Orde, rust en regelmaat -24-

Ze is loops. En niet zo’n beetje ook. Bij de eerste ontdekking van een rode druppel op het laminaat, kwam er bij hem een heel oud en daardoor al lang vergeten gevoel boven: Pffff…. Gelukkig! Het bevestigd zijn vermoeden dat het leven in cirkels draait. Dat blijkt nu maar weer. Voordeel is dat met een mop achter haar aan lopen, geen straf is. Liever dit dan een nest van een pup of acht.

Hij heeft met zijn trutje te doen. Aan alles merkt hij dat ze zelf ook niet goed raad weet met haar lijf. Vaker dan normaal zoekt ze hem op, wil dan lekker tegen hem aanleunen en kriebelen rond de oorschelpen is het summum van geluk. Hij weet niet meer te doen dan dat en haar liefdevol en wat vaderlijk toespreken. De regelmatig gebezigde titel ‘meiske’ kan nu officieel niet meer maar samen met ‘trutje’ als koosnaam is het toegelaten.

Ze is best wel bevattelijk voor getoond medelijden. Als hij haar, terwijl er niets aan de hand is, op meelijwekkende toon vraagt of het goed met haar gaat, of ze zich niet vreselijk raar en vervelend voelt, gaan de oren bijna plat en kijkt ze met intens droeve ogen naar die grote vent die blijkbaar goed in de gaten heeft hoe zwaar het leven is.

Dat heeft hij eerder gezien bij een kat. Het beestje had een poot gebroken en moest een tijdje in een hokje waar hij de kont niet kon keren. Na verloop van tijd mocht hij er uit. Eerst liep hij nog een beetje mank maar de lichamelijke oefeningen in de vorm van jagen op muizen en vogeltjes, maakten dat hij zich al snel weer normaal voort bewoog. Tot je met zalvende stem hem aansprak over hoe zielig het allemaal wel niet was geweest. Prompt liep de tuintijger weer mank en mauwde erbarmelijk.

Helaas, je zou bijna zeggen dat ze het van geen vreemde hebben.  Hij is net zo beïnvloedbaar. Toen hij een keer op verjaarvisite meeging naar mensen die hij amper kende, was daar een vrouw, wat later dan de rest, binnengekomen. Ze plantte zichzelf en een schoudertas van het formaat hutkoffer op de stoel naast hem en toen de gastvrouw vroeg of ze koffie wilde, vertelde ze met nogal luide stem dat ze haar eigen eikeltjeskoffie meegenomen had. Nee, een gebakje wilde ze ook niet. Ze had haar eigen gluten-, zout- en smaakloze maar supergezonde koekjes bij zich en door omstandig van deze lekkernij te smullen kon geen enkele gast naderhand zeggen dat ze het niet hadden gezien.

Hij maakte de fout om te vragen waar eikeltjeskoffie naar smaakt. Fout omdat hij niet meer van haar afkwam. Na een uur inpraten voelde zijn lijf aan als een slecht werkend, onvolkomen, door gifstoffen besmet apparaat. Zijn darmstelsel werd gedegenereerd tot iets van een ‘hoe kan de evolutie zoiets slechts opleveren’. Weg was zijn geloof in een lijf dat zichzelf, mits gevoed door ordentelijk voer en vocht, best kan onderhouden en zelfs, wanneer nodig, herstellen. Namen van kruiden, verplichte waterinname, sojamelk (welke koe geeft dat?) vleeswaren, Bach bloesem, E-nummers, vitaminen en therapieën schoten als biljartballen door zijn hersenpan.

Iedereen heeft het recht om te leven als hij/zij wil. Heb je baat bij dergelijke voedingsstoffen? Prima! Fijn! Voel je je daar goed bij? Mooi! Maar mijn beste kruidenvrouwtje, probeer niet anderen met een ongezond fanatisme tot jouw geloof te bekeren. Het kan vele jaren duren maar er komt een dag dat iemand je in een verhaaltje verwerkt.

Herinner de kat aan een zielige periode en hij reageert als toen. Toon medelijden met je hond en het wordt een meewarig trutje. Toon een fanatiek kruidenvrouwtje belangstelling en je wordt zo bedolven door de vreselijke ziektes en de hele botanische wereld dat een leuk feestje is verpest.

 

De grote meid komt zijn werkkamer in. Ze kwispelt maar niet erg enthousiast. Hij weet dat ze even naar buiten wil en als ze de tuin in loopt, pakt hij de mop om het spoor te verwijderen. Zo lang zij buiten is, ziet ze niet de grijns op zijn gezicht: Pffff…Gelukkig!

© peter gortworst / juli 2018                                                                               
afb: Xenos   

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Draaitol

Zo langzamerhand vindt hij het niet leuk meer. ’s Morgens om half vier wakker worden is niet ’s morgens vroeg. Het is gewoon midden in de nacht en als je dan de uren daarvoor ook nog slecht geslapen hebt, zit je niet met een blij gezicht op het randje van je bed.

De oorzaak van deze ellende is Het Boek. Als schrijver van korte verhalen is iets als het schrijven van een heel boek eigenlijk een brug te ver. Je moet doen waar je goed in denkt te zijn en zodra je iets anders gaat doen, moet je weten waar je aan begint. En daar begint het probleem. Hij heeft flarden van het verhaal in zijn hoofd en nog meer flarden in de loop van de tijd al geschreven. Helaas ontbreekt er nog een plot. Zijn er, wil het verhaal tenminste kloppen, een massa zaken die uitgezocht moeten worden. Zullen er, ter wille van de juistheid van beschrijvingen, locaties gezocht moeten worden in Italië, Frankrijk en Wales en moet er beslist een tijdlijn gemaakt worden om er voor te zorgen dat de hoofdpersoon niet plotseling veel jonger of ouder is in een volgend hoofdstuk. Een bijkomend maar niet onbelangrijk verschijnsel is zijn schrijfstijl. Die is nogal afhankelijk van zijn gemoedstoestand en deze vertoont op sommige dagen een sterke gelijkenis met een draaitol.

Waarom heeft hij dit nog lang niet complete verhaal in zijn hoofd? Kan je een zeiljacht, zonder door een radar gezien te worden, op een rotskust te pletter laten varen? Waarom begin je, als je dan zo nodig een boek wil schrijven, niet met een ander verhaal? Wanneer waren die massief houten bielzen tafels in de mode? Is er een computerprogramma te krijgen voor iets als het schrijven van een boek? Worden meranti balken ook door de douane gescand? Moet hij niet wachten tot de draaitol stil staat en hij een eigen, herkenbare schrijfstijl heeft?
Vragen die hem al tijden bezig houden en door een tijdelijke vorm van bezetenheid hem een enkele keer van de nachtrust beroven. Vragen waarop hij misschien wel een antwoord kan krijgen maar het incomplete verhaal belet hem dat.

Met een diepe zucht gaat hij staan. In zijn werkkamer ploft hij op de stoel en staart naar het zwarte beeldscherm. Buiten begint de eerste merel te zingen. Zachtjes, alsof hij zelf niet kan geloven dat de nieuwe dag begonnen is. Luisterend levert het hem een helder idee. Als hij toch wakker is, waarom dan niet naar buiten? Het is al tijden geleden dat hij ’s morgens vroeg in het bos liep om vogels te spotten. Even geen boek, geen incompleet verhaal en geen vragen aan zijn hoofd. Lekker, net als vroeger door het bos banjeren, vogeltjes luisteren en proberen ze te herkennen en de kop leegmaken. Met hernieuwde energie maakt hij zich klaar en stapt in de auto.

 

Op de weg is doodstil. De vage ochtendschemer is versierd met flarden ochtendnevel en de weinige hoge wolken lichten voorzichtig rood op van de opkomende zon. Nog even en dan zal ook het aardoppervlak door de zonnestralen geraakt worden. Als hij uit de auto stapt, schijnt de opkomende zon als rode halve schijf over de heide. De nevelbanken zullen spoedig verdwijnen en genietend van het moment gaat hij op stap. De kille lucht ruikt fris en de dauw herinnert hem er aan dat hij beter laarzen aan had kunnen trekken. Hij spot verschillende zangvogels. Van de meest voorkomende kent hij de zang. Een geluid wat hij niet kent heeft hij nog niet gehoord en bovendien is het podium zo vroeg op de dag, voorbehouden aan de lijsterachtigen.

Staatsbosbeheer is zo vriendelijk geweest een bankje te plaatsen. Hij besluit daarop plaats te nemen en uitkijkend over de heide met achter zich het bos, wacht hij op het ontwaken van meer vogeltjes. De man op leeftijd met een hoedje en driekwart jas ziet hij al van verre komen. Een verrekijker die 16 maal vergroot is niet altijd handig maar nu wel. Het hoedje loopt langs de bosrand en regelmatig ziet hij hem stoppen en met een kijker voor zijn ogen, langzaam één of meerdere rondje draaien. Dat ziet er raar uit. Cirkelen er soms vogels om hem heen? Hoe ingespannen hij ook tuurt, een logische verklaring kan hij niet ontdekken. Er zit niets anders op dan te wachten tot deze draaitol op praatafstand is gekomen.

‘Moin,’ zegt hij tegen het hoedje als deze nadert.
‘Ja, moin. Heb je al wat leuks gezien?’
‘Nee, wat merels, zanglijster en een zwarte specht. Ik zit een beetje te wachten tot het spul op gang komt.’
Het hoedje dreutelt een beetje heen en weer.
‘Kom hier maar zitten,’ zegt hij en veegt met zijn hand de meeste dauw van de plaats naast hem. Als hij zit haalt hij zijn kijker van zijn nek en stopt hem in zijn schoudertas.
‘Superlicht dingetje maar als je hem een tijdje draagt wordt het toch zwaar,’ zegt hij.
‘Een 8 keer 35?’
‘Ja, erg handig voor in het bos. Wat heb jij?’
‘Een 16 keer 50. Prima voor water en weidevogels maar in het bos is het een rotding. De beeldhoek is te klein. Soms is het gewoon toeval dat je een vogeltje ziet zitten en als het beest ook nog heen en weer fladdert kan je het wel schudden.’
Het hoedje grijnst.
‘Praat mij niet van toeval. Ik hoor ze hartstikke goed maar ik heb geen idee waar ze dan zitten. Ik moet echt om mij heen kijken en als ik ze dan zie, is dat ook toeval. Net nog, een stukje terug. Ik hoor een kruisbek maar ik heb geen idee waar ik moet kijken.’
‘Nou, kruisbekken zitten meestal boven in de boom.’
‘Ja, maar als hij daar even niet zit heb ik een probleem.’
‘Waarom dan?’
Hij tilt zijn hoedje op en toont hem zijn oren. In elk oor zit een gehoorapparaatje.
‘Ik heb die dingen nu een jaar. Ze werken perfect maar ik kan er geen richting mee bepalen. Als ik het fietspompgeluidje van de staartmees hoor moet ik elke boom om mij heen afzoeken. Voor hetzelfde geld zit hij in een paar bomen verderop want zo goed zijn die apparaatjes wel. Man, soms wordt ik van al dat ronddraaien gewoon duizelig.’
‘Goh, dat is wel vervelend. Is daar niet iets op te verzinnen?’
‘Ik heb van papier eens oorschelpen gevouwen en die met elastiekjes achter mijn oren vastgemaakt. Een vleermuis heeft niet voor niets grote oren toch? Nou, één: je loopt voor gek en twee: het helpt niks. Maar goed, ik hoor ze tenminste weer. Leve de techniek. Ik hoor zelfs de sprinkhaanrietzanger! Nou, dat is lang geleden.
Zeg, ik ga er vandoor. Weet je dat er in de picknickhut een merelnest zit? Het vrouwtje is nog aan het broeden. Die is doodstil maar ik zie haar wel. Leuk hè? Nou, fijne dag verder.’

Het hoedje loopt richting parkeerplaats en hij kijkt hem na. Ook een draaitol maar om hem daarom een collega te noemen, gaat hem wat te ver. Hij zou er wel een draai aan willen geven maar een link leggen tussen een gemoedstoestand met bijbehorende schrijfstijl en richtingsloze gehoorapparaten lukt hem echt niet.

 

©peter gortworst / juli 2018

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Orde, rust en regelmaat -23-

Loopje

Eigenlijk is hij best wel tevreden over zijn huisgenote. Bij het reorganiseren van de talloze foto’s zag hij zijn hond zoals ze was toen ze voor het eerst voet op nieuwe bodem zette. In de ruim zeven maanden dat ze hier nu is, is er veel gebeurt.  De bank was een niet te nemen hindernis. Nu loopt ze er gewoon op. Van het niets (willen) weten en niet (willen) luisteren is het een hond geworden die (meestal) aan een kort fluitje genoeg heeft. Het trekken aan de riem is nog wel een dingetje maar goed, niet alles kan altijd perfect zijn. Dat heeft hij ook deze avond ondervonden. Het was ronduit gezegd een enerverende avond.

In het verleden heeft ze het gepresteerd om via een sluipdoorgaatje in de heg, de tuin uit te lopen. Buurman krijgt, als hij daar aan terugdenkt, opnieuw een hartverzakking. Inmiddels is de heg zo dicht gegroeid dat ze daar niet meer door gaat.

 

Ze zitten samen in de tuin te genieten van de koelte. Voor hij met haar een lange wandeling gaat maken, wil hij eerst een bak koffie. Als hij daar mee bezig is, ziet hij haar door de gang naar de voordeur lopen. Dat doet ze vaker dus er is niets aan de hand. Liggend op de koude tegels tegen de dichte deur raakt ze daar in no-time haar teveel aan warmte kwijt. Met de beker koffie loopt hij weer de tuin in maar van Kuri geen spoor. Een vervelend voorgevoel bekruipt hem. Als hij bij de voordeur kijkt is daar geen hond. Roepen en fluiten in de tuin levert ook geen bruin beest op en dus is de gevolgtrekking snel gemaakt: het kreng is er weer vandoor. Op de fiets met pantoffels en een broek die stijf staat van bouwstof en gips wordt de zoektocht begonnen. Het is een noodgeval dus even geen boodschap aan decorum.

Verbazend hoe veel mensen je in zo’n stille buurt nog aan kan spreken. Helaas heeft niemand het wandelende brok Vietnamees hondenvlees gezien. Als hij de achterbuurman op de fiets aan ziet komen biedt deze aan mee te zoeken. ‘Je blijft er slank bij,’ meldt hij opbeurend.
Met een regelmatig ‘komhierfluitje’ doorkruist hij de buurt en als hij voor de zoveelste keer door zijn straatje rijdt, zijn diverse buren uit hun huizen gekomen om met een spiedend oog te helpen. Met een ‘ach, hij komt vanzelf wel weer terug’ neemt hij geen genoegen en voor de zoveelste keer  rijdt hij de buurt rond. Als er ergens honden blaffen spurt hij die kant op maar elke keer is het loos alarm.

Dan een goed bericht. Ze is gespot in de Nachtegaalstraat en ja, het klopt. Vastgebonden aan een touw staat het mormel vrolijk te zijn. Het gezin vroeg zich al af van wie deze schoonheid was. Ze hadden haar nog niet eerder gezien. Hij vertelt waar hij woont voor het geval ze dit kunstje nog een keer flikt en met welgemeende dankbetuigingen neemt hij zijn hond mee.

De koffie is koud en Kuri vraagt zich af waarom ze niet etwas leckeres krijgt. Tijd om de laatste drie kwartier te overdenken. Hij begint te vermoeden dat ze wel eens loops zou kunnen worden en die term zeer letterlijk nemend, is ze waarschijnlijk op reuenjacht gegaan. Morgen op handen en knieën de mogelijke ontsnappingsgaten zoeken. Ergens moet een opening zijn maar waar is het lek?
Hij twijfelt of hij de dierenarts moet bellen. Hebben ze, als het nodig mocht zijn, voor honden ook een morning after pil? Dat hij haar, meestal liefkozend een trutje noemt is tot daar aan toe. Aan ‘sletje’ moet hij nog even niet denken.

 

© peter gortworst / juli 2018

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat – 22-

Geluksmomentjes.

Eén van de voordelen van een hond is de noodzaak om naar buiten te gaan. Dat is niet altijd een onverdeeld genoegen. Kou en regen worden door baas en hond niet echt gewaardeerd. Harde wind is wel leuk. Hond ziet van alles bewegen en ervaart de wandeling daardoor als ‘spannend’ en de baas vindt een goede storm gewoon lekker. Een wandeling die zeer regelmatig gemaakt wordt, voert langs het kanaal en smalle wegen door de landerijen.

Hij heeft de kale bomen langs het kanaal groen zien worden. De lege, dorre akkers staan nu vol met omhoog schietend mais of aardappelen. De graslanden waar de kievit zijn buitelende baltsvluchten uitvoerde en de wulp zijn wiebelende roep liet horen, zijn voor de eerste keer gemaaid en de geur van dat pas gemaaide gras streelt zijn neus.

Er is één boerderij waar hij langzaam aan voorbij gaat. Daar ruikt hij de varkens zoals ze vroeger roken. Geen vieze ammoniaklucht maar een varkensgeur zoals die hoort te zijn. Het geeft hem herinneringen aan zijn jeugd toen het gezin twee weken vakantie vierde op een boerderij in Woudenberg. Het vakantiehuisje was een omgebouwde kippenschuur. Het jongvee, de kippen, de trekker en de varkens gaven het kind wat hij toen was, de onvergetelijke indrukken. Die varkensgeur weer te ruiken doet hem daarom, om meer dan die ene reden, goed.

Wat hem ook goed doet: de vlieren die hij heeft ontdekt. Hij heeft zijn neus in de waaiers van de bloesem gestoken en de karakteristieke geur opgesnoven. Kuri moest ook even ruiken maar een flinke nies leerde hem dat zij er niet de minste waardering voor op kon brengen. Vol ongeduld wacht hij nu het moment af dat de besjes donkerrood zijn geworden. De flessen waar het sap straks in opgeslagen wordt staan al klaar.

De picknickhut wordt permanent bewoond door een paartje merel. Doodstil zat het vrouwtje te broeden en nu zijn er jongen. Een voorzichtige inspectie leert hem dat er twee eieren uitgekomen zijn. Hopelijk gaat het hen goed.

Gaande langs het kanaal had hij hem al vroeg horen jodelen: de wielewaal. Een vogel die hij slechts eenmaal eerder had gezien bij Meppel. Het mannetje met zijn felgele en zwarte verenpak heeft hij ook hier één keer gespot. Het vrouwtje al een paar maal. Voor de oud-jeudbonders onder ons: bij de afdeling Wielewaal begon zijn leerschool in wat meneer Fop I. Brouwer zo mooi kon zeggen: al wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit.

Voor Kuri heeft de tocht langs het kanaal een aantal uitdagingen. Zwemmen natuurlijk en zonder dat de baas het ziet, zich wentelen in het lijk van een onherkenbaar geworden dier. Dat laatste had hij na één keer door. Hij weet waar het zich bevindt en als Kuri zich, gaande richting lijk, wat ver van hem verwijdert roept hij haar al terug. Met zichtbare tegenzin luistert ze en met waarschuwende teksten, of beter gezegd ‘bedreigingen’, houdt hij haar in de gaten/bedwang. Als ze er al lang voorbij zijn, mag ze weer haar gang gaan. De verlokkingen van het lijk liggen dan letterlijk achter hen en nieuwe uitdagingen dienen zich aan. Een knoert van een tak meeslepen bijvoorbeeld. Blaffen naar een overvliegende reiger of naar een stoïcijns grazende koe. Twee ganzen de lucht in laten vliegen, happen naar een vlinder, per ongeluk een fazant uit zijn dekking jagen of het langdurig besnuffelen van een plekje waar iets heel interessants is gedaan. Het leven van zijn trutje is niet gecompliceerd en goed voorbeeld doet goed volgen, toch?

 

©peter gortworst / jun 2018

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -21-

Wel po?&*$#!@#me!!

In aflevering 17 van dit onregelmatig verschijnend journaal heeft Kuri werkelijk gezwommen. Dat was niet geheel vrijwillig en zeker niet tot haar genoegen. Ze heeft het daarna ook niet meer gedaan. Hij had een kleine hoop dat ze ‘er door’ was maar deze hoop bleek ijdel te zijn. Toch is ze niet bang voor water. Een brokje wat in haar waterbak valt, vist ze, met de neus diep in het water, gewoon op. Hij heeft zich al verzoent met de gedachte dat hij zelf het water maar in moet om te laten zien dat het niet eng of gevaarlijk is. Sinds vorige week dinsdag kan hij die gedachte laten varen:

De lange wandeling langs het kanaal behoort bijna tot de dagelijkse kost. Kuri vindt het water, ondanks alles, wel zo aantrekkelijk dat ze er in gaat. De stokken die hij gooit pakt ze als deze tenminste bereikbaar zijn. Die bereikbaarheid wordt bepaald door wel of geen grond meer onder de poten voelen. Een enkele keer vergist ze zich of is de stok zo dichtbij dat ze het toch waagt om iets dieper te gaan maar zodra er water over haar rug vloeit, is ze met twee sprongen weer aan land.
Wat haar bewogen heeft, welke knop er in haar kop is omgegaan of wat de tak zo aantrekkelijk maakte, weet hij niet maar tot zijn stomme verbazing zwemt zijn trut plotseling. Niks geen plons, plons, plons maar werkelijk zwemmen zoals een rechtgeaarde viervoeter hoort te doen. Mochten er engeltjes aanwezig zijn geweest dan waren die knap jaloers: hij prijst zijn hond mijlenver de hemel in.
Ook de volgende tak wordt opgehaald en bij de derde is blijkbaar alle schroom verdwenen. Ze springt met een grote sprong het water in. Zelden is hij zo trots geweest op zijn trut.

De volgende dag met blij gemoed weer naar het kanaal. Ze weet wat er gaat gebeuren en staat strak van de verwachting al langs de kant. Hij gooit een stok tot ongeveer het midden van het kanaal maar de trut heeft besloten weer helemaal trut te zijn. Tot buikdiepte staat ze langs de kant in het water en ondanks alle aansporingen van ‘vooruit!, aport!, toe dan!, en verwijtende opmerkingen als ‘jeetje, wat ben jij een watje’, vertikt ze het om die tak te gaan halen. In een helder moment besluit hij een tak ongeveer daar te gooien waar het nog net niet te diep is. Die pakt ze wel. De volgende tak ligt iets verder en na heel veel aarzelingen en piepen besluit ze dat het niet te doen is. Dan maar weer iets dichterbij en plotseling is de knop weer om. Zelfs de eerste tak wordt opgehaald.

Nu hoeft er geen knop meer om. Ze springt vanaf de kant het een grote sprong in het diepe. Met enige verwondering ontdekt hij het gebruik van de twee zeilen boven op haar kop. Richting tak staan ze fier omhoog maar zodra de tak tussen haar kaken zit, worden de zeilen gestreken en vaart ze op pure pootkracht richting oever. Er zal vast wel een verklaring voor zijn maar hij heeft geen idee welke.

Kuri zag het levenslicht in het asiel te Beilen. Het leek de mensen van dat asiel een goed idee om een puppydag te organiseren. Er zijn drie verschillende nesten geweest en de puppy’s zijn overal terecht gekomen. Het zou leuk zijn als al die jonge honden elkaar weer eens zouden zien. Het was ook leuk! Niet alleen voor de honden maar ook voor al die baasjes en bazinnetjes. Bijna alle broertjes en zusjes van Kuri waren er. Het nest had twee variëteiten: bruine en zwarte en het was verbazend om te zien hoeveel ze op elkaar lijken en overeenkomstig gedrag vertonen. Veel geleerd en veel ‘O, ja-momenten’.
Af en toe had hij moeite om te zien welke van de bruinen zijn hond was maar de kittige rode halsband verraadde haar. Bovendien is Kuri de enige die de oren rechtop heeft staan. Als al het enthousiasme leidt naar een volgend gezamenlijk treffen is hij zeker van de partij.
De terugreis heeft ze niet meegekregen. Ze was hondsmoe en heeft geen enkele keer gecontroleerd of de baas wel de goede weg nam en niet te hard reed.

Buitengewoon frustrerend: een puber! De commando’s die ze normaal uitvoert met alleen een mondelinge beloning vertikt ze gewoon en zelfs de inzet van kaas of worst biedt geen garantie. Ze weet dat ze geen loopgraven in de tuin mag graven en ze doet het ver&%#@&me waar je bij staat!! Keihard ‘NEE’ roepen als ze op het punt staat in de moddersloot te springen, hoort ze niet of beter gezegd: wil ze niet horen. Het ‘wacht’ wordt beantwoord met een dikke middelvinger (als ze dat zou kunnen) dus netjes wachten is voorlopig verleden tijd. Er is momenteel weinig ‘trut’ aan haar te ontdekken en misschien blijft dat straks, als deze periode weer achter de rug is, ook wel zo. Als ik eerlijk moet zijn: ik hoop het eigenlijk niet.

 

© peter gortworst / jun. 2018 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , | 2 reacties

Buurman

Toen hij er nog maar net woonde en alle dagen voor zijn werk onderweg was, had hij er niet veel aandacht aan geschonken. Zijn kennismakingsbezoekjes in de straat bleven onaf omdat de overbuurman of nooit thuis was of gewoon niet open deed. Voor iemand die prijs stelt op goede verhoudingen en manieren geeft dit een licht ontevreden gevoel maar ja, zonderlingen zijn er altijd al geweest en als deze buurman ook tot die categorie gerekend moet worden, dan is dat maar zo. Het is een man alleen, wisten de andere buren. Hij bemoeit zich nooit met iets, doet aan niets mee, het is een rare, we zien hem nooit, geen idee hoe hij heet, ja, hij werkt wel en nee, we hebben ook nooit last van hem. Het is gewoon een zonderling.
Hij heeft er verder geen probleem van gemaakt. Ook hij is een man alleen die echter sterk hecht aan verschillende contacten en als dat bij die overbuurman anders is, dan is dat maar zo.

De groeiende economie heeft zorg gedragen voor zijn welzijn. De ervaring, kennis en kunde zijn overbodig geworden en nu zit hij alle dagen thuis. Genoeg tijd om van alles te ondernemen maar hij komt tot weinig. De verplichte nummers voert hij uit maar iets extra’s komt niet uit zijn vingers of hoofd. Het is donderdagavond en hij moet de papiercontainer aan de straat zetten. Vanuit zijn raam ziet hij dat de meesten dat al gedaan hebben. Overbuurman nog niet. Hij rolt zijn container langs het huis naar de straat en nu blijkt dat de container van de overbuurman er al wel staat. Dat heeft hij snel gedaan.

De vuilniswagen rijdt de straat in. Het is half zeven en hij is al wakker. De wagen pikt de containers één voor één op. Ook die van de overbuurman ziet hij boven de wagen uitkomen, leeg geschud worden en met een zwaai van de mechanische arm laat hij dat ding weer zakken. De wagen staat tussen hem en de container in en als de wagen verder rijdt, staat de container naast de container voor het restafval bij de garage van de overbuurman. Heeft die zwaaiarm dat ding een zetje gegeven zodat ze 30 meter terug rolt en precies op haar goede plek terecht komt?

De rolluiken van de overbuurman zijn gedurende de dag altijd dicht. In het weekend zijn ze een klein beetje opgetrokken en hij kan net zien dat de vensterbank vol met sanseveria’s staat. ’s Avonds brandt er een klein beetje licht in de woonkamer en soms ziet hij aan een flakkerende lichtspel dat de tv aan staat.

Omdat hij vanmiddag gasten krijgt, pakt hij de fiets om bij de bakker verse broodjes te halen. Het is niet druk en binnen het kwartier zet hij zijn fiets weer in het schuurtje. Terwijl hij de deur opent ruikt hij vers gemaaid gras. De overbuurman heeft gemaaid maar hoe snel kan je vijfhonderd vierkante meter maaien? Binnen een kwartier?

Hoe ontwikkel je een obsessie? Hij is zich er terdege van bewust dat zijn, tot nu toe onzichtbare overbuurman, vaker dan hem lief is, door zijn hoofd spookt. Anders willen is niet altijd anders kunnen. Maanden heeft hij geprobeerd de buurman uit zijn gedachten te bannen. Probeerde geen verklaringen te vinden voor die onverklaarbare gebeurtenissen maar hij kan niet anders meer.  Hoewel hij zich voor zichzelf een beetje schaamt doet hij het toch: hij besluit de overbuurman te bespioneren. De eettafel heeft hij verplaats naar de achterkant van de kamer en daarop het statief met zijn veldkijker gezet. Daarna heeft hij, door langzaam door de straat te lopen, gekeken of deze opstelling vanaf daar te zien is. Zolang hij de kamer donker houdt is dat niet het geval en tevreden zit hij nu aan tafel om alle gebeurtenissen op het erf van de overbuurman nauwlettend in de gaten te houden. Het eerste wat op de rol staat is de thuiskomst van de buurman.
Is hij weggedommeld? Heeft hij niet goed opgelet? De garagedeur van de buurman die gedurende dag altijd open staat en een volstrekt lege garage het daglicht gunt, is dicht en via de spleetjes in de rolluiken ziet hij dat er binnen licht brandt.
Het begint zachtjes te sneeuwen en met het vaste voornemen morgen vroeg op te staan om eindelijk de buurman te betrappen als hij naar zijn werk gaat, stapt hij zijn bed in.

Als hij ’s morgens zijn voeten naast het bed zet, is de wereld wit. Dat was al te horen toen hij nog in bed lag. Alles klinkt gedempt en het roept bij hem herinneringen op aan vroeger. De straat waar hij opgroeide en waar veel verkeer door kwam, was dan een oase van rust en bedachtzame geluiden. Als hij de woonkamer inloopt ziet hij dat de garagedeur van de buurman open staat. Van bandensporen is niets te zien.

De weken die volgen maken hem gek. Geen enkele maal heeft hij de buurman weg zien gaan of thuis zien komen. Soms was dat verklaarbaar omdat een mens of zijn hond nu eenmaal iets moeten als moedertje natuur roept maar alle andere keren staat de garagedeur zomaar open of dicht en brandt er wel of geen licht in huis. Ondanks zijn waakzame blikken, zijn lange uren aan de tafel, zijn pijnlijke ogen door het constant turen door de verrekijker heeft hij nog geen glimp van de overbuurman opgevangen. Het is alsof de dingen letterlijk in een oogwenk gebeuren maar kan je in een oogwenk je auto in de garage zetten en je huis binnengaan? Kan je in een oogwenk de garagedeur openen, de auto starten en wegrijden? Elke avond brandt in de woonkamer hetzelfde lampje maar geen enkele keer heeft hij iets van een beweging kunnen ontdekken terwijl dat toch wel logisch zou moeten zijn.
In gesprekken met andere buren heeft hij wel eens geprobeerd het onderwerp ‘rare buurman’ aan te snijden. Helaas is niemand daarin geïnteresseerd. Eén buurman heeft hem wel eens gezien maar dat was al lang geleden. Over zijn observaties en onverklaarbare zaken zegt hij niets. Voor je het weet voelt men zich bedreigt door een blijkbaar spiedende buurman met een verrekijker.

Het is nu lente en het verbaast hem niets dat de lange coniferenhaag aan de rechterkant van overbuurman ‘s huis tijdens zijn korte wandeling met de hond keurig is geschoren. Er is zelfs geen enkel takje aan afval te zien.

Aan het einde van die zelfde middag is er plotseling iets aan de hand. Het blauwe licht van een zwaailamp spettert door zijn woonkamer. In de straat staat een politiewagen en een ambulance. Een agent komt de woning van de overbuurman uit en gaat staan kotsen op het keurig gemaaide grasperk. Even later komt er nog een politiewagen. De man die daar uit komt hijst zich in een witte overal, doet hoesjes om zijn schoenen en behangen met camera’s gaat hij de woning binnen. De nieuwsgierigheid besluit hem om naar buiten te gaan en zich aan te sluiten bij de overige buurtbewoners. Niemand weet iets. Hij trekt de stoute schoenen aan en loopt naar de agent die net heeft staan kotsen. Die staat met een wit smoeltje tegen zijn stoere wagen geleund. Met zo zakelijk mogelijke stem vraagt hij wat daar binnen aan de hand is. De agent die voor zichzelf een vergoelijking zoekt voor zijn menselijk doch onprofessioneel gedrag is daarom blij met de vraag en deelt hem mee dat de bewoner van het pand dood is. Gezien de conditie waarin het lijk zich bevindt moet geconcludeerd worden dat hij dat al enige weken is. Met een gezicht waar de gruwel op afgetekend staat, deelt hij, met het enig gevoel voor understatement, mee dat dit geen prettig schouwspel oplevert.

 

©peter gortworst / jun.2018

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat -20-

Prooi.

Trutje heeft weer wat nieuws ontdekt. In haar bruine kop is het idee ontstaan dat ze misschien wel een jachthond is en dat geeft hem een nieuw probleem of, als je het een beetje eufemistisch wil zeggen, een uitdaging.

Tot nu toe was er van een jachtinstinct niets gebleken. De houtduif, merel, zwarte roodstaart of vink die op haar grasveldje lande werd de eerste maanden met verbazing bekeken en vervolgens zeer voorzichtig door haar benaderd. Dat ze niet bleven zitten was gewoon jammer. Later veranderde dat in regelrechte intolerantie. Wat denken die fladderende dingen wel! Dit is haar tuin en op volle snelheid met verontwaardig gegrom werd al dat gespuis de lucht in gejaagd.

Tijdens de dagelijkse lange wandeling was die enkele passerende auto, trekker, jogger of fietser geen enkel probleem. Hij riep haar voortijdig bij haar, zette haar keurig aan de voet en als het passerende geval voorbij was, kon ze zich, na zijn ‘Toe maar..’ weer met volle overtuiging richten op het aandachtig besnuffelen van grassprieten, bomen of steentjes op de weg.

Vanmorgen niet meer. De jogger op leeftijd die hem achterop komt en zijn komst aankondigt met het ploffende geluid van schoenen en het puffende geluid uit ademhalingsorganen, hoort hij ruim op tijd. Hij roept zijn hond, zet haar aan de voet en voor alle zekerheid houdt hij haar vast aan de halsband. ‘Moin,’ puft de jogger en hij moint terug. Als de jogger een aardig eindje weg is, laat hij de hond los. ‘Toe maar,’ zegt hij en voor hij weet wat er gebeurt, sprint die trut richting jogger. Gelukkig hoort deze zijn schreeuwend ‘HIER !!’ en net zo gelukkig legt zijn trut de laatste meters tot haar prooi af met de kop laag, de rug krom en een als een wentelwiek draaiende staart. De jogger is tot stilstand gekomen, blijk honden leuk te vinden maar wil toch graag verder. Na welgemeende verontschuldigingen van hem, als eigenaar van deze verstoorder der lopende zaken, vervolgt hij zijn tocht.

 

Eerst denkt hij nog dat dit een incident is maar als op het landweggetje een, ook van achterop komende, langzaam rijdende auto met hetzelfde fanatisme door haar wordt ingehaald zodat het lokale boertje gedwongen wordt zijn voertuig tot stilstand te brengen, borrelt een angstig vermoeden in hem op. Er moet weer aan ‘Opvoeding’ worden gedaan. Die ene trekker die dokkerend hem passeert gaat gelukkig de andere kant op en daar de trut het liefst voor hem uitloopt blijft het bij een ‘zal ik wel of zal ik niet houding’.

Dit gedrag bepaald wel dat hij hier niet in de weekenden kan wandelen. Op werkdagen is het rustig en blijft het bij een enkele jogger, auto of trekker maar in het weekend is dit een geliefde route voor fietsers. Zo lang deze trut haar overdreven gedoe niet heeft afgeleerd zal hij daarom slechts in nog stillere oorden, haar de vrije teugel kunnen geven. Het afleren van dat jachtgedoe kost hem natuurlijk weer minstens een kilo jongbelegen maar alles beter dan een trut die een Toyota apporteert.

 

© peter gortworst / juni 2018

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -19-

 

Puber of niet?

Kuri is nu 8 maanden en een allesbehalve voorspelbare viervoeter. Hij heeft geen idee of ze al aan het puberen is. Het kan zijn dat ze er middenin zit of dat het nog moet komen. Hij kan het niet aflezen uit haar gedrag. Dat is afhankelijk van het lekkers, de stand van de maan ten opzichte van de zon, de windrichting, het humeur van de buurvrouw of de groeisnelheid van het gras. De ene keer doet ze alles perfect en de volgende keer laat ze, als ze dat zou kunnen, hem haar middenvinger zien.

Ze moest onverwacht weer een paar dagen in het pension. Toen hij haar ophaalde was ze gereserveerd blij hem weer te zien. Zijn vermoeden dat ze slapeloze nachten achter de rug had, klopte. Op weg naar huis probeerde ze alert te blijven maar de oogjes en de kop werden te zwaar. Ze sukkelde langzaam weg. Thuis had hij er geen kind aan. Ze zocht haar beste plekje op en zeker een uur later dan normaal kwam ze hem de volgende dag wekken.
Dat doet ze best wel lief. ’s Avonds brengt ze hem naar bed. Ze wacht tot hij onder het dekbed schuift en gaat dan naar beneden. Tussen half acht en acht komt ze hem ’s morgens weer wakker maken. Een paar snuiven in zijn oor zijn genoeg.

Gevoel van humor kan haar niet ontzegt worden. Tussen de struiken door het erf van de achterbuurman, die in opperste concentratie zijn was aan het ophangen is, betreden en hem aan het schrikken maken door alleen maar aan zijn broekspijpen te ruiken, is natuurlijk dikke pret. Helemaal mooi als hij haar aan de andere kant van zijn erf de straat opjaagt. Ze staat plotseling in een straat met nieuwe geurtjes en de inmiddels aan zijn stem te beoordelen, boze baas is niet te zien. Zo lang hij wel te horen is maar niet te zien, betekent dit doen waar je zin in hebt en zo duurt het een kwartier voordat ze enthousiast voor haar eigen tuinhek staat. Baas staat aangeleerd blij te zijn dus er was niets aan de hand toch?

Als moeder Eend met zeven pluisbollen als nageslacht heb je het zwaar. Helemaal als er een bruin monster langs de rand van het kanaal naar je toe komt rennen. Het kroost schiet, bijna over het water rennend als 7 kleine jezusjes, naar de overkant en moeder speelt de zwaargewonde duck die het bruine gevaar weg moet lokken. Dat lukt haar donders goed. Zeker vijftig meter verder is haar genezing plotseling daar en ze stijgt op om met een mooie boog over de bomen heen, weer bij haar kroost neer te dalen. De hond heeft inmiddels door dat de baas wel erg ver is achtergebleven dus in volle galop komt ze hem halen. Een repeterende bedreiging. Daar heeft moeder Eend niet op gerekend. Ze herhaalt, tot groot genoegen van het bruine monster haar ziek, zielig en nooddruftig gedoe en als de afstand groot genoeg is, de hond weer ziet dat ze te ver van de baas is weggelokt en weer terug komt rennen, lijnt hij haar maar even aan. Moeders hebben het al te vaak moeilijk genoeg en bovendien hijgt zijn trut als een paard. In het picknickhuisje, een klein stukje verderop, kan ze even tot rust komen.

Vanavond was Diva er weer. Alle geleerde lessen uit het recente verleden, de rangorde betreffende, zijn vergeten. Een snauw, een beet in haar oor en een ruggelings herinneringsmoment zijn voldoende om het geleerde weer onder de aandacht te brengen. Ze ligt nu op de koude tegels in de hal af te koelen en hopelijk het opnieuw geleerde op te slaan. Hij weet het. IJdele hoop. Wat kan je anders van een trutje verwachten?

 

©peter gortworst / mei 2018

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

De rode draad -2-

Wegens de lengte van de tekst is dit verhaal in twee delen gepubliceerd. Dit is het tweede (en laatste) deel.

Ze belt diezelfde avond al. Hij krijgt een chaotisch en een ver van zijn bed staand verhaal te horen over haar leven tot nu toe.
Voor haar twintigste was ze zwanger. Ze woonde toen nog thuis bij haar moeder. De vader van het ongeboren kind had op voorhand al duidelijk gemaakt dat hij niets van een kind moest hebben. Hij wilde een abortus betalen, maar als zij het kind toch wilde houden, was dat zijn probleem niet meer en zou ze er alleen voor staan. Ze besloot het kind te houden. Het werd een jongetje en terwijl Oma voor het kind zorgde, was zij weer aan het werk gegaan.
Binnen een jaar ging ze samenwonen met haar nieuwe vriend. Ze huurden een flatje en het jaar daarop werd haar tweede zoon geboren. ‘Dat was weer een ongelukje,’ zegt ze en bijna alles wat in een relatie fout kon gaan ging bij haar ook fout. Ze ontdekte dat haar vriend een rasechte crimineel bleek te zijn en dat verklaarde een aantal verschijnselen. Zo was er op het ene moment meer dan genoeg geld en het volgende moment was er niets. De onregelmatige werktijden hadden niets van doen met gewoon werk en ook de sfeer van geheimzinnigheid en angst werd daardoor duidelijk. Ze had geëist dat hij er mee zou stoppen. Ze sprak hem aan op zijn verantwoordelijkheid naar haar en de kinderen toe, maar het werkte averechts. Hij werd kwaadaardig, kwam steeds minder thuis en als hij er was, werd zij door hem mishandeld. Toen zij door een andere bewoner met een bloedende hoofdwond en volkomen versuft in het trapportaal werd gevonden, ging het hulpverleningsmolentje draaien.
‘Maandag komen ze mij en de jongens ophalen. Ze brengen me dan naar een geheim adres want aan het eind van de week komt hij weer vrij,’ zegt ze, ‘En hij mag niet weten waar ik ben’.
Hoe lang ze daar zou zitten en hoe het verder moest wist ze niet.
‘Ik hoop dat ik een beetje in de buurt blijf. Dan kan je mij een keertje opzoeken,’ zegt ze.
Dat belooft hij en op zijn vraag of hij nog iets voor haar kan doen antwoordt ze:
‘Ja, met me trouwen!’
Zijn lach wordt door haar onderbroken:
‘Dit is niet leuk! Ik meen het echt! Weet je, ik heb tegen elk vriendje gezegd dat ze nooit kunnen tippen aan mijn allereerste vriendje en dat ben jij. Wij zouden het samen goed hebben gehad!’
Hij wil zeggen dat het niet handig is om elk nieuw vriendje met die mededeling te verrassen, maar ze heeft opgehangen.

Twee weken later belt ze weer.
‘Ik moet je vanavond spreken!’ zegt zij.
Ze spreken af dat hij om precies half acht, met de auto bij de brievenbussen op het stationsplein staat.

De auto staat nog niet stil als  het portier opengetrokken wordt en zij vliegensvlug, ver voorover gebogen, gaat zitten. Ergens in de buurt van het handschoenenkastje klinkt het bevel:
‘Weg hier! Ik ben als de dood dat ze mij herkennen!’
Ze zegt niets meer en als hij buiten de stad de snelweg opdraait, komt ze overeind.

Het blijkt dat ze haar in onze eigen woonplaats in een huis hebben geplaatst. Misschien dat zoiets even geheim blijft maar in deze dorpse stad, waar veel mensen elkaar kennen, duurt dat niet lang. Iedereen die iets te weten wil komen, kan dat ook. Terecht is ze over de keuze van dit adres heel boos. Haar twee kinderen worden, weliswaar door anderen, naar hun eigen school gebracht. Hoe gemakkelijk kan je het iemand, die iets kwaads in de zin heeft, maken? Het lijkt haar veiliger om, als het echt niet anders kan, alleen ‘s avonds buiten te komen. Het risico dat haar ex, of één van zijn vriendjes, haar tegenkomen is te groot.

Bij het eerste benzinestation langs de snelweg haalt hij twee bekers koffie en zet de auto op de parkeerplaats.
‘Waarover wil je me spreken?’ vraagt hij.
De verwachte hulpvraag of een update van alle shit die ze heeft meegemaakt of nog meemaakt, blijft echter uit. Niets van dat al. Het gaat alleen maar over hem. Een echte ondervraging. Ze wil weten hoe hij Els heeft leren kennen, of zij wel weet dat zij nu samen in de auto zitten, of hij wel eens vreemd is gegaan, hoeveel vriendinnetjes hij na hun verkering heeft versleten, wie dat waren, of hij gelukkig is, of er kinderen zijn en hoeveel ze er willen. Op alle vragen antwoord hij naar waarheid. Alleen bij de vriendinnetjesvraag schiet het hem net op tijd te binnen, dat er zeker twee bij waren die zij ook kent. Het antwoord op die vraag klopt veiligheidshalve dus niet.

Ze is kennelijk door haar vragen heen en blijft stil in het donker voor zich uit kijken.
‘Maak eens licht,’ zegt ze.
Hij knipt de binnenverlichting aan en ze draait zich naar hem toe. Zonder een spoor van emotie kijkt ze hem aan.
‘Zullen we neuken?’
Het gebeurt niet vaak, maar hij valt even stil. Ze heeft hem weer van zijn stuk gebracht. Helaas vat ze zijn sprakeloosheid op als twijfel.
‘Als je er over na moet denken zegt dat meer dan genoeg,’ zegt ze.
‘Ik dacht niet na, ik weet even niet wat ik moet zeggen,’ geeft hij als verweer, ‘En het antwoord op je vraag is nee.’
‘Bullshit, je moest wel nadenken. Waarom wil je niet? Is er iets mis met mij?’
Die laatste vraag is de gevaarlijkste en dient als eerste te worden beantwoord met een volkomen ongenuanceerd:
‘Er is absoluut niets mis met je. Ik vind je nog steeds hartstikke aantrekkelijk.’
Het antwoord bevalt haar blijkbaar, want de trekken op haar gezicht ontspannen wat.
‘We zouden het samen zo goed kunnen hebben. Ik ben beter dan welke vrouw ook en zou je echt gelukkig kunnen maken. Onze kinderen zouden het met elkaar best kunnen vinden. We kennen elkaar al zo lang: we horen bij elkaar. Wat is eigenlijk het probleem?Je geeft om me, want als je dat niet deed had je me vanavond niet opgepikt.’
‘Dat klopt,“ antwoordt hij, ‘Als je me volkomen koud liet had ik niet gereageerd, maar mijn gevoelens voor jou zijn meer van de categorie ’grote broer-kleine zus’. Als ik je op één of andere manier uit de shit kan halen doe ik dat, omdat niemand de sores verdient waar jij nu in zit. Een klein stukje van ons leven hadden we samen. Meer niet. We zijn elk onze eigen weg gegaan en meer dan dat kleine stukje samen is er niet. En misschien is dat ene kleine stukje de reden dat ik je wil helpen. Als je een praatpaal nodig hebt: prima, ik ben er. Zit je een keer op zwart zaad, mag je me bellen, wil je gaan verhuizen: regel ik voor je, maar verwacht niet dat ik mijn huwelijk op het spel ga zetten. Dat wil ik niet! Het beste voor jou is om mij te vergeten en nog beter is het om een eventuele nieuwe vlam niet te zeggen dat hij nooit kan tippen aan je eerste liefje. Wat wij ooit hadden is voorbij’.
Ze heeft haar hoofd van hem afgedraaid, zegt lange tijd niets en vraagt dan zacht:
‘Wil je me terug naar het station brengen?’
In volkomen stilte rijdt hij terug. Als ze bij het station uitstapt, vertrouwt ze hem, sissend van kwaadheid, toe:
“Stomme klootzak! Ga maar fijn de Goede Herder spelen voor anderen. Ik bel je niet meer. Ik ben nog liever dood dan jouw schijnheilige smoel te zien. Schijtert!”
En met een daverende klap gooit ze het portier dicht.

“Hoe was het?” vraagt Els.
Nadat hij alles heeft vertelt, merkt ze op:
‘Ze zal het niet makkelijk hebben en misschien belt ze inderdaad niet meer’.

 

1981

Ruim een jaar later en Carla hangt aan de telefoon. Ze is verhuist naar een dorpje in de buurt van Sneek en woont daar sinds kort samen met haar nieuwe vriend. Het gaat haar goed, maar haar twee kinderen zijn ondergebracht bij een pleeggezin. Volgens de hulpverlening is dat voor haar en de twee jongens beter. Als haar situatie wat stabieler wordt kunnen ze misschien terug, maar vooralsnog is daar geen kijk op. Hij vraagt waarom ze belt.
‘Wil de Goede Herder niet weten hoe het met dit ene schaapje gaat?’
Er schiet hem geen gevatte opmerking te binnen en hij rondt het gesprek af door haar het beste te wensen.
‘Mag ik je nog eens bellen?’ vraagt ze.
Natuurlijk mag dat.

 

In de jaren die volgen belt ze met grote onregelmatigheid. Soms hoort hij anderhalf jaar niets van haar en dan kan het zo maar zijn dat ze drie keer in de maand belt. Waar hij zich het meest over verbaast zijn de chaotische toestanden waarin zij blijkbaar continue verkeert. De relatie in Sneek loopt stuk. Ze gaat inwonen bij haar zus om vervolgens te vertrekken naar Breda. De vriend van haar nieuwe vriend is leuker en aardiger, dus dat wordt de volgende. Ze wordt zwanger, krijgt een dochter en binnen het jaar wordt ook dit kind uit huis gehaald. Vervolgens komt ze in Alkmaar terecht en het laatste adres is Lelystad. Het meest recente bericht is dat ze haar nieuwe vriendje het huis uit heeft gezet en dat ze van plan is voorlopig geen nieuwe meer te zoeken. Ze wil een poosje alleen blijven, zodat ze wat aan zichzelf kan gaan doen. Dat is het meest verstandige wat hij in lange tijd heeft gehoord.

Hoe kan iemand zo leven? Wat maakt dat zij haar leven zo leidt en lijdt? Is het noodlot, is het een gebrek aan eigenwaarde, trots of zelfvertrouwen. Misschien zijn al haar vriendjes wel lotgenoten of geestverwanten. Uit haar verhalen begrijpt hij dat er bij allen wel een steekje los zat of ze behoorden niet tot de maatschappelijk meest geslaagden. Wie weet zijn er wel goede kerels geweest, die in eerste instantie op haar uiterlijk vielen, maar afhaakten toen ze de echte Carla met haar hele hebben en houwen leerden kennen. En wat heeft dit met haar gedaan? Je hoeft geen genie te zijn om te ontdekken dat jouw manier van leven niet overeen komt met dat van de meeste mensen om je heen. Elke relatie de mist in zien gaan moet je, vroeg of laat, toch aan het denken zetten? Het meest bedroevend is wel de wetenschap dat ze elke nieuwe relatie is ingegaan met de hoop dat het nu wel klopt. En elke keer is die hoop tevergeefs geweest en dus is ook elke keer de mogelijkheid om een stabiele gezinssituatie te creëren haar ontnomen.  Wat een kut leven!

2014

Vanmorgen zit er een brief in de bus. Geschreven door de oudere zus van Carla. Een agressieve kanker heeft het leven van Carla genomen en ze is inmiddels, volgens haar wens, in stilte gecremeerd. In die brief zit nog een brief en die is door Carla speciaal voor hem geschreven. De brief heeft als aanhef:

‘Dag lieve Goede Herder en Herderinnetje’.  

Het is geen lange brief. Ze schrijft het een en ander over haar ziekte en bedankt hem omdat hij altijd een bereikbaar en luisterend oor was. Eén gedeelte blijft hem bij en zet hem aan het denken. Blijkbaar heeft Carla een nuchtere levenswijze en levenswijsheid ontwikkeld. Voor hem is dat nieuw. Ze schrijft:

Vanavond was er een man op tv, die het geweldig vond dat de techniek het mogelijk maakt dat mensen steeds ouder worden en misschien niet meer van ouderdom dood gaan. Het zou geweldig zijn dat je kennis niet verloren ging, dat je de kleinkinderen van je kleinkinderen zou zien en dat het begrip ‘tijd’ steeds minder inhoud zou krijgen. Ik ben het zo oneens met hem! Als je leven een klote leven is, zoals het mijne, je bent zwaar gehandicapt of je bent gewoon klaar met het leven, dan moet je er toch niet aan denken dat je niet dood kan gaan.

Is veel langer leven, of zelfs niet meer dood gaan, een zegening van de wetenschap? Los van alle problemen die het geeft met overbevolking, woningnood, betaalbaarheid en maatschappelijke acceptatie zou het kunnen. Je bent gezond. Je bent financieel onafhankelijk want je werkt nog steeds omdat je werken nog altijd leuk vindt. Je verveelt je niet en van een sleur is geen sprake. Je achter, achterachterkleinkinderen  weten nog wie je bent. Je hebt nog steeds plezier in het onthouden en aflopen van steeds meer verjaardagen. Vervelende kwaaltjes bestaan niet. Je kennis vermeerderd en je kunt altijd jongere generaties laten delen in jouw kennis.

Maar wat doe je hier nog als blijkt dat niemand op jouw wetenswaardigheden zit te wachten? Als de totale verveling toeslaat omdat je alles al hebt meegemaakt en er werkelijk niets nieuw is onder de zon? Wat als de wetenschap zich sneller ontwikkeld dan jij kunt bijleren en je dus hopeloos achter blijft? Mag je dan dood gaan?

Hoe langer hij nadenkt hoe meer mogelijkheden en onmogelijkheden hij ontdekt. Carla heeft er dus ook over nagedacht. Niemand, behalve de betrokkene zelf, weet hoe het voelt als je te horen krijgt dat je gaat sterven. Wat heeft dit weten met Carla gedaan? Ze is na gaan denken over haar leven en over het leven. Het weten dat je tijd afzienbaar beperkt is, dwingt blijkbaar daartoe. Hij vermoedt dat ze het, zeer terecht, oneens is geweest met die man van de tv. Na een leven vol missers, teleurstellingen, wanhoop, gebroken vertrouwen en vergeefs vechten, kan hij zich voorstellen dat je er gewoon klaar mee bent.

Ze sluit de brief af met de volgende woorden:

Ik ga dood en ik vind het niet erg meer. Om eerlijk te zijn verlang ik naar dat moment. Mijn kinderen komen wel goed terecht. Daarover hoef ik me geen zorgen te maken. Ik maak mij nu alleen zorgen over de dosering morfine die ik zal krijgen. Hopelijk meer dan genoeg.

 Dag allereerste liefje van mij. Ik ben altijd van je blijven houden.

 Het ga je goed.

Hij weet nog niet hoe hij zich voelt. De wetenschap dat Carla nooit meer zal bellen voelt niet als een opluchting of een gemis. Hij twijfelt. Had hij in het verleden dingen anders moeten doen of zeggen? Had hij niet meer kunnen doen? Verdriet, berusting, boosheid en de ‘het is beter zo dooddoener’ wisselen elkaar af. Niemand verdient een klote leven. Door die rottige ziekte is haar de kans ontnomen om het ooit beter te krijgen. Zij kan er vrede mee hebben, maar hij blijft het oneerlijk vinden. Hij is er nog lang niet uit. Carla is dood. Zijn eerste meisje is er niet meer. Kan hij haar ooit vergeten en wil hij dat wel?

‘Wil je met me gaan?’ vroeg hij lang geleden.
‘Ja,’ zei ze toen.
Ze is met hem gegaan.
Tot het einde toe.

 

©peter gortworst / mei 2018

Geplaatst in eerder | Tags: , , , | 3 reacties

De rode draad -1-

Een verhaal uit het archief. Wegens de lengte van de tekst wordt het in twee delen gepubliceerd.

1961

“Wil je met me gaan?”
Hij vraagt het terwijl zij de etalage van –de Vulpen, voor al uw kantoorbenodigdheden– bekijkt.
Hoe kan een jongetje van een jaar of tien, hoogblond met homemade korte broek en bruine veterschoenen, weten dat dit het begin is van iets wat hem tot vanmorgen is blijven achtervolgen?
Of er werkelijk een einde aan gekomen is? De tijd zal het leren.

Herinneringen. Dat wat in het verleden is gebeurt. In je eigen leven, in het leven van mensen om je heen en in de wereld om je heen. Soms zijn er herinneringen die vet gedrukt staan omdat het gebeuren je toen extra raakte. Misschien raken deze je nog steeds en blijven ze je daarom bij. Ook geschreven of gesproken woorden kunnen dat. Soms meer dan terecht, maar kan in het ‘normale’ menselijke verkeer een simpele vraag, een achteloze opmerking of een kinderlijke liefdesuiting ook tot die categorie behoren?

Wie of wat bepaald de intentie, de reikwijdte of de duur van die gevolgen? Zijn er logisch te verklaren oorzaken te noemen? Waarom heeft het ene wat je doet of zegt, zulke verstrekkende consequenties terwijl het andere door niemand belangrijk wordt gevonden of zelfs maar opgemerkt? Is het noodlot, geluk, stomme pech of gewoon toeval? Talloze malen vragen schooljongetjes of een leeftijdgenootje hun vriendinnetje wil zijn. Wat maakt het in zijn geval dan zo bijzonder?

 

Haar naam is Carla. Lang donker haar wat ze meestal in een paardenstaart draagt. Donkerbruine ogen en bij een vermoeden van zonneschijn, al bruin. Dat haar achternaam ‘de Bruyne’ is, kan geen toeval zijn. Ze zit niet op zijn school en woont niet in de buurt. Ze kennen elkaar omdat ze beiden door hetzelfde stuk van de winkelstraat moeten als ze van of naar hun eigen school gaan.
In die straat heeft haar vader zijn hoedenwinkel. Twee etalages met in het midden de ingang. Achter het linkerraam de herenhoeden en omdat je nooit op één paard moet wedden, ook stropdassen en handschoenen. Het raam rechts is voor de dameshoeden, sjaaltjes, doosjes met kanten zakdoekjes en dunne handschoentjes. Nutteloze handschoentjes. Als het maar een klein beetje vriest heb je er al niets aan.

Ook hij is een kind van middenstanders. Zijn ouders hebben een juwelierszaak en een uitgebreid arsenaal aan uurwerken. Van grote staande klokken tot ragfijne pendules. Ook zij hebben daarmee meer dan één paard lopen op de renbaan van het geld verdienen.

Aan het einde van de jaren vijftig is het standsverschil nog volledig aanwezig. ‘Middenstander’ zijn betekent echt wel wat en als kind wordt je dat heel duidelijk gemaakt. ’Werkvolk’ wordt met de nodige tegenzin geholpen. Aan die klasse kan men weinig verdienen. Als ze eens gek doen kopen ze een zilveren armbandje maar meestal blijft het bij de aanschaf van een paar trouwringen. De verkoopactiviteiten worden gericht op de medemiddenstanders, de notabelen en de industriëlen.

Het levert beperkingen op die hij, al ouder wordend, steeds minder accepteert. Als je ’de zoon bent van’ wordt je niet geacht betrapt te worden in de appelboom van de koster. En helemaal niet in de boom van de koster die beroepsmatig behoort bij hun eigen Gereformeerde Kerk. Dan zwaait er wat als ze op het politiebureau ontboden worden om hun zoon op te halen. Gepakt bij  het stoken van een vuurtje  en niet snel genoeg weg kunnen komen.  Ook als een wandelende, stinkende modderpoel, stervend van de kou, via de winkel binnenkomen omdat hij in de polder door het ijs is gezakt, wordt  niet op prijs gesteld. Alle aandacht van de mensen in de kerk op je gericht krijgen omdat de dominee, door gedonder van hem en zijn vriendjes, de preek moet onderbreken, is een prestatie die niet door iedereen wordt gewaardeerd en helemaal niet door ouders.

Hij begrijpt het wel. Ze willen een goed leven en willen vooral dat hun kinderen kansen krijgen die zij in hun jeugd niet hadden. Maar het ophouden van de status gaat ook voor hen gepaard met beperkingen en het ophouden van de schijn. Het is niet alles goud wat er blinkt. Voor een dagje uit is er nog wel geld maar een vakantie zit er niet in. Een televisie hebben ze niet. Dat is luxe die niet betaalt kan worden. Voor televisie kijken hebben ze waarschijnlijk niet eens de tijd. ‘s Avonds moeten er bestellingen worden gedaan, liggen er ringen en armbanden bij de graveermachine en staan er klokken die wachten op een reparatie of schoonmaakbeurt. Zijn moeder is behalve moeder, ook huisvrouw en winkeldame. Alle uren die ze maken vertalen zich niet automatisch in meer geld. Bij veel collega-middenstanders zal dat niet anders zijn.
Een malloot die ‘s nachts een stalen terrastafel van een naburig café door de etalageruit gooide, was de oorzaak van een heuse crisis. De verzekeringsmaatschappij eiste de aankoop van een alarminstallatie en stalen rolluiken. Kosten die niet voor de baat uitgaan.

In deze winkelstraat leert hij Carla kennen. Het stuk wat ze gezamenlijk lopen is het enige gemeenschappelijke. Hoe het eerste contact ontstaat en wat de gespreksstof is, kan hij zich niet meer herinneren. Wel weet hij dat ze al spoedig op elkaar staan te wachten. Vaak loopt ze mee tot hun winkel. Terwijl zij op straat blijft staan, lijnt hij thuis de hond aan en lopen ze samen verder. Ze is gek met die hond. Ze spelen uren met dat beest in het parkje vlak bij haar huis.

Ze komen niet bij elkaar in huis. Geen idee waarom dat zo is. Dat hij absoluut gek op haar is blijkt wel uit het feit dat al zijn wandelingen met de hond steevast langs haar huis gaan. Hij loopt minimaal drie keer langs de overkant van de straat in de hoop iets van haar te zien. Als de sloot achter hun huis bevroren is, blijft hij daar heen en weer schaatsen tot het donker is. Het is zo laat geworden dat zijn moeder zich werkelijk ongerust maakt.

Wat gaat er in dat blonde jongenskopje om als hij vraagt of ze met hem wil gaan? Met de kennis van nu is dat jongetje een hond die blaffend achter een auto aanrent. Wat moet dat beest met die auto als hij hem gevangen heeft? Wat moet hij met Carla als hij haar vraagt om met hem te gaan?

Ze kijkt hem aan met die donkere ogen. Zo bloedserieus en onderzoekend, dat hij er zich  ongemakkelijk onder voelt.
‘Ja’, zegt ze en ergens in hem begint iets te juichen. Hij vindt haar mateloos lief en mooi, maar heeft geen flauw idee wat ’met elkaar gaan’ inhoudt. Bij haar zijn en haar aandacht hebben is eigenlijk het enige wat hij verlangt. ‘Vroeg rijp’ is een term die alleen in bedenkelijker omstandigheden door volwassenen wordt gebruikt. Zij zijn kinderen. Aan ontluiken is de hormoonhuishouding nog niet toegekomen. De enige vermeldenswaardige gebeurtenis is een wederzijds zoentje op de wang. Dat is al spannend genoeg en misschien is het deze spanning die hem doet besluiten om zijn moeder te vertellen dat Carla de Bruyne zijn meisje is.

Kan het een poging zijn om hen te laten weten dat hij al een grote jongen wordt? Of hoopt hij dat ze trots op hem zijn? Was het toen al de verliefdheid die een leven in een achtbaan zet en die je wel van de daken wil schreeuwen? Hij weet het niet.

De reactie van zijn moeder is onvergetelijk.
‘Van de hoedenwinkel?’ vraagt ze.
Als hij dat bevestigt zegt ze:
‘Die zijn Katholiek, dus dat moet je maar vergeten! Ik wil het niet hebben!’

Welke overwegingen gaan achter dat gebod schuil? Wat rechtvaardigt dit kinderlijke onbevangenheid vermoordende, botte antwoord? Is hun bestaan zo doordrenkt van de Gereformeerde beginselen dat zo iets onschuldigs er met de leer der vaderen uitgeknuppeld moet worden? Speelt die verdomde status of de ‘dat doet ons soort mensen niet mentaliteit’ een rol? Het is in ieder geval een reactie die hij beslist niet heeft verwacht. Het blijft ook niet zonder gevolgen: de embryonale relatie met Carla sterft een zachte dood en hij past wel op om thuis ooit nog iets te vertellen.

1968

Het is de tijd van jeugdverenigingen en jongerensociëteiten. Voor deze pokdalige, ongeveer vijftienjarige puber ‘the place to be‘. De ’meisjes-zijn-stom-periode’ ligt achter hem en waar anders kan je gelijkgestemde leeftijdsgenoten ontmoeten? Zijn favoriete sociëteit is het Tonnetje. Alleen op zaterdagavond open in een bijgebouwtje van de kerk en dus absoluut alcohol-  joint-  en wantrouwende oudersvrij. Met veel vaste bezoekers en bezoeksters heeft hij leuk contact en kijkt er wekelijks naar uit. Het is leuker dan een stamkroeg en, zeker niet onbelangrijk, goedkoper.

Ze komt binnen met, naar even later blijkt, haar oudere zus en een vriendin. Die vriendin kent hij. Zij is een vaste bezoekster van deze sociëteit en heeft blijkbaar Carla en zus meegenomen. De herkenning is niet wederzijds. Carla stevent, geflankeerd door zus en vriendin, op hem af en stelt hem aan hen voor. Pas op het moment dat ze vertelt dat hij haar allereerste vriendje was, gaat er een lichtje op. Hij heeft haar echt niet herkent. Het donkere haar is kort geknipt en haar gezicht is mager en scherp. Een aanbod om wat te drinken slaan ze niet af en als hij met de drankjes bij het tafeltje terug komt, lopen zus en vriendin met hun glas in de hand naar de bar. Blijkbaar zijn ze geïnstrueerd.
Ze raken, zoals dat heet, aan de praat. Na de koetjes en kalfjes vraagt ze, volkomen onverwacht, waarom het tussen hen uit is gegaan. Hij wil er wat lacherig over doen, maar iets in haar houding en donkere ogen geeft aan dat het voor haar een wezenlijke vraag is. De werkelijke reden vindt hij te gênant en probeert daarom een redenering te verzinnen over kleine kinderen, kalverliefde en nu zo’n vijf/zes jaar verder zijn. Ze onderbreekt hem met de woorden:
‘Ik denk heel vaak aan je en vooral bij de begrafenis van mijn vader had ik je naast me willen hebben.’
Hij weet niet wat hij hoort! ‘Ontreddering’ is een vage aanduiding van zijn gemoedstoestand. In de eerste plaats wist hij niet dat haar vader dood was en in de tweede plaats begint hij zich behoorlijk schuldig te voelen over iets waar hij niets aan kan doen. ‘Assertief’ is nog geen modewoord en zeker geen breed bekend begrip. In plaats van het probleem te laten waar het is, trekt hij het zich wel aan. Stotterend, met rooie kop en zweethanden, vraagt hij naar haar vader. Het blijkt dat de beste man een kleine twee jaar geleden, ´s avonds door haar in het magazijn van de winkel is gevonden. Overleden aan een hartaanval.
‘Ik voelde me zo alleen toen we bij het graf stonden. Mijn vader zou je vast gemogen hebben,’ zegt ze en de eerste traan loopt over haar wang.
Hij staat op om bij de bar een papieren servetje te halen, maar ze wil even naar het toilet om de schade van uitlopende mascara te herstellen. Ze is de deur nog niet uit of haar zus komt naar hem toe.
‘Doe voorzichtig met haar. Ze heeft nog al wat mee gemaakt,’ zegt ze en ze knijpt even in zijn schouder.

Ook dat nog! Een oudere zus met verantwoordelijkheidgevoel die op afstand de zaak in de gaten houdt. Zo voelt dus drijfzand aan. Je zakt langzaam weg en ontsnappen wordt steeds moeilijker.

Terugkijkend op je prille jeugd is het normaal dat je aan je eerste vriendje of vriendinnetje denkt. Maar nu, als tiener die de wereld en het leven nog moet ontdekken, er zo veel gewicht aan geven, het zo overwaarderen, lijkt hem niet goed. Toch moet hij erkennen dat er een zekere mate van trots is gegroeid: blijkbaar is ze onder de indruk van hem. Het slimste wat hij nu zou moeten doen is een charmante aftocht organiseren. Misschien gaan hun levens dan ieder een andere weg. Het is praten achteraf en dan is zelfs de grootste sukkel slim. Feit is dat hij haar die avond naar huis brengt. Ze gaan te voet. Zus plus vriendin volgen op zo’n vijftig meter afstand. Ze nemen netjes afscheid en hij belooft dat hij volgende week weer in het Tonnetje zal zijn.

Het zou best de drang kunnen zijn om te willen zorgen voor iemand die zorg nodig heeft. Hij wil haar koesteren als een gewond vogeltje, in de overtuiging dat het allemaal weer goed komt. Misschien is het zijn onkunde hoe om te gaan met een huilende vrouw of onderkent hij zijn volkomen onterechte schuldgevoelens niet. Waar is het gevoel voor rede en waar het gezonde verstand? Hij had niks moeten beloven. Voor het feit dat je ook een prima leven kan hebben met een te vroeg gestorven vader heeft hij geen oog. Hij heeft haar bescherming, hulp en hoop gegeven zonder te beseffen dat hij daarvan niets waar kan maken. Het beeld van een haas die in de koplampen van een naderende auto staart en niet weg springt, dringt zich aan hem op. Zelfs hij wordt nu slim.

 

Ze krijgen verkering maar zien elkaar alleen op de zaterdagavond in het Tonnetje. Ze kletsten met elkaar en met bekenden, ze zoenen, maar wegens het toezicht netjes en niet aanstootgevend en ze dansen. Dansen op de langzame nummers van the Cats, Beatles en Fats Domino. Het is niet meer dan een, strak tegen elkaar aangedrukt, wiebelen.  Als ze ‘Forever and ever’ van Demis Roussos draaien vertelt ze dat deze zanger altijd een stukje boven de vloer zweeft.
‘Als je goed kijkt kan je het zien,’ zegt ze, maar ze is er ook achter gekomen dat zij de enige is die het ziet.
Omdat haar zus vertelt had dat ze nog al wat had meegemaakt, vraagt hij daarnaar. Eerst wil ze er niet over praten maar een week of twee later vertelt ze dat een oom niet met zijn handen van haar af had kunnen blijven. Het was twee keer gebeurd en de derde keer waren ze gelukkig betrapt door haar moeder. Hij gelooft niet dat ze alles vertelt maar vind het zo al lullig genoeg. Hij snapt nu ook waarom ze verstart als zijn hand onder haar truitje glijdt.

Deze periode duurt een paar maanden en hij maakt het uit omdat het niet leuk meer is. Het is hem al vaker opgevallen dat ze zo dom kan praten en doen. Ze snapt ook vaak dingen niet. Met steeds grotere regelmaat merkt hij dat haar iets uitgelegd moet worden wat voor iedereen zo klaar als een klontje is. Net zo vaak gaat hij zich aan haar irriteren.

Het ergste zijn haar claims op de nabije en verre toekomst. Dat ze met hem gaat trouwen staat voor haar vast. De datum nog niet, maar het jaar wel. Maar ook hoeveel kinderen ze krijgen, in wat voor soort huis ze gaan wonen, het soort meubels, vakantiebestemming, huisdieren en je kan het zo gek niet verzinnen of zij heeft daar al over nagedacht. Het zijn juist die dingen waar hij helemaal niet over na wil denken. Hij heeft geen trouwplannen en al helemaal geen plannen die daarna moeten komen. Voor haar is ‘hij en ik samen’ het leven. Voor hem is ‘zij en ik’ slechts een deel van zijn leven en het feit dat hij het zo voelt, zegt al meer dan genoeg.

Verdriet en boosheid als hij het uitmaakt. Het verwijt “Je hebt me gebruikt!” vind hij zo oneerlijk en zo ver van de waarheid afstaan, dat hij er nu nog verdrietig van kan worden.

1979

Het is een zonnige zaterdagmiddag als hij, samen met zijn vrouw Els, door het winkelcentrum loopt. Niet alle winkels in dit centrum zijn al verhuurt, maar de vooruitzichten zijn gunstig. Dit nieuwe stadsdeel is nog in opbouw. Driekwart van het plan is voltooid en de verwachting is dat het nog een kleine twee jaar duurt voor alles af is. Hun huis ligt in de fase die het eerst opgeleverd is. Een vrijstaande woning aan het eind van een doodlopend straatje. Hun eerste koophuis en ze zijn er hartstikke trots op. Voor stadse begrippen een grote tuin. Achter de tuin loopt de Jonkersvaart en dus is er een vrije doorvaart naar het open water. De plannen voor de boot die ze later gaan kopen, zijn er al.

In de supermarkt doen ze hun laatste weekendboodschappen. Bij de kassa rekent hij af terwijl Els de boodschappen in een doosje doet. Plotseling een stem achter hem:
‘Ken je me nog?’
Hij draait zich om en daar zit Carla achter de kassa.
‘Hé, Carla, wat leuk! Hoe is het met je?’
Haar gezicht verstrakt.
‘Om eerlijk te zijn: niet echt goed. Ik wil een keer met je praten. Dat kan nu niet, maar mag ik je een keer bellen?’
Niet bepaald een reactie die je verwacht als je iemand na zo veel jaar weer ziet. Enigszins verrast zeg hij:
‘Ja natuurlijk. Moet ik het nummer even opschrijven?’
Dat hoeft niet.  Als hij in het telefoonboek staat zal ze hem wel vinden.

‘Wat was dat nou?’ vraagt Els en hij vertelt haar dat deze kassadame Carla is en dat ze hem, zeer waarschijnlijk, binnenkort gaat bellen. Het feit dat ze elkaar op de hoogte hebben gebracht van alle serieuze relaties die ze hadden voor ze elkaar kenden, komt nu van pas. Uitleg over Carla is overbodig.
‘Weet je ook waarom?’ vraagt ze.
‘Nee, maar ik neem aan dat ik het wel zal horen.’

wordt vervolgd

 

©peter gortworst / mei 2018

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen