Onheil van boven

Ze treffen elkaar op de voedselbank. Beiden niet armlastig, hongerig of onderbedeeld maar als er iets als een voedselbank is waar je een graantje kan meepikken zonder er veel moeite voor te doen, is dat natuurlijk meer dan welkom. De ene heet Trees en is een beetje het gevulde moeke die alles vooral gezellig wil houden. De ander heet Truus en zij is een dame die zich welvarender voordoet dan ze is.

Ze kennen elkaar al een tijdje. Alleen van gezicht want tot nu toe heeft geen van tweeën de ander nog gesproken. Dat zie je wel vaker. Je ziet elkaar regelmatig. Op straat, in de winkel of in het park maar elkaar spreken doe je niet. Het blijft vaak bij een bekend gezicht tot het moment daar is. Dat moment kan van alles zijn en pas dan ontdek je wie of wat die ander is. Soms valt het mee en soms tegen maar hoe dan ook: het bekende gezicht krijgt een naam.

Trees is een beetje onder de indruk van Truus. Ze is groter en is altijd zo mooi zwart gekleed. Niet matzwart maar glimmend en met allemaal witte spikkels. Als het licht een beetje meewerkt lijkt er, door het donkere zwart, iets van groen te schijnen. O, ze vind het prachtig maar het is niets voor haar. Het ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ is haar op het lijf geschreven. Zij is gewoon een grijze mus en dat bevalt haar prima.

Misschien is dat wel de reden waarom Truus haar niet aangesproken heeft. Waarom zal je je inlaten met een zo onbeduidend en armoedig geval? Ze zal het nooit hardop zeggen maar zij is natuurlijk beneden haar stand. O, ze zal best een lieve en zorgzame moeder voor haar kroost zijn maar dan in haar milieu. Een milieu waar zij zich absoluut niet voor interesseert en, afgaande op het volledig oninteressante en inhoudsloze gebabbel van deze grauwe mus, zal haar nageslacht wel net zo dom zijn als deze moeke. Appels vallen nu eenmaal niet ver van de boom.

En wat toevallig. Laten het nu net de echte appels zijn die hen nader tot elkaar brengt. Ze staan er bij en kijken er naar.
‘Ze zien er niet echt lekker uit,’  zegt Trees.
‘Nee,’ zegt Truus, ‘Ze lijken wel aangepikt en die zijn ook al bruin.’
‘Jammer. Ik had mijn kinderen wel wat lekkers gegund,’ zegt Trees met spijt in haar stem.
‘Hoeveel kinderen heeft u?’ wil Truus weten.
‘Zeven.’
Mijn God, denkt Truus. Zeven kinderen! Dat zal daar toch een puinhoop zijn.
‘U woont toch in dat huis met die blauwe dakpannen?’
‘Ja, maar gelukkig niet alleen. We hebben daar een kleine maar gezellige ruimte. Het enige nadeel zijn die zomergasten die naast ons wonen. Die zijn nogal luidruchtig. Gelukkig zijn ze alleen in de zomer hier. Het is anders geen harden. Ze vliegen met een noodgang door de straat en als je er wat van zegt, krijg je alleen maar te horen dat ze niet anders kunnen.’
‘Toch is het een vlijtig volkje,’ meent Truus. ‘Als mijn man ’s morgens vroeg aan het werk gaat zijn die gasten al druk in de weer. Dat verbaast mij elke keer weer omdat je niet verwacht dat die donkere types van die harde werkers zijn. Maar misschien moeten ze wel. Elke winter de warmte opzoeken kost natuurlijk het een en ander.’

Daar had Trees nog niet aan gedacht. Zij maakt zich meer zorgen om dat gevlieg en gejaag. Een botsing is zo gemaakt en dan maakt het niet uit of je een harde werker bent of een donker type.
‘Waar woont u?’ vraagt ze aan Truus.
‘Wij wonen vrijstaand. Wij hebben dit jaar een riante woning betrokken waarbij wij alleen de ingang moesten vergroten. Geen idee wie de vorige bewoners waren maar ze waren beslist klein van stuk. Nee, we hebben het met z’n vieren prima naar onze zin.’
‘O, u bent ook moeder?’
Dat had Trees niet verwacht. Ze kan zich niet voorstellen dat iemand met zo’n uiterlijk zich bezig houdt met schoonmaken, eten verzorgen en poep opruimen.
‘Nou,’ zegt ze blij, ‘Dan weet u ook alles van het huishouden en opvoeding.’
‘Ja, maar het maakt natuurlijk wel uit of je er twee hebt of zeven. Ik moet er niet aan denken. Nee, wij voeden ze op tot zelfdenkende en zelfstandige wezens die hun draai in het leven kunnen vinden. Je kan immers meer persoonlijke aandacht aan twee geven dan aan zeven. Nee zeg, ik moet er echt niet aan denken. Ze zouden voor galg en rad opgroeien en wie worden daar op aangekeken? Precies: de ouders.’

Als Trees over deze woorden nadenkt en concludeert dat haar leefstijl door deze dame wordt bekritiseerd, verduistert plotseling de lucht. Voor Trees weet wat er gebeurt, grijpt een sperwer Truus met beide poten vast. De nagels boren zich in haar vlees en het laatste wat Trees hoort, is een doodskreet van een spreeuw die weldra voer is voor de jongen van deze jager.

Ze is behoorlijk ontdaan. Haar hart klopt in haar keel en ze beseft dat ze vreselijk geluk heeft gehad. Het is misschien toch beter een grijze en onopvallende huismus te zijn dan een opzichtige spreeuw. Ze pikt nog snel een paar graantjes van de voedertafel en brengt dat naar haar kinderen. Kan ze hen gelijk een mooie levensles leren.

 

©peter gortworst / okt. 2019
foto: pinterest.co.uk

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Oude liefde

Foto’s uit het verleden brengen herinneringen terug en als je op leeftijd begint te geraken, worden dat er alleen maar meer. De foto waar hij nu naar kijkt is van zijn oude school. Via Facebook werd deze hem toegestuurd. De vraag ‘weet je nog?’ die Anneke, zijn klasgenootje van toen, erbij schrijft, kan hij positief beantwoorden.

Die gladde en grijze stenen trap naar die immens hoge deuren, het schoolpleintje, het draadgazen hek, de hoge ramen, hij weet het allemaal nog. Starend naar de foto probeert hij zich de kinderen voor de geest te halen die er toen in de klas zaten. Anneke is natuurlijk geen probleem. Enige weken terug ontdekte hij wie zij was toen zij zich met haar meisjesnaam, via Messenger, bij hem melde. Hij woont al bijna dertig jaar niet meer in die stad en eerlijk gezegd spijt hem dat niets.

Het contact is leuk en samen constateren zij dat het leven vaak anders verloopt dan vooraf gedacht.  Dat gaat voor hen beiden op maar hoe zal het de anderen zijn vergaan? De slimme Martin, zijn schoolvriendje Adrie, die tuttige Sara, Gijs, Berend en Hugo?

Als hij Anneke vraagt of ze toevallig nog een klassenfoto heeft, stuurt zij deze prompt op. Een foto gemaakt op die gladde stenen trap. Hoofdmeester Baard zit rechts op de achterste rij. Hij zit vooraan in het midden en één voor één gaat hij de gezichtjes na. De gezichtjes kent hij maar de namen die daar bij horen, is een ander verhaal. Irene is niet moeilijk. Zij was het enige donkere meisjes in de klas en misschien wel van de hele school. Adrie herkent hij ook. Anneke is natuurlijk geen probleem en Gijs en Bennie, de magere slimme slungel, ook niet. De hooghartige Lisa is, naast Adriaan die altijd boos of narrig was, de enige die niet met een lach op de foto staat.

Met wat gemengde gevoelens kijkt hij naar Irene. Die mooie donkere Irene die met hem stoeide tijdens een sportdag en toen zij bovenop zijn buik zat, zijn polsen naast zijn hoofd in het gras drukte en hij zich overgaf, hem langdurig aankeek met een, naar hij nu nog steeds zeker weet, liefdevolle blik. Een blik die hij nooit is vergeten. Het maakte hem toen verlegen en later kwam daar spijt bij. Naast die verlegenheid was daar ook de verwardheid. Zijn grote liefde was immers niet Irene maar Lisa. Duizend maal liever had hij met Lisa gestoeid maar zij zou zich nooit verlagen tot iets als een ordinaire stoeipartij. Zij was te gracieus, te mooi en omdat zij dat van zichzelf heel goed wist, onbereikbaar voor een doodgewoon schooljongetje. Halsstarrig bleef hij van haar dromen en wachtte met eindeloos geduld op het moment dat hij haar zijn liefde kon betonen. Het is er nooit van gekomen en met de constatering dat hij toen al een patent had op het maken van verkeerde keuzes, troost hij zich nu.

Hij schrijft zijn bevindingen aan Anneke en vraagt of zij alle namen nog weet. Per omgaande antwoordt zij en meldt tevens wat zij nu van enkele kinderen weet. Hij schrijft zijn herinneringen en bijzonderheden terug. Adriaan die, ondanks alle pogingen van verschillende meesters, zijn dialect niet afleerde. Adrie die toen al prachtig piano kon spelen. Berend de altijd rustige en stille. Bij Lisa vertelt hij dat zij het meisje is waar hij smoorverliefd op was. Anneke antwoordt alleen met een lachende smiley en opgestoken duim.

 

De afspraak om elkaar in levende lijve te ontmoeten is snel gemaakt. Als hij zijn auto bij de flat parkeert, staat Anneke op het balkon al naar hem te zwaaien. De rit duurde twee uur en wanneer hij terug wil zwaaien, vertellen de spieren in zijn rug dat zo een lange rit niet te vaak plaats moet vinden. De begroeting is hartelijk en het duurt niet lang voor alle verhalen van toen breeduit opgehaald worden. Dan gaat de bel en als Anneke opstaat om open te doen, glimlacht ze naar hem.
‘Ik heb voor een verrassing gezorgd’, zegt ze.
Hij hoort haar in het halletje praten met een andere vrouw en de namen van Irene en Lisa flitsen door zijn hoofd. Dan gaat de deur open en het is niet Irene. Met moeite herkent hij Lisa. Een magere vrouw die ouder toont dan haar leeftijd is. Haar origineel ravenzwarte haar is koperkleurig geverfd, haar gezicht zwaar, te zwaar opgemaakt. Ze geeft hem een slap handje en gaat zitten.

De sfeer is wat ongemakkelijk geworden. Hij heeft haar gevraagd hoe het haar vergaan is en in een ononderbroken stroom van woorden is ze daar nu mee bezig. Nee, ze heeft, na die lagere school, alleen maar de huishoudschool gedaan want waarom zal je veel leren als je later een rijke man trouwt. Dat is haar gelukt maar alle rijkdom met mooie huizen, luxe en verre reizen heeft niet het geluk gebracht wat verwacht mocht worden. Hij is verbaasd over haar openhartigheid als ze vertelt dat ze altijd de wat domme maar bloedmooie vrouw van de geslaagde zakenman was. Ze beseft dat ze geluk heeft gehad dat hij nooit getaald heeft naar een jongere uitvoering van haar. Helaas is hij vlak voor zijn pensioen gestorven en nu woont ze alleen in een veel te groot huis. De vrienden die ze hadden waren zijn vrienden en één voor één verdwenen ze uit beeld. Hun twee zonen bezoeken hun moeder zelden en haar kleinkinderen kent ze nauwelijks.

De sfeer in de kamer dreigt nu een treurige lading te krijgen en Anneke onderkent dat. Met een geforceerde glimlach kijkt ze hem aan en vraagt:
‘Heb jij Lisa niet wat te bekennen?’
Hij verschiet zichtbaar en weet zich even geen raad. Lisa iets bekennen is het laatste wat hij wil en probeert daarom het gesprek een andere wending te geven.
‘Heb jij de klassenfoto ook gezien?’
‘Ja, die gaat momenteel nogal rond, heb ik begrepen.’
‘Herken jij alle kinderen nog? Zie je ze nog wel eens?’
‘Ach, weet je, het is al zo lang geleden. Het interesseert mij niet meer. Ik vond de schooltijd sowieso een vreselijke tijd en denk er liever niet aan terug. De enigen die ik af en toe zie zijn Anneke, Irene en Sara.’
Irene!? Het bloed schiet hem naar de kop en hij bloost voor het eerst sinds lange tijd. Iets luider dan hij wil, vraagt hij:
‘Hoe is het met Irene?’
Ze is even stil en kijkt hem dan strak aan.
‘Ik heb haar vorige week gesproken en die klassenfoto kwam ter sprake. De enige jongen die zij zich herinnerde was jij.’
Zwijgend kijkt ze hem aan. Het is duidelijk dat zij een verklaring van hem wil maar hij is niet van plan deze te geven. Hij zwijgt en bestudeert de veters in zijn schoenen.
‘Nou ja, het gaat mij ook niet aan maar misschien is het goed om te weten dat ze gelukkig is met haar vriendin. Wacht even, ik heb haar nummer wel.’
Ze grabbelt in haar tas, neemt haar telefoon en zoekt het nummer. Dan schrijft ze het op en geeft het hem. Hij staart naar het papiertje en beseft dat dit een tastbare herinnering is met het verleden.

Er is afscheid genomen. Er zijn voornemens uitgesproken over ‘vaker doen’ en nu is hij op weg naar huis. Zijn gedachten gaan met hem aan de loop en als hij bijna tegen de achterkant van een vrachtwagen rijdt, besluit hij op de eerste parkeerplaats te stoppen. Hij vist het briefje met het telefoonnummer uit zijn beurs en lange tijd kijkt hij er naar. Dan scheurt hij het langzaam in steeds kleinere snippers, draait het raampje open en de wind neemt zijn verleden als sneeuwvlokken mee. Hij kiept de rugleuning naar achteren en sluit de ogen voor een korte slaap.

Oude mannen doen dat soms.

 

©peter gortworst / sept 2019

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , | 3 reacties

Edith en Eduard

Er zijn mensen waar je, zoals dat netjes heet, moeite mee hebt. Ze liggen je niet, je kan er niks mee, het is niet jouw type of je krijgt destructieve neigingen als je alleen al hun naam hoort. Meestal betreft het een eenling en daar valt mee te leven. Natuurlijk probeer je elk contact te vermijden en als dat niet lukt wordt er een afstand geschapen door een ijzige beleefdheid. De ander heeft meestal geen weet van jouw gevoelens. Het kan natuurlijk zijn dat jij de enige bent die dergelijke gevoelens hebt maar wat als je niet die enige bent? Als bijvoorbeeld een hele werkplaats met twintig man de genoemde moeilijkheden ervaart en het onderwerp daar niets van merkt?

Eduard heeft de sollicitatiecommissie overtuigt van zijn kunnen. Het schrijnende personeelsgebrek is natuurlijk een gegeven wat er toe doet en als er dan iemand komt die schijnbaar in het plaatje past, is de beslissing snel genomen. Had de commissie beter nagedacht dan bleef er van Eduards verhaal weinig over. Hij had jarenlange ervaring in dit en net zo lang ervaring in dat. Als je al die jaren bij elkaar telt, zou Eduard een leeftijd hebben bereikt die men respectabel noemt.

Het duurt niet lang voor Eduard zo veel als mogelijk gemeden wordt. Zijn hinderlijke bemoeienis met alles en iedereen, zijn eigenwijsheid, zijn belangrijkdoenerij en zijn onstuitbare stroom van verhalen over volstrekt onbelangrijke belevenissen komt iedereen de neus uit. De chef van de werkplaats heeft gelukkig oog voor het wel en wee van zijn mensen en probeert Eduard, als het even kan, alleen te laten werken. En als er dan een pakje met spoed naar een klant dient te worden gebracht, valt natuurlijk Eduard die eer te beurt.
‘Hier, Molenstraat in Grijpskerke. Neem de transporter maar. Die is vol getankt.’
‘Is er haast bij?’ vraagt Eduard.
‘Ja, maar ik betaal geen bekeuringen!’
Eduard legt het pakketje op de bijrijdersstoel en stelt de navigatie in. Molenstraat Grijpsk… en ziet, de autoaanvulling doet de rest. Het is 121 kilometer.

Er klopt iets niet. Het huisnummer in de Molenstraat bestaat niet. Vol  van twijfel belt Eduard aan bij een woning en vraagt waar hij moet zijn. De man aan de deur kijkt op het pakketje wat Eduard in zijn handen houdt. Dan roept hij naar achteren:
‘We hebben er weer eentje!’
Er verschijnt een vrouw en samen lezen ze het adres.
‘Ja hoor,’ zegt zij, ‘het is weer raak.’
Eduard staat er bij en kijkt er naar.
‘Hier,’ zegt de man, ‘Je moet in Grijpskerke zijn. Nu ben je in Grijpskerk. Da’s niet goed. Maar maak je niet druk. Je bent niet de eerste die deze fout maakt. Je moet alleen nu nog zo’n dikke 350 kilometer rijden. Sterkte er mee!’
Met een dikke grijns sluit hij de deur. Eduard heeft er een bijzonder verhaal bij in zijn repertoire maar dit vertellen bij zijn huidige werkgever lijkt hem niet verstandig. Er is hem al gezegd dat zijn proeftijd niet wordt verlengd dus het steevast aangedikte verhaal bewaart hij wel voor de volgende werkgever.

 

Edith is gewoon een lieve meid. Bij het uitdelen van de hoeveelheid lijf stond ze in de eerste rij maar bij het uitdelen van verstand niet. Dat verhindert haar niet om ongecompliceerd in het leven te staan. In het weekend gaat ze uit met vriendinnen en ’s avonds droomt ze weg op de liedjes van Jannes. Titels als ‘Jou herken ik met mijn ogen dicht’ en ‘De hele nacht aan jou gedacht’ wekken een verlangen op naar iets wat ze nog niet kent. Er moet een prins voor haar zijn maar moet ze zelf op zoek of wordt ze gevonden? Zo lang ze het antwoord niet weet, droomt ze haar dromen en zingt ze de teksten als ze aan het werk is.

Ze verdient haar loon als interieurverzorgster bij een vijftal adressen. Ze wil geen werkster genoemd worden. Zij vindt dat ze meer is dan dat en een aantal van haar klanten hebben dat ondervonden. Zo kwam ze eenmaal per week bij die oude man. Hij had gevraagd of ze de omvangrijke boekenkast in de studeerkamer eens goed onderhanden wilde nemen. Elk boek wat hij er uit trok, veroorzaakte een stofwolkje en dat kan natuurlijk niet. Toen ze na een paar uur arbeid hem voor de tv weghaalde om haar werk te aanschouwen, overleefde de oude man ternauwernood een hartstilstand. Ze had alle boeken kleur op kleur bij elkaar gezet. Dat ze op schrijver gesorteerd stonden was niet bij haar opgekomen. Jammer dat ze niet meer terug hoefde te komen. Het was zo’n aardige man.
Bij de dame met de papegaai was ze ook niet meer welkom. Het beest beweerde altijd dat zij een mooie meid was. Zij ergerde zich daaraan omdat zij wist dat haar figuur niet aan de standaardnorm voldeed.  Ze kon niet veel anders dan de vogel te verbieden haar te complimenteren. Het resultaat mocht er zijn. De dame kwam ’s avonds de kamer in en de kaketoe melde verheugd: ‘Mooie meid! KOP DICHT!’

Bestaat er in de liefde toeval? Is het iets van ‘de tijd is rijp?’ Wie zal het zeggen? Feit is dat Eduard en Edith het zonder van elkaar te weten, zich inschrijven bij een datingsite. Hij is een vlotte, slanke en aantrekkelijke jongeman die als allround technicus zijn brood verdient en zij de charmante, gezellige en volslanke vrouw. Ze bekijken elkaars foto, lezen de teksten en wagen het erop. Uiteindelijk vindt zij haar prins en hij zijn klankbord. Wat dat moet worden weet niemand. Liefde doet nu eenmaal rare dingen met mensen.

 

©peter gortworst / sept 2019

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Haren in het putje

Een huwelijk van zes jaar is best wel lang en als er in die zes jaar weinig positiefs te beleven valt, valt het uiteindelijk niet mee.

Het begon zo mooi en romantisch. Hij werkt in het magazijn van een grootwinkelbedrijf en zij staat als hulp in de keuken van een verzorgingshuis. Niet direct banen waar veel in te verdienen valt maar daar kan aan gewerkt worden. Ze zijn jong dus de wereld ligt aan hun voeten. Ze kennen elkaar door hun wekelijkse bezoek aan het café. De tijd van het elkaar wel leuk vinden tot het ja-woord, duurde anderhalf jaar. Hij is haar goddelijke adonis en zij is zijn mooiste prinses. Dat trouwen van deze twee wonderen was niet echt het plan maar omdat hij, wegens zijn lange lidmaatschap van de woningbouwvereniging, in aanmerking kwam voor een flat, hielp dat de keuze voor een huwelijk aanzienlijk.

Ze trouwden toen het gratis was en de enige gasten waren hun wederzijdse ouders. Daarna werd er een bescheiden feest gegeven in hun net ingerichte flat. Ze hadden het graag wat uitbundiger gevierd maar de financiën lieten dat niet toe. Nog niet, dachten ze want ze zouden beiden ’s avonds gaan leren om zo hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dan kunnen ze gaan sparen en hun grotendeels uit de kringloop gehaalde meubels vervangen voor wat ze echt mooi vinden, een autootje kopen en wie weet, aan een kindje gaan denken. En soms, als het dagdromen een beetje uit de hand loopt, denken ze zelfs aan een eigen huisje.

Aan ambitie ontbreekt het niet maar de praktijk is vaak weerbarstig. Hij wil iets gaan doen met logistiek. Zijn chef heeft hem te kennen gegeven helemaal achter zijn plannen te staan maar een bijdrage in de studiekosten komt pas als hij zijn diploma heeft. Dat hij daarna voor een aantal jaren een contract zal moeten tekenen boeit hem niet. Het voorschieten van het cursusgeld wel en hij voelt dat ook zo.
Het is logisch dat zij iets wil gaan leren wat met voeding te maken heeft. Hoofd van de dieetkeuken lijkt haar wel mooi maar ook daar zitten kosten aan verbonden. Het wordt van tweeën één. Hij gaat ’s avonds naar school en als hij klaar is, en er meer geld binnenkomt, gaat zij leren.

Het studeren gaat hem niet goed af. Het valt niet mee om in de avonduren wakker te blijven als er een meneer voor de klas van alles staat uit te leggen. Het is er altijd warm en lichaam en geest snakken naar wat rust. In de weekenden, als hij zijn huiswerk moet maken, zijn er vele dingen belangrijker. De flat moet schoongehouden worden, er moeten inkopen gedaan worden en niet geheel onbelangrijk: hun café en de tribune van hun clubje met alle bekenden, kan niet onbezocht blijven.

Langer dan twee maanden houdt hij het niet vol. Als hij een teruggave verlangt van het cursusgeld voor de maanden dat hij niet meer komt, krijgt hij nul op het rekest. Dat betekent dat zij niet met haar cursus kan beginnen en zitten ze samen voor een jaar op een dood spoor.

Gebrek aan geld geeft bijverschijnselen. Bij hen wordt het een zich aan elkaar ergeren en al snel zijn de woorden die dan vallen, het hoogtepunt van de dag. Als hij weer eens klaagt over het vele en zware werk van de dag kan zij het niet laten om zijn afgebroken studie te benoemen. Zijn weerwoord dat haar overmatige consumpties in het café wel eens wat minder mogen, valt natuurlijk ook niet in goede aarde. Haar commentaar ‘toch ergens een beetje plezier aan beleven’, vat hij op als een regelrechte en persoonlijke aanval. Toch zijn dat niet de ergerlijkste ergernissen. Die worden gegeven door de dagelijkse routines: de scheetjes die zij in de echtelijke sponde produceert voor het slapen gaan, de afstandsbediening die hij altijd ‘mijn macht’ noemt, haar haren die hij uit het afvoerputje mag vissen omdat zij dat vies vindt, zijn immer wiebelende been bij het tv kijken, haar standaardzin ‘even kijken, heb ik alles?’ als ze naar haar werk gaat en zijn rare manier van een boterham doormidden snijden als hij zijn lunchpakketje klaarmaakt.

Gaandeweg wordt het er allemaal niet beter op en als hij op een kwaad moment zegt bij haar weg te gaan, komt dat niet echt als een verrassing. Ze is al blij dat hij zegt weer bij zijn ouders te gaan wonen. Alles beter dan bij een andere prinses.

Een goede tien dagen woont ze nu alleen. Er is nog niets afgesproken over hoe het verder moet. Alleen kan zij de huur niet betalen en de wolken die hun zon bedekken worden steeds donkerder. Als ze ’s avonds op de bank zit voelt ze zich gruwelijk alleen. Ze kijkt naar ‘zijn macht’ en mist plotseling die wiebelende voet. Aarzelend pakt ze haar telefoon en zoekt zijn nummer op. Het duurt even voor ze de groene knop indrukt en als hij de telefoon beantwoordt weet ze even niet wat te zeggen.

‘Ik mis je,’ zegt ze dan.
Aan de andere kant is het stil.
‘Ik mis je wiebelvoet en het putje zit vol.’
‘Ik mis je scheten,’ zegt hij en beiden schieten in de lach.
‘Met tien minuten ben ik bij je,’ zegt hij om dan zichzelf te verbeteren: ‘Thuis.’
‘Ik zal op je wachten.’

Dan bedenkt ze dat je in tien minuten wel even snel kan douchen. Prinsessen zijn daar goed in.

 

 

© peter gortworst / aug.2019
afbeelding: immo.vlan.be

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 5 reacties

Weemoed

 

Ze leest, voor de zoveelste keer, het briefje wat op tafel ligt. Ik kom morgen, woensdag, om 10 uur en neem iemand mee. Liefs Ans staat er. Dat is vandaag en sterker nog, dat is straks. Ze weet precies wie haar dochter meeneemt. Het is niet de eerste keer dat Ans zich zorgen over haar maakt en nu komt ze met iemand die moet beoordelen hoe ver ze heen is. Dat is natuurlijk onzin. Als je tegen de honderd loopt is het toch niet zo vreemd dat je af en toe wat vergeet? Goed, soms is het vervelend maar meestal is het helemaal niet zo erg. Dat haar gasfornuis het niet meer doet was ze bijvoorbeeld vergeten. Ze had zich verheugd op spruitjes, kruimelige aardappelen en een mooie gehaktbal. De maaltijden die haar worden gebracht en die ze alleen maar op hoeft op te warmen in de magnetron, smaken haar niet meer. Alles smaakt hetzelfde. Er zit geen kraak of smaak aan en daarom wilde ze zelf weer koken. Ze was naar de winkel gegaan. Thuis maakte ze alles klaar maar toen ze de braadpan met een flinke klont boter op het fornuis zette, ging het vuur niet aan. De buurman die ze om hulp vroeg, had gemeen gelachen. Het was maar goed dat ze het fornuis afgekoppeld hadden. Wilde ze soms weer de boel in de fik steken? Was ze het melkpannetje op het fornuis vergeten? Dat was ze inderdaad maar toen wist ze het weer. Ze kon niet slapen en een beetje warme melk zou vast wel helpen. Terwijl de melk warm werd kon zij wel even wat anders doen maar ze werd in die bezigheden ruw gestoord. De buurman, die gelukkig laat thuis kwam, zag donkere wolken uit het keukenraampje komen en bonkte op de ramen. Alles was zwart in de keuken en het pannetje gesmolten. Jammer want het was een fijn pannetje.

Ze hoort de voordeur van het slot gaan en haar dochter komt binnen. Achter haar aan komt een vreemde vrouw. Ze geeft haar een hand en ze vertelt dat ze even komt praten. Ze kijkt wat bevreemd naar die vrouw en heeft geen idee waarom ze met haar zou moeten praten. Ans had wel eens kunnen zeggen dat ze iemand mee neemt. Ze gaat in haar stoel bij het raam zitten. Haar dochter vist een thermoskan uit haar tas en haalt drie kopjes uit de keuken.

‘Ik kan ook wel even koffie zetten hoor,’ zegt ze.
‘Nee mam, dat hoeft niet. Ik heb thuis al koffie gemaakt.’

De koffie is heet en sterk. Precies zoals ze hem graag heeft.
Ondertussen heeft de vreemde vrouw papieren uit haar tas gepakt en legt die op haar schoot.
‘Zo,’ zegt ze dan na haar eerste slokje, ‘kunt u mij vertellen wat voor dag het vandaag is?’
‘Ach, dat is toch niet zo belangrijk? De dagen komen en gaan en voor mij maakt het niet uit welke dag het is. Als je zo oud bent als ik heb je weinig om handen en glijden de dagen als los zand door de vingers. Wat een rare vraag overigens. Waarom wilt u dat weten?’
Dan herinnert zij zich plotseling het briefje.
‘Maar vandaag is het woensdag. Toch?’
‘Ja hoor, de hele dag,’ en ze schrijft iets op haar papier.

Ze bladert even door de papieren en zegt dan:
‘Ik zie dat u nog een jonge meid was in de oorlog?’
‘De oorlog?’
‘Ja toen de nazi’s hier waren. De bezetting.’
Er gaat haar een licht op en een blos trekt over haar witte wangen.
‘Maar dat weet niemand hoor!’
‘Wat weet niemand?’
En ze vertelt. Van der Stephan, die lieve jongen die helemaal geen soldaat wilde zijn. Die vele malen liever bij zijn ouders op de boerderij gebleven was. Die met haar droomde over de tijd dat de oorlog voorbij zou zijn. Met wie ze in het diepste geheim verkering had en hem lief had zoals alleen een tiener dat kan. Die plotseling verdwenen was en van wie ze nooit meer iets had gehoord. Ze vertelt van de verduistering, de honger, de razzia’s en de angst. Alles weet ze nog en hoe meer ze vertelt hoe meer ze zich herinnert.
‘Wie was toen koningin?’ vraagt de vreemde vrouw.
‘Wilhelmina natuurlijk. En daarna kwam Juliana. Dat was een hele lieve vrouw. Ze was zo gewoon. Niet zo star als Wilhelmina. Gewoon een lief mens. Mijn Dirkje heeft haar nog een brief geschreven toen ze ging emigreren en ze kreeg een hele lieve brief terug.’

De vreemde vrouw bladert weer in haar papieren.
‘Weet u hoe het met Dirkje gaat?’
‘Nee. Ze schrijft niet zo vaak maar ik denk dat het wel goed gaat.’
‘Mam,’ zegt Ans, ‘Dirkje is toch overleden?’
Ze schrikt zichtbaar en slaat haar hand voor haar mond.
‘Nee toch! Is Dirkje dood? Wat vreselijk! Hoe kan dat nu?’
De tranen beginnen over haar wangen te lopen en zacht snikkend huilt ze.
‘Dirkje is nu 8 jaar geleden overleden. Ze had kanker,’ zegt Ans.
Door de tranen heen kijkt ze naar Ans.
‘Dat wist ik helemaal niet. Waarom vertel je mij dat nu pas? Mijn Dirkje dood?’

Ze zwijgt en lijdt. De vreemde vrouw en Ans wachten tot ze haar ogen heeft gedroogd met het zakdoekje dat ze aangereikt krijgt. Dan, bijna fluisterend, vertelt ze van de tijd dat haar kinderen nog jong waren. De tijd van het gelukkige gezin, papa die nog leefde en de tijd zonder armoe. Van Dirkje die altijd alles alleen wilde doen en net zo goed kon timmeren als haar vader. Die Nederland te klein vond en de wijde wereld in wilde en dat ook gedaan heeft. Hoe meer ze vertelt hoe weemoediger ze wordt. Alles is verandert, er gaan steeds meer mensen om haar heen dood, ze kan niet alles meer wat ze vroeger wel kon en het enige wat ze nog heeft zijn haar herinneringen en ook die vervagen. Langzaam zinkt ze weg in de tijd.

De vreemde vrouw staat op en verdwijnt met Ans in het halletje.
‘Mij is het wel duidelijk,’ zegt de vreemde vrouw, ‘Blijft u nog maar even bij uw moeder. Ik kom er wel uit.’
Als Ans de kamer in komt, zit haar moeder met gesloten ogen en de kin op de borst, in haar stoel. Ze gaat tegenover haar zitten en kijkt naar haar. De sterke, vrolijke vrouw van toen is er niet meer. De moeder die altijd wel een oplossing wist voor elk probleem, die van veel de humor in zag, die immer klaar stond voor iedereen is een oud en breekbaar mensje geworden. Nog geen schim van het verleden. Ans blijft naar haar kijken en realiseert zich dat ook zij wordt overvallen door weemoed. Mooie, pijnlijke en warme herinneringen dringen zich aan haar op. Met een lach en een: ‘Kom op meid, achter de wolken schijnt de zon.’ wist mams haar vaak het verdrietige te laten vergeten. Ze heeft er een lief ding voor over als haar moeder nu op zou kijken om met de lach van toen, het haar nog één maal te zeggen.

 

 

© peter gortworst / aug 2019
afbeelding: shsel.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Achteraf

Achteraf gezien had men beter niet of beter wel, wordt iets duidelijk of toch minstens begrijpelijk, worden zaken verklaarbaar of juist niet en blijkt men dom te zijn geweest of uitzonderlijk slim. In de meeste gevallen schiet men er echter niets mee op en kan men alleen concluderen dat, bij dit achteraf-gezien-gedoe, men een koe in de kont kijkt.

Het is zo’n vroege zomermorgen waar mensen van kunnen genieten. Niet te warm, een enkel wolkje dus een mooie opkomende  zon en een wind die de haren streelt en speelt om blote benen. In de auto, op weg naar huis, heeft men daar geen oog voor. Daar heeft men meer dan genoeg aan zichzelf. Beiden in een stadium van verbijstering, ongeloof, verongelijkt- en kwaadheid.

Achteraf gezien hadden ze dit niet moeten doen. Het idee was goed maar met de uitvoering daarvan hadden ze beter kunnen wachten. Via een gemeenschappelijke vriend hadden ze elkaar leren kennen. Zij had net haar relatie beëindigd en hij was al drie jaar alleen. En tja, hoe gaat dat? Ze raken met elkaar in gesprek, blijken raakvlakken en gezamenlijke interesses te hebben en, niet geheel onbelangrijk, ook interesse in elkaar. De constatering dat hij de wat flierefluiterige losbol is en zij de berekende en controlerende, wordt niet als een probleem gezien. Integendeel zelfs. Ze zijn overtuigt dat ze van elkaar kunnen leren om het perfecte koppel te gaan vormen.
Hij adoreert haar en doet bijna alles om het haar naar de zin te maken. Zij accepteert dat welwillend zoals alleen een koningin dat kan. In bed is zij de onverzadigbare en luidruchtige tijgerin die haar prooi niet loslaat en zonder het zich bewust te zijn, zakt zijn verstand langzaam tot broekzakhoogte. Niet alleen wanneer het bed, de bank of de keukentafel in zicht zijn maar continue. Een vrouw die zo onverzadigbaar is kent hij alleen van sterke verhalen en nu is het een bijna onwerkelijke werkelijkheid. Dat er dan van enige reflectie of logisch en nuchter nadenken geen sprake meer is, moge voor ieder duidelijk zijn. Niet voor hem. Zonder het zelf te weten is hij zichzelf niet meer.

Dat hij zijn eigen huis heeft en geen aanstalten of toespelingen maakt over bij elkaar intrekken, zint haar niet. Elke keer dat zij er over begint, wimpelt hij het onderwerp weg en het maakt haar achterdochtig. Hij kan dan wel zeggen dat hij lange dagen maakt en zijn rust ’s avonds gewoon nodig heeft maar is dat wel zo? Hij kan hier toch ook uitrusten? Haar slechte ervaringen uit een recent verleden voeden de argwaan en dat maakt een relatie er niet beter op. Wie zegt dat ook hij er niet een dubbel leven op na houdt en haar gebruikt voor de seks? Toch, als ze ziet en merkt wat hij allemaal voor haar doet, lukt het haar vaak om deze gedachten te verdrijven. Hij is gewoon niet slim genoeg voor een dubbel leven. Een goede en wat naïeve sul is het. Ze weet zich door hem op handen gedragen maar die achterdocht gaat nooit helemaal weg. Het zal, achteraf gezien, toch wat zijn als zou blijken dat ook hij niet deugt.

Geen van beiden weet hoe en wanneer het idee is ontstaan om samen op vakantie te gaan. Hij heeft een tent met alle benodigde  kampeerspullen en vertelt vol enthousiasme hoe mooi en ontspannend het is om in een tent te slapen, pannenkoekjes te bakken als ontbijt, te gaan slapen als het donker wordt en wakker te worden als de zon opkomt, alleen in de tent te zitten als het regent en zelfs dan is het nog ronduit romantisch. Zij heeft nog nooit gekampeerd maar laat zich overhalen. Ze gaan met haar auto en samen zoeken ze een Oost-Europees land uit wat niet te ver maar wel mooi is en betaalbaar. Als ze haar grote koffer van zolder haalt kijkt hij daar wat misprijzend naar. Een krat is beter omdat je die kan stapelen en rokjes, panty’s, witte blouses en nette schoenen neem je niet mee als je gaat kamperen. Het moet allemaal ‘makkelijk’ zijn en hoe meer hij dat woord gebruikt hoe ongemakkelijker zij zich voelt.

Achteraf gezien is niet precies te zeggen waar het fout is gegaan. Vaak is de oorzaak een opeenstapeling van kleine wrijvingen. Nu geeft wrijving ook warmte maar als dat niet als zodanig herkent wordt, is de kans groot dat het een moeilijk te bedwingen vuur wordt. Het kan natuurlijk zijn dat hij iets te lang naar die twee bevallige meiden kijkt bij het wegrestaurant. Misschien is het haar weigering om de twee luchtbedden op te pompen omdat ze meent er een lam been aan over te houden. Zijn weigering om, vanwege haar luidruchtigheid, met haar in de tent te vrijen, is natuurlijk ook een dingetje. Die ene rottige mug in de tent die haar wakker houdt en die hij niet belangrijk genoeg vindt om daar zijn slaapzak voor uit te komen, zet ook kwaad bloed en dan is daar nog die vermeende orgie in de kookruimte van de camping:
Ze hebben een mooi stuk vlees gekocht en hij biedt aan om dit vakkundig te gaan braden. Op een paar meter afstand van de kookruimte hoort hij een aantal vrouwen, die daar eten aan het koken zijn, al kwebbelen. Hij verstaat er geen woord van maar dat hindert niet. Als hij naar binnen stapt valt het stil. Blijkbaar is een man in deze ruimte een bijzonderheid. Hij zoekt een fornuis wat niet gebruikt wordt, doet de echte boter in de pan en zoekt de lucifers. Die zijn er niet. Vragend kijkt hij naar de dames en met handgebaren probeert hij duidelijk te maken dat geen vuur ook geen braadsel geeft. Eén van de vrouwen komt naar hem toe, pakt de koekenpan, vlees en boter van hem af en neemt hem mee naar buiten. Zij gebaart dat hij dáár moet wachten tot zij klaar is met zijn vlees. Binnen zwelt het kwebbelen weer aan tot het gebruikelijke niveau. Het duurt even maar dan komt de vrouw naar buiten met een mooi gebruind stuk vlees en de rest van de boter. Zo goed en kwaad als het gaat, bedankt hij haar en loopt dan terug naar de tent. Ze zit in de auto met de deuren wijd open. In geuren en kleuren vertelt hij van zijn belevenissen. Ze kan er niet om lachen. Integendeel zelfs want wat voor vrouw was dat? Waarom zal een wildvreemde vrouw zoiets doen? Wat heb jij gedaan om haar zo ver te krijgen?
Als zij dan ook nog met vage redeneringen, want wie weet wat die vrouw met het vlees heeft gedaan, weigert haar stuk te eten en het zelfs met een theatraal gebaar in de afvalzak dumpt, is bij hem de maat vol.

Het gesprek was niet bepaald vrolijk. Het was ook niet, dankzij de gehorigheid op een camping, met veel stemverheffing. Het was wel indringend. Zij constateren beiden dat zijn flierefluiterige losbolligheid haar de neusgaten uitkomt en dat haar berekenen, controleren en achterdocht hem gestolen kan worden. Natuurlijk zijn er verwijten. Het in goede harmonie uit elkaar gaan is niet ieder gegeven. Als zij zegt niet nog een nacht in die rottent te willen slapen, breekt hij de tent af en sleept de complete kampeeruitrusting in de auto.

Als ze in het donker onderweg zijn, zegt hij zeer beslist dat hij eerst naar zijn huis rijdt. Daar wil hij alle kampeerspullen uitladen zodat zij met haar eigen auto naar haar woning kan. Hij heeft er geen zin in om achteraf nog alles bij haar op te halen. Meer wordt er niet gezegd. Beiden zijn vol van hun eigen gedachten en ze weten niet van elkaar dat er een zekere mate van opluchting en een zichzelf hervinden heerst.
Zoiets wordt vaak achteraf duidelijk.

 

©peter gortworst / juli 2019
maker afbeelding: Picasa

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 8 reacties

Gedicht

Een mooie tekst die zomaar opduikt en die ik graag met mijn lezers deel:


Gedicht: Lucienne Stassaert • Zeggen: gemis is een beproeving

Uit Intermezzo, de nieuwe bundel van dichteres en kunstenares Lucienne Stassaert.

Zeggen: gemis is een beproeving
is niet de volle waarheid

een deel van een giftige vrucht
dat je leven nog steeds
niet in gevaar heeft gebracht –

Zeggen: het gaat wel over
is een blote leugen:

iets om te verzinnen
tijdens een verwelkingsziekte –

Zeggen: geduld oefenen helpt
is een drogbeeld

met toenemende schaduwen
in een wildgroei van gedachten –

Zeggen: hoe houd ik dit vol
is een vraag die je kan stellen

op het ritme van een hart
dat nog niet wil breken.
Lucienne Stassaert (1936)
uit: Intermezzo (2019)

• • •

Geplaatst in van alles... | Tags: , , | 1 reactie

De kortste nacht

Het is 1 uur in de morgen als hij het huis uitloopt. Hij gaat de straat uit, slaat rechtsaf en volgt het kanaal tot voorbij de bocht. Voor de weinige huizen die daar staan, bevindt zich een bankje. Hij gaat zitten en ziet tot zijn genoegen dat het aan de oostelijke horizon niet echt donker is. De flarden van wolken tonen blauwzwart en hij weet dat het zwarte langzaam verdwijnt, het blauwe steeds lichter kleurt en uiteindelijk de rode zon boven de kim zichtbaar wordt.

Hij heeft dit al zo vaak willen doen. De kortste nacht en daarmee de langste dag vieren. Wakker zijn als het licht wordt en de wereld om hem heen zien ontwaken. De eerste merels horen zingen, de natte dauw van de ochtendnevel voelen op zijn gezicht en blote benen en de eerste dorpelingen die op weg zijn naar hun werk of de hond uitlaten, te zien gaan. De kou rond zijn benen wordt hem een beetje te gortig. Hij trekt de knieën op, rits zijn jas los en verstopt zijn benen onder de jas. Straks als de zon schijnt zal hij weer langzaam warm worden. Het vooruitzicht doet hem nu al genieten.

De rust wordt plotseling verstoord. Een stuk naar rechts plonst een eend luid kwakend in het water. Opgeschrikt door de hond met één achterpoot. Hij kent die hond en hij denkt niet dat de eigenaren weten van deze nachtelijke excursie. Het beest loopt met de neus naar beneden langs de waterkant en krijgt hem plotseling in de gaten. Hij bevriest ter plekke en na wat inleidend gegrom, produceert het dier een blafconcert.
‘Sssst,’ sist hij maar dat werkt averechts. De hond springt nu blaffend heen en weer.
‘Kom eens hier,’ zegt hij zacht maar enige wat dat oplevert, is een hond die een omtrekkende beweging maakt over de straat die achter hem ligt. Schuw kijkend met een luide blaf passeert de hond hem. In het huis achter hem gaat een rolluik omhoog. Het spijt hem dat de nachtelijke rust van de bewoner is verstoort maar veel is er niet meer aan te doen.

In het oosten wordt het steeds lichter. Het zal niet lang meer duren voor de eerste vogels aan hun concert beginnen. De opgejaagde eend zwemt hem voorbij maar meer dan een wat argwanende blik wordt hem niet gegund. Achter zich hoort hij een huisdeur in het slot vallen. Die is er vroeg bij, denkt hij nog.

De eerste merel en de eerste zanglijster gaan zingen. Bijna gelijktijdig hoort hij een winterkoninkje. Dat klopt niet met wat hij geleerd heeft. Die horen veel later te beginnen maar misschien heeft ook dit wel te maken met de opwarming van de aarde. Plotseling zegt iemand achter hem ‘Moi!’ Hij kijkt even om en langzaam passeert er een man op de fiets. ‘Moi!’ zegt hij terug en als hij wat langer gekeken had, was hem opgevallen dat de man hem secuur observeerde.

Het kan ieder moment zo ver zijn. Het is nu al zo licht aan het worden dat het een kwestie van minuten is voor de zon zich aan de horizon laat zien. Gespannen tuurt hij naar de lichtste plek en weet dat het bijna zo ver is. Achter hem stopt een auto. Portieren slaan dicht en twee stemmen wensen hem een goede morgen. Hij kijkt om en ziet twee agenten over het gras naar hem toelopen. Pontificaal gaan ze voor zijn neus staan.
‘Wat doet u hier?’
‘Zitten.’
‘Mogen we vragen waarom?’
‘Ja hoor. Doe maar.’
De agenten zijn even stil en kijken elkaar aan.
‘Heeft u een legitimatie bij u?’ vraagt de ene.
De ander buigt zich naar hem toe en vraagt, terwijl hij zijn adem probeert te ruiken:
‘Heeft u gedronken?’
Hij kijkt de agenten wat verbaasd aan en zegt dan:
‘Nee en nee. Ik zit hier alleen maar omdat ik de zon op wil zien komen en sorry dat ik het zeg: jullie verpesten nu dat moment.’
‘Wij kregen verontrustende telefoontjes van mensen die het maar vreemd vonden dat u hier zit,’ verklaart de ene. ‘Gaat het wel goed met u?’
‘Ach, die mensen hebben nog nooit van de zonnewende gehoord.’
‘De wàt?’
‘De zonnewende. Vandaag is het de langste dag ofwel de kortste nacht. Vanaf nu worden de dagen weer korter en als je het weten wil: over een half jaar staat de kerstboom weer in huis. En over hoe het met mij gaat: het ging fantastisch tot jullie kwamen. Kijk maar achter je. De zon staat al boven de horizon. Het mooiste moment heb ik gemist.’

De agenten draaien zich inderdaad om en staren zwijgend naar de rode zon. Ze lopen een stukje bij hem weg om te overleggen wat te doen. Dan komen ze terug en beginnen weer over een legitimatie. Hij noemt zijn naam en adres en terwijl de ene in de auto gaat zitten blijft de ander bij hem staan. Als de ander terug komt knikt deze even.
‘Volgende keer wel een legitimatie meenemen’, beleert hij hem.

Ze lopen naar het huis achter hem en praten met de bewoner. Hij kan niet horen wat er gezegd wordt. Dan stappen ze in en vertrekken.

Hij probeert nog te genieten van de steeds warmer wordende zon maar het gemiste moment door zo iets doms, zit hem te veel dwars.
De zon schijnt voor iedereen maar soms zou je willen dat het anders was.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: pixabay.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

200

Stomtoevallig ontdekte ik dat mijn laatste verhaaltje nummer 199 was. Ik ben niet zo met getallen bezig maar een getal als 200 kan je niet ongemerkt voorbij laten gaan. Daarom ook dit stukje. Op zich is een getal van 200 niet iets noemenswaardig. Het getal 100 of 250 spreekt meer tot de verbeelding. Een kwart eeuw stadsrechten of de eerste 100 euro aan spaarcentjes als je van je ouders voor een hondje moet sparen. Dát zijn getallen die ergens over gaan. Toch vind ik 200 verhaaltjes bijzonder omdat juist dit ‘verhaaltje’ mij de kans geeft op wat zelfreflectie. Mijn kenners weten dat het aantal lezers per dag, week of jaar mij niet veel doet. Het is vele malen leuker om te zien vanuit welk land zij mijn verhaaltjes lezen. Want is dat een Nederlander die op zijn hotelkamer in Hongkong zit en uit verveling toch iets te lezen wil hebben of is het een Hongkonger die Nederlands leert en mijn schrijfseltjes als leerstof gebruikt? Fantasie is ook hier leuker dan de rauwe werkelijkheid.

Mijn zorgeloosheid aangaande cijfertjes kan ik ook volhouden omdat er niets aan vast zit. Niemand klaagt als er vandaag één bezoeker is en niemand raakt euforisch als het er 1000 zijn. Dat is ook de reden dat ik geen reclame bij mijn verhaaltjes duld. Zodra er verdient kan worden zijn cijfertjes plotseling wel belangrijk en ik wil voorkomen dat ik in die valkuil stap. Uiteraard moet ieder doen wat hem of haar goeddunkt maar schrijven is voor mij een hobby en een hobby kost geld. Die 27 cent per dag kan Bruintje voorlopig nog wel trekken.

Als ik de titels lees van mijn verhaaltjes valt mij op dat er verschillende zijn waarvan ik absoluut niet meer weet waar ze over gaan. Die noem ik de ‘vanzelfjes’. Ik krijg een idee voor een verhaaltje, schrijf dat zonder veel schaven, schrappen of herschrijven op en het is klaar voor publicatie. Dat geeft voldoening maar wat meer voldoening geeft zijn de verhaaltjes waar ik wel veel aan moest veranderen. Soms heb je dat. Je krijgt niet op papier wat er in je kop zit, elke keer herlezen geeft net zo vaak herschrijven en je kan blijven schaven tot je een ons weegt. Als zo’n verhaaltje dan klaar is en je publiceert het, dan nog kan het voorkomen dat je bij herlezen, weer woorden of zinnen verandert. De verhaaltjes ‘Gierzwaluwen’ en ‘Kiezen’ behoren bijvoorbeeld tot die categorie.
Het leukste zijn de verhaaltjes die ontspruiten uit een vaag idee. Meestal moet dat broeden, soms moet er wat speurwerk gedaan worden omdat wat ik schrijf, natuurlijk wel moet kloppen en als het dan zo ver is dat het broedsel volmaakt uit het ei komt, is dat een zinnenprikkelend genoegen.

Mijn verhaaltjes over Kuri in de serie ‘Orde, rust en regelmaat’ bewaar ik als een kostbaar aandenken. Met mijn huidige lichamelijke toestand kan ik haar niet houden. Het is geen gezapig huisdier. Het is een hond die veel energie heeft en de daarbij behorende beweging kan ik haar vooralsnog niet geven. Geen gemakkelijke beslissing maar voor haar wel de beste. Ze heeft een geweldig nieuw thuis gevonden en afgaande op berichtjes, foto’s en video’s gaat het haar goed.

Wat mij veel plezier gegeven heeft is de serie over Mannes in het veen. Bij het schrijven van de eerste aflevering had ik nog geen idee waar het naar toe zou gaan. Het complete verhaal heeft zich zelf geschreven en dat was een spannend proces. Het heeft mij wel geleerd dat het schrijven van een boek ook zo kan gaan. Een bedacht plot kan zomaar wegvallen, schrijfstijl moet consequent zijn en eerdere gebeurtenissen moeten logisch ingepast kunnen worden in latere. Het is niet voor niets dat ideeën voor een boek voorlopig maar het beste ideeën kunnen blijven.

Ook grappig: mijn mini-onderzoekje naar de herkomst van de derde pinksterdag in de Zaanstreek wordt elk jaar tegen Pinksteren veelvuldig gelezen. Een jaarlijks terugkerend genoegen.

Fantasie is iets moois. Het gebruik daarvan geeft talloze mogelijkheden. Het onmogelijke wordt simpel mogelijk en zolang de dikke duim overvloedig geeft, zijn de verhaaltjes legio. Toch ligt daar niet mijn eerste voorkeur. Die ligt nog steeds bij echte mensen. Niets is zo kleurrijk en echt als het beschrijven van mensen en hun belevenissen. Vaak ontkom je er niet aan om het verhaal met wat fantasie te larderen maar meestal is het een voorrecht om de gebeurtenissen te zien, te horen of mee te beleven. Soms is het tragisch komisch zoals in ‘Er gebeurt hier niks’ en soms alleen maar tragisch zoals in ‘Schrijver op de berg’ of ‘Hermann’.

Tot slot een oprecht woord van dank aan al mijn trouwe volgers en lezers. Dank voor alle opmerkingen, kritische noten en likes. Het is bekend dat een schrijver gelezen wil worden en jullie geven mij die voldoening.  Ik beloof bij deze dat ik met plezier naar de 300 ga en ook dan jullie daar deelgenoot van maak.

Een lieve groet en ik hoop dat het jullie goed gaat.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: cbr.ru

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Hermann

 

Hij zit in een rolstoel. Zijn rechterbeen is zo goed als weg en de voet en kuit van zijn andere been zijn in een dikke zwachtel verbonden. Hoe gaat dat als je samen in een kamer zit? Je raakt aan de praat en al pratend merk je dat het klikt: geen vrijblijvende gesprekjes over niets maar gelijk het diepe in met conversaties die ergens over gaan. Hij heeft een leven achter zich waarin de zeeën en de scheepvaart een wezenlijk bestanddeel vormen. Zo vrijgevochten als de golf die de eindeloos lange weg over de oceaan neemt, was ook zijn leven. Geen rust, nergens lang kunnen blijven, altijd onderweg. Drie keer getrouwd geweest, een zoon in Thailand, een dochter in Frankrijk en toch zo trouw als een hond. Met zijn drie vrouwen heeft hij nog altijd contact en ook zijn kinderen belt hij regelmatig. Zijn verblijf hier en zijn lichamelijke gezondheid maken hem onrustig. Al tien lange jaren heeft hij pijn en al dat gedokter zint hem niet meer.

We treffen ons bijna dagelijks en ik geniet van de flarden van zijn verhalen. Als hij iets wil vertellen over een stel protserige Duitsers op zijn cruiseschip, vergeet hij ze omdat er in de haven waar ze aan boord kwamen, ook iets was gebeurt wat het vertellen waard is. Als ik hem bij de les probeer te houden door te vragen naar die Duitsers, gaat het maar even goed want er is iets wat hem te binnen schiet en wat ook nog vertelt moet worden. Zelfs als je alle ‘verdamd noch mals, arschlochen en scheisen’ uit zijn vertelsels filtert, blijft het luisteren een vermoeiende bezigheid.

‘Luister verrückte Hollander, ik heb een besluit genomen’ zegt hij op een avond.
‘Morgen komt de professor aan mijn bed en dan ga ik hem vertellen dat ik niet meer wil dat er aan mij gedokterd wordt. Ik wil zo veel pijnstillers dat ik echt niets meer voel en dan ga ik naar huis.’
‘En dan?’
‘Dan wil ik dat mijn huisarts mij dezelfde medicijnen geef en dan zie ik wel.’
‘Wat zie je dan wel? Hoe lang je nog leeft?’
‘Ja, en ik hoop dat het nog heel lang is. Ik hoop dat ik nog naar Thailand kan om mijn Jasmijn te zien en mijn zoon. Het mooiste zou zijn als ik daar zou sterven.’
‘Ik help het je hopen. Wie neem je mee want alleen in een rolstoel gaat je dat niet lukken?’
‘Hadi gaat mee.’
Daarmee zijn alle mogelijke problemen opgelost. Hadi is zijn vriend die alles voor hem regelt en gaat regelen.

De volgende dag vertelt hij blij dat de professor ingestemd heeft met zijn verzoek. Over een paar dagen hebben ze de medicatie op orde en dan mag hij naar huis. Mijn tijd in het ziekenhuis wordt, wegens plaatsgebrek op de reha-afdeling voor twee weken afgebroken en we treffen elkaar voor de laatste keer. We praten zeker een uur met elkaar. Als ik hem zeg dat ik zijn besluit moedig vind, haalt hij zijn magere schoudertjes op.
‘Dood ga ik toch en laat het dan maar op een plaats zijn die ik zelf kies.’
Ik kan met hem meevoelen. Veel is er niet meer te kiezen dus dan dit maar als één van de laatste wensen. Met een ‘verrückte Hollander’ en een ‘stomme Duitser’ nemen we warm afscheid.

Twee weken geleden kom ik Hadi tegen in de hal van het ziekenhuis. Hermann is weer terug. Hij is uit bed gevallen en de wijkverpleging vond hem met een pijnlijke schouder en bult op zijn kop. Ik beloof hem ’s middags te bezoeken.

Er ligt een schamel hoopje mens in bed. Hij ligt gehurkt op zijn zij, klemt zich vast aan de zijkant van het bed en huilt.
‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer…..’
Als ik naar de geestelijke verzorgster kijk, die ook naast zijn bed zit, haalt ze haar schouders op. Ik snap dat. Herman is niet bereikbaar.

Als ik ’s avonds nog even ga kijken zit Hermann rechtop in zijn bed.
‘Ha, verrückte Hollander! Hoe gaat het?’
Ik ben blij verrast. Hij vertelt hoe het zo gekomen is en ze moeten niet denken dat hij hier blijft. Als ze ontdekken dat er met die schouder niets aan de hand is, kan hij wel weer naar huis. We kletsen wat en plotseling trekt hij de lade van zijn nachtkastje open. In een plastic zakje zit zijn baaltje shag.
‘Ik wil roken.’
‘Hè? Waar wil je dat doen?’
‘Hier natuurlijk. Draai er eentje voor mij.’
‘Dat kan je niet maken Hermann….’
‘Verdamd noch mal!! Ik wil roken!!
Ik draai een behoorlijk dun shagje en als Hermann daar de brand in steekt ga ik naar de badkamer. Gelukkig staat daar een fles aftershave en overdadig vernevel ik het spul in de kamer.
‘Ga de kamer uit en als je terugkomt moet je vertellen wat je ruikt,’ commandeert Hermann.
Gehoorzaam doe ik dat en als ik terug kom staat daar een muur van aftershave.
‘Als er nu een zuster komt, weet ze gelijk dat je hebt gerookt,’ deel ik hem bezorgd mee.
‘Wat willen ze met mij doen? Mij naar huis sturen?’ en zelden heb ik een zo schorre en intens sarcastische lach gehoord.

De volgende dag belt hij mij op.
‘Kom je nog?’
‘Ja, ik kom er aan.’
‘Weet je waar ik ben?’
‘Ik neem aan dat je in je kamer bent?’
Hij lacht: ‘Nee, ik ben op ons stekkie.’

De avonden van de volgende twee dagen zijn van ons. Hij vertelt van zijn jeugd. Een vader die zich verhangen heeft in de boomgaard, een broer die niet zijn echte broer was omdat zijn moeder vreemd was gegaan. Zodra het kon het huis uit en alleen op bezoek bij zijn moeder als hij geld nodig had.
‘Heb je niet één goede herinnering?’ vraag ik hem.
‘Ja, met mijn vader bij de aardbeien in de tuin. Hij plukte de dikste en mooiste voor mij.’

Sterven was voor Hermann het letterlijke einde. Met grote stelligheid had hij volgehouden dat er na de dood niets is. Opvallend dat die stelligheid verdwenen is voor een ‘je kan niet weten’. Sterven doe je alleen en de verwachting dat er toch iets is waar je je aan vast kan houden, is een godsgeschenk.

Hermann gaat dood. Dat was lange tijd al zeker maar niet zo zichtbaar als nu. Hij ligt stil in bed. De morfinepomp doet zijn werk. Eten en drinken krijgt hij niet meer en het is een kwestie van wachten. Als ik vraag waarom ze de morfine niet wat verhogen krijg ik als antwoord dat het slecht is voor de ademhaling. Ik houd mijn mond maar. Euthanasie is hier nog een taboe en zeker in een katholiek ziekenhuis.
Ik mag naar huis en ga ’s morgens nog even bij hem langs. Hij ligt er mooi bij. Jammer dat zijn ademhaling de deken nog beroert.

De golf die alle oceanen heeft gezien is stukgelopen op de rots van de dood. Op het kerkelijke feest van de geest heeft Hermann de zijne gegeven.

Hij weet nu.

Rust zacht, Hermann.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: werkaandemuur.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties