Vreetschuur

De objectiviteit kan mij natuurlijk danig in de steek laten maar klopt het dat dames met een ‘volslank’ figuur, vaak een man hebben die de benaming ‘spijker’ volledig waarmaken? Andersom zie je dat natuurlijk ook maar vaak is dan de ‘volslanke’ heer welgesteld en beduidend ouder dan de slanke dame. Ik weet best dat de liefde rare dingen met mensen doet dus wie ben ik om wat voor oordeel dan ook over mensen met een groot verschil in gewicht, leeftijd of rijkdom te hebben. Wat ik wel weet is dat het vaak komische situaties geeft en zo ook in dit ‘all you can eat restaurant’.
Het groepje waartoe ik behoor, heeft dit restaurant uitgekozen omdat het ons wel gezellig lijkt. Geen van ons heeft de intentie om het te betalen bedrag aan eten ten volle te benutten of zelfs te overtreffen. Het mooie is dat je zelf kan kiezen wat je wilt eten en daar zoveel mensen immer ook zoveel smaken hebben, is dit een goede keuze. Bovendien maakt de wandeling naar het buffet en het aldaar maken van keuzes de sfeer gemoedelijk en dat is, naar mijn bescheiden mening, toch een wezenlijk component van een goede maaltijd.

Schuin tegenover mij bezet een echtpaar een tafeltje. Zij is volslank met een slobbervest. Hij is een broodmagere man met een slobber T-shirt maatje S. Ze gaan zitten en de vrouw kijkt richting ingang. Dan steekt ze haar hand op en even later schuift er nog een volslanke dame aan. Onmiskenbaar haar zus. Als de ober komt, bestellen ze wat te drinken en na de eerste slok staan ze op om een bezoek te brengen aan het buffet. De zussen zijn het eerste terug. Op hun borden een matige hoeveelheid groen en stukjes gebakken kip. Blijkbaar wachten ze op de man want veel verder dan elkaar iets aanwijzen op hun bord komen ze niet. De man arriveert met een bord vol spaghetti met saus, iets van gebakken banaan en drie stokjes saté met pindasaus. Het eten kan beginnen en met de bedachtzaamheid die een wijnproever eer zou aandoen, eten de dames van hun salade en stukjes kip. De man verorbert met zo een vastberaden ijver zijn eten dat hij eerder klaar is dan de dames. Zijn vrouw zegt er iets van en aan haar gezichtsuitdrukking valt af te lezen dat het geen prijzenswaardige opmerking is. Helaas. Te oordelen aan de snelheid waarmee hij de tafel verlaat en zich richting buffet spoed, denk ik niet dat de opmerking van zijn vrouw enige indruk bij hem heeft achtergelaten. De dames praten zonder twijfel over de eetlust van de man. De zus neemt met een likje van haar vinger wat van de overgebleven pindasaus. Ze sluit haar ogen als ze het door haar mondholte laat spelen en op dat moment realiseer ik mij dat het best kan zijn dat er aan een gezamenlijk dieet begonnen is. Misschien is de man wel het slachtoffer van deze afvalpoging. Thuis is natuurlijk al het eten mager en weinig en heeft hij voorgesteld om hier te gaan eten.

‘Je kan zo veel en zo weinig eten als je wilt’, zal hij vast tegen zijn vrouw gezegd hebben. ‘Salades hebben ze vaak te kust en te keur. Daar wordt je niet dik van.’

Misschien heeft zij uit medelijden met hem wel toegestemd en, als ondersteuning voor haar, de zuster bondgenoot gemaakt. In dit oord van verleidingen kan men alle hulp gebruiken.

De man keert terug met een bord wat vol ligt met garnalen, witte rijst en iets van een groene curry. De vrouwen wisselen een veelzeggende blik met elkaar. Terwijl de man eet, staan de vrouwen op. Het is blijkbaar een goed moment om zich tijdelijk van deze genietende man te verwijderen. Wanneer ze terugkomen met opnieuw veel groen en een gebakken visje op hun bord, heeft de man zijn bord leeg. Misprijzend kijkt hij naar de twee borden en je ziet hem denken: daarmee overleef je de komende uren niet.

De dames doen alles goed: ze nemen kleine hapjes en kauwen langdurig. Het duurt de man te lang. Hij staat op en brengt voor de derde keer een bezoek aan het buffet. De dames zeggen iets tegen elkaar en dan haalt zijn vrouw even de schouders op. Er is iets van berusting af te lezen op haar gezicht en dat blijft als manlief met een vol bord weer aan tafel gaat zitten. Zo langzamerhand vraag ik mij af waar deze man al dat voedsel laat. Je zou toch minstens verwachten dat zijn buik wat boller is gaan staan maar nee, niets van dat al. Het derde bord is leeg en de man zakt wat onderuit in zijn stoel. De dames zijn met elkaar in gesprek maar blijkbaar is het niet interessant voor onze veelvraat. Hij kijkt een beetje om zich heen en als er iemand langs loopt met een kommetje ijs, gaat bij hem een lichtje aan: dessert! Hij zegt iets tegen de dames en staat op. Ze kijken even zonder hun gesprek te onderbreken.

Hij komt terug met een bord vol ijs, vruchten en slagroom. Het kommetje was waarschijnlijk te klein voor zijn verlangen. De dames vallen stil en staren naar zijn bord. Als zijn vrouw het niet kan laten om een opmerking te maken, haalt hij zijn schouders op en met dezelfde ijver als waarmee hij dit eetfestijn begon, werkt hij zijn nagerecht naar binnen.

Ze zijn klaar. De ober wordt geroepen en er wordt betaald. Als ze weglopen met de dames voorop, kijk ik ze na. Ze lopen langs het buffet naar de uitgang en omdat niemand het ziet, pakt de man nog snel even een stukje gebakken banaan mee.
‘Je kans benutten’ heet dat.

 

 

© peter gortworst / feb.2020

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 3 reacties

Nooidweer

Mijn slaapkamer had geen verwarming. Als het echt koud was mocht de butagaskachel even aan om de ergste kou te verdrijven maar verder waren aan elkaar gevroren lakens met kriebelige wollen dekens en ijsbloemen op de ramen, de normaalste gang van zaken. Als het stormde, gierde de wind over het dak en als het sneeuwde was het schuine venster, wat een riant uitzicht bood op de muur van de buren, bedekt met sneeuw. Wilde je weten hoe het er buiten uitzag, dan bood een deur naar het platte dak boven de keuken die mogelijkheid. Je zag en voelde wat even later tijdens de radio-uitzending van het ANP, werd gezegd. Het is koud, er ligt sneeuw, er valt regen, het is warm of het waait.

Als het een beetje gesneeuwd had en je, dik in de kleren met muts en wanten, de bruine leren schooltas onder de snelbinders had gelegd, kreeg je, in een opwelling van inzicht, soms de waarschuwing mee: ‘Pas je op? Het kan wel glad zijn.’ Meer niet en dat meer was ook niet nodig.

De provinciale weg naar de pont, de eindeloos lange Hemweg langs de centrale tot de eerste huizen van de Spaarndammerweg in Amsterdam kon ik wel dromen en, maar dat kan ik natuurlijk mis hebben, altijd wind tegen. Vaak hopen op een brommertje wat niet te hard ging om in de luwte te kunnen fietsen. Windkracht 2 of 9 maakte niet uit. Je moest dus je ging.

Een gevoelstemperatuur was er al wel maar nog niet genormaliseerd. ‘Het voelt koud aan’ was de gangbare term en niemand die je kon vertellen dat het 2 graden vroor maar aanvoelde als minus 10. Dat het koud aanvoelde was genoeg.

Later, toen ik de wegen van Nederland onveilig maakte als servicetechneut, was er niemand die via de radio of tv vertelde dat je beter niet de weg op kon gaan. Je probeerde het gewoon en je paste de snelheid aan naar de omstandigheden. Je reed geen 80 als je door de mist maar 10 meter kon zien. Op de snelweg bleef je tijdens hevige sneeuwval, netjes allemaal op het rechter spoor om met een slakkengangetje van 30 uiteindelijk daar te komen waar je geacht werd te zijn.

En nu? Code oranje. Nederland zet zich schrap voor de naderende storm met de naam ‘huppeldepup’. Ga niet naar buiten als u daar niet hoeft te zijn want het gaat sneeuwen, ijzelen, waaien, regenen of het wordt vreselijk warm.

Waarom deze betutteling? Zijn wij zo weg-geëvolueerd van de natuur met al haar krachten dat we dergelijke waarschuwingen nodig hebben? Natuurlijk weet ik best dat het handig is om te weten dat er morgen 20 cm sneeuw kan vallen maar veranderd dat iets aan de situatie? Vallende bladeren, een beetje sneeuw of windkracht 9 en Nederland ligt sowieso plat. Het is de maatschappij die ontwricht raakt maar is het echt nodig de mensen zelf te waarschuwen voor iets wat de natuur geeft? Weten de mensen zelf niet meer dat het gevaarlijk is om met een storm op de pier van IJmuiden te gaan staan? Dat je lelijk kan vallen als er ijs op de straat ligt? Dat je nat kan worden als het flink regent, verdwaalt als je door de mist geen hand voor ogen ziet of met de auto van de weg kan raken als het sneeuwt?

Soms denk ik dat wij de apen achterna gaan. De orang-oetan heeft een specifiek biotoop nodig om te kunnen leven. Hoe meer daar van verdwijnt hoe slechter het met die apen gaat. Zou het, en laat ik het voorlopig maar op Nederland houden, zo kunnen zijn dan het hier niet te warm, niet te koud, niet teveel sneeuw of wind of ijzel of regen of mist of droogte moet zijn, willen wij overleven? Gaat onze flexibiliteit, onze overlevingskracht verloren en zijn gedoemd uit te sterven als het even anders gaat dan wat wij als normaal zijn gaan beschouwen?

Ik geef u een goed advies: Wordt er een storm verwacht zet dan uw kinderen buiten. Zij zullen spierkracht ontwikkelen omdat zij zich vast moeten houden aan de lantaarnpalen en waaien ze toch weg dan zullen ze zelf overlevingsstrategieën ontwikkelen om weer de weg naar huis te kunnen vinden. Wordt er flinke regen verwacht stuur ze, zo bloot mogelijk, met een flesje shampoo de tuin in. Komt er sneeuw laat ze een glijbaan maken bij die pestburen van verderop. Dichte mist? Speel verstoppertje op de kale heide (als u die tenminste vinden kan). Kortom: laat ze kennis maken met de krachten van de natuur. Goed voor de mensheid.

Ik ga aan het werk met een tip die ik vanmorgen hoorde. Alles wat ik niet meer gebruiken kan zet ik aan de straat. Mocht de aangekondigde storm werkelijk zo schokkend zijn als beloofd, dan ben ik benieuwd wie de nieuwe eigenaren worden van mijn oude spullen.

 

© peter gortworst / feb.2020
afbeelding: rtvdrenthe.nl

Geplaatst in oprispingen, startpagina | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Moord in het kort

Laat in de avond. Bijna middernacht. De koplampen verlichten het asfalt van de 31 en met de auto op de tempomaat hoef ik niet meer te doen dan tussen de lijntjes de blijven. Het is stil op de weg. Ik heb de laatste vijftien kilometer slechts twee vrachtwagens gepasseerd. Zolang er geen hert of everzwijn van rechts komt heb ik tijd en mogelijkheid genoeg om de gedachten te laten gaan. Over het schrijven van een boek bijvoorbeeld. Korte verhalen schrijven is leuk. Erg leuk zelfs maar zou ik mij niet eens moeten wagen aan een boek? Een boek over…. tja…… waarover? Fictie? Non-fictie? Een waargebeurd verhaal gebruiken als basis? Een streekroman, iets als Beekman en Beekman, iets over iemand die in zijn jeugd wat meemaakt en wat later in zijn leven terug komt, iets met een moord? Boeken met één of meerdere moorden verkopen natuurlijk wel goed en dat is toch ook iets waar je als schrijver blijkbaar aan moet denken.

Laat ik eens een beginnetje maken. Een man knalt met zijn auto tegen een boom en sterft ter plekke. De bergingsdienst ziet bij het takelen dat er een remleiding is doorgeknipt en meldt dat natuurlijk aan de politie. Wie heeft dat gedaan en waarom? Met die vraag zou het eerste hoofdstuk kunnen worden afgesloten.

De kersverse weduwe weet van niets en de twee bijna volwassen kinderen ook niet. De zoon is eerst wel verdacht omdat hij als hobby sleutelt aan auto’s en de week voor deze moord de olie van de auto heeft vervangen en de bandenspanning gecontroleerd. Hij zou natuurlijk de remleiding al een beetje doorgeknipt kunnen hebben maar al snel ontdekken de speurders dat zoiets, technisch gesproken, niet kan en hij bovendien dan de kip met de gouden eieren geslacht zou hebben. Hij leeft van het geld dat zijn vader hem geeft dus dat zou dom zijn. Hoewel…. Er is natuurlijk een erfenis. De zoon blijkt overigens een ijzersterk alibi te hebben dus die valt na twee hoofdstukken af.

Pa is, om het een beetje gecompliceerd te maken, eigenaar van een internationaal opererend bedrijf. Niet geheel onbemiddeld dus. Hij heeft bijvoorbeeld ook veel contacten in Oost-Europa. Onderzoek wijst ook uit dat de man een soort dubbelleven heeft geleidt. Niet met de jonge, bloedmooie en ambitieuze directiesecretaresse maar zij zet wel de speurders op het spoor van een andere vrouw. Om het boek een wat emotionele lading te geven is dat een oude jeugdvriendin van hem. Ze is een alleenstaande moeder met vier bloedjes van kinderen maar helaas aan lager wal geraakt. Wacht even, dat kan niet als ze van gelijke leeftijd zijn. Uh, uh, ze is een jonge oma die op haar kleinkinderen past en de moeder van die kinderen is aan lager wal geraakt. Ja, dat kan. Hij bezoekt haar regelmatig en ze praten dan bijvoorbeeld over hoe het had kunnen zijn als ze hem, in een vlaag van jaloezie, niet de bons had gegeven. Hij stopt haar na elk bezoek wat geld toe. Gewoon uit medelijden. Niks geen seks of buitenechtelijke relatie. Mm…. Wat verkoopt beter? De emotionele lading of toch maar de seks? Moet ik dus nog over nadenken maar we zijn inmiddels weer twee hoofdstukken verder.

Wat doe ik met die Oost-Europese contacten? Met welk land doet hij daar zaken? Dat is natuurlijk niet geheel onbelangrijk omdat ik, vanwege de sfeertekeningen in het boek, daar wel naar toe moet. Ik verzin dan wel een verhaal maar het moet ook een beetje geloofwaardig zijn. Maar goed, dat is van latere zorg. Laat ik voorlopig een man verzinnen die Vladimir heet. Die heeft ook een bedrijf en deed zaken met mijn vermoord bedenksel. De samenwerking is stuk gegaan en dat biedt natuurlijk tal van mogelijke motieven. Voor extra verwikkelingen laat ik Vladimir kennis maken met de oude jeugdvriendin van mijn overleden personage en…. o nee…. Hij kende haar al langer en gebruikt haar om zijn Nederlandse zakenpartner een kunstje te flikken. Dat een beetje beschrijven vult vast een heel hoofdstuk.

Mijn speurders hebben het….. o dear! Wie zijn mijn speurders? Is dat een hoofdcommissaris of een brigadier? Hoe zitten die rangen bij de politie in elkaar? Hoe gaat dat als er internationale contacten zijn? Is de baas van het spul een soort vaderlijk figuur die niet van zijn stuk te brengen is omdat hij alles al heeft meegemaakt of is het een jong strebertje die zich nog waar moet maken? Het is misschien een goed idee om een keer op een politiebureau te vragen hoe men daar zoiets aanpakt. Vragen, vragen en vragen….. Maar goed, weer een hoofdstuk.

Maar dan natuurlijk de belangrijkste vraag: wie heeft het gedaan en waarom. Ik weet natuurlijk best dat de beantwoording in het laatste hoofdstuk moet komen. De lezer, als deze het tenminste tot hier gebracht heeft en niet voortijdig is afgehaakt omdat het te warrig werd, moet in een totale staat van verbazing ontdekken dat het degene is waarvan men het niet verwacht. De dader (m/v) duikt in het verhaal verschillende malen op maar lijkt volkomen onschuldig. Wie zou dat kunnen zijn?

Ik zet mijn auto naast het huis stil en kijk naar mijn duim. Hij ziet er magertjes uit. Al dat verzinnen is hem blijkbaar te veel geworden en ik denk niet dat daar nog een zinnig antwoord uit kan komen op de vraag wie de dader is. Geloof het of niet, ik constateer dat met enige teleurstelling. Geen boek dus. Dan maar weer aan de korte verhalen. Een schrijver moet toch wat.

 

© peter gortworst / jan. 2020
afbeelding: vademus.com

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Zee

Als ze de opvouwbare scootmobiel voorzichtig achter in de auto legt, voelt ze het al. Het is perfect strandweer: grijze lucht, harde wind en niet koud. Het is de dag waar ze naar heeft uitgekeken.

Vier lange maanden was ze belemmert in haar komen en gaan. Auto rijden was geen probleem maar lopen een heel ander verhaal. Regelmatig heeft ze in de supermarkt met haar kont op de rollator gezeten omdat het even niet meer ging. Ze waardeerde de zorgelijke vragen van de andere klanten en net zo hevig haatte ze deze. ‘Nee, het gaat wel goed. Moet alleen even uitrusten’ heeft ze, naar haar gevoel, talloze malen moeten zeggen. Voor iemand die onafhankelijk wil zijn en er de pest in heeft dat haar benen niet meer goed willen, was dat elke keer weer een opgave. Accepteren dat je oud wordt is nog te doen maar dit gebrek bederft de vreugde wel en dat maakt die acceptatie een stuk lastiger.

Tot de scootmobiel kwam. Een lichtgewicht opvouwbaar ding wat niet meer vraagt dan een snoertje naar het stopcontact. Ze is er wijs mee. Ze rijdt er stad en land mee af en geniet van de wind door haar haren, snuift als een hond alle geuren op en zelfs een beetje regen houdt haar niet in huis. De supermarkt doet ze in de helft van de tijd en als ze de bejaardensoos bezoekt, hoeft ze haar auto niet meer voor die twee kilometer van stal te halen. Het klinkt gek maar ze is zelfs een beetje verliefd op dat ding geworden. Als ze ’s avonds naar bed gaat, stopt ze de stekker in het stopcontact. Met een kort piepje laat het apparaat weten dat het laadproces aangevangen is.
‘Ja’, zegt ze dan, ‘Jij ook welterusten. Goed je best doen hoor. Morgen heb ik je weer nodig.’

Op het strand waar zij naar toe rijdt, is in de winter niets te doen. De strandtenten die daar in de zomer staan, worden in de herfst afgebroken. Het is haar favoriete plek. Toen zij nog goed ter been was, maakte ze vanuit hier lange wandelingen langs het strand.
Ze parkeert haar auto boven op de parkeerplaats. Als ze uitstapt ademt ze diep door haar neus de zilte zeelucht in en ze voelt zich gelukkig. De harde wind komt met vlagen en voert met elke vlaag zand mee. De betonplaten liggen deels onder het zand. Behoedzaam stuurt ze haar scootmobiel over de delen die nog goed begaanbaar zijn. Haar sjaal heeft ze voor de neus en mond gebonden en de bril beschermt haar ogen. De betonplaten houden aan de voet van de duinen op. Ze remt keurig op tijd en zet de scootmobiel op de handrem.

De horizon is niet te zien. De grijze zee gaat naadloos over in de grijze lucht. Met witte toppen en een donderend geweld breken de golven op het strand. Vuilgele schuimvlokken liggen bibberend bij elkaar of jagen over het zand. Een enkele meeuw scheert laag over het water. Er is geen mens te zien en dat vindt ze heerlijk.

Van jongs af aan is de zee haar vriend. Vroeger namen haar ouders hen mee voor een dagje naar het strand. Kuilen graven deed ze niet. In de zon liggen ook niet. Het liefst stond ze daar in het water waar de golven nog niet braken. Ze ging zo ver het water in dat ze nog net kon staan en genoot van elke golf die haar even optilde. ‘Het water wat draagt als in de moederschoot’ zou ze later ontdekken. Vreemd vindt ze dit denken niet. Ze is van mening dat onze oorsprong in de zee ligt dus als je door het water gedragen wordt maak je contact met een heel ver verleden. Ze mijmert over de vele zeeën die ze heeft gezien en bevaren. De vele overtochten met de veerboten naar Engeland en die je even een zeeman of zeevrouw laten zijn als je tenminste op het dek blijft. Het kristalheldere water bij Bali of Nieuw Zeeland. De keer dat ze met windkracht 12 op de Hondsbossche zeewering probeerde te blijven staan en de meeuwen achteruit vlogen. Het zoute water wat haar bril ondoorzichtig maakte en haar lippen naar zee liet smaken. De machtige branding op de rotskusten van Noorwegen. Getuige zijn van een langzaam vollopende Waddenzee. Ze glimlacht. Altijd en overal, bij elke zee of oceaan en elke keer weer moest ze haar vingers in het water steken om te kunnen proeven. Het zoute water smaakt overal anders en toen ze deze rare gewoonte eens aan een pastoor vertelde, bleek hij hetzelfde te doen.
‘Wat doe jij met je vingers in mijn zee?’ vroeg hij lachend.
‘Proeven waar we vandaan komen,’ had ze geantwoord maar daar bleek hij toch heel anders over te denken.
Natuurlijk weet ze best van de gevaren. De spreuk ‘de zee geeft en de zee neemt’ is haar bekend. Als ze op Urk is en bij het standbeeld van die vissersvrouw staat, voelt ze zich schuldig. Er zijn velen die de zee, waar zij zo veel van houdt, haten omdat deze genomen heeft wat hen dierbaar was. Onbarmhartig en genadeloos kan haar vriend zijn en toch houdt ze van hem.

Achter de wieltjes van haar scootmobiel vormen zich kleine duinen. Ze wordt wat rillerig en besluit om weer naar de auto te gaan. Ze maakt de handrem los en als de scootmobiel van de helling af naar voren rijdt knijpt ze instinctief de handel in. Het gebrek aan ervaring nekt haar. Te laat herinnert zij zich dat knijpen gasgeven is. ‘Ho!’ roept ze maar daar rem je niet mee. De scootmobiel schiet naar voren om zich één meter later vast te rijden in het zand. Rul zand is geen stabiele ondergrond en het voertuig wankelt. Haar poging om rechtop te blijven werkt niet. Met een ‘wel verdomme’ kieperen ze samen om. Ze blijft even liggen en wacht af of ze ergens pijn voelt. Als ze niets verontrustends bemerkt, gaat ze zitten om het volgende probleem onder ogen te zien. Hoe komt ze overeind? Die krakkemikkige benen hebben tijdens de therapie wel geleerd hoe te lopen en te zitten maar opstaan vanaf de grond zat niet in het pakket. Ze kijkt om zich heen. Zo’n vijf meter achter haar worden de duinen afgeschermd door prikkeldraad en dat zit vast aan houten palen. Op haar kont hobbelt ze daar naar toe en het lukt haar om zich aan een paal op te trekken. Voetje voor voetje schuifelt ze naar haar scootmobiel, zet hem uit en rechtop. Dan trekt ze hem naar de betonplaten en veegt het meeste zand er af. Ze is doodmoe geworden en kan alleen maar stil op het stoeltje zitten. Als het weer gaat, draait ze het sleuteltje om en knijpt in de gashandel. Er gebeurt niets. Ze zet hem weer uit en aan maar niets helpt. ‘Nou, daar ben je lekker mee’ denkt ze, ‘Wat nu?’
Omhoog lopen met een scootmobiel kan ze wel vergeten. Dat redt ze nooit. Ze vist haar mobieltje uit haar zak en bedenkt wie ze zou kunnen bellen. Het noodnummer lijkt haar wat overdreven. Zo erg is het niet. Haar kinderen wonen te ver weg, de buren wil ze niet lastig vallen en die oudjes van de bejaardensoos al helemaal niet. Dan weet ze het: de ANWB! Ze is per slot van rekening al jaren lid en heeft ze nog nooit nodig gehad. Eens moet het de eerste keer zijn.

‘Waar staat u?’ vraagt de dame van de ANWB.
Ze vertelt bij welke strandopgang ze is.
‘Ik ben omgevallen en nu doet hij het niet meer.’
‘Is de auto omgevallen!?
‘Nee, mijn scootmobiel en ik zat er op.’
‘Ja?’
‘Ik krijg dat ding de strandopgang niet op. Mijn benen redden dat niet.’
‘Is daar niemand die u helpen kan?’
‘Nee, gelukkig niet. Je ligt daar toch maar mooi voor gek toch?’

De dame belooft iemand te sturen en als er over een half uurtje nog niemand is moet ze weer bellen. Ze wacht en na een kwartiertje verschijnt er boven aan de strandopgang een politiewagen. Een wat oudere agent met een jonge agente stappen uit.

‘Had u de ANWB gebeld?’ vraagt de agent.
‘Ja, het leek mij niet iets voor 112’.
‘Wat is er gebeurt?’ vraagt de agente.
Ze vertelt van de rem, de gashandel, het rulle zand en het moeilijk opstaan en lopen.
‘Maar waarom bent u hier?’ vraagt de agente.
Ze draait zich om en wijst naar de zee.
‘Is het niet prachtig? Al dat water, die wind, dat zand, die geur?’
De ambtsdragers kijken en zwijgen maar iets van bewondering of ontzag is hen vreemd.
‘Is het wel zo verstandig om naar een plaats te gaan waar geen mensen zijn?’ wil de agent weten, ‘Stel dat u geen mobieltje bij u had. Wat dan?’
‘Stel dat jij geen agent geworden was. Dan had je hier nu niet gestaan. Luister, ik heb mij al heel lang geleden voorgenomen mij geen vragen te stellen met ‘als’ of ‘stel dat’. De dingen gaan zoals ze gaan en daar valt weinig tegen te doen. Ik heb mijn mobieltje altijd bij mij. Niet voor ‘als’ of ‘stel dat’ maar omdat ik het gewoon prettig en makkelijk vind. Nu komt het goed uit en dat is prettig.’
‘Hm’, zegt de agent.
‘Is die auto die boven staat van u?’ vraagt de agente.
‘Ja’.
‘Dan rijdt ik onze wagen even hier naar toe en breng ik u naar uw auto. Mijn collega ontfermt zich wel over uw scootmobiel.’

Ze is weer thuis en heeft de reparateur al gebeld. Ze komen morgen. De scootmobiel staat op zijn vertrouwde plaats bij het stopcontact. Ze is vergeten te vragen of het wel verstandig is om hem op te laden. ‘Rotding!’ zegt ze zachtjes en geeft een schopje tegen de zijkant. Uit verontwaardiging, maar het kan ook verdriet zijn, laat het ding een straaltje zand op het tapijt lopen.
‘Oké, sorry. Het was mijn schuld’, en met een diepe zucht haalt ze de stofzuiger uit de kast.

 

 

© peter gortworst / jan. 2020
afbeelding: nrc.nl     

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Tijd

Zo af en toe kom je het plaatje nog eens tegen: het oude jaar afgebeeld als een oude man en het nieuwe jaar als een pasgeborene. Soms is de oude man een goedmoedige grijsaard met een lange, golvende baard en een andere keer een narrige en lelijke man die met een leeggelopen zandloper onder de arm weggejaagd wordt door een montere jongeling.

Het zal de weemoedigheid dezer dagen zijn die gedachten over deze twee zonderlingen de vrije loop geeft. Laten wij eens aannemen dat de oude man de gezegende leeftijd van 100 jaar heeft bereikt. Een vol jaar verdient immers een mooi rond getal. Tot de laatste dag heeft hij zijn werk voorbeeldig gedaan en dan verdwijnt hij. Dat is onbevredigend en wonderlijk. Het jaar is om, de man heeft zijn werk, zijn levensbestemming bereikt en dan verwacht je een dode, oude man in een kist. Natuurlijk mooi opgebaard en beschikbaar voor ieder die nog even afscheid wil nemen. Misschien dat iemand nog even het woord wil voeren want de dode heeft zich toch maar zijn hele leven (wat slechts één jaar duurde) kranig gedragen en zijn taak tot het einde toe, voorbeeldig volbracht. Maar nee, hij vertrekt. Waar gaat die oude man heen? Hij verdwijnt letterlijk uit beeld. Het kan natuurlijk zijn dat hij, gelijk dieren doen, een plekje zoekt om rustig te sterven. Hij is immers ‘uit de tijd’ en er wordt niets meer van hem verwacht. Iets als een bejaardenoord voor ouden der jaren is ondenkbaar. Je bestaat niet meer en je wordt alleen nog in herinneringen genoemd.

Dan die jongeling die het symbool moet zijn van het nieuwe jaar. Meestal is dat een merkwaardig gedrocht. Een lijf als een baby maar dan geschetst als een kind van vier met vaak een hoofd wat hoort bij een volwassene. Ook hij heeft slechts één jaar te leven en om op 31 december de leeftijd van 100 jaar te bereiken, wordt hij per 3,65 dagen één jaar ouder. Los van de lichamelijke consequenties van die snelle groei is waarschijnlijk dit het gegeven dat zijn uiterlijk zo bijzonder maakt. De avond van de 10e januari is hij al zindelijk en bedient zich van de eerste woorden. Op de 21e januari heeft hij de peuterschool doorlopen en vinden we hem terug in groep 3 van de basisschool. Begin maart kan hij autorijden en heeft het meeste onheilaanrichtende pubergedoe achter zich. Begin juli wordt hij vijftig en dient zich waarschijnlijk zijn midlifecrisis aan. Na 237 dagen ontvangt hij, als het SVB tenminste deze snelle ontwikkeling bij kan houden, zijn AOW en kan hij zich opmaken voor de eindspurt naar 31 december. Maar waar komt deze jongeling vandaan? Wie zijn de ouders van deze knaap? Het is sowieso knap een kind te verwekken met deze eigenschappen maar het dan ook nog ter wereld te laten komen op precies 00,00 uur vraagt bovennatuurlijke vermogens. Maar is het voor een pasgeborene mogelijk die oude man uitgeleide te doen of wordt het kind iets eerder geboren om in staat te zijn met de levenstaak te beginnen als de luiers verleden tijd zijn. Na drie dagen is het immers bijna één jaar en zou voor een kind met dergelijke kwaliteiten, de zindelijkheid geen probleem meer moeten zijn. Maar dan nog blijft de vraag waar dit kind vandaan komt. Van ‘uit de tijd’ naar de tijdelijke ‘in de tijd’?

De rusttijd tussen de verplichtingen van kerst en het oliebollen bakken voor oud en nieuw, is niet voor een ieder gegeven. Als ik in deze periode mijn gedachten de vrije loop geef, gaan ze met mij aan de haal en dat maakt mij knap onrustig. Gelukkig heb ik tijd genoeg en nadenken en schrijven over ‘tijd’ is een aangename tijdsbesteding. Tevens een mooie gelegenheid om mijn lezers een gezond, blijmoedig en creatief nieuw jaar te wensen.
Bij deze gedaan.

 

 

©peter gortworst / dec 2019  

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , | 1 reactie

Het meisje en meneer van der Eik

Ze heeft vooraf goed op de kaart gekeken en opgeschreven hoe ze rijden moet. Netjes en overzichtelijk onder elkaar. Niet dat ze snel verdwaald maar je weet maar nooit en in zestig jaar kan er veel veranderen. Op de snelweg ziet ze dat het dorp, haar geboortedorp, al op het blauwe bord van de ANWB staan. Nog een paar kilometers en dan is zij er.

Hij heeft haar meer lief dan hij durft te zeggen. Zijn eerste kind en een kind naar zijn hart. Onbevangen, open, het hart op de tong en een durfal. Een robbedoes van het zuiverste water met ongekende kwaliteiten. Heeft hij moeite om de koeien op stal te krijgen dan vraagt hij haar te helpen. Een kind van zes en er is geen koe die niet naar haar luistert. De hond doet alles voor haar en het varken gaat al op haar zij liggen als ze het kot instapt: er wordt weer gekroeld. Dat ze van dieren houdt is wel duidelijk. De kleine boerderij is haar wereld maar er is meer dan dit. Dat weet ze en dan vraagt ze. Vaak weet hij de vragen te beantwoorden maar net zo vaak niet. Soms zijn het kinderlijke vragen maar voor hetzelfde geld vraagt ze iets waar hij geen antwoord op heeft. Waarom gaat een mens wel naar de hemel en een koe niet? Met wie trouwden Kaïn en Abel als zij de kinderen van de eerste mensen op aarde waren? Als de ruimte steeds groter wordt, in wát wordt het dan steeds groter? Vragen die niet alleen hem maar ook zijn vrouw af en toe tot wanhoop drijven. Vragen die komen op momenten dat hij het niet verwacht. Als zij op zijn schoot zit en de trekker stuurt bijvoorbeeld. Hoe kan je dan in een paar zinnen vertellen hoe het komt dat er seizoenen zijn? En dan de alles overtreffende vraag: Waarom?

De kerk is er nog. De bakker niet. Natuurlijk had ze verwacht dat er veranderingen hadden plaatsgevonden en de nieuwe huizen aan de rand van het dorp hebben aan die verwachtingen voldaan. Maar ook de bestrating. Geen klinkerweg meer maar asfalt. Voorbij de kerk moet ze rechtsaf en vroeger ging daar de klinkerbestrating over in een onverharde weg. Het huis van opoe Buntsma was het laatste huis wat nog aan de klinkerweg lag. Opoe is al jaren dood en het huis is herbouwd. Ze is er voorbij gereden zonder het te herkennen. Nog twee kilometer en dan zou daar de oprit naar hun oude boerderij moeten zijn.
Drie verticale vlaggen staan rechts van de oprit. Links een groot bord met de naam van het vakantiepark. Het weiland waar de pinken graasden en waar de overbuurman zijn knol mocht laten weiden is een grote parkeerplaats geworden en de boerderij is verbouwd. ‘Receptie’ ziet zij op het bord staan en een rood-witte slagboom belet haar, als ze dat al zou willen, de weg.
Ze heeft de auto in de berm gezet en kijkt. Niet voor de eerste keer valt de kneuterigheid van dit land haar op. Alles is afgebakend, ordelijk en klein. Ook hier. Het is kleiner dan wat zij zich herinnert. Volwassenen hebben dat wel vaker maar bij haar komt het sterker binnen. De weidsheid van het Canadese land maakt dat je groot gaat denken. Daar is ze volwassen geworden, getrouwd, kinderen gekregen en weduwe geworden. Haar wens om nog eenmaal haar geboorteland te zien, het dorp met de kleine huisjes en het boerderijtje van haar ouders waar ze zoveel mooie herinneringen aan heeft, is mogelijk gemaakt door haar kinderen. Ze is hen daar innig dankbaar voor en geniet met volle teugen van de tijd in haar geboorteland. Het Rijksmuseum heeft ze al gezien. De Zaanse Schans ook maar het Achterhuis, Den Haag en Madurodam staan nog op haar lijstje. Vandaag niet. Vandaag is ze hier en natuurlijk voor meneer van der Eik.

Dat zal je altijd zien. Als die dekselse meid nodig is om iets te doen is ze er niet. Ze zal wel weer in het bos zijn en op laatste moment binnen komen rennen. Wie dekt er nu de tafel en prikt er in de aardappelen? Zij moet helpen met melken en hoe graag ze het ook zou willen, koken en melken gaat niet samen.
‘Ga het bos in en zoek je zus!’ commandeert ze haar broertje.
Gehoorzaam vertrekt het ventje. Het gaat haar niet snel genoeg.
‘Rennen!’ roept ze hem toe en de klompjes klikklakken over het erf.

‘Wat is er in het bos te doen?’ vraagt haar vader als ze aan het eten zijn. ‘Je bent er de laatste tijd zo vaak en zo lang.’
Ze zwijgt en slaat haar ogen neer.
‘Nou?’
Even flitst er een gedachte door zijn hoofd. Ze zal toch geen vriendje hebben? Ze is nog maar negen!
‘Ze zat bij een boom met twee konijnen en een hertje,’ klikt het broertje.
Een klein grommend geluid ontsnapt uit haar keel. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich.
Haar vader zegt niets. Zolang het geen vriendje is maakt het hem niet uit.
‘Leuk,’ zegt moeder maar meer wil zij er ook niet over kwijt. Er zijn belangrijker dingen.

Het begint op te vallen. Zij en dieren hebben iets met elkaar. Ze weet ook niet hoe dat komt en al helemaal niet hoe bijzonder het is. Het is begonnen toen ze op een mooie dag het bos ingelopen was. Bij de grote eik is ze tegen de stam gaan zitten en de boom begint tegen haar te praten. Niet echt maar ze hoort in haar hoofd zijn stem en ze antwoordt door terug te denken. Dat gaat zo vanzelf dat het haar niet eens verwondert. Het is gewoon zo. ‘Mijn Nootje’ noemt hij haar. Hij leert haar dat zij, door te denken, ook kan praten.
‘Het hoeft niet altijd met herrie of wat jullie spraak noemen,’ zegt de boom. ‘Ik wordt soms horendol van al mijn bladeren als de wind er te hard doorheen waait,’ vertrouwt hij haar toe.

Hoe vaker ze bij de boom komt hoe meer ze leert over dat denken. Ze begroet hem altijd met ‘Dag meneer van der Eik’ en dan weet ze dat hij een beetje moet glimlachen. Meneer van der Eik is al heel oud. Meer dan 250 jaar en als je zelf negen bent is dat een niet te bevatten getal. Het grote voordeel is dat hij veel heeft meegemaakt en veel weet. Al die kennis probeert hij in dit meisje te stoppen want tot nu toe is zij de enige die de gave van zo kunnen denken heeft. Talloze mensen hebben tegen zijn stam gezeten maar nog nooit was er één die hem kon verstaan. Hij prijst de dag dat zij kwam. Ze maakt hem gelukkiger dan hij al was en vol ongeduld wacht hij elke dag op haar komst. Zelfs als je meer dan 250 bent kan een dag soms lang duren. Hij vertelt haar dan zij ook met dieren kan denken en om dat te bewijzen heeft hij een konijn gevraagd te komen als zij er ook is. Het begin was niet makkelijk weet ze nog. Het gaat met horten en stoten, denkfoutjes en misverstandjes maar al doende leert ze. Genoeg dieren om mee te oefenen en zo kan het gebeuren dat de waakhond die altijd aan de ketting ligt, haar denkt ook wel eens lekker te willen rennen. Ze maakt hem los en ze gaan samen het weiland in. De hond weet van gekkigheid niet hoe hard hij rennen moet, hoe snel hij kan wenden en keren en hoe ver hij springen kan. Hij rent en blaft de adem uit zijn lijf en als vader komt kijken wat er aan de hand is, weet hij niet wat hij ziet. Die hond moet vals en waaks zijn en zeker een meisje van negen zou op moeten passen voor zo’n hond. Hij verstopt zich een beetje en ziet dan dat zijn dochter de hond meeneemt naar het erf. Het beest loopt als een eendenkuiken achter de moeder aan. Dan legt ze hem weer aan de ketting. Alles zonder één woord te zeggen. Hij weet niets anders te bedenken dan ‘bijzonder’.
‘Hoe is het?’ denkt ze de volgende dag tegen de hond.
‘Spierpijn,’ moppert het beest, ‘Maar graag nog een keer als ik weer een beetje normaal kan lopen.’
‘Doen we,’ belooft ze.

Het denken met dieren geeft ook problemen en ze vraagt meneer van der Eik om raad.
‘De muizen zijn bang voor de kat, het varken weet dat ze dood gemaakt gaat worden en dat maakt haar verdrietig en de koeien willen weten waar hun kinderen zijn,’ denkt ze.
Meneer van der Eik heeft niet direct een antwoord.
‘Ik heb in mijn leven al miljoenen kleine eikeltjes geproduceerd,’ denkt hij, ‘Soms konden er een paar groeien maar die werden dan meegenomen omdat er iets van leer gelooid moest worden. Heel veel eikeltjes zijn opgegeten door de eekhoorns, de wilde zwijnen of ze zijn verstopt door de gaaien. Ik heb daar geen verdriet van. Zo gaat het nu eenmaal. Muizen zijn voedsel voor katten, slangen, vossen of uilen. Varkens zijn voedsel voor de mensen en koeien gaan nu eenmaal het huis uit. Net als mensen. Soms zijn ze zelf het voer en soms geven ze de mensen voer. Wie dat ooit bedacht heeft, als het al bedacht is, weet ik niet. Ik weet wel dat het al mijn hele leven zo is’.
Het antwoord bevalt haar niet maar als meneer van der Eik geen beter antwoord heeft, komt het misschien nog wel.

Via het vakantiepark kan ze het bos niet in. Ze rijdt een klein stukje door omdat daar een pad was dat het bos inloopt. Het pad is er nog maar de slagboom is nieuw. Ze zet de auto in de berm. Als ze uitstapt twijfelt ze of ze haar rollator of alleen haar stok mee zal nemen. Het wordt de stok. Meneer van der Eik mag niet weten dat er iets als een rollator is.

Ze herkent het bos niet. Alles is natuurlijk zestig jaar ouder geworden en kijk naar jezelf: jij bent ook niet meer dezelfde. Nieuw is wel alle rotzooi die ze ziet liggen. Overal liggen papiertjes, blikjes of flesjes. Dat was vroeger toch wel anders, mompelt ze in zichzelf.

Meneer van der Eik is er nog. Majestueus staat hij daar. Ook zestig jaar ouder maar dat is hem niet aan te zien. Met moeite gaat ze zitten en leunt met haar rug tegen zijn stam.
‘Dag meneer van der Eik,’ denkt ze.
Verbeeld zij het zich of ging er werkelijk een schokje door de boom?
‘Mijn Nootje!’ juicht meneer van der Eik, ‘Je bent terug!’
‘Ja en hoe is het met u?’
‘Ik heb op je gewacht. Je vertelde toen dat je met je ouders weg ging naar dat verre Canada en dat het heel lang kon duren voor je terug kwam. Ik ben zo blij dat je er weer bent! Je bent echt terug gekomen. O wat fijn. Wat een mooie dag!’
‘Ik ben terug gekomen om u te zien en om u te bedanken. Ik heb mijn hele leven plezier gehad van wat u mij geleerd heeft.’
‘O vertel, vertel!’

Ze begint bij het begin. De bootreis naar hun nieuwe land, de eerste jaren van bittere armoede, het kleine boerderijtje wat ze konden huren en hoe het hen langzaam beter ging. Haar vader vertrouwde haar blindelings als zij vertelde welke koe hij wel en welke hij niet moest kopen. Het vele werk wat, naast haar opleiding, gedaan moest worden,
‘Wat heb je geleerd?’ denkt meneer van der Eik.
‘Ik ben dierenarts geworden, samen met mijn man.’
‘Dom van mij. Ik had het kunnen weten.’
‘Als ik u niet had leren kennen, was ik het misschien niet geworden. U heeft mij geleerd om met dieren te denken en u kunt zich voorstellen wat voor een voordeel dat is geweest. Er kwamen mensen met hun dieren uit heel Canada maar ook uit Amerika. O, ik zou u oneindig verhalen kunnen vertellen van wat de dieren en de eigenaren mij zeiden. Vaak een wereld van verschil.’
‘Weten ze dat je met dieren denkt?’
‘Nee, niemand. Mijn man wist het niet en mijn kinderen weten het ook niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik keek wel uit. Voor je het weet ben je een heks en gaan ze over je schrijven of godbetert kom je op tv. Ik heb het alleen mijn vader vertelt toen hij dood lag te gaan maar hij wist het al. Hij was er trots op dat hij het zelf had ontdekt maar hij heeft ook zijn mond gehouden.’

Tijd gaat snel voorbij als je het goed hebt met elkaar. Het is al bijna donker als ze moeizaam opstaat.
‘Ik ga weg,’ denkt ze.
‘Ja, het is tijd. Kom je nog een keer terug?’
‘Als ik dood ben. Ik heb voor mijn kinderen alles opgeschreven zodat ze weten wie u bent en wat mijn grote geheim is geweest. Ik wil dat ze mijn as hier, om u heen uitstrooien. De coördinaten en de omschrijving staan ook op papier. Ik kom dus terug maar of wij dan nog met elkaar kunnen denken weet ik niet’.
‘Tja, daar heb ik ook nooit over nagedacht maar het is mooi dat je bij mij wilt zijn. Ik zal op je wachten maar maak alsjeblieft geen haast.’
Ze spreidt haar armen uit en drukt zich tegen de oude stam.
‘Dag lieve meneer van der Eik.’
‘Dag Mijn Nootje,’ en met bovennatuurlijk kracht laat hij zijn bladeren even ritselen.

 

 

 

© peter gortworst / dec 2019
afbeelding www, pinterest.co.kr

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Kateryna

In het buurthuis staat één biljarttafel en er zijn vijf spelers. Mannen op leeftijd die nog graag het spelletje spelen. Op deze koude, winterse woensdag zijn ze er allemaal. De pilsjes en de jonkies smaken best en het spel is voor de verandering ongewoon spannend. Teun en Gerard gaan gelijk op en Harry zit er vlak achter. Het zal er om hangen wie het eerst de 100 haalt. Niemand rekent op Bert maar als deze een ongelofelijke serie van 26 maakt is het spel uit. Ze ploffen in een stoel en Bert moet het ontgelden. Als ome Jaap die ballen niet zo mooi had neergelegd was het hem nooit gelukt, meent Gerard. Bert lacht een beetje schamper. Waarom zou een winnaar zich nog moeten bewijzen?

Ome Jaap was even naar het toilet geweest en als hij gaat zitten zegt hij:
‘Katrien was daar aan het schoonmaken.’
De anderen kijken hem vragend aan.
‘Ja? En?’
‘Nou…. Ik dacht zo…..Wat weten we eigenlijk van haar?’ vraagt ome Jaap.
‘Nou,’ zegt Harry, ‘Niet zo heel veel want ze praat amper Nederlands.’
‘Ze heet niet Katrien maar Katerina of Kati of Katrijn, zegt Gerard.
‘Waarom noemen we haar dan Katrien?’
Dat weet niemand.
‘Misschien omdat het makkelijker is,’ meent Teun.
‘Ze komt uit Rusland en woont alleen met haar zoon,’ weet Bert.
‘Ze komt uit de Oekraïne en haar zoon zit bij mijn kleinzoon in de klas. Ze woont in één van die huisjes bij jou achter, Teun,’ zegt Gerard.
‘O, daar. Dat zijn akelig kleine huisjes. Ze zijn van de gemeente. Sociale woninkjes. Als je daar woont heb je niet veel te makken,’ zegt Teun.
‘Dan zal ze wel een uitkering hebben,’ denkt ome Jaap, ‘Dat is geen vetpot.’
‘Maar voor dat schoonmaken hier. Krijgt ze daar dan geld voor of is dat vrijwilligerswerk?’
Ook dat weet niemand. Ze zwijgen en overdenken hoe Katrien het moet redden met haar zoon. Als de dagen kort en de nachten lang zijn met een winterse koude die je kleumend doet verlangen naar een warme zomerse dag, doet dat iets met mensen. En als dan ook nog Sinterklaas en kerst een geest oproepen van blijmoedige vrijgevigheid, is het niet verwonderlijk dat er in deze heren iets onbaatzuchtigs zijn opwachting maakt.

Na een paar minuten zegt ome Jaap:
‘Kunnen we niet wat voor haar doen?’
Het is het startschot van een zee aan ideeën. Helaas weet geen van de vijf of ze een tuintje heeft wat ze op kunnen knappen, hoe het er bij haar in huis aan toe is, of er misschien behangen en geschilderd moet worden en of ze wel genoeg meubels heeft. Uiteindelijk is het idee van Bert nog het beste. Ze lappen de man 20 euro en gaan daar, in de stad, een formidabel sinterklaascadeau voor kopen. Een grote doos met allerlei levensmiddelen die ze gewoon gebruiken kan en natuurlijk ook wat luxe dingen. Die koop je immers niet als je arm bent. Bert en Teun zullen zich daar mee bezig houden. Als Harry zegt een mooi gedicht te schrijven wordt dat met algemene stemmen verworpen. Katrien kan geen Nederlands lezen. Dat haar zoon dat wel kan, wordt vergeten. Ook weldoeners hebben soms gebreken.

Ze zijn met de auto van Bert naar de stad gereden en lopen nu, gebroederlijk naast elkaar achter de winkelwagen. In de auto hebben ze al met elkaar gesproken over wat er beslist gekocht moet worden. Koffie staat op nummer 1 en suiker op 2. Die zijn snel gevonden. Teun heeft een rekenmachine meegenomen en telt alle bedragen bij elkaar op. Bij de vleesafdeling slaat de twijfel toe. Is Katrien een moslima? Zo ja, dan mag er geen varkensvlees gekocht worden. Ze nemen het zekere voor het onzekere en kopen twee biefstukjes van de haas. Mandarijnen en druiven zijn altijd goed. Een blok jong belegen kaas natuurlijk ook. Koekjes en chocolade zijn lekker en als Bert zich plotseling herinnert dat zijn vrouw zich regelmatig insmeert met een soort zalfje, staan de twee mannen voor een rek met een heleboel lotions en weet geen van beide wat te kiezen. Gelukkig helpt een goedlachse dame op leeftijd hen uit de brand.

‘We zijn bijna op de honderd euro,’ zegt Teun als Bert een blik met haring in tomatensaus heeft gepakt.
‘Hoeveel hebben we nog?’
‘Iets meer als twee euro.’
‘Dan gaan we naar de kassa.’
Ze leggen gezamenlijk alle boodschappen op de band. Teun meent dat er voor die twee euro nog wel een doosje met pepermuntjes en een Bounty bij kunnen en ook deze gaan mee.
‘Dat is dan honderd euro en vijf cent,’ meldt het meisje achter de kassa blijmoedig.
De heren kijken elkaar aan.
‘Heb jij nog vijf cent?’ vraagt Bert.
‘Nee, ik heb helemaal geen geld op zak.’
‘Ik ook niet,’ zegt Bert, ‘Ik heb alleen maar die briefjes van twintig mee.’
Hij wendt zich tot het meisje achter de kassa, legt de vijf briefjes voor haar neer en zegt:
‘Zo veel geld en jij maakt je druk om vijf centen?’
‘Anders klopt de kassa niet,’ is het weerwoord.

Nu bemoeit ook Teun zich er mee en als hij omstandig vertelt waarom ze voor precies honderd euro inkopen hebben gedaan, ontgaat hem het gemor dat langzaam opwelt uit de rij wachtenden achter hen. Het kassameisje is standvastig en als ze voorstelt om dan maar wat terug te leggen, is dat tegen het zere been van Bert. Het gaat verdorie maar om drie centen en omdat de grootgrutters een hekel aan centen hebben ronden ze dat af naar boven. Als er iets één hele cent minder had gekost, was het precies honderd euro geweest dus waar maakt zo’n meisje zich druk om? Is het werkelijk zo een ramp als bij het opmaken blijkt dat er drie centen missen? De standvastigheid van het meisje is van het goede soort. Het blijft honderd euro en vijf cent of er wordt wat van de band gehaald. De rij wachtenden is het zat.
‘Wat is het probleem?’ roept een vrouw die nog lang niet aan de beurt is.
‘Er ontbreken vijf centen!’ roept Teun verbolgen.
‘Die kan je van mij ook wel krijgen,’ roept de vrouw terug.
Het muntstukje gaat van hand tot hand naar voren om uiteindelijk met een kleine rinkel in de lade van de kassa te verdwijnen. Mopperend over zoveel onbegrip, onbenul en onverschilligheid verlaten de heren de winkel.

De kartonnen doos zit helemaal vol en is beplakt met sinterklaaspapier. ‘Van Sint en Piet’ heeft Teun er met viltstift nog opgeschreven. In het donker dragen ze deze naar het huisje van Katrien. Zachtjes, zonder geluid te maken zetten ze de doos voor de deur. Ze kijken elkaar aan en dan druk Bert op de bel. Ze rennen, zo goed en zo kwaad als dat nog gaat, weg. Niemand heeft hen gezien.

Woensdag wordt er, voordat er ook maar één bal gespeeld is, verslag gedaan. Het ‘vijfcentenverhaal’ wordt langdurig besproken want het is toch van de gekke dat dit zomaar kan? Ome Jaap, die vaak in Duitsland boodschappen doet, heeft altijd centen in zijn beurs en vertelt met zichtbaar genoegen dat hij meestal tot op de cent nauwkeurig betaalt. Natuurlijk niet als het naar beneden wordt afgerond maar als het drie of vier centen zijn, dan wel. Dat niet elke winkelier daar blij mee is, laat hem koud.

Ze beginnen met een potje tien over rood en dan is daar plotseling Katrien. Ze loopt langs met een emmer en een zwabber en zegt vriendelijk gedag. Voor ze door de deur naar de toiletten loopt, horen de mannen haar zachtjes zingen.
‘Engelengezang,’ zegt Harry.
Ome Jaap knikt. ‘Verdomd, nou je het zegt.’
‘Mooi!’ menen de anderen en met een blij gevoel wat alleen goede gevers kennen, tiktakken ze de ballen over het groene laken.

 

 

© peter gortworst / dec. 2019
afbeelding: decoma.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Een hardnekkig gif

Ik heb een probleem. Al heel lang. Het is niet zo groot dat ik er wakker van lig of er dagelijks mee bezig ben maar het is hardnekkig en knaagt op gezette tijden aan mij. Ik heb geen idee hoe en of ik het op kan lossen. Ik denk, maar zeker weten doe ik dat allerminst, dat ik niet de enige ben met dat probleem. Om gelijk maar ter zake te komen: het gaat over racisme of beter gezegd het beoordelen van  mensen met een andere huidskleur.
Ik kan zeggen dat iedereen voor mij gelijk is en dat ik geen onderscheid maak tussen mensen met verschillende huidskleuren of afkomst. Helaas is dat niet zo. Ik maak dat onderscheid wel en voor u verkeerde conclusies trekt, even wat achtergrondinformatie en voorbeelden.

Ik ben geboren en groot geworden in de Zaanstreek. Gastarbeiders waren er nog niet en de zwarte mensen woonden allemaal in dat verre Afrika. Daar gingen zendelingen heen en je spaarde voor die arme zwarte kindertjes zilverpapier. De school was wit, de verenigingen waren wit, de kerk was wit en zo ook het straatbeeld. Toen waren er plotseling mannen uit Zuid-Europa. Eerst veel jonge mannen. Later ook oudere die met hun veelal gezette vrouwen in lange broek met jurk, door de winkelstraat liepen. De man voorop, de vrouw erachter. Men zei dat het domme mensen waren die werk deden wat Nederlanders niet meer wilden doen. Je moest oppassen voor die lui. Wel vriendelijk zijn maar goed oppassen want je weet maar nooit. Voor de meisjes waren er aanvullende waarschuwingen en verboden want stel je toch eens voor wat voor vreselijks er wel niet allemaal kan gebeuren.

Er waren nog andere mensen waar je voor op moest passen: Duitsers. Zij hadden ons land bezet, de Joden vermoord en goede mensen doodgeschoten. Als een Mof je de weg vraagt moet je hem de andere kant opsturen was de algemene raadgeving. Ze deugen immers geen van alle.

Ik ging, toen ik 13/14 was, in Amsterdam naar school. Daar leerde ik de eerste Indonesiërs kennen. Ze stonken naar knoflook. Een gewas wat wij niet kenden. In spinazie, boerenkool, spruitjes of bloemkool gebruik je dat niet. Het waren vriendelijke mensen, dat wel maar die geur was zeer onaangenaam. Je kwam ook nooit bij hen thuis. Bij mijn Nederlandse vriend die geboren was in Indonesië, een keer een originele nasi-schotel gegeten. Mijn eerste keer en het was een volkomen onbekend gerecht maar wel heel erg lekker.

Gedurende de jaren kwamen er steeds meer verschillende nationaliteiten bij. Helaas werd met iedere nieuwe bevolkingsgroep de argwaan met bijbehorende typeringen en waarschuwingen groter. Als het woord ‘tsunami’ toen al een modewoord was, had het zeker geklonken. Ook de media deden lustig mee. Zinnen als ‘de verdachte van Turkse afkomst’ hebben bijgedragen aan de algemene beeldvorming.

Het is voor mij wel duidelijk dat gedurende de tijd van het van kind naar de volwassene een gif mijn hersenen heeft besmet. Oppassen, argwaan, verdacht, messentrekkers, kinderverkrachters, dieven, steuntrekkers, oplichters. Dit en nog veel meer, kleurden je jeugd en voedde je met een lelijk gif. Het blijkt een hardnekkig gif te zijn wat onder de naam ‘vooroordelen’ vele varianten kent.

Zo herinner ik mij de eerste meubelmaakster en de eerste metaalbewerkster. Leuk natuurlijk maar geheel onbevangen kon ik toch niet naar kijken. Het was toen beslist niet normaal en de kwalijke bijgedachten speelden op: het zal wel een manwijf zijn of waarschijnlijk lesbisch. Gelukkig bleken het wel normale vrouwen te zijn en alleen deze zin zegt meer dan genoeg.

Altijd zit er in mijn hoofd het duiveltje van de maat nemen. De ander afmeten aan je eigen normen. Ik kijk anders naar een chirurg met een Zuid-Europees uiterlijk. Zo ook naar een Afro-Amerikaanse commentator als ik weer eens op de hoogte wil blijven wat die gek in Amerika nu weer presteert. Naar de autoverkoper met een duidelijke Oost-Europese afkomst en waarom? Het zijn gelukkig zelden negatieve gedachten. Het is vaak bewondering maar ook dat deugt niet. Hoezo is het knap dat iemand met een donkere huidskleur, professor kan worden? Waarom voel ik bewondering en onbehagen als ik een geslaagde zakenman spreek van Marokkaanse afkomst? Waarom denk ik er niets bij zoals ik met elke witte man of vrouw wel doe? Waarom zit dat gif nog steeds in mijn kop en schaam ik mij elke keer dat het in een flits mijn gedachten infecteert?

Ik ga, vanaf het moment dat ik volwassen begon te worden, graag met mensen van verschillende afkomst om. Er valt veel te leren van hun gastvrijheid, cultuur, gewoonten en bereiding van de meest verrukkelijke maaltijden. Mensen die in een AZC verblijven maken je vaak deelgenoot van hun moeilijkheden en je zou graag willen dat hun verhaal bekent wordt bij veel meer mensen. Ik vind werkelijk dat ons land verrijkt is met al die nieuwe Nederlanders en het gezeur over ‘tradities’ komt mij de strot uit. De functie die een traditie heeft, namelijk het in stand houden van de maatschappelijke stabiliteit, kan gewoon niet volgehouden worden. Onze maatschappij is al lang niet meer stabiel. Die lijkt zo instabiel te worden dat het gevaar bestaat dat de meest fundamentele beginselen van de democratie ten onder dreigen te gaan. Zelfs de rechtsstaat staat te vaak niet meer recht en is dat iets waar we ons druk over moeten maken.

Met steeds grotere regelmaat schaam ik mij er voor een witte Nederlander te zijn. Het zou zo mooi zijn als al die Nederlanders die roepen dat zij geen racist zijn, zich zouden uiten op het moment dat de rechtsstaat in het geding is. De terreuraanval tegen KOZP is daar een schrijnend voorbeeld van.
Overigens zijn alle mogelijke relatievormen en  Zwarte Piet voor mij al jaren geen thema’s. Roetveegpieten zijn voorlopig een mooi compromis.

En ondanks alle positieve ervaringen zit dat gif in mijn kop. Voor u misschien geen probleem. Voor mij wel want het heeft mij berooft van de, misschien wel kinderlijke, argeloosheid. Een hardnekkig gif waar misschien alleen blanken last van hebben of kunnen hebben. Mijn vraag is hoe ik daar van af kom.

 

 

© peter gortworst / nov. 2019
afbeelding: 1jour1actu.com

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 11 reacties

Stadsduif met pleinvrees.

Goed, vandaag ben ik dus 21 geworden. Dat had ik een paar jaar geleden niet gedacht. Ik wordt nu eenmaal niet oud. Iemand met zo veel kwalen en zwakke gezondheid als ik, leeft niet lang en wees nu eerlijk, 21 is al best een hoge leeftijd. Vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer een pilsje gedronken. Dom want hoeveel hersencellen zijn er wel niet naar de Filistijnen gegaan? Alcohol is gewoon slecht voor je. Net als roken, melk, te koude lucht inademen, suiker, plastic schoenen, zwemmen in een zwembad, vet, de stad en kraanwater.

Nu lig ik al zeker een kwartier in bed en heb het nog steeds koud. Dat is vast niet goed. Mijn hart pompt het bloed natuurlijk niet hard genoeg rond. Mensen die dood gaan hebben dat ook. De vingers en de tenen zijn het eerste koud.

Waarom heb ik mij laten overhalen om toch een biertje te drinken? Normaal trek ik mij niets aan van wat ze van mij denken en laat ik mij zeker niet dwingen maar op een verjaardagsfeestje gaat het soms anders. Misschien wel omdat Henny er bij was. Leuke meid maar helaas niets voor mij. Ik kan toch moeilijk een relatie aanknopen terwijl ik weet dat ik morgen dood in bed kan liggen. Papa en mamma hebben haar natuurlijk niet voor niets gevraagd te komen. Die hopen vast dat zij zich in mij interesseert en ze weten niet dat Henny al lang weet wat ik ben. Ja, ik weet het zelf ook: een hypochonder van het zuiverste water maar dat is natuurlijk niet zonder reden. Wacht, even mijn pols voelen……. Zie je wel, hij vergeet af en toe gewoon een slag. Niemand die mij serieus neemt maar vannacht is het met mij gedaan.

Waarom heeft Vincent mij vanavond eigenlijk een optimistische hypochonder genoemd? Was dat sarcasme? Hij heeft wel vaker van die rare opmerkingen of manke vergelijkingen. Net als die schoonmaker die een hekel aan zijn werk had. Een luiaard met ADHD noemde hij hem. Slaat nergens op en dat kan bovendien niet. Net als een stadsduif met pleinvrees of een nijlpaard met anorexia. Ha ha, wel leuk om zoiets te bedenken. Hij vroeg of ik niet altijd bang ben maar dat is niet zo. Misschien wel omdat het gewoon bij mij hoort. Misschien omdat ik met een soort berusting leef, nou ja, zolang ik nog leef.

Zouden mijn ouders ondertussen wel weten hoe ik mijn begrafenis wil hebben? Ik heb ze toch hopelijk genoeg hints gegeven maar ja, ze rekenen er natuurlijk niet op dat ik morgen misschien wel dood in bed lig. Toch wel sneu voor ze als ik er niet meer ben. Kan er natuurlijk niets aan veranderen maar misschien moet ik morgen een brief voor ze schrijven met welke muziek ze moeten draaien in de aula. Stel dat ik het op één of andere manier toch meemaak dan moet het toch minstens naar mijn smaak zijn.

Een vogel met vliegangst of een mol met claustrofobie. Uh, even denken….. een eekhoorn met een notenallergie of een koe die lactose intolerant is. Een vegetarische leeuw, een varken met smetvrees of een aalscholver die bang is voor water. Grappig.

Hoe kan ik het koud hebben en toch zweten? Waar is de thermometer. Zie je wel: 37,3. Een lichte verhoging noemen ze dat. Alsof je ook een klein beetje zwanger kan zijn of een beetje kanker kan hebben. Ik heb gewoon koorts en mijn lijf vecht nu terug. Dat voel ik en misschien verliest het vannacht de strijd wel.

Ik hoop niet, nee, dat moet ik ook opschrijven: er mag geen pastoor aan mijn bed komen en in de kerk wil ik helemaal niet komen te liggen. Mama moest erg lachen toen ik zei dat ik weer katholiek wordt als de paus een zwarte, lesbische vrouw met een kind is. Maar ik meen het wel! Toch best wel jammer dat ze van mij geen kleinkinderen kan verwachten.

Uhm, uh, een kuddedier met verlatingsangst…. nee, dat is normaal gedrag. Iets met narcolepsie…. Welk dier mag er niet plotseling in slaap vallen? Een jachtluipaard? Ah, nog één: een vleermuis met entomofobie! Dat kan wel. Of een aaseter met necrofobie. Ook leuk. Kan een lintworm eigenlijk angst hebben voor een lintworm of een vluchteling een xenofobie? Morgen maar eens op Google kijken of ik daar iets over vinden kan. Hoewel….. eerst maar eens zien of ik er morgen nog wel ben.

Even voelen……. dacht ik wel: de pols is nog steeds onregelmatig en ik hoor nu ook mijn eigen adem. Ik piep een beetje. Misschien stik ik vannacht wel. Dat is een akelige manier van doodgaan maar ja, als het anders niet is, dan moet het maar zo. Wacht even….. waar komt die buikpijn vandaan? Het is nu nog maar een klein beetje maar het wordt vast erger. Even drukken… ja hoor, boven in de buik. Dat kan mijn hart zijn maar ook mijn slokdarm en dan is het vast kanker. Iets anders kan haast niet, hoewel, misschien is het wel mijn aorta die op knappen staat. Hoe schadelijk is maagzuur als dat in je slokdarm komt? Het was natuurlijk dom om alles door elkaar te eten. Asperges met ham, kaas, leverworst, zoutjes, een gebakje en van die zoute stengels: roer het door elkaar en je vreet het niet maar het zit nu wel in mijn maag. Dat water met koolzuur heeft de hele handel aan het gisten gebracht en nu vreet het zuur mij van binnen weg. Nu doodgaan is mijn eigen schuld. Het minst erge is dat ik wellicht een allergie oploop en laat het dan alsjeblieft geen waterallergie zijn. Dan wordt mijn leven nog beroerder dan het nu al is. Bestaat er eigenlijk zoete haring? Haring die ze in de rivieren vangen bijvoorbeeld. Die kan ik dan wel eten omdat een zoute haring mijn vocht teveel vasthoudt.

Een bever met twee linkerhanden. Een stokvis met krukken…. Is die leuk? Nou…nee.

Laat ik mij maar omdraaien. Als ik dan een scheet moet laten zit er niets in de weg. Wie weet slaap ik dan ook in. Misschien voorgoed. Dat kan maar zo.

Een meikever die geen kalender kan lezen, een processierups die een einzelgänger is, een eendagsvlieg die zijn dag niet heeft of een, kom, hoe heette dat beestje van Vondel nou…. O ja, een schrijverke maar dan een laaggeletterde. Mwah…..

 

 

© peter gortworst / nov 2019
foto: geratherm koortsthermometer
leef.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Elske -3-

Het is geen verliefdheid die hij voor haar voelt. Hij zou het eerder omschrijven als interesse. Elske is geen meisje als alle anderen. Elske heeft twee gezichten en hij is misschien wel de enige die dat ziet. Voor iedereen is het de lachebek, de jongensgek, de brutale en de vaak ordinaire puber. Ze wisselt als een knipperlicht van vriendjes en al snel heeft ze ‘de hoer van de school’ als naam. Ze lijkt er niet mee te zitten. Het zou zelfs kunnen dat ze er een beetje trots op is.

Hij zit alleen in de schoolkantine en eet zijn brood. Eén boterham met kaas, eentje met worst en eentje met jam. Elke dag hetzelfde omdat uit orde en regelmaat, rust voortkomt. Plotseling zit zij naast hem. Hij kijkt haar verwondert aan.
‘Ik heb nog nooit met jou gesproken,’ zegt ze.
Zonder iets te zeggen slikt hij zijn hap brood door en weet dat hij haar zoveelste verovering moet worden.
‘Zou je mij niet willen leren kennen?’ vraagt ze met een lachend gezicht.
Als hij haar aankijkt, knipoogt ze naar hem. Zo’n knipoog die meer beduidt. Hij kijkt terug en bestudeert zo lang haar gezicht dat zij zich er ongemakkelijk bij gaat voelen.
‘Waarom huil je?’ vraagt hij.
De lach is plotseling verdwenen.
‘Ik huil niet.’
‘Je gezicht niet, nee, maar je ogen wel.’
Even zegt ze niets en kijkt hem aan, met een gezicht wat een mengeling geeft van nietszeggendheid en brutaliteit.
Ze staat op. Voor ze wegloopt sist ze hem toe:
‘Idioot!’
Hij kijkt haar na. Ze loopt als een mannequin en haar kleine kontje wipt bij iedere stap, beurtelings rechts en links, een beetje omhoog. Hij kan er niets aan doen: ‘Something in the way she moves’ zingt het in zijn hoofd als de volgende boterham aan de beurt is.

Het is hem duidelijk dat ze hem heeft opgewacht. Ze staat niet voor niets in de stalling bij zijn fiets. Het is het begin van een relatie die bol staat van tegenstrijdige verwachtingen. Hij wil heel graag weten waarom zij hem uitgekozen heeft en wie zij werkelijk is. Zijn vragen worden met zwijgen, irritatie en nukkigheid gepareerd. Zij wil graag plezier met hem maken en vrijen maar alleen al aan de eerste tongzoen houdt hij een nare smaak in de mond over. Het duurt daarom niet lang voor hij haar een brief schrijft met de mededeling dat het voor hem over en uit is. Ze hebben elkaar na die schooltijd nooit meer gezien en zij is voor hem in de vergetelheid verdwenen. Zij was een rimpeling in zijn bestaan en de tijd heeft deze glad gestreken.

 

En nu zit zij bij het voeteneinde van het bed.
‘Hoe kom je hier? Is dit soms een enorme halloweenstunt?’ vraagt hij.
‘Nee, daar heeft het niets mee te maken, hoewel, het zou inderdaad een mooie stunt zijn maar nee, het is gewoon….. ik weet het niet, ik schijn dit te kunnen.’
Als hij niets zegt en haar alleen maar vragend aankijkt, zegt ze:
‘Ik ben dood. Ik was de laatste in een file en de vrachtwagen achter mij had dat niet door. Ik heb mijzelf gezien in mijn auto en vanaf daar is het een beetje vreemd. Die tunnel waarover gesproken wordt is er wel maar ik wilde nog niet. Het was te plotseling en ik was nog niet klaar.’
‘Hè? Je bent dood? Hoe kan het dan dat je hier zit als Elske van toen? Ben jij die vrouw die ik overal tegengekomen ben of zijn er meer als jou?’
‘Nee, ik was het alleen en ik denk dat ik er uit zie zoals ik mij op dat moment voel. Ik heb daar geen controle over. Weet je, als je ouder wordt ga je terugkijken. Dat doe jij ook. En dan zijn er zaken die je altijd hebt willen weten. Waarom en met welke zin is dat toen en toen gebeurt? Wat als ik een andere beslissing genomen had? Hoe is het met die of die gegaan en hoe zou het geweest zijn als ik niet die maar met die andere getrouwd was? Allemaal vragen waar je normaal geen antwoord op krijgt. Het ‘wat als’ opent een deur die je beter dicht kan laten. Het verleden is verleden tijd en alles is gegaan zoals het gegaan is. Daar verander je niets meer aan.’
‘Maar waar ben jij dan nog niet klaar mee? Wat wil je nog doen en kan je eigenlijk wel wat doen?’
‘Jij bent één van de dingen waar ik nog niet klaar mee was. Weet je nog dat ik naast je kwam zitten in de kantine?’
‘Ja, nu wel en ik weet niet waarom. Ik heb er nooit meer aan gedacht en nu staat het mij bij alsof het gisteren gebeurt is.’
Ze glimlacht.
‘Jij hebt mij toen gevraagd waarom ik huilde. Ik ben die vraag nooit vergeten omdat het zo verschrikkelijk waar was. De vraag maakte mij bang en ik voelde mij gelijktijdig door jou aangetrokken. Ik kon toen niet anders reageren en ook gedurende onze verkeringstijd niet. Ik moest mijn grote geheim bewaren. Er over praten wilde ik wel maar kon ik niet omdat de consequenties te groot en te onoverzichtelijk waren. Toen jouw brief kwam, was mijn laatste kans om het er misschien in de toekomst over te hebben, verkeken. Ik heb jouw brief altijd bewaart en ik heb je later vaak gezocht. Om eerlijk te zijn: je bent nooit uit mijn gedachten geweest. Jij was anders dan al die mannen uit mijn leven. Ze wilden mij allemaal hebben omdat ik donders goed wist hoe ik ze tevreden kon stellen met mijn lijf. Niemand vroeg mij wie ik echt was. Misschien was het ook wel mijn eigen schuld. De liefde die ik geleerd heb, was geen liefde of misschien slechts een deel van wat liefde zou moeten zijn. Helaas was jij onvindbaar. Geen Facebook, Instagram of Twitter. Niemand die wist waar je gebleven was en het mooie van dood zijn is dat dit soort zaken eenvoudig op te lossen zijn.’
‘Ik begrijp niet goed…. nee, ik snap hier niets van. Voor mij is dood echt dood. Er is gewoon niets meer en nu zit jij hier mijn zekerheden omver te gooien. Hoe ziet het eruit waar je nu bent? Hoe beweeg jij je? Ben je nu een geest? Hoe weet je wat je doen moet?
‘Dat kan ik je allemaal niet zeggen. Geen idee hoe alles hier werkt. Het is voor mij ook de eerste keer. Ik weet alleen dat ik tijd gekregen heb om jou te ontmoeten. Ik wilde zo graag weten hoe het jou is vergaan. Was ik jouw eerste meisje en waren er na mij andere?’
‘Jij was de eerste en ook de laatste.’
‘En ben ik daar de oorzaak van?’
‘Nee, het gaat mij goed als ik alleen ben. Dan is alles overzichtelijk. Ik weet, ik ben een zonderling maar dan wel een gelukkige.’
Plotseling schiet hem de hond te binnen.
‘Waarom heeft mijn hond eerst tegen jou geblaft en later niet meer?’
‘Omdat een hond meer ziet dan een mens. Ik ben een nieuwe verschijning voor hem maar nu niet meer. Hij ligt beneden in zijn mand en ik heb hem even gerustgesteld. Het is een lief beest.’

Langzaam is het gezicht van Elske aan het veranderen. Het is meer een vrouw op middelbare leeftijd en niet langer het meisje van toen.
‘Je gezicht wordt ouder,’ merkt hij op.
‘Ja, ik weet het. Mijn tijd zit er bijna op.’
‘En dan?’
‘Dan ga ik door de tunnel en ben ik, voor zo ver ik nu weet, voor altijd weg.’
‘Wat is dat grote geheim waar je over sprak?’
‘Ach, het gewone verhaal. Een vader met losse handjes en een net zo losse gulp. Een vriend van hem die er ook wel pap van lustte en een machteloze moeder die regelmatig alle hoeken van de kamer zag. Het is alleen zo jammer dat zoiets je hele leven tekent.’

Hij voelt een kou zijn hart omklemmen. Hoezo het ‘gewone verhaal’? Dit is niet normaal. Dit mag toch nooit gewoon worden? ‘Jammer’ is in dit geval een understatement van de bovenste plank.
‘Daarom heb ik je altijd gezocht,’ gaat ze verder, ‘Jij gaf mij een vermoeden van een andere wereld. Een wereld waarin een mooi of lekker lijf met alles wat je daar mee kan doen, niet het belangrijkste is.’
‘Het spijt mij dat ik onvindbaar voor je was. Ik heb nooit kunnen vermoeden dat een vraag van drie woorden zo belangrijk was.’
‘Je moet geen spijt hebben. Je hebt mij iets gegeven wat ik als een juweel bewaard heb: de hoop dat ik je ooit zou vinden en jouw rust de mijne zou kunnen maken. Nu hoef ik niet meer te zoeken. Wat ik gehoopt had met jou te vinden is hier volop. Vreedzaam is misschien wel het goede woord.’

Ze is nu een vrouw geworden met een gezicht wat past bij haar leeftijd.
‘Ik moet gaan,’ zegt ze zacht.
Hij knikt en voelt de tranen in zijn ogen branden. Ze staat op, knielt naast zijn bed en slaat haar armen om hem heen. Ze kust hem op zijn mond.
‘Dag,’ zegt ze en hij is alleen.

Hij valt achterover en een genadige diepe slaap overvalt hem. Als hij wakker wordt, ontdekt hij de hond die naast hem ligt. Het beest slaapt. Zijn emoties nemen de overhand en hij kan maar aan één ding denken:
‘Elske!’ stamelt hij.
Dan begraaft hij zijn gezicht in de nekharen van de hond en huilt.

 

 

© petergortworst / okt. 2019
foto: maker Alexey_M
         Getty Images/iStockphoto

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties