hij genomen heeft is de kortste. Heeft zij, misschien wel rennend, een andere weg genomen om eerder op dat bankje te zijn? En waarom? Zonder om te kijken loopt hij weg. De hond doet nog steeds normaal. Blijkbaar heeft hij niets gemerkt.

 

Men zegt wel eens dat wandelen stilstaan bij jezelf is. Dat klopt. Verschillende malen heeft hij dat zo ervaren en ook nu is er genoeg om bij stil te staan. Hij vraagt zich af waarom zijn hond zo raar reageert, hoe het kan dat zij kilometers heide sneller heeft afgelegd maar vooral waarom ze hem bekend voorkomt. In gedachten gaat hij al zijn vrienden en kennissen af en vooral hun kinderen. Wie heeft er een slanke dochter met blonde haren? Hij weet er geen en de wetenschap dat dit vraagstuk hem de komende dagen bezig zal houden, ergert hem. Het is dit keer geen liedje of melodie waar hij niet op kan komen, geen naam van een oude bekende, geen stuk gereedschap wat hij niet kan vinden  en waarvan hij ook niet weet wanneer en waar hij dat voor het laatst heeft gebruikt. Dit is lastiger. Hij heeft noch een naam noch een gezicht en de vragen die hij heeft kan hij niet zomaar vergeten.

 

Na ruim een uur is hij bijna terug bij de auto. De hond is moe. Een konijn wat tussen de bomen door weg schoot, heeft hij zelfs laten lopen. Het pad maakt een flauwe bocht naar links en van daar kan hij zijn auto in de verte zien. Plotseling staat de hond achter zijn benen. De staart weer tussen de poten en hij gromt. Bij zijn auto staat die vrouw. Ze kijkt door het portierraam naar binnen. Hij wacht op wat komen gaat. Ze draait zich naar hem toe en steekt haar hand op. Dan loopt ze weg en dat loopje kent hij ergens van. Die slanke benen en dat kleine kontje heeft hij eerder gezien. Maar waar en wanneer?

Zodra ze weggelopen is, doet de hond weer normaal. Bij de auto is niets verdachts te vinden en met een hoofd vol vragen rijdt hij naar huis.

 wordt vervolgd

 

 

 

© peter gortworst / okt 2019
afbeelding: maker Alexey_M 

                     Getty Images/iStockphoto

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Onheil van boven

Ze treffen elkaar op de voedselbank. Beiden niet armlastig, hongerig of onderbedeeld maar als er iets als een voedselbank is waar je een graantje kan meepikken zonder er veel moeite voor te doen, is dat natuurlijk meer dan welkom. De ene heet Trees en is een beetje het gevulde moeke die alles vooral gezellig wil houden. De ander heet Truus en zij is een dame die zich welvarender voordoet dan ze is.

Ze kennen elkaar al een tijdje. Alleen van gezicht want tot nu toe heeft geen van tweeën de ander nog gesproken. Dat zie je wel vaker. Je ziet elkaar regelmatig. Op straat, in de winkel of in het park maar elkaar spreken doe je niet. Het blijft vaak bij een bekend gezicht tot het moment daar is. Dat moment kan van alles zijn en pas dan ontdek je wie of wat die ander is. Soms valt het mee en soms tegen maar hoe dan ook: het bekende gezicht krijgt een naam.

Trees is een beetje onder de indruk van Truus. Ze is groter en is altijd zo mooi zwart gekleed. Niet matzwart maar glimmend en met allemaal witte spikkels. Als het licht een beetje meewerkt lijkt er, door het donkere zwart, iets van groen te schijnen. O, ze vind het prachtig maar het is niets voor haar. Het ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ is haar op het lijf geschreven. Zij is gewoon een grijze mus en dat bevalt haar prima.

Misschien is dat wel de reden waarom Truus haar niet aangesproken heeft. Waarom zal je je inlaten met een zo onbeduidend en armoedig geval? Ze zal het nooit hardop zeggen maar zij is natuurlijk beneden haar stand. O, ze zal best een lieve en zorgzame moeder voor haar kroost zijn maar dan in haar milieu. Een milieu waar zij zich absoluut niet voor interesseert en, afgaande op het volledig oninteressante en inhoudsloze gebabbel van deze grauwe mus, zal haar nageslacht wel net zo dom zijn als deze moeke. Appels vallen nu eenmaal niet ver van de boom.

En wat toevallig. Laten het nu net de echte appels zijn die hen nader tot elkaar brengt. Ze staan er bij en kijken er naar.
‘Ze zien er niet echt lekker uit,’  zegt Trees.
‘Nee,’ zegt Truus, ‘Ze lijken wel aangepikt en die zijn ook al bruin.’
‘Jammer. Ik had mijn kinderen wel wat lekkers gegund,’ zegt Trees met spijt in haar stem.
‘Hoeveel kinderen heeft u?’ wil Truus weten.
‘Zeven.’
Mijn God, denkt Truus. Zeven kinderen! Dat zal daar toch een puinhoop zijn.
‘U woont toch in dat huis met die blauwe dakpannen?’
‘Ja, maar gelukkig niet alleen. We hebben daar een kleine maar gezellige ruimte. Het enige nadeel zijn die zomergasten die naast ons wonen. Die zijn nogal luidruchtig. Gelukkig zijn ze alleen in de zomer hier. Het is anders geen harden. Ze vliegen met een noodgang door de straat en als je er wat van zegt, krijg je alleen maar te horen dat ze niet anders kunnen.’
‘Toch is het een vlijtig volkje,’ meent Truus. ‘Als mijn man ’s morgens vroeg aan het werk gaat zijn die gasten al druk in de weer. Dat verbaast mij elke keer weer omdat je niet verwacht dat die donkere types van die harde werkers zijn. Maar misschien moeten ze wel. Elke winter de warmte opzoeken kost natuurlijk het een en ander.’

Daar had Trees nog niet aan gedacht. Zij maakt zich meer zorgen om dat gevlieg en gejaag. Een botsing is zo gemaakt en dan maakt het niet uit of je een harde werker bent of een donker type.
‘Waar woont u?’ vraagt ze aan Truus.
‘Wij wonen vrijstaand. Wij hebben dit jaar een riante woning betrokken waarbij wij alleen de ingang moesten vergroten. Geen idee wie de vorige bewoners waren maar ze waren beslist klein van stuk. Nee, we hebben het met z’n vieren prima naar onze zin.’
‘O, u bent ook moeder?’
Dat had Trees niet verwacht. Ze kan zich niet voorstellen dat iemand met zo’n uiterlijk zich bezig houdt met schoonmaken, eten verzorgen en poep opruimen.
‘Nou,’ zegt ze blij, ‘Dan weet u ook alles van het huishouden en opvoeding.’
‘Ja, maar het maakt natuurlijk wel uit of je er twee hebt of zeven. Ik moet er niet aan denken. Nee, wij voeden ze op tot zelfdenkende en zelfstandige wezens die hun draai in het leven kunnen vinden. Je kan immers meer persoonlijke aandacht aan twee geven dan aan zeven. Nee zeg, ik moet er echt niet aan denken. Ze zouden voor galg en rad opgroeien en wie worden daar op aangekeken? Precies: de ouders.’

Als Trees over deze woorden nadenkt en concludeert dat haar leefstijl door deze dame wordt bekritiseerd, verduistert plotseling de lucht. Voor Trees weet wat er gebeurt, grijpt een sperwer Truus met beide poten vast. De nagels boren zich in haar vlees en het laatste wat Trees hoort, is de doodskreet van een spreeuw die weldra voer is voor de jongen van deze jager.

Ze is behoorlijk ontdaan. Haar hart klopt in haar keel en ze beseft dat ze vreselijk geluk heeft gehad. Het is misschien toch beter een grijze en onopvallende huismus te zijn dan een opzichtige spreeuw. Ze pikt nog snel een paar graantjes van de voedertafel en brengt dat naar haar kinderen. Kan ze hen gelijk een mooie levensles leren.

 

©peter gortworst / okt. 2019
foto: pinterest.co.uk

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Oude liefde

Foto’s uit het verleden brengen herinneringen terug en als je op leeftijd begint te geraken, worden dat er alleen maar meer. De foto waar hij nu naar kijkt is van zijn oude school. Via Facebook werd deze hem toegestuurd. De vraag ‘weet je nog?’ die Anneke, zijn klasgenootje van toen, erbij schrijft, kan hij positief beantwoorden.

Die gladde en grijze stenen trap naar die immens hoge deuren, het schoolpleintje, het draadgazen hek, de hoge ramen, hij weet het allemaal nog. Starend naar de foto probeert hij zich de kinderen voor de geest te halen die er toen in de klas zaten. Anneke is natuurlijk geen probleem. Enige weken terug ontdekte hij wie zij was toen zij zich met haar meisjesnaam, via Messenger, bij hem melde. Hij woont al bijna dertig jaar niet meer in die stad en eerlijk gezegd spijt hem dat niets.

Het contact is leuk en samen constateren zij dat het leven vaak anders verloopt dan vooraf gedacht.  Dat gaat voor hen beiden op maar hoe zal het de anderen zijn vergaan? De slimme Martin, zijn schoolvriendje Adrie, die tuttige Sara, Gijs, Berend en Hugo?

Als hij Anneke vraagt of ze toevallig nog een klassenfoto heeft, stuurt zij deze prompt op. Een foto gemaakt op die gladde stenen trap. Hoofdmeester Baard zit rechts op de achterste rij. Hij zit vooraan in het midden en één voor één gaat hij de gezichtjes na. De gezichtjes kent hij maar de namen die daar bij horen, is een ander verhaal. Irene is niet moeilijk. Zij was het enige donkere meisjes in de klas en misschien wel van de hele school. Adrie herkent hij ook. Anneke is natuurlijk geen probleem en Gijs en Bennie, de magere slimme slungel, ook niet. De hooghartige Lisa is, naast Adriaan die altijd boos of narrig was, de enige die niet met een lach op de foto staat.

Met wat gemengde gevoelens kijkt hij naar Irene. Die mooie donkere Irene die met hem stoeide tijdens een sportdag en toen zij bovenop zijn buik zat, zijn polsen naast zijn hoofd in het gras drukte en hij zich overgaf, hem langdurig aankeek met een, naar hij nu nog steeds zeker weet, liefdevolle blik. Een blik die hij nooit is vergeten. Het maakte hem toen verlegen en later kwam daar spijt bij. Naast die verlegenheid was daar ook de verwardheid. Zijn grote liefde was immers niet Irene maar Lisa. Duizend maal liever had hij met Lisa gestoeid maar zij zou zich nooit verlagen tot iets als een ordinaire stoeipartij. Zij was te gracieus, te mooi en omdat zij dat van zichzelf heel goed wist, onbereikbaar voor een doodgewoon schooljongetje. Halsstarrig bleef hij van haar dromen en wachtte met eindeloos geduld op het moment dat hij haar zijn liefde kon betonen. Het is er nooit van gekomen en met de constatering dat hij toen al een patent had op het maken van verkeerde keuzes, troost hij zich nu.

Hij schrijft zijn bevindingen aan Anneke en vraagt of zij alle namen nog weet. Per omgaande antwoordt zij en meldt tevens wat zij nu van enkele kinderen weet. Hij schrijft zijn herinneringen en bijzonderheden terug. Adriaan die, ondanks alle pogingen van verschillende meesters, zijn dialect niet afleerde. Adrie die toen al prachtig piano kon spelen. Berend de altijd rustige en stille. Bij Lisa vertelt hij dat zij het meisje is waar hij smoorverliefd op was. Anneke antwoordt alleen met een lachende smiley en opgestoken duim.

 

De afspraak om elkaar in levende lijve te ontmoeten is snel gemaakt. Als hij zijn auto bij de flat parkeert, staat Anneke op het balkon al naar hem te zwaaien. De rit duurde twee uur en wanneer hij terug wil zwaaien, vertellen de spieren in zijn rug dat zo een lange rit niet te vaak plaats moet vinden. De begroeting is hartelijk en het duurt niet lang voor alle verhalen van toen breeduit opgehaald worden. Dan gaat de bel en als Anneke opstaat om open te doen, glimlacht ze naar hem.
‘Ik heb voor een verrassing gezorgd’, zegt ze.
Hij hoort haar in het halletje praten met een andere vrouw en de namen van Irene en Lisa flitsen door zijn hoofd. Dan gaat de deur open en het is niet Irene. Met moeite herkent hij Lisa. Een magere vrouw die ouder toont dan haar leeftijd is. Haar origineel ravenzwarte haar is koperkleurig geverfd, haar gezicht zwaar, te zwaar opgemaakt. Ze geeft hem een slap handje en gaat zitten.

De sfeer is wat ongemakkelijk geworden. Hij heeft haar gevraagd hoe het haar vergaan is en in een ononderbroken stroom van woorden is ze daar nu mee bezig. Nee, ze heeft, na die lagere school, alleen maar de huishoudschool gedaan want waarom zal je veel leren als je later een rijke man trouwt. Dat is haar gelukt maar alle rijkdom met mooie huizen, luxe en verre reizen heeft niet het geluk gebracht wat verwacht mocht worden. Hij is verbaasd over haar openhartigheid als ze vertelt dat ze altijd de wat domme maar bloedmooie vrouw van de geslaagde zakenman was. Ze beseft dat ze geluk heeft gehad dat hij nooit getaald heeft naar een jongere uitvoering van haar. Helaas is hij vlak voor zijn pensioen gestorven en nu woont ze alleen in een veel te groot huis. De vrienden die ze hadden waren zijn vrienden en één voor één verdwenen ze uit beeld. Hun twee zonen bezoeken hun moeder zelden en haar kleinkinderen kent ze nauwelijks.

De sfeer in de kamer dreigt nu een treurige lading te krijgen en Anneke onderkent dat. Met een geforceerde glimlach kijkt ze hem aan en vraagt:
‘Heb jij Lisa niet wat te bekennen?’
Hij verschiet zichtbaar en weet zich even geen raad. Lisa iets bekennen is het laatste wat hij wil en probeert daarom het gesprek een andere wending te geven.
‘Heb jij de klassenfoto ook gezien?’
‘Ja, die gaat momenteel nogal rond, heb ik begrepen.’
‘Herken jij alle kinderen nog? Zie je ze nog wel eens?’
‘Ach, weet je, het is al zo lang geleden. Het interesseert mij niet meer. Ik vond de schooltijd sowieso een vreselijke tijd en denk er liever niet aan terug. De enigen die ik af en toe zie zijn Anneke, Irene en Sara.’
Irene!? Het bloed schiet hem naar de kop en hij bloost voor het eerst sinds lange tijd. Iets luider dan hij wil, vraagt hij:
‘Hoe is het met Irene?’
Ze is even stil en kijkt hem dan strak aan.
‘Ik heb haar vorige week gesproken en die klassenfoto kwam ter sprake. De enige jongen die zij zich herinnerde was jij.’
Zwijgend kijkt ze hem aan. Het is duidelijk dat zij een verklaring van hem wil maar hij is niet van plan deze te geven. Hij zwijgt en bestudeert de veters in zijn schoenen.
‘Nou ja, het gaat mij ook niet aan maar misschien is het goed om te weten dat ze gelukkig is met haar vriendin. Wacht even, ik heb haar nummer wel.’
Ze grabbelt in haar tas, neemt haar telefoon en zoekt het nummer. Dan schrijft ze het op en geeft het hem. Hij staart naar het papiertje en beseft dat dit een tastbare herinnering is met het verleden.

Er is afscheid genomen. Er zijn voornemens uitgesproken over ‘vaker doen’ en nu is hij op weg naar huis. Zijn gedachten gaan met hem aan de loop en als hij bijna tegen de achterkant van een vrachtwagen rijdt, besluit hij op de eerste parkeerplaats te stoppen. Hij vist het briefje met het telefoonnummer uit zijn beurs en lange tijd kijkt hij er naar. Dan scheurt hij het langzaam in steeds kleinere snippers, draait het raampje open en de wind neemt zijn verleden als sneeuwvlokken mee. Hij kiept de rugleuning naar achteren en sluit de ogen voor een korte slaap.

Oude mannen doen dat soms.

 

©peter gortworst / sept 2019

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , | 5 reacties

Edith en Eduard

Er zijn mensen waar je, zoals dat netjes heet, moeite mee hebt. Ze liggen je niet, je kan er niks mee, het is niet jouw type of je krijgt destructieve neigingen als je alleen al hun naam hoort. Meestal betreft het een eenling en daar valt mee te leven. Natuurlijk probeer je elk contact te vermijden en als dat niet lukt wordt er een afstand geschapen door een ijzige beleefdheid. De ander heeft meestal geen weet van jouw gevoelens. Het kan natuurlijk zijn dat jij de enige bent die dergelijke gevoelens hebt maar wat als je niet die enige bent? Als bijvoorbeeld een hele werkplaats met twintig man de genoemde moeilijkheden ervaart en het onderwerp daar niets van merkt?

Eduard heeft de sollicitatiecommissie overtuigt van zijn kunnen. Het schrijnende personeelsgebrek is natuurlijk een gegeven wat er toe doet en als er dan iemand komt die schijnbaar in het plaatje past, is de beslissing snel genomen. Had de commissie beter nagedacht dan bleef er van Eduards verhaal weinig over. Hij had jarenlange ervaring in dit en net zo lang ervaring in dat. Als je al die jaren bij elkaar telt, zou Eduard een leeftijd hebben bereikt die men respectabel noemt.

Het duurt niet lang voor Eduard zo veel als mogelijk gemeden wordt. Zijn hinderlijke bemoeienis met alles en iedereen, zijn eigenwijsheid, zijn belangrijkdoenerij en zijn onstuitbare stroom van verhalen over volstrekt onbelangrijke belevenissen komt iedereen de neus uit. De chef van de werkplaats heeft gelukkig oog voor het wel en wee van zijn mensen en probeert Eduard, als het even kan, alleen te laten werken. En als er dan een pakje met spoed naar een klant dient te worden gebracht, valt natuurlijk Eduard die eer te beurt.
‘Hier, Molenstraat in Grijpskerke. Neem de transporter maar. Die is vol getankt.’
‘Is er haast bij?’ vraagt Eduard.
‘Ja, maar ik betaal geen bekeuringen!’
Eduard legt het pakketje op de bijrijdersstoel en stelt de navigatie in. Molenstraat Grijpsk… en ziet, de autoaanvulling doet de rest. Het is 121 kilometer.

Er klopt iets niet. Het huisnummer in de Molenstraat bestaat niet. Vol  van twijfel belt Eduard aan bij een woning en vraagt waar hij moet zijn. De man aan de deur kijkt op het pakketje wat Eduard in zijn handen houdt. Dan roept hij naar achteren:
‘We hebben er weer eentje!’
Er verschijnt een vrouw en samen lezen ze het adres.
‘Ja hoor,’ zegt zij, ‘het is weer raak.’
Eduard staat er bij en kijkt er naar.
‘Hier,’ zegt de man, ‘Je moet in Grijpskerke zijn. Nu ben je in Grijpskerk. Da’s niet goed. Maar maak je niet druk. Je bent niet de eerste die deze fout maakt. Je moet alleen nu nog zo’n dikke 350 kilometer rijden. Sterkte er mee!’
Met een dikke grijns sluit hij de deur. Eduard heeft er een bijzonder verhaal bij in zijn repertoire maar dit vertellen bij zijn huidige werkgever lijkt hem niet verstandig. Er is hem al gezegd dat zijn proeftijd niet wordt verlengd dus het steevast aangedikte verhaal bewaart hij wel voor de volgende werkgever.

 

Edith is gewoon een lieve meid. Bij het uitdelen van de hoeveelheid lijf stond ze in de eerste rij maar bij het uitdelen van verstand niet. Dat verhindert haar niet om ongecompliceerd in het leven te staan. In het weekend gaat ze uit met vriendinnen en ’s avonds droomt ze weg op de liedjes van Jannes. Titels als ‘Jou herken ik met mijn ogen dicht’ en ‘De hele nacht aan jou gedacht’ wekken een verlangen op naar iets wat ze nog niet kent. Er moet een prins voor haar zijn maar moet ze zelf op zoek of wordt ze gevonden? Zo lang ze het antwoord niet weet, droomt ze haar dromen en zingt ze de teksten als ze aan het werk is.

Ze verdient haar loon als interieurverzorgster bij een vijftal adressen. Ze wil geen werkster genoemd worden. Zij vindt dat ze meer is dan dat en een aantal van haar klanten hebben dat ondervonden. Zo kwam ze eenmaal per week bij die oude man. Hij had gevraagd of ze de omvangrijke boekenkast in de studeerkamer eens goed onderhanden wilde nemen. Elk boek wat hij er uit trok, veroorzaakte een stofwolkje en dat kan natuurlijk niet. Toen ze na een paar uur arbeid hem voor de tv weghaalde om haar werk te aanschouwen, overleefde de oude man ternauwernood een hartstilstand. Ze had alle boeken kleur op kleur bij elkaar gezet. Dat ze op schrijver gesorteerd stonden was niet bij haar opgekomen. Jammer dat ze niet meer terug hoefde te komen. Het was zo’n aardige man.
Bij de dame met de papegaai was ze ook niet meer welkom. Het beest beweerde altijd dat zij een mooie meid was. Zij ergerde zich daaraan omdat zij wist dat haar figuur niet aan de standaardnorm voldeed.  Ze kon niet veel anders dan de vogel te verbieden haar te complimenteren. Het resultaat mocht er zijn. De dame kwam ’s avonds de kamer in en de kaketoe melde verheugd: ‘Mooie meid! KOP DICHT!’

Bestaat er in de liefde toeval? Is het iets van ‘de tijd is rijp?’ Wie zal het zeggen? Feit is dat Eduard en Edith het zonder van elkaar te weten, zich inschrijven bij een datingsite. Hij is een vlotte, slanke en aantrekkelijke jongeman die als allround technicus zijn brood verdient en zij de charmante, gezellige en volslanke vrouw. Ze bekijken elkaars foto, lezen de teksten en wagen het erop. Uiteindelijk vindt zij haar prins en hij zijn klankbord. Wat dat moet worden weet niemand. Liefde doet nu eenmaal rare dingen met mensen.

 

©peter gortworst / sept 2019

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Haren in het putje

Een huwelijk van zes jaar is best wel lang en als er in die zes jaar weinig positiefs te beleven valt, valt het uiteindelijk niet mee.

Het begon zo mooi en romantisch. Hij werkt in het magazijn van een grootwinkelbedrijf en zij staat als hulp in de keuken van een verzorgingshuis. Niet direct banen waar veel in te verdienen valt maar daar kan aan gewerkt worden. Ze zijn jong dus de wereld ligt aan hun voeten. Ze kennen elkaar door hun wekelijkse bezoek aan het café. De tijd van het elkaar wel leuk vinden tot het ja-woord, duurde anderhalf jaar. Hij is haar goddelijke adonis en zij is zijn mooiste prinses. Dat trouwen van deze twee wonderen was niet echt het plan maar omdat hij, wegens zijn lange lidmaatschap van de woningbouwvereniging, in aanmerking kwam voor een flat, hielp dat de keuze voor een huwelijk aanzienlijk.

Ze trouwden toen het gratis was en de enige gasten waren hun wederzijdse ouders. Daarna werd er een bescheiden feest gegeven in hun net ingerichte flat. Ze hadden het graag wat uitbundiger gevierd maar de financiën lieten dat niet toe. Nog niet, dachten ze want ze zouden beiden ’s avonds gaan leren om zo hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dan kunnen ze gaan sparen en hun grotendeels uit de kringloop gehaalde meubels vervangen voor wat ze echt mooi vinden, een autootje kopen en wie weet, aan een kindje gaan denken. En soms, als het dagdromen een beetje uit de hand loopt, denken ze zelfs aan een eigen huisje.

Aan ambitie ontbreekt het niet maar de praktijk is vaak weerbarstig. Hij wil iets gaan doen met logistiek. Zijn chef heeft hem te kennen gegeven helemaal achter zijn plannen te staan maar een bijdrage in de studiekosten komt pas als hij zijn diploma heeft. Dat hij daarna voor een aantal jaren een contract zal moeten tekenen boeit hem niet. Het voorschieten van het cursusgeld wel en hij voelt dat ook zo.
Het is logisch dat zij iets wil gaan leren wat met voeding te maken heeft. Hoofd van de dieetkeuken lijkt haar wel mooi maar ook daar zitten kosten aan verbonden. Het wordt van tweeën één. Hij gaat ’s avonds naar school en als hij klaar is, en er meer geld binnenkomt, gaat zij leren.

Het studeren gaat hem niet goed af. Het valt niet mee om in de avonduren wakker te blijven als er een meneer voor de klas van alles staat uit te leggen. Het is er altijd warm en lichaam en geest snakken naar wat rust. In de weekenden, als hij zijn huiswerk moet maken, zijn er vele dingen belangrijker. De flat moet schoongehouden worden, er moeten inkopen gedaan worden en niet geheel onbelangrijk: hun café en de tribune van hun clubje met alle bekenden, kan niet onbezocht blijven.

Langer dan twee maanden houdt hij het niet vol. Als hij een teruggave verlangt van het cursusgeld voor de maanden dat hij niet meer komt, krijgt hij nul op het rekest. Dat betekent dat zij niet met haar cursus kan beginnen en zitten ze samen voor een jaar op een dood spoor.

Gebrek aan geld geeft bijverschijnselen. Bij hen wordt het een zich aan elkaar ergeren en al snel zijn de woorden die dan vallen, het hoogtepunt van de dag. Als hij weer eens klaagt over het vele en zware werk van de dag kan zij het niet laten om zijn afgebroken studie te benoemen. Zijn weerwoord dat haar overmatige consumpties in het café wel eens wat minder mogen, valt natuurlijk ook niet in goede aarde. Haar commentaar ‘toch ergens een beetje plezier aan beleven’, vat hij op als een regelrechte en persoonlijke aanval. Toch zijn dat niet de ergerlijkste ergernissen. Die worden gegeven door de dagelijkse routines: de scheetjes die zij in de echtelijke sponde produceert voor het slapen gaan, de afstandsbediening die hij altijd ‘mijn macht’ noemt, haar haren die hij uit het afvoerputje mag vissen omdat zij dat vies vindt, zijn immer wiebelende been bij het tv kijken, haar standaardzin ‘even kijken, heb ik alles?’ als ze naar haar werk gaat en zijn rare manier van een boterham doormidden snijden als hij zijn lunchpakketje klaarmaakt.

Gaandeweg wordt het er allemaal niet beter op en als hij op een kwaad moment zegt bij haar weg te gaan, komt dat niet echt als een verrassing. Ze is al blij dat hij zegt weer bij zijn ouders te gaan wonen. Alles beter dan bij een andere prinses.

Een goede tien dagen woont ze nu alleen. Er is nog niets afgesproken over hoe het verder moet. Alleen kan zij de huur niet betalen en de wolken die hun zon bedekken worden steeds donkerder. Als ze ’s avonds op de bank zit voelt ze zich gruwelijk alleen. Ze kijkt naar ‘zijn macht’ en mist plotseling die wiebelende voet. Aarzelend pakt ze haar telefoon en zoekt zijn nummer op. Het duurt even voor ze de groene knop indrukt en als hij de telefoon beantwoordt weet ze even niet wat te zeggen.

‘Ik mis je,’ zegt ze dan.
Aan de andere kant is het stil.
‘Ik mis je wiebelvoet en het putje zit vol.’
‘Ik mis je scheten,’ zegt hij en beiden schieten in de lach.
‘Met tien minuten ben ik bij je,’ zegt hij om dan zichzelf te verbeteren: ‘Thuis.’
‘Ik zal op je wachten.’

Dan bedenkt ze dat je in tien minuten wel even snel kan douchen. Prinsessen zijn daar goed in.

 

 

© peter gortworst / aug.2019
afbeelding: immo.vlan.be

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 5 reacties

Weemoed

 

Ze leest, voor de zoveelste keer, het briefje wat op tafel ligt. Ik kom morgen, woensdag, om 10 uur en neem iemand mee. Liefs Ans staat er. Dat is vandaag en sterker nog, dat is straks. Ze weet precies wie haar dochter meeneemt. Het is niet de eerste keer dat Ans zich zorgen over haar maakt en nu komt ze met iemand die moet beoordelen hoe ver ze heen is. Dat is natuurlijk onzin. Als je tegen de honderd loopt is het toch niet zo vreemd dat je af en toe wat vergeet? Goed, soms is het vervelend maar meestal is het helemaal niet zo erg. Dat haar gasfornuis het niet meer doet was ze bijvoorbeeld vergeten. Ze had zich verheugd op spruitjes, kruimelige aardappelen en een mooie gehaktbal. De maaltijden die haar worden gebracht en die ze alleen maar op hoeft op te warmen in de magnetron, smaken haar niet meer. Alles smaakt hetzelfde. Er zit geen kraak of smaak aan en daarom wilde ze zelf weer koken. Ze was naar de winkel gegaan. Thuis maakte ze alles klaar maar toen ze de braadpan met een flinke klont boter op het fornuis zette, ging het vuur niet aan. De buurman die ze om hulp vroeg, had gemeen gelachen. Het was maar goed dat ze het fornuis afgekoppeld hadden. Wilde ze soms weer de boel in de fik steken? Was ze het melkpannetje op het fornuis vergeten? Dat was ze inderdaad maar toen wist ze het weer. Ze kon niet slapen en een beetje warme melk zou vast wel helpen. Terwijl de melk warm werd kon zij wel even wat anders doen maar ze werd in die bezigheden ruw gestoord. De buurman, die gelukkig laat thuis kwam, zag donkere wolken uit het keukenraampje komen en bonkte op de ramen. Alles was zwart in de keuken en het pannetje gesmolten. Jammer want het was een fijn pannetje.

Ze hoort de voordeur van het slot gaan en haar dochter komt binnen. Achter haar aan komt een vreemde vrouw. Ze geeft haar een hand en ze vertelt dat ze even komt praten. Ze kijkt wat bevreemd naar die vrouw en heeft geen idee waarom ze met haar zou moeten praten. Ans had wel eens kunnen zeggen dat ze iemand mee neemt. Ze gaat in haar stoel bij het raam zitten. Haar dochter vist een thermoskan uit haar tas en haalt drie kopjes uit de keuken.

‘Ik kan ook wel even koffie zetten hoor,’ zegt ze.
‘Nee mam, dat hoeft niet. Ik heb thuis al koffie gemaakt.’

De koffie is heet en sterk. Precies zoals ze hem graag heeft.
Ondertussen heeft de vreemde vrouw papieren uit haar tas gepakt en legt die op haar schoot.
‘Zo,’ zegt ze dan na haar eerste slokje, ‘kunt u mij vertellen wat voor dag het vandaag is?’
‘Ach, dat is toch niet zo belangrijk? De dagen komen en gaan en voor mij maakt het niet uit welke dag het is. Als je zo oud bent als ik heb je weinig om handen en glijden de dagen als los zand door de vingers. Wat een rare vraag overigens. Waarom wilt u dat weten?’
Dan herinnert zij zich plotseling het briefje.
‘Maar vandaag is het woensdag. Toch?’
‘Ja hoor, de hele dag,’ en ze schrijft iets op haar papier.

Ze bladert even door de papieren en zegt dan:
‘Ik zie dat u nog een jonge meid was in de oorlog?’
‘De oorlog?’
‘Ja toen de nazi’s hier waren. De bezetting.’
Er gaat haar een licht op en een blos trekt over haar witte wangen.
‘Maar dat weet niemand hoor!’
‘Wat weet niemand?’
En ze vertelt. Van der Stephan, die lieve jongen die helemaal geen soldaat wilde zijn. Die vele malen liever bij zijn ouders op de boerderij gebleven was. Die met haar droomde over de tijd dat de oorlog voorbij zou zijn. Met wie ze in het diepste geheim verkering had en hem lief had zoals alleen een tiener dat kan. Die plotseling verdwenen was en van wie ze nooit meer iets had gehoord. Ze vertelt van de verduistering, de honger, de razzia’s en de angst. Alles weet ze nog en hoe meer ze vertelt hoe meer ze zich herinnert.
‘Wie was toen koningin?’ vraagt de vreemde vrouw.
‘Wilhelmina natuurlijk. En daarna kwam Juliana. Dat was een hele lieve vrouw. Ze was zo gewoon. Niet zo star als Wilhelmina. Gewoon een lief mens. Mijn Dirkje heeft haar nog een brief geschreven toen ze ging emigreren en ze kreeg een hele lieve brief terug.’

De vreemde vrouw bladert weer in haar papieren.
‘Weet u hoe het met Dirkje gaat?’
‘Nee. Ze schrijft niet zo vaak maar ik denk dat het wel goed gaat.’
‘Mam,’ zegt Ans, ‘Dirkje is toch overleden?’
Ze schrikt zichtbaar en slaat haar hand voor haar mond.
‘Nee toch! Is Dirkje dood? Wat vreselijk! Hoe kan dat nu?’
De tranen beginnen over haar wangen te lopen en zacht snikkend huilt ze.
‘Dirkje is nu 8 jaar geleden overleden. Ze had kanker,’ zegt Ans.
Door de tranen heen kijkt ze naar Ans.
‘Dat wist ik helemaal niet. Waarom vertel je mij dat nu pas? Mijn Dirkje dood?’

Ze zwijgt en lijdt. De vreemde vrouw en Ans wachten tot ze haar ogen heeft gedroogd met het zakdoekje dat ze aangereikt krijgt. Dan, bijna fluisterend, vertelt ze van de tijd dat haar kinderen nog jong waren. De tijd van het gelukkige gezin, papa die nog leefde en de tijd zonder armoe. Van Dirkje die altijd alles alleen wilde doen en net zo goed kon timmeren als haar vader. Die Nederland te klein vond en de wijde wereld in wilde en dat ook gedaan heeft. Hoe meer ze vertelt hoe weemoediger ze wordt. Alles is verandert, er gaan steeds meer mensen om haar heen dood, ze kan niet alles meer wat ze vroeger wel kon en het enige wat ze nog heeft zijn haar herinneringen en ook die vervagen. Langzaam zinkt ze weg in de tijd.

De vreemde vrouw staat op en verdwijnt met Ans in het halletje.
‘Mij is het wel duidelijk,’ zegt de vreemde vrouw, ‘Blijft u nog maar even bij uw moeder. Ik kom er wel uit.’
Als Ans de kamer in komt, zit haar moeder met gesloten ogen en de kin op de borst, in haar stoel. Ze gaat tegenover haar zitten en kijkt naar haar. De sterke, vrolijke vrouw van toen is er niet meer. De moeder die altijd wel een oplossing wist voor elk probleem, die van veel de humor in zag, die immer klaar stond voor iedereen is een oud en breekbaar mensje geworden. Nog geen schim van het verleden. Ans blijft naar haar kijken en realiseert zich dat ook zij wordt overvallen door weemoed. Mooie, pijnlijke en warme herinneringen dringen zich aan haar op. Met een lach en een: ‘Kom op meid, achter de wolken schijnt de zon.’ wist mams haar vaak het verdrietige te laten vergeten. Ze heeft er een lief ding voor over als haar moeder nu op zou kijken om met de lach van toen, het haar nog één maal te zeggen.

 

 

© peter gortworst / aug 2019
afbeelding: shsel.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties