Stelletje

 

Het echtpaar van middelbare leeftijd zit schuin tegenover mij in de lunchroom. Samen gezellig op de bank en twee kleine, tegen elkaar aangeschoven tafeltjes op ellebooghoogte voor hen. Op het rechter tafeltje een vaasje met een zomers bloemetje en op het andere de menukaart in een houten standaard en een peper en zoutstelletje in een roestvrijstalen houder.

Zij praat zonder onderbrekingen. Hij luistert of doet alsof hij luistert. Zijn handen spelen met het peper en zoutstelletje en als hij gaat verzitten zet zij, zonder met praten te stoppen, het stelletje weer keurig recht. De koffie met gebak zorgt voor een adempauze in de waterval van woorden. Zwijgend drinken ze de koffie en eten het gebak.

Zij is eerder klaar en het praten begint weer. Hij knikt, luistert en antwoord met enkele woorden. Zijn armen heeft hij op het tafeltje gelegd en zijn handen bewegen de menukaart. Als een bootje gaat deze heen en weer. Als hij daarmee stopt zet zij de kaart daar waar hij hoort: evenwijdig met de tafelrand en in het midden.

Hij gaat rechtop zitten en zoekt met zijn voeten de tafelpoot. Dan schuift hij, heel langzaam, de tafelpoot een centimeter naar voren. Het duurt even maar dan heeft zij door dat de tafels niet meer precies naast elkaar staan. Ze schuift haar tafel ook naar voren en voelt met haar duim of ze weer gelijk staan. Hij wacht even en duwt dan zijn tafeltje weer iets naar voren. Al pratend heeft zij niets door en schuift even later haar tafeltje weer naast het andere.

Ik kan mijn lachen bijna niet meer houden. De man kijkt even naar mij en geeft een vette knipoog. Weer schuift hij het tafeltje op en weer schuift zij haar tafeltje bij. Ze bestellen een tweede kop koffie en als deze genuttigd is leunt hij naar voren en speelt weer met het peper en zoutstel. Zodra hij weer rechtop zit, zet zij het weer recht en daar waar het hoort. Even later schuift de tafel met succes weer naar voren. De volgende poging mislukt. Ze heeft het door. Verbijsterd kijkt ze naar haar man. Die schiet in de lach en prompt probeert ze hem te slaan. Lachend weert hij haar af.

Ze is boos en verdwijnt naar het toilet. Hij gaat staan en rekent af. Dan wacht hij, met haar jas in zijn armen, haar komst af. Met een gezicht wat boekdelen spreekt komt ze terug, laat zich in haar jas helpen en loopt in één lijn door naar buiten. Hij zet nog even snel het vaasje, het peper en zoutstelletje en de menukaart kriskras op het tafeltje.

Soms is het heerlijk om het laatste woord te hebben.

 

© peter gortworst / juli 2016

foto: http://www.merqplaza.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Zo doe je dat.

“Zeg, handige Harry van mij, zocht jij laatst niet een houtdraaibankje?”

“Ja…?”

“Er staat er eentje te koop op Marktplaats. Diameter 30 cm en 1 meter tussen de centers. Geen idee wat dat is maar jij waarschijnlijk wel?”

“Ja, dat weet ik wel. Wat moet hij kosten?”

“ 175 eurie.”

“Is het in de buurt en staat er een telefoonnummer bij?”

“Het is hier in de stad. Wacht, ik schrijf het nummer wel even op…”

 

 

“Met Tromp. Klopt het dat u een houtdraaibankje te koop heeft?”

“……”

“Technisch nog in orde?”

“……”

“Dus u vraagt voor een draaibankje wat hopeloos in de weg staat, verrotte lagers en een kapotte v-snaar heeft, 175 euro?”

“……”

“Maar dat ga ik er niet voor betalen. Ik wil hem best bij u ophalen maar meer dan 45 euro betaal ik niet. Voor een kapot draaibankje wat in de weg staat vind ik dat een mooi bedrag. Ik wil hem alleen maar hebben voor wat onderdelen en dan is het met 45 euro dik betaalt”

“&*%$## !!!”

“Oke, oke, dan niet. Succes er mee.”

 

 

Drie dagen later:

 

“Geef mij jouw telefoon eens.”

“Wat ga je doen?”

“Bellen voor dat draaibankje.”

 

“Met de Ruiter. U verkoopt op Markplaats een houtdraaibankje?”

“……”

“Werkt hij nog goed?”

“……”

“O, dat is niet best. Zo’n v-snaar is al lastig maar die lagers…… Heeft u er al een bod op gehad?”

“……”

“Iemand heeft 45 euro geboden? Had het maar gedaan want dat ga ik er echt niet voor betalen. Luister, het ding staat u in de weg en is, om het maar eens netje te zeggen, naar de Filistijnen.  Nee, ik bied u 30 euro. Dan haal ik hem vanavond op. U bent dat ding eindelijk kwijt en ik kan er wel een paar onderdelen afhalen.”

“……”

“Prima, geef mij even het adres. Om 7 uur ben ik bij u.”

 

“Nou?”

“Gekocht voor 30 euro. Hij was bang dat de volgende beller nog minder zou bieden. Deze handige Harry kan dat ding wel reviseren en als hij klaar is maak ik mijn eerste draaiwerkje voor mijn meisje. Vind je een kaarsenstandaard mooi?”

“O ja, mmm, Harry, wat lief…..”

 

© peter gortworst / juli 2016

Foto’s http://www.2dehands.nl / http://www.pluckboutique.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 4 reacties

Kafka

Morgen het huis aan kant, vrijdag een kleine koffer inpakken en zaterdagmorgen rustig beginnen en op tijd naar Schiphol gaan. Vandaag was het prachtig weer en daarom neemt hij nu zijn fiets om, in de naderende avondkoelte, een klein stukje te gaan rijden. Het smalle fietspad voert door het bos.  Met diepe teugen en de ogen even gesloten, ademt hij de geurende lucht in.

“Waf!” klinkt het naast hem en van schrikt stuurt hij de varens in en dondert bijna van zijn fiets. Op het pad staat een jonge hond. Zwart-wit, hangoren, kwispelende staart, kop een beetje scheef houdend en aan de halsband een opgerolde riem die met een elastiek bij elkaar wordt gehouden en een briefje in een plastic zakje. Hij steekt zijn hand uit en kronkelend komt de hond naar hem toe. Hij aait haar en zij laat zich op haar rug vallen, springt weer overeind, wil in hem klimmen, likt zijn hand, staat tegen hem op, laat zich weer vallen en kwispelt en kwispelt en kwispelt. Hij trekt het zakje los en leest het briefje: ‘Wie mij vindt mag mij houden’.

Dat is dus duidelijk. “Ga eens zitten,” zegt hij. De hond doet het prompt. Hij bromt tevreden en met wat peuterwerk maakt hij het elastiek los. Zodra hij de riem in zijn handen heeft komt de hond weer in de benen en springt om hem heen. “Dus jij was te veel? Of te duur?” Nou, laten we eerst maar naar huis gaan en doe alsjeblieft een beetje rustig. Kom maar”.Langzaam fietsend gaat hij via de kortste weg naar huis. Het beest loopt keurig mee.

“Moi!” roept hij tegen de overbuurman en wiebelend stuurt hij met één hand door de poort van zijn tuin. Daar legt hij de fiets op het gras en neemt de verstotene mee naar binnen. Ze snuffelt, terwijl ze hem in de gaten houdt, de hele kamer door en als ze daarmee klaar is staat ze voor hem.“Je mazzelt,” zegt hij, “Het is te laat om nu nog te bellen dus vannacht slaap je hier. Blijf maar even wachten. Ik haal even wat op.”In de schuur staat de mand met het kussen en de etensbakken. In de kelder staan nog twee blikken voer en met gemengde gevoelens zet hij de mand in de kamer en de etensbakken in de keuken. Wie had kunnen denken dat hij, na ruim een maand, alles weer tevoorschijn zou halen?

Ze begint met het water, slobbert dan de voerbak leeg en als toetje nog wat water. Ze snuffelt nog wat rond, kijkt hem verwachtingsvol aan maar als er niets meer komt draait ze een paar rondjes in de mand en met een diepe zucht gaat ze liggen. Ze slaapt bijna onmiddellijk. Hij staat er bij en kijkt ernaar. Als je na 14 jaar je maatje in moet laten slapen en nog niet gewend bent om geen wandelingen meer te maken, het huis leeg voelt en de eenzaamheid zo af en toe genadeloos toeslaat is het raar om plotseling weer een hond in de mand te zien liggen. Ook zwart-wit en ongeveer even groot. Maar het is niet Knul. Niet de hond waar hij lief en leed mee deelde. Hoe zou Knul het vinden dat er nu een andere hond, een teefje notabene, in zijn mand ligt? 

Hij maakt een kop koffie klaar en gaat op de bank zitten. Het beest komt overeind en neemt naast zijn benen plaats. Ze legt haar kop op zijn knie en hij kriebelt haar zachtjes onder de oren. Van puur genot sluit ze de ogen. “Nou, kom maar,” zegt hij en tikt met zijn vlakke hand op de bank. Ze springt omhoog en nestelt zich tegen hem aan. Met haar kop op zijn dijbeen valt ze weer in slaap. “Sorry Knul,” zegt hij zachtjes.

 

Om 6 uur is hij met haar gaan lopen, daarna heeft ze eten gehad en is hij begonnen met het schoonmaken van het huis. Ze volgt hem, met die kwispelende staart, waar hij ook maar gaat of staat. “Ga nou eens in je mand en laat mij even met rust, wil je?” en ze is warempel werkelijk in haar mand gaan liggen.

De informatiesite van de gemeente vertelt hem dat een gevonden dier bij hen aangemeld moet worden. Zij sturen dan de dierenambulance en dan is het klaar. Om 9 uur vertelt hij aan Ankie van de gemeente dat hij een hond heeft gevonden in het bos. Ze vraagt zijn adres en zegt alles in orde te maken. Een half uur later realiseert hij zich dat ze niet gezegd heeft wanneer ze komen dus belt hij weer. Ankie is in gesprek maar Ewald zal wel even doorgeven dat de ambulance vandaag al moet komen omdat mijnheer op vakantie gaat. Geen probleem, prettige vakantie.

Om 4 uur staat de ambulance bij de stoep en een potige dame in het uniform van de  dierenbescherming voor de deur.

“U heeft gebeld voor een hond en u gaat op vakantie?”

Dat klopt en gastvrij vraagt hij haar binnen te komen. Het beest heeft niet de minste behoefte deze dame aan een snuffelbeurt te onderwerpen. Ze is achter hem gaan staan en gluurt om zijn benen heen. De dame kijkt onderzoekend rond en vraagt dan: “Waarom wilt u van deze hond af?”

“Het is mijn hond niet. Ik heb haar gisteravond in het bos gevonden met een halsband, een riem en een briefje! Ik heb helemaal geen hond meer,” zegt hij in opperste verbazing.

De dame wijst naar de mand.

“Maar wel een mand en twee riemen aan de kapstok. U bent van plan om op vakantie te gaan toch? Ja, dan is een hond lastig.”

Op dat moment wordt er aangebeld. “Dat zal mijn collega zijn,” zegt de dame en ze loopt al naar de voordeur. Hij hoort ze fluisteren en even later komt ze weer binnen. In haar kielzog een slungel in uniform.

“Mijn collega heeft even bij de buren aan de overkant geïnformeerd. U heeft al jaren een zwart-witte hond. Hij heeft u er gisteren nog mee gezien. Ik heb het sterke vermoeden dat u zich op een makkelijke manier van deze hond wilt ontdoen.”

Het lukt hem niet haar te overtuigen. Nee, hij heeft geen rekening van de dierenarts want zijn hond in laten slapen was een vriendendienst. Ze kennen elkaar al jaren. Dat briefje heeft hij ook niet meer omdat het vanmorgen met het poepzakje in een prullenbak is gegooid. Die mensen aan de overkant zijn al oud en die krijgen niet alles meer mee. Dan speelt zij haar laatste troef uit. Ze tovert een apparaat uit één van haar zakken en scant beest. Niets. Geen enkele piep. Geen enkel leesbaar teken op het display.

“Weet u dat het strafbaar is om een hond zonder chip te hebben?” 

“Nee, dat weet ik niet en als het mijn eigen hond was zou die zeker een chip hebben maar dit. is. mijn. hond. niet!! U zet mij hier verdomme neer als een leugenaar!”

“Nou, nou, rustig maar. Dat zijn uw woorden. Probleem is dat ik u niet geloof. Ik heb het sterke vermoeden dat u gemakkelijk en goedkoop van de hond af wil en daarom neem ik hem niet mee. Breng de hond maar naar het asiel. Daar doet u afstand van het dier en zal u gevraagd worden om een bijdrage in de kosten. Die zijn niet gering maar dat wist u waarschijnlijk al.”

Zonder hem nog een blik waardig te gunnen vertrekken ze. Als de deur in het slot valt springt beest uitgelaten om hem heen. Hij heeft er geen oog voor, ploft op de bank en is te verbijsterd om ook maar iets te doen. Vlak voor 5 uur belt hij naar het asiel. Als hij vertelt dat hij afstand van zijn hond wil doen vraagt de man aan de andere kant van de lijn nogmaals zijn naam. Dan is het even stil. “Ja, lastig, lastig……we zitten helemaal vol. Probeer het eens bij een ander asiel. Tja, het is vakantietijd en dan valt het niet mee……”

Vanaf 9 uur is hij vrijdagmorgen op zoek naar een asiel maar overal vangt hij bot. Uiteindelijk belt hij Bart de dierenarts en legt hem de hele toestand uit. Een onbedaarlijke lach is zijn deel en hij voelt zich miskend. Hij had iets van medeleven of begrip van verwacht. Bart concludeert dat er dus een nieuwe hond zijn opwachting heeft gemaakt. Dat is goed voor hem en de hond. De nieuwe toestand daalt langzaam bij hem in en als Bart vraagt of hij over 5 minuten terug kan bellen, heeft hij even de tijd om aan het idee van een nieuwe hond te wennen. Bart blijkt het asiel aan de lijn te hebben gehad. Hij kan zijn hond, op naam van de dierenarts, brengen voor logies en hij gaat, als de hond daar is, wel even een chip aanbrengen.

“Ik moet nog wel even de naam van dat mormel hebben.”

“Het is geen mormel,” zegt hij verongelijkt, “Het is een lieve hond en ik ga haar Kafka noemen.”

Dan valt hij even stil en weet niet goed of hij wel wil zeggen wat hij voelt.

“Weet je Bart, het voelt nu nog even als verraad naar Knul maar het is toch mooi dat er weer iemand is die op je wacht…. Die het fijn vindt als je thuis komt…. en zo…..”

“Het is goed knul. Ik snap je wel en ik snap ook waarom je haar Kafka noemt. Kom gezond weer terug. Het is niet alleen de hond die het fijn vindt dat je thuis weer thuis komt.”

 

© peter gortworst / juli 2016

foto’s: http://www.mapio.net / eigen foto / http://www.tvenschedefm.nl / http://www.dierenziekenhuis.nl

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 8 reacties

Z0? 1 jaar?

 

Enigszins gehinderd door een mij kenmerkende bescheidenheid doch met een zekere mate van trots, kan ik jullie meedelen dat mijn blog deze maand de leeftijd van 1 jaar heeft bereikt. Een gepast moment om een kleine terugblik en wat diepere gedachten over dit schrijfjaar op schrift te zetten. Elke schrijver wil gelezen worden en door een steeds grotere onvrede over de verhalensite waar ik voorheen actief was, besloot ik vorig jaar een eigen blog te beginnen. Spannend voor een digibeet als ondergetekende maar het is goed gekomen. Snap nog steeds niet alles van WordPress maar zelfs met die onvolkomenheid gaat het toch goed. Ik zal jullie niet vervelen met cijfers of statistieken. Mijn gemoedsrust wordt niet aangetast of gestreeld door kolommen die mij vertellen wat ik niet wil weten.

Zoals ik al schreef: elke schrijver wil gelezen worden. Dat is een aloud gegeven. Waarom zou je anders de moeite nemen om te schrijven? Het dagen kauwen op een verhaaltje, het soms radeloos raadplegen van je notitieboekje, het tegen beter weten in door blijven schrijven tot je de eerste vogels buiten hoort zingen, het wanhopig schrappen van hele stukken moeizaam ontstane tekst, het constateren dat het verhaaltje met je op de loop is gegaan of de twijfel trotseren over de kwaliteit van het verhaal, doe je niet voor niets. Je doet het omdat je er plezier aan beleeft. Aan het schrijven zelf maar uiteindelijk ook aan het eindproduct. Zoals een beeldhouwer om zijn beeld kan lopen, een schilder van een afstandje en vanuit verschillende hoeken naar zijn schilderij kan kijken, leest en herleest de schrijver zijn verhaal. Vaak hardop om te luisteren naar de woorden en de zinnen. Soms kwast hij er dan iets bij of boetseert hij er iets af maar tot slot is daar zijn verhaal. Klaar om gelezen te worden.

Hier komt de ambitie het toneel op. Schrijf ik om zo veel mogelijk lezers te trekken? Nee, dat doe ik niet. Veel lezers trekken is niet al te moeilijk getuige de titel van één mijn verhalen. De publicatie van ‘Stom wijf’ trok in no-time een ongekend aantal lezers. Meer van dat soort titels en teksten die je  populistisch of erotisch kan noemen, zullen het zeker goed doen. Toch kies ik er voor om mijn eigen verhalen te schrijven. Ik schrijf wie ik ben of misschien wil zijn. Ik wil geen 1000 lezers van een tekst waarbij ik mij heb moeten forceren tot iemand die ik niet ben. Ik schrijf niet om beroemd te worden of er geld aan te verdienen. Ik schrijf puur voor mijn plezier en elke lezer is mij dierbaar.

Ik ken een paar van mijn trouwe lezers. Dat zijn de mensen die regelmatig laten weten dat ze je verhaaltje waarderen en soms zelfs een reactie geven. Ik ben daar ontzettend blij mee. Niet omdat het mijn ego streelt maar omdat het een bevestiging is van mijn ontwikkeling. Soms lees ik, met enige verbazing, mijn eerste verhaaltjes nog eens over. Mijn schrijfseltjes van toen zijn zo anders geworden. Het was minder compact, vlot of snel maar de stijl en de onderwerpen zijn wel hetzelfde gebleven en dus hoort dat klaarblijkelijk bij mij.

Een jaar een blog hebben heeft ook contacten opgeleverd met andere schrijvers en schrijfsters. Dat is waardevol. Er is zelfs één lieverd bij die mij soms wijst op taalfouten. Door anderen te lezen, en dat doe ik zo veel als mogelijk is, leer je zelf ook. Hoe gaan zij met een onderwerp om, hoe bouwen zij een verhaal op, hoe beginnen ze en waarmee eindigen ze? Het leert je ook het kaf van het koren te scheiden. Er zijn nu eenmaal schrijvers waar ik geen feeling mee heb of waarvan hun teksten niet aan mijn normen voldoen. Een normale zaak, lijkt mij. Ook mijn teksten zullen niet iedereen bekoren. Schrijven is voor mij geen sociale hobby. Niet gestoord willen worden, af en toe even weglopen, muziek op de achtergrond die plotseling heel irritant is, zullen veel van mijn collega’s herkennen maar bovenal is schrijven fantastisch om te doen.

Dit is mijn 94e tekst die ik op mijn blog plaats. (oké, toch een cijfer). Ik kan niet zeggen hoeveel er het komende jaar bijkomen. Ik schrijf als ik kan, als ik zin heb en als er gelegenheid voor is. Bij mij moet niets maar de wil is er altijd.

Tot slot: mijn grote dank aan al mijn volgers, al mijn lezers waar ook ter wereld en al mijn collega’s. Jullie zijn mijn dagelijkse beloning en bevestigen dat ik, naast al het andere wat ik ook ben, mij een gelukkige hobbyschrijver mag noemen.

 

© peter gortworst / juli 2016 

Foto: Selfie maar geen idee hoe en waar ik kijken moet. 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Geacht college,

 

Aan de Burgemeester en Wethouders,

 

Geacht college,

Wij, de bewoners van de Koninginnelaan, hebben, naar aanleiding van de brief die de bewoners van de Koningsstraat in Beuningen aan hun college stuurden, ook een verzoek.

Zoals u weet is onze laan een mooie laan. Het is alleen een beetje onoverzichtelijk door al die verschillende verkeersdeelnemers. Gelukkig is er geen AZC in de planning opgenomen dus bezwaar maken tegen het gebruik van het voetpad door die asielzoekers is niet nodig. Wij kunnen echter wel andere bezwaren noemen en suggesties geven voor een ordelijk gebruik van onze prachtige laan.

 

Ten eerste zouden wij graag zien dat het voetpad langs de achterkant van onze woningen uitsluitend gebruikt gaat worden door de kinderen van de basisschool. Kinderstemmen maken de mens vrolijk dus die horen we graag. Wel zouden wij er op willen wijzen dat de school de kinderen duidelijk maakt dat er auto’s van en naar onze erven kunnen rijden. Uiteraard hebben deze voorrang op de kinderen dus is het goed, ter voorkoming van ongelukken, hen dit duidelijk te maken. Voor de overige voetgangers kan er een voetpad aan de overkant van de straat gemaakt worden. Wij zitten niet te wachten op al of niet tot een bepaalde bevolkingsgroep behorende, opgeschoten jongeren die, als ze zouden willen, zo in onze tuinen kunnen kijken.

 

Ten tweede vragen wij ons af of het naastgelegen fietspad ook niet naar de overkant van de straat kan worden verplaatst. Als wij onze auto’s op ons eigen erf willen parkeren moeten wij dit fietspad kruisen. Omdat er tegenwoordig veel oude mensen met een elektrische fiets rijden, hun snelheid onverantwoord hoog is en hun reactiesnelheid bedenkelijk laag, geeft dit levensgevaarlijke situaties. Dit willen wij natuurlijk niet dus de oplossing om het fietspad naar de overkant te verplaatsen is de meest logische stap. Voor de bewoners aan de overkant is het zelfs een voordeel. Zij kunnen vanuit hun verblijf wat hen aangeboden is via de sociale woningbouw direct van het fietspad gebruik maken. Dat komt mooi uit want dat soort mensen maakt vaak gebruik van de fiets.

 

Ten derde vragen wij ons af of de eigenaren van de verschillende honden, waaronder overigens veel zwarte labradors, zwarte newfoundlanders en zwarte bouviers, niet verplicht kan worden op hun weg naar de hondenuitlaatplek bij de dijk, een andere route te nemen. Ze vormen, zeker als ze het voetpad aan de overkant van de straat gaan nemen, niet direct een gevaar maar een eventuele koper van één onzer huizen zal de aanwezigheid van deze hondenbezitters zeker als een minpunt zien.

 

Ten vierde zouden wij graag zien dat de rijbaan breder gemaakt wordt. Dit biedt een aantal voordelen. Het doorgaande verkeer zal sneller door de straat kunnen rijden wat de overlast dus beperkt. De draai die wij moeten maken om met onze auto’s op ons eigen erf te kunnen komen wordt groter zodat ook daar de overlast voor achteropkomend verkeer verminderd wordt. Wij stellen voor het verbreden niet ten koste te laten gaan van de aanwezige groenstrook. Met het smaller maken van het nieuw aan te leggen voet- en fietspad komt u al een heel eind.

 

Tot slot wijzen wij u er op dat de groenstrook wel een bonte verzameling is geworden van verschillende uitheemse plantensoorten. Kunt u daar niet de gewone witte klaver (Trifolium Repens) of de witte honingklaver (Melilotus Albus) planten? Wij wonen in Nederland en de gewone Hollandse plantensoorten hebben het al moeilijk genoeg.

 

Wij zijn altijd bereid om deze brief persoonlijk toe te lichten. Wij rekenen op uw bereidwilligheid om onze problemen op te lossen. Per slot van rekening zijn tevreden bewoners en een waardevast huizenbestand goed voor onze hele gemeente.

 

Met de meeste hoogachting,

Namens de bewoners van de Koninginnelaan,

Drs. Hans Hollander.

 

©peter gortworst / juli 2016

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Grote jongens

De boodschappen voor de gezamenlijke barbecue zijn door de drie heren eerlijk verdeeld. Ze sjouwen elk met een grote doos van de kampwinkel naar hun caravans. Wie er het eerst over begint is niet meer na te gaan maar het aanlokkelijke idee om een avondje met zijn drieën naar de dorpskroeg te gaan, komt ter sprake. Zonder hun vrouwen. Dat spreekt voor zich. Gewoon drie kerels van ruim over de vijftig die een avondje gaan stappen. Dat moet toch kunnen?

Ze gaan het spelen. Gewoon doen alsof het idee spontaan het levenslicht aanschouwt. Olaf zal het spits afbijten. Hij weet dat zijn vrouw absoluut geen bezwaar maakt en als hij mag, is de kans dat de anderen ook toestemming krijgen, vrij groot.

Het werkt tot hun verrassing. Ze vinden dan ook dat Olaf het briljant brengt. “Als wij, heren die wij zijn, even afruimen en afwassen, maken wij daarna een wandelingetje. Dan hebben de dames het rijk alleen en alle gelegenheid om het eten te laten zakken en bij te kletsen,” heeft hij gezegd, “En als we wandelend het dorp halen, drinken we daar misschien nog even een pilsje, maar dat zien we wel.”

De invloed van de zoete witte wijn laat zich gelden. Geen van de echtgenotes had bezwaar gemaakt. Alleen de vrouw van Jan Junior heeft haar wenkbrauwen even opgetrokken en kijkt een ogenblik doordringend naar haar man. Die doet alsof hij het niet ziet. Even later lopen ze, als drie jonge knullen op weg naar de eerste schoolfuif, van de camping af.

Vier kilometer lopen naar het dorp is makkelijk te doen maar na een half uurtje blijft Vincent wat achter: “Jongens, even rustig aan. Ik heb niet de goede schoenen dus het gaat niet zo snel.” Ze kijken om en zien onder de glanzend witte spillebenen van Vincent twee lichtgroene teenslippers. “Het loopt beter zonder die dingen,” meent Jan Junior, “Je moet alleen even opletten waar je de voeten neerzet.” Het gaat inderdaad beter tot de asfaltweg. Daar beletten losse steentjes een snelle opmars naar het dorp. Iets later dan ze willen, bereiken ze de dorpskroeg.

Het is niet druk maar wel gezellig. Ze raken aan de praat met een paar jonge mannen uit het dorp. Als je de schuinste moppen wil vertellen en het leven in een dorp, het leven in het westen van het land en het leven op een camping met elkaar wil bespreken, ben je wel even bezig. Bovendien moeten deze westerlingen leren dat een jonge jenever naast een pilsje een ‘kopstoot’ is en dat je de jenever in één teug leeg drinkt en het pilsje er zo snel mogelijk achteraan. Nadat ieder drie kopstoten soldaat hebben gemaakt besluiten ze gezamenlijk er nog één te nemen en dan huiswaarts te gaan. Niet geheel vast ter been stappen ze uit de kroeg om te constateren dat het laat is en dat ze linksaf moeten. Als ze de verlichte bebouwde kom van het dorp achter zich laten blijkt dat het wel erg donker is geworden. Een prachtige sterrenhemel maar de maan komt niet verder dan een dun sikkeltje. Veel licht is er niet.

Jan Junior komt met het beste idee van de avond. Hij wijst naar rechts, over het donkere heideveld, en zegt: “Daar ligt de camping. Als we hier de hei oversteken komen we op het zandpad dat langs de camping loopt. We snijden een heel stuk af.” In de anderhalve week dat ze elkaar nu kennen heeft Jan Junior wel vaker blijk gegeven van een meer dan gemiddelde slimheid. Olaf en Vincent geloven hem op zijn woord. Met Jan Junior op kop banjeren ze, de benen hoog optillend, door de hei. Dat valt nog niet mee vooral omdat door de korte broeken de heidestruiken lelijk langs de benen schrapen. Vincent verliest zijn slippers. Na lang zoeken vinden ze er in het donker, één terug. Op blote voeten verder gaan is eigenlijk geen doen maar veel keus is er ook niet.

Op het moment dat Jan Junior, die een klein stukje vooruit is gaan lopen, roept: “Hier loopt een pad!” haalt Olaf zijn been lelijk open. Hij voelt het bloed langzaam langs zijn kuit in zijn schoen lopen. Vincent kijkt bij het licht van zijn aansteker naar de schade. “Je kunt beter even met je been omhoog gaan liggen,” meent hij. “Waarom dat dan?” wil Jan Junior weten. “Dan zakt het bloed uit het been en stopt het bloeden.” Dat klinkt heel aannemelijk en zo zitten Jan Junior en Vincent gebroederlijk naast een op zijn rug liggende Olaf. Die houdt fier zijn been omhoog. “Werkt het al?” wil Jan Junior na enige tijd weten. “Ik voel het bloed mijn broek inlopen,” deelt het slachtoffer mee. Vincent houdt de aansteker weer bij het been en ze zien een dun straaltje bloed in de broek van Olaf verdwijnen. Hij veegt met zijn hand het bloed een beetje uit en gespannen kijken ze of het bloeden is gestopt. Het wordt minder en na een paar keer vegen en kijken, blijkt dat er geen nieuw bloed meer komt. Ze kunnen verder.

Het pad is tot hun verwondering in het donker goed te zien. Vincent meent dat het in een lange bocht naar rechts buigt en stelt voor bij de eerste mogelijkheid links af te slaan. De anderen zijn daar niet zo zeker van maar als het pad in het donkere bos verdwijnt en er wel een pad naar links is, doen ze het toch maar. Met de heide aan de linkerhand en het donkere dennenbos aan de rechterhand lopen ze verder. Plotseling kraakt er in het bos een tak. Iets of iemand beweegt daar. Jan Junior, die nog steeds een klein stukje vooruit loopt, komt snel vlakbij zijn vrienden staan. “Wat was dat!?” sist hij. “Geen idee, misschien een everzwijn,” fluistert Olaf. “We moeten lawaai maken. Als het weet dat wij hier zijn, vlucht het wel,” zegt Vincent zachtjes en de daad bij het woord voegend begint hij naar het bos te schreeuwen. Dapper doen de anderen mee en als ze menen dat het gevaar geweken is lopen ze, luider pratend dan voorheen, verder.

De eerstejaars rekruten van de Koninklijke Marechaussee hebben hun oefenkamp opgeslagen. De kleine ploeg die het kamp moet bewaken tegen de vijand, wacht op hun medestudenten. Laat in de avond zijn die ergens gedropt en met niet meer dan wat coördinaten op de stafkaart en een kompas, worden ze geacht de weg naar het kamp terug te vinden. Om het lange wachten voor de bewakers wat aantrekkelijker te maken heeft de opperwachtmeester een echte wachtpost laten inrichten. Over het pad is een struikeldraad gespannen, gekoppeld aan twee lichtkogels. Zo’n tien meter voor en tien meter na die draad liggen de bewakers zwijgend in de berm verscholen.

Al van verre zijn de wandelaars hoorbaar en de eerste post weet niet goed wat te doen. Ze ontwaren in het donker drie mannen die hen voorbij sjokken. Terwijl ze passeren realiseren de bewakers zich met schrik dat deze burgers de struikeldraad gaan activeren. Ze springen uit hun schuilplaats en roepen: “Halt! Wie daar?” De achterste twee bevriezen ter plekke maar de voorste rent van de schrik naar voren. Gelukkig doet de struikeldraad zijn werk. De vluchteling struikelt en met twee luide knallen wordt de omgeving in het licht gezet. De twee bewakers van de achterste post werpen zich vol overgave op de gevloerde burger met vluchtneigingen. De neus van de burger komt onzacht in aanraking met een bewakersknie. De zaak is onder controle en geïnteresseerd kijken de rekruten naar hun vangst. Eén burger met een bebloed been, één burger op blote voeten onder twee spierwitte benen en in zijn hand een teenslipper en een derde burger met een hele verse bloedneus. Het bloed vormt al een duidelijk spoor op zijn T-shirt. Nadat de opperwachtmeester de zaak in ogenschouw heeft genomen neemt hij de heren mee naar zijn tent. Hij laat ze vertellen hoe en waarom ze uitgerekend hier terecht zijn gekomen.

Voorzichtig maakt hij ze vervolgens duidelijk dat ze zeker acht kilometer van de camping verwijderd zijn en dat het dus zeker nog twee uur lopen is. “Dat zullen onze vrouwen niet leuk vinden,” zegt Vincent tegen Olaf die terstond zorgelijk begint te kijken want daar had hij nog niet aan gedacht. “We kunnen jullie wel even brengen,” zegt de opperwachtmeester. Hij heeft duidelijk te doen met deze krasse knarren.

Ronkend rijdt het terreinvoertuig de camping op. De chauffeur, van mening dat dit een belangrijke missie is, heeft het blauwe zwaailicht aangezet. Het is opvallend dat zelfs ver na middernacht, dit nog zo veel mensen wekt.

 

Het ontvangstcomité, gevormd door de drie echtgenotes, is uitzonderlijk zwijgzaam. De wandelaars lopen, ieder achter hun vrouw aan naar hun caravan. Even later klinkt uit de drie afzonderlijke onderkomens een heftig, bijna sissend gefluister. De dames vinden het niet nodig de hele camping te vermaken en uit ervaring weten ze dat geluid, zelfs door een caravanwand heen, nog ver draagt in een stille nazomernacht. Voor je het weet schrijft één van de campinggasten het hele verhaal op en dat is toch het laatste wat je wilt.

 

© peter gortworst

foto’s: http://www.lovegorleston.co.uk / http://www.geloventhuis.nl / http://www.flagchart.net

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties

Paspoort

Ze gaat op de rand van het bed zitten en de neiging om zich achterover te laten vallen is er nog wel maar ze weet heel goed dat het niet verstandig is. Het nieuwe bed is minder zacht dan het oude. Hun eerste avond met dat nieuwe bed kan zij zich nog goed herinneren. Ze had zich, gewoontegetrouw laten vallen en de drie daaropvolgende weken had ze last van haar rug gehad. Toen zij 80 jaar werd had zij besloten dat het tijd was voor dit senioren bed maar eigenlijk had ze daar best wel spijt van. Jammer dat Flip dit een fantastisch ding vindt. Als hij maar één puntje van kritiek had gehad was het bed de deur uitgegaan maar nee, voor zijn stramme lijf is deze sponde een zegen. Ze zwaait haar benen met enige moeite omhoog en nestelt zich half zittend in het kussen.

Flip komt de badkamer uit. In zijn hand het slaapmutsje: een Duits kruidenbittertje in klein flesje met een groen dopje. Met een vage glimlach kijkt ze naar hem. Net als zij, is ook hij getekend door het leven maar het is nog steeds die lange en slanke man. De constante factor in haar leven, haar klankbord en de fantastische vader van hun kinderen, en die leuke en wijze opa van de kleinkinderen en sinds kort ook achterkleinkinderen.

“Hoe lang doe jij dat eigenlijk al?” vraagt ze.

“Wat?” vraagt Flip.

“Dat flesje ’s avonds leegdrinken.”

Met een diepe denkfrons gaat hij op de rand van het bed zitten.

“Jezus, dat is al zo lang. Ik zou het niet weten. Ik weet nog wel dat ik het aangeboden kreeg van een Duitser en dat ik het in één keer door moest slikken. Het was, en is nog steeds lekker en ik slaap er goed op.”

“Doe mij er eens één.”

“Hè? Jij? Je drinkt bijna nooit! Weet je het zeker?

Ze aarzelt even maar zegt dan:

“Ja, doe maar. Je moet alles toch een keer geprobeerd hebben. Haal er voor mij ook maar eentje op”

Met een ‘jij bent de baas’ stapt Flip uit bed. Ze hoort het piepje van zijn toiletkastje en met flesje en een glaasje water komt hij weer de slaapkamer in.

“Voor als je moet blussen,” zegt hij veelbetekenend het glas water omhoog houdend.

Ze scheurt het papier van het flesje, draait het dopje los en giet de inhoud in haar mond. Met één slok is het weg. Het brandt in haar keel. Hoestend en met wijd open ogen slaat ze met haar hand op haar borst. Flip biedt gedienstig het glas water aan en dat helpt.

“Gadverdamme zeg. Wat is dat smerig. En dat vindt jij lekker?”

“Ja, en ik ben blij dat jij dat niet vindt. Scheelt weer een slok op de borrel,” zegt hij met een knipoog.

 

Ze liggen samen. Hij leest en zij zit stil voor zich uit te staren. Eigenlijk zou ze ook moeten lezen maar ze heeft even geen zin. De alcohol stijgt langzaam naar haar hoofd. Dat is lang geleden. Ze vindt alcoholische drankjes nooit lekker. Soms moet ze wel en dan nipt ze even aan een glas wijn. Waarom ze nu zomaar een heel flesje achterover heeft geklokt weet ze niet maar de uitwerking voelt wel prettig. Ze schuift een beetje naar beneden en prikt met haar vinger in de zij van Flip. Die schrikt en wipt even met zijn kont omhoog.

“Wat doe jij nou?”

“Ik heb honger,” zegt ze giebellig, “ik wil een boterham met aardbeienjam.”

“Nou? Dan ga je die toch halen? Ik hou je niet tegen.”

“Kan niet. Ik ben een beetje draaierig.” En terwijl ze met één vinger zijn onderlip op en neer laat wippen zegt ze zo zwoel mogelijk: “Jij gaat voor jouw lieve, poezelige, aardige, goddelijke en toegewijde vrouwtje wel even een boterhammetje maken toch?”

Flip zucht zwaar overdreven maar stapt dan toch het bed uit. Zij gaat weer rechtop zitten en kijkt verliefd haar man na.

“Je bent een schat,” zegt ze.

“Ja, ja,” mompelt Flip

 

Als zij snoept van haar boterham en hij weer naast haar ligt vraagt hij plotseling:

“Hebben wij eigenlijk nog wel een paspoort?”

“Hoe kom je daar nu zo bij?”

“Vroeg het mij gewoon af. Als we zo’n ding hebben is hij al lang verlopen. Ik zou niet weten waar ze zouden moeten liggen.”

Met een vinger veegt ze een kloddertje jam van haar bord en terwijl ze de vinger aflikt gaat haar een licht op.

“William en Kate komen zondag op de thee met hun kinderen. Die weet vast wel of wij nog zonder paspoort op staatsbezoek of iets dergelijks, kunnen.”

 

 

©peter gortworst / juni 2016

foto: http://www.fakka.nl

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Wie rekent daar nu op?

Hij draait voorzichtig tussen de twee oude beuken, het parkeerterrein op en rijdt door tot de laatste parkeerplek. Hij stopt op het moment dat de neus van de auto de struiken raakt, trekt de handrem aan en haalt de sleutel uit het contact. De cd met orgelmuziek van Hayden stopt abrupt. Hij blijft even zitten en kijkt met enige aandacht naar de struik voor hem. Tussen twee takken zit een bijna volmaakt spinnenweb. Het is eind september en het was prachtig weer geweest, maar nu, tegen de avond koelt het sterk af. De vochtige lucht is neergeslagen op het web. Hij bedenkt dat de spin hier niet blij mee zal zijn. Alleen een blind insect zou het web niet zien en, voor zover hij wist, vliegen er geen blinde insecten rond. Misschien blijft het web wel tot morgen zitten en droogt het op als de zon weer schijnt.

Op de stoel naast hem ligt de dikke, blanco enveloppe. Hij neemt hem in zijn hand en wil hem achter de voorruit leggen, maar hij bedenkt zich en legt hem weer terug. Het frontje van de radio klikt hij los en legt het onder zijn stoel. Hij stapt uit en snuift de zware, kenmerkende geur op van een bos in de nazomer. Uit de kofferbak tilt hij een groene rugzak, hangt deze met moeite om zijn schouders, sluit de auto af en wandelt het bos in. Het pad voert naar een speelvijver met rondom een strandje.

’s Zomers is het hier altijd druk. Veel toeristen van omliggende campings en bewoners van de naburige stad en dorpen weten deze plek te vinden. Vooral voor ouders met kinderen is dit ideaal. De vijver is nergens echt diep, het water schoon, het strandje overzichtelijk, de sociale controle groot en de kiosk verkoopt wat kinderen op zo’n dag het hardst nodig hebben: patat en ijs.

Nu is het verlaten. Het water ligt volkomen vlak en er hangt een lichte nevel boven. Hij blijft even staan en kijkt naar twee zwarte kraaien die links van hem, bij de rand van het water, aan iets staan te pikken. Hij klapt in zijn handen en de vogels vliegen laag over het water weg met die karakteristieke roeiende vlucht en krassende roep. Doodsvogels, denkt hij, altijd worden ze in verband gebracht met de dood. Een begrafenisondernemer noemen ze een kraai en als het in een enge film echt eng moet worden halen ze de kraaien van stal. Kraaien zijn gestigmatiseerd, bedenkt hij, en iedereen neemt dat negatieve beeld over terwijl ze nog geen kraai van een merel kunnen onderscheiden.

Rechts, achter de toiletgebouwen, loopt een smal pad verder het bos in. Het maakt deel uit van een wandelroute die 5 km lang is en herkenbaar aan de paaltjes met de gele kop. Drie routes heeft Staatsbosbeheer uitgezet en hij heeft ze allemaal verschillende malen gelopen. Vroeger samen met zijn vrouw en de toen nog, kleine meid. De laatste jaren alleen. Bij de bosrand buigt het pad af naar links. Hij verlaat het pad, gaat rechtdoor en de bomen achter zich latend zoekt hij zich een weg tussen de uitbloeiende heidestruiken. De televisiemast in de verte is zijn baken. Na een paar kilometer is er een lage heuvel en daarachter ligt een vennetje.

Bij toeval had hij het een paar jaar geleden ontdekt. Vanaf geen enkel pad of weg kon je het zien liggen: de glooiing van het landschap onttrok het aan het oog. Hier kon je ongezien poedelnaakt in de zon liggen en af en toe even zwemmen. Het water was minder helder en altijd kouder dan het water van de speelvijver. Het was ook veel dieper. Hij had ontdekt dat je in het midden niet meer kon staan en misschien was de diepte de reden van de lage temperatuur. Hoe diep het precies was wist hij niet. Hij hoefde het niet te weten en wilde het ook niet weten. Het was goed zo.

Hij laat de rugzak van zijn schouders glijden en gaat op zijn vaste plekje zitten: een paar meter van de waterlijn tegen de steilste kant van het heuveltje. In de loop van de tijd heeft hij hier vele uren gezeten: in het voorjaar als alles weer fris groen wordt en de eerste veldleeuweriken boven zijn hoofd de territoriumgrenzen bepalen. ‘s Winters als de grond en het water bevroren zijn, in de herfst als de harde wind zelfs op dit kleine water nog golven kan produceren en natuurlijk als het zomer is en de zon schijnt, het zand warm aanvoelt en het heel laat donker wordt. Het is een beetje zijn eigen stukje op aarde geworden.

Hier kon hij tot rust komen als het thuis te veel werd, als al het negatieve, alle druk en alle sores hem naar de keel vlogen. Hier kon hij ongestoord nadenken. Hier had hij geleerd om te relativeren, om te fantaseren, om te dromen over de tijd die komt en waarin hij weer vrij zou zijn. Hier kon hij vloeken, kwaad zijn op zichzelf en iedereen. Hier kon hij hardop zeggen wat hij zijn vrouw en zijn collega’s voor de voeten had willen gooien. Wat er met hem, en om hem heen, ook gebeurde: hier kwam hij tot rust en hier bleef alles doorgaan in de cadans van de seizoenen en het meest spectaculaire was de gestage groei van de struiken en het berkenboompje links van hem.

In juni van dit jaar was eindelijk gelukt wat hij al lang van plan was: de kortste nacht van het jaar niet thuis in bed slapen maar buiten zijn, wachten op het donker en wachten op het eerste ochtendlicht. Hij had er van genoten. Ver voordat het licht werd waren de eerste lijsters al aan het zingen en naarmate het lichter werd kwamen er steeds meer vogelsoorten bij. Hij had gevoeld hoe de opkomende zon steeds warmer werd en zijn door dauw nat geworden deken, opdroogde. De twee vossen die aan de overkant uit het lage struikgewas kwamen om te gaan drinken, waren net zo verrast als hij. Het was één van zijn beste activiteiten geweest sinds hij alleen in zijn flat was komen wonen.

Dat was hem nog het meest van zichzelf tegen gevallen: na een huwelijk van 23 jaar dat vanaf de eerste week de totale mislukking al in zich had, was hij eindelijk alleen. Ze waren, zoals dat heet, in goede harmonie uit elkaar gegaan. Het huis was verkocht en zij ging met hun dochter terug naar haar geboortestad. Hij was economisch aan deze streek gebonden en kreeg redelijk snel een huurflat toegewezen.

De eerste tijd leefde hij in een roes. Hij voorzag ongekende mogelijkheden. Met niemand hoefde rekening gehouden te worden, hij kon zonder overleg weg gaan en thuis komen wanneer hij maar wilde. Eindelijk was de tijd gekomen waar hij naar uit had gekeken. De tijd van leuke dates met spannende meiden, uitgaan in het weekend, korte vakanties houden, lekker eten maken en met zijn voeten op de salontafel, onderuit op de bank hangen en elke film kijken die hij wilde.

De werkelijkheid was anders. De meiden waar hij mee wilde daten vonden hem een oude man en zij die wel wilden waren in zijn ogen te oud, lelijk, of bemoederend. Al die dames wilden iets waar hij niet aan moest denken: ‘vastigheid’. Het kon toeval zijn maar veel van hen hadden een lichamelijk gebrek of zeurende kwaaltjes. Eén vertelde al bij het eerste telefoongesprek dat ze een stoma had waarmee ze heel goed kon leven en een ander wilde wel mee wandelen door het bos maar de paden moesten wel verhard en breed genoeg zijn voor haar scootmobiel. Het was zo in strijd met zijn verwachtingen. Hij had gerekend op jongere vrouwen met strakke buiken, stevige borsten en guitige gezichten die hem verliefd en verlangend aan zouden kijken. Geen moment had hij gedacht aan hangtieten, zwangerschapsstriemen op een lubberende buik en tenten van witte onderbroeken. Hij verwachtte geen vrouwen die lering hadden getrokken uit hun vorige relatie en waar hij dus op voorhand al rekening mee moest houden. Nee, hij was niet jaloers en hij was niet bezitterig. Ja, hij respecteerde haar grenzen en zou nooit over haar heen lopen en natuurlijk was haar enige recht niet haar aanrecht. Ja, natuurlijk deed hij ook in huis het nodige en uiteraard was een goed gesprek zonder tv op de achtergrond ook een diepe vorm van intimiteit. Een gewone, lekkere, vrolijke en geile meid zonder problemen en helemaal in voor een heleboel experimenten op of buiten het bed was wat hij voor ogen had. Als hij een welgesteld man was geweest had hij meiden kunnen bestellen en hij zou niet verbaasd zijn geweest als ze op eigen initiatief waren gekomen. Er zijn er genoeg die een suikeroompje wel zien zitten en waarbij de leeftijd van volkomen ondergeschikt belang is, maar helaas, een kopje suiker uitlenen was mogelijk maar meer ook niet. Hij was, als simpel kantoormannetje, het prototype van Jan Modaal.

En er was nog een vervelende bijkomstigheid: hij wist van zichzelf dat hij niet met geld kon omgaan. Als hij al een flink kapitaal zou bezitten was dat maar even. Het zou als los zand tussen zijn vingers weg glijden. Gedurende het hele huwelijk had zijn vrouw de financiële zaken behartigd en het enige wat hij van het verdiende geld in zijn handen kreeg was zijn wekelijkse zakgeld. Vanaf het moment dat hij alleen woonde had hij gemerkt dat zijn onervarenheid met geld hem lelijk opbrak. Hij had bij lange na niet genoeg om korte vakanties te houden of om lekker in de kroeg te gaan hangen. Als hij niet alle aanbiedingen van de supermarkten in de gaten hield zou hij niet eens behoorlijk te eten hebben. De alimentatie voor zijn ex en zijn dochter was veel meer dan waar hij rekening mee had gehouden. De helft van de overwaarde van het huis was net genoeg geweest om zijn huurflatje in te richten en een gebruikte auto te kopen. Voor korte vakanties was er dus ook geen geld en het lekker in de kroeg hangen had zich beperkt tot één keer aan een bar zitten met een pilsje. De muziek, die hij geen muziek wilde noemen, was te hard en het enige voordeel was dat hij het ontzettende geouwehoer van een andere gast nauwelijks kon verstaan. Hij was al weer thuis toen de jeugd zich opmaakte om uit te gaan.

Ik ben in mijn leven niet ambitieus genoeg geweest, bedacht hij, maar op hetzelfde moment wist hij dat het niet in zijn aard lag om het te willen zijn. “Werk is een noodzakelijk kwaad”, zei hij vaak en “Werk is leuk maar het kost te veel vrije tijd” was ook zo’n gevleugelde uitdrukking maar hij vergat er bij te zeggen dat veel van die vrije tijd niet werd gevuld met dat, waar een gemiddeld mens, plezier aan beleeft. Behalve de zorg voor hun dochter, het onderhouden van het tuintje achter het huis en hun rode koppen bij de zoveelste ‘woordenwisseling’ deelden ze samen niet veel. Ze hielden wel van muziek maar niet van elkaars muziek. Samen leuke dingen doen, zoals een concert bezoeken, was misschien in de eerste tijd van hun huwelijk nog mogelijk geweest. Ze hadden toen beiden nog de wil het de ander naar de zin te maken. De wil werd echter een bereidheid om zich op te offeren en gedurende de jaren was deze bereidheid verworden tot wederzijdse ergernis om zich uiteindelijk af te sluiten in hun eigen, zelfgemaakte, wereldje. Ze woonden samen als broer en zus maar dan wel als een broer en zus die zich verplicht voelden elkaar te tolereren omdat het nu eenmaal familie is. En dus werden de dagen gevuld met werk, krant lezen en tv kijken en in de weekenden het doen van de boodschappen, de klusjes in en om het huis en het ophouden van de schone schijn voor familie en buren. Zijn hobby’s, het observeren van vogels en het maken van lange wandelingen, boden hem de enige mogelijkheid om zich aan ‘thuis’ te onttrekken en rust te vinden bij zijn vennetje.

Hij had gehoopt dat hun dochter een samenbindende factor zou zijn, maar ook dat was een misrekening: het was een moederskindje. Kort geleden had hij bedacht dat het voor een groot deel wel eens zijn eigen schuld zou kunnen zijn. De opvoeding had hij aan zijn vrouw overgelaten, maar als ze met hem wilde praten over schoolkeuzes, zakgeld, vriendjes, kleedgeld of meubeltjes voor haar kamer gaf hij niet thuis. Dat soort dingen interesseerde hem niet en dus nam hij er ook de tijd niet voor. Ze kon zelf toch wel een beetje rondvragen wat kinderen aan zak- en kleedgeld kregen en ze worden op school toch getest voor het vervolgonderwijs? Het kind weet zelf ook wel wat ze wil. Over de vele vriendjes wilde hij helemaal niets horen. Ze konden toch niet verwachten dat hij als man, een meisje wegwijs kon maken in de seksjungle? Dat is typisch iets voor vrouwen onder elkaar en als man zeg je of de verkeerde dingen, of je begrijpt het niet.

Misschien had ik meer in mijn dochter moeten investeren, met haar moeten praten over hoe ik in het leven sta, over hoe ik haar toekomst graag zie, overleggen wat haar mogelijkheden zouden kunnen zijn en interesse tonen voor haar wereldje. Maar berouw komt na de zonde en nu is het te laat. Toen hij de laatste kleine spullen, wat gereedschap en een zelden gebruikt halterbankje met gewichten uit zijn oude huis haalde, gaf ze hem te verstaan dat hij altijd een ‘letterlijk en figuurlijk nooit aanwezige vader’ was geweest en dat het in de toekomst maar zo moest blijven. Ze had zich, zonder iets te zeggen, omgedraaid en was weer naar binnen gelopen. “Jammer maar helaas” had hij gemompeld maar het had hem wel geraakt. Hij was zij dochter kwijt en ook daar had hij geen rekening mee gehouden.

Het was begonnen met een vage hoofdpijn waar hij eerst niet veel aandacht aan gaf. Toen het wat vaker kwam en wat heviger werd hielpen de huis en tuin geneesmiddelen nog. Als hij ’s avonds zijn vaste twee borreltjes liet staan bleef de pijn weg maar uiteindelijk besloot hij om toch naar zijn huisarts te gaan. Het bleef niet bij pijn: zijn linkerarm deed niet altijd wat hij wilde.

De scan was zo duidelijk dat verder onderzoek niet nodig was en bevestigde zijn vermoedens. Door het hersenweefsel heen was een tumor aan het groeien en hij wist dat dit zijn einde betekende. Hij zou, volgens de gegevens die hij op internet had opgezocht, ongeveer nog een jaar te leven hebben en gedurende die tijd zouden zijn lichaamsfuncties uit gaan vallen. De specialist maakte haast en wilde met hem een behandelplan bespreken. Hij hoorde hem wel maar luisterde niet. De vraag hoe iemand zich voelt als hij weet dat hij dood gaat, kan je, als gezond mens, niet beantwoorden. Hij wist het nu wel maar de volle omvang drong nog niet tot hem door. Hij wilde op dit moment niet praten over bestralingen en chemo. Hij wilde rust en tijd om voor zichzelf alles op een rijtje te krijgen en brak daarom het gesprek af.

Op zijn flat plofte hij op de bank en probeerde lijn te krijgen in alle gedachten die door zijn kop schoten. Aan wie zou hij dit moeten vertellen, wie verzorgt mij als ik het zelf niet meer kan, wie regelt mijn crematie, wie brengt en haalt mij als ik naar het ziekenhuis moet voor een behandeling, wie doet de boodschappen, wie doet de was en maakt het huis schoon, wie is er bij me als ik sterf, wie sluit mijn ogen? Voor het eerst voelde hij met schrik dat hij straks iemand nodig had. Zijn hele leven had hij alles zo veel mogelijk alleen gedaan. Met zijn zus had hij al heel lang geen contact meer. Vrienden had hij niet omdat hij geen vrienden wilde hebben. Relaties met collega’s waren strikt zakelijk en hij waakte er voor om, zo weinig als mogelijk was, over zichzelf te vertellen. Het was al een vast gegeven dat hij niet aanwezig was op het jaarlijkse bedrijfsfeest. De kennissen die ze hadden toen hij nog getrouwd was waren háár kennissen en toen bekend werd dat hij de ‘ex’ was geworden, verdween hij bij hen uit beeld. Als iemand hem een Einzelgänger noemde was hij het daar helemaal mee eens en was er, tot bepaalde hoogte, zelfs trots op.

Het idee dat hij binnenkort wildvreemde mensen van een thuiszorginstantie in zijn leven toe zou moeten laten, stond hem helemaal niet aan. Ze zouden zich met hem gaan bemoeien. Hem zeggen dat en wat hij moest eten, zich moest wassen of, nog erger, zich laten wassen en dat hij zijn medicijnen niet moest vergeten. De urinefles zal keurend bekeken worden en zijn kont schoongemaakt als het hem al lukte om, zittend in bed, te poepen. Ze zouden met hem willen praten over hoe hij zich voelde. Of hij wel eens dacht over een leven na de dood. Ze zouden willen weten welke kist hij wilde. Of hij gecremeerd of begraven wilde worden, wie er een rouwkaart moest krijgen en wat er op zou moeten staan. En natuurlijk de gangbare onbenulligheden over het mooie weer en lullige lokale nieuwtjes. Maar vooral zouden ze naar hem kijken: onderzoekend, met medelijden, met onrust of, godbetert, zelfs verdriet. Het terminale middelpunt worden van een hele hoop gedoe was iets waar hij nooit rekening mee had gehouden en laten we nu eens eerlijk zijn: wie wel?

Het is donker geworden en alles voelt klam aan van de dauw. Het water van het vennetje is bewegingloos en zwart. Er hangt een vredige stilte slechts verstoort door loeiende koe in de verte, ver achter hem. “Er zijn veel soorten lawaai maar er is slechts één stilte“ had hij iemand eens horen zeggen en niet voor de eerste keer weet hij dat het waar is.

Hij staat op, slaat gewoontegetrouw het zand van zijn kont, sjort de rugzak met haltergewichten over zijn schouders en maakt zorgvuldig de borstsluiting vast. Doelbewust loopt hij zijn vennetje in. Alle tijd en eindelijk rust en bijna gulzig ademt hij het koude water in.

 

©peter gortworst

Foto’s: http://www.wouterborre.com / http://www.zoom.nl / http://www.erasmusmc.nl / http://www.gezinspiratie.nl

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Date

 

Dat ze goede vragen kon stellen wist hij al. Ook dat ze goed nadacht over haar antwoorden. Ze kan heel serieus zijn maar ook onbevangen vrolijk. Ze is eerlijk naar zichzelf en naar hem en dat waardeert hij als geen ander. Vier weken hebben ze met elkaar geschreven. Voorzichtig in het begin. Met geschreven teksten heeft de ene de ander afgetast. Vragen gesteld en antwoorden gekregen. Goede vragen en goede antwoorden die bevestigden dat de wederzijdse interesse groeide. Elke dag spraken ze elkaar en ze keken beide uit naar die momenten. Langzaam groeide het verlangen om elkaar in het echt te zien en vanavond is de avond. Natuurlijk, elkaar in het echt zien zou wel eens tegen zou kunnen vallen maar er echt rekening mee houden doet hij niet.

Ze is veel leuker dan hij vooraf had durven hopen. Een, qua kleding en uiterlijk no nonsens mens. Helemaal zijn smaak, helemaal zijn type. Ze klinkt leuk en als hij haar welkom zoent, ruikt ze ook nog lekker. Ze zoeken een rustig hoekje op en als daar een heerlijke bank staat is de plek voor de rest van de avond gevonden.

Hij voelt zich op zijn gemak en hoe langer hij met haar praat hoe beter hij zich gaat voelen. Dit zou de vrouw kunnen zijn waarnaar hij op zoek is. De vrouw die de leegte in hem vult. De vrouw die hij in zijn armen mag nemen, waarbij hij diep in haar ogen mag kijken, die hij mag beminnen, zijn moede hoofd te ruste kan leggen, die hij zijn wederhelft en zijn tegenover mag noemen. De vrouw waarbij hij thuis komt, zijn haven, zijn geluk en zijn toekomst.

Hij praat veel. Te veel. Er zit geen rem op alles wat hij haar wil vertellen. Hij wil zo graag dat ze alles van hem weet dat hij vergeet te luisteren. Van zijn bedachtzaamheid, normaal bijna zijn handelsmerk, is niets over. Hij is in zijn enthousiasme doof en blind geworden voor haar verbale en non-verbale woorden. Het valt hem niet op dat ze wat verder weg gaat zitten en wat stiller wordt. Hij ratelt en ratelt en ratelt.

Als het laat geworden is en ze afscheid nemen, zegt zei dat ze even na wil denken. Ze wil even de avond laten bezinken. Grootmoedig begrijpt hij dat maar een licht gevoel van onrust overvalt hem. Op weg naar huis realiseert hij zich hoe de avond is verlopen en voelt spijt. De inhoud van het berichtje wat hij de volgende morgen leest verbaast hem niet: hij is een lieve jongen die een lieve vrouw verdiend en ze wenst hem veel geluk bij het zoeken naar die vrouw.

 

Weer een teleurstelling. Weer een verwerkingsproces. Weer opnieuw beginnen. Hoe vaak nog?

 

©peter gortworst / juni 2016

afbeelding: http://www.daterz.eu

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , | 1 reactie

De eerste kus

 

“Wim! Wat ben ik blij dat ik je zie!” Met een gezicht waar de gespeelde opluchting van af straalt, loopt de magazijnmeester op hem af. “Ik heb nog twee doosjes die naar Meppel moeten. Er is niemand anders die het kan doen en de klant zit er om te springen! Voor jou is het maar een klein stukje omrijden als je naar huis gaat. Ze staan al bij de achterdeur. Je hoeft ze alleen maar af te geven dus het is zo klaar.”

Wie of wat bepaalt dat dit soort gebeurtenissen altijd plaats vinden op momenten dat het je niet uitkomt? Elke andere dag was goed geweest maar deze dag beslist niet. Vandaag is het 17 juni en dertien jaar geleden was dit de dag dat Wim zijn vrouw voor het eerst kuste. Ze hadden zich toen al voorgenomen om dat elk jaar te gaan vieren. Daarom staat er straks bij thuiskomst een heerlijk diner klaar. Hij zal zich gaan douchen en net als zijn vrouw, zijn mooiste pyjama aantrekken omdat ze toen, ook in pyjama, elkaar hun eerste kus gaven. Meer dan ‘goede bekenden van elkaar’ waren ze destijds niet en samen waren ze bij een feest van wederzijdse vrienden uitgenodigd. Het zou laat worden en blijven slapen was geen enkel probleem. Wat al lang in de lucht hing, gebeurde die avond. Achteraf besefte hij dat hun vrienden het geluk moedwillig een beetje hadden gestuurd. Ze zijn hen daar nu nog dankbaar voor. Samen hebben ze het goed en deze dag vieren ze daarom met volle overgave.

Een intiem dinertje en een uiterst intieme avond wachtten hem maar dat vertel je niet aan een magazijnmeester die met twee doosjes in zijn maag zit. Deze ziet hem aarzelen. “Je doet het toch wel hé? Ik heb echt niemand anders en ze moeten er beslist heen!” “Ja, ik doe het wel even,” bromt Wim nors. Hij weet dat het aan niemand anders is gevraagd en zij weten dat ‘nee’ zeggen voor hem altijd moeilijk is. Geïrriteerd haalt hij zijn jas van de kapstok. Snel naar huis is alles wat hij wil.

Hij draait de snelweg op en stopt bij het eerste pompstation. Bij alle pompen staan auto’s. Hij parkeert achter een busje waar niemand meer bij staat. De bestuurder is waarschijnlijk al aan het afrekenen en zal zo wel komen. Op de achterklep van het busje staat: ‘Ton de Groot voor al uw bouwwerkzaamheden.’ Het wachten duurt lang. Te lang. Hij leunt naar rechts en kan, net langs het busje kijkend, de kassa van het tankstation zien. Daar staat niemand af te rekenen. Vloekend en mopperend rijdt hij achteruit en kan bij een andere pomp met één auto aansluiten. De bestuurder doet net zijn gordel om en maakt aanstalten om weg te rijden.

Na het tanken loopt hij naar binnen. Bij een tafel staan twee mannen met het logo van ‘Ton de Groot’ op hun rug. Zo te zien en te horen is al hun aandacht gericht op het meisje van de belegde broodjes. “Zeggen jullie er niets van als ze hun auto bij de pomp laten staan en hier gaan eten?” vraagt hij aan de jongeman die hem helpt. “Nee, dat doen we niet. U kon toch tanken?” Op zo veel domme logica had hij niet gerekend. Zijn sprakeloosheid vindt meer grond in de verbijstering dan in de wijsheid. Wat weerhoud zo’n jongen ervan om er wél iets van te zeggen? Is het angst, onverschilligheid of is het beleid? Die jongen zou het toch gewoon kunnen vragen aan die gasten of zou dit te naïef gedacht zijn? Hij weet het niet. Hij weet het al lange tijd niet meer. Tegenwoordig is niets meer vanzelfsprekend. “Wim, jongen. Als je denkt dat vroeger alles beter was ben je echt oud aan het worden,” zegt hij tegen zichzelf maar hij is zich er van bewust dat, als het om omgangsvormen gaat, de waarheid aan zijn kant staat.

Achter het busje is een ander busje gaan staan. Hij kan het niet laten. Net voorbij de deur van het station zet hij zijn auto stil en loopt twee passen naar binnen. “Is dat busje van ‘Ton de Groot’ van jullie?” vraagt hij met harde stem aan de logodragers. Ze draaien zich naar hem toe met een vragend: “Ja?” “Dat busje wat er nu achter staat kon blijkbaar niet op tijd stoppen,” deelt hij mee. Het duurt maar even voordat ze met grote passen naar buiten lopen. Hij wacht het verloop van de gebeurtenissen niet af en rijdt weg met het gevoel een goede daad gedaan te hebben.

De dagelijkse file tussen Zwolle en Meppel is kort. Na de afslag ‘Dalfsen’ rijdt het weer maar echt tempo maken kan hij niet. Hij belt zijn vrouw om te vertellen ze hem hooguit drie kwartier later thuis kan verwachten. “Dan zet ik het vlees nog niet op. Doe maar rustig aan. We hebben geen haast,” zegt ze.

 

In Meppel heeft hij geluk. Hij had er al rekening mee gehouden dat er in het centrum, op de Prinsengracht, geen parkeerplek te vinden zou zijn maar precies voor de deur van de klant kan hij zijn auto kwijt. Met de doosjes in beide handen loopt hij naar binnen. Een paar klanten staan te wachten tot ze geholpen worden en het duurt even voordat hij de aandacht van een verkoopster kan trekken. “Ik moet hier twee doosjes afleveren,” zegt hij als één van de dames een moment aandacht aan hem schenkt. “Een momentje geduld alstublieft. Ik help eerst deze klant verder en dan kom ik bij u.” Het liefst zou hij vol ongeduld heen en weer lopen maar hij dwingt zichzelf om doodstil te blijven staan. Eindelijk komt de verkoopster op hem af en vraagt: “Waar is het voor?”  “Jullie hebben dit besteld en het moest beslist vandaag nog afgeleverd worden,” antwoord hij. Zij weet er niets van maar de baas ongetwijfeld wel. Ze gaat hem wel halen. Met een “Hij komt er zo aan!” komt ze zonder baas terug en richt zich op de volgende klant. Wachten duurt altijd lang en na een kleine eeuwigheid is daar dan toch de baas. Hij controleert de inhoud en tekent de ontvangstbon af.

Haastig loopt Wim de winkel uit en kijkt vervolgens tegen de rug van een man in uniform. Onmiskenbaar een parkeerwachter. Het verontrustende is dat hij, staand voor zijn auto, aan het schrijven is. Wim gaat naast hem staan en vraagt; “Schrijft u een bon voor deze auto?” “Uw auto?” vraagt de ambtenaar al schrijvend. “Ja, en ik ben aan het lossen. Ik lever net twee doosjes in deze winkel af. Kijk hier, de afleveringsbon: is net door de klant afgetekend.” Terwijl hij rustig door gaat met schrijven zegt hij: “Ik sta hier al een tijdje en ik heb u niet heen en weer zien lopen. Er staat geen klep open en er branden geen knipperlichten. Uit niets kan ik opmaken dat u aan het laden en lossen bent dus mijn conclusie is simpel: er staat hier een auto geparkeerd zonder geldig kaartje achter de ruit”.

Wim voelt zijn hoofd rood worden. Een zeldzaam fenomeen dat alleen optreedt als hij echt kwaad is. Na een magazijnmeester, het busje van Ton met bijbehorende pompbediende en de drukte op de weg is dit net even te veel van het goede. Wim weet dat hij op moet passen. Van deze ambtenaar kan hij niet winnen en als hij niet op zijn woorden let, bestaat er een grote kans dat hem belediging in de schoenen geschoven wordt. “Niet alleen uw conclusie is simpel,” zegt hij bijna elk woord staccato uitsprekend, “u gaat er van uit dat iedereen een leugenaar is. Met een beetje moeite kunt u mijn verhaal controleren maar dat doet u niet. U houdt het liever simpel. Dat past waarschijnlijk het best bij u. Simpel werk voor een simpele ziel!” Met zijn rooie kop stapt hij in de auto en met piepende banden scheurt hij weg. De parkeerwachter kijkt hem even na en gaat dan verder met zijn ronde. Al of niet een simpele ziel zijn is niet belangrijk. Eelt op je ziel hebben. Daar gaat het om.

Aan de rand van Meppel stopt Wim op de carpoolplaats. Hij springt uit de auto en stuitert een tijdje rond. Als je zo kwaad bent is het niet verstandig om verder te rijden. Langzaam zakt de boosheid en als hij tot rust is gekomen, stapt hij weer in en rijdt naar huis.

 

Via de achterdeur loopt hij zijn huis in en treft zijn vrouw in de keuken. De geuren van het eten en zijn vrouw zijn onweerstaanbaar. Ze heeft zich al omgekleed en draagt een pyjama die nieuw en spannend is. Ze omhelst hem en zegt: “Fijn dat je er bent, het eten is bijna klaar. Er is nog genoeg tijd om je te douchen en om te kleden.” Ze drukt zich even tegen hem aan en geeft dan haar eerste kus.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.pinterest.com / http://www.regiomeppel.nl / http://www.omroepzeeland.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen