Vijfje

‘Gerdien wil iets van Frozen. Een ontbijtbordje of een beker. Ik kan het wel voor je bestellen. Dan hoef jij de deur niet uit,’ heeft zijn dochter hem gezegd.
Dat is tegen het zere been. Wat denkt ze wel! Hij is dan wel een beetje invalide maar gelukkig nog zo mobiel als een huisjesslak: het duurt even maar uiteindelijk komt hij daar waar hij wezen wil. Nee, dat cadeautje gaat hij zelf kopen.

Hij parkeert zijn auto en opent de achterklep. Met de handigheid die je van een ervaren techneut mag verwachten, zet hij zijn scootmobiel in elkaar. Als hij op zoek gaat naar de parkeermeter kijkt hij een beetje zorgelijk naar het metertje op zijn scooter. Als hij stil staat wijst het naaldje naar het groene balkje. Als hij rijdt staat het in het geel. Dat is een kort balkje. Het rode daarnaast is langer maar ook gevaarlijker. Dom dat hij er niet aan gedacht heeft de accu op te laden. Even twijfelt hij of het wel verstandig is de stad in te rijden. Toch waagt hij het er op. De speelgoedwinkel is niet zo heel ver weg. Het gaat vast goed.
De parkeermeter is snel gevonden en met verbazing ziet hij dat je voor 2 euro 58 minuten mag parkeren. Wie verzint zoiets? Waarom niet een heel uur voor die 2 euro? Hij vist 4 euro uit zijn portemonnee en ziet dan dat er alleen maar met een kaart betaalt kan worden. Hij zucht. Met je tijd meegaan, ouwe jongen, denkt hij. Gewoon met je tijd meegaan. Het kaartje legt hij achter de voorruit en hij wendt het steven richting winkel.

Het is fris. Echt herfstweer. Er staat een koude wind en donkere wolken dreigen met regen. Hij knoopt zijn jas dicht tot onder zijn kin en trekt de pet wat dieper over zijn hoofd. Met de snelheidsmeter op haas rijdt hij door de winkelstraat. Weinig mensen op straat en dat bevalt hem. Altijd al een hekel aan drukte gehad en het voordeel van de tijd aan jezelf hebben, is boodschappen doen als het rustig is.
De winkel in het winkelcentrum is er niet meer. Zijn goede humeur zakt naar een bedenkelijk niveau. Wat nu? Navraag leert hem dat de hele speelgoedketen niet meer bestaat en dat Blokker of de Hema misschien ook wel hebben wat hij zoekt. Die zaken zitten een stuk verder in dit winkelcentrum en hebben inderdaad wat hij hebben moet. Om dat te vieren trakteert hij zich op een kopje koffie met een tosti.

De uitgang ligt hoger dan de vloer van het winkelcentrum. Er is een brede trap van zes treden en in het midden van de trap een rolstoelbaan. Hij rijdt omhoog en halverwege begint zijn scooter te piepen. Het ding trekt het niet en stopt met het metertje zwaar in het rood. Wat nu? Achter hem begint een vrouw te mopperen. Ze kan niet aan hem voorbij.
‘Moet ik je omhoog duwen?’ vraagt ze.
‘Nee, ik wil achteruit.’
‘Nou, vooruit dan maar,’ zegt ze met duidelijke tegenzin.
Noodgedwongen loopt ze terug en neemt vervolgens de trap. Hij ontkoppelt de aandrijving en rijdt zachtjes achteruit. Buiten is het flink gaan regenen. Een donkere wolk heeft de dreiging waargemaakt. Het geeft hem tijd om na te denken hoe het nu verder moet. Dat hij dom is geweest hoeft niemand hem te vertellen. De grote vraag is nu hoe hij bij zijn auto komt. Hij vreest dat het een lange weg wordt. Zijn scooter voor hem uitduwen  zal een vermoeiende en langdurige bezigheid zijn. Eerst maar wachten tot het droog wordt.

Af en toe komen mensen op een holletje naar binnen. Ze worden opgewacht door de ‘wij wachten tot het droog is mensen’.
Twee echtparen, een man en een vrouw alleen en drie jonge mannen met van die glimmende jassen met zo’n bontkraagje.
‘Nog even en dan is het droog,’ deelt de man alleen hem mede.
Hij schakelt zijn scooter in. Het ding rijdt nog maar niet meer dan dat. Nog voor de helling geeft hij opnieuw de geest. Met een vloek en een diepe zucht stapt hij af en gaat achter zijn vervoermiddel staan. Langzaam drukt hij hem de helling op.

‘Hé opa! Moeten wij je even helpen?’ roept een bontkraagje.
‘Ja, graag.’
Hij wil wat zeggen over dat “opa” maar verstandig lijkt hem dat niet. Twee duwen zijn scooter omhoog en de derde ondersteunt hem op zijn weg naar boven.
‘Kapot?’ vraagt hij.
‘Nee. De accu is leeg.
‘En nu? Moet je ver?’
‘Nee, mijn auto staat aan het einde van de straat. Dat is niet ver gelukkig.’
De jongen roept naar zijn maten:
‘Hé! Opa moet naar zijn auto en de accu is leeg. We gaan hem duwen.’
Ze wachten tot hij zit.
‘Zo opa, goed sturen.’
Hij slikt een opmerking in. Wat denken die snotneuzen wel? Met alle kilometers die hij in zijn arbeidzame leven gereden heeft, kom je met gemak twee keer de aarde rond. En nu gaat dat joch hem zeggen dat hij goed moet sturen? Het is dat hij weet dat je mensen, die een goede daad verrichten, niet moet hinderen maar anders…

Ze komen bij de auto. Gedienstig helpen ze hem om de scooter achter in de auto te zetten. Ze houden de deur voor hem open en als hij zit, zegt hij:
‘Dankjewel. Ik zou jullie graag wat geven maar ik heb alleen wat kleingeld in mijn portemonnee.’
‘Kom op opa, we willen helemaal niets van je hebben. We hebben je gewoon even geholpen.’
‘Wacht even,’ zegt één van de bontkraagjes, ‘Ik heb wel wat voor jou.’
Uit zijn broekzak vist hij een stapeltje bankbiljetten en trekt er een vijfje uit.
‘Hier. Koop er maar een ijsje voor.’
Ze lachen vriendelijk en nadat ze het portier gesloten hebben lopen ze weg.

Verbluft kijkt hij ze na. Dat duurt maar even omdat hij zich kwaad begint te maken. De confrontatie met vooroordelen komt hard aan. Zij zien hem als een sullig, arm en oud mannetje. Dat bevalt hem voor geen meter. Hij is niet oud. Niet arm en zeker niet sullig. Hij smijt het bankbiljet op de stoel naast hem, start de auto en manoeuvreert het parkeervak uit. De straat is leeg en met een knetterende vloek geeft hij plankgas. Met piepende banden scheurt hij weg.
Wat denken ze wel!?

© peter gortworst / okt. 2020 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 3 reacties

De uil

De uil zit in de olmen. De nacht valt en hij voelt zich niet goed. Een beetje koortsig zelfs. Die ene muis van vanmiddag is de oorzaak van zijn ellendige gevoel. Het was ook te makkelijk gegaan. Het beestje scharrelde open en bloot een beetje rond en gedroeg zich niet des muizes. Met één poot had hij hem gegrepen en in zijn olm had hij zich er tegoed aan gedaan. De smaak was anders geweest. Een beetje zurig. Eigenlijk had hij hem niet moeten eten maar ook uilen doen soms dingen die ze beter niet hadden kunnen doen. Nu heeft hij krampen in zijn maag en vol ongeduld wacht hij op het moment dat de resten als braakbal naar buiten komen. Hopelijk knapt hij daarna een beetje op. Aan eten moet hij nu even niet denken. Als het aan hem ligt blijft hij vannacht hier zitten en wordt er niets gevangen. Af en toe vasten is per slot van rekening niet verkeerd.

Op het bankje onder zijn boom is een man gaan zitten. Middelbare leeftijd, dikke jas en een pet. Dat hij op iets of iemand wacht is wel duidelijk. Om de haverklap kijkt hij op zijn horloge en tuurt het pad af in de richting van de watertoren. Het is een ongeduldig mannetje. Hij gaat staan, ijsbeert heen en weer, gaat toch maar weer zitten en gluurt naar de cijfertjes op zijn klokje. Dan piepende remmen van een fietser op een racefiets. De fietser is duidelijk een fietsster. Snelle outfit en een fietshelm. Veel fluorescerend groen. Het doet de uil pijn aan de ogen. Ze zet de fiets tegen zijn boom en omarmt de man. Ze zoenen. Veel, langdurig en intens. Uil vindt dat wel mooi. Zonder liefde zou er immers weinig leven over blijven.

Ze gaan op het bankje zitten, houden elkaar vast en praten. Uil kan alles horen maar verstaat er niets van. Mensentaal is hem net zo vreemd als uilentaal vreemd is voor mensen. Onderscheid moet er zijn maar zelf een invulling geven aan het gebeuren is noch uilen noch mensen vreemd. Zijn veronderstellingen gaan al spoedig, een beetje geholpen door de koorts, met hem op de loop. Ze zijn duidelijk verliefd op elkaar maar niemand mag dat weten. Waarom zou je anders, bij het vallen van de nacht, op zo een stille plek elkaar ontmoeten? Zou het de directeur van een bedrijf zijn die hier afspreekt met een secretaresse? Is hij getrouwd en gaat hij vreemd of is zij getrouwd en gaat zij vreemd? Is zij de lerares van één van zijn kinderen of is hij de schoolmeester van één van haar kinderen? Misschien is hij wel een hele hoge Piet die als vrijgezel bekend staat en dat graag zo wil houden. Imago is voor sommigen heel belangrijk. Een prinses met een hoveling? Een priester met een sportieve non? Een getrouwd stel met een rollenspel? Hoe langer uil fantaseert hoe gekker het wordt.

Uit een zakje op haar rug vist ze een koekjesreep. Ze wil dat in tweeën delen maar hij schudt van nee. Ze knabbelt, luistert en praat. Als de reep op is, legt ze haar benen over de bovenbenen van de man. Haar arm slaat ze om zijn nek en ze fluistert in zijn oor. Dat zijn vast lieve woordjes, denkt de uil. Lieve woordjes fluisteren doet hij ook. In het voorjaar, als de natuur roept, hoort dat er gewoon bij. De opmaat voor de zomerse stress. Eieren die uitgebroed moeten worden, voortdurend alert zijn op vele gevaren, jongen die de oren van je kop vreten zodat je bij nacht en ontij op muizenjacht moet. Nee, hij is blij met het najaar. Eindelijk rust en tijd voor jezelf.

Het stel blijft maar kletsen. Af en toe onderbreken ze dat om met elkaar te zoenen. Dan strelen handen intieme plaatsen. Handelingen die het daglicht moeilijk kunnen verdragen. Het is maar goed dat het al bijna donker is. Ze gaat staan en zet haar helm op. De man pakt haar fiets en zet deze op het pad voor haar klaar. De galante ridder. De afscheidszoen is van het langdurige soort maar uiteindelijk fiets ze terug richting watertoren. Hij kijkt haar na. Dat duurt niet lang. Hij heeft niet de ogen van een uil. De pet wordt weer goed op het hoofd gezet en de dikke jas knoopt hij dicht. Dan loopt hij weg en uil kijkt op zijn beurt hem na.

Het is alsof zijn maag op dit moment heeft gewacht. Plotseling is de braakbal daar. Uil onderzoekt zijn gestel en wat hij van zichzelf ontdekt, bevalt hem. Hij heeft zelfs weer trek. In gindse heuvels roept zacht een koekoek. Hoe zou die smaken? Uil slaat zijn vleugels uit. De gindse heuvels zijn niet ver en wie weet vindt hij die koekoek. Verandering van spijs doet eten, heeft hij wel eens gehoord.  

© peter gortworst / okt. 2020

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Heks

Hij parkeert zijn auto op een parkeerplaats langs de A7. Het is ontegenzeggelijk vakantietijd. Alles staat bijna vol met campers, woonwagens en volgeladen personenwagens. Hij zet de rugleuning naar achteren en gunt zich een kwartiertje rust.

Ongewild veroorzaakt zijn volgende klant onrust in zijn kop. Het kan een belangrijke klant worden. De potentie dat ze veel af kunnen gaan nemen is daar. Hij komt overeind en zoekt in zijn papieren naar de omzetcijfers van de laatste maand. Helaas. Zelfs na drie maal alles doorzoeken kan hij het papier niet vinden. Hij pakt zijn telefoon en belt de zaak. Ze moeten het maar even mailen.

‘Goedemiddag. De Vulpen, met Bianca. Wat kan ik voor u doen?’
Bianca? Wie in hemelsnaam is Bianca? Hij noemt zijn naam en vraagt:
‘Ben je nieuw in ons bedrijf?’
‘Ja, ik ben nieuw. En wie bent u?’
Haar stem klinkt wat meisjesachtig. In gedachten ziet hij een welgevormde jonge, blonde, frisse meid zitten met de telefoon aan haar poezelige oor.
‘Ik ben de vertegenwoordiger van het bedrijf. Voor wat ben jij aangenomen?’
‘Ik ben de assistente van meneer de Vulpen.’
Toe maar, denkt hij, de oude snoepert heeft zich een groen blaadje uitgezocht.
‘Nou, we zullen elkaar nog wel leren kennen. Kan je mij even doorverbinden met Dick.’
‘Die is er niet. Die is een rondje aan het lopen.’
‘O. Oké. Misschien kan jij mijn dan helpen. Ik moet de omzetcijfers hebben van boekhandel de Ezelsoor. Die liggen in de kast bij het bureau van Dick. Kan jij even kijken?’
‘Ja hoor. Hoe ziet de kast er uit?’
‘Het is de meest rechtse kast. Het ding is grijs, geloof ik. En je moet de rode map hebben.’
‘Momentje.’
Hij hoort dat ze telefoon op het bureau legt. Dan is het stil. Hij wacht.
‘De meest rechtse kast zit op slot. Er zit zo’n ding op met druktoetsen.’
Dat is waar ook. De achterdocht van de oude baas is op de gekste momenten merkbaar.
‘Ah. Dat kan kloppen. Je moet de code intypen en dan gaat hij open. Die code is 2854 hekje. Heb je dat?’
‘Ja.’
De telefoon wordt weer neergelegd. Hij wacht.
‘Waar vind ik de letters? Ik druk 2854 maar waar moet ik dan hekje intypen?’
In gedachten verandert Bianca in een vrouw van middelbare leeftijd met te veel onnatuurlijk blond haar.
‘Dat hekje is een toets met twee horizontale en twee verticale streepjes die door elkaar lopen.’
‘Moment.’
Hij wacht.
‘De kast is open. Welke grijze moest u hebben?’
‘Ik moet geen grijze map. Ik moet de rode map. Daar is er maar één van.’
‘Moment.’
Hij wacht. Bianca heeft een bril met jampotbodemglazen en draagt steunzolen.
‘Ik heb hem. En nu?’
‘Nu zoek je de papieren van de Ezelsoor. Als het goed is liggen ze op alfabet.’
‘Moment.’
Hoezo moment? Heeft ze die map daar nog liggen? Bianca heeft rimpels en een onderkin.
‘Er zitten geen papieren van de Ezelsoor in de map. Ik heb de hele D doorzocht maar ze niet gevonden.’
Hij zucht diep.
‘Lieve Bianca, luister. Haal de …..
‘Pardon?’
‘Wat pardon?’
‘Ik ken u niet. U kent mij niet dus dat “lieve” kunt u beter weglaten. Ik ben daar niet van gediend.’
Hij is even stil. Bianca is een lelijke, kromme vrouw met harige wratten op haar wang.
‘Sorry. Ik bedoelde het niet verkeerd. Zou je de map even op willen halen en bij je op het bureau leggen. Dan proberen we samen even te zoeken.’
‘Moment.’
Hij wacht. Een daverende klap maakt duidelijk dat de map op het bureau is aangekomen.
‘En nu?’ vraagt de heks.
‘Nu kijk je bij de E. Ik denk dat achterin bij de E, je de papieren vindt van de Ezelsoor.’
‘Raar,’ zegt de heks, de Ezelsoor bij de E. Wie zoekt daar nu?’
Hij hoort haar bladeren en dan, goddank, heeft ze de papieren.
‘Ik heb ze,’ en het verwondert hem dat een heks opgelucht kan klinken.
‘Fijn. Er is één papier waarboven staat ‘omzet juni’. Klopt dat?’
‘Ja. Die heb ik.’
‘Mooi. Kan jij die even naar mij mailen?’
Het is stil aan de andere kant. Te stil.
‘Ik weet niet hoe dat moet,’ bekent Bianca dan.
Het verbaast hem niets. Van iemand die op een bezemsteel naar het werk komt, mag je dit niet verwachten.
‘Kan je er een foto van maken en die naar mij toesturen?’
‘Dan moet ik u eerst in mijn WhatsApp zetten en dan een foto maken en dan naar u sturen?’
‘Ja, dat kan.’

Ze verbreekt de verbinding. Hij leunt weer achteruit en wacht. Na een kwartier piept zijn telefoon. Het is haar blijkbaar gelukt. Als hij kijkt is daar een foto van een bureau met op het blad de rode map en daarvoor een vel papier. Een prachtig sfeerbeeld maar niet meer dan dat. Hij belt weer op.

‘Bianca, is het ook mogelijk dat je een foto maakt van het papier alleen? Zo kan ik niet lezen wat er staat.’
‘O. Goh. Ik heb net alles opgeruimd. Wat was die code ook alweer? … O, wacht. Dick komt net binnen. Ik geef de telefoon wel even aan hem.’
Dick snapt met twee tellen waar het om draait en gaat het regelen.
‘Wat is die Bianca voor een type?’ vraagt hij.
Dick zucht diep.
‘Daar bel ik je nog wel over. Nu gaat dat even niet.’
Bianca heeft vleermuisoren die draaien kunnen. Als ze op haar bezem vliegt kan ze die naar achteren in haar nek leggen.
‘Is goed. Spreek je later.’

© peter gortworst / sept. 2020
foto: handgemaakt.eu

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 3 reacties

De zee bij nacht

 

Nog een klein uurtje en dan wordt het donker. Chris en Jan lopen de Noorderpier op. Beiden trekken een karretje achter zich aan. Het is beladen met alles wat een zeevisser die op tong gaat vissen, nodig heeft. Als ze zo’n vijftienhonderd meter ver zijn, stoppen ze. Uit ervaring weten ze dat het hier goed vissen is. Ze prepareren hun hengels, zetten de bak met zeepieren en zagers op een veilige plek en controleren hun hoofd- en zaklampen. Achter hen lopen de laatste bezoekers richting kust. Het belooft een warme nacht te worden met een beetje wind uit zee. Chris neemt uit zijn lunchdoosje een broodje haring. Jan wacht daar nog even mee. Die heeft vanavond thuis nog goed gegeten
‘Moi!’ klinkt het achter hen.
‘Moi,’ zeggen ze uit een automatisme terug. Als ze omkijken zien ze een man op leeftijd de pier oplopen. Om zijn schouder draagt hij een vouwstoeltje en in zijn hand een boodschappentas. Ze kijken elkaar aan.
‘Wat zal die gaan doen?’ vraagt Chris.
‘Geen idee. In ieder geval niet vissen.’
Ze halen hun schouders op. Wat maakt het hen ook uit. Ieder moet doen wat hij zelf wil, toch?

Het is donker geworden. De hoge vuurtoren flitst elke vijf seconden. Op wat geruis van de golven na, is het stil. Vanuit zee waait er een zacht windje. Het ruikt fris en is verkoelend. De tong wil nog niet bijten. De kostbare zeepieren worden van de haak gegeten door krabben en ze vrezen dat het een slechte nacht wordt. Vissen is echter een bezigheid die talloze variabelen kent. Wat de ene keer niet werkt, blijkt de volgende keer de gouden greep. Zo ook nu. In plaats van het aas stil te laten liggen haalt Chris met kleine schokjes het aas op. De laatste keer werkte dat niet maar nu heeft hij beet. De eerste tong is er eentje van formaat. De komende twee uur halen ze met regelmaat een vis uit het water. Dan vangen ze niets meer. Ze proberen van alles maar niets schijnt te werken. Ze leggen het aas stil op de bodem en wachten af.
‘Heb jij die ouwe man nog terug zien lopen?’ vraagt Chris.
‘Nee.’
‘Als hij terug gelopen was, hadden we hem toch moeten zien?’
‘Ja.’
Ze zwijgen en denken. Een man op leeftijd met een stoeltje en een boodschappentas. Zou iemand die levensmoe is met…. nee, dat zal toch niet? Misschien is het een kunstenaar die een schetsboek in die tas had zitten. Kan het ook wat anders zijn?
‘Ik ben er niet gerust op,’ zegt Jan.
‘Ik ook niet.’
Ze zwijgen en ieder denkt het zijne.
‘We moesten maar bellen,’ zegt Chris.
‘Ja.’

De dame van de meldkamer begrijpt de ongerustheid van de heren. Ze gaat een wagen aansturen. Chris en Jan zien na een kwartier twee koplampen hun kant opkomen. Ze gaan midden op de pier staan en vertellen de beide heren van de reddingsbrigade wat ze gezien hebben. Op de vraag of ze er zeker van  zijn dat die man niet teruggelopen is, kunnen ze geen volmondige bevestiging geven.
‘Geeft niks,’ zegt de jongen achter het stuur, ‘We gaan wel kijken of we hem vinden.’
Dat vinden is niet moeilijk. Bijna op het eind van de pier zien ze hem, in het licht van de koplampen, zitten. Hij kijkt, met een mok warme koffie in zijn handen, de thermosfles naast hem en zittend in zijn klapstoeltje, uit over de donkere zee.

De reddingswerkers stappen uit.
‘Goedenavond,’ zeggen ze.
De man kijkt hun kant op maar houdt zijn hand voor de ogen. Het licht van de koplampen verblindt hem.
‘Ja, ja, goedenavond,’ zegt hij.
‘Mogen wij weten wat u hier doet?’
‘Ja, ja. Ik bestudeer de zee. De nachtelijke zee.’
De reddingswerkers vallen even stil. Huh? De nachtelijke zee bestuderen?
‘Waarom?’
‘Omdat ik weten wil hoe het er ’s nachts op zee uitziet.’
‘Ja, maar waarom?’
‘Research. Gewoon research.’
Zo schiet het niet op. Eén van de reddingswerkers gaat tegenover de man op het lage muurtje zitten.
‘Luister,’ zegt hij, ‘U gaat hier midden in de nacht op de pier zitten. Er zijn mensen die u hebben zien gaan en zij maken zich zorgen over u. Dat is de reden dat wij hier zijn. Het kan best zijn dat u een hele goede reden hebt om hier te gaan zitten maar wij vinden het niet zo’n goed idee. Als u hier nog lang blijft, koelt u steeds verder af en dat is niet goed. Het kan zelfs zijn dat er dan een ziekenwagen moet komen om u van de pier te krijgen. Dat willen wij voorkomen. Ik stel voor dat u met ons mee gaat. Bij ons kunt u dan een beetje op temperatuur komen en dan moeten we maar eens zien hoe het verder gaat.’
Moet ik mee?’
‘Nee, ik kan u niet verplichten mee te gaan. Maar denkt u niet dat het wel beter is?’
‘Ja, ja.’
Hij stopt de mok en thermosfles in de tas, vouwt zijn stoeltje in elkaar en wil op de achterbank van de truck klimmen. De chauffeur helpt hem.
‘En één, twee, hoppa opa!’
‘Snotneus!’ zegt de gepikeerde man.
Aan het einde van de pier wordt de truck gedraaid en rijden ze terug naar de kust. Onderweg worden Chris en Jan even op de hoogte gebracht van hun bevindingen.

‘Ho!’ roept de man bij het begin van de pier, ‘Mijn fiets staat hier.’
‘O, dat is mooi,’ meent de chauffeur, ‘Dan kunt vanaf hier naar huis rijden.’
‘Ja, ja, dat gaat niet.’
‘Waarom niet?’
‘Het is bijna vier uur fietsen en ik heb geen licht.’
Voorin laat één van de reddingswerkers een diepe zucht.
‘Is er iemand die wij kunnen bellen?’
‘Ja, ja, mijn dochter.’
De fiets wordt in de laadbak gelegd. In het dienstgebouw krijgt de man een krentenbol en belt men de dochter uit bed.

Ze valt van de ene verbazing in de andere. Midden in de nacht op de pier? Reddingsbrigade? Research? Op de fiets? Zonder veel te zeggen laadt ze de fiets in de kofferbak en haar vader op de passagiersstoel. Ze drukt de reddingswerkers vijftig euro in de hand en belooft op haar vader te passen. Met piepende banden vertrekt ze.
‘Wat was dit nou weer voor stunt?’ vraagt ze na een paar zwijgzame kilometers.
‘Ja, ja. Research. Ik wilde weten hoe de zee er ’s nachts uitziet.’
‘Laat mij raden: boek.’
‘Ja, ja. Boek.’
Ze zegt even niets. Het dilemma waar ze al een tijdje mee rondloopt, vraagt om een oplossing. Ze weet dat haar vader goed kan schrijven. Alle verhaaltjes die hij hen als kinderen, ’s avonds bij het slapen gaan, vertelde, heeft hij allemaal opgeschreven. Een hele stapel oude schriftjes met pareltjes van verhalen. Ze heeft ze ook aan haar kinderen vertelt. Een “opaverhaaltje” voor het slapen gaan. Schrijven is zijn lust en zijn leven. Dit hem gaan verbieden? Dat lukt niet en kan niet. Pak hem zijn pen en papier af en hij gaat dood.
‘Papa, zal ik je helpen met je boek? Al dat onderzoek wat moet gebeuren, daar kan ik je toch bij helpen. Je hoeft niet alles alleen te doen.’
‘Ja, ja.’
‘Wat ja ja?’
‘Dat is goed. We kunnen samen naar Roemenië of Bulgarije. Ja, ja, leuk.’
Ze kreunt zachtjes.
‘Waar ben je in ’s hemelsnaam mee bezig? Laten we eerst maar eens kijken naar het verhaal wat je aan het schrijven bent. Volgende week woensdagavond heb ik tijd en dan gaan we er samen eens voor zitten. Beloof mij dat je tot die tijd niet in het vliegtuig stapt of de trein neemt naar weet ik veel waar. Ik wil dit soort capriolen niet meer meemaken.’

‘Ja, ja.’

 

 

© peter gortworst / aug. 2020
afbeelding: eu.clipdealer.com 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De gedrevene

 

Hij neemt een mandje. Het is nog vroeg. Druk is het niet maar hij heeft het gevoel dat met een winkelwagen er meer tijd verloren gaat. Met drie pakken Brinta, vier liter melk, een blok kaas, achterham en een volkoren brood komt hij bij de kassa.
‘Goedemorgen, meneer Wolmans,’ zegt het meisje achter de kassa.
‘Ja, ja, goedemorgen.’
Ze wil wat aardigs zeggen. Dat lukt even niet omdat ze iets ruikt. Een lucht van ongewassen oksels en oude urine. Dat zal toch niet bij de aardige opa Wolmans vandaan komen? Ze buigt zich een beetje naar opa toe. Ja hoor. Hij stinkt en niet zo’n beetje ook.
‘Laat u een baard staan?’
‘Een baard?’
Hij grijpt naar zijn kin en voelt inderdaad haren.
‘Ja, ja, een baard.’
‘Ik vind dat wel mooi,’ zegt ze.
Klantvriendelijkheid staat hoog in het vaandel bij deze buurtsuper.
‘Het staat u goed. Hij is mooi grijs.’
‘Ja, ja.’
Hij rekent af en haast zich naar huis.

Zodra het kan, vertelt het kassameisje aan de eigenaar van de buurtsuper dat opa Wolmans is geweest. Ze verhaalt van zijn ongewassen gezicht en handen. Ook de geur die om hem heen hangt, blijft niet onbesproken. Ze maken zich zorgen. Zo’n man op leeftijd. Alleen in dat huis. Gaat dat wel goed? De eigenaar kent de buren. Hij gaat wel met ze praten. Misschien weten zij wat meer.

Als hij de melk, kaas en achterham in de koelkast wil leggen, ziet hij dat iets niet goed is. De witlof in de groentelade is bruin. Hij neemt de lade eruit en ontdekt dan ook een bosje radijs. De bladeren zijn geel en bruin. De radijsjes verschrompelde balletjes waar nog weinig rood aan te zien is. Hij zet de lade in de gootsteen. In de deur liggen drie in aluminium verpakte dingen. Eén voor één maakt hij ze open. Het zijn een stukje kaas, het kontje van een leverworst en een schijf corned beef. Ze hebben twee dingen gemeen: schimmel en stank. Hij begint zich te ergeren. Op dit soort ongein zit hij niet te wachten. In een opwelling wil hij de deur dichtgooien en de boel de boel laten. Het verstand, wat met de jaren gekomen is, maakt hem duidelijk dat dit niet de goede handeling is. Zuchtend controleert hij daarom de overige inhoud. Het resultaat is een pot aardbeienjam met schimmel en groene varkenslever. Dat laatste spijt hem. De verpakking is niet eens open geweest en een boterham met lever had hem nu wel gesmaakt.

Hij kiept alles in de afvalemmer, maakt de groentelade schoon en zet de verse boodschappen op hun plaats. Dan haast hij zich naar zijn bureau.

‘Goh, ja, nou je het zegt. We hebben hem al weken niet gezien,’ zegt de buurvrouw tegen de eigenaar van de buurtsuper, ‘Als alles zijn gangetje gaat, valt het niet zo op natuurlijk. Maar ik ga vanmiddag wel even bij hem langs. Even kijken.’

Hij is met zijn hoofd op de armen in slaap gevallen. De screensaver waaiert gekleurde strepen over het scherm. De deurbel maakt hem wakker en hij moet even bij zinnen komen. Korte nachten en hazenslaapjes eisen hun tol. De bel klingelt een tweede keer. Hij komt overeind en opent de deur.

‘Dag buurman,’ zegt de buurvrouw monter, ‘Ik kom even kijken of het wel goed gaat met je.’
Hij weet niet wat hij moet zeggen. Hoezo zou het niet goed met hem gaan? Het gaat hem uitstekend.
‘Waarom? Hoezo?’
‘Nou, we hebben je al in weken niet gezien. We dachten hij zal toch niet dood in huis liggen?’
‘Nee, als dat zo is kom ik het je wel zeggen. Maak je geen zorgen. Het gaat mij goed.’
Ze is niet gek. Ze ruikt dezelfde geur die het kassameisje al eerder rook en die baard is geen baard. Het is gewoon een ongeschoren en ongewassen kop. Ze probeert langs hem heen te kijken. Ze wil zien of er in de woning iets is wat niet klopt. Dat lukt niet. Met de deur half open, blokkeert hij elk uitzicht. Ze vertrekt onverrichterzake. Thuis zoekt ze  het telefoonnummer van zijn dochter.

Koortsachtig rammen zijn vingers op het toetsenbord. Er rammelt iets aan de deur. Voor hij zich realiseert wat er gebeurt, staat zijn dochter in het halletje.
‘Wat kom jij doen?’ vraagt hij.
‘Kijken wat jij aan het doen bent. Jezus pa! Wat zie je er uit? Scheer jij je niet meer?’
‘Uh…uh… daar heb ik geen tijd voor.’
‘Geen tijd? Waarom…’
Dan dringt de vieze lucht haar neusgaten binnen.
‘Gadverdamme pa! Je stinkt! Je stinkt echt! Douche jij je niet?’
Uh…uh… niet zo vaak nee.’
‘Waarom niet?’
‘Zoals ik al zei. Ik heb daar geen tijd voor.’
‘Man. Je barst van de tijd. Waar ben je dan zo druk mee?’
‘Mijn boek.’
‘Boek!?’
‘Ja. Ik moet nog een mail sturen naar de Ierse kustwacht omdat ik weten wil of je met een kleine boot ongezien daar langs de kust kan varen. Ik moet nog uitzoeken of je van Ierland zonder paspoort naar Dover kan reizen. Ik moet nog uitzoeken wat er gebeurt als de brandweer in een brandende auto een lijk vindt. Ik moet…’
Ze onderbreekt hem.
‘Pa. Ik vind het allemaal best. Wat ik niet best vind is jouw toestand. Je gaat nu naar boven en je gaat je douchen en scheren. Trek andere kleren aan en zoek alles wat je aan wasgoed kan vinden bij elkaar.’
Hij wil protesteren maar haar dwingende blik laat hem eieren voor zijn geld kiezen. Hij gaat naar boven en zij loopt de keuken in. Met haar hand voor haar mond bekijkt ze de chaos. De vuile vaat staat hoog opgestapeld op het aanrecht. Waarschijnlijk is er geen ongebruikt bordje, glas of kom meer in de kasten te vinden. De afvalemmer zit zo vol dat het deksel niet meer sluit en de twee vaatdoekjes in de gootsteen zien er zo goor uit dat ze deze met een vork verwijdert.

Ze begint aan de afwas. Haar vader komt naar beneden met een volle wasmand.
‘Hier!’ commandeert ze, ‘Afwassen!’
De mand neemt ze mee naar de bijkeuken en het is meer dan in één keer gewassen kan worden.
‘Schaam jij je niet?’ vraagt ze als ze weer in de keuken is.
‘Voor wie?’
‘Voor mij. Voor de buren misschien?’
‘Nee.’
‘O? Voor je bezoek dan?’
‘Ik vraag niemand op bezoek tot het boek klaar is. Jij bent ook te vroeg. Als het boek klaar is, heb ik weer tijd voor dit soort dingen.’
Met een armgebaar laat hij zien dat het de vaat betreft.
‘En hoe lang duurt het nog voor dat boek klaar is?’
‘Mm, dat kan nog wel even duren. Doortje ontdekt dat ze lesbisch is en ze gaat samenwonen met Betty. Ze willen een kind adopteren maar Jaap, de vriend van Doortje, zit nog op zee in een bootje bij de Ierse kust en weet nog van niets. Dat alles opschrijven kost zeker vijf hoofdstukken en dan is nog dat lijk wat….’
‘Pa, bespaar mij je verzinsels. Nu is het belangrijk dat we dit huis weer een beetje op orde brengen en dat doe ik niet alleen. Je helpt maar mooi mee.’

Hij helpt inderdaad mooi mee. Niet omdat hij het nodig vindt. Hij is niet gek. Hoe eerder zijn dochter tevreden is, hoe sneller hij weer aan zijn boek kan werken. Hij moet nog bedenken wanneer en hoe Doortje uit de kast komt.
‘Zal ik alvast gaan stofzuigen?’ vraagt hij met een onschuldig maar fris gewassen en geschoren gezicht.
‘Dat is goed. Dan dweil ik ondertussen de keukenvloer.’
Ze is blij dat haar vader toch nog verstandig blijkt te zijn.

 

© peter gortworst / aug. 2020
Afbeelding: © ggw-stock.adobe.com

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 7 reacties

IJspret

Er moet wat gebeuren. Zo gaat het niet langer. Allemaal leden die trouw hun contributie betalen maar ze krijgen er niets voor terug. Al drie winters geen ijs van betekenis op hun ondergelopen land. Gelukkig treft het bestuur geen blaam. Zonder temperaturen onder nul kan een ijsvereniging niets beginnen en daarom zijn ze nu in vergadering bijeen. Wat doen wij? Gaan we geld teruggeven of organiseren wij iets.

De penningmeester ligt direct voluit gestrekt, dwars. De kas plunderen door leden geld terug te geven?! Over zijn lijk! De overige leden van het bestuur zouden juist blij moeten zijn met dit overschot. Stel dat het komende winter wel vriest en er zit te weinig geld in kas? Wie betaalt dan alle kosten voor het onder water zetten van de baan en het optuigen van het terrein? Dit is een onzalig idee en men moet maar wat anders verzinnen. Hier werkt hij niet aan mee.
Men vergaderd stug door tot de oplossing is gevonden. Een feestavond in de feestzaal van de Harmonie. Live music, de eerste twee drankjes gratis en minisnacks tegen betaling. De toegang is gratis op vertoon van de lidmaatschapskaart.

Klaas en Netty hebben er zin in. Zo eind februari zijn de dagen nog kort, de feestdagen liggen al ver achter hen en voorlopig is er ook niets in het verschiet. Eindelijk organiseert hun ijsclub iets leuks. Schaatsen kunnen beiden wel vergeten. Netty heeft een kunstheup maar loopt daardoor een beetje mank en Klaas kan helemaal niet schaatsen. Feesten kunnen ze wel. Als de besten.

Het is druk, warm en gezellig. Al snel verliezen ze elkaar uit het oog. Netty zit aan de witte wijn met zes vriendinnen en Klaas zit aan de tafel met de sterke verhalen aan het bier. Dan is het tijd voor de polonaise. Hossend hobbelt men achter elkaar aan en Klaas komt Netty tegen. Zij ziet het direct.
‘Gossie Klaas, heb je gedronken?’
Ai. Daar hebben ze niet aan gedacht. Normaal maken ze een afspraak wie drinkt en wie niet. Vanavond zijn ze dat vergeten.
‘Ik ben aan het zuipen,’ deelt Klaas met ontroerende eerlijkheid mee.
Goede raad is duur. Ook Netty is niet meer broodnuchter.
‘Ik drink niet meer,’ zegt ze, ‘dan rijd ik wel terug.’
‘Je bent lief,’ meent Klaas.

In de kleine uurtjes is het feest afgelopen. Een dun laagje sneeuw maakt het Klaas en Netty lastig als ze naar hun auto lopen. De ramen zijn bevroren. Klaas offert zich op om zonder handschoenen het ijs van de ramen te krabben. Het lukt hem niet. Zijn bewegingen missen enige coördinatie en als hij languit op de motorkap ligt maakt Netty het karwei af. Ze zet Klaas in zijn stoel en gespt hem vast. Voorzichtig rijdt ze huiswaarts.

Ook zonder één drup alcohol was het haar niet gelukt de slip te voorkomen. De rotonde is een ijsbaan en voor ze het in de gaten heeft staat ze verkeerd om.
‘Wat doe je nou?’ vraagt Klaas.
‘Weet ik niet. Hij glee weg.’
‘Je moet omdraaien,’ zegt Klaas in een helder moment, ‘Zo ga je de verkeerde kant op.’
‘Ja, dat weet ik ook wel,’ snauwt Netty. Die heeft de politiewagen al gezien en ze weet wat er komen gaat.
Netty draait de auto terwijl de politiewagen, als beveiliging, het zwaailicht heeft aangezet. Nauwlettend houden beide agenten de auto in de gaten en zodra ze van de rotonde af is, krijgt ze een stopteken. Schuivend en met kleine pasjes komt de agent op haar af. Ze draait het raampje een klein stukje open.
‘Wat was dat nou voor spannende actie?’ vraagt de agent.
Voor Netty iets kan zeggen meent Klaas er zich op dat moment  mee te moeten bemoeien.
‘He agent! Moet jij nog laat werken met dit kloteweer?’ lalt hij.
De agent bukt zich om te zien wie er zo tegen hem praat. Dat had hij beter niet kunnen doen. Zijn voeten glijden naar achteren en zijn enige houvast is de buitenspiegel.
‘Wel verdorie!’ moppert Klaas. ‘Die zit met zijn handen aan mijn spiegel!’
Voor Netty hem kan tegenhouden staat hij naast de auto en glibbert naar de agent.
Omstandig probeert hij de spiegel weer in de goede stand te zetten terwijl hij flink tegen de agent tekeer gaat. Als hij dan ook nog probeert de pet van de agent te pakken, vindt deze het welletjes. Hij dirigeert Klaas naar zijn plaats en Netty doet net zo hard mee.

Klaas zit weer en Netty krijgt op haar hart gedrukt dat ze voorzichtig moet rijden.
‘Het is maar goed dat u rijdt,’ meent de agent, ‘Uw man is in kennelijke staat. De hele auto stinkt naar drank.’
‘Ja,’ zegt Netty met een klein stemmetje, ‘Vies hè? Dank u wel hoor.’
‘Ze vervolgt haar weg nog langzamer rijdend dan ze al deed.
‘Zo,’ zegt Klaas met een schaterende lach, ‘Daar zijn we toch goed weggekomen.’
‘Dronkenlap,’ zegt Netty vertederend.
‘Koude lucht werkt verhelderend, lief meisje van mij.’
‘Dat zullen we thuis nog wel eens zien,’ en ze probeert zo verleidelijk als mogelijk is, te kijken.
Klaas is gelukkig. Het feest is nog niet voorbij.

 

© peter gortworst / juli 2020
afbeelding: schaatsers onderzetters zazzle.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

De zuchtende barman

Wanneer je als cursusleider bijna alleen maar in de grote steden van de randstad werkzaam bent, is een klus van vier dagen in Maastricht een welkome afwisseling. Ze heeft de bureaumedewerkster gevraagd een klein, knus hotel te boeken in een dorp net buiten de stad. De standaard hotels met snelle streberige zakenlui en jolige werklieden, kunnen haar even gestolen worden. Ze heeft uitgekeken naar de rust van het platteland met ’s avonds een wandeling door de omgeving. Even geen hectiek en het nuttige met het aangename verenigen.

De cursusdag is ten einde en ze rijdt de stad uit, op weg naar haar overnachtingsadres. ‘Hotel Café Restaurant’ staat er op de gevel en verwachtingsvol druk ze de koperen deurklink naar beneden. De ruimte wordt overheerst door een enorme bar. De koperen reling is dof en de barkrukken staan schots en scheef. Op de donkerbruine tafeltjes liggen roodbonte plastic zeiltjes. De stoelen, dezelfde die ze kent uit tijd dat ze nog thuis woonde en in dezelfde donkerbruine kleur, staan ordelijk gerangschikt rondom de tafels. Dat dan weer wel. De planken vloer is bruin. De wanden zijn crèmekleurig gestukt en het balken plafond is voor het gemak met dezelfde verf behandeld als de vloer. Aan de wanden hangen koperen schemerlampjes met rode kapjes. Het licht wat ze uitstralen is meer bedoeld om hun aanwezigheid te tonen dan hun omgeving te verlichten. Al met al maakt het een sombere indruk die nog versterkt wordt door de man achter de bar. Hij is op leeftijd en zijn gezicht straalt een zorgelijk bestaan uit. Dan ontdekt ze in de hoek van de bar een gast. Diep gebogen zit hij op zijn kruk. De kin rust net niet op de bar. Voor hem een groot glas bier en zolang het daar beneden in dat glas helder geel is en de hemel schuimend wit, is het leven goed. Ze noemt haar naam en de barman vertelt dat ze kamer drie heeft. Die is boven en de sleutel zit in de deur. Hij zucht zo diep na deze mededeling dat ze zich afvraagt welke lichamelijke inspanning deze zucht rechtvaardigt.

Als je het aardig zegt is de kamer gedateerd maar het ruikt fris en het is schoon. Het bed ligt lekker maar de tv is een onmogelijk klein ding wat te ver van het bed aan de muur hangt. Ze zoekt de afstandsbediening en ontdekt dan dat zo iets moderns hier niet van toepassing is. Handbediening en meer dan zes kanalen zijn er niet. Het douchen is een genot, ze trekt makkelijke kleren aan en gaat naar beneden om wat te eten.

Zodra ze zit komt de barman met de kaart. Er staan niet veel gerechten op maar het is gevarieerd. Ze besteld een witte wijn, een uiensoepje en medaillons van varkenshaas. Met een diepe zucht hoort hij haar aan en vertrekt richting keuken.
In de hoek van de bar wordt enig gestommel hoorbaar. De onderkant van het glas is niet meer helder geel en de schuimend blonde hemel vertoont lelijke gaten. De dame achter de bar en waarschijnlijk de wederhelft van de barman, tapt een nieuw glas en de rust keert weder.

Het eten is goed en het smaakt haar. Gedurende haar maaltijd is het langzaam drukker geworden. Bij de bar staan een aantal mannen met elkaar te praten en twee andere tafeltjes zijn bezet door twee stelletjes. Ze is klaar en veegt haar mond af met een servet. Zodra ze het servet op de tafel legt wordt het rumoeriger. Blijkbaar heeft men uit beleefdheid gewacht met wat luider praten tot zij klaar was. Ze glimlacht, staat op en loopt naar buiten.
Een korte wandeling zal haar goed doen.

Zonder Google Maps zou ze in deze vreemde omgeving reddeloos verloren zijn. Als zij in een warenhuis een andere uitgang neemt dan die waar ze binnengekomen is, heeft ze geen idee waar ze zich bevindt. Zo iemand kan niet zonder deze app op haar telefoon en vol vertrouwen in dit stukje techniek loopt ze het dorp uit. De zon daalt richting horizon en het is aangenaam koel. De heuvels bieden mooie vergezichten en ze is blij dat ze geen hotel in de stad genomen heeft. Een duidelijk bejaarde man op een fiets komt haar tegemoet. Hij houdt de trappers stil als hij haar passeert en steekt hij zijn hand op. ‘Haije’,  zegt hij. ‘Hoi,’ zegt ze. Nog geen minuut later komt hij haar achterop. Weer zegt hij ‘Haije’ en weer zegt zij ‘Hoi’. Verschillende malen kijkt hij daarna achterom. Een gevaarlijke bezigheid want hij slingert op die momenten vervaarlijk. Dan slaat hij rechtsaf het erf van een kleine boerderij op. Het zou haar niet verbazen wanneer hij, samen met zijn vrouw, haar vanachter de gordijnen staat te bespieden. Wie is dat en wat moet die hier?
Ze kruipt in bed. Morgen om half acht is het ontbijt klaar en moe van de lange dag slaapt ze in.

Ze wordt wakker omdat ze een vliegtuig hoort. Even weet ze niet waar ze is. Het geluid wordt steeds harder en harder. Met schrik bedenkt ze dat het ding misschien wel neerstort maar laat het dan niet op dit hotel zijn. Dan vliegt het met donderend geraas over het hotel. De ramen rinkelen en verstijft van angst ligt ze in bed. Ze kijkt op haar horloge. Zes uur! Ze staat op en drinkt een glas water. Net als ze besloten heeft om verstandig te zijn door nog een uurtje te gaan slapen, komt er een tweede vliegtuig aan. Slapen kan ze wel vergeten. Ze neemt een douche, pakt haar boek en gaat op bed liggen lezen. Tegen half acht gaat ze naar beneden. De ontbijttafel is al gedekt.

Volgens de barman is de wind ongunstig. Bij deze wind liggen ze precies in de aanvliegroute van Maastricht Airport. Hij heeft het over de randen van de nacht en ze begrijpt dat het randje om zes uur begint of eindigt als je uitgaat van de nachtelijke slaap. Met een diepe zucht laat hij weten dat dit donderende geweld niet goed is voor de constructie van zijn gebouw en dat ambtelijke molens in Nederland en Duitsland verdomd langzaam draaien. Volgens hem wachten ze net zo lang met ingrijpen tot het niet meer nodig is omdat zijn hotel in elkaar is gestort.

De tweede cursusdag is achter de rug. Ze heeft weer makkelijke kleren aangetrokken en wacht aan haar tafeltje tot de barman met de kaart komt. De barman komt wel maar de kaart niet. Ze kan kiezen uit een karbonade of een eigengemaakte gehaktbal. Daar komen dan spinazie en gekookte aardappelen bij. Ze neemt de karbonade.
In de hoek van de bar zit de man met zijn bierglas. Ze vraagt zich af of hij er weer zit of nog steeds. Toch eens vragen. Ook nu wordt het tijdens haar maaltijd langzaam voller. Er zijn er meer dan gisteren maar de stemmen klinken gedempt. Dan krijgt ze idee. Ze is klaar en veegt haar mond af met het servet maar in plaats van het neer te leggen, laat ze het van dertig centimeter hoogte vallen. De ridders van het toernooi spelen het spel van de bevallige jonkvrouw perfect mee. Zodra het servet de tafel raakt gaat het volume vier standjes omhoog. Voor haar avondwandeling kiest ze een andere route. Ook een mooie en zonder bejaarde op de fiets.

De wind is blijkbaar gedraaid. Ze wordt wakker van haar wekker en heeft geen vliegtuig gehoord. Dat heeft ook effect op de barman. Hij zucht nog steeds maar minder diep. Hij vraagt of het haar stoort als hij, terwijl ze eet, de vloer gaat dweilen. Nee, dat stoort haar niet. Ze vindt het zelfs leuk om naar mensen te kijken die werken. Uit zijn diepe zucht maakt ze op dat de humor niet begrepen wordt.

’s Avonds zit ze voor de laatste maal aan haar tafeltje. De barman komt met een dampend bord naar haar toe. Een gehaktbal, rode kool en gebakken aardappelen. Met een ‘Astublief, eet smakelijk’ loopt hij weg. Ze eet dus met de pot mee en is dat nu gemakzucht of iets van erbij horen. Eén ding is zeker: de zuchtende barman weet hoe een gehaktbal moet smaken. Aan de bar is het rustig. De man met zijn bierglas is er weer of nog en verderop aan de bar zitten drie mannen die normaal met elkaar praten. Veel kan ze er niet van verstaan maar het klinkt gezellig. Ze maakt geen wandeling maar gaat bij een kapelletje op een bankje zitten. Naarmate het donkerder wordt vallen de geluiden langzaam weg. Een zanglijster en een merel bieden met hun gezang nog tegen elkaar op tot ze beiden er plotseling de brui aangeven. Het concours eindigt onbeslist.

De wind is weer ongunstig. Klokslag zes ligt ze weer schuddend in bed. Ze gaat douchen, doet haar nette pakje aan, pakt haar koffertje in en gaat naar beneden. De barman laat weten dat ze te vroeg is. Er is wel koffie maar het ontbijt is nog niet klaar. Ze kan wachten en neemt de kans waar om hem te vragen naar de klant met zijn bier op ooghoogte. Het blijkt dat hij hier elke avond zit. Het is een triest geval. Een man alleen en niets om handen. Dit is zijn tweede huis. Ze moet even wachten tot er weer een vliegtuig de voegen uit de stenen heeft gevlogen maar dan vraagt ze waarom hij altijd zo zucht. Hij kijkt haar verbaasd aan en weet zich van de prins geen kwaad. Zuchten? Hij? Ongelovig kijkt ze hem aan. Dat kan hij niet menen. Is er nooit iemand geweest die gevraagd heeft waarom hij zoveel zucht? Nee, niet dat hij zich kan herinneren en het is haar beurt om maar eens diep te zuchten.

Na het ontbijt betaalt ze de rekening. Een belachelijk laag bedrag dat ze cash voldoet. Als hij vraagt of alles naar wens was kan ze dat alleen maar bevestigen. Met een diepe zucht zegt hij ‘Mooi. Dan wens ik u een goede thuisreis en wie weet, tot ziens.’
Bewust of niet. De diepe zucht doet toch een beetje afbreuk aan die mooie wens.

 

© peter gortworst / juli 2020
afbeelding: catenacycling.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Koninklijk in Groningen

Dit is het derde en laatste verhaal van een serie. Als je de vorige nog niet gelezen hebt kan je dat beter eerst doen. Dit zijn de links:

https://petergortworst.com/2017/08/30/ontheemden/
https://petergortworst.com/2020/06/18/weerzien/

Ze staat met haar auto een paar minuten te laat voor zijn woning. Hij opent de deur en laat haar binnen.
‘Sorry dat ik te laat ben,’ zegt ze schuldbewust.
‘Te laat? Hoe kom je daar nu bij? Je bent er nu toch? Ik ben blij dat je mijn huis gevonden hebt.’
‘Vindt je het niet erg?’
‘Nee, natuurlijk niet. Wil je koffie?’
‘Graag,’ en terwijl hij in de keuken de koffie inschenkt, kijkt ze rond in zijn huiskamer. Op een kastje staan wat foto’s. Ze bekijkt ze één voor één.
Met twee kopjes komt hij de kamer binnen.
‘Dat zijn al mijn kinderen en kleinkinderen,’ zegt hij als ze met een groepsfoto in haar handen staat.
‘En dat was mijn vrouw.’
Ze bestudeert de foto aandachtig.
‘Ze ziet er lief uit.’
‘Dat was ze ook. Het was er een uit duizenden.’
Ze kijkt om zich heen en vraagt dan:
‘Woon je hier helemaal alleen?’
‘Ja…?’
‘En maak je hier alles zelf schoon? En kook je ook voor jezelf?’
‘Ja…? Hoezo? Vindt je dat bijzonder?’
‘Eigenlijk wel ja. Kunnen meer Nederlandse mannen dat?’
‘Ik denk het wel. Niet alle maar als ze alleen komen te staan zullen ze wel moeten.’
Ze neemt kleine slokjes koffie en hij ziet haar denken.
‘Nou, waar gaan we heen?’ vraagt ze dan.
Hij pakt zijn mobieltje. Vooraf heeft hij op Google-maps zijn geboortedorp al opgezocht en de route bekeken. Hij laat het haar zien.
‘Het is een heel eind maar we maken een stop voor de koffie.’

Ze zijn onderweg en ze laat hem rijden. Zij heeft meer ervaring met autorijden in den Haag dan op de grote weg en bovendien kan ze dan om zich heen kijken. Als ze een stop gemaakt hebben bij het monument op de Afsluitdijk en hij alles vertelt wat hij weet over de Waddenzee, het IJsselmeer met de palingvangst en de vele oude vissersdorpen, begint het hem op te vallen dat alles nieuw voor haar is.
‘Zeg mij,’ vraagt hij, ‘Hoe vaak en hoe ver ben jij uit den Haag geweest?’
‘Een paar keer.’
‘Hè!? Een paar keer?’
‘Ja, mijn man was van mening dat we in den Haag alles hadden wat nodig was. Het Scheveningse strand voor de deur en Madurodam als favoriete uitje met de kleine meid. Hij was het liefste thuis. Soms mocht ik naar mijn zus. Die woont ook in den Haag maar hij vond het beter als ik ook thuis was.’
‘Mocht?’
‘Ja…..’
Hij kijkt even opzij. Met een uitdrukkingsloos gezicht staart ze voor zich uit.
‘Het was niet goed,’ zegt ze na een lange stilte.
‘Nee, dat lijkt mij ook niet.’
Zijn gevoel zegt te stoppen met dit onderwerp. Zonder twijfel zal het later nog ter sprake komen maar nu is het niet het goede moment.

Ze komen aan in zijn geboortedorp. Bij de kerk parkeert hij de auto en samen lopen ze door de smalle straatjes. Op de plek waar zijn schooltje stond staan nieuwe huizen. Dat voelt als een teleurstelling maar met een opgewonden blosje op de wangen vertelt hij hoe het vroeger was, wat ze beleefden en wie waar woonde. Zij ziet een man op leeftijd terug gaan in de tijd en geniet. Bij een huis wat onbereikbaar is gemaakt door hekken, staat hij stil. Het huis staat leeg en dikke houten palen stutten de voorgevel. De linkerkant van het dak is ingestort. Meer dan een bouwval is het niet. Achter hen is een bewoner aan het werk in zijn tuintje.
‘Moi,’ zegt de tuinder.
Ja, moi, antwoord hij.
Dan wijst hij naar de bouwval en zegt:
‘Dei is goud toutoakelt’
‘Nee, dat hoese het betere tieden kend. Nog ain beving en’t stort hailendoal in mekoar.’
‘Ik heb doar woont. Mien olheer was schoulmaster.’
‘O, moar dan kin ik die wel. Doe bist, noa dien trouwn, weggoan noar ‘t westn. Hou ist der mit?’
Dan realiseert hij zich dat zij er geen woord van kan verstaan en met een korte uitleg van wat er net gezegd is, gaat hij verder in het Nederlands. Ze is aangenaam verrast dat hij haar bij het gesprek wil houden.
De tuinder wil weten hoe het hem vergaan is. In grote lijnen verhaald hij zijn leven. Als de tuinder hoort dat Mieke is overleden spijt hem dat. Mieke was de dochter van de timmerman en een lief kind. Menige jongen was knap jaloers toen hij met haar verkering kreeg.
Met een laatste blik op zijn oude woning zoeken ze de auto weer op. Hij wil haar voor vandaag nog één ding laten zien en rijdt naar het noorden. Ze maakt een opmerking over de weidsheid van het land. Hij grinnikt en zegt, in de hoop dat ze de liedjes van Jacques Brel niet kent, dat de enige bergen hier de kerken zijn. Ze moet er om lachen.

Hij parkeert de auto aan de voet van de dijk en neemt haar mee naar boven.
‘Hou je maar aan mij vast. Ik heb drie benen.’
Ze kijken uit over de Waddenzee. De wind is fris en hij gaat zo staan dat ze in zijn luwte staat. Ze huivert. Deels door de wind en deels omdat ze onder de indruk is van de oneindigheid in dit landschap. Land, water en lucht. Meer is het niet maar dit weinige is een voor haar ongekende schoonheid.
‘Vind je het mooi?’
‘Ik wist niet dat dit bestond. Ik vind het prachtig.’
‘Mooi,’ zegt hij en zijn oude Groninger hart klopt vol trots.

Het hotel is klein en gemoedelijk. De receptie wordt bemand door de eigenaar. Een grote kerel met een ontzagwekkende snor. Ze krijgen de sleutel van kamer 2. Het blijkt een ruime kamer te zijn met twee bedden die op afstand van elkaar worden gehouden door een nachtkastje. De badkamer is comfortabel en modern. Het raam biedt uitzicht op de kerktoren die, volgens Snorremans, tot ’s avonds zeven uur met de luidklok de tijd laat horen. Tot de volgende morgen zeven uur is hij dan stil wegens klagende bewoners. Ze kunnen ’s nachts van de herrie niet slapen.
‘Het is de import die klaagt mijnheer. Onze eigen mensen weten niet beter maar die nieuwe….. nee….’
Zijn gezicht verraad een innerlijke afschuw van formidabele omvang.
Hij legt zijn weekendtas op bed. Zij een kleine koffer.
“Zullen we eerst wat gaan eten.’ vraagt hij.
‘Ja, ik heb best wel honger.’

Ze nemen een tafeltje in de hoek, bij het raam. Onopvallend kijkt hij naar haar als ze de menukaart leest. Hij voelt zich gelukkig. Aan tafel zitten met een prinses, een exotische prinses zelfs, is iets wat hij een maand geleden niet had kunnen dromen. Hij voelt zich koninklijk en de koning te rijk. Na enig overleg bestellen ze beiden hetzelfde. De rode wijn smaakt uitstekend en het gesprek gaat over van alles en niets. Dan vraagt ze plotseling:
‘Heb jij je vrouw vaak geslagen?’
Zijn mond zakt open van verbazing. Duizend gedachten flitsen door zijn hoofd. Hier zit meer achter en dat vraagt de behoedzaamheid van een hengelaar die zijn vis op het droge moet krijgen.
‘Ik heb haar nooit geslagen. Een man doet dat niet of beter gezegd, zou dat niet mogen doen. Een man die zijn vrouw slaat is een zwakkeling, een mispunt, een, een…..’
Hij weet even geen woord waaruit zijn afschuw moet blijken.
‘Waarom vraag je dat?’ wil hij weten.
Ze haalt even haar schouders op en heeft spijt van de vraag die ze hem gesteld heeft. Ze had kunnen weten dat hij niet is zoals haar eigen man was. Deze man behandeld haar met een respect die ze nog nooit ervaren heeft. Het zijn niet alleen de deuren die hij voor haar open houdt, het is niet de bezorgdheid die hij toonde op de dijk, het is niet de aandacht die hij voor haar had toen hij met die oude bekende in dat rare taaltje stond te praten en het zijn niet de oprechte vragen en antwoorden die hij stelt en geeft. Het plaatje is groter. Het is weten geliefd te zijn zoals je bent. Als ze ergens haar hart kan luchten is het nu, bij deze man. Ze heeft hem nog niet vertelt dat hij niet de enige was die gewacht heeft op die bank van de boulevard. Eén keer heeft ze hem daar zien zitten maar de durf om op hem toe te stappen ontbrak. Nu zit hij tegenover haar en ze voelt zich meer op haar gemak dan ze vooraf voor mogelijk heeft gehouden.

Ze vertelt en hij luistert. De grote lijnen van haar verhaal kent hij inmiddels. Nu vertelt ze uitvoeriger en met meer details. Over het vooropgezette plan om haar naar Nederland te laten komen. Haar man en de man van haar zus kenden elkaar en toen die zwager vertelde dat een leuke en gedienstige Filipijnse vrouw een zegen is voor elke man, was het plan geboren. Een huishoudster, een sexslaafje en een moeder van je kind ineen. Beter kan je het als man niet voor elkaar hebben. Voor hun trouwen was hij de voorkomendheid zelve maar zodra alle papieren in orde waren en de gang naar het stadhuis achter de rug, veranderde alles. Ze was gevangene in haar eigen huis en wist niet beter. Haar zus leefde een soortgelijk leven dus blijkbaar was dat normaal. Net zo normaal als de klappen die ze kreeg. Ze weet nog dat ze buiten westen werd geslagen toen haar kleine meid een paar woordjes in haar eigen taal zei. Ze had dat in het geheim haar geleerd. Uitzinnig van kwaadheid was hij geweest toen hij dat hoorde en dat heeft ze aan den lijve ervaren. Een vlek in een broek die er niet uitging, aardappelen die te zout waren, een aanrecht wat niet schoon en opgeruimd was, haar menstruatie op momenten dat hij weer wilde of de abortus die ze moest ondergaan omdat hij één kind mooi genoeg vond; altijd was er wel een reden om te slaan, te kleineren of vernederen. Haar dochter ziet ze nauwelijks. Het is een vaderskindje dat het nog nooit heeft gezegd maar wel liet blijken dat de hartaanval van haar vader, deels haar schuld moet zijn. Ze schaamt zich bovendien voor die domme moeder die niets weet van het leven en die nergens over kan meepraten. Je vrienden en vriendinnen mee naar huis nemen kan ze daardoor wel vergeten. Wat zullen ze wel niet denken?

Hij hoort haar aan, zijn grote hart bloedt en er staan tranen in zijn ogen. Hij wil iets doen, haar troosten, haar omarmen, haar laten weten dat ze beter verdiend maar hij weet niet hoe. Een tafel met rode wijn, varkenshaas en gebakken aardappelen staat in de weg. Mooie volzinnen met diepe betekenissen ontbreken.
‘Hier schrik ik toch weer van. Het is erger dan ik al wist. Ik ben blij dat je het mij vertelt,’ zegt hij zacht.
‘Je bent de enige die dit alles nu weet. Zeg eens eerlijk, vindt je mij een slechte vrouw?’
Hij kijkt haar diep in die mooie donkerbruine ogen en zegt:
‘Nee, natuurlijk niet. Je bent een prinses die een slechte kikker heeft gekust. Jouw prins was een stinkende draak uit de onderwereld maar je bent nog steeds die prinses. Niet voor mij. Je hebt moed getoond door mij deelgenoot te maken van jouw bestaan. Daarmee ben je voor mij een koningin geworden.’
Ze slaat haar ogen neer en een traan loopt langs haar wang omlaag. Gedienstig vist hij opnieuw een papieren zakdoekje uit zijn zak. Deze keer niet voor hemzelf maar voor haar. Een koning doet dat voor een koningin.

Een beetje onwennig staan ze in de kamer.
‘Getal onder de tien,’ zegt hij.
‘Drie!’
‘Goed. Jij mag eerst in de badkamer.’
Geduldig wacht hij tot ze klaar is. De deur gaat open en in een lange nachtjapon komt ze binnen. Haar gezicht ziet er anders uit en onderzoekend bekijkt hij haar.
‘Niet zo kijken,’ zegt ze, ‘Ik heb geen make up op.’
Ze zegt het bloedserieus en hij vermoedt dat ze in haar vorige leven met make up in bed moest liggen.
‘Dat zie ik en het bevalt mij uitstekend. Je bent er nog mooier op geworden.’
Getroffen zwijgt ze. Weer zo’n onverwachte opmerking die haar diep raakt.
Het is zijn beurt en in een heuse flanellen pyjama komt hij de badkamer uit. Jasje en lange broek. Lichtblauwe strepen van boven tot beneden. Zo goed en zo kwaad als het gaat draait hij, met zijn stok als middelpunt, een pirouette.
‘Tataaa!!’
Ze schiet in de lach.
‘Kom eens hier,’ zegt ze.
Als hij voor haar staat, draait ze hem om. Er hangt een label aan zijn kraag en met een korte ruk verwijdert ze deze.
‘Nieuw?’
‘Ja,’ bekent hij. ‘Normaal slaap ik alleen in mijn onderbroek maar dat leek mij niet zo gepast.’
‘Dat heb je dus voor mij gedaan?’
‘Ja, en vindt je hem mooi?’
‘Hij is prachtig.’

Het licht is uit en ze luisteren naar elkaars ademhaling. Beiden laten de dag aan zich voorbijgaan en als eerste vertrekt hij naar dromenland. Wanneer hij ’s morgens wakker wordt ligt zij naast hem. Haar hand ligt op zijn borst en haar hoofd op zijn schouder. Hij draait zijn hoofd een beetje en steekt zijn neus in haar zwarte haren. Dan streelt hij haar arm met die prachtige donkere huid en een diep gevoel van geluk gaat als een trilling door zijn lijf. Hij blijft stil liggen tot ze wakker wordt.
‘Goedemorgen,’ zegt ze.
‘O, zeker,’ antwoord hij.
Ze rekt zich uit en draait zich op haar rug. Met een glimlach staart ze naar het plafond.
‘Weet je nog wat je zei toen wij elkaar voor het eerst spraken?’ vraagt hij.
‘Dat van dat verleden en de toekomst?’
‘Ja, dat. Je zei toen “Hier heb je geen verleden en in het verleden wat je had, zit geen toekomst.” Denk je niet dat wij, ieder met ons verleden, samen wel een toekomst kunnen hebben?’
Ze kijkt hem aan.
‘Ja,’ zegt ze, ‘Met jou wel.’

Snorremans bekijkt het stel aan de ontbijttafel en wat hij ziet, maakt hem vrolijk. Er is niet veel mensenkennis voor nodig om het geluk tussen deze twee mensen te zien. Als hij op hen toestapt en vraagt of alles naar wens is, blijkt dat zo te zijn. Dan zegt hij:
‘Het gaat mij niet aan maar ik denk dat jullie wat te vieren hebben. Jullie stralen als een lentezon boven een korenveld. Gefeliciteerd met wat het ook zijn mag maar ik zou het een eer vinden als jullie over één jaar hier terugkomen om dit weekend opnieuw te vieren.’
Ze kijken blij verrast. Dan zegt hij:
‘Ik vind dat een wonderschoon idee. Schrijf maar in je boek dat volgend jaar deze koning en koningin hier hun opwachting weer komen maken.’
‘Natuurlijk Sire, het is mij een eer,’ zegt Snorremans en buigt diep. Een goed gastheer weet hoe het hoort.

 

© peter gortworst/juni 2020

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Weerzien

 

Dit is een vervolg van het verhaal ‘ontheemden’. Misschien is het handig om dat eerst nog even te lezen voor je hier verder gaat. De link:

https://petergortworst.com/2017/08/30/ontheemden/

 

Toeval is een raar iets. Zo kan het gebeuren dat je toevallig iemand ontmoet waarmee je een gezamenlijke ervaring kan delen. Ogenschijnlijk een wereld van verschil en toch bijna alles gemeenschappelijk. Dat was ook bij hem het geval. Dat die ontmoeting, toen, bij hem meer heeft los gemaakt dan hij voor mogelijk houdt, is dan weer geen toeval. Het kleurt al lange tijd zijn dagen. Het is zelfs zo erg dat het ritje met de tram naar de boulevard, wat hij ongeveer twee maal per maand maakt, een frequentie krijgt van drie maal per week. Hij wil haar zo graag nog een keer zien en met haar praten. Natuurlijk, het is een mooie donkere vrouw maar er is meer, veel meer dan dat. Het is niet alleen haar oogopslag of haar stem. Het is de verbinding met haar die, dieper dan hij menselijkerwijze voor mogelijk houdt, met haar voelt. Het verlangen in haar stem is ook zijn verlangen. Haar verdriet is zijn verdriet en haar uitzichtloosheid het zijne. Hij weet nu, na bijna drie jaar, de gevoelens nog op te roepen en het verlangen om haar weer te zien, is onverminderd groot. Talloze malen is hij op hun bank gaan zitten in de hoop haar daar weer te zien.

De tram stopt bij het Kurhaus. Hij stapt uit en loopt rechts van het Kurhaus naar de boulevard. Daar slaat hij linksaf. Het is een stukje lopen maar dan komt hij bij hun bank. Misschien wel de enige waar het uitzicht het minst verpest wordt door de strandtenten. Dan blijft hij stokstijf staan. Er zit een donkere vrouw met diepzwart haar.  Is ze het nu wel of niet? Bijna struikelend over zijn stok haast hij zich vooruit en als hij buiten adem voor haar staat, kijkt ze hem aan.
‘Groningen?’ zegt ze.
Hij knikt.
‘Filipijnen?’
Ze glimlacht en met een uitnodigend gebaar vraagt ze hem om naast haar te komen zitten. Vadertje tijd maakt, in het algemeen, mooie herinneringen mooier en de slechte minder slecht. Hier had de tijd beter zijn best moeten doen. Ze is vele malen mooier dan hij zich kan herinneren. Haar lach is stralender dan een winterse zon in de sneeuw, haar ogen zwarter dan de donkerste nacht, haar tanden als stralende witte parels en haar glimlach maakt hem net zo verlegen als die keer dat hij moeders vertelde dat hij verliefd was op zijn kleuterjuf. Hij kijkt naar de mooie bruine huid op haar onderarm en kan met enige moeite de nijging onderdrukken om haar huid te strelen.
‘Ik heb je gemist,’ zegt hij.
‘Waarom?’
Er komt geen antwoord. Wat zal ze wel niet denken als hij haar alles vertelt?
‘Ben je hier vaker geweest?’ vraagt ze.
Hij knikt.
‘Hoe vaak? Elke dag? Elke week?’
‘Als het mooi weer was twee, drie keer per week.’
‘Al die jaren?’
Hij knikt weer. Ze is even stil en vraagt dan:
‘Voor mij?’
‘Ja…’
Ze wendt haar hoofd af en staart naar de horizon. Zo onopvallend mogelijk vist ze een zakdoekje uit haar tas. Het is lang, heel lang geleden dat er iemand was die dit voor haar over had en het raakt haar diep. Ze dept haar vochtig geworden ogen.
‘Dat is lief,’ zegt ze en weet direct dat ze met dit understatement zichzelf en hem te kort doet.

Men moet niet proberen om twee levens in één uur aan elkaar te vertellen. Het maakt bovendien dorstig zodat ze besluiten verder te gaan aan een tafeltje bij één van de vele gelegenheden op de boulevard. Op weg daarheen geeft ze hem een arm. Hij loopt als op vleugels gedragen.
Ze bevragen elkaar. Ze vertellen en praten. Zij is oprecht verbaasd dat er blijkbaar een gewone lieve man bestaat. Die niet doet alsof maar werkelijk geïnteresseerd is en wijze dingen broodnuchter kan zeggen. Hij hoort met ontzetting haar levensverhaal. Zijn conclusie dat zij gewoon de huishoudelijke hulp van haar man was die bovendien, als het hem uitkwam, geneukt kon worden, vervult hem met verdriet en onbegrip. In zijn grote, troostende hart is plaats genoeg en zonder dat het gezegd is, weet ze dat. Die grote en grofgebouwde man die aan geen enkel schoonheidsideaal voldoet, krijgt iets warms, iets vertrouwds. Niet alleen liefde maakt blind. Vertrouwen, je gewaardeerd en geaccepteerd weten, doen dat ook.

Tijd gaat snel als je het goed hebt. Buiten is het al donker en samen lopen ze naar de tramhalte. Zij moet straks overstappen en ze beloven elkaar te bellen. Ze staat op en net als hij haar een hand wil geven, bukt zij zich en geeft hem een zoen op zijn wang. Ze zwaait hem gedag als ze uitstapt en hij weet niet beters te doen dan terug te zwaaien. Die avond wast hij zijn gezicht niet.

Ze bellen elkaar dagelijks. Soms praten ze over koetjes en kalfjes. Soms over zaken die met gevoel en emoties te maken hebben. De ene keer zijn ze met vijf minuten klaar en een andere keer kan het een uur duren. Dan, op een mooie vrijdag, durft hij eindelijk een vraag te stellen waar hij al een week mee rondloopt.
‘Ik wil je wat vragen,’ zegt hij.
‘O…, nou, shoot!’
‘Ik wil je meenemen naar Groningen. Ik wil je laten zien waar mijn jeugd ligt, hoe weids en mooi het landschap is, je de zee laten zien zonder strandtenten, je de wind laten voelen en ruiken zonder dat het verpest is met frituurluchtjes of parfum van zonnebrandcrème.’
‘Joh, wat een verrassing. Wat leuk!’
Hij is enigszins overdonderd. Zonder al te veel hoop heeft hij de vraag gesteld en zich bij voorbaat al neergelegd bij een afwijzing.
‘Is dat niet ver rijden?’ vraagt ze dan.
‘Ja, maar ik ga een auto huren. Dan kunnen we vroeg weg.’
‘Waarom? Ik heb toch een auto?’
‘Oh?’
‘Is het misschien een idee om gewoon op tijd weg te gaan en daar ergens een hotelletje te boeken waar ze twee aparte bedden op een kamer hebben? Dan hoeven we ons niet te haasten. Ik ben nog nooit in Groningen geweest dus ik moet er wel van genieten. We maken er gewoon een leuk uitje van. Is dat wat?’
Hij probeert een antwoord te geven maar meer dan wat stamelende geluiden komen niet uit zijn mond.
‘Kan jij daar een hotelletje regelen?’ vraagt ze dan.
Dat moet hem wel lukken. Dat zal zeker lukken! Door zijn hoofd schieten de plaatsen in het noorden van Groningen. Waar is het leuk? Waar zou er een goed hotel zijn?
‘Natuurlijk kan ik dat. Ik ga dat regelen. Ik vind vast wel iets moois.
‘Fijn. En wanneer gaan we?’
‘Volgende week vrijdag?’
‘Ja. Is goed. Ik kijk er nu al naar uit.’

 

© peter gortworst / juni 2020
foto: de.foursquare.com

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

De kudde

In een tijd die niemand zich nog kan heugen en in een land hier ver vandaan, waar de weiden weldadig groen zijn en de bossen donker en boosaardig, woont een grote schaapskudde. De kudde is zo groot dat één schaapsherder met zijn hond het alleen niet aankan. Als de kudde naar een andere weide moet en hij van achteren de schapen naar voren jaagt, staan ze vooraan nog stil. En als hij, tussen de dieren doorlopend, eindelijk bij de voorste aankomt om deze aan te moedigen, zijn de achterste al weer vergeten dat ze opgejaagd werden. Er is niemand die de herder wil helpen en daarom heeft hij, ten einde raad, de kudde gevraagd zichzelf te weiden.

De schapen hebben er eerst geen oren naar. Het is nog al niet wat om zelf te beslissen waar ze kunnen grazen. Het aangename leven van geleidt worden en zich geen zorgen maken over wat er moet gaan gebeuren, geven ze niet zomaar op. Waarom verzint die man nu zoiets? Het ging toch al tijden goed? Maar als de herder ze er fijntjes op wijst dat hun aantal gedurende de jaren vele malen groter is geworden en dat nu juist dàt de problemen geeft, begint er enige besef te dagen. Ze hadden zelf ook wel door dat hun aantal de spuigaten uitloopt. Vroeger kon je nog aan een lam vragen van wie hij of zij er eentje was maar als je dat nu doet schiet je er geen steek mee op: geen idee wie de ouders van dit schaap zijn. Vroeger liet je de kop zakken en was daar sappig groen gras. Nu moet je, zeker als je in het midden van de kudde staat, echt je best doen om wat te kunnen grazen. Voor je het weet hebben de buren het al opgegeten. Als de herder dan ook nog belooft dat ze zelf de schapenscheerders mogen uitkiezen is het pleit beslecht. De jaarlijkse scheerbeurt is voor velen een bezoeking. De lompe onbehouwen scheerders zijn hen een doorn in het oog en een nagel aan hun doodskist. De goede zijn zeldzaam maar juist hen willen ze dan gaan vragen. Ze kiezen een bestuur van vijf schapen en één ram en beloven dat ze heel goed naar hen zullen luisteren.
Het leven is weer op orde. Het bestuur bestuurt en de schapen zijn gehoor- en volgzaam. Planmatig grazen ze de weiden en de scheerbeurt was dit jaar een ongekend genoegen.

Dan, op een vroege morgen als de eerste zonnestralen de dauwdruppels op hun wollen vacht als sterretjes laten glinsteren, ontdekken ze dat ze ‘s nachts bezoek hebben gekregen. Midden in de kudde hebben een paar herten de nacht doorgebracht. Een beetje verwonderd kijken ze deze dieren aan. Ze hebben zelf toch een slaapplek dus wat moeten ze hier? Ze zullen toch ook nog niet van hun gras gaan eten! De herten begrijpen de blikken en vertrekken stilletjes. Niemand spreekt een woord.

De volgende nacht zijn ze er weer. Een lam wordt naar het bestuur gestuurd en zie daar, er wordt kordaat gereageerd. De ram stapt op de herten af en vraagt naar de bedoeling van deze logeerpartij. De herten vertellen dat er sinds kort een wolf in het bos woont en dat zij lijfelijk voorzien in het dagelijkse levensonderhoud van dit monster. De bescherming van de schaapskudde houdt hen vooralsnog in leven en voorkomt dat hun aantal tot een minimum beperkt wordt. Daar schrikt de ram van. Overdonderd door de nood van deze dieren laat hij de herten grootmoedig weten dat zij welkom zijn mits zij zich onthouden van het gras. De herten zijn hem innig dankbaar. Opgetogen over zijn besluit laat onze ram de kudde weten hoe de vork in de steel steekt maar de reacties zetten hem met vier poten terug op aarde.

Wat eet de wolf als er geen herten meer in het bos zijn? Denkt de ram nu werkelijk dat het monster daar op een houtje zal gaan bijten? Heeft de ram wel eens aan de mogelijkheid gedacht dat de wolf de schaapjes uit hun eigen geliefde kudde zou kunnen opeten? Het moet toch niet gekker worden! Zo brengt die ram zijn eigen volk naar de slachtbank.

Het bestuur trekt zich in vergadering terug en na vele uren is men er uit. De ram zal het bos ingaan om met de wolf te spreken. De inzet zal het vertrek van dit monster zijn en mocht dat niet lukken dan is er nog een voorstel tot wijziging in het dieet. De grazige weiden zijn immers vergeven van woelmuizen? Hen opeten geeft een win-winsituatie. De wolf komt niet van de honger om en de schapen struikelen niet meer in alle gangen die deze diertjes maken. Met goede moed trekt de ram het bos in.

Het duurt enige dagen maar dan is de conclusie gerechtvaardigd dat deze operatie niet zo’n goed idee was. De ram komt niet terug en men vreest niet meer het ergste. Het is het ergste. Een behoorlijk aantal lammeren zal het moeten doen zonder vader en het bestuur zit met de handen in de wol. De reacties uit de kudde zijn niet mals. Een heleboel achteraf wetenschappers maar ook veel complotdenkers. Wie zegt ons dat de herder daar niet achter zit? Hij was het toch die opmerkingen maakte over hun grote aantal? Wie weet mist hij zijn machtspositie en probeert hij dit zelfstandige volk weer onder de duim te krijgen. Enigen onder ons hadden hem horen klagen over de kosten van de scheerbeurt. Goede scheerders kosten nu eenmaal meer geld en wellicht heeft hem dat opgebroken. Het bestuur moet maar eens bij hem op bezoek en hem stevig aan de tand voelen.

Met lood in de schoenen staan ze bij de herder voor de deur. Deze laat hen binnen en vraagt waarom de ram er niet bij is. Zorgelijk deelt men mee dat er een vermoeden van overlijden bestaat en dat dit tevens één van de redenen van hun bezoek is. De herder hoort het hele verhaal aan en vraagt of de herten er ’s nachts nog zijn. Die zijn er nog. Er is hen immers belooft dat ze daar mogen blijven. Hen wegsturen en zo ten prooi laten vallen is niet ethisch toch? Daar is de herder het mee eens en op de vraag of de wolf al kuddeleden op zijn menu heeft staan wordt schoorvoetend bevestigend geantwoord. De herder belooft het bestuur een groot elektrisch hek te gaan plaatsen. Zo groot dat de hele kudde, inclusief de herten, daar veilig de nacht kunnen doorbrengen.

Het hek is er gekomen en dankzij dit stukje techniek leeft de kudde met hun gasten wat langer en gelukkiger. Helaas menen sommigen kuddeleden dat ze zo in hun vrijheid worden beperkt. Ze zijn vrije schapen die zich niet door een hogere macht laten knechten en daarom kiezen zij er voor om buiten de omheining de nacht door te brengen. Dat hun aantal nacht na nacht afneemt moge duidelijk zijn.
Vrijheid is niet kosteloos. Dat blijkt maar weer.

 

© peter gortworst / juni 2020
foto: natuurmonumenten.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties