Amrak

Een diepe slaap heeft zijn voordelen maar als je daar noodgedwongen uit moet ontwaken valt het niet mee. Het dringt daarom langzaam tot mij door dat het alarm van een auto afgaat en het duurt nog wat langer voordat ik door heb dat het best eens van mijn auto kan zijn. Ik schiet uit bed en eens te meer blijkt de geest wel gewillig maar het vlees te zwak. Duizelig als een puber met een slok en één ritje in de kermisattractie te veel, zak ik terug op het bed. Ik wacht tot de slaapkamer weer stil staat. Dan hoor ik mijn sleutelbos rammelen en het alarm stoppen. Met gezwinde spoed haast ik mij de trap af. Dat een man in onderbroek en T-shirt op voorhand al geen dreigende of autoritaire indruk geeft bij een mogelijke indringer, neem ik maar voor lief.

Het is dat het mannetje wat verlegen kucht. Ik had hem makkelijk over het hoofd gezien en erger nog, op hem kunnen gaan staan. Het is een mini-mens van ongeveer 20 cm groot. Keurig in een donkerblauw pak, wit overhemd en een oranje stropdas, de haartjes netjes gekamd met een scheiding links, glimmende schoentjes en in zijn hand mijn sleutelbos.
‘Wat moet dat hier?’ vraag ik streng.
Het mannetje staart wat onwillig naar de koude stenen vloer en haalt zijn schoudertjes op.
‘Geef mij eerst maar eens die sleutels terug,’ brom ik bars.Met een grote boog gooit hij de sleutels omhoog en ik realiseer mij dat er in dat kleine lijfje verbazend veel kracht moet zitten. Er hangen nogal wat sleutels aan de bos en voor iemand van zijn formaat is dat een heel gewicht.
‘Zo, en nu gaan wij maar eens even praten. Hier is de keuken en ga maar op de kruk zitten’.

Ik zet het koffiezetapparaat aan en terwijl ik de melk en de suiker pak, houd ik hem nauwlettend in de gaten. Hij zit op de rand van het krukje, heeft zijn beentjes over elkaar geslagen en zijn armpjes losjes in zijn schoot gelegd. Als de koffie klaar is, schenk ik een mok vol en ga tegenover hem zitten. Ik zie alleen nog zijn keurig gekamde haren.
‘Kom maar op de tafel zitten. Zo kan ik je niet zien.’
Met een sierlijke sprong landt hij op de tafel en neemt plaats op de rand van de fruitschaal. Omdat je nu eenmaal meer vliegen met stroop vangt dan met azijn vraag ik hem of hij ook wat wil drinken. Hij schud zijn hoofd. Ik schenk wat melk in de koffie en zie dat het schift. De mok giet ik leeg in de gootsteen en schenk een nieuwe in. Dan maar zwart.
‘Hoe heet je?’
‘Amrak,’ zegt hij met een diepe, melodieuze baritonstem.
Ik schiet in de lach. Een dergelijk stemgeluid had ik niet verwacht. Hij kijkt mij nieuwsgierig aan dus vertel ik hem waarom ik moest lachen. Hij glimlacht een beetje.
‘Wie of wat ben jij? En kom niet aan met ‘kabouter’ want daar gelooft slechts een enkele zonderling in.’
‘Ik ben een Amrak. Eén van de velen en wij proberen de mensen een beetje op te voeden. Soms helpen wij en soms expres niet.’
‘Ik dacht dat wij daar beschermengelen voor hadden?’
‘Die zijn van de afdeling ‘wonderen’. Daar doen wij niet aan. Dat is te makkelijk. Een wonder overkomt je gewoon. Bij ons moet je nadenken.’

Ik neem voorzichtig wat kleine slokjes van de koffie. Een prima handeling om even te overwegen wat er zojuist is vertelt.
‘Wat heb jij dan hier gedaan om mij aan het nadenken te krijgen?’
‘De melk zuur gemaakt. Die autoband van vet om je middel is niet goed. Je moet dus af gaan vallen. De man van de nachtbevoorrading heeft mij onbewust even geholpen met het autoalarm. Het wordt een prachtige dag. De zon komt zo op dus waarom zou je, nu je toch wakker bent, niet even een rondje gaan wandelen. Goed voor je.’
Er zijn opnieuw een aantal slokjes koffie nodig. Voor ik weer wat kan vragen gaat het mannetje verder:
‘Je scheiding was klote maar hoe is het nu met je? Ooit eens nagedacht over de kosten die je zou moeten maken om je oude huis bewoonbaar te houden? Denk jij dat je die enorme tuin tot in lengte van jaren had kunnen onderhouden? Jij bent net als de rest: wel het noodlot zien maar niet de kansen die het geeft. Wij zorgen voor het noodlot en wij weten dat er dan kansen zijn. Je moet ze alleen nog zelf ontdekken door anders te gaan denken. Maar ja, dat andersom denken, maar ook schrijven, kijken of lezen, valt voor jullie niet mee. Best wel jammer, eigenlijk. Toch hadden jullie een voetballer die het aardig begreep. Elk nadeel hep zijn voordeel. Zo was het toch?’
‘Hoe kan het dat jij zo veel van mij weet? Ben jij er altijd al en waarom heb ik je nooit eerder gezien?’
Het mannetje haalt even zijn schouders op en vertelt dan dat er alleen in dit mooie dorp er wel een paar honderd zijn die alles weten van iedereen. Als ik vraag wie ze aanstuurt kijkt hij mij verwonderd aan. ‘We zijn er gewoon’ is het enige wat hij kwijt wilt.
‘Waarom heb ik je nooit eerder gezien?’
‘Er ging wat fout met de verbinding. Het is net techniek. Normaal zie je ons ook niet maar soms moeten we even zichtbaar worden. Jouw sleutel van de auto kan ik niet bedienen als ik onzichtbaar ben en omdat er met de verbinding wat fout ging bleef ik zichtbaar. Dat zal inmiddels wel verholpen zijn dus ik ga nu.’
Hij knijpt zijn oogjes even dicht en is verdwenen.

Er zit nog net een kopje koffie in de kan. Ik loop er mee naar buiten. Het schemert en de eerste merels en zanglijsters beginnen aan hun dagelijkse concert. Als ik op het bankje ga zitten stoot ik met mijn elleboog tegen de beugel van de grasmaaier. De hete koffie loopt over mijn blote benen. Ik spring op en kwaad roep ik: ‘En waar was dit nu weer goed voor? Oke, ik ga zo wandelen en die rottige grasmaaier zet ik de volgende keer gelijk wel in het schuurtje. Tevreden?’

©peter gortworst / feb. 2017
foto: http://www.tuinadvies.be

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Potje

Met nauwelijks verborgen belangstelling gluurt de heer op leeftijd naar het notitieboekje in haar hand. Het is een meisje van een jaar of achttien wat bij het uitdelen van schoonheid niet helemaal vooraan heeft gestaan. Ze is te mager, heeft knokige knieën die ondanks haar maillot duidelijk zichtbaar zijn, haar kin is ver teruggetrokken en de neus te groot. Met haar wat fletse ogen staart ze een tijdje naar de lamp in de wachtkamer en schrijft dan iets in haar boekje. Ze wacht even, laat haar pen wiebelen tussen de wijs en middelvinger en schrijft dan nogmaals iets op. Ze staart weer naar de lamp en na enige tijd klinkt er een diepe zucht.

‘Lukt het niet?’ vraagt de heer naast haar.
Ze schrikt een beetje. Haar wangen kleuren rood en schichtig kijkt ze hem even aan.
‘Nee,’ zegt ze aarzelend.
Ze haalt adem om weer iets te zeggen maar ze bedenkt zich. Het wiebelen en staren gaat door. Dan schrijft ze weer wat, kijkt er naar en de dunne lippen bewegen mee als ze leest wat ze zojuist opgeschreven heeft. Het is niet goed. Met vinnige krasjes streept ze het door. Ze kijkt snel even opzij en de heer naast haar doet alsof hij niet kijkt.

De nood is blijkbaar hoog. Ze overwint haar verlegenheid en vraagt:
‘Wat rijmt er op heupen?’
‘Heupen?’
‘Ja, heupen.’
De heer fronst de wenkbrauwen en zachtjes ‘heupen’ mompelend bekijkt hij de veters in zijn schoenen.
‘Ik zou het niet weten. Volgens mij niks.’
‘Hm,’ is enige wat ze zegt en aan het pennengekras te horen en zien, verdwijnt er een hele regel.

‘Je schrijft gedichten?’ en omdat hij door heeft dat dit een nogal domme vraag is corrigeert hij zichzelf met een: ‘Ik bedoel, je bent een dichteres?
‘Nou, uh, nee, niet echt’.
‘Ik schrijf ook gedichten. Er zijn al twee bundels van mij uitgegeven. Publiceer jij ze ook?’
Ze kijkt hem een beetje bevreemd aan.
‘Ik schrijf ze voor mijn lief’, zegt ze dan.
‘Ach, wat mooi, wat romantisch! Lees jij ze dan voor of laat je ze hem lezen?’
‘Geen van beide. Ik heb nog geen lief.’
Het is duidelijk dat de heer zich even geen houding weet te geven. Liefdesgedichten aan een niet bestaande lief vragen een wending in zijn verwachtingspatroon die niet is voorzien.
‘Ja, ja,’ is het enige wat hij kan zeggen. Dan, alsof hem een licht opgaat, waagt hij zich aan een poging tot troost:
‘Die komt vast nog wel. Je bent nog jong, je hebt nog een heel leven voor je en uiteindelijk past er op elk potje een dekseltje.’

De zoemer zoemt en het meisje staat op. Terwijl ze het boekje en de pen in haar tas doet zegt ze met een allerliefste glimlach:
‘Ik ben al een pot. Nu nog een dekseltje.’
Ze verdwijnt door de deur van de spreekkamer. De heer op leeftijd heeft haar nagekeken. Het duurt even maar met een zacht kuchje als inleiding, durft hij toch zijn vraag aan mij te stellen:
‘Bedoelde ze nou dat ze lesbisch is?’
Ik knik glimlachend en zie tot mijn voldoening dat ook heren op leeftijd nog kunnen blozen.

©peter gortworst / feb. 2017
foto: kunstenantiekverkoop.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Nel

Hij staat al een tijdje te kijken hoe ik aan het prutsen ben om zeven extra veren te monteren. De haakjes aan de onderkant moeten op de tast gemonteerd worden en voor een ziende valt dat niet mee.
‘Moet ik even helpen?’ vraagt hij.
Ik kijk hem aan en schat zijn handvaardigheid in. Het is geen moeilijk klusjes en een extra hand zou best eens makkelijk kunnen zijn.
‘Als u die plaat een klein stukje naar beneden drukt kan ik er net wat beter bij.’
‘Zeg maar Henk. Ik ben een gewone jongen hoor.’
‘Ik ook en ik heet Peter.’

Gezamenlijk worstelen we de eerste veer op zijn plaats. Nog zes te gaan en met hulp van Henk gaat het niet sneller maar wel makkelijker. We mopperen gezamenlijk hartsgrondig op constructeurs die zo iets onzinnigs kunnen bedenken en zijn wonderbaarlijk eensgezind in het gebruik van krachttermen. Tijdens het broddelen aan nummer vier komt er een dame langs met een dikke map als een baby op haar arm. Haar hakken verraden haar kordaatheid: marstempo.
‘Daaag, mevrouw van der Velde’ fleemt Henk.
Ze knik minzaam naar Henk en mij. Het geluid van de hakjes verdwijnt in een lange gang en Henk gromt:
‘Bitch!’
Ik schiet in de lach.
‘Jij bent een flinkert! Hoezo bitch?’

‘Zij is, net als ik, een vrijwilligster. Alleen zij maakt de roosters voor alle vrijwilligers die hier werken en ze denkt daarmee dat ze de president-directeur is. Het steekt haar dat ze op mij geen vat heeft. Ik ben de man van de kleine klusjes. Lampjes bij de bewoners vervangen, tv’s inregelen, schilderijtje ophangen, banden van de rolstoelen oppompen en meer van dat soort dingetjes. Dat valt niet in te roosteren en al zou dat wel zo zijn dan ga ik nog mijn eigen gang. Als er wat is, dan leggen de zusters een notitie in mijn hok en dan regel ik zelf wat en wanneer er iets gaat gebeuren.’

‘Maar als je niets met haar te maken hebt en haar toch een bitch noemt, is er wel wat anders aan de hand geweest toch?
Hij begint te grijnzen.
‘Toen het oude gebouw gesloopt werd, heb ik de vier bankjes die in de tuin stonden, er uitgespit. Die krengen zijn niet te tillen dus heb ik met de sloper geregeld dat hij ze bij mij in de tuin zette. Daar heb ik ze helemaal opgeknapt en toen de tuin van het nieuwe huis werd aangelegd een beetje met het hoveniersbedrijf gesjoemeld. Ze hebben ze opgehaald en op mooie plekjes gezet. De bewoners zijn er hartstikke blij mee. Bij de officiële opening werd door de directeur in zijn speech de groep vrijwilligers ook genoemd. Hij wilde er echter één speciaal naar voren halen en dat was ik. Vanwege die bankjes. Die bitch vond het na afloop nodig om mij te laten weten dat ik mij daar helemaal niet mee had mogen bemoeien.
Vorig jaar december is mijn vriendin die hier ook woonde, overleden. De dag na de crematie belt ze mij op met de vraag wanneer ik weer van plan was te komen. Er bleef, volgens haar, te veel werk liggen. Geen condoleance, geen vraag hoe het met mij ging, geen ‘kunnen we wat voor je doen’, helemaal niets! Ik heb, zonder iets te zeggen, haar weggedrukt. Het gaat haar niet aan dat ik met de directeur geregeld had dat ik twee weken mijn neus niet liet zien. Nou, en sinds die tijd is het mis en pest ik haar door overdreven vriendelijk en voorkomend te zijn. Vroeger was het ‘Nel’ en nu is het ‘mevrouw van der Velde’.

‘Goed van jou dat je hier toch vrijwilligerswerk blijft doen.’

‘Ja, wat moet ik anders? Thuis ga ik maar zitten kniezen en het loopje hier naar toe ben ik toch al gewend. Je hebt een beetje aanspraak en zo. Ritme, weet je wel. Vind het alleen nog moeilijk de oude kamer van mijn vriendin in te gaan als daar wat gebeuren moet. Ze heette ook Nel maar zij was een lieverd.’

Hij loopt de keuken in en trekt een stuk papier van de rol. Omstandig snuit hij zijn neus en wrijft in zijn ogen. Als ik mijn gereedschap inpak staat hij zwijgend tegen het aanrecht geleund. Ik ga naast hem staan en sla een arm om hem heen.
‘Dank voor je hulp, Henk.’
Hij blijft even staan en met een ‘Ja, ja, ’t is goed’ loopt hij weg.
‘Tot ziens!’ hoor ik hem nog zeggen als hij om de hoek verdwijnt.

 

©peter gortworst / jan. 2017

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Amsterdam huilt….

Ik ben eindelijk zo ver dat de boekenkast ingeruimd kan worden. Het is een genot om de boeken vanuit hun dozen door je vingers te laten gaan:
O ja, heb ik die ook nog? Heb ik deze wel eens gelezen? Ach, dit is zo achterhaald, die kan wel weg. Hier doe ik niets meer mee maar die-of-die vindt het vast leuk om te krijgen. Wat is dit nu? Hoe ben ik hier ooit aan gekomen?
De laatste verzuchting betreft een schriftje. Er staat een handgeschreven voordracht in en heeft als titel:

-Voordracht 1934 Diner-

Ik weet werkelijk niet hoe dit in mijn bezit is gekomen. Er staat geen enkele naam in maar ik vermoed dat het uit de nalatenschap van mijn moeder komt. Zij heeft het grootste deel van haar jeugd in Amsterdam gewoond. De voordracht gaat over ene Moos en Levi. Joodse namen en dat is niet zo vreemd. Voor de oorlog woonden er 80.000 joden in Amsterdam en hun levenswijze en hun humor hebben ontegenzeggelijk invloed gehad op de overige Amsterdammers.
Misschien is de hoofdstedelijke vorm van humor wel de meest herkenbare, niet-materiële nalatenschap van de gedecimeerde bevolkingsgroep. Er waren na de oorlog nog maar 16.000 joden over.

Ik generaliseer vast als ik zeg dat de Amsterdammers (en zij niet alleen) geen ‘witz’ kunnen vertellen. Zij vertellen een witz als een mop en meestal ontgaat een niet-Jood de diepere laag die in een witz verborgen zit. Een witz is meer dan een mop. Het is meer een anekdote, een mix van humor, wijsheid en tragiek. De witz is niet zonder reden ontstaan in de diaspora. Leven in moeilijke omstandigheden, vaak onder de druk van het antisemitisme en onder de druk van een toch al moeilijk vol te houden traditie. Humor, deze humor, maakt een niet te winnen strijd dragelijk en helpt om te dromen over een tijd die komt en goed is.

Dan nu de tekst van de voordracht. Ter wille van de leesbaarheid heb ik alleen de “zoo’s” en “sch’s” maar omgezet in hedendaags Nederlands.

Verkeerd begrepen of zo gij wilt een vergeefse reis naar een diner.

Moos! Zei laatst mijn zwager Levi
Koom’t er eens bai me op ’t diner
Breng je Racheltje en lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Moos, je weet, ten allen tijden
Is’t van harte je gegund
Kom dus de andre week
Een week en woensdag
Bai me eten, als je kund.

Nah, ik loop dus spoedig henen
Naar mijn dochters en mijn vrouw
En ik zeg Racheltje en Lea
En Rebekka, kom eens gauw.
Hoor wat Levi me gevraagd heit:
Of we kwamen op het diner
Breng je Rachel, zei die en je Lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Nah, wat zeg je van zo’n pretje?

Maar je kleedt chic en fijn,
In je paarse baljapponnen
Met die borsten van satijn
Maak daj Levi vrouw en dochters
De ogen uitsteekt, hoor je, met je praal
Nah, wat zullen ze dan kaiken
Want dat hait ie niet gedacht.

Goed, den volgende week een woensdag
Koomt het paard en rijtuig veur
En we stonden, dat is te denken
Spoedig bai mijn zwagers deur
Ik zeg, Koetsier, trek aan de bel!
En wij wachten met fatsoen in het rijtuig.

Maar jawel! Niemand kwam ons opendoen
Ik zeg “Koetsier, bel nog een keer!”
En de voerman belt alweer!
Drommels, zeg ik, dat is niet pluis
Is mijn zwager nou niet thuis?
Ik zeg Koetsier bel nog-erus.

Mozes! Roep mijn vrouw verlegen
Kaik naar boven toch erus
Angst en schrik vlamt in haar oog
En in mijn woede kaik ik omhoog
En, wat denk je, zie ik nauw?
Daar leit Levi en zijn vrouw
En zijn dochters, met der vieren,
Luid te lachen en te gieren
Boven uit het zolderraam

Ik zeg, wat moet me dat beduien
Levi, hoor je me niet luien?
’t Is schandalig wat een troep
Wat een mensen op de stoep!
Nah! Roept Levi, wat kom je doen?
Ik kom toch bai je te dineren?
Is dat handlen met fatsoen?
‘k zou me voor de buurt generen

Wat? roept Levi, jij dineren?
En bai mijn, wat denk je man?
Dat ik miljoenen kan verteren
En met jou doordraaien kan?
En een week geleden na… (onleesbaar)
Vroeg je of ik kwam dineren
Met mijn dochters en mijn vrouw?

Man, riep Levi – zal ik explikeren
Wat ik onlangs heb gezeit?
‘k Zei, en dat maakt onderscheid,
Moos, kom als je kunt dineren.
Maar je kunt niet, slimme rot,
Want de voordeur is op slot.

Met dit soort voordrachten werd toen menig feest opgeleukt. Tijden veranderen en dat is soms maar goed ook. Maar ook begrijp ik mijn moeder donders goed die elke keer stil en aangeslagen was als Rika Jansen via de radio haar lied zong over het Amsterdam wat eens heeft gelachen.

© peter gortworst / jan. 2017

foto’s: eigen maaksel

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Puber

Het is hun tweede ontmoeting. De eerste was in het Grand Café en zij zag wel wat in deze sportieve gepensioneerde man. Hij was onderhoudend, beslist niet alledaags en behandelde haar als een dame. De avond was tot haar genoegen plezierig verlopen en toen zij, met de nodige spanning in haar lijf, vroeg of er iets van chemie tussen hen was, had hij dat niet ontkent. Of er genoeg chemie was wist hij nog niet maar dat zou de tijd wel leren. Vol begrip had ze geknikt maar het antwoord kwam toch als een beetje jammer bij haar binnen. Gelukkig wilde hij haar wel een tweede keer zien en ze spraken af om dinsdagmiddag een boswandeling te maken. Hij zou haar thuis om half twee oppikken.

Het is snikheet maar het bos geeft een aangename verkoeling. De gesprekken gaan van de koetjes en de kalfjes naar de meer serieuze onderwerpen en weer terug. Ze ontdekken hun overeenkomsten en verschillen. Boeken die beiden gelezen hebben, gelijke politieke voorkeuren maar hij gruwt van GTST en zij niet. Ze moet glimlachen om zijn grapjes en geniet hoopvol.

Het pad voert hen langs een recreatievijver maar op deze doordeweekse dag is er geen mens te zien. Ze nemen plaats op een bankje en hij vist uit zijn rugzak een thermoskan met thee, twee bekers, een zakje met suikerklontjes en een doosje met koekjes. Als ze een tijdje zwijgend naar het water hebben zitten staren zegt hij plotseling:
‘Zullen we gaan zwemmen?’
Ze schrikt uit haar dagdroom en kijkt hem verbaasd aan.
‘Heb jij zwemkleding bij je dan?’
‘Nee, moet dat? Er is geen mens. We gaan gewoon in ons ondergoed. Of in de blote kont?’
‘Nou, nee,’ zegt ze afgemeten want in haar leefstijl komt dergelijk gedrag niet voor. ‘Maar als jij wilt zwemmen hou ik je niet tegen.’

Met een ‘okido’ begint hij zich uit te kleden en schijnbaar achteloos kijkt ze de andere kant op. Dan rent hij over het stukje zandstrand, plonst het water in, duikt onder en komt een aantal meters verder weer boven. Ze heeft hem nagekeken, gezien dat hij zijn boxershort nog aan heeft en hem bewonderd om zijn tanige, mooie bruine lijf. Ze heeft ook om zich heen gekeken en met opluchting geconstateerd dat er niemand is die haar zou kunnen conformeren met deze oude man in zijn onderbroek.

‘Hoe droog jij je nu af?’ vraagt ze als hij weer bij het bankje staat.
‘Niet. Het droogt vanzelf als ik vijf minuten in de zon zit.’
Hij gaat, een beetje achterover hangend, de ogen dicht en de benen gespreid in de zon zitten.
‘Doe jij wel eens gek?’ vraagt hij.
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, op het rolstoelknopje van een draaideur drukken als er veel mensen in staan en als dan de deur heel langzaam gaat draaien net zo verbaasd als alle anderen om je heen kijken. Of een alarmtoontje fluiten als iemand met volle tassen door de detectiepoortjes bij C&A loopt. Of in een volle lift met je neus in de hoek gaan staan en half hard mompelen: ‘Je gaat niet dood, je gaat niet dood, je mag er zo weer uit, blijf rustig, blijf rustig.’
‘Dat vind jij leuk?’
‘Ja, jij niet?’
‘Nee, ik zie daar de humor niet van in. Je maakt mensen aan het schrikken. Doe jij dat echt?’
‘Hm hm. Wat zou jij doen als er een oude man om hulp vraagt als hij bij de laadstrook van de Ikea staat met een touwtje om zijn pols en de andere kant van het touwtje om een paal?’
‘Niks, denk ik.’
Ze is even stil en vraagt dan:                
‘Heb je dat gedaan?’
‘Hm hm.’
‘Belachelijk! Wat zullen de mensen er wel niet van gedacht hebben?! Dat doe je toch niet?’
‘Ja hoor, dat doe ik wel en het zal mij worst wezen wat ‘men’ er van vindt. Misschien hebben ze wat om over na te denken, misschien lachen ze zich een bult…… Af en toe moet een mens gewoon iets anders dan het enige normale doen, toch?’
‘Ze zeggen niet voor niets: Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ik vind het maar niks.’
‘Jammer. Ik ben droog. Zullen we zo verder?’

Hij kleed zich weer aan. De nog natte boxershort kleurt zijn broek donker. ‘Goddank is er niemand die het ziet’ denk ze.

Het valt haar op dat hij minder spraakzaam is geworden. Als ze bij haar huis komen zet hij de motor uit. Hij draait zich naar haar toe en zegt:
‘Dit wordt een definitief afscheid. Je bent een lieve meid maar niet wat ik zoek. Ik heb iemand nodig waarmee ik ook gek kan doen. Humor is voor mij levenssap. Ik moet elke dag minstens één keer kunnen lachen. Met jou gaat dat niet lukken, heb ik gemerkt. Je bent mij te serieus. Daar is niets mis mee. Die mensen moeten er ook zijn maar dat zijn niet de mensen waar ik mijn leven mee wil delen.’
Ze staart naar het ventilatieroostertje voor haar. Ze had de bui al zien hangen en ook bij haar waren er twijfels ontstaan.
‘Nou, dat komt dan goed uit,’ zegt ze flink, ‘ik ben niet op zoek naar iemand die zich als een idioot gedraagt en waar ik mij voor zou schamen. Aan mij is niets mis maar bij jou is dat niet zo zeker. Het ga je goed.’
Ze opent het portier en vlak voor ze deze met een daverend klap dicht gooit zegt ze nog even snel: ‘Puber!’

Hij start de auto en terwijl hij wegrijdt toetert en zwaait hij naar een vrouw die met een kinderwagen aan de andere kant van de straat loopt. Aarzelend zwaait ze terug. Wie van haar vrienden of kennissen was dat?

©peter gortworst / jan. 2017

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Cijfertjes

Dingen waar we ons zorgen over maken, schatten we groter is dan ze in werkelijkheid zijn. Dat schijnt een menselijke eigenschap te zijn. Een eigenschap die door ‘slimme’ verkopers handig wordt gebruikt:

“Weet u hoeveel inbraken er jaarlijks worden gepleegd? Wij hebben de beste beveiligingsinstallatie en onverwoestbaar hang- en sluitwerk.”

“Weet u wel hoeveel mensen er sterven aan darmkanker? Dit is het perfecte dieet om dat te voorkomen.”

“U heeft straks alleen een pensioentje en AOW? Daar gaat u het niet mee redden. Stort nu maandelijks een vast bedrag en wij zorgen er voor dat u er dan warmpjes bij zit.”

Dat inspelen op angst, mensen zich zorgen laten maken, wordt niet alleen in deze situaties gebruikt. Er zijn ook maatschappelijke en politieke groeperingen die daar dankbaar gebruik van maken. Met termen en uitlatingen als ‘tsunami’ ‘Nederland in de uitverkoop’ ‘We worden geïslamiseerd of gekoloniseerd’ ‘Duizenden staan aan de grens’ wakkeren ze de onrustgevoelens bij de bevolking aan.

Afgelopen week verschenen de resultaten van een internationale enquête die het Britse onderzoeksbureau Ipsos Mori onder 27000 mensen gehouden had. Daaronder waren 800 Nederlanders. Met enige verwondering constateer ik dat de cijfers, tot nu toe, niet voor enige ophef hebben gezorgd. Voor mij waren ze een openbaring.

Op de vraag hoe groot het percentage moslims in hun land is, denken de Nederlanders aan 19%. In werkelijkheid is het 3,6 – 6 %
Op de vraag hoeveel moslims er in 2020 zullen zijn, denkt men dat het 26% zal zijn. Diverse wetenschappelijke prognoses zijn echter veel behoudender. Zij komen op 6,9%
Ook in andere landen zijn deze verschillen opvallend. Zo denken de Fransen dat 1 op de 3 moslim is. In werkelijkheid is het 1 op de 13.

 

Goed kunnen goochelen is een kunst. Met cijfers goochelen kunnen we allemaal. Op deze enquête zal vast wel iets af te dingen zijn maar onverlet blijft er mijn frustratie over al die vage termen die gebruikt worden voor eigen gelijk en gewin. Ik koop daar niets voor en ben zeker niet één van die zogenaamde ‘miljoenen’ die pretendeert ‘het volk’te zijn. Natuurlijk weet ik best dat je de genoemde cijfers met verbazing leest als je in een buurt woont met veel ‘buitenlanders’. Ik zal ook de laatste zijn die ontkent dat er problemen bestaan maar het praat een stuk makkelijker als de gegevens kloppen.

Ik zou zo graag echte, harde, eerlijke en duidelijke cijfers willen hebben. Niet alleen voor mijn gemoedsrust maar misschien ook wel voor die van jou. Helaas is het winnen van stemmen niet gebaat bij een eerlijk, objectief verhaal. En met die wetenschap geef ik mijn gezonde verstand maar voorrang op mogelijke aangeprate onderbuikgevoelens.

 

©peter gortworst / dec.2016

afbeelding: http://www.clipartkid.com 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Satan

Het vizier staat afgesteld op 15 meter. Het kogeltje, rond parabool 4,5 mm, zit in de loop en het luchtdrukgeweer is gespannen. De loop rust op de steun die hij gemaakt heeft in het kleine tuinhuis en steekt een paar centimeter door het gat. Klein genoeg om niet te veel op te vallen en groot genoeg om zicht te hebben op de voederplaats. Hij zit op de oude barkruk en wacht. Geduldig, vastberaden en tijd genoeg.

Op de voederplaats is het een komen en gaan. Staartmezen heeft hij deze winter nog niet gezien. De boomklever is er wel. Kool- en pimpelmezen in overvloed, heggenmus, roodborst en merels komen regelmatig langs. Gisteren vier kramsvogels en eergisteren de grote bonte specht. Maar de zwarte kraai, de duivel in eigen persoon, heeft zich nog niet laten zien.

Het was natuurlijk ook niet echt slim om met de buks in de deuropening te gaan staan. Het kreng had het gelijk door. Maar nu, nu is er in de hele tuin niets verdachts te zien. Hij komt zeker terug om zich vol te schrokken met grote stukken vetbol, zonnebloempitten en appel. Het zal zijn galgenmaal worden. De buks is oud maar nog krachtig genoeg om de kraai zijn zwanenzang te laten zingen en zo zijn eigen leven weer op orde te brengen.

Het was in het voorjaar begonnen. Uit het niets was hij daar. Op de nok van het dak zat een zwarte kraai. Krassend, wapperend met de vleugels en de kop op en neer bewegend. Voor hun tuin was dit een nieuw soort dus tevreden noteerde hij hem op zijn lijstje met vogels die in hun tuin gezien zijn. Dat de komst van de kraai verstrekkende gevolgen zou hebben wist hij toen nog niet. Die bekende ‘wijsheid achteraf’ werd pas zeer recent openbaar en het verbaast hem dat hij niet eerder de link gelegd heeft tussen die kraai en de grote en kleine rampen die hen troffen.

Elke dag dat de kraai in de buurt was gebeurde er wel iets. Een nieuwe waslijn die de geest geeft op het moment dat de was er net aanhangt. Nieuwe, energiezuinige lampen die domweg kapot gaan. Fietsbanden die leeg staan als je even de fiets wilt pakken, een raam wat zo hard open slaat door een plotselinge wind dat het glas breekt en bloempotten, vol met geraniums, die door onverklaarbare redenen van het stenen muurtje zijn gevallen.

Het blijft niet bij dingen die kapot gaan. De appelboom, die in het voorjaar vol met bloesem stond, draagt geen enkele appel. De aalbessenstruik, zijn trots, gaat spontaan dood terwijl hij vol zit met nog groene besjes en wat te denken van de kat? Waarom ligt een kerngezonde kat ’s morgens dood in de tuin? En waarom heeft uitgerekend hun tuin een doolhof van mollengangen met bijbehorende hopen en die van de buren niet? En altijd was daar die zwarte kraai. Op de nok van het dak, hoog in de notenboom of de beuk van de buren.

Inmiddels is het niet ‘hun’ huis meer. Het is ‘zijn’ huis geworden. Ze is vertrokken en dat is het enige positieve wat er in het afgelopen jaar gebeurde. Zijn naderend pensioen hing als een donkere deken over hun relatie. Alle dagen elkaar moeten tolereren was voor geen van beiden een prettig vooruitzicht. Haar vertrek zag hij daarom maar als een zegen en dat was dan ook enige ‘goede’.

Het lijkt er wel op of de rampen steeds persoonlijker worden. De bouw van het kippenhok ligt even stil. Een scherf van de uit elkaar spattende zaag van de machine, raakte hem boven in de borst en moest operatief verwijderd worden. Volgens de arts had hij geluk gehad maar zei dat niet toen hij binnengebracht werd met een voet waarvan verschillende botjes gebroken waren. Het gammele stenen schuurtje stortte in elkaar toen hij de deur open trok. Het was op dat moment dat hij, naast de pijn, ontdekte dat de kraai weer krassend, met de vleugels wapperend en de kop op en neer bewegend, op het dak zat.

De mezen stuiven weg. De kraai landt op het gras onder de voederplaat. Hij zit even stil en houdt de kop scheef. Dan pikt hij wat van de gevallen zonnebloempitten op. De zachte klik van de veiligheidspal die weggeschoven wordt hoort hij niet. De veer die zich plotseling ontspant en de luchtkamer leeg drukt om zo de kogel tegen zijn kop te jagen, ook niet. Hij valt op zijn rechterkant, wiekt nog even met de vleugels en ligt dan stil.

Op zijn krukken strompelt hij naar de vogel. Met een kruk tikt hij tegen het beest. Het is dood. Met een schop graaft hij een gat in de tuin. De vogel gaat er in en zo goed en zo kwaad als het gaat, stampt hij het gat weer dicht.

 

Er klinkt geschreeuw. Er wordt op zijn ramen gebonkt en hij schrikt wakker. Een vreemd flakkerend licht schijnt door de ramen. Hij schiet wat kleren aan en strompelt op zijn krukken naar buiten. Zijn auto staat in brand en ook de carport heeft al vlam gevat. Goddank dat de zoon van de buren laat thuis kwam en de brand ontdekte. De brandweer is er net en het duurt niet lang voordat de zaak geblust is.

Van slapen komt niets meer en ontdaan door alle gebeurtenissen zit hij aan de keukentafel. Bij het eerste morgenlicht gaat hij weer naar buiten om de schade te bekijken. Dan strompelt hij de tuin in. Naast een paar nieuwe molshopen is er niets bijzonders te zien. Alleen het graf van de kraai is leeg. Hij kijkt in de diepte en ziet niets. Een grote angst slaat toe en beneemt hem bijna de adem. De kraai die op de nok van het dak landt, ontgaat hem.

©peter gortworst / dec 2016

foto: http://www.vogelsindekempen.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Oliebol en appelflap

In het oude kookboek van mijn moeder zijn een paar bladzijden anders dan de anderen. Ze zijn gevlekt en bij de ingrediënten staat soms wat bijgeschreven. Dit betreft de pagina’s met recepten voor o.a. erwtensoep, kerstbrood, oliebollen en appelflappen. Met het einde van het jaar in zicht is het wel aardig om deze 60 jaar oude recepten van de oliebollen en appelflappen hier te geven. De 16 oliebollen waren vroeger niet genoeg. Daarom zijn met potlood alle hoeveelheden verdubbeld maar dat kunt u zelf ook wel.

 Oliebollen

 Voor ongeveer 16 stuks heb je nodig:

200 gram bloem                        50 gram krenten

4 gram zout                                 50 gram rozijnen

10 gram verse gist                     25 gram gesnipperde sucade

1,5 dl melk                                     1 gesnipperde appel

1 ei                                                   olie (arachide- of kokosolie hebben de voorkeur. Geen vet of                                                                          olijfolie)

 

De bloem en het zout goed vermengen; een kuiltje in de bloem maken, hierin het ei breken. De gist oplossen in iets lauwe melk en met de rest van de lauwe melk in het kuiltje schenken. Van het midden uit roerende, een glad beslag maken en dit enige minuten beslaan. De gewassen en goed uitgelekte krenten en rozijnen, de sucade en de appel er door roeren. Het beslag toedekken met een vochtige doek en op een tamelijk warme plaats ongeveer drie kwartier laten rijzen. Na het rijzen even voorzichtig doorroeren en nog een kwartier laten rijzen. (voor een goede verdeling van de ingrediënten)

In het recept wordt nu een pan met olie gevuld en heet gemaakt. Tegenwoordig gebruikt men hiervoor een frituur. Beter en vooral veiliger. Heter dan 180 graden kunnen ze meestal niet worden en dat is ook de goede temperatuur.

Met behulp van twee vetgemaakte lepels oliebollen vormen en deze onmiddellijk in de hete olie laten glijden. Na ongeveer 3 minuten de bollen keren, wanneer ze dat niet uit zichzelf gedaan hebben, ze daarna verder gaar en goudbruin bakken (ongev. 2 minuten). De oliebollen zijn gaar, als een breinaald, die er ingestoken wordt, er droog uitkomt. (Niet gaan zoeken naar een breinaald. Een satéprikker kan ook).

 De oliebollen met een schuimspaan uit de olie halen, goed laten uitlekken en warm geven met (poeder)suiker en kaneel.

 

Appelflappen

 Voor ongeveer 20 stuks heb je nodig:

100 gram bloem                     4 handappelen (goudrenet)

2 gram zout                              40 gram suiker

5 gram verse gist                    halve theelepel kaneel

1,5 dl melk of                            olie (zie opmerking bij oliebollen)

1 dl melk en 1 ei

 

Van de bloem, het zout, de gist, 1 dl melk of 0,5 dl melk en 1 ei een beslag maken als voor oliebollen. Goed roerende het beslag langzamerhand verdunnen met de overige lauwe melk tot weer een glad beslag verkregen is. Het beslag toedekken met een vochtige doek en op een tamelijk warme plaats ongeveer drie kwartier laten rijzen.

De appelen boren, schillen, in dikke plakken snijden, bestrooien met een mengsel van de suiker en de kaneel en ongeveer een half uur laten staan. De frituur op 180 graden warm laten worden. De appelplakken één voor één door het beslag halen en in de hete olie laten glijden en snel gaar en aan weerskanten goudbruin bakken. De appelflappen met een schuimspaan uit de olie halen, goed laten uitlekken en warm geven met suiker en kaneel of poedersuiker.

Verse gist is te krijgen bij de echte bakker. Ik heb het wel eens geprobeerd met zelfrijzend bakmeel maar dat gaf toch een minder resultaat. Mocht u, omwille van de baklucht, in het schuurtje gaan bakken, zorg er dan voor dat het beslag niet te veel afkoelt. De oliebollen worden dan minder luchtig en dat zou jammer zijn.

 Veel plezier en ja, afwassen, olie vervangen van de frituur en schoonmaken horen er bij.

 

© peter gortworst / dec 2016

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , | 6 reacties

Gekke Henkie

 

Er zijn weinig mensen die hem niet kennen. Nou ja, kennen….. ze weten wie het is. Henkie is een opvallende schuifelaar en dat in de letterlijke zin van het woord. Hij draagt orthopedische schoenen die puur gemaakt zijn op functionaliteit. Glimmend zwart, de rechter met een veel dikkere zool dan de linker. Dat kan je goed zien want zijn broek is altijd te kort. Zijn lichtgekleurde regenjas ook en daardoor kan je ook zijn linkerhand goed zien. Verkrampt met vingers die in een rare hoek staan. Hij loopt krom met zijn hoofd naar beneden gebogen. Nou ja, lopen….. hij zet zijn linkerbeen een stukje naar voren en trekt dan zijn rechterbeen bij. Dat schiet niet op maar dat maakt niets uit. Hij heeft alle tijd.

Elke dag maakt hij zijn wandeling naar het grote kruispunt en elke dag is dat een hele onderneming. Hij passeert tijdens zijn tocht vele zijstraten die allemaal een stoeprand hebben. Daar moet Henkie van af en weer op en dat gaat niet zonder slag of stoot. Hij schuifelt met hele kleine stapjes naar voren tot de neus van zijn linker schoen op de rand staat. In het ravijn daar beneden ligt de zebra en met een schokkerig hupje, zwaaiend met zijn rechterarm, wipt hij naar beneden. Dit zijn ook de momenten dat je de vreemdelingen herkent. Nietsvermoedend wachten ze met de auto tot Henkie de sprong heeft gewaagd en aan de oversteek begint. En ja, dat duurt even. Het is zelfs voorgekomen dat passagiers uit de auto stappen om Henkie te helpen. Dat is dom omdat Henkie het heerlijk vindt om te kletsen en als hij dat doet, verzet hij geen stap meer. Praten en lopen gaan bij Henkie niet samen. Aan het gesprek heb je trouwens ook niet veel. Hij kraait met zijn hoge stemmetje en scheve mond de enige tekst die hij kent. “Jaahaa, hiiii, hiiii,” en meer heeft niemand ooit gehoord.
Ook niet in die kerstnachtdienst die voor de radio zou worden uitgezonden. Voor de dienst, tijdens het zingen van ‘Stille nacht, heilige nacht’ als microfoontest, was Henkie duidelijk te horen. “Jaahaa, hiiii, hiiii kraaide hij boven alles uit. Goede raad was duur maar Henkie is voor het zingen de kerk uitgezet. Dat is nog een hele rel geworden. Hoe haalt de kerkenraad het in haar hoofd om deze simpele ziel God’s genade te ontzeggen?

Tijdens zijn tocht naar het grote kruispunt komt hij langs de visboer die met zijn platte kar op woensdag en zaterdag naast het kantoor van de bank staat. Hoe en wanneer het ontstaan is weet niemand meer. Zelfs de visboer niet maar feit is dat Henkie daar stopt en van de visboer een gedraaid sjekkie krijgt. Die rookt hij op tot hij zijn vingers brand om dan met een welgemeend “Jaahaa, hiiii, hiiii” verder te gaan. Op de terugweg krijgt hij niets. Hij heeft wat met roken. Elke peuk die op straat ligt wordt opgeraapt. Dat kost moeite. Omvallen is niet denkbeeldig.  De peuken verdwijnen in de zakken van zijn jas.

Op het kruispunt heeft hij zijn vaste plek. Staande voor het hoekraam van de juwelier, knikt hij vriendelijk naar elke voorbijganger en de meeste mensen groeten terug. Waarom ook niet? Het is een kleine moeite en Henkie heeft er plezier van. De jeugd mag hem wel eens plagen. “Henkie, hoe laat is het?” vragen ze dan. Met zijn goede hand knoopt hij met moeite zijn jas los en vist dan ergens een groot zilveren zakhorloge vandaan die met een ketting vast zit aan zijn overhemd. Hij klapt het deksel open en met een grote scheve glimlach en een “Jaahaa, hiiii, hiiii” laat hij de tijd zien. Het weer opbergen kost de nodige moeite. Op een tweede verzoek van de jeugd gaat hij niet in. Hij is gekke Henkie niet.

Wonderlijk maar mooi is het dat Henkie gewoon bij het straatbeeld hoort. Niemand helpt hem oversteken, niemand knoopt een praatje aan maar ze houden wel een oogje op hem. De herenmodezaak heeft hem kortgeleden, toen het zo waterkoud was, zelfs een muts opgezet en een sjaal omgedaan. Gratis en voor niks.

Het gonst van de geruchten. Henkie wordt gemist. De visboer had het sjekkie al klaar liggen maar hij is niet op komen dagen. Misschien is het te koud. Het vriest immers al drie dagen en hier en daar is het verraderlijk glad.
Langzaam worden de geruchten feiten. Henkie is in het steegje van zijn huis uitgegleden en lelijk terechtgekomen. Hij heeft daar een paar uur in de vrieskou gelegen voor zijn oude moeder hem vond. In het ziekenhuis konden ze niet veel meer voor hem doen.

Natuurlijk, het leven gaat door. De visboer verkoopt nog steeds vis. De juwelier op de grote kruising heeft de etalage van het hoekraam eindelijk mooi in kunnen richten. De mensen hoeven niet meer om Henkie heen te lopen en te groeten. Vreemdelingen kunnen bij de zebra’s vlot doorrijden. Toch wordt Henkie gemist met een weemoedigheid waarvan niemand gedacht had deze ooit te ervaren.

Wie de opdrachtgever is en wie het betaalt heeft weet niemand. Van de ene op de andere dag staat er, naast het kantoor van de bank, bij de viskar,  een vierkante stenen sokkel met daar een bronzen beeldje op van Henkie zoals iedereen hem kende. Orthopedisch verantwoorde schoenen, te korte broek en jas, verkrampte arm, krom en het hoofd naar beneden gebogen. Geen peuk. Slechte gewoonten moet je niet etaleren.

 

© peter gortworst / dec. 2016

foto http://www.omroepzeeland.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Kerstverhaal

Ik vind schrijfopdrachten niet leuk. Er zit iets in van ‘moeten’  en dat spoort niet met de levensfase waarin ik nu zit. Die zou je bijna een anarchistische fase kunnen noemen. Vroeger moest er van alles maar nu moet er nog heel weinig, vind ik. Als er nu iemand is die zegt dat er iets moet, ga ik vragen waarom. En wonder o wonder, vaak blijkt dat er van die noodzaak tot moeten weinig over blijft.   Ik kan wel zeggen dat het prettig leeft.

Een schrijfopdracht is dus iets wat met moeten te maken heeft en dat wringt. Het liefst schrijf ik als de inspiratie, de tijd, de gelegenheid of de zin er is en natuurlijk is het ook handig als er iets is waarover ik kan schrijven. Misschien is het wel goed voor mijn ontwikkeling als schrijver om buiten mijn comfortzone te gaan en mij te wagen aan een onderwerp met een tijdslimiet. Misschien komen er onverwachte talenten boven drijven en misschien treed ik wel buiten mijzelf. Lijkt mij wel een mooi en niet alledaags gezicht: zo’n mannetje voor zijn computer die, typend met twee vingers, een verhaaltje schrijft maar nee, ik pas. Ik ga niet in opdracht schrijven en al helemaal niet als ik zelf de opdrachtgever ben.

Hoe kon ik zo dom zijn om te beslissen dat er dit jaar een kerstverhaal moest komen? Ik schat dat er al twee eeuwen lang door tienduizenden schrijvers kerstverhalen geschreven worden. Alles wat een normaal mens verzinnen kan is al geschreven: een slecht geplande reis naar Bethlehem door een jong stel waarbij zij ook nog eens in verwachting is, diepe gedachten van een os, een ezel of, en hoe verzin je het, een kerstboom, de handel en wandel van een onontwikkelde herder die zichzelf plotseling in een stal vindt, in lompen gehulde en dus arme kindertjes die, met of zonder zwavelstokjes, doodvriezen, ingesneeuwde mensen die kerst vieren met droge beschuiten en ijskoud water, uit het zicht verdwenen gezins- of familieleden die uitgerekend op kerstavond op de stoep staan tot ruimtereizigers die de overblijfselen vinden van wat eens de ster van Bethlehem zou zijn. Verzin het en het is al eens geschreven.

En nu vindt deze sukkelaar dat hij een kerstverhaal moet schrijven. Waarom? Voor wie? Worden er überhaupt nog wel kerstverhalen gelezen? Toen ik jong en onbedorven was werd dat wel gedaan. Op de diverse verenigingen en natuurlijk thuis. Stichtelijke verhalen die ingebed waren in een religieus soort kerstviering waarbij niet het ‘amen’ het slot was maar het kerstdiner. Niet echt een ongedwongen feest. Er moest veel en er mocht weinig. Het moest natuurlijk gezellig zijn, van het eten moest je genieten want er was geld en veel tijd in gestoken, het ‘hoe hoort het’ was belangrijk en uiteraard zat je daar in je beste zondagse kleren.

Een kerstverhaal. In wezen is er maar één echt kerstverhaal en dat staat in de bijbel. Nee, van mij hoeft je het niet te geloven. Het is, historisch gezien, een onmogelijk verhaal. Maar wel één van de verhalen die diepe sporen hebben getrokken in de geschiedenis. Meer dan de schrijvers waarschijnlijk ooit voor mogelijk hadden gehouden en misschien wel meer dan hen lief was. Het is één van die verhalen die bepalend was en weer kan zijn voor onze huidige maatschappij. Je hoeft daarvoor niet diep gelovig te zijn of de grootste atheïst. Een gezond verstand en wat medemenselijkheid is voldoende. Want stel dat meneer Erdogan besluit om de ‘afspraken’ niet meer na te komen en de stroom vluchtelingen weer op gang komt. Dan hoop ik dat we de boer zijn die de stal ter beschikking stelt en dat er in de herberg wél plaats is voor al die Jozeffen en Maria’s.

Van mij dus geen zoete verhalen die de kerstsfeer zo gevoelig kunnen raken. De echte verhalen zijn al indrukwekkend genoeg.

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties