De zevende

Sinds gistermiddag staat er een koude wind en het regent. Een enkele keer een echte regenbui, soms pijpenstelen maar verder alleen maar van die miezerende druppeltjes die er de hele tijd zijn. Alles in de tent begint vochtig klam te worden en het maakt haar humeur er niet beter op. Zomervakantie op een ongemakkelijk stoeltje in een te kleine tent met een dikke trui, joggingbroek en warme sokken.
Waarom heeft zij zich laten overhalen om op vakantie te gaan naar zijn favoriete vakantieland? Waren het zijn enthousiaste verhalen over de schitterende natuur, de intrigerende geschiedenis of de mentaliteit van de bewoners? En dan nog kamperen! Ze heeft dat nog nooit gedaan en zijn opmerkingen over je één voelen worden met de elementen als je gaat kamperen, had ze zich heel anders voorgesteld.
Wat is er mis met een geheel verzorgde vakantie op Tenerife? Daar is het minstens 15 graden warmer. Je kan er rondlopen in een korte broek op sandalen en als je zo nodig nat wil worden stap je het zwembad in. Slapen in een echt bed en niet op zo’n opblaasmatras met een klamme slaapzak. ’s Morgens een ontbijtbuffet en geen kleffe broodjes of zelf gebakken flensjes met een lap bacon en een spiegelei.
Wat haar nog het meest ergert is zijn enthousiasme. Het is haar net even te veel, te gemaakt, te geforceerd. Het is het leuk vinden omdat het leuk moet zijn.

De rits van de tent gaat omhoog en hij stapt naar binnen. Korte broek en magere witte spillebenen. Hoe haalt hij het in zijn hoofd? De rol wc-papier gaat in de krat met keukenrollen, schoonmaakdoekjes en stoffer met blik. Dat is ook zoiets. Overal heeft hij een krat voor. Eentje voor de technische dingen, eentje voor het eten, eentje voor de pannetjes, eentje voor de hand- en theedoeken…

‘Het wordt droog,’ zegt hij monter.
‘En?’
‘We zouden een wandeling kunnen maken. Er is een route van vijf kwartier die langs zeven watervallen loopt. Lijkt mij wel mooi.’
‘En waar is die wandeling?’
‘Hier vanaf de camping.’
Weg is haar hoop op een ritje in een auto die voor wat warmte kan zorgen.
‘Nou… laten we dat dan maar doen,’ zegt ze met een stem die overduidelijk niets laat blijken van “ja leuk” of ”Goh, daar heb ik echt zin in”.

De watervallen zijn alleen bereikbaar door van het pad af naar beneden te lopen. Geen mooi aangelegd weggetje maar een paadje van grote gladde stenen. Ze vindt het doodeng. Stel dat ze weg glijdt en iets breekt! Ze moet er niet aan denken.

We gaan er even uit voor de reclame 🙂

De eerste waterval kan je nauwelijks een waterval noemen. Het is meer een stroomversnelling. Mistroostig kijkt ze er naar. Nog meer water, denkt ze.
Ook de volgende watervallen tonen hetzelfde beeld. Oké, bij de ene valt het water van een wat grotere hoogte dan bij de ander maar het gehele plaatje kan amper de benaming watervallen dragen. Na de zesde houdt ze het voor gezien.
‘Ik wil weer naar de tent,’ zegt ze met een pruilmondje.
‘Ach joh, laten we die laatste ook nog even doen. Misschien is die wel mooier dan de rest.’
‘Nee,’ zegt ze zeer beslist, ‘Het miezert weer. Alles is zijknat en ik heb het koud.’
Hij zucht even diep.
‘Goed, we gaan naar de tent.’

Bij de ingang van de camping lopen ze hun buurman tegen het lijf. Ook een Nederlander met een onverwoestbaar optimisme als het over het weer gaat.
‘We hebben de zeven watervallentocht gelopen,’ deelt haar vriendje mee.
‘O, wat leuk! Dat hebben wij gisteren gedaan. Die zevende was mooi hè? Zijn jullie ook achter het water langs gelopen? Ik vond het een spectaculair ding.’
‘Uh… nee… dat hebben we gemist…’
‘Wat jammer. Nou ja, morgen is er weer een dag en zo ver lopen is het niet.’
Ze weet dat ze nu even niets moet zeggen. Bij de tent gaat ze in de auto zitten.
‘Ik ga even mijn moeder bellen,’ zegt ze.
‘Ja, prima. Ik schil ondertussen de aardappelen.’

Na een kwartier stapt ze uit de auto.
‘Thuis zitten ze in de tuin. Zelfs in de schaduw is het te warm. Mijn vader neemt twee keer per dag een koude douche.’
Hij kijkt haar een beetje zompig aan.
‘Fijn voor ze,’ zegt hij dan.
‘Ik wil naar huis.’
Hij zwijgt, ontdoet de aardappels van de pitjes en snijdt ze doormidden.
‘Hoor je mij?’
‘Ja.’
Er valt weer een stilte.
‘Ik had je nog zo veel moois willen laten zien,’ biecht hij op.

Ze denkt na. Het liefst zou ze hier nooit meer heen gaan maar dat wil ze hem niet aandoen. Het is beter iets van hoop te laten bestaan.
‘Dan doe je dat in een volgende vakantie. We nemen dan kleine hotelletjes of BenB’s zodat we niet zo afhankelijk zijn van het weer. Dat is toch ook leuk?’
‘Ja…’ zegt hij aarzelend.
‘Weet je wat? Morgenochtend ga jij nog even naar die laatste waterval en ruim ik alvast alle spullen op. Als jij dan terug bent, breken we de tent af en gaan we naar huis.
Hij snijdt een ui in kleine stukjes en ze gaat er maar even vanuit dat de traan die over zijn wang loopt, zijn oorsprong vindt in de uiendamp.
‘Ja. dat is goed,’ en hij veegt de traan weg met een stuk keukenrol.
‘Morgenavond zitten we in onze eigen tuin en maken we onze vakantie daar af,’ hoort ze zichzelf geestdriftig zeggen.
Hij zegt niets. Geconcentreerd regelt hij de vlam onder de benzinebrander en stiekem hoopt hij dat het weer in Nederland rigoureus omslaat.

© peter gortworst / okt.2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

West Terschelling

Het zal de regen van de laatste dagen zijn geweest. Voor hetzelfde geld is het de ontdekking dat de r weer in de maand zit. Veel maakt dat voor hem niet uit. Een man op ruime leeftijd en alleenstaand heeft aan tijd en omstandigheden geen boodschap. Dat zijn rek- en plooibare dingen. Het besef dat er na zijn pensionering niets meer moest, heeft hem een gelukkig man gemaakt. Dat zijn omgeving daar vaak anders over denkt, deert hem niet. Zo is daar de overbuurvrouw die ’s nachts om drie uur aanbelde om te vragen of het wel goed met hem ging. Er brandde zo laat nog licht… Nee, er was niets aan de hand en als hij dood in zijn woning zou liggen kwam hij haar dat wel vertellen. Toen hij, in een vlaag van mededeelzaamheid, vertelde dat hij een boek aan het schrijven was en dat zoiets het beste gaat als het nacht is, vertrok zij hoofdschuddend weer naar haar eigen woning. De nachtelijke uurtjes zonder slaap haalt hij vaak overdag weer in en zo kan het gebeuren dat zijn oudste dochter hem, in diepe rust, op de bank vindt.

Ook zij maakt zich zorgen. Haar vader was zijn hele leven al een zonderling maar het lijkt wel of het steeds erger wordt. Hij staat stil in de tijd. Een mobiele telefoon wil hij niet hebben. ‘Ik heb een telefoon,’ liet hij weten terwijl hij naar het oude apparaat op het bijzettafeltje wees. Alles wat digitaal zo veel makkelijker zou kunnen, bant hij uit zijn huis. Schrijven doet hij met een vulpen in schriftjes, als er wat betaalt moet worden loopt hij naar de bank. Van een DigiD heeft hij nog nooit gehoord. Dat zijn dochter hem heel wat administratief werk uit handen neemt, weet hij wel maar beseft het niet.

Het is al vijf uur in de middag als hij wakker wordt. Dat is later dan hij had voorzien. Nu moet hij nog eten koken en daar heeft hij geen zin in. Hij smeert twee boterhammen met pindakaas en met een groot glas melk werkt hij die weg. Om zes uur zet hij de radio aan en luistert naar de nieuwsberichten. Op Terschelling zijn vier dode zeehonden gevonden en het is nog onbekend hoe die aan hun einde gekomen zijn. Terschelling. Daar is hij nog nooit geweest. De vakanties bracht hij met zijn gezin, net als zo veel Zaankanters, altijd door in Bakkum. Waarom zou je ver reizen als het vakantiegevoel ook dicht bij huis gevonden kan worden? De verhalen van anderen over de bergen in Oostenrijk, de prachtige steden in Italië of de bloedhete stranden in Spanje konden hem niet bekoren. Het zal vast mooi zijn maar zo lang in een auto zitten en al dat geld wat zoiets kost, nee, Bakkum is ook mooi en je kan er gewoon Nederlands praten. Maar Terschelling…? Het idee dat je op een eiland zit maakt het natuurlijk wel bijzonder.
Hij pakt zijn encyclopedie uit kast en zoekt naar Terschelling. Je komt er door op de boot te stappen in Harlingen, leest hij. Meer hoeft hij niet te weten. Hij pakt een weekendtas en stopt daar wat kleren, ondergoed, een washandje, een handdoek, zeep en zijn tandenborstel in. Uit de schuur haalt hij een groot stuk karton en schrijft er met grote letters “Harlingen” op. Dan gaat hij naar bed en zet de wekker op half vijf.

De wekker ratelt hem wakker en met enige moeite schuift hij het handeltje opzij. Het duurt even voor hij weet waarom hij wakker moest worden. Het is buiten nog donker maar langzaam gaat hem een licht op. Terschelling! Dat was het! Zo snel als zijn oude lijf hem toelaat haalt hij een waslap over zijn gezicht, schiet in de kleren en hobbelt de trap af. In de keuken maakt hij zijn havermoutpap klaar en smeert vier boterhammen voor onderweg.

De achterdeur wordt op slot gedraaid. De weekendtas gaat, samen met het kartonnen bord, op de bagagedrager van zijn fiets en hij stapt op. Het vervoermiddel wordt bij de Mac aan het Prins Bernhardplein geparkeerd. Daar heeft hij ANWB borden gezien waar Purmerend op staat. Hij weet dat vanaf die plaats een weg naar het noorden loopt dus eerst maar daar zien te komen. Aan het begin van de vluchtstrook legt hij de tas in de berm en met het bord voor zijn buik, steek hij de arm uit en de duim omhoog. Het wordt langzaam licht dus ze moeten hem kunnen zien, denkt hij.

Het duurt zeker een half uur als er eindelijk een auto stopt. Het raampje gaat open.
‘Waar moet u heen?’ vraagt de man op leeftijd achter het stuur.
‘Wat dacht u van Harlingen?’ vraagt de lifter.
‘Tsss,’ zegt de vrouw naast de bestuurder en ze bekijkt hem afkeurend.
‘Dat treft. Stap maar in,’ zegt de man, ‘Wij moeten naar Leeuwarden dus dat komt goed uit.’
Als hij op de achterbank zit, verstelt de man zijn binnenspiegel zodat hij hem goed kan zien. Ze zeggen geen boe of bah. Niet tegen hem maar ook niet tegen elkaar en terwijl het voor hem onbekende landschap aan hen voorbij trekt, vraagt hij zich af waarom ze hem hebben meegenomen. Aan het einde van de Afsluitdijk vraagt de man:
‘Waar moet u zijn in Harlingen?’
‘Ik ga naar Terschelling dus het zal de haven wel worden.’
‘Ja, dat denk ik ook. Ik zet u daar wel af.’
‘Toe maar…’ zegt de vrouw en het klinkt behoorlijk pissig.
De auto stopt bij de haven en hij stapt uit.
‘Dank u wel,’ zegt hij, ‘Goede reis verder.’
‘Ja. Graag gedaan.’
Hij kijkt de auto na en bedenkt dat zijn aanwezigheid hen misschien wel heeft behoedt voor een flinke echtelijke ruzie. Maar misschien breekt die nu uit. Dan kan maar zo.

Hij is op tijd voor de boot die net na tienen vertrekt. Het waait maar een beetje en de zon schijnt. Hij besluit om op het dek te blijven. Als je de eerste keer van je leven op zee bent, moet je daar toch ten volle van te genieten. Het lukt hem echter niet. De zon schijnt eerst op zijn rug, daarna van opzij en nu weer schuin van voren. Hij kan niet anders dan concluderen dat het schip gewoon een beetje rondzwalkt. De kapitein zal toch geen alcoholist zijn die nu al te veel gezopen heeft? Een beetje bezorgt kijkt hij om zich heen maar blijkbaar is er niemand die het in de gaten heeft. Hij gaat op zoek naar reddingsboten maar vindt ze niet. Wel een soort van ronde tonnen. Die hebben vast iets met ‘redden’ te doen en daarom blijft hij daar een beetje in de buurt. Voor geen goud gaat hij nu nog naar binnen.
Het vaste land wordt gehaald en dat valt hem mee. Als hij van boord gaat, is hij voor het eerst van zijn leven op een eiland.

Hij loopt naar de huizen die aan de haven staan en ontdekt daar een wegwijzer van de ANWB. Hij is aangekomen in West Terschelling dus zal er ook wel een Noord Terschelling zijn en een Terschelling Centrum. Helaas staat dat niet op het bord. Wel Hoorn en Midsland maar dat zegt hem niets. Als hij om zich heen kijkt of er iemand is die hem zou kunnen helpen, valt zijn oog op de letters van de VVV. Die moeten het wel weten.
De mevrouw achter de balie begrijpt zijn vraag niet. Er is geen Terschelling Centrum probeert ze hem duidelijk te maken. Dit, waar hij nu is, is de ‘hoofdstad’ van het eiland en iets van een Centrum bestaat niet. Ze haalt er een kaart van het eiland bij en wijst hem waar hij nu is. Langzaam wordt het hem duidelijk. Het eiland is veel groter dan hij dacht.
‘Hoe ver het is naar het strand?’ vraagt hij.
‘Welk strand?’
‘Ja. Het strand bij de zee natuurlijk! Er is toch geen strand zonder zee?!’
De mevrouw krijgt langzaam door dat ze met een zonderling te maken heeft. Een wereldvreemde zonderling nog wel. Hem helpen is niet alleen haar taak. Het is ook haar roeping en met een houding die alle geduld van de wereld toont, antwoordt ze hem:

‘U bedoelt het strand aan de Noordzee? Dat is aan de andere kant van het eiland. Hier voor de deur ligt de Waddenzee. Uw zee ligt zo’n zes kilometer weg. Als u dat niet wilt lopen, kunt u altijd een fiets huren. Hebt u eigenlijk wel een slaapgelegenheid?’
‘Nee…’
‘Zal ik even voor u bellen of er nog ergens plaats is?’
Hij knikt zonder iets te zeggen en zij gaat aan een bureau zitten. Het duurt even maar dan komt ze met een glimlach op haar gezicht naar de balie.
‘Bij hotel NAP is nog een kamer beschikbaar tot vrijdag. Ik ben maar zo vrij geweest deze voor u te reserveren.’
‘O… En wat kost dat?
‘Honderdzesendertig euro per nacht en het ontbijt is gratis.’
‘Jezus!’ zegt hij geschrokken.
Dat is veel geld voor een nachtje slapen. Hier had hij niet op gerekend. Tweehonderd euro had hij uit zijn geldkistje gehaald en dat moest ruim voldoende zijn.
‘Is er niet wat goedkopers?’ vraagt hij daarom.
‘Nee. Dit is één van de goedkopere die toevallig nog een kamer vrij hebben.’
Hij twijfelt maar veel keus is er niet.
‘Goed. Hoe kom ik daar?’
Bereidwillig vertelt ze hoe hij moet lopen en als hij de deur uit gaat, wenst ze hem een prettig verblijf op het eiland.

Hij boekt de kamer voor één nacht. Zijn tas zet hij op het bed en kijkt uit het raam naar het volk wat door de straat loopt. Het strand is zes kilometer lopen en hij besluit om zich aan die wandeling te wagen. Per slot van rekening heeft hij de hele middag de tijd. De gesmeerde boterhammen vist hij uit de tas en met de kaart van Terschelling in zijn broekzak, gaat hij op pad.

Zes kilometer is ongeveer de afstand van de Dam met het beeld van Czaar Peter tot Wormerveer of Nauerna. Een flinke wandeling maar te doen. Het landschap is mooi. De zon schijnt maar echt warm is het niet. Prima wandelweer. Veel mensen komt hij niet tegen en ook op het strand is het niet druk. Bovenaan de strandopgang doet hij zijn schoenen en sokken uit, krult zijn broekspijpen op en loopt door het zand naar het water. Het voelt lekker. Hij sopt een stukje naar links en hij sopt een stukje naar rechts en gaat dan op het zand zitten, eet zijn boterhammetjes en kijkt om zich heen. Hij vraagt zich af wat de meerwaarde is van strandzitten op een eiland. Het verschilt niets met zijn vertrouwde strand bij Bakkum. Enigszins ontgoocheld door zijn eigen ontdekking staat hij op en loopt de lange weg terug. Het is al laat als hij doodmoe het hotel bereikt. Hij gaat naar zijn kamer, ploft op bed en vertrekt met zijn kleren nog aan, naar dromenland.

Zodra hij wakker wordt stapt hij onder de douche. Een lange en warme. Hij heeft er goed voor betaalt dus je moet het er van nemen. Het ontbijt bevalt hem uitstekend. Hij eet zo veel dat de lunch er vandaag wel bij kan inschieten. Thuis staat er nog een stoofpotje in de koelkast. Dat kan hij vanavond wel opwarmen. Bij de haven gaat hij op een muurtje zitten. Het duurt nog even voor de middagboot vertrekt maar dat geeft niet. Hij heeft de tijd.

Als hij aan boord gaat, loopt hij gelijk naar het bovenste dek. Vlakbij zo’n ronde witte ton is een bankje en daar gaat hij zitten.
‘Mag ik er bij komen zitten?’ vraagt een vrouw.
Hij kijkt op. Voor hem staat een magere vrouw die wel van zijn leeftijd zou kunnen zijn. Het grijze haar heeft ze in een knotje en onder haar driekwart broek steken twee bruine benen.
‘Ja, natuurlijk,’ zegt hij.
‘Nou? Hoe was de vakantie? Of ben je niet op vakantie geweest?’
‘Nee, ik was hier maar één nacht.’
‘Waarom?’ wil ze weten.
‘Omdat ik nog nooit op een eiland ben geweest.’
‘Zeg, kom jij toevallig uit de Zaan?’
Ze zegt op een toon alsof ze zojuist ontdekt heeft dat hij haar eerste vriendje was. Hij kijkt haar verbaast aan.
‘Ja… Hoezo?’
‘Je praat zo Zaans als Piet Kee van de vis. Dat geeft niet hoor. Ik woon er ook.’

Vijf kwartier varen is zo voorbij als je samen herinneringen ophaalt en elkaar vertelt hoe het eens was. Het oude station met die gammele voetgangersbrug. Je keek vanaf het perron uit over het Westzijderveld met de held Jozua prominent in beeld. Over Poelenburg wat er toen nog niet was. De fabrieken van Albert Heijn, Verkade en Pieter Schoen aan de Zaan. De kermis op de Burcht en de films die ze draaiden in Flora of Apollo. Als ze vraagt of hij de auto ook in Harlingen heeft staan, biecht hij op dat er gelift zal moeten worden. Spontaan biedt zij hem een lift aan en belooft hem bij de rotonde af te zetten.

Het wordt een lange zit. Ze rijdt niet sneller dan tachtig kilometer per uur.
‘Ik rij nooit harder dan mijn beschermengel kan vliegen,’ laat ze hem weten.
‘Dan zou ik de volgende keer de achterdeur even openen zodat die engel op de achterbank kan gaan zitten,’ merkt hij gevat op, ‘Kan je wat sneller rijden.’
‘Mijn engel doet dat niet. Die wordt wagenziek. Zullen we in Den Oever even een visje gaan eten?’
‘Ja. Lekker.’

Hij neemt een harinkje met ui en zij een bakje kibbeling met knoflooksaus. Hij betaalt. Zo galant is hij wel. Terug in de auto valt hem de geur van de knoflook op. Hij houdt niet van knoflook en als hij het raampje een klein beetje open draait komt er commentaar.
‘Wil je dat weer dicht doen? Het tocht en straks heb ik een stijve nek.’
Gehoorzaam doet hij dat maar de geur van knoflook bederft niet alleen zijn autoritje. De sfeer is ook anders geworden. Hij zegt niet meer zo veel en ook zij wordt zwijgzamer. Beiden zijn blij dat de rotonde is bereikt.
‘Je wordt bedankt,’ zegt hij.
‘Graag gedaan en wie weet komen we elkaar nog eens tegen.’
‘Ja, dat kan maar zo. Dag hoor.’

’s Avonds komt zijn dochter even langs.
‘Je ziet er een beetje pips uit, Pa. Je zit teveel binnen. Is het een idee om een weekje op vakantie te gaan?’
‘Waarheen dan?’
‘Nou, een leuk hotelletje op Texel of Terschelling. Volgens mij ben jij daar nog nooit geweest. Lekker wandelen, een fiets huren, uitwaaien of met je blote pootjes in de zee…’
Hij kijkt haar een beetje dommig aan.
‘Breek me de bek niet open,’ laat hij zich ontvallen.

© peter gortworst / aug.2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

De zwangere man -11-

Met blijdschap geven wij kennis….

Volgens mij de meest gebruikte eerste zin op een geboortekaartje. Nu doe ik niet aan geboortekaartjes maar het heugelijke feit is daar. De uitdaging om een boek te schrijven is tastbaar geworden. Mijn boek is gedrukt en ligt in de verkoop.

Voorbij is de tijd van ‘hoe nu verder met het verhaal’. Geen zorgen meer over tijdlijnen die wel of niet kloppen. Geen bedachte personen meer die toch anders zijn of doen, locaties die er niet uitzien zoals beschreven of straatnamen die niet bestaan. Veel collega-schrijvers zullen zich herkennen in het gegeven dat het uiteindelijke verhaal niet dat is wat het vooraf had moeten zijn. De tekst is regelmatig met mij op de loop gegaan. Ik heb een aantal hoofdstukken weg moeten doen omdat het verhaal zich anders ontwikkelde. Zonde van het werk maar zo gaat het blijkbaar. Het is niet voor niets dat het schrijven zo veel tijd en inspanning kostte. Slapeloze nachten heb ik niet gehad. Wel vaak erg korte.

Nu is het wachten op reacties. De opmerkingen van mijn proeflezers waren veelbelovend en dat geeft hoop. Hoewel het schrijven in eerste instantie een uitdaging voor mijzelf was, ben ik natuurlijk wel nieuwsgierig hoe anderen het boek vinden. Ik weet niet meer wie het gezegd heeft maar de zin ‘een schrijver wil gelezen worden’ is natuurlijk waar. Ik ben benieuwd of mensen zich in de personages herkennen en of lezers in Zaandam en Meppel iets lezen met een ‘hé, dat ken ik’. Voor die lezers zullen er straatnamen of omschrijvingen herkenbaar zijn.

In mijn beleving zou het minstens een maand duren voor alles drukklaar zou zijn maar uiteindelijk is het in anderhalve week gelukt. Veel sneller dan ik dacht. Het binnenwerk, de tekst, was, mede dankzij het werk van mijn proeflezers en deskundigen, geen groot probleem. De cover was een ander verhaal. Gelukkig hebben ze bij de drukker genoeg deskundigheid in huis om ook dat goed en snel te organiseren. Het resultaat mag er zijn en ik ben dan ook apetrots op het resultaat. Petje af voor Pumbo.

Nu willen jullie natuurlijk allemaal dit boek kopen om met eigen ogen te lezen wat voor moois er ontstaan is. Ik ga niet over jullie handel of wandel maar heb wel een verzoek: De reguliere boekwinkels hebben het zwaar. Zouden jullie daarom het boek willen bestellen bij de boekhandel in de buurt? Op deze manier dragen jij en ik een klein steentje bij aan hun instandhouding en het scheelt jullie in de verzendkosten. Voor de goede orde: deze manier van aankoop levert mij niet het beste resultaat op. Wil je het toch on-line bestellen doe het dan via bijgaande link. Bij boldotcom kan ook maar daar zijn het niet alleen de auteurs die uitgeknepen worden. Als e-book is het nog niet verkrijgbaar. Eerst maar eens zien hoe de verkoop van het gedrukte exemplaar loopt.

https://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

Het boek is vandaag aangemeld bij het CB. Het kan dus een paar dagen duren voor de boekwinkels het voor je kunnen bestellen. Dat kan geen probleem zijn. Jullie hebben al zo lang moeten wachten dat deze paar dagen er ook wel bij kunnen.

En nu? Is dit het einde van de zwangere man? Uh… ja. Voorlopig wel. Over een tweede boek zijn wij het nog niet eens maar mocht er een nieuwe zwangerschap ontstaan dan hoor je dat als eerste. Nu is er nog alle tijd en aandacht nodig voor deze boreling.

© peter gortworst / sept. 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

De zwangere man -10-

Zo kordaat en/of daadkrachtig ik soms kan doen of toch minstens kan lijken, zo schijterig en besluiteloos ben ik nu. De laatste dagen ben ik alleen maar bezig met het kind wat komen gaat. Na vele overwegingen weet ik nu zeker hoe het gaat heten: “Wraak kent geen winnaars”.
Een mooie naam die de lading prima dekt en waar ik een bevredigend gevoel over heb.

Nu is er een groot voordeel als je een boek als kind krijgt: je kan zelf bepalen hoe het er uit gaat zien. Geen angst voor te grote of te kleine oren, een haarkleur die je vooraf niet had verwacht, geen vingers te veel of te weinig, geen jongen of meisje en wel of geen huilbaby. Al die keuzes blijven een auteur als vader bespaard. Niet dat het daarmee makkelijker wordt. Beslist niet. Ik zou haast zeggen: integendeel en de reden is de afwezigheid van de vroedvrouw alias uitgever.

‘Hoe kan dat nu?’ hoor ik jullie vragen, (Dat hoor ik natuurlijk niet echt maar dit terzijde) ‘Er was toch een uitgever die brood zag in jouw boek?’  Wel, dat dacht ik ook maar het verhaal is net even anders.
Stel, ik zoek een nieuwe computer en de verkoper zegt:
‘Je moet model XYZ hebben. Dat is de beste die je kan krijgen. Het apparaat schrijft nog net niet zelf alle volgende boeken maar het scheelt niet veel. We gaan samen investeren en hier gaan we in de toekomst goud mee verdienen. Hebben? Jouw deel van de investering is 5000 euro maar dat verdien je zeker terug. Wij dragen natuurlijk ook ons steentje bij dus samen gaan we een zonnige toekomst tegemoet. O ja, jouw provisie voor de toekomstige boeken is 2,5%. Nou? Hebben we een deal?’
‘En wat kost het ding als ik het gewoon in de winkel koop?’
‘5010 euro maar dan moet je alles zelf doen: naar de winkel, uitpakken, instaleren en zo… Best wel moeilijk allemaal dus weet waar je aan begint.’
De uitgever blijkt dus een drukker te zijn die wel wat extra doet maar dat kan je zelf ook heel goed. Exit drukker/uitgever dus.

Aan dat “best wel moeilijke” ben ik begonnen. Ik ga uitgeven in eigen beheer en ja, het valt niet mee. Ik leer nu van alles over spiegelende pagina’s, links en rechts marges, soorten papier, pixels, breedte van ruggen, marketing en oplages. Een tijdje terug las ik dat iemand ontdekt had dat het schrijven van een boek nog het makkelijkst deel was van het hele proces. Inmiddels kan ik niet anders dan hem gelijk geven.

Eén van de lastige vragen betreft de oplage. Het maakt qua inkoopprijs nogal wat uit of je 50 of 100 boeken inkoopt maar verkoop ik er wel 50? Ik weet dat ik een goed boek heb geschreven maar hoe maak je dat de gemiddelde boekkoper duidelijk. Hoe uniek mijn naam ook is, ik ben een onbekende schrijver die het zich niet kan veroorloven bedragen met getallen van drie cijfers voor de komma, losjes op de toonbank te leggen. En dat brengt mij terug op het besluiteloze van de eerste zin in dit stukje.

Weten wat de markt de komende jaren gaat doen, is de droom van elke belegger. Weten hoeveel mensen jouw boek gaan kopen, is de droom van elke schrijver. Uit de commentaren van mijn proeflezers heb ik nog geen onvertogen woord gehoord en in mijn optimistische momenten ontstaan er in mijn hoofd gigantische verkoopcijfers. Maar ja, die optimistische momenten zijn er niet altijd en dan schakelt mijn brein om naar kommer en kwel.
Al die technische dingen zijn te leren en op te lossen maar dat waar het op aankomt, is ongrijpbaar.

Op internet zijn er massa’s tips te vinden die de verkoopcijfers van jouw boek de hoogte in laten schieten. Eén daarvan is het organiseren van een ‘eerste boek aanbieden’. Zorg voor een goede locatie, stuur heel veel uitnodigingen de deur uit, maak een flyer, zorg voor een drankje en een hapje, zorg dat de pers er is en bied je eerste boek aan² een bekende Nederlander en doe dat met een korte speech waarin ook nog enige humor is verwerkt.
Kijk, dat is nu net niks voor mij. Met die speech zou ik nog de minste moeite hebben maar de rest? Nee, ik ga liever elk weekend in een boekwinkel zitten om de mensen die mijn boek willen kopen, te zien en te spreken. Met plezier schrijf ik op verzoek iets aardigs voorin het boek. Van mij mag het in Groningen zijn, Haarlem of Maastricht. Ik rij liever met 50 boeken in mijn auto Nederland rond dan eenmaal zo’n evenement organiseren.

Maar goed, lieve lezers. Het boek komt eraan en ik verwacht nog steeds dat het november zal worden. Maak je dus geen zorgen wat je voor oom Floor of tante Saar als Sinterklaascadeau moet kopen.
Ik verdiep mij verder in een onbekend vak en jullie horen nog van mij.

© peter gortworst / sept. 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Chinees

Ik ben nog maar weinig Chinese afhaalrestaurants tegen gekomen waar de wachtruimte een zekere gezelligheid uitstraalt. Iets van een ‘Jammer dat je niet bij ons binnen komt eten maar we zijn toch blij dat je er bent’. Soms kan je zitten op stoelen die men, uitgaande van de mate van versletenheid, niet meer in het eetgedeelte kan zetten. Als je geluk hebt ligt er een leesmap maar dat geeft tevens aan dat de wachttijden lang zijn. In dit restaurant is het niet anders. Een gammele tafel, een paar stoelen en een ‘leren’ bank die vanaf een afstandje al plakkerig oogt. Beslist een hippe en moderne ruimte ergens in de jaren zeventig. Aan de tafel zit een omvangrijke dame. De tijd van ‘een paar pondjes meer’ ligt ver achter haar. Ze heeft een spierwit kort kapsel. Het staat rechtop haar hoofd. Ze bekijkt mij een beetje meewarig. Er zijn niet veel mensen meer in Nederland die nog een mondkapje dragen. Het maakt mij een vreemde eend in de bijt.

Er komt een andere dame binnen. Qua omvang doet ze niet onder voor de ander. Ze heeft besteld maar moet ook wachten. Dan herkent ze de dame met het spierwitte haar.
‘Hé! Gerda!’
‘Ach, nu zie ik het. Jannie!’
‘Hoe is het?’
‘Ja. goed. Kom erbij.’
Gerda schuift een beetje op en Jannie neemt plaats.
‘Ook aan de chinees?’ vraagt Jannie.
‘Ja, ik had niet zoveel zin om te koken en Jan wilde wel wat van de chinees. Niks bijzonders hoor. Gewoon een nasi speciaal. Jan houdt niet van dat exotische gedoe.’
‘Mijn vent wilde graag babi pangang met bami. Nou, dat lust ik ook dus dat kwam mooi uit. We hadden vanmiddag Marga met de kinderen. Dat is druk hoor en dan blijft er weinig tijd om te koken.’
Gerda knikt instemmend.
‘Hoe is het met Marga?’ vraagt ze dan.
‘Goed hoor. Haar man is druk met zijn bedrijf en zij werkt twee dagen in de week. Ze verkoopt boeken in een boekwinkel. Hoe is het met jouw kinderen?’
‘Zal ik je laten zien,’ zegt Gerda.

Ergens uit haar omvangrijke boezem vist ze een mobieltje en begint foto’s te laten zien. Jannie heeft haar leesbril opgezet. Namen, omschrijvingen, plaatsen, beroepen, vrachtauto’s en bijbehorende verhalen passeren de revue. Bij de eerste foto’s vroeg Jannie nog wat, maar allengs is zij daar mee gestopt. De spraakwaterval is onstuitbaar en hier had zij geen rekening mee gehouden. De geplande koetjes en kalfjes zijn verworden tot een immense, niet te houden kudde. De tegenzin is aan haar houding af te lezen. Ik betrap Jannie er op dat ze regelmatig over haar glazen naar de balie kijkt. Elke plastic zak met in papier verpakte bakjes, kan haar redding zijn. Gerda heeft niets in de gaten. Vol trots vertoont ze de ene foto na de andere.
Er gloort hoop. Het houten doorgeefluikje van de keuken rammelt. De dame achter de balie stapelt een paar bakjes op elkaar, wikkelt het in papier en het plastic zakje wordt er omheen getrokken. Gerda ziet dat niet maar Jannie wil al overeind komen. Het blijkt mijn bestelling te zijn.

Het spijt mij voor Jannie. Helaas ligt haar redding niet in mijn bereik. Maar kop op, meid. Dit leed kan hoogstens nog een paar minuten duren.

© petergortworst / aug. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De zwangere man -9-

Wachten. Gedwongen wachten. Dat valt niet mee maar het doel heiligt de middelen. Het zit zo: Ik heb een mailtje gestuurd naar een uitgeverij met de vraag of mijn boek in hun ‘stal’ zou kunnen passen. Als bijlage de mogelijke (niets is immers zeker?) flaptekst daar bij gedaan. Prompt krijg ik een berichtje dat ze mijn manuscript wel willen lezen. Natuurlijk hebben ze een paar dagen de tijd nodig om het te lezen maar ik zal nog van ze horen.

Het duurt precies een week. Hun mailtje maakt mij blij en lichtelijk wanhopig. Blij omdat men vindt dat het goed geschreven is, goed opgemaakt en de leestekens zijn prima geplaatst. Het wanhopige deel is de mededeling dat er nogal wat deetjes en teetjes fout zijn en dat er woorden die wel aan elkaar geschreven moeten worden, los staan. Hun vraag is of ik het manuscript nogmaals op fouten wil controleren en het dan opnieuw naar hen toe zou willen sturen.

Geen afwijzing dus en dat geeft deze burger moed maar wat te doen met die foutjes. Twee van mijn geliefde proeflezers hebben zich over de tekst gebogen om daar de taalfouten uit te halen. Blijkbaar is er toch wat over het hoofd gezien. Dat neem ik hun beslist niet kwalijk. Ik weet inmiddels dat je, als je er maar lang genoeg naar kijkt, fouten gaat zien die geen fouten zijn en overduidelijke missers gewoon over het hoofd ziet.
Op een paar pagina’s heeft de uitgever een scan naar fouten laten zoeken en één van de dingen die ze eruit halen is ‘jij kunt’ en ‘jij kan’. Daar ik nooit te oud ben om te leren dit maar eens nagekeken. Het blijkt dat beide vormen goed zijn. Voor alle zekerheid het complete boek doorzocht naar het woordje ‘kan’ en overal waar het schrijftaal betrof dit veranderd in ‘kunt’. In de dialogen het woordje ‘kan’ laten staan. In de  spreektaal wordt dit woord zelden gebruikt.
Maar wat te doen met de overige fouten? Ik haal ze er in ieder geval niet uit. Het streven is natuurlijk een boek te publiceren dat foutloos geschreven is maar is dit mogelijk? Ik denk het niet. Ik denk dat het perfecte boek niet bestaat maar corrigeer mij als ik het mis heb.

Gelukkig een echtpaar kunnen vinden die beiden werkzaam waren in het onderwijs. Zij willen dit wel voor mij doen. Lief toch? De tekst hadden ze graag op papier en met de laatste druppel inkt van mijn printer dit voor elkaar gekregen. Ze denken het met een maand klaar te hebben en daar is nu dus het wachten op. Met mijn, bijna dagelijkse, (kleine) veranderingen en/of verbeteringen in het boek ben ik gestopt. De correcties moeten immers wel overeenkomen met de versie die ik in de computer heb staan.

Het idee om het boek in september ter wereld te brengen heb ik maar laten varen. November lijkt mij een betere en haalbare optie. Ook nog op tijd om het boek als Sinterklaas of kerstcadeau weg te geven of om er zelf, genoeglijk opgevouwen in je favoriete leesstoel bij de behaaglijke warmte van de open haard, van te genieten. Ik geef maar een voorbeeld. De radiator van de cv is natuurlijk ook goed.
Maar goed, het wachten heeft ook consequenties voor deze serie van ‘de zwangere man’. Nummer 10 komt, maar jullie zullen een maand verstoken zijn van nieuws over van het wel en wee van deze draagvader.

©petergortworst / aug.2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

De ongelukkigen

Het is kort na sluitingstijd van de winkels als hij op een bankje gaat zitten in het stadspark. Doelloos door de winkelstraat slenteren, aanbiedingen zoeken bij C&A en boeken bekijken die hij toch maar niet koopt, maken een zomerse avond voor een zeventigjarige vermoeiend. Op het grasveld voor hem speelt een vrouw met haar hond. Nou ja, hondje. Een klein wit mormel dat verbazend rap jacht maakt op een balletje. In de muziektent aan de andere kant van het grasveld zitten een stel pubers. Hij hoort ze vanaf hier met elkaar praten maar hij verstaat er geen woord van. De zanglijster in de hoge kastanjeboom achter hem hoort hij wel en dat doet hem goed.

Van rechts komt er een man aanlopen. Nou ja, lopen… het is meer strompelen. Hij leunt zwaar op zijn stok en is overduidelijk ook de jongste niet meer. Vlak voor hem houdt hij stil.
‘Kan ik er even bij komen zitten?’ vraagt hij.
‘Ja, natuurlijk. Plaats zat.’
Driebeen laat zich met een zware plof op het bankje vallen.
‘Hè hè. Ik zit,’ deelt hij mee.
‘Moe?’
‘Ja. Maar dat is niet erg. Conditie opbouwen hè. Elke dag lopen en elke dag proberen een beetje verder te gaan.’
De man zwijgt.
‘Dat klinkt stoerder dan het is hoor,’ zegt Driebeen, ‘Ik ga soms helemaal niet en ik loop ook niet elke dag een beetje verder. Het is maar net hoe ik mij voel en vandaag is dat klote.’
‘Omdat?’
‘Omdat mijn auto vanmorgen stuk is gegaan. Iets met de turbo. Kost mij minstens achthonderd euries en die heb ik even niet.’
‘Ja, da’s klote.’
‘Ach joh, iedereen heeft wel eens wat. Toch?’
De open vraag verleidt de man.
‘Klopt. Ik heb vandaag weer veel last van mijn tinnitus.’
‘Je wàt?’
‘Een pieptoon in mijn oor. Die is er altijd. Soms hard, soms zacht maar nooit weg.’
‘Oh? Lijkt mij lastig.’
‘Is het ook. Wat is er met je been?’
‘Is gaan hemelen. Ik moet het nu doen met een prothese.’

Beiden zwijgen even. De informatie moet verwerkt worden voordat er verder kan worden gegaan.
‘Ik heb nu een kleine week al geen werk meer. Ze hebben mij ontslagen,’ zegt de man.
‘Werkte jij nog dan?’ vraagt Driebeen.
‘Ik moet wel. Kom anders niet rond.’
‘En waarom hebben ze je ontslagen?’
‘Ik begin dingen te vergeten. Ik werkte achter de balie bij een elektrotechnische groothandel en als een klant iets wilde hebben en ik dat ophaalde uit het magazijn, vergat is soms wat ik moest gaan halen. Of ik vergat dat ze bijvoorbeeld vier schakelaars moesten hebben en kwam er met twee terug.’
‘Ja, dat krijg je als je ouder wordt. En nu?’
‘Weet ik nog niet. Houtje bijten denk ik.’

Weer zwijgen beiden.
‘Mijn vriendin is bij mij weg,’ zegt Driebeen, ‘Nou ja, niet echt weg want we woonden niet samen maar ze wil mij niet meer zien.’
‘Oh? Da’s ook wat!
‘Ik denk dat ik teveel ging mankeren en dat ze dat niet trok.’
‘Wat heb je nog meer dan?’
‘Sinds twee weken heb ik suiker.’
‘Joh! Heb ik ook maar met pillen gaat het goed. Ik hoef niet te spuiten of zo…’
‘Bofkont. Ik moet dat wel.’
‘Da’s klote!’

Het gezamenlijke leed maakt dat beide heren in gedachten verzonken raken. Driebeen krabbelt als eerste op.
‘Is er nog meer shit?’ vraagt hij.
‘Mijn poetsvrouw is er mee gestopt. Ik heb nu een ander. Een dragonder van een wijf die mij de oren van de kop klets en amper wat doet. Die denkt dat koffiedrinken ook werken is.’
‘Dan stuur ik de mijne wel,’ grijnst Driebeen, ‘Dat is een schat van een meid. Ze werkt als een paard. Helaas ziet ze er ook zo uit en dat is wel jammer.’
Ze moeten er beiden om lachen.

‘Kom,’ zegt Driebeen, ‘Ik moet weer eens verder.’
Moeizaam komt hij omhoog.
‘Weet je,’ zegt hij, ‘Jij en ik, we hebben in ons leven al zo veel meegemaakt. De shit waar we nu in zitten is ook maar tijdelijk. Dit overleven we vast ook nog wel.’
‘Ja, waarschijnlijk wel. Komt tijd komt raad toch?’ zegt de man.
‘Zo is het maar net. Nou, moin hè!’
‘Ja, moin.’

De man kijkt Driebeen na. De gouden avondzon geeft een oranje flikkering op zijn stok De zanglijster in de hoge kastanjeboom doet nog steeds zijn best. De vrouw met het hondje is verdwenen maar de pubers in de muziektent zijn er nog. Hij staat op en gaat op huis aan. Hij moet alle was nog verzamelen. Als hij het niet bij elkaar op een hoop gooit, vergeet die nieuwe poetsvrouw minstens de helft in de machine te gooien.

© petergortworst / aug. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De zwangere man -8-

Eén van de komende dagen verwacht ik een telefoontje. Nee, niet van een verzekeringsmannetje of een dame van een telefoonaanbieder met een niet te versmaden aanbod wat uiteindelijk veel geld kost maar van een trouwe fan die zich zorgen maakt. ‘Hey Peter! Wat is het stil bij jou. Waar blijft je boek?’, zal ze vragen. Ik begrijp de vraag. Het is inderdaad stil maar ik kan haar gerust stellen: het boek is klaar. Alle suggesties, verbeteringen en fouten zijn verwerkt en nu kan ik met een gerust hart zeggen: Klaar.
Nu is dat niet helemaal waar. Elke keer dat ik stukken tekst herlees ontdek ik woorden of zinnen die eigenlijk anders moeten zijn. Voor mij geen onbekend verschijnsel. Bij het schrijven en herlezen van mijn verhaaltjes op dit blog gaat het net zo. Misschien moet ik mij er maar bij neerleggen dat iets als een boek of verhaaltje nooit ‘af’ zal zijn.

En zo ben ik in de volgende fase gestapt. Drukken en uitgeven. Ik dacht een bedrijf gevonden te hebben maar bij navraag op FB bleek het allemaal niet zo eenvoudig. Elke drukker wil wel voor je werken. Dat is het probleem niet. De vraag is tegen welke prijs ze dat doen? En wat bieden ze dan voor die prijs? En wat zijn dan jouw opbrengsten? En hoeveel boeken moet je verkopen om toch minstens uit de kosten te komen? En waar is mijn boek dan te koop? En en en…. Zo veel vragen, zoveel mogelijkheden, zoveel onzekerheden. Dan komen er nog vragen waar ik nog niet eens over nagedacht heb. Welk genre is het? Hoeveel denk je er van te verkopen? Genre? Geen idee. Iets tussen een roman en een thriller in. Hoeveel? Ook geen idee. Misschien 50? Of 100? 1000?

Ik kreeg onverwacht hulp van Anika Redhed. Mocht je ooit een goed reisboek zoeken dan moet je bij haar zijn. https://www.anikaredhed.com/
Dank zij haar waardevolle en onbaatzuchtige hulp kan ik verder.

Ik hoop dat mijn boek in september helemaal klaar is voor de verkoop. De zomermaanden lijken mij geen goede periode om een boek te lanceren. Bijkomend voordeel is dat er voor mij nog wat tijd is om de zaken goed op een rijtje te krijgen. Dus lieve lezers, ga gerust op vakantie. Ik ben nog wel even bezig.

Iets heel anders. Zoals jullie misschien weten ben ik ook taalcoach in Emmen. Mijn studente is een Syrische vrouw. Ze kan al goed Nederlands en schrijft alsof ze het al jaren gedaan heeft. Eén van de problemen is de woordvolgorde in de zinnen. Om dat te verbeteren geef ik haar in stukjes geknipte zinnen. Zo was er een zin: Door de storm waaien de pannen van het dak. Wat zij te zien krijgt is waaien pannen storm dak door.  Ze zit er een tijdje naar te kijken en zegt vervolgens dat ze het niet weet. Wat heeft koken met storm of dak te maken? Leve Google afbeeldingen want in de hele omtrek was er geen pannendak te vinden.

Tja, een mens maakt wat mee.

© peter gortworst / juli 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , | 2 reacties

Deskundig

Er moet een nieuwe spoorbrug over het kanaal komen. De oude brug heeft zijn leven er op zitten. Hij is te oud, ligt op de verkeerde plek en maakt een hels kabaal als er treinen overheen rijden. Het nieuwe tracé komt meer naar het noorden te liggen. De afstand tussen de nieuwe woonwijk en de spoorlijn wordt aanmerkelijk vergroot zodat de bewoners geen last meer hebben van de herrie. Een architect heeft de nieuwe brug ontworpen. Alle berekeningen met in acht neming van de veiligheidsmarges zijn gedaan en het rijk heeft groen licht gegeven. Er kan gebouwd worden.

Niemand heeft rekening gehouden met de mening en opstelling van het bedrijf dat de staalconstructie gaat bouwen. De technici van dat bedrijf vragen zich af of het staal werkelijk zo dik moet zijn. Zijn al die dwarsverbindingen en al die schragen wel nodig en de hoogte van die overspanning? Als die twee meter lager is kunnen we die hele brug in de hal bouwen en niet buiten. Met die naderende winter kan je toch beter binnen werken? ‘De ontwerper van deze brug zal vast wel deskundig zijn maar dat zijn wij ook!’ zeggen de bruggenbouwers.

Ik moest aan dit voorbeeld denken toen ik de afgelopen week een zeer onfris stuk debat in de Tweede Kamer volgde. Er was een debat aangevraagd door een man (ik weiger zijn naam te noemen omdat ik dat te veel eer vind) die er genoegen in schept om grote woorden te gebruiken en zich er niet voor schaamt om mensen op persoonlijke titel te beledigen. Bij mij heb je op voorhand afgedaan als je op een dergelijke manier je punt duidelijk wil maken of je gelijk wilt halen. Verbaal geweld nadert dan lichamelijk geweld en toont jouw zwakte. Maar goed, deze ‘volksvertegenwoordiger’ meende te moeten zeggen dat er naar deskundigen geluisterd moet worden maar dat ze zelf ook deskundig zijn. Ik moest even mijn broek weer omhoog sjorren.

Deze uitspraak roept vragen op en verklaart het één en ander:

Waarom zou je in de toekomst nog deskundigen raadplegen? Als je meent zelf een deskundige te zijn, bespaar je heel veel uitgaven aan al die bureau’s. De mensen die daar werken rekenen meestal aardige bedragen voor hun werk.

Stel dat je wel die jongens en meisjes contracteert en luistert naar de resultaten van hun onderzoek maar hun verhaal past jouw niet. Is het dan verstandig om aan jouw ‘deskundigheid’ de voorkeur te geven?

Stel dat er vier van die onderzoekbureau’s hetzelfde zeggen maar een vijfde heeft een andere mening. Laat nu die mening in jouw straatje van pas komen! Hoe heerlijk is het dan dit vijfde bureau de hemel in te prijzen, hun waarheid als enige waarheid te zien en geen gelegenheid onbenut laten om deze onderzoeksresultaten voor het voetlicht te houden. Het moet toch een fantastisch gevoel geven als je, bij het afserveren van jouw bureau, met gespeelde verontwaardiging kan roepen dat we een nepparlement hebben, we aan kartelvorming doen of hard in de microfoon kan blaten dat de regering een gevaarlijke organisatie is?

Of het nu gaat om het bestrijden van Covid 19, wel of niet vaccineren, Syrië-gangers wel of niet terughalen, 100 of 130 op de snelweg of CO2 uitstoot: je hebt mensen nodig die er verstand van hebben. Dat zijn niet de mensen die in de Tweede Kamer zitten. Het enige dat zij kunnen doen is luisteren naar de deskundigen en hun beleid (als ze dat al hebben) daar op aanpassen. Hun eigen interpretatie van de werkelijkheid is vaak al tenenkrommend dus de hemel beware ons als ze zichzelf tot een beter wetende deskundige gaan benoemen of de resultaten van één onbekend bureau als zaligmakend te zien. De deur voor de vreemdste complottheorieën wordt dan ( en is) wagenwijd open gezet.

Los van dit al en misschien klink ik als een oude man die niet meer weet hoe het in de tegenwoordige tijd aan toe gaat maar ik vraag mij af waarom er niet met respect en waardigheid met elkaar wordt omgegaan. Is het gebrek een aan taalvaardigheid, opvoeding, fatsoensnormen of is het gewoon een tekort aan verstand? Schooljongetjes zijn het die meteen gaan slaan als ze het met woorden niet meer afkunnen.

Mijn huisarts is een deskundige man. Ik luister heel goed naar hem en het werkt: ik leef nog. Ik denk dat de genoemde ‘volksvertegenwoordiger’ niet naar zijn huisarts luistert. Ook hier zal hij zichzelf tot deskundige opgeworpen hebben en dat verklaart een hoop.

© peter gortworst / juli 2021

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 3 reacties

Pro life or death

Ik weet niet zo goed hoe ik deze ‘oprisping’ moet beginnen. Het liefste zou ik je meenemen in de gangen van mijn gedachten maar als je zelf nog niet weet hoe die lopen, wordt het lastig. Ik waag een poging:

Stel, jij bent Anneke en je gaat met je beste vriendin, Myra, een avondje stappen. Dat hebben jullie best verdient. De examens zijn achter de rug, jullie zijn geslaagd en in september wacht het leven als student in Groningen. Het is een zwoele, zachte zomeravond en op het terras is het gezellig. Jullie raken aan de praat met twee jongens. Zij nodigen jullie uit om bij hen op het dakterras verder te borrelen. Ach, jullie zijn met z’n tweeën dus wat kan er gebeuren? Het terras is mooi, de sfeer is goed en de drankjes zijn lekker.
Wat er precies fout is gegaan weet je niet. Het laatste wat je weet, is dat je scheef in je stoel wegzakt en het bewustzijn verliest. Jullie worden wakker als de eerste vogels beginnen te zingen. Je ligt op de koude tegels van het terras. De koele morgenlucht laat jullie rillen en het enige wat nu telt is wegwezen. Thuis merk je dat je geen slip meer draagt en een angstig vermoeden neemt de overhand. Tegen je ouders zeg je niets. Je schaamt je kapot als je hen hier iets over zou moeten zeggen. Hun ‘wees voorzichtig’ zit als een mantra in je hoofd.
Na bijna twee maanden is het vermoeden waarheid geworden. Je bent zwanger en wat nu?

Stel, jij bent Karin en al vier jaar getrouwd met Jaap. Jullie hebben het goed. Een leuk huis, fantastische ouders, goede banen en een massa vrienden. Er slechts één ding dat aan dit grote geluk ontbreekt: een kind. Volgens de arts is er biologisch niets mis maar het lukt domweg niet. Tot er drie maanden geleden iets van een vermoeden ontstond. De zelftest en de arts maakten van het vermoeden werkelijkheid. Je bent zwanger! Grote vreugde! Bij jullie, bij de wederzijdse ouders en bij al jullie goede vrienden. Plannen worden gemaakt want er moet natuurlijk een kinderkamer komen, er worden jongens- en meisjesnamen verzonnen omdat jullie vooraf het geslacht niet willen weten. Jullie houden wel van verrassingen dus laat deze ook maar komen.
Verrassingen zijn niet altijd leuk. Als Karin ’s morgens uit bed stapt, weet ze het: Het is niet goed met het kind. In het ziekenhuis bevestigen ze haar angstige vermoedens: een miskraam.

Het zou zomaar kunnen dat deze twee vrouwen elkaar in de hal van het ziekenhuis gepasseerd zijn. Anneke die verlost wordt van iets dat ze absoluut niet wilde. Iets dat ze ziet als een demon, iets waar ze met afschuw aan denkt. Karin die haar kind verliest. Een verlies dat leidt tot een rouwproces. Een rouwproces dat ook nog eens door velen niet begrepen wordt.
Er sterven twee kinderen in de dop. De ene geliefd, de andere gehaat. De ene meer dan welkom, de ander had nooit mogen bestaan. De ene was een kind, de ander een bloedprop.

Gisteren las ik dat president Biden, als het aan de Amerikaanse bisschoppen ligt, niet meer welkom is om tijdens de eucharistie de hostie in ontvangst te nemen. Hij zou niet ‘pro-life’ zijn. Het is dit nieuwtje dat mij aan het denken zette. Laat ik het wegens de leesbaarheid en lengte van dit epistel maar niet hebben over de uitspraak en aanmatigheid van die bisschoppen maar ik denk dat zij fundamenteel fout zitten. Ik vermoed dat zij, en zij niet alleen, iedereen die niet voor ‘pro-life’ is, automatisch tot ‘pro-death’ verklaren. Dat is, een enkeling daargelaten, niemand. Tussen deze twee uitersten zitten vele grijstinten maar zoals zo vaak worden standpunten verabsoluteerd en is het zoeken naar nuances een onbegonnen, zinloze bezigheid.
Het gaat er bij mij niet in dat alle vrouwen die een abortus laten plegen, dit lichtvoetig doen. Zo van ‘shit, weer zwanger, nou ja, geeft niet, ik laat het wel even weghalen’. Ik denk dat het voor iedere vrouw een besluit is wat voorafgegaan wordt door vele overwegingen. Want wat als je hoort dat jouw kind zwaar gehandicapt ter wereld zal komen? Wat als jouw voorbehoedsmiddel je niet heeft behoed? Wat als, zoals Anneke, je het slachtoffer bent van een verkrachting?

Ik weet dat er door die ‘pro-life’ beweging geprobeerd wordt om vrouwen te bewegen het kind geboren te laten worden om het dan ter adoptie aan te bieden. Je vraagt naar mijn mening nogal wat van die vrouw. Alsof een zwangerschap en een geboorte van een kind dat je helemaal niet wil, zo eenvoudig, zo draaglijk is.

Ik ben er een groot voorstander van dat de vrouw zelf beslist. Niemand zou haar de maat mogen nemen. Niemand, ook de kerk(en) niet, mag haar ongevraagd een richting opsturen die zij niet wil. Dat zij kan kiezen is een groot goed en haar keuze zal gerespecteerd dienen te worden. Vrouwen kunnen, misschien nog wel beter dan mannen, keuzes maken. Ze zijn er in ieder geval mans genoeg voor.

©peter gortworst / jun. 21

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , | 5 reacties