Amsterdam huilt….

Ik ben eindelijk zo ver dat de boekenkast ingeruimd kan worden. Het is een genot om de boeken vanuit hun dozen door je vingers te laten gaan:
O ja, heb ik die ook nog? Heb ik deze wel eens gelezen? Ach, dit is zo achterhaald, die kan wel weg. Hier doe ik niets meer mee maar die-of-die vindt het vast leuk om te krijgen. Wat is dit nu? Hoe ben ik hier ooit aan gekomen?
De laatste verzuchting betreft een schriftje. Er staat een handgeschreven voordracht in en heeft als titel:

-Voordracht 1934 Diner-

Ik weet werkelijk niet hoe dit in mijn bezit is gekomen. Er staat geen enkele naam in maar ik vermoed dat het uit de nalatenschap van mijn moeder komt. Zij heeft het grootste deel van haar jeugd in Amsterdam gewoond. De voordracht gaat over ene Moos en Levi. Joodse namen en dat is niet zo vreemd. Voor de oorlog woonden er 80.000 joden in Amsterdam en hun levenswijze en hun humor hebben ontegenzeggelijk invloed gehad op de overige Amsterdammers.
Misschien is de hoofdstedelijke vorm van humor wel de meest herkenbare, niet-materiële nalatenschap van de gedecimeerde bevolkingsgroep. Er waren na de oorlog nog maar 16.000 joden over.

Ik generaliseer vast als ik zeg dat de Amsterdammers (en zij niet alleen) geen ‘witz’ kunnen vertellen. Zij vertellen een witz als een mop en meestal ontgaat een niet-Jood de diepere laag die in een witz verborgen zit. Een witz is meer dan een mop. Het is meer een anekdote, een mix van humor, wijsheid en tragiek. De witz is niet zonder reden ontstaan in de diaspora. Leven in moeilijke omstandigheden, vaak onder de druk van het antisemitisme en onder de druk van een toch al moeilijk vol te houden traditie. Humor, deze humor, maakt een niet te winnen strijd dragelijk en helpt om te dromen over een tijd die komt en goed is.

Dan nu de tekst van de voordracht. Ter wille van de leesbaarheid heb ik alleen de “zoo’s” en “sch’s” maar omgezet in hedendaags Nederlands.

Verkeerd begrepen of zo gij wilt een vergeefse reis naar een diner.

Moos! Zei laatst mijn zwager Levi
Koom’t er eens bai me op ’t diner
Breng je Racheltje en lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Moos, je weet, ten allen tijden
Is’t van harte je gegund
Kom dus de andre week
Een week en woensdag
Bai me eten, als je kund.

Nah, ik loop dus spoedig henen
Naar mijn dochters en mijn vrouw
En ik zeg Racheltje en Lea
En Rebekka, kom eens gauw.
Hoor wat Levi me gevraagd heit:
Of we kwamen op het diner
Breng je Rachel, zei die en je Lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Nah, wat zeg je van zo’n pretje?

Maar je kleedt chic en fijn,
In je paarse baljapponnen
Met die borsten van satijn
Maak daj Levi vrouw en dochters
De ogen uitsteekt, hoor je, met je praal
Nah, wat zullen ze dan kaiken
Want dat hait ie niet gedacht.

Goed, den volgende week een woensdag
Koomt het paard en rijtuig veur
En we stonden, dat is te denken
Spoedig bai mijn zwagers deur
Ik zeg, Koetsier, trek aan de bel!
En wij wachten met fatsoen in het rijtuig.

Maar jawel! Niemand kwam ons opendoen
Ik zeg “Koetsier, bel nog een keer!”
En de voerman belt alweer!
Drommels, zeg ik, dat is niet pluis
Is mijn zwager nou niet thuis?
Ik zeg Koetsier bel nog-erus.

Mozes! Roep mijn vrouw verlegen
Kaik naar boven toch erus
Angst en schrik vlamt in haar oog
En in mijn woede kaik ik omhoog
En, wat denk je, zie ik nauw?
Daar leit Levi en zijn vrouw
En zijn dochters, met der vieren,
Luid te lachen en te gieren
Boven uit het zolderraam

Ik zeg, wat moet me dat beduien
Levi, hoor je me niet luien?
’t Is schandalig wat een troep
Wat een mensen op de stoep!
Nah! Roept Levi, wat kom je doen?
Ik kom toch bai je te dineren?
Is dat handlen met fatsoen?
‘k zou me voor de buurt generen

Wat? roept Levi, jij dineren?
En bai mijn, wat denk je man?
Dat ik miljoenen kan verteren
En met jou doordraaien kan?
En een week geleden na… (onleesbaar)
Vroeg je of ik kwam dineren
Met mijn dochters en mijn vrouw?

Man, riep Levi – zal ik explikeren
Wat ik onlangs heb gezeit?
‘k Zei, en dat maakt onderscheid,
Moos, kom als je kunt dineren.
Maar je kunt niet, slimme rot,
Want de voordeur is op slot.

Met dit soort voordrachten werd toen menig feest opgeleukt. Tijden veranderen en dat is soms maar goed ook. Maar ook begrijp ik mijn moeder donders goed die elke keer stil en aangeslagen was als Rika Jansen via de radio haar lied zong over het Amsterdam wat eens heeft gelachen.

© peter gortworst / jan. 2017

foto’s: eigen maaksel

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Puber

Het is hun tweede ontmoeting. De eerste was in het Grand Café en zij zag wel wat in deze sportieve gepensioneerde man. Hij was onderhoudend, beslist niet alledaags en behandelde haar als een dame. De avond was tot haar genoegen plezierig verlopen en toen zij, met de nodige spanning in haar lijf, vroeg of er iets van chemie tussen hen was, had hij dat niet ontkent. Of er genoeg chemie was wist hij nog niet maar dat zou de tijd wel leren. Vol begrip had ze geknikt maar het antwoord kwam toch als een beetje jammer bij haar binnen. Gelukkig wilde hij haar wel een tweede keer zien en ze spraken af om dinsdagmiddag een boswandeling te maken. Hij zou haar thuis om half twee oppikken.

Het is snikheet maar het bos geeft een aangename verkoeling. De gesprekken gaan van de koetjes en de kalfjes naar de meer serieuze onderwerpen en weer terug. Ze ontdekken hun overeenkomsten en verschillen. Boeken die beiden gelezen hebben, gelijke politieke voorkeuren maar hij gruwt van GTST en zij niet. Ze moet glimlachen om zijn grapjes en geniet hoopvol.

Het pad voert hen langs een recreatievijver maar op deze doordeweekse dag is er geen mens te zien. Ze nemen plaats op een bankje en hij vist uit zijn rugzak een thermoskan met thee, twee bekers, een zakje met suikerklontjes en een doosje met koekjes. Als ze een tijdje zwijgend naar het water hebben zitten staren zegt hij plotseling:
‘Zullen we gaan zwemmen?’
Ze schrikt uit haar dagdroom en kijkt hem verbaasd aan.
‘Heb jij zwemkleding bij je dan?’‘Nee, moet dat? Er is geen mens. We gaan gewoon in ons ondergoed. Of in de blote kont?’
‘Nou, nee,’ zegt ze afgemeten want in haar leefstijl komt dergelijk gedrag niet voor. ‘Maar als jij wilt zwemmen hou ik je niet tegen.’

Met een ‘okido’ begint hij zich uit te kleden en schijnbaar achteloos kijkt ze de andere kant op. Dan rent hij over het stukje zandstrand, plonst het water in, duikt onder en komt een aantal meters verder weer boven. Ze heeft hem nagekeken, gezien dat hij zijn boxershort nog aan heeft en hem bewonderd om zijn tanige, mooie bruine lijf. Ze heeft ook om zich heen gekeken en met opluchting geconstateerd dat er niemand is die haar zou kunnen conformeren met deze oude man in zijn onderbroek.

‘Hoe droog jij je nu af?’ vraagt ze als hij weer bij het bankje staat.
‘Niet. Het droogt vanzelf als ik vijf minuten in de zon zit.’
Hij gaat, een beetje achterover hangend, de ogen dicht en de benen gespreid in de zon zitten.
‘Doe jij wel eens gek?’ vraagt hij.
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, op het rolstoelknopje van een draaideur drukken als er veel mensen in staan en als dan de deur heel langzaam gaat draaien net zo verbaasd als alle anderen om je heen kijken. Of een alarmtoontje fluiten als iemand met volle tassen door de detectiepoortjes bij C&A loopt. Of in een volle lift met je neus in de hoek gaan staan en half hard mompelen: ‘Je gaat niet dood, je gaat niet dood, je mag er zo weer uit, blijf rustig, blijf rustig.’
‘Dat vind jij leuk?’
‘Ja, jij niet?’
‘Nee, ik zie daar de humor niet van in. Je maakt mensen aan het schrikken. Doe jij dat echt?’
‘Hm hm. Wat zou jij doen als er een oude man om hulp vraagt als hij bij de laadstrook van de Ikea staat met een touwtje om zijn pols en de andere kant van het touwtje om een paal?’
‘Niks, denk ik.’
Ze is even stil en vraagt dan:                
‘Heb je dat gedaan?’
‘Hm hm.’
‘Belachelijk! Wat zullen de mensen er wel niet van gedacht hebben?! Dat doe je toch niet?’
‘Ja hoor, dat doe ik wel en het zal mij worst wezen wat ‘men’ er van vindt. Misschien hebben ze wat om over na te denken, misschien lachen ze zich een bult…… Af en toe moet een mens gewoon iets anders dan het enige normale doen, toch?’
‘Ze zeggen niet voor niets: Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ik vind het maar niks.’
‘Jammer. Ik ben droog. Zullen we zo verder?’

Hij kleed zich weer aan. De nog natte boxershort kleurt zijn broek donker. ‘Goddank is er niemand die het ziet’ denk ze.

Het valt haar op dat hij minder spraakzaam is geworden. Als ze bij haar huis komen zet hij de motor uit. Hij draait zich naar haar toe en zegt:
‘Dit wordt een definitief afscheid. Je bent een lieve meid maar niet wat ik zoek. Ik heb iemand nodig waarmee ik ook gek kan doen. Humor is voor mij levenssap. Ik moet elke dag minstens één keer kunnen lachen. Met jou gaat dat niet lukken, heb ik gemerkt. Je bent mij te serieus. Daar is niets mis mee. Die mensen moeten er ook zijn maar dat zijn niet de mensen waar ik mijn leven mee wil delen.’
Ze staart naar het ventilatieroostertje voor haar. Ze had de bui al zien hangen en ook bij haar waren er twijfels ontstaan.
‘Nou, dat komt dan goed uit,’ zegt ze flink, ‘ik ben niet op zoek naar iemand die zich als een idioot gedraagt en waar ik mij voor zou schamen. Aan mij is niets mis maar bij jou is dat niet zo zeker. Het ga je goed.’
Ze opent het portier en vlak voor ze deze met een daverend klap dicht gooit zegt ze nog even snel: ‘Puber!’

Hij start de auto en terwijl hij wegrijdt toetert en zwaait hij naar een vrouw die met een kinderwagen aan de andere kant van de straat loopt. Aarzelend zwaait ze terug. Wie van haar vrienden of kennissen was dat?

©peter gortworst / jan. 2017

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Cijfertjes

Dingen waar we ons zorgen over maken, schatten we groter is dan ze in werkelijkheid zijn. Dat schijnt een menselijke eigenschap te zijn. Een eigenschap die door ‘slimme’ verkopers handig wordt gebruikt:

“Weet u hoeveel inbraken er jaarlijks worden gepleegd? Wij hebben de beste beveiligingsinstallatie en onverwoestbaar hang- en sluitwerk.”

“Weet u wel hoeveel mensen er sterven aan darmkanker? Dit is het perfecte dieet om dat te voorkomen.”

“U heeft straks alleen een pensioentje en AOW? Daar gaat u het niet mee redden. Stort nu maandelijks een vast bedrag en wij zorgen er voor dat u er dan warmpjes bij zit.”

Dat inspelen op angst, mensen zich zorgen laten maken, wordt niet alleen in deze situaties gebruikt. Er zijn ook maatschappelijke en politieke groeperingen die daar dankbaar gebruik van maken. Met termen en uitlatingen als ‘tsunami’ ‘Nederland in de uitverkoop’ ‘We worden geïslamiseerd of gekoloniseerd’ ‘Duizenden staan aan de grens’ wakkeren ze de onrustgevoelens bij de bevolking aan.

Afgelopen week verschenen de resultaten van een internationale enquête die het Britse onderzoeksbureau Ipsos Mori onder 27000 mensen gehouden had. Daaronder waren 800 Nederlanders. Met enige verwondering constateer ik dat de cijfers, tot nu toe, niet voor enige ophef hebben gezorgd. Voor mij waren ze een openbaring.

Op de vraag hoe groot het percentage moslims in hun land is, denken de Nederlanders aan 19%. In werkelijkheid is het 3,6 – 6 %
Op de vraag hoeveel moslims er in 2020 zullen zijn, denkt men dat het 26% zal zijn. Diverse wetenschappelijke prognoses zijn echter veel behoudender. Zij komen op 6,9%
Ook in andere landen zijn deze verschillen opvallend. Zo denken de Fransen dat 1 op de 3 moslim is. In werkelijkheid is het 1 op de 13.

 

Goed kunnen goochelen is een kunst. Met cijfers goochelen kunnen we allemaal. Op deze enquête zal vast wel iets af te dingen zijn maar onverlet blijft er mijn frustratie over al die vage termen die gebruikt worden voor eigen gelijk en gewin. Ik koop daar niets voor en ben zeker niet één van die zogenaamde ‘miljoenen’ die pretendeert ‘het volk’te zijn. Natuurlijk weet ik best dat je de genoemde cijfers met verbazing leest als je in een buurt woont met veel ‘buitenlanders’. Ik zal ook de laatste zijn die ontkent dat er problemen bestaan maar het praat een stuk makkelijker als de gegevens kloppen.

Ik zou zo graag echte, harde, eerlijke en duidelijke cijfers willen hebben. Niet alleen voor mijn gemoedsrust maar misschien ook wel voor die van jou. Helaas is het winnen van stemmen niet gebaat bij een eerlijk, objectief verhaal. En met die wetenschap geef ik mijn gezonde verstand maar voorrang op mogelijke aangeprate onderbuikgevoelens.

 

©peter gortworst / dec.2016

afbeelding: http://www.clipartkid.com 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Satan

Het vizier staat afgesteld op 15 meter. Het kogeltje, rond parabool 4,5 mm, zit in de loop en het luchtdrukgeweer is gespannen. De loop rust op de steun die hij gemaakt heeft in het kleine tuinhuis en steekt een paar centimeter door het gat. Klein genoeg om niet te veel op te vallen en groot genoeg om zicht te hebben op de voederplaats. Hij zit op de oude barkruk en wacht. Geduldig, vastberaden en tijd genoeg.

Op de voederplaats is het een komen en gaan. Staartmezen heeft hij deze winter nog niet gezien. De boomklever is er wel. Kool- en pimpelmezen in overvloed, heggenmus, roodborst en merels komen regelmatig langs. Gisteren vier kramsvogels en eergisteren de grote bonte specht. Maar de zwarte kraai, de duivel in eigen persoon, heeft zich nog niet laten zien.

Het was natuurlijk ook niet echt slim om met de buks in de deuropening te gaan staan. Het kreng had het gelijk door. Maar nu, nu is er in de hele tuin niets verdachts te zien. Hij komt zeker terug om zich vol te schrokken met grote stukken vetbol, zonnebloempitten en appel. Het zal zijn galgenmaal worden. De buks is oud maar nog krachtig genoeg om de kraai zijn zwanenzang te laten zingen en zo zijn eigen leven weer op orde te brengen.

Het was in het voorjaar begonnen. Uit het niets was hij daar. Op de nok van het dak zat een zwarte kraai. Krassend, wapperend met de vleugels en de kop op en neer bewegend. Voor hun tuin was dit een nieuw soort dus tevreden noteerde hij hem op zijn lijstje met vogels die in hun tuin gezien zijn. Dat de komst van de kraai verstrekkende gevolgen zou hebben wist hij toen nog niet. Die bekende ‘wijsheid achteraf’ werd pas zeer recent openbaar en het verbaast hem dat hij niet eerder de link gelegd heeft tussen die kraai en de grote en kleine rampen die hen troffen.

Elke dag dat de kraai in de buurt was gebeurde er wel iets. Een nieuwe waslijn die de geest geeft op het moment dat de was er net aanhangt. Nieuwe, energiezuinige lampen die domweg kapot gaan. Fietsbanden die leeg staan als je even de fiets wilt pakken, een raam wat zo hard open slaat door een plotselinge wind dat het glas breekt en bloempotten, vol met geraniums, die door onverklaarbare redenen van het stenen muurtje zijn gevallen.

Het blijft niet bij dingen die kapot gaan. De appelboom, die in het voorjaar vol met bloesem stond, draagt geen enkele appel. De aalbessenstruik, zijn trots, gaat spontaan dood terwijl hij vol zit met nog groene besjes en wat te denken van de kat? Waarom ligt een kerngezonde kat ’s morgens dood in de tuin? En waarom heeft uitgerekend hun tuin een doolhof van mollengangen met bijbehorende hopen en die van de buren niet? En altijd was daar die zwarte kraai. Op de nok van het dak, hoog in de notenboom of de beuk van de buren.

Inmiddels is het niet ‘hun’ huis meer. Het is ‘zijn’ huis geworden. Ze is vertrokken en dat is het enige positieve wat er in het afgelopen jaar gebeurde. Zijn naderend pensioen hing als een donkere deken over hun relatie. Alle dagen elkaar moeten tolereren was voor geen van beiden een prettig vooruitzicht. Haar vertrek zag hij daarom maar als een zegen en dat was dan ook enige ‘goede’.

Het lijkt er wel op of de rampen steeds persoonlijker worden. De bouw van het kippenhok ligt even stil. Een scherf van de uit elkaar spattende zaag van de machine, raakte hem boven in de borst en moest operatief verwijderd worden. Volgens de arts had hij geluk gehad maar zei dat niet toen hij binnengebracht werd met een voet waarvan verschillende botjes gebroken waren. Het gammele stenen schuurtje stortte in elkaar toen hij de deur open trok. Het was op dat moment dat hij, naast de pijn, ontdekte dat de kraai weer krassend, met de vleugels wapperend en de kop op en neer bewegend, op het dak zat.

De mezen stuiven weg. De kraai landt op het gras onder de voederplaat. Hij zit even stil en houdt de kop scheef. Dan pikt hij wat van de gevallen zonnebloempitten op. De zachte klik van de veiligheidspal die weggeschoven wordt hoort hij niet. De veer die zich plotseling ontspant en de luchtkamer leeg drukt om zo de kogel tegen zijn kop te jagen, ook niet. Hij valt op zijn rechterkant, wiekt nog even met de vleugels en ligt dan stil.

Op zijn krukken strompelt hij naar de vogel. Met een kruk tikt hij tegen het beest. Het is dood. Met een schop graaft hij een gat in de tuin. De vogel gaat er in en zo goed en zo kwaad als het gaat, stampt hij het gat weer dicht.

 

Er klinkt geschreeuw. Er wordt op zijn ramen gebonkt en hij schrikt wakker. Een vreemd flakkerend licht schijnt door de ramen. Hij schiet wat kleren aan en strompelt op zijn krukken naar buiten. Zijn auto staat in brand en ook de carport heeft al vlam gevat. Goddank dat de zoon van de buren laat thuis kwam en de brand ontdekte. De brandweer is er net en het duurt niet lang voordat de zaak geblust is.

Van slapen komt niets meer en ontdaan door alle gebeurtenissen zit hij aan de keukentafel. Bij het eerste morgenlicht gaat hij weer naar buiten om de schade te bekijken. Dan strompelt hij de tuin in. Naast een paar nieuwe molshopen is er niets bijzonders te zien. Alleen het graf van de kraai is leeg. Hij kijkt in de diepte en ziet niets. Een grote angst slaat toe en beneemt hem bijna de adem. De kraai die op de nok van het dak landt, ontgaat hem.

©peter gortworst / dec 2016

foto: http://www.vogelsindekempen.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Oliebol en appelflap

In het oude kookboek van mijn moeder zijn een paar bladzijden anders dan de anderen. Ze zijn gevlekt en bij de ingrediënten staat soms wat bijgeschreven. Dit betreft de pagina’s met recepten voor o.a. erwtensoep, kerstbrood, oliebollen en appelflappen. Met het einde van het jaar in zicht is het wel aardig om deze 60 jaar oude recepten van de oliebollen en appelflappen hier te geven. De 16 oliebollen waren vroeger niet genoeg. Daarom zijn met potlood alle hoeveelheden verdubbeld maar dat kunt u zelf ook wel.

 Oliebollen

 Voor ongeveer 16 stuks heb je nodig:

200 gram bloem                        50 gram krenten

4 gram zout                                 50 gram rozijnen

10 gram verse gist                     25 gram gesnipperde sucade

1,5 dl melk                                     1 gesnipperde appel

1 ei                                                   olie (arachide- of kokosolie hebben de voorkeur. Geen vet of                                                                          olijfolie)

 

De bloem en het zout goed vermengen; een kuiltje in de bloem maken, hierin het ei breken. De gist oplossen in iets lauwe melk en met de rest van de lauwe melk in het kuiltje schenken. Van het midden uit roerende, een glad beslag maken en dit enige minuten beslaan. De gewassen en goed uitgelekte krenten en rozijnen, de sucade en de appel er door roeren. Het beslag toedekken met een vochtige doek en op een tamelijk warme plaats ongeveer drie kwartier laten rijzen. Na het rijzen even voorzichtig doorroeren en nog een kwartier laten rijzen. (voor een goede verdeling van de ingrediënten)

In het recept wordt nu een pan met olie gevuld en heet gemaakt. Tegenwoordig gebruikt men hiervoor een frituur. Beter en vooral veiliger. Heter dan 180 graden kunnen ze meestal niet worden en dat is ook de goede temperatuur.

Met behulp van twee vetgemaakte lepels oliebollen vormen en deze onmiddellijk in de hete olie laten glijden. Na ongeveer 3 minuten de bollen keren, wanneer ze dat niet uit zichzelf gedaan hebben, ze daarna verder gaar en goudbruin bakken (ongev. 2 minuten). De oliebollen zijn gaar, als een breinaald, die er ingestoken wordt, er droog uitkomt. (Niet gaan zoeken naar een breinaald. Een satéprikker kan ook).

 De oliebollen met een schuimspaan uit de olie halen, goed laten uitlekken en warm geven met (poeder)suiker en kaneel.

 

Appelflappen

 Voor ongeveer 20 stuks heb je nodig:

100 gram bloem                     4 handappelen (goudrenet)

2 gram zout                              40 gram suiker

5 gram verse gist                    halve theelepel kaneel

1,5 dl melk of                            olie (zie opmerking bij oliebollen)

1 dl melk en 1 ei

 

Van de bloem, het zout, de gist, 1 dl melk of 0,5 dl melk en 1 ei een beslag maken als voor oliebollen. Goed roerende het beslag langzamerhand verdunnen met de overige lauwe melk tot weer een glad beslag verkregen is. Het beslag toedekken met een vochtige doek en op een tamelijk warme plaats ongeveer drie kwartier laten rijzen.

De appelen boren, schillen, in dikke plakken snijden, bestrooien met een mengsel van de suiker en de kaneel en ongeveer een half uur laten staan. De frituur op 180 graden warm laten worden. De appelplakken één voor één door het beslag halen en in de hete olie laten glijden en snel gaar en aan weerskanten goudbruin bakken. De appelflappen met een schuimspaan uit de olie halen, goed laten uitlekken en warm geven met suiker en kaneel of poedersuiker.

Verse gist is te krijgen bij de echte bakker. Ik heb het wel eens geprobeerd met zelfrijzend bakmeel maar dat gaf toch een minder resultaat. Mocht u, omwille van de baklucht, in het schuurtje gaan bakken, zorg er dan voor dat het beslag niet te veel afkoelt. De oliebollen worden dan minder luchtig en dat zou jammer zijn.

 Veel plezier en ja, afwassen, olie vervangen van de frituur en schoonmaken horen er bij.

 

© peter gortworst / dec 2016

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , | 6 reacties

Gekke Henkie

 

Er zijn weinig mensen die hem niet kennen. Nou ja, kennen….. ze weten wie het is. Henkie is een opvallende schuifelaar en dat in de letterlijke zin van het woord. Hij draagt orthopedische schoenen die puur gemaakt zijn op functionaliteit. Glimmend zwart, de rechter met een veel dikkere zool dan de linker. Dat kan je goed zien want zijn broek is altijd te kort. Zijn lichtgekleurde regenjas ook en daardoor kan je ook zijn linkerhand goed zien. Verkrampt met vingers die in een rare hoek staan. Hij loopt krom met zijn hoofd naar beneden gebogen. Nou ja, lopen….. hij zet zijn linkerbeen een stukje naar voren en trekt dan zijn rechterbeen bij. Dat schiet niet op maar dat maakt niets uit. Hij heeft alle tijd.

Elke dag maakt hij zijn wandeling naar het grote kruispunt en elke dag is dat een hele onderneming. Hij passeert tijdens zijn tocht vele zijstraten die allemaal een stoeprand hebben. Daar moet Henkie van af en weer op en dat gaat niet zonder slag of stoot. Hij schuifelt met hele kleine stapjes naar voren tot de neus van zijn linker schoen op de rand staat. In het ravijn daar beneden ligt de zebra en met een schokkerig hupje, zwaaiend met zijn rechterarm, wipt hij naar beneden. Dit zijn ook de momenten dat je de vreemdelingen herkent. Nietsvermoedend wachten ze met de auto tot Henkie de sprong heeft gewaagd en aan de oversteek begint. En ja, dat duurt even. Het is zelfs voorgekomen dat passagiers uit de auto stappen om Henkie te helpen. Dat is dom omdat Henkie het heerlijk vindt om te kletsen en als hij dat doet, verzet hij geen stap meer. Praten en lopen gaan bij Henkie niet samen. Aan het gesprek heb je trouwens ook niet veel. Hij kraait met zijn hoge stemmetje en scheve mond de enige tekst die hij kent. “Jaahaa, hiiii, hiiii,” en meer heeft niemand ooit gehoord.
Ook niet in die kerstnachtdienst die voor de radio zou worden uitgezonden. Voor de dienst, tijdens het zingen van ‘Stille nacht, heilige nacht’ als microfoontest, was Henkie duidelijk te horen. “Jaahaa, hiiii, hiiii kraaide hij boven alles uit. Goede raad was duur maar Henkie is voor het zingen de kerk uitgezet. Dat is nog een hele rel geworden. Hoe haalt de kerkenraad het in haar hoofd om deze simpele ziel God’s genade te ontzeggen?

Tijdens zijn tocht naar het grote kruispunt komt hij langs de visboer die met zijn platte kar op woensdag en zaterdag naast het kantoor van de bank staat. Hoe en wanneer het ontstaan is weet niemand meer. Zelfs de visboer niet maar feit is dat Henkie daar stopt en van de visboer een gedraaid sjekkie krijgt. Die rookt hij op tot hij zijn vingers brand om dan met een welgemeend “Jaahaa, hiiii, hiiii” verder te gaan. Op de terugweg krijgt hij niets. Hij heeft wat met roken. Elke peuk die op straat ligt wordt opgeraapt. Dat kost moeite. Omvallen is niet denkbeeldig.  De peuken verdwijnen in de zakken van zijn jas.

Op het kruispunt heeft hij zijn vaste plek. Staande voor het hoekraam van de juwelier, knikt hij vriendelijk naar elke voorbijganger en de meeste mensen groeten terug. Waarom ook niet? Het is een kleine moeite en Henkie heeft er plezier van. De jeugd mag hem wel eens plagen. “Henkie, hoe laat is het?” vragen ze dan. Met zijn goede hand knoopt hij met moeite zijn jas los en vist dan ergens een groot zilveren zakhorloge vandaan die met een ketting vast zit aan zijn overhemd. Hij klapt het deksel open en met een grote scheve glimlach en een “Jaahaa, hiiii, hiiii” laat hij de tijd zien. Het weer opbergen kost de nodige moeite. Op een tweede verzoek van de jeugd gaat hij niet in. Hij is gekke Henkie niet.

Wonderlijk maar mooi is het dat Henkie gewoon bij het straatbeeld hoort. Niemand helpt hem oversteken, niemand knoopt een praatje aan maar ze houden wel een oogje op hem. De herenmodezaak heeft hem kortgeleden, toen het zo waterkoud was, zelfs een muts opgezet en een sjaal omgedaan. Gratis en voor niks.

Het gonst van de geruchten. Henkie wordt gemist. De visboer had het sjekkie al klaar liggen maar hij is niet op komen dagen. Misschien is het te koud. Het vriest immers al drie dagen en hier en daar is het verraderlijk glad.
Langzaam worden de geruchten feiten. Henkie is in het steegje van zijn huis uitgegleden en lelijk terechtgekomen. Hij heeft daar een paar uur in de vrieskou gelegen voor zijn oude moeder hem vond. In het ziekenhuis konden ze niet veel meer voor hem doen.

Natuurlijk, het leven gaat door. De visboer verkoopt nog steeds vis. De juwelier op de grote kruising heeft de etalage van het hoekraam eindelijk mooi in kunnen richten. De mensen hoeven niet meer om Henkie heen te lopen en te groeten. Vreemdelingen kunnen bij de zebra’s vlot doorrijden. Toch wordt Henkie gemist met een weemoedigheid waarvan niemand gedacht had deze ooit te ervaren.

Wie de opdrachtgever is en wie het betaalt heeft weet niemand. Van de ene op de andere dag staat er, naast het kantoor van de bank, bij de viskar,  een vierkante stenen sokkel met daar een bronzen beeldje op van Henkie zoals iedereen hem kende. Orthopedisch verantwoorde schoenen, te korte broek en jas, verkrampte arm, krom en het hoofd naar beneden gebogen. Geen peuk. Slechte gewoonten moet je niet etaleren.

 

© peter gortworst / dec. 2016

foto http://www.omroepzeeland.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Kerstverhaal

Ik vind schrijfopdrachten niet leuk. Er zit iets in van ‘moeten’  en dat spoort niet met de levensfase waarin ik nu zit. Die zou je bijna een anarchistische fase kunnen noemen. Vroeger moest er van alles maar nu moet er nog heel weinig, vind ik. Als er nu iemand is die zegt dat er iets moet, ga ik vragen waarom. En wonder o wonder, vaak blijkt dat er van die noodzaak tot moeten weinig over blijft.   Ik kan wel zeggen dat het prettig leeft.

Een schrijfopdracht is dus iets wat met moeten te maken heeft en dat wringt. Het liefst schrijf ik als de inspiratie, de tijd, de gelegenheid of de zin er is en natuurlijk is het ook handig als er iets is waarover ik kan schrijven. Misschien is het wel goed voor mijn ontwikkeling als schrijver om buiten mijn comfortzone te gaan en mij te wagen aan een onderwerp met een tijdslimiet. Misschien komen er onverwachte talenten boven drijven en misschien treed ik wel buiten mijzelf. Lijkt mij wel een mooi en niet alledaags gezicht: zo’n mannetje voor zijn computer die, typend met twee vingers, een verhaaltje schrijft maar nee, ik pas. Ik ga niet in opdracht schrijven en al helemaal niet als ik zelf de opdrachtgever ben.

Hoe kon ik zo dom zijn om te beslissen dat er dit jaar een kerstverhaal moest komen? Ik schat dat er al twee eeuwen lang door tienduizenden schrijvers kerstverhalen geschreven worden. Alles wat een normaal mens verzinnen kan is al geschreven: een slecht geplande reis naar Bethlehem door een jong stel waarbij zij ook nog eens in verwachting is, diepe gedachten van een os, een ezel of, en hoe verzin je het, een kerstboom, de handel en wandel van een onontwikkelde herder die zichzelf plotseling in een stal vindt, in lompen gehulde en dus arme kindertjes die, met of zonder zwavelstokjes, doodvriezen, ingesneeuwde mensen die kerst vieren met droge beschuiten en ijskoud water, uit het zicht verdwenen gezins- of familieleden die uitgerekend op kerstavond op de stoep staan tot ruimtereizigers die de overblijfselen vinden van wat eens de ster van Bethlehem zou zijn. Verzin het en het is al eens geschreven.

En nu vindt deze sukkelaar dat hij een kerstverhaal moet schrijven. Waarom? Voor wie? Worden er überhaupt nog wel kerstverhalen gelezen? Toen ik jong en onbedorven was werd dat wel gedaan. Op de diverse verenigingen en natuurlijk thuis. Stichtelijke verhalen die ingebed waren in een religieus soort kerstviering waarbij niet het ‘amen’ het slot was maar het kerstdiner. Niet echt een ongedwongen feest. Er moest veel en er mocht weinig. Het moest natuurlijk gezellig zijn, van het eten moest je genieten want er was geld en veel tijd in gestoken, het ‘hoe hoort het’ was belangrijk en uiteraard zat je daar in je beste zondagse kleren.

Een kerstverhaal. In wezen is er maar één echt kerstverhaal en dat staat in de bijbel. Nee, van mij hoeft je het niet te geloven. Het is, historisch gezien, een onmogelijk verhaal. Maar wel één van de verhalen die diepe sporen hebben getrokken in de geschiedenis. Meer dan de schrijvers waarschijnlijk ooit voor mogelijk hadden gehouden en misschien wel meer dan hen lief was. Het is één van die verhalen die bepalend was en weer kan zijn voor onze huidige maatschappij. Je hoeft daarvoor niet diep gelovig te zijn of de grootste atheïst. Een gezond verstand en wat medemenselijkheid is voldoende. Want stel dat meneer Erdogan besluit om de ‘afspraken’ niet meer na te komen en de stroom vluchtelingen weer op gang komt. Dan hoop ik dat we de boer zijn die de stal ter beschikking stelt en dat er in de herberg wél plaats is voor al die Jozeffen en Maria’s.

Van mij dus geen zoete verhalen die de kerstsfeer zo gevoelig kunnen raken. De echte verhalen zijn al indrukwekkend genoeg.

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties

Lief beestje

Hun gezamenlijke hobby, misschien zou je het ook een passie kunnen noemen, heeft ze, toevalligerwijs, even samengebracht. Dirk zit al een tijdje op de boomstam te wachten op de havik die in het bos broedt. Als je het weet kan je het nest tussen de bomen door zien. Dirk zit er niet om te zien hoe een havik er uit ziet maar om te zien of ze er nog wel zijn. Er bestaan nu eenmaal idioten die met de meest idiote redenen menen dat een roofvogel geen reden van bestaan heeft. Het zal niet het eerste nest zijn dat uitgemoord wordt.

Achter hem klinkt geritsel. Als hij zich omdraait ziet hij een andere vogelaar omzichtig naderbij komen.
“Heb je ze al gezien?” fluistert hij.
Dirk schud zijn hoofd en schuift een stukje op om de ander ook een plaatsje op de stam te geven.
“Ik ben Willem,” zegt de ander, “Zit je hier al lang?”
“Kwartiertje en nog niets gezien.”
“Vorige week zaten ze er nog. We moeten maar even geduld hebben.”

Als twee mensen met een gelijke liefhebberij elkaar treffen is er altijd genoeg stof voor een mooi gesprek. Bij Dirk en Willem is dat niet anders. Ze hebben zelfs overeenkomsten. Zo ontdekken ze van elkaar dat ze, al hebben ze in hun leven al duizenden koolmezen, mussen of merels gezien, ze nog elke keer genieten van al die dagelijkse vogels. Geen haar op hun hoofd die er aan denkt om met vliegende vaart naar een onmogelijke plaats in Nederland te jagen omdat daar een zeldzaam vogeltje is gespot. Natuurlijk kennen ze het verhaal van de zeldzame bruine lijster die in Beijnum door een kat is gevangen. Jammer voor de lijster maar voor de soortenjagers voelen ze weinig medelijden.
“Denk je als bruine lijster in een vriendelijk en gastvrij land terecht te komen.” zegt Willem.
“Ha, ja, het is vast een vies politiek spelletje,” grapt Dirk.

Het gesprek gaat een wat filosofische kant op en als Willem vraagt welke vogel hij zou willen zijn, moet Dirk even nadenken. Vogel is vliegen is vrijheid. Een albatros komt voorbij maar ook een condor en een noordse stern tot de meest voor de hand liggende vogel in beeld komt.
“Ik denk een gierzwaluw. De enige keer dat zijn pootjes vaste grond onder de voeten hebben is tijdens het broeden en voeren van de jongen. Verder ben je alleen maar in de lucht. Lijkt mij wel mooi.”
Willem knikt nadenkend. “Ja, daar zit wat in. Dat zou best wel eens het ultieme vrijheidsgevoel kunnen geven.”
“En jij?” vraagt Dirk.
Willem grijnst even. “Ik wil geen vogel zijn. Ik wil een lieveheersbeestje zijn.”
“Hè?”
“Luister. Mensen hebben niet veel op met insecten. Vliegen zijn vies want die hebben misschien net op een hondendrol gezeten, muggen zijn je grootse vrienden als je wakker wil blijven, voor vlooien schamen we ons, vlinders zijn oké maar hun rupsen beslist niet en over spinnen en kakkerlakken zullen we het maar helemaal niet hebben. Toch is er één insect wat niet doodgemept wordt, wat we lief vinden en waar we met vertedering naar kijken. Dat is het lieveheersbeestje. Voor mij de allerbeste ambassadeur van het hele insectenrijk. En wie wil nu niet lief gevonden worden?”
Dirk wil net wat zeggen als plotseling tussen de bomen door, de havik naar het nest vliegt.
“Mooi hè?” zeggen ze samen.

Ze staan op en lopen het bos uit. Het afscheid is kort. Dat ze elkaar weer zien is zeer waarschijnlijk.

Het is weekend. Dirk zit op een terrasje en als hij een slok koffie neemt ziet hij over de rand van het kopje de mooie vrouw zitten. Ze zit twee tafeltjes verder en ze kijkt, met een leesbrilletje naar haar hand. Langzaam en met gracieuze bewegingen draait ze haar vingers naar beneden. Ze draait haar pols zo dat de vingers naar haar wijzen en traag draait ze door tot haar vingers naar boven wijzen en zij naar de binnenkant van haar hand kijkt. Dan staat ze op en loopt naar de plantenbak voor aan het terras. Ze buigt een beetje voorover en voorzichtig houdt ze haar hand bij het groen. Na even wachten komt ze weer overeind en loopt terug naar haar tafeltje. Ze ziet Dirk met een glimlach op zijn gezicht naar haar kijken.
“Lieveheersbeestje,” zegt ze.
“Willem,” zegt Dirk.
“Nee, dat was een lieveheersbeestje.”
“Ja, en die heet Willem.”

Stil en met de ogen een beetje toegeknepen kijkt ze naar hem. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich. Dan haalt ze haar schouders op, gaat zitten en draait haar stoel met de rug naar hem toe. Alle Dirken die krijsend hoog boven dit oude stadje cirkelen, ziet ze niet. Toch jammer.

© peter gortworst / nov 2016

foto: nl.dreamstime.com 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

A silent goodbye

Ik ben vanmorgen in de war. Mijn haar ook maar dat komt door de wind. Haren zijn met een kammetje weer netjes te krijgen maar met emoties en gedachten lukt dat niet. Soms moet daar wat tijd overheen gaan of een nieuwe frisse wind en een andere keer moet daar eens goed over nagedacht worden.

Hoe ouder je wordt hoe meer je van het leven leert en hoe minder je er soms van begrijpt. Gedurende je hele leven zijn er mensen om je heen die komen en gaan. Ze komen omdat het je schoolkameraden zijn, omdat het familie is van je partner, in hetzelfde bedrijf werken als waar jij je dagelijks brood verdient, ze ook lid zijn van dezelfde vereniging of kerk, het nieuwe buren zijn of je hebt ze leren kennen als klanten. En net zo makkelijk verdwijnen ze weer. Wegen die uit elkaar gaan lopen, scheidingen, ander werk, verhuizingen en natuurlijk die eeuwige dood.

Mensen die je hele leven bij je blijven als partner, vriend of vriendin zijn zeldzaam en dienen daarom op waarde geschat te worden.

We leven in een tijdperk van ongekende mogelijkheden. Het contact tussen mensen onderling is, zeker vergeleken met vroeger (Hoor! Opa spreekt!), ongekend makkelijk geworden. Mensen uit een ver verleden duiken plotseling op via sites als Facebook en mijn ervaring leert dat er met de eerste ‘o, wat leuk-opwelling’ beter even niets gedaan kan worden. Vaak blijkt dat het contact in het verleden het enige gemeenschappelijke is omdat het leven mij en de ander gevormd heeft en er weinig tot niets gemeenschappelijks is overgebleven. Maar een enkele keer bloeit er in het dorre landschap van het verleden iets op met beloften voor de toekomst. Er blijkt nog leven te zitten in het ogenschijnlijke dode hout en dat is mooi.

Eén van die hernieuwde contacten is met een oude schoolvriend. We zaten naast elkaar en spendeerden ook buiten schooltijd enige tijd samen. We verloren elkaar uit het oog en vonden elkaar na zo’n 40 jaar weer terug. Het contact was summier maar de afspraak om bij hem langs te gaan als ik mijn geboortegrond weer ga bezoeken, staat.

Het zal er niet meer van komen. Vanmorgen las ik het bericht dat hij gekozen heeft voor de dood.

En daarom ben ik in de war. Ik had zo graag zijn levensverhaal gehoord en het mijne vertelt. Herinneringen opgehaald en nieuwe gemaakt. Ik ben verdrietig en geschokt. Voel spijt en diep respect en met de, zo langzamerhand geleerde gelatenheid onderga ik deze nieuwe wending in het leven.

 

And the saddest thing
Under the sun above
Is to say goodbye
To the ones you love

All the things that I have known
Became my life, my very own
But before you know you say goodbye
Oh, good time, goodbye
It’s time to cry
But I will not weep nor make a scene
Just say ‘thank you life, for having been’

And the hardest thing
Under the sun above
Is to say goodbye
To the ones you love
No, I will not weep nor make a scene
I’m gonna say ‘thank you life, for having been’

And the loudest cry
Under the sun above
Is a silent goodbye
From the ones you love

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 8 reacties

Wijze Wendy

Het bankje dat de gemeente heeft geplaatst is van gerecycled plastic en hufterproof. Als je er op gaat zitten heb je een riant uitzicht over het doodlopende straatje. Er staan zeven huizen keurig op een rij. Ooit door de gemeente optimistisch genummerd van 1 tot en met 13 maar de kans dat de huizen met de nummers 2 tot en met 14 ooit gebouwd zullen worden is uiterst klein. Daartoe zou het in onbruik geraakte kanaal verlegd moeten worden en dat “kost te duur” zoals Wendy van nummer 3 zo mooi fout kan zeggen.

Toen de huizen gebouwd werden kreeg elk huis een tuintje van 2 meter voor de deur. Voor de tuintjes lag een trottoir van drie stoeptegels breed en dan een groenstrook van ongeveer vijf meter. Omdat het maaiplan van de gemeente niet werkte of de taakopdracht van de afdeling Groen niet begrepen werd, was de groenstrook meestal een biologisch zeer verantwoorde woestenij maar vaker een doorn in het oog van de bewoners.

Hoe gaat dat met plannen die ontstaan? Iemand komt met een idee, een ander haakt daar op in, er wordt gepraat, de tijd gaat er overheen, het wordt opnieuw aangekaart en gaandeweg wordt het idee een plan waar iets mee gedaan moet worden. Hier is het niet anders gegaan. Alle bewoners willen van de groenstrook af door het stuk grond van de gemeente te kopen teneinde het bij hun eigen tuin te voegen. In grote saamhorigheid worden twee bewoners aangewezen om de plannen uit te werken en bij de gemeente aan te kloppen.

Het blijkt een gevalletje van lange adem te worden. Er wordt gewacht op antwoorden, op rapporten van de nutsvoorzieningen, op beslissingen van de gemeenteraad, op vragen die gesteld zijn aan de notaris en het kadaster. Voortdurend worden de bewoners bij elkaar geroepen om de nieuwste ontwikkelingen te bespreken. Toch is er niemand die klaagt of het bijltje er bij neer wenst te gooien. Iedereen snapt het algemene belang en dat stralen ze zo duidelijk uit dat zelfs de politieke vereniging Ons Volk lovend spreekt over ’luisteren naar onze inwoners’  en ‘politiek van onderuit’. Dat de komende gemeenteraadsverkiezingen daar enig debet aan hebben is natuurlijk klinkklare onzin.

De kogel is door de kerk. De grond kan aangekocht worden en nummer 5 en 1 schieten met een onderhandse lening nummer 9 voor zodat iedereen mee kan doen. De gemeente haalt de stoeptegels weg, graaft de groenstrook af en stort deze weer vol met zwarte grond. Het kadaster plaats de piketpaaltjes en dan is het aan de nieuwe eigenaren om te doen wat zij van plan zijn. Met groot enthousiasme helpt iedereen iedereen. Voortdurend wordt er gespit en gepoot. Koffie vloeit rijkelijk, ovens bakken, bbq’s roken en goede adviezen over groei en snoei worden breed gedeeld.

Groot is de verbazing en de verontwaardiging als nummer 7 op een zonnige zaterdagmorgen houten palen de grond in slaat en er schuttingdelen van twee meter hoog tussen zet. Het mooie en weidse uitzicht over zeven keurige tuinen wordt wreed onderbroken door groenbruine bouwmarktschermen. Nee, daar hadden ze het onderling niet over gehad en ja, natuurlijk is het zijn eigen grond en mag hij daarmee doen wat hij wil maar fraai is het niet.

Wendy heeft er wel een mening over: “Het algemene belang zou het uiteindelijke doel moeten zijn. Helaas is dat voor veel mensen niet meer zo. Voor hen is dat belang de kruiwagen om hun eigen belang daar weer boven te stellen. Hier in de straat ervaren wij dat als bedrog maar laten we eens eerlijk zijn: in de gewone maatschappij is het algemene belang al heel vaak  geen doel op zichzelf meer. Het individualistische ‘wat zit er voor mij in’ en ‘hoe wordt ik hier beter van’ wordt, vaker dan mij lief is, daarboven gesteld en is zelfs leidraad geworden”.

Ik zit op het bankje van de gemeente en kijk naar de tuinen. Mooie tuinen die onderbroken zijn door een puist van ‘mijn grond’. Een symbool en een splijtzwam die de huidige maatschappij zo treffend weergeeft. Mooi gezegd, wijze Wendy.

©peter gortworst / nov 2016

foto: http://www.thewoodshop.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties