Stofdoek

 

Het knetterende geluid van zijn bromfiets is door het open raam al van ver te horen. Ze zet zich bijna letterlijk schrap tegen wat weer komen zal: de minachting, de onredelijkheid en het verzet tegen haar aanwezigheid. De veronderstelling van haar nieuwe vriend, dat het na een periode van gewenning best wel goed zal gaan, is alles behalve waar gebleken. Haar aanwezigheid wordt door deze jongste zoon beslist niet op prijs gesteld en te pas en te onpas laat hij dat blijken. Ze heeft geprobeerd er boven te staan, normaal te doen, te praten om vooral hem te laten praten maar niets heeft geholpen.

Ze zet zich aan de keukentafel met twee kopjes thee. Achter het huis komt de brommer tot stilstand. De deur van de bijkeuken gaat open en ze hoort de plof van de helm op de vriezer. Als de keukendeur opengaat kijkt ze hem aan. Hij ontwijkt haar blik.
‘Ik heb net thee gezet. Wil je ook een kopje?’ vraagt ze.
‘Mens, doe normaal!’ en met grote stappen verdwijnt hij naar boven.

Het duurt maar even voor hij met een knetterende vloek de trap afstormt.
‘Je bent in mijn kamer geweest!’ schreeuwt hij met een bijna overslaande stem.
‘Ja, ik heb even het wasgoed op je bed gelegd. Het is schoon en gestreken.’
‘Jij hebt niets in mijn kamer te zoeken! Het is mijn kamer! Hoor je dat? Mijn kamer!’
‘Ik hoor je maar het leek mij heel normaal om je kleren te wassen, te strijken en op je bed te leggen.’
‘Het kan mij niet schelen wat jij normaal vindt. Mijn echte moeder zou zoiets nooit doen. Die wist donders goed dat ze daar niets te zoeken had. Dát is normaal. Jij bent mijn moeder niet. Niets, helemaal niets in dit huis is van jou. Het enige wat je blijkbaar goed kan is mijn vader neuken. Prima maar laat mij daarbuiten!’

Het is de druppel in de bekende emmer. Ze schiet vol en het lukt haar niet om haar ogen droog te houden. Weg is de sterke vrouw die met redelijkheid de problemen probeert op te lossen. Ze wendt zich af en scheurt een vel van de keukenrol. Dat hij zichtbaar schrikt van zijn eigen woorden en de nieuwe situatie ontgaat haar daardoor. Ze hoort alleen zijn voetstappen op de trap.

Ze drinkt haar thee en wacht tot er een half uur verstreken is. Dan staat ze op en gaat naar boven. Ze klopt zacht op de deur van zijn kamer.
‘Ja?’ klinkt het gedempt.
‘Ik wil even binnenkomen om wat te vertellen,’ zegt ze.
De deur gaat open en ze ziet een knul die even niet meer stoer doet. Ze ziet zijn rode ogen. De ogen van een kind.
Hij gaat op zijn bureaustoel zitten en zij zet zich op de rand van het bed. Dan vertelt ze in de wetenschap dat in haar zwakte de grootste kracht licht. Ze vertelt van haar eigen huwelijk wat fout liep omdat zij geen kinderen kon krijgen. Dat ze afgedankt werd als een kapotte stofzuiger en nee, hij heeft gelijk: niets in dit huis is van haar omdat ze domweg niets had. Over de ontmoeting met zijn vader die haar accepteert zoals ze is en haar eigenwaarde hielp te hervinden. Die moeite heeft om zijn gevoelens kenbaar te maken, dat nooit geleerd heeft en het daarom ook niet door kan geven. Over de blijdschap die ze voelde toen bleek dat hij nog thuis woont en haar wil om hem te leren kennen, te leren van zijn leefwereld en vooral hem gelukkig te zien. Over haar wetenschap van het alcoholprobleem van zijn moeder, het verdriet dat dit nog steeds geeft en dat juist deze wetenschap haar motiveert om dit gezin gelukkiger tijden te laten beleven. Over dat ze heel goed weet dat zij zijn moeder niet is. Dit ook niet wil en kan zijn maar desondanks toch voor hem wil zorgen. Over de genegenheid die er tussen hen nog niet is maar wel zou kunnen komen

Hij zit in zijn stoel. Een beetje krom en starend naar de grond.
‘Net zijn vader,’ denkt ze, ‘En net zo stil.’
Ze laat de stilte voortduren en wacht.

‘En nu?’ vraagt hij dan.
‘Ik blijf’.
Hij knikt zachtjes.
‘Vind je het wel goed dat ik een beetje voor je zorg? Je hoeft niet alles alleen te doen. Ik kan meer dan alleen je vader neuken,’ zegt ze met een glimlach.
Geschrokken kijkt hij haar aan.
‘Sorry,’ zegt hij, ‘Had ik niet mogen zeggen.’
‘Ik ben het vanaf nu ook al vergeten.’
Ze staat op en loopt naar de badkamer. Uit de kast vist ze een pakje papieren zakdoekjes, opent het en neemt er één uit.
‘Hier,’ zegt ze, ‘Voor een snotneus.’
Hij grijnst.
‘Zal ik je even een stofdoek komen brengen om af te stoffen?’
‘Doe ik straks zelf wel.’

Als ze in de keuken staat om het avondeten te koken komt hij bij haar staan.
‘Waar vind ik een stofdoek, Marian?’
Ze wijst hem het mandje en bijna jubelend zegt ze:
‘Neem de blauwe, Mark, dat is de schoonste.’
Hij heeft haar bij haar naam genoemd!

 

© peter gortworst / sept 2018
foto: depositphotos.com 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 9 reacties

Kijken

 

De wandeling is lang. Zelfs de hond, normaal de energie zelve, is aan het sjokken geslagen. De uitspanning met terras aan het water is daarom een welkome gelegenheid om de moede voeten tot rust te laten komen. In een hoekje van het terras is nog een tafeltje vrij en na de kaart bestudeert te hebben leunt hij met een diepe zucht achterover. Als de serveerster komt en zijn bestelling opneemt, vraagt ze of de hond misschien wat water wil. Hij is blij verrast met deze attente vraag en als de bak met water voor de hond wordt neergezet, blijkt ook zij deze verzorging te waarderen.

Het is druk op deze zomerse dag. Hoewel het een gewone doordeweekse dag is en de schoolvakanties al weer voorbij zijn, is het hier vol. Veel ouderen die, getuige het aantal gestalde fietsen, het mooie weer gebruiken voor een dagje uit, drie heren in pak met een stapel papieren op tafel, een jong en overduidelijk verliefd stelletje en een vrouw alleen. Zij zit vier tafeltjes verder.

Zijn bestelling wordt gebracht en genietend van het koele vocht, volgt hij het binnenvaartschip wat stroomopwaarts vaart. Als het zicht op de boot hem ontnomen wordt door de terrasbezoekers valt het hem plotseling op dat de vrouw, die alleen aan het tafeltje zit, naar hem kijkt. Hij kijkt even terug maar wendt dan zijn blik af. Hij is niet zo’n held die brutaal terug gaat kijken. Dit soort vrouwelijke belangstelling maakt hem eerder onzeker. Zo onopvallend mogelijk controleert hij zijn uiterlijk. De gulp is dicht, er zit geen broekspijp per ongeluk in zijn sok, de schoenveters zitten vast en met een veeg door zijn haar stelt hij vast dat er geen takje of grasspriet in is blijven hangen. Een blik op de hond die onder te tafel is gaan liggen, vertelt hem dat ook daar alles is zoals het moet zijn. Schijnbaar willekeurig laat hij zijn blik dwalen en weer treft deze, de nog steeds naar hem kijkende, vrouw.

Hij neemt een slok en over de rand van het glas kijkt hij even naar haar. Ze zal ongeveer zijn leeftijd zijn. Ze is slank, mooi gebruind, donkerblond en casual gekleed.
Hij weet niet wat hij moet doen. Als hij zich een kwartslag draait valt dat natuurlijk op en als hij dan wil controleren of ze nog steeds naar hem kijkt ligt dat er helemaal duimendik bovenop. Misschien moet hij haar vriendelijk toeknikken en haar uitnodigen om bij hem aan het tafeltje te komen zitten. Maar wat als ze dan nee zegt en er misschien een scene van maakt? Toch maar zichzelf overwinnen en proberen glashard terug te kijken? Een ander tafeltje zoeken kan hij wel vergeten: het terras is vol. Hij weet het niet en daarom kiest hij ervoor om zijn gezicht op te heffen naar de zon, de ogen bijna te sluiten en door de kiertjes haar te bezien.

Ze heeft een hand onder haar kin gelegd en kijkt naar hem. Geen spoor van emotie. Geen lach en geen boze of onderzoekende blik. De term ‘uitdrukkingsloos’ schiet hem door het hoofd. Is zij iemand uit een ver verleden die hij zou moeten kennen? Lijkt hij op iemand die zij misschien kent? Een verstorven geliefde of familielid? De onzekerheid gaat met zijn gedachten op de loop. Hij schudt zijn kop, opent de ogen en richt zijn aandacht op de hond. Het beest is blij met die aandacht en gaat staan. Meer dan gewillig laat zij zich het aaien welgevallen. Misschien doet die vrouw het wel om hem te pesten? Of zou het om de hond gaan? Hij laat de hond de hond en als de serveerster zijn kant opkijkt bestelt hij nog wat te drinken. Hij rekent gelijk af zodat hij weg kan wanneer het hem uitkomt. De serveerster staat nu bij de vrouw. Ook zij rekent af en ook zij blijft nog zitten en nog steeds kijkt ze. Wanneer hij het glas naar zijn mond brengt merkt hij dat zijn hand trilt. Hij schrikt van zichzelf. Een kijkende vrouw doet hem meer dan hij dacht. Raar eigenlijk. Normaal is hij de spontaniteit zelve, legt makkelijk contacten en is zeker niet beducht om wat anderen over hem denken. Hij neemt zich voor om straks, als hij weg gaat, op haar af te stappen en te vragen waarom zij zo naar hem kijkt. Dat durft hij best.

Het glas is leeg en hoezeer hij het ook durft, er is wat tijd nodig om alle moed bij elkaar te rapen. Net als hij wilt gaan staan komt ook de vrouw overeind. Omdat hij de hond nog los moet maken is zij al onderweg naar de uitgang. Voor het etablissement ziet hij dat ze haar fiets van het slot haalt. Als ze opstapt kijkt ze hem, met een kleine glimlach om haar lippen, nog even aan. Dan fietst ze weg in de richting waaruit hij kwam. Ze kijkt nog een keer om en steekt als groet haar arm omhoog.

In vertwijfeling ziet hij haar gaan. De moede voeten zijn morgen voorbij. De vrouw zal nog weken door zijn hoofd spoken.

 

© peter gortworst / sept 2018

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat -26-

De laatste.

Toen kon ze nog op schoot…..

 

Nog een paar dagen en dan wordt ze 1 jaar. Tijd voor de 26e column over haar en hem. Het is tevens, met grote mate van waarschijnlijkheid, de laatste. Een heel jaar aan vreugdevolle, lastige, onbegrijpelijke, verrassende, ontroerende, humorvolle, tandenknarsende en schaterende belevenissen is vastgelegd en daarmee is het ook wel mooi geweest.

Niet dat Kuri inmiddels een gearriveerde, rustige en welopgevoede huisgenoot is geworden. Bijna dagelijks maakt hij wat met haar mee. Zo was daar het dagje aan het strand. Een Hollandse hond die nog nooit de zee heeft gezien, kan natuurlijk niet. Dat ze wat last had van haar darmen mocht de pret niet drukken. Een autorit van meer dan twee uur ook niet. Het zand alleen al was een belevenis: het stuift, je kan er hard in rennen en keren. Graven is helemaal het einde. De zee was eerst eng. Golven die zomaar verdwijnen, die maken dat je plotseling moet zwemmen en je ook nog terugduwen. Maar die tennisbal. Die zal, hoe dan ook, gehaald moeten worden.
Toen hij op de terugweg in Den Oever een haring hapte en een bakje kibbeling verorberde, weigert ze een stukje kibbeling. Raar maar de oorzaak werd duidelijk toen hij net de eerste sluizen van de Afsluitdijk gepasseerd was. Ze buigt zich voorover en produceert een kleine binnenzee met wat laatste resten van onverteerde brokken. De eerste mogelijke stop was het monument. Daar met een bekertje de wateroverlast, zo goed als mogelijk, bestreden en toen herinnerde hij zich dat zout water een prima braakopwekkend middeltje is. Net weg bij het monument verplaatst zij zich naar de laadvloer. Mocht hij vergeten zijn dat haar darmen niet helemaal in orde waren, zij laat hem wel weten dat het nog steeds zo is. De strontgeur verdwijnt niet met de ramen open en de eerste stopmogelijkheid is Breezanddijk. Een volle keukenrol als standaard auto-uitrusting lijkt hem in het vervolg geen slecht idee. Op de terugweg kip gekocht en haar, weer thuis, op een rantsoen van gekookt pluimvee met rijst gezet.

Een bezoekje aan het Tierpark in Nordhorn werd een belevenis waar zij, in de nacht die daarna kwam, heel veel van verwerken moest. De biggetjes waren leuk, de koe en de ezel groot, de aapjes niet interessant maar alle kinderen wel, de panter zag ze niet, de eenden onbereikbaar en de wolven gelukkig ook. Een glasplaat belette het lijfelijk contact tussen haar en de nazaten van verre voorouders. Dat was maar goed ook. Wolven, grommend en blaffend met de tanden bloot aan de ene kant en zij, borstelend van haar kruintje tot haar staart, aan de andere kant. Dat heeft indruk gemaakt. Een nacht met piepen en trekkende poten was dan ook niet verwonderlijk.

Bezoek is altijd leuk en op bezoek gaan, ook. Aandacht is het beste wat er is en ze leert al aardig dat je met kleine kinderen een beetje voorzichtig moet zijn. Dat valt niet mee voor een dame met een aangeboren lompheid maar ze doet (meestal) haar best. Dat doet ze ook met het opvolgen van commando’s. Vaak luistert ze maar de Oost-Indische doofheid slaat op cruciale momenten toe. Als er bijvoorbeeld een paar eenden in een moddersloot zitten of als er een jogger in een nogal strak pak van onnatuurlijk groen met roze (wie wil daar nu in lopen?), halt houdt om een praatje te maken. Dan kan je heel braaf aan de voet zitten maar zo’n man vráágt gewoon om aandacht. Het snoeiharde ‘NEE!!’ van de baas komt niet eens aan. Laat staan dat er naar geluisterd moet worden.
De drang om joggers, fietsers, trekkers, audi’s of toyota’s te apporteren is nog niet helemaal weg. Soms waagt ze het begin van een spurt maar zijn uitroep ‘Lekkers?’ wint het nog steeds. Dat lekkers in de vorm van stukjes kaas of gekookte worst zal altijd wel de motivatie blijven. Hij denkt niet dat ze daarin veel verschilt met soortgenoten.

Bijna 1 jaar dus en hij is blij met zijn trutje. De diepe zucht als ze haar kop op zijn been legt, het lekker tegen hem aanleunen als hij ’s morgens buiten op het bankje wakker zit te worden, het op je voeten gaan liggen als ze tijdens de wandeling even verplicht uit moet hijgen, het enthousiast komen brengen van haar kong als hij dat vraagt, het bij hem willen zijn als dit soort verhaaltjes geschreven worden….. het is genieten met een dikke vette G.

Het laatste verhaaltje van hem met zijn trutje. Zoals eerder geschreven is dit met een hoge mate van waarschijnlijkheid. Bij deze beloof ik haar trouwe fans dat, wanneer er belangwekkende gebeurtenissen plaats vinden, daar verslag van wordt gedaan. Die zullen niet geplaatst worden onder het hoofdstuk ‘Orde, rust en regelmaat’. Ik denk dat er een nieuw hoofdstuk gemaakt gaat worden. Welk weet ik nog niet. Komt tijd, komt raad. Voor nu neem ik afscheid. Hoog tijd om mij bezig te houden met de voorbereidingen van de verjaardag. Het ga jullie goed! Waf!

 

© peter gortworst / sept. 2018

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , , , | 5 reacties

Schrijver op de berg

 

Het bankje waar hij op zit is een halve boomstam en staat onder het ver doorlopende dak. Leunend tegen de houten gevel van het huisje kijkt hij uit over het dal. Niet dat daar veel te zien is. De regen valt overvloedig het uitzicht is met veel grijs en mistige flarden wolk zeer beperkt. Ook de stilte die hij gehoopt had hier te horen is daardoor weg. Het onbedaarlijk ruisen van de regen omringt hem en het water, wat via de regenpijpen over de aarde wegloopt, klatert niet vriendelijk maar bruist en dondert als een bezetene. Hoe lang dit gaat duren weet hij niet. Het enige wat hij weet is dat hij met dit rotweer wakker is geworden. Zijn mobieltje heeft geen bereik en als ze hier al iets hebben van een regenradar, heeft hij daar niets aan. Hoewel zijn oorspronkelijke plan best goed in elkaar zat, is alles is anders dan hij zich heeft voorgesteld. En dat ‘alles is anders’ is niet leuk.

Waarschijnlijk is gebrek aan slaap de oorzaak van zijn loslippigheid. Op een donderdagmorgen op je werk komen met een kop als een natte dweil roept bij een oudere collega de vraag op of hij slecht geslapen heeft. Zijn ‘Nee, het is laat geworden’ geeft een logisch ‘waarom?’ en dient natuurlijk ook beantwoord worden. Als hij, een tikje blozend, vervolgens bekent dat hij een boek aan het schrijven is en daar een groot deel van de nachtrust aan opgegeven heeft, wordt het plotseling voor die collega interessant. Dat had hij niet achter hem gezocht. Goh! Een doodgewone collega die een schrijver blijkt te zijn!

Als hij dan toch met de billen bloot moet dan ook maar helemaal en hij vertelt. Niets over de inhoud van het boek, nou ja, de grote lijnen, maar meer over de moeite die het kost om te kunnen schrijven. Dat moet in de gestolen uurtjes. In de weekenden en ’s avonds laat als de kinderen naar bed zijn en Janneke, zijn vrouw, voor de tv zit. Nee, zij vindt het niet leuk dat hij een boek schrijft. Het is ongezellig om alleen op de bank te zitten, alleen in bed te kruipen, een man in huis te hebben die er eigenlijk amper is. Hij begrijpt Janneke best en hoe vaak en hoe bevlogen hij ook aan haar vertelt dat zijn boek hun de kans geeft om uit de sleur van alle dag te komen, wat voor leuke dingen ze met het geld kunnen gaan doen, ze houdt haar twijfels en het lukt hem niet om haar enthousiast te krijgen. Zich spiegelen aan andere schrijvers die ook moeite hadden met hun eerste boek en hun armzalig bestaan, beurt hem dan wel op maar Janneke niet. Die meent dat er wel betere manieren zijn om extra geld in huis te halen maar zij heeft niet die drang die hij bijna dagelijks voelt. De drang om scheppend bezig te zijn, je waar te maken, uit te stijgen boven al je vrienden, kennissen en collega’s. Bekend en vooral gekend worden als iemand die meer kan dan men dacht.
Het hele verhaal, alle personages, alle gesprekken, alle sfeerbeschrijvingen, alle omstandigheden en zelfs het plot heeft hij al in zijn hoofd zitten. Als hij maar een paar dagen achter elkaar kon doorschrijven dan zou het boek zo goed als af zijn.

Als zijn collega hem zegt dat hij een huisje weet in Duitsland waar je door niemand gestoord wordt, komt dit als Gods woord in een ouderling bij hem binnen. Het is een beetje primitief maar het ligt prachtig tegen een bergwand met uitzicht over een dal. De weg daar naar toe loopt dood bij het huisje dus daar komt niemand. Zelf gaat hij daar in de zomer vaak naar toe en hij kent de verhuurder goed. Het is een boer die in het dal woont en hij kan deze man wel bellen om te vragen of je daar in een weekend terecht kan.

Het valt nog niet mee Janneke te overtuigen. Hij een beetje vakantie vieren in de bergen en zij opgesloten zitten in huis. Geen auto voor de deur want die heeft meneer mee en vrijdagmorgen gauw boodschappen doen voor het hele weekend omdat hij zo nodig vrijdagmiddag al wil vertrekken. Er vallen termen als ‘rotboek’ en er is zelfs sprake van enige achterdocht. Zijn aanbod om een selfie te sturen als hij daar is, wordt met een grimmig ‘Ja,ja’ aangehoord. Als hij haar een afscheidszoen wil geven draait ze demonstratief haar hoofd weg en gooit ze de voordeur met een daverende klap dicht.

De reis verloopt voorspoedig en dank zij het navigatiesysteem is de boerderij snel gevonden. Tot zijn schrik bemerkt hij dat zijn Duits niet zo goed is als hij dacht. Het duurt daarom even voor hij door heeft dat zijn auto hier moet blijven en de weg naar het huisje te voet afgelegd dient te worden. Als de boer zeker weet dat zijn huurder begrepen heeft dat hij over het bruggetje rechtsaf moet en alleen maar die weg hoeft te volgen, laat hij hem gaan. Een verdwaalde bewoner van dat vlakke Nederland in de bergen gaan zoeken is niet iets waar je op zit te wachten.

Een doosje met etenswaren onder de linkerarm en een rolkoffer voortslepen met je rechterarm is op een hobbelig karrespoor geen eenvoudige opgave. Het duurt daarom niet lang voor de koffer aan het handvat wordt gedragen. Met regelmaat worden doosje en koffer omgewisseld. Daar de weg alleen maar omhoog gaat, wordt elke wisseling tevens gebruikt om even op adem te komen. Net als de twijfel over de juistheid van de route opkomt, ziet hij het bruggetje. De weg rechtsaf is een steil omhoog lopend en smal pad. Op de steilste stukken heeft men van vlakke stenen iets van een trap gemaakt maar deze bestijgen zonder risico van onderuit gaan met beide armen vol, is te hoog. Het doosje met etenswaren verstopt hij daarom onder een paar struiken. Eerst maar die koffer omhoog slepen.

Via het pad dat af en toe zo vreselijk omhoog gaat dat men er zelfs haarspeldbochten in aangebracht heeft, komt hij puffend en hijgend en met een kop als een biet bij het huisje. Even waant hij zich een Israëliet die voor het eerst het beloofde land ziet. Hij stapt binnen en ontwaart een spartaans ingerichte kamer. Een enorme open haard domineert als een gek. In een hoek staat een tweepersoonsbed, de open keuken is niet meer dan een werkblad met twee kastjes eronder, een stenen wasbak en een houtgestookt fornuisje. In de andere hoek staat een eettafel met twee stoelen en voor de open haard een nogal verschoten sofa. Lichtelijk ontgoocheld kijkt hij om zich heen. Dat ‘een beetje primitief’ was, wat men noemt, een understatement. Hij laat de boel de boel en daalt het pad af om zijn doosje op te halen.

Het doosje ligt op zijn kant. De zak waar de kadetjes in zaten is leeg, de ham en de kaas zijn helemaal verdwenen en de tandensporen in de zo goed als lege plastic fles met twee liter halfvolle melk tonen aan dat de plaatselijk wildstapel zich dit buitenkansje niet aan hun uitstekende neus voorbij hebben laten gaan. Het pak koffie, de twee doosjes met gedroogde soep en de bekers met spaghetti bolognese die je tot het streepje met heet water moet vullen, zijn nog heel. Zachtjes vloekend klimt hij weer omhoog.

Als de kamer blauw staat van de rook herinnert hij zich dat de schoorsteen van de open haard eerst voorverwarmt moet worden door er een paar brandende kranten in te leggen. Hij neemt dit zichzelf niet eens kwalijk. Hij is ondertussen van de ene in de andere toestand van verbazing geraakt en inmiddels heeft deze de graad van verbijstering bereikt. De ontdekking dat er geen stromend water is maar een regenton met een kraantje is de eerste. De ontbrekende douche en de constatering dat het kraantje van de ton ook medeverantwoordelijk is voor de persoonlijke hygiëne, maakt twee. Na enig zoeken vindt hij het toilet. Een klein hok, zo’n 20 meter achter de berghut, met daarin een dikke balk boven een diep gat. In de gauwigheid telt hij 12 luchtverfrissers keurig op een rij aan een balkje van het dak. Desondanks stinkt het als een oordeel.
Het ontbreken van elektriciteit maakt duidelijk dat de olielamp er niet voor de show hangt maar het besef dat hij zonder die elektriciteit met zijn laptop weinig kan uitrichten overtreft alles. Dat waarvoor hij een lange rit gemaakt heeft, zijn Janneke verdrietig en boos achterliet, zijn weekend met een extra vrije dag opgaf om hier te kunnen schrijven valt in het water. Als hij dan ook nog ontdekt dat hij met zijn mobieltje geen bereik heeft en dus de beloofde selfie niet kan verzenden, vervalt hij in een diepe droefenis die gelardeerd wordt met dikke lagen zelfbeklag. Vechtend tegen de tranen stookt hij het fornuisje op en als er eindelijk koffie is en hij zijn noodlot tot aanvaardbare proporties terug heeft geredeneerd, besluit hij te gaan schrijven tot de batterij van de laptop leeg is. Dat is sneller dan hij dacht en in de hoop op een droomloze nacht, stapt hij in bed.

Wachten op beter weer is geen optie. In de bergen kan het van het ene op het andere moment opklaren maar daar heeft hij de tijd niet voor. Als er nog iets van zijn schrijfwerk terecht moet komen dan kan hij beter iets gaan doen. Er moet vast iets van een dorp of stad in de buurt zijn waar hij zijn verloren gegane proviand kan bijvullen en iets kan vinden om zijn schrijfkunsten de vrije hand te geven. Hij doet zijn jas aan en begint aan de lange weg naar het dal. Het blijkt een gevaarlijke onderneming. Het pad is een lange weg van glibberig modder en spekgladde stenen. Op enkele plaatsen heeft het water bezit genomen van het voetpad en er een waterweg van gemaakt. Hij sopt in zijn schoenen en met de nodige angst in zijn hart vreest hij de val die schijnbaar onvermijdelijk gemaakt zal worden. Niet alles gaat fout. Heelhuids bereikt hij zijn auto. De dichtstbijzijnde stad is een half uur rijden en ondertussen wordt zijn telefoon bijgeladen.

In de stad koopt hij twee dikke schriften, drie pennen en eten voor de resterende anderhalve dag. In een Kiosk neemt hij een bord patat met een halve kip en stuurt zijn selfie naar het thuisfront. Dat hij daar geen reactie op krijgt verbaast hem niet.

Als hij bij zijn berg aankomt is het droog en vol goede moed vangt hij de tocht naar boven aan. Dat het, dank zij de gladheid langer duurt dan gisteren, kan zijn pret niet drukken. Straks kan hij schrijven als een echte schrijver. Op papier met een pen en in armzalige omstandigheden zal zijn boek, zijn kindje, zijn roman waarmee hij zal debuteren en waardoor hij alom geroemd zal worden, gestalte krijgen. Het wordt een bestseller en Janneke zal trots op hem zijn.

Op één van de steilste stukjes schiet zijn rechterbeen naar links onder hem vandaan. Voor hij weet wat er gebeurt rolt hij de berg af en smakt tegen een grote steen die de eeuwigheid daar neer heeft gelegd. Maandagmorgen gaat de boer hem zoeken. De afspraak is immers dat hij zondagmiddag zou vertrekken. Hij is snel gevonden. Op het pad ligt een plastic tasje met boodschappen en een heel stuk lager ligt de eigenaar daarvan. Doodstil en in een rare houding. De bemanning van de heli haalt hem daar weg. Niet omdat er nog wat te redden valt maar omdat het zo een stuk veiliger is.

 

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: papercm.com  

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Regen

 

 

Lange tijd van uitzonderlijke droogte
En van hitte die lam maakt en lui.
Is eindelijk voorbij want vanuit grote hoogte
Valt een verfrissende bui.

Met schier ondoorgrondelijke logica
Verdrijft dit natte hemelwater
Mijn lust in ijsjes en alcoholica.
Ten laste van menig café-uitbater.

We kunnen wel wat water gebruiken,
Kwam uit de mond van velen.
En ziet, boven opent men de luiken.
De druppels veranderen in pijpenstelen.

Het gaat maar door en door en door.
En wordt een zomerse dag,
Met een riviertje in elk karrenspoor,
Verstiert met die broodnodige neerslag.

De regenton is vol en het is droog
En tot grote vreugde van de hond
Houd ik de riem uitdagend omhoog.
Helaas, daar is het volgende waterfront.

Mismoedig turen wij door de ramen
en bezien een weerkundige klucht.
Het valt niet te veronachtzamen:
’t water valt met bakken uit de lucht.

De tuin is nu ook zichzelf niet meer.
Hoe armzalig en sober het ook was
Menig kenner van enig waterbeheer
Kan weinig beginnen met dit nieuwe moeras.

De schaal gaat van vies naar viezerd
Maar wentelt als het bekende boomblad.
Wat nu neerkomt heet miezert
En daarvan wordt je ook nat.

Noem het hemelwater, bui of domweg regen.
Met standvastige gestadigheid,
Welkom of beslist ongelegen,
Vergaat de dag in vallende nattigheid.

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: nl.123rf.com

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , | 1 reactie

Aards bakkie

 

 

‘Dus jij bent, wat ze Duitsland noemen, een Schriftsteller?’
De eminente grijsaard vouwt zijn krant dubbel, legt deze op de stoel naast hem en kijkt hem over zijn halve brilletje nieuwsgierig aan.
‘Hm, ja, zo heet dat daar.’
‘En waarom schrijf jij van die verhaaltjes?’
‘Omdat ik het leuk vind om te doen. Om elk verhaaltje zo bondig mogelijk in goed Nederlands op te schrijven, is elke keer weer een uitdaging. Soms gaat dat heel snel en andere keren ben je dagen met een verhaaltje bezig omdat het maar niet goed wil worden.’
‘En wat verdien jij daar mee?’
‘Ha! Niks. Om eerlijk te zijn: het kost mij alleen maar geld. Dat geeft niet hoor. Elke hobby kost geld. Mijn beloning vind ik in het feit dat ik gelezen wordt en in de reacties die je soms krijgt’

Hij neemt voorzichtig het brilletje van zijn neus, vouwt de pootjes naar binnen en legt het met bedachtzaamheid op tafel. Dan buigt hij zich een beetje naar hem toe en zegt:
‘Nou, over mijn leven zou je een boek kunnen schrijven.’

 

Dat is een moeilijke zin. Hij heeft die al veel vaker gehoord. Een enkele keer heeft hij gevraagd wat er dan zo bijzonder in hun leven was dat dit wereldkundig gemaakt zou moeten worden. De antwoorden waren vaak teleurstellend. Een overwonnen ziekte, een droevig sterfgeval, een geweldige wereldreis, een zwaar ongeval, uit het oog verloren liefdes of een promotie op promotie. Voor de betrokkenen zijn die misschien wel levensbepalend geweest maar het grote publiek zit daar niet echt op te wachten. Tenzij je natuurlijk een bekend persoon bent. Dan schrijf je een boek over elke scheet die je dwars zit en is er altijd wel een uitgever te vinden die daar brood in ziet. Ieder ander maakt in zijn leven dingen mee die gewoon bij het leven horen. Het is slechts weinigen gegund om een leven te vieren wat zoetjes voortkabbelt en waarin geen schokkende dingen gebeuren.

Het is natuurlijk prima als je jouw ervaringen, je bergen en dalen, je geschiedenis op papier wilt zetten. Alleen het schrijven zelf geeft al voldoening en het helpt om voor jezelf dingen op een rijtje te krijgen maar verder zal het zelden tot een top-tien van meest verkochte boeken worden. Toch raad hij het mensen niet af. Je hoeft geen gevierd schrijver te worden om toch een bijdrage aan de geschiedenis te mogen leveren. Je nageslacht zal je er dankbaar voor zijn. Te weten wie en wat overgrootvader of moeder waren, hoe zij leefden en dachten, hoe hun wereld er uit zag is van een waarde die te vaak wordt onderschat. Het is niet zomaar geschiedenis. Het is jouw verhaal en het wordt hun geschiedenis.

Zijn tafelgenoot, de zich voornaam tonende grijsaard heeft natuurlijk ook zijn verhaal en de nieuwsgierigheid wint het.
‘Vertel,’ zegt hij uitnodigend.

 

En de grijsaard vertelt. Het begint normaal. Het gaat over zijn jeugd, zijn verliefdheid op dat ene meisje met wie hij uiteindelijk trouwde. Over de vier kinderen die zij kregen en die goed terecht gekomen zijn en over zijn carrière in de grafkistenfabriek.

‘Weet je,’ zegt hij, ‘de meeste mannen die last krijgen van hun midlifecrisis gaan gekke dingen doen. Ze kopen een motor, ruilen hun vrouw in voor een jonger exemplaar of willen met een zeilboot de wereld rond. Ik wilde een andere baan en uitvaartleider leek mij wel wat. Ik had natuurlijk contacten genoeg in die wereld en het was vrij eenvoudig om daar aan de bak te komen. Het leek mij zo mooi om mensen die te maken krijgen met het meest wezenlijke van het leven, de dood, te kunnen helpen. En het wás ook mooi. Zeker de eerste jaren maar gaandeweg loop je tegen wat mindere zaken aan. Omdat de kosten stegen moest er meer omzet gedraaid worden. Klanten heb je altijd. Dat is de enige en belangrijkste zekerheid in dit vak maar daar zo veel mogelijk aan verdienen is een ander verhaal. Ik weet nog dat er op een gegeven moment grafkisten op de markt kwamen van karton. Daar verdiende je geen stuiver aan dus tijdens het gesprek met de nabestaanden liet je even het zinnetje ‘vader begraven in een kartonnen doos’ vallen en geen mens durfde het daarna nog over dat soort kisten te hebben. Dat hele gedoe om steeds meer geld te verdienen aan mensen die op dat moment zeer beïnvloedbaar zijn, ging mij meer en meer tegen staan. En dan zit je tussen twee vuren. De klant die helemaal niet uit is op een dure kist omdat de overledene gecremeerd wordt en de baas die jouw dwingt om je uiterste best te doen toch die kist te verkopen.
En dan het menselijke aspect. Je moet je zakelijk opstellen maar dat lukte mij niet altijd.

En toen was er een vrouw waarvan de man was overleden. Zij gaf mij het besluit aan om het anders te gaan doen. Zij vertelde dat haar man een overtuigd communist was geweest die elke godsdienst werkelijk opium van het volk noemde. Men kon hem niet fanatieker krijgen dan door over de kerk of zo te beginnen. Op zijn sterfbed had hij plotseling liggen zingen. ‘De Heer is mijn herder, ik heb al wat mij lust. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden’. Ze wist werkelijk niet wat zij daarmee aan moest. Hij had bepaald dat tijdens het afscheid de Internationale gespeeld moest worden maar kon dat nog wel? Moest er niet toch een dominee komen? Moest er niet iets gezegd worden over die grazige weiden? Ja, en daar sta je dan. Wat moet je zeggen? Ik had toen ook maar een gewoon huis, tuin en keukengeloofje en daar kom je dan niet veel verder mee. We hebben zonder dominee de Internationale gewoon gedraaid en ik besloot om van de weeromstuit theologie te gaan studeren.’

‘Klinkt logisch.’

‘Ja hè? Dat dacht ik in al mijn naïviteit ook. Als je mensen wilt helpen, antwoorden wil geven op belangrijke vragen en geen gezeur over geld wil hebben, dan moet je dominee worden.’
‘En?’
‘’t Is niks geworden. Hoe meer ik leerde, hoe groter en talrijker mijn vragen werden en die kon ik niet kwijt. Ik heb moeilijke gesprekken gevoerd met de leraren maar ze konden mij niet overtuigen. Hoe kan je bijvoorbeeld een wereldbeeld, een visie op de vrouw of de verschillende vormen van relaties die schrijvers uit lang vervlogen tijden schreven en beschreven, toepassen op onze tijd? Dat wringt aan alle kanten en men weet dit! De kerk is niet voor niets voornamelijk gebaseerd op dogma’s die bepalen wat en hoe je moet geloven. Alsof de gelovigen een eenheidsworst zijn.  En weet je wat het gekke is? Toch geloof ik dat er een god is. Niet die van de kerken. Die bestaat volgens mij niet maar soms ontdek ik iets van god in gesprekken die ik heb gevoerd of tijdens een uitvaart. Nooit op het moment zelf. Altijd achteraf en als je dat met de familie bespreekt blijkt het vaak te kloppen. Ik denk dat er zonder mensen geen god is maar ik ben daar nog lang niet over uitgedacht. Misschien zal ik het ooit weten maar zolang dat nog niet het geval is, blijft het een prachtige ontdekkingsreis. Mooi is dat hè?’

‘Het klinkt goed. En toen? Bent u uitvaartleider gebleven?’

‘Nee, ik heb de wereld van uitvaarten gedag gezegd en doe nu een jaar lang niets. Financieel kan dat best uit en in dit jaar ben ik goed aan het nadenken over wat ik zal gaan doen. Ik heb van het jaar nog drie maanden over en wat ik zeker weet is dat ik niet terug ga naar het bedrijfsleven. Ik heb mijn bekomst van steeds meer en steeds beter. Zo af en toe help ik bij de voedselbank en ze hebben mij gevraagd om hen te helpen met het bepalen van beleid op langere termijn. Ik denk dat in dit soort werk mijn toekomst ligt.’

 

Ze zwijgen beide. De ene verwerkt wat hij heeft gehoord en de ander overdenkt wat hij heeft gezegd. Dan vraagt de grijsaard:
‘Wat denk je? Is het een boek waard?’

‘Ik denk dat u een levensinstelling heeft die u zeker moet delen met uw kinderen en kleinkinderen. Alleen daarvoor al zou ik het opschrijven. Wat uw ontdekkingsreis betreft in het geloof: volgens mij zijn daar al een professor en andere knappe koppen mee bezig geweest en hebben hun bevindingen ook gepubliceerd. Wat misschien mooi zou zijn is uw ontdekkingsreis te beschrijven in een taal die iedereen verstaat. Het taalgebruik van een professor is voor een niet-academicus wat lastig te volgen dus als u het voor elkaar krijgt om het in ‘normaal’ Nederlands te schrijven, zou dat best wel aan kunnen slaan. U bent niet de enige die zich daarover vragen stelt. Ik denk dat er binnen en buiten de kerk genoeg zijn die dit willen lezen. Het is een gok want zonder nog te ontdekken antwoorden ben je kwetsbaar maar als je deze kwetsbaarheid met de lezer deelt kan het ook je kracht worden.’

De grijsaard leunt achterover en kijkt nadenkend uit het raam.
‘Ja,’ zegt hij dan, ‘en als het niks wordt weet in ieder geval mijn nageslacht het. Goed, dankjewel, ik ga er mee aan de slag. Wil je nog koffie?’

‘Hm, ja, lekker. Even weer terug op aarde.’

 

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: esnverhuur.nl

    

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Stiekeme snoepert

Het roezemoest in het winkelcentrum. Een typische zaterdagmiddagroezemoes die bestaat uit muzak, huilende, lachende of krijsende kinderen, mensen die al pratend voorbij lopen of pontificaal midden in een looppad de doorgang blokkeren omdat de laatste ontwikkelingen van kleine Dennis gedeeld moeten worden met andere geïntersseerden. Gehaaste doelbewuste kopers, slenterende etalagebewonderaars, jeugdige macho’s in strakke T-shirts, slecht ter beengaanders achter de rollator en giebelende meiden. Het gebruikelijke bonte gezelschap wat je in elk winkelcentrum tegen kan komen.

Ik zit aan mijn extra large en extra sterke cappuccino als er een man mijn tafeltje passeert. Leeftijden schatten is niet mijn sterkste punt. Mijn schattingen zijn, voorzichtigheidshalve, steevast te laag en er is tot nu toe niemand geweest die daarover geklaagd heeft. Integendeel zelfs. Deze man schat ik op begin zestig. Hij zet zijn dienblad op een tafeltje bij de muur, hangt zijn jas over de leuning van de stoel en als hij gaat zitten, schuift hij het dienblad naar zich toe. Daarop bevinden zich een kopje koffie en een knaap van een moorkop.

De maatschappelijke discussie over de benamingen van etenswaren ben ik een beetje kwijt. Er was nogal wat te doen over negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken maar ik zou niet weten of de moorkop ook in dat rijtje thuis hoorde. Zo niet, dan zou dat alsnog moeten. Wat ik wel weet: zo’n ding is, met alleen een gebakvorkje, verdraaid lastig te eten.

Mijn observatieobject weet dat waarschijnlijk ook want hij heeft mes en een vork ter hand genomen en snijdt het gebak vakkundig in hapklare brokken. Met een onwaarschijnlijke snelheid verdwijnt dat ding tussen zijn malende kaken en met een servetje veegt hij zijn lippen schoon. Dan zet hij het koffiekopje op de tafel. Hij staat op en het dienblad met schoteltje, gebruikt servetje en bestek schuift hij in één van de klaarstaande trolleys. Als hij weer zit, nipt hij voorzichtig aan de hete koffie en kijkt af en toe naar de ingang.

De koffie is net op als hij met zijn arm een zwaaiende beweging maakt. Een vrouw, waarschijnlijk zijn vrouw, ploft op de stoel tegenover hem. Een meegevoerde grote doos, omhuld met cadeaupapier van een speelgoedketen, zet ze naast haar stoel. De menukaart wordt uit de staander getrokken en even later staat de man op om het gewenste te halen. Als hij wegloopt pakt ze snel het lege koffiekopje, kijkt er in en ruikt er aan om vervolgens met gespeelde onschuld de omgeving in zich op te nemen.

De man komt terug en op het dienblad staan twee koffiekopjes, een vruchtengebakje en een knaap van een moorkop. Die stiekeme snoepert!

 

© peter gortworst / aug 2018
foto: gemakgebak.nl

   

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -25-

Stop

Zijn onvrijwillige diensttijd duurde precies één maand. In alle wijsheid had men besloten hem, met een aantal andere 21+ jongeren, op te leiden tot sergeant bij de Genie. Een belangrijke, zinvolle en verantwoordelijke job wanneer de Vijand mocht besluiten ergens in het midden van het land, een atoombom te droppen. Hij weet nog heel goed hoe het leren van de eerste bevelen ging en de verbazing over het daadwerkelijk opvolgen daarvan. Zijn collega aspirant-sergeant, die hij later nog regelmatig op tv zag als hoogleraar in het strafrecht, verwoorde nog tijdens die les wat hij dacht: ‘En we doen het ook nog allemaal!?’ De allergie tegen onzinnige ge- en verboden en bevelen die hij in zijn jonge jaren had opgebouwd, stak in alle hevigheid de kop op. Gelukkig voorkwam het gezonde verstand een direct weglopen van de kazerne maar het feit dat zijn diensttijd van zeer korte duur was, sprak boekdelen.

Kuri krijgt ook bevelen. Sommige zijn volkomen zinloos en als hij hond was luisterde hij daar beslist niet naar. ‘Poot!’ is zo’n bevel. Dient tot niets en is alleen voor de baas leuk. Als hij Kuri was zou hij weglopen.  Afhankelijk van haar en zijn toestand klinken de commando’s als een voorstel of als een snoeihard bevel. Als hij vindt dat ze tijdens een lange wandeling even moet rusten om af te koelen op een koele ondergrond, zegt hij op vriendelijke toon: ‘Ga maar down’. Kruist een andere hond hun pad en wil zij, kostte wat kost, die ander toch minstens besnuffelen, dat wordt het een: ‘En nou zit! ZIT!! Nee! ZIT!!’ Zijn eigen gemoedsrust speelt daar zeker in mee. Doet ze alles netjes dan is er niets aan de hand. Talmt ze bij elk bevel eindeloos of luistert ze domweg niet, dan slaat de wrevel toe. Zeker als de standaard meegevoerde stukjes kaas geen enkel effect hebben. Consequent zijn, vriendelijk blijven en geduld zijn vaak lastig te hanteren begrippen.

 

Tijdens de wandelingen zijn er een paar kruisingen waar sporadisch fietsers of een enkele auto kunnen passeren. Omdat ze standaard voor hem uitloopt lijkt het hem nuttig Kuri op afstand te laten zitten. Het geeft hem dan de tijd de kruising op naderend onheil te inspecteren. Het ‘wacht’ kent ze wel maar daar wordt, zolang ze niet zit, behoorlijk mee gesmokkeld. Een paar meter legt ze, het evenwicht zoekend tussen haar eigen wil en de wil van de baas, dreutelend zo af en dat is natuurlijk niet de bedoeling.

‘Stop!’ roept hij nu met de arm omhoog en na 300 gram kaas in ‘zonder-te-kauwen-wegslikbare-brokjes’ krijgt ze het door. Nu moet ze nog leren dat, wanneer zij netjes zit, hij haar voorbij kan lopen om de kruising te bekijken. Nu denkt ze nog dat het niet klopt. Zij zit netjes en zonder beloning loopt die baas door. Hier gaat iets fout.

 

De vlierbessen worden al donkerpaars. Helaas slaat ook hier de droogte toe. De besjes zijn klein maar wie weet, misschien daarom wel smaakvoller.
Het merelnest in de picknickhut is uitgelopen op een jammerlijke mislukking. De twee jongen die er zaten waren van de een op de andere dag verdwenen. Het nieuwe legsel is ook mislukt. Het vrouwtje heeft hij al lang niet meer gezien en het nest is leeg.

 

Opvallend hoe goed het geheugen van Kuri is. Ze weet precies in welk weiland ze achter een konijn is aangegaan, waar in de sloot die eend zat en in welke berm de patrijzen de lucht ingingen. Helaas weet ze ook nog dat een visser soms lekkere dingen heeft en als je maar hard genoeg kwispelt, je ook wat krijgt. Los naast de baas lopen, gewaarschuwd met de vreselijkste bedreigingen om er niet vandoor te gaan, helpt soms maar voor hetzelfde geld neemt ze een haakse bocht en ontvangt toch weer een beloning van een visser die het een mooie hond vindt. Een visser dat afleren met een opgeheven arm en ‘Stop!’ roepen, is van een heel andere orde.

 

©peter gortworst / aug. 2018

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Orde, rust en regelmaat -24-

Ze is loops. En niet zo’n beetje ook. Bij de eerste ontdekking van een rode druppel op het laminaat, kwam er bij hem een heel oud en daardoor al lang vergeten gevoel boven: Pffff…. Gelukkig! Het bevestigd zijn vermoeden dat het leven in cirkels draait. Dat blijkt nu maar weer. Voordeel is dat met een mop achter haar aan lopen, geen straf is. Liever dit dan een nest van een pup of acht.

Hij heeft met zijn trutje te doen. Aan alles merkt hij dat ze zelf ook niet goed raad weet met haar lijf. Vaker dan normaal zoekt ze hem op, wil dan lekker tegen hem aanleunen en kriebelen rond de oorschelpen is het summum van geluk. Hij weet niet meer te doen dan dat en haar liefdevol en wat vaderlijk toespreken. De regelmatig gebezigde titel ‘meiske’ kan nu officieel niet meer maar samen met ‘trutje’ als koosnaam is het toegelaten.

Ze is best wel bevattelijk voor getoond medelijden. Als hij haar, terwijl er niets aan de hand is, op meelijwekkende toon vraagt of het goed met haar gaat, of ze zich niet vreselijk raar en vervelend voelt, gaan de oren bijna plat en kijkt ze met intens droeve ogen naar die grote vent die blijkbaar goed in de gaten heeft hoe zwaar het leven is.

Dat heeft hij eerder gezien bij een kat. Het beestje had een poot gebroken en moest een tijdje in een hokje waar hij de kont niet kon keren. Na verloop van tijd mocht hij er uit. Eerst liep hij nog een beetje mank maar de lichamelijke oefeningen in de vorm van jagen op muizen en vogeltjes, maakten dat hij zich al snel weer normaal voort bewoog. Tot je met zalvende stem hem aansprak over hoe zielig het allemaal wel niet was geweest. Prompt liep de tuintijger weer mank en mauwde erbarmelijk.

Helaas, je zou bijna zeggen dat ze het van geen vreemde hebben.  Hij is net zo beïnvloedbaar. Toen hij een keer op verjaarvisite meeging naar mensen die hij amper kende, was daar een vrouw, wat later dan de rest, binnengekomen. Ze plantte zichzelf en een schoudertas van het formaat hutkoffer op de stoel naast hem en toen de gastvrouw vroeg of ze koffie wilde, vertelde ze met nogal luide stem dat ze haar eigen eikeltjeskoffie meegenomen had. Nee, een gebakje wilde ze ook niet. Ze had haar eigen gluten-, zout- en smaakloze maar supergezonde koekjes bij zich en door omstandig van deze lekkernij te smullen kon geen enkele gast naderhand zeggen dat ze het niet hadden gezien.

Hij maakte de fout om te vragen waar eikeltjeskoffie naar smaakt. Fout omdat hij niet meer van haar afkwam. Na een uur inpraten voelde zijn lijf aan als een slecht werkend, onvolkomen, door gifstoffen besmet apparaat. Zijn darmstelsel werd gedegenereerd tot iets van een ‘hoe kan de evolutie zoiets slechts opleveren’. Weg was zijn geloof in een lijf dat zichzelf, mits gevoed door ordentelijk voer en vocht, best kan onderhouden en zelfs, wanneer nodig, herstellen. Namen van kruiden, verplichte waterinname, sojamelk (welke koe geeft dat?) vleeswaren, Bach bloesem, E-nummers, vitaminen en therapieën schoten als biljartballen door zijn hersenpan.

Iedereen heeft het recht om te leven als hij/zij wil. Heb je baat bij dergelijke voedingsstoffen? Prima! Fijn! Voel je je daar goed bij? Mooi! Maar mijn beste kruidenvrouwtje, probeer niet anderen met een ongezond fanatisme tot jouw geloof te bekeren. Het kan vele jaren duren maar er komt een dag dat iemand je in een verhaaltje verwerkt.

Herinner de kat aan een zielige periode en hij reageert als toen. Toon medelijden met je hond en het wordt een meewarig trutje. Toon een fanatiek kruidenvrouwtje die strooit met vreselijke ziektes en botanische kennis iets te veel belangstelling en je wordt van de weeromstuit zo ongezond gepraat dat een leuk feestje is verpest.

 

De grote meid komt zijn werkkamer in. Ze kwispelt maar niet erg enthousiast. Hij weet dat ze even naar buiten wil en als ze de tuin in loopt, pakt hij de mop om het spoor van rode druppels te verwijderen. Zo lang zij buiten is, ziet ze niet de ‘pffff…gelukkig-grijns’ op zijn gezicht. Ze hoeft per slot van rekening niet alles te weten.

© peter gortworst / juli 2018                                                                               
afb: Xenos   

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , | 2 reacties

Draaitol

Zo langzamerhand vindt hij het niet leuk meer. ’s Morgens om half vier wakker worden is niet ’s morgens vroeg. Het is gewoon midden in de nacht en als je dan de uren daarvoor ook nog slecht geslapen hebt, zit je niet met een blij gezicht op het randje van je bed.

De oorzaak van deze ellende is Het Boek. Als schrijver van korte verhalen is iets als het schrijven van een heel boek eigenlijk een brug te ver. Je moet doen waar je goed in denkt te zijn en zodra je iets anders gaat doen, moet je weten waar je aan begint. En daar begint het probleem. Hij heeft flarden van het verhaal in zijn hoofd en nog meer flarden in de loop van de tijd al geschreven. Helaas ontbreekt er nog een plot. Zijn er, wil het verhaal tenminste kloppen, een massa zaken die uitgezocht moeten worden. Zullen er, ter wille van de juistheid van beschrijvingen, locaties gezocht moeten worden in Italië, Frankrijk en Wales en moet er beslist een tijdlijn gemaakt worden om er voor te zorgen dat de hoofdpersoon niet plotseling veel jonger of ouder is in een volgend hoofdstuk. Een bijkomend maar niet onbelangrijk verschijnsel is zijn schrijfstijl. Die is nogal afhankelijk van zijn gemoedstoestand en deze vertoont op sommige dagen een sterke gelijkenis met een draaitol.

Waarom heeft hij dit nog lang niet complete verhaal in zijn hoofd? Kan je een zeiljacht, zonder door een radar gezien te worden, op een rotskust te pletter laten varen? Waarom begin je, als je dan zo nodig een boek wil schrijven, niet met een ander verhaal? Wanneer waren die massief houten bielzen tafels in de mode? Is er een computerprogramma te krijgen voor iets als het schrijven van een boek? Worden meranti balken ook door de douane gescand? Moet hij niet wachten tot de draaitol stil staat en hij een eigen, herkenbare schrijfstijl heeft?
Vragen die hem al tijden bezig houden en door een tijdelijke vorm van bezetenheid hem een enkele keer van de nachtrust beroven. Vragen waarop hij misschien wel een antwoord kan krijgen maar het incomplete verhaal belet hem dat.

Met een diepe zucht gaat hij staan. In zijn werkkamer ploft hij op de stoel en staart naar het zwarte beeldscherm. Buiten begint de eerste merel te zingen. Zachtjes, alsof hij zelf niet kan geloven dat de nieuwe dag begonnen is. Luisterend levert het hem een helder idee. Als hij toch wakker is, waarom dan niet naar buiten? Het is al tijden geleden dat hij ’s morgens vroeg in het bos liep om vogels te spotten. Even geen boek, geen incompleet verhaal en geen vragen aan zijn hoofd. Lekker, net als vroeger door het bos banjeren, vogeltjes luisteren en proberen ze te herkennen en de kop leegmaken. Met hernieuwde energie maakt hij zich klaar en stapt in de auto.

 

Op de weg is doodstil. De vage ochtendschemer is versierd met flarden ochtendnevel en de weinige hoge wolken lichten voorzichtig rood op van de opkomende zon. Nog even en dan zal ook het aardoppervlak door de zonnestralen geraakt worden. Als hij uit de auto stapt, schijnt de opkomende zon als rode halve schijf over de heide. De nevelbanken zullen spoedig verdwijnen en genietend van het moment gaat hij op stap. De kille lucht ruikt fris en de dauw herinnert hem er aan dat hij beter laarzen aan had kunnen trekken. Hij spot verschillende zangvogels. Van de meest voorkomende kent hij de zang. Een geluid wat hij niet kent heeft hij nog niet gehoord en bovendien is het podium zo vroeg op de dag, voorbehouden aan de lijsterachtigen.

Staatsbosbeheer is zo vriendelijk geweest een bankje te plaatsen. Hij besluit daarop plaats te nemen en uitkijkend over de heide met achter zich het bos, wacht hij op het ontwaken van meer vogeltjes. De man op leeftijd met een hoedje en driekwart jas ziet hij al van verre komen. Een verrekijker die 16 maal vergroot is niet altijd handig maar nu wel. Het hoedje loopt langs de bosrand en regelmatig ziet hij hem stoppen en met een kijker voor zijn ogen, langzaam één of meerdere rondje draaien. Dat ziet er raar uit. Cirkelen er soms vogels om hem heen? Hoe ingespannen hij ook tuurt, een logische verklaring kan hij niet ontdekken. Er zit niets anders op dan te wachten tot deze draaitol op praatafstand is gekomen.

‘Moin,’ zegt hij tegen het hoedje als deze nadert.
‘Ja, moin. Heb je al wat leuks gezien?’
‘Nee, wat merels, zanglijster en een zwarte specht. Ik zit een beetje te wachten tot het spul op gang komt.’
Het hoedje dreutelt een beetje heen en weer.
‘Kom hier maar zitten,’ zegt hij en veegt met zijn hand de meeste dauw van de plaats naast hem. Als hij zit haalt hij zijn kijker van zijn nek en stopt hem in zijn schoudertas.
‘Superlicht dingetje maar als je hem een tijdje draagt wordt het toch zwaar,’ zegt hij.
‘Een 8 keer 35?’
‘Ja, erg handig voor in het bos. Wat heb jij?’
‘Een 16 keer 50. Prima voor water en weidevogels maar in het bos is het een rotding. De beeldhoek is te klein. Soms is het gewoon toeval dat je een vogeltje ziet zitten en als het beest ook nog heen en weer fladdert kan je het wel schudden.’
Het hoedje grijnst.
‘Praat mij niet van toeval. Ik hoor ze hartstikke goed maar ik heb geen idee waar ze dan zitten. Ik moet echt om mij heen kijken en als ik ze dan zie, is dat ook toeval. Net nog, een stukje terug. Ik hoor een kruisbek maar ik heb geen idee waar ik moet kijken.’
‘Nou, kruisbekken zitten meestal boven in de boom.’
‘Ja, maar als hij daar even niet zit heb ik een probleem.’
‘Waarom dan?’
Hij tilt zijn hoedje op en toont hem zijn oren. In elk oor zit een gehoorapparaatje.
‘Ik heb die dingen nu een jaar. Ze werken perfect maar ik kan er geen richting mee bepalen. Als ik het fietspompgeluidje van de staartmees hoor moet ik elke boom om mij heen afzoeken. Voor hetzelfde geld zit hij in een paar bomen verderop want zo goed zijn die apparaatjes wel. Man, soms wordt ik van al dat ronddraaien gewoon duizelig.’
‘Goh, dat is wel vervelend. Is daar niet iets op te verzinnen?’
‘Ik heb van papier eens oorschelpen gevouwen en die met elastiekjes achter mijn oren vastgemaakt. Een vleermuis heeft niet voor niets grote oren toch? Nou, één: je loopt voor gek en twee: het helpt niks. Maar goed, ik hoor ze tenminste weer. Leve de techniek. Ik hoor zelfs de sprinkhaanrietzanger! Nou, dat is lang geleden.
Zeg, ik ga er vandoor. Weet je dat er in de picknickhut een merelnest zit? Het vrouwtje is nog aan het broeden. Die is doodstil maar ik zie haar wel. Leuk hè? Nou, fijne dag verder.’

Het hoedje loopt richting parkeerplaats en hij kijkt hem na. Ook een draaitol maar om hem daarom een collega te noemen, gaat hem wat te ver. Hij zou er wel een draai aan willen geven maar een link leggen tussen een gemoedstoestand met bijbehorende schrijfstijl en richtingsloze gehoorapparaten lukt hem echt niet.

 

©peter gortworst / juli 2018

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties