De zwangere man -1-

De oplettende lezer van dit blog heeft waarschijnlijk al een vermoeden. Er zijn enige ingewijden die het al zeker weten en mijn directe naasten leven hevig met mij mee. Het hoge woord moet er daarom maar eens uit: ik ben zwanger.

Zo. Nu weet iedereen het. Natuurlijk niet zwanger van een echte baby. Zo’n klein hummeltje met mini vingertjes, armpjes en beentjes die alleen maar huilt, drinkt, plast en poept. Naar mijn beste weten, maar 100% zeker weten doe ik het niet omdat het gekste heden ten dage niet gek genoeg kan zijn, is het biologisch niet mogelijk voor een man een mensenbaby te baren. Mijn kindje is anders. Het houdt mij al vele nachten lang wakker. Dat is onnatuurlijk omdat het nog geboren moet worden. Aan het hele maakproces bij een baby in de baarmoeder, komt geen mensenhand te pas. Het lichaam zorgt er zelf voor dat er geen armpje met een beentje wordt verwisseld of dat de ene hand alle vingertjes krijgt en de ander niets. Bij mijn kindje is dat wel anders. Zonder mijn bemoeienis wordt het niets. Alles moet ik zelf doen. Met dat ik deze laatste zin schrijf, bedenk ik dat dit niet helemaal waar is. Collega-schrijvers weten wat ik bedoel: verhalen schrijven soms zichzelf en ja, over schrijven gaat het. Mijn baby is een Boek.

Een collega-blogster heeft op haar welkom pagina staan: ‘Ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk wel dat ik het kan.’ ( https://machteldberkelmans.com/ ) Een mooi uitgangspunt en bovendien is daar MeinMoni. Zij weet zeker dat ik het kan en wie ben ik om haar tegen te spreken. Dus waarom niet, dacht ik. Ga gewoon beginnen en je ziet wel of het schip strandt.

Ergens in de diepe krochten van mijn computer zat een stuk tekst dat ik zo’n twaalf jaar geleden geschreven had. Het was één gebeurtenis. Een fantasie eigenlijk. Een ‘stel je nu eens voor dat…’ Ongeschikt voor een kort verhaal maar om daar een heel boek mee te vullen, zag ik ook niet zitten. Die fantasie zou ingebed moeten worden in een verhaal en zo ontstond gaandeweg een boek. Dat klinkt lekker kort maar zo was de werkelijkheid zeker niet. Er moesten logische handelingen verzonnen worden, personen geïntroduceerd, verhaallijnen bedacht, geschrapt of veranderd. Bewust dingen niet noemen en andere van wat extra accenten voorzien, tijdvakken op elkaar aan laten sluiten en tot het laatst toe niet weten wat er in de nog ontbrekende hoofdstukken kwam te staan. Het verhaal is anders geworden dan ik vooraf bedacht had. Mijn eerste hoofdpersoon is nog wel belangrijk maar niet meer dan dat. Een vrouw die ik terloops introduceerde is nu hoofdpersoon. Zelfs voor mij was dat een ontdekking. Een cadeau dat in mijn schoot geworpen werd.
Een aantal stukken in het boek hebben zichzelf geschreven en mijn brein was meer bezig met ‘nu doen ze dat’ en ‘straks gaat er dat gebeuren’. Ik was meer een notulist dan een verhalenverteller en dat kwam de leesbaarheid niet ten goede. Dat verbeteren was één van de vele hordes die genomen moesten worden. De ontdekking van een lijstje woorden die men zo weinig mogelijk moet gebruiken, was de volgende horde. Dat zijn woorden als ‘toen’ ‘soms’ ‘mogen’ ‘moeten’ ‘heel’ en nog 16 van dat soort. Gelukkig bestaat er een zoekfunctie die alle opgegeven woorden feilloos in de tekst vindt. Over de tijd die 20 keer de bijna 150 pagina’s doornemen en corrigeren kost, zullen we het maar niet hebben. Ook niet over het verkeerde gebruik van ‘wat’ en ‘dat’. (21ste keer)
Feit is dat mijn overbuurvrouw kort geleden kwam vragen of ik ’s nachts wel eens slaap. Met de verklaring dat mijn dag- en nachtritme etwas durch einander liep, nam ze genoegen. Ze kon moeilijk anders maar haar observaties waren juist. De afgelopen maanden ben ik eigenlijk alleen maar bezig geweest met dit kind. Midden in de nacht een idee krijgen en er dan ook nog uitgaan. Hoe bezeten kan je zijn? Voor mijn lezers die ooit zelf een boek het levenslicht hebben laten aanschouwen, zal dit herkenbaar zijn. Hen vertel ik niets nieuws. Voor mij is dit hele geboorteproces een ongekende ervaring waar ik overigens ten volle van geniet.

Research. Ook zo’n ding. Ik wacht nog op een mail van een houthandelaar, de Ierse kustwacht stuurde mij een stekelige mededeling dat ze uit tactische gronden mij geen gegevens mogen verstrekken, een brandweerman die per omgaande antwoordt, een kandidaat-notaris die een uitgebreid verhaal terugstuurt waarbij je bijna spijt voelt omdat je er zo weinig van gebruikt, en Schiphol die mij verwijst naar een site die ik allang gevonden had maar die niets meer mogen zeggen dan dat. Onschuldige vragen verworden tot staatsgevaarlijke geschriften. Pas op!! In Georgsdorf woont een potentiele terrorist!!

Wat een zegen is? Internet en Google Maps. Ik heb een diep respect gekregen voor alle schrijvers die vroeger met pen en papier hun boeken schreven. Die kwamen bovendien niet zo snel en gemakkelijk aan informatie en knippen en plakken was echt knippen en plakken.

En nu? Het wachten is op alle reacties van mijn proeflezers (wat ben ik die ontzettend dankbaar) en dan voor de 6888ste keer weer de hele tekst doornemen, veranderen, aanpassen of herschrijven. Elke reactie maakt mijn kind mooier. Is dat alles gedaan dan kan dit wicht naar een lieverd die alle deetjes en teetjes op hun plaats zet. Ja, ik ken mijn zwakheden en je wilt per slot van rekening geen gedrocht met 10 vingers aan één hand of een armpje of beentje wat niet op de goede plaats zit.

De negen maanden die menselijkerwijs tussen verwekking en geboorte zitten haal ik niet. Dat is niet erg. Er is niemand die mij dwingt. Wordt dit boek geen leesvoer wat je meeneemt op vakantie dan wordt het een sinterklaascadeau of ligt het onder de kerstboom.
Het schip is niet gestrand. Het dobbert voor de kust en de boeg wijst naar het open water. De optimist in mij zegt dat het wel goed komt. Wordt vervolgd dus.

© peter gortworst / januari 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Ik zag twee mensen.

Ik heb mijn mooiste pak aangedaan,
mijn lichtbruine schoenen met die harde, leren hakken.
Ik heb mij besprenkeld met de aftershave die we samen uitkozen.
Mijn haar zoals jij het graag ziet, gekamd in een eenvoudige slag.
Je raakt mijn gezicht aan om een haartje wat ik heb gemist, weg te nemen.
‘Laten we thuis blijven,’ zeg je, ‘Niet naar dat feest gaan.’
Je kust mijn hals en ik zeg: ‘Nee. We kunnen hen niet teleurstellen.

De avond is nu voorbij en ik weet niet wat ik moet doen.
Ik zag twee mensen die verliefd werden en één van hen was jij.

En nu liggen we een paar centimeters uit elkaar
Maar ik ervaar het als kilometers.
Ik voel dat er diep in mij iets dood gaat
als ik naar je kijk en die kleine glimlach rond je lippen zie.
De lucht is zwanger van dat wat we niet kunnen zeggen.
Ik wil mijn arm om je heen slaan
maar het een zucht draai je jouw rug naar mij toe.
In één avond is alles anders geworden.

Je hield mijn hand vast toen we op het feest kwamen.
Elk detail kan ik mij nog herinneren.
Met velen maakte ik weinig zeggende praatjes.
Jij was in gesprek met een man die ik niet kende.
Hij deed mij aan iemand denken: ik, zo’n tien jaar geleden.
Het feest liep ten einde en we moesten weg.
Maar na al die uren hing je nog steeds aan zijn lippen.
Wist je dat zijn hand lang op jouw arm lag?
Jij reed naar huis – of heb ik gereden?

De hele rit is in een waas aan mij voorbij gegaan.
Ik zag twee mensen die verliefd werden en één van hen was hij.

En nu liggen we een paar centimeters uit elkaar
Maar ik ervaar het als kilometers.
Ik voel dat er diep in mij iets dood gaat
als ik naar je kijk en die kleine glimlach rond je lippen zie.
De lucht is zwanger van dat wat we niet kunnen zeggen.
Ik wil mijn arm om je heen slaan
maar het een zucht draai je jouw rug naar mij toe.
Hoe wanhopig ik ook probeer mijzelf te overtuigen
dat we niet van elkaar vervreemd zijn:
in één avond is alles anders geworden.

Twee mensen liggen naast elkaar.
De ene slaapt bijna, de andere niet.
Die overdenkt elke toevallig gemaakte opmerking.
Het mooiste pak hangt voor de lichte kastdeur
en het lijkt een boosaardige geest
die de vergankelijkheid toont van dat waar we aan gehecht zijn.
De bruine schoenen zijn weer opgeborgen.
Die schop je niet zomaar in een hoek.
Als je het licht uit doet, krijg ik vreemd, kuise kus.
Afstandelijk bijna.
Ons liefdesnest, ons heiligdom voelt niet meer aan als thuis.

Ik zag twee mensen die verliefd werden en één van hen was jij.

En nu liegen we tegen elkaar….

Ik voel dat er diep in mij….

 De lucht is zwanger van dat wat we niet kunnen zeggen.

Hoe wanhopig ik ook probeer mijzelf te overtuigen….

In één avond is alles anders geworden.

28 dec 2020
Vrij vertaalt naar ‘I watched two people’
van Fascinating Aida.

Geplaatst in van alles... | Tags: , , | 1 reactie

De jager -2-

(een vervolg op het vorige verhaaltje)

Ome Tol zit met zijn vrouw aan de keukentafel. Henk komt binnen en merkt direct dat er iets aan de hand is.
‘De hond is dood,’ deelt ome Tol ongevraagd mee.
‘Oh?’
‘Ja. Hij moest een haas ophalen en plotseling zakt hij door zijn achterpoten. Hij jankte het uit. Lopen wilde niet meer en toen heb ik hem naar huis gedragen. Bij de dierenarts kwamen ze erachter dat hij nooit meer zou kunnen lopen. Iets met een zenuw in zijn ruggengraat. Toen hebben we hem maar laten inslapen. Ik wilde het dier niet langer laten lijden.’
‘Man. Wat een naar verhaal. Hoe lang had je de hond?’
‘Elf jaar. Ik heb hem als pup gekocht en zelf getraind als jachthond. We konden met elkaar lezen en schrijven.’
Zijn vrouw zet het eten op tafel. Gedurende de maaltijd laat Henk ome Tol verhalen vertellen over de hond. Voor de verwerking van verdriet is dat best een goed middel.

Na een maand is Henk weer terug. Hij wordt blaffend verwelkomd door een grote hond van onbestemd ras.
‘Max!’ commandeert ome Tol, ’Ga plaats!’
De hond luistert.
‘Braaf.’
‘Je nieuwe hond?’ vraagt Henk.
‘Ja.’
‘En?’
‘Ik weet het niet. Hij luistert slecht. Als hij een haas ziet die ik niet beschieten kan, is hij er al achter aan. Ik kan roepen wat ik wil maar luisteren, ho maar. Jagen is zo niet leuk meer.’
‘Dat lijkt mij niet goed. En wat nu?’
‘Maar eens kijken of ik dat er met trainen een beetje uitkrijg.’
Henk wenst hem daarmee succes. Ze bespreken nog wat zakelijke dingen omdat er natuurlijk ook geld verdient moet worden.
‘Over twee weken ben ik terug,’ zegt Henk.

De twee weken zijn voorbij en Henk zit aan tafel. Voor hem een dampend bord boerenkool. De halve rookworst lijkt hem glimlachend aan te kijken en laat zijn principe aangaande het eten van vlees, als sneeuw voor de zon verdwijnen.
‘Hoe is het met de hond?’
Het is alsof ome Tol een licht opgaat. Hij gaat staan en uit de kast neemt hij een plastic zak. Zijn bord schuift hij opzij en kiepert de inhoud van de zak op tafel. Iets van een walkietalkie, een oplader, een fluitje en een halsband landen naast zijn bord.
‘Jij bent toch een beetje technisch?’ vraagt ome Tol.
‘Ja…?’
‘Ik heb dit geleend van een andere jager. Het is om je hond te trainen. Hij heeft vertelt hoe het werkt maar ik ben het vergeten. De hond moet de halsband om en als hij moet luisteren blaas ik eerst op het fluitje. Als hij niet luistert moet ik met deze zender een fluittoon sturen en wat daarna moet weet ik niet meer.’
‘Laat eens kijken,’ zegt Henk.
Hij bestudeert de halsband. Een brede leren band met leren vakjes. Twee kleine bronzen schoteltjes en een forse sluiting. In de leren vakjes zitten waarschijnlijk de ontvanger, de luidspreker voor de pieptoon, batterijen en een condensator. De zender heeft een witte knop, een rode knop en een draaiknop waar ‘squelz’ bij staat.
‘Is hij opgeladen?’ vraagt Henk.
‘Hij zit hartstikke vol.’
‘Mooi. Ik druk nu eerst op de witte knop.’
Een doordringende pieptoon vult de kamer.
‘Juist. Als jij nu even met beide handen die twee schoteltjes vastpakt, gaan we testen hoe het werkt.’
Gehoorzaam neemt ome Tol een schoteltje in zijn rechter en linkerhand. Henk draait de draaiknop naar maximaal en drukt vervolgens op de rode knop. Met een ongecontroleerde bewegingen stuitert ome Tol in zijn stoel heen en weer.
‘Wel snotverdedomdedju!!’ vloekt hij, ‘Wat was dat?!’
‘Een elektrische schok. Dat voelt je hond ook als dit gebruikt.’
Ome Tol is daar even stil van. Hij wappert af en toe met zijn handen omdat alle spiertjes zich moeten herstellen. De hele handel gaat weer in de plastic zak en hij wil er niet meer over praten.
Henk laat zich de boerenkool goed smaken. Het geven van vruchtbare lessen blijft een dankbaar gebeuren.

‘Nou? Hoe is het met de hond?’ vraagt Henk als hij weer op bezoek is.
‘Fantastisch,’ zegt ome Tol met een brede glimlach, ‘Ik heb die halsband één keer gebruikt. Hij sloeg werkelijk over de kop en sindsdien luistert hij als geen ander. Als die halsband omgaat doet hij alles goed. Ik heb een band laten maken die er ongeveer net zo uit ziet en even zwaar is maar ik kan er niks mee. Het is gewoon een dummy. Zodra die hond die halsband draagt, luistert hij.’
‘Wat een goed idee. Gefeliciteerd. Jagen is nu weer leuk?’
‘Ja. Ik kan weer lekker kuieren zonder mij te ergeren. Wacht, ik heb wat voor je.’
‘Ome Tol verdwijnt even en komt terug met een in zilverpapier verpakt iets.
‘Hier,’ zegt hij, ‘Een haas. Komt uit de diepvries. Jij hebt dit weekend wat lekkers op tafel staan. Zie het maar als een bedankje voor de schokkende les.’
‘Dank je. Ik heb het als een vruchtbare les ervaren.’
Ome Tol denkt even na.
‘Ja, dat kan. Ieder peurt uit een gezamenlijke ervaring nu eenmaal wat het beste bij hem past.’
‘Mooie gedachte ome Tol. Even terug naar aarde? Zullen we het over zaken hebben?’
‘Ja, doe maar. Da’s ook mooi.’

© peter gortworst / nov 2020
afbeelding: nl.freepick.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De jager

Principes zijn er in soorten en maten. Er zijn er die als een eenzame grashalm op de akker staan en met alle winden meewaaien. Anderen zijn als in beton gegoten: onwrikbaar en standvastig. Sommigen zijn zo vanzelfsprekend dat ze vallen onder de categorie ‘dat doe je gewoon niet’ maar er zijn er ook die, in meer of mindere mate, afhankelijk zijn van omstandigheden. Die beginnen meestal met: ‘Het is eigenlijk tegen mijn principe maar…’

Henk heeft ook principes. Bij verkiezingen stemt hij zo links mogelijk, is de maximale temperatuur in zijn woning negentien graden, eet hij alleen vlees van dieren waarvan hij weet dat ze een goed leven hebben gehad en is hij tegen de jacht.
Daar valt meestal goed mee te leven. Hij is vertegenwoordiger en er wordt van hem verwacht dat hij verkoopt. Dat lukt aardig zo lang hij zijn klanten maar niet al te goed kent. Dan blijft het een wat afstandelijk gebeuren waarbij weinig fout kan gaan.

Bij ome Tol is dat wat anders. Hij kent ome Tol en zijn vrouw al jaren en het is een goede en trouwe klant. Vrienden zijn ze niet maar wel heel goede kennissen. Ze zien hem het liefst aan het einde van de morgen komen. Dan kan hij mee-eten en is er tijd om al het wel en wee te bespreken. Dat hij een selectieve vleeseter is, maakt de gastvrouw niet uit. Hun vlees is van eigen varkens of van de jacht en juist daar zit hem de kneep. Natuurlijk smaakt een haas prima. Het beest heeft een goed leven gehad maar hij is wel geschoten. Ome Tol vertelt regelmatig over zijn jacht. Als hij zijn kop leeg wil maken, hangt hij zijn geweer over de schouder en loopt met de hond over zijn jachtterrein. Tot frustratie van de hond schiet hij vaak niet. De haas is te ver weg, in de vriezer liggen nog drie fazanten of hij is gewoon te langzaam met zijn geweer. Het maakt hem niet uit. Na een middag in het veld is zijn kop weer leeg en de hond moe.

Eenmaal heeft Henk met ome Tol over het nut van de jacht geredekaveld. Er had een artikel in de krant gestaan over de hoeveelheid vossen. Het waren er te veel. Ome Tol was van mening dat het te veel afgeschoten moest worden en Henk meende dat de natuur zichzelf regelt. Een zinloze discussie was het resultaat. Beiden waren overtuigt van hun eigen gelijk maar Henk kon niet zo ver gaan als hij eigenlijk wilde. Ome Tol was per slot van rekening een klant die hij graag behouden wilde.

Ze zet het eten op tafel. Bloemkool met een kaassausje, gekookte aardappelen en een prachtige karbonade.
‘Lekker,’ zegt Henk.
Ze wensen elkaar smakelijk eten en vallen aan. Dan valt Henk iets op. De vrouw heeft altijd de poes op schoot als ze eet. Nu niet.
‘Waar is de poes?’ vraagt hij daarom.
‘Dood.’
‘Dood?’
‘Ja. Dood. Ik had haar laten steriliseren en de volgende dag wordt ze door een auto doodgereden. Ligt daar mijn honderd euro op de straat.’
‘Goh, wat erg,’
Hij weet dat het wat mager klinkt maar meer weet hij niet te zeggen. De vrouw zit met een gebogen hoofd te eten en met een punt van haar servet veegt ze een traan uit haar oog. Ome Tol heeft met zijn vrouw te doen. Hij is geen kattenman maar dat zijn vrouw verdriet heeft, grijpt hem aan. Hij weet niet beter te doen dan het gesprek naar een ander onderwerp over te hevelen.

‘Ik ga zaterdag op ganzenjacht,’ zegt hij daarom, ‘Ze hebben mij gevraagd. Voor het licht wordt moet ik in de polder zijn. Ik ben benieuwd. Op ganzen jagen heb ik nog nooit gedaan.’
‘Zijn ganzen lekker?’ wil Henk weten.
‘Geen idee. Weet jij dat vrouw?’
Ze weet het ook niet maar er zullen vast wel recepten zijn.

Een week later is Henk terug en zitten ze weer aan tafel.
‘Hoe was de ganzenjacht?’ vraagt Henk.
‘Prachtig,’ zegt ome Tol, ‘Ik was daar al heel vroeg. Ze hebben lokganzen in het veld gezet en wij hebben ons verborgen achter het riet. We hadden van die camouflagedekens omgeslagen en dan begint het wachten. Uit het niets zijn ze daar. Je hoort ze eerst wel maar zien doe je ze op het laatste moment. Dan wieken ze naar beneden en dat is zo’n fantastisch gezicht. Die grote zwarte vogels die mooi afsteken tegen de ochtendschemer, die zo gecontroleerd naar beneden komen en, ik zou bijna zeggen ‘bevallig’ landen… het is werkelijk fenomenaal.’
‘En? Hoeveel heb je er geschoten?’
‘Geen enkele. Ik heb alleen maar genoten van hun vliegtechniek, hun plotseling daar zijn.’
Ome Tol kijkt hem aan en Henk ziet nog de blijde verwondering in zijn ogen.
‘Tja,’ zegt zijn vrouw, ‘Zit ik daar met mijn recepten. Ik had voor zondag mijn zoon met zijn vrouw en kinderen gevraagd voor het eten. Komt hij zonder gans thuis. Kon ik zondagmorgen gehaktballen draaien.’
‘Was toch ook lekker?’ zegt ome Tol
‘Je had er toch eentje van die anderen kunnen krijgen? Er waren er genoeg geschoten.’
‘Nee,’ zegt ome Tol, ‘Ik neem niets mee wat ik zelf niet geschoten heb. Dat is tegen mijn principes.’
Henk’s principe wankelt. Blijkbaar zijn er ook goede jagers en langzaam wordt ome Tol een man naar zijn hart.     

© peter gortworst / nov 2020
afbeelding: pinterest

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Ontboezemingen (of een verhaaltje voor het slapen gaan)

De tijd tussen een kapje op mijn neus en weer wakker worden was lang. Voor mijn geliefden een uiterst spannende en emotionele tijd. Letterlijk niets was zeker. Het was zelfs maar de vraag hoe ik uit de kunstmatige coma zou komen.

De opluchting dat ik niet gekker dan normaal wakker werd, was groot en het antwoord op de vraag hoe het met mij gaat, beantwoord ik sindsdien steevast met ‘Goed, ik mis alleen een been’.

Dat is niet helemaal waar. Mijn stem is niet meer wat het was en dat frustreert bij het zingen. Als ik vroeger niezen moest, was dat altijd drie keer maar nu kan dat, met hetzelfde gemak, twee of vier keer zijn. Wat mij echter het meest dwars zit zijn de dromen.  Soms onschuldig, soms zo droevig dat ik met tranen in de ogen wakker wordt, een enkele keer zo verschrikkelijk dat de paniek toeslaat en af en toe gewoon idioot.

Hoe kan je dromen dat je een houtbewerkingsmachine staat te repareren in de keuken van een kazerne? Een ambtenaar met zweet op zijn voorhoofd spreek, in auto’s rijd die ik nog nooit gehad heb, vlot met kruk en hond door ruw terrein loop en zelfs een berg beklim?  Dat zijn dan nog de onschuldige dromen. Over de beangstigende, verwarrende of panische heb ik het dan nog niet gehad. Als zo eentje zijn opwachting heeft gemaakt en ik wakker geworden ben, kan ik niet gewoon constateren dat het gelukkig maar een droom was en weer verder slapen. De droom gaat dan gewoon verder. Net of de naald even omhoog is gezet en wacht op het moment dat deze weer in de groef kan vallen. (dit voor degenen die nog weten wat een pick up was). Nee, ik moet er uit en gedurende een uurtje of zo, iets onbenulligs doen. Mij verbazen over de droom en deze zo snel als mogelijk is, vergeten.

De nacht van woensdag op donderdag werd ik in paniek wakker. Die grote kleuter in Amerika met de kleine handjes en dito … had gewonnen. Donkere wolken stapelden zich op. Noodweer brak los. Niet nog vier jaar! Mensen vluchten in paniek naar het zuiden waar Mexicaanse grenswachten hen tegen hielden en de toegang weigerden. Vertwijfeld probeerden ze over hekken te klimmen maar tevergeefs. Het waren de beste die ze ooit gemaakt hadden. Ze hadden immers moeten geloven dat niemand betere maken kon? Kinderen werden afgepakt en in kale gevangenissen gestopt. Witte neusjes in witte cellen. De gek zelf verscheen op het balkon van het Witte Huis. Hij had zich verkleed als Mussolini en zijn hoogblonde persvoorlichtster lag aan zijn voeten en likte de zwarte laarzen. Hij strooide met dollarbiljetten maar de enigen die daar wat aan hadden waren zijn familieleden die onder het balkon aan het juichen waren. Eén van zijn stafleden nam mij apart en ontboezemde dat deze grote leider het Kurhaus in Scheveningen ging slopen om daar een heuse Trumptower te bouwen.
Toen werd het mij even te veel en werd ik wakker.

Twee uur duurde mijn terugkeer naar aarde. Op you-tube zag ik dat het nog allerminst zeker was dat deze oranje clown gewonnen had. Dat was een gedeeltelijke geruststelling. Meer niet. Tot vanavond. Het speelkwartier van deze losgeslagen zuigeling is voorbij! Amerika heeft een hell of a job om weer terug te keren naar normen en waarden maar erger dan wat het nu is, kan het niet meer worden.
Vannacht slaap ik vast goed.

©peter gortworst / nov 2020
afbeelding nl.pinterest.com

Geplaatst in startpagina | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Aardbei

Ik geef het toe. Veel overtuigingskracht is er niet voor nodig en zeker niet als je zelf tot de conclusie komt. Ik ben een zonderling. Zo. Het hoge woord is eruit. Misschien geen zonderling van het zuiverste water maar goed genoeg om deze ‘titel’ te kunnen dragen. Velen van mijn geliefden, vrienden of kennissen wisten dit natuurlijk al. Voor hen is dit niets nieuws. Voor een verslaafde aan alcohol is de erkenning dat hij, of zij, verslaafd is, de eerste stap naar genezing. Gelukkig is zonderling zijn niet iets wat genezing behoeft. Er bestaat, naar mijn weten, geen zelfhulpgroep van zonderlingen. Ik zie deze staat van ‘zijn’ als licht vermakelijk, doe er niemand kwaad mee en wellicht zet ik een enkeling, net als mijzelf, aan het denken. Hoe kan een normaal uitziend persoon toch zo zonderling zijn?
Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier niet over bijzonder zijn. Bijzonder is gewoon bijzonder en op de keeper beschouwd is iedereen dat. Het valt niet altijd op. Met een beetje bijzonder steek je niet boven het maaiveld uit en doe je dat wel, dan voldoe je aan de verwachtingen die men van een bijzonder iemand heeft. Een bijzonder iemand is of doet bijzonder en dat maakt hem, of haar, niet bijzonderder.
Bij een zonderling ligt dat anders. Als een zonderling iets zonderlings doet, valt dat op. Het ligt niet in de lijn van de verwachtingen dat hij, of zij, iets zonderlings doet. Uit ervaringen weet men wel dat hij, of zij, een zonderling is, houdt er in het achterhoofd rekening mee maar toch komt het zonderlinge onverwacht. Ik meen dat het zonderlinge ligt in het volkomen onlogische, niet ge- of bedachte gedachtengoed of handelingen.

Nu ik deze, voor menigeen verwarde gedachtenspinsels met mijn geachte lezers, of lezeressen, gedeeld heb, kan ik u meenemen naar de bron van deze kabbelende beek aan ontdekkingen.

Het is nu 3.17 a.m. en hoewel ik hondsmoe in bed gekropen ben, kan ik de slaap niet vatten. Mijn trouwe volgers, of volgsters, weten dat ik druk ben met het schrijven van een boek. Dit heeft meer effect op mijn wel en wee dan ik vooraf kon bevroeden. De ontdekking dat ik een wending in het verhaal op geen enkele manier vanzelfsprekend kon maken, zorgde er voor dat ik drie geschreven hoofdstukken met het knopje delete naar de prullenmand liet verdwijnen. Bovendien moest ik alle verwijzingen naar die wending in de voorgaande tekst opzoeken en aanpassen. Ik weet best dat dit het lot van een schrijver, of schrijfster, is maar het doet wel pijn.
De nieuwe wending kost veel hoofdbrekens. Verhaallijn nieuw: research nieuw. Verse vellen papier met feiten, wetenswaardigheden, tijden, dialogen en weet ik wat nog meer vullen de gaten die de oude verhaallijn liet vallen.. Het lastigste is nog de oude verhaallijn helemaal vergeten. Er is immers wel een stukje van je kind geamputeerd en dat ziekt nog een tijdje door.

Een voortdurende bron van zorg is de wens mijn lezers, of lezeressen, mee te nemen in het verhaal. Die zorg voel ik deze nacht ook. Ik kan bijvoorbeeld schrijven dat ik een aardbei eet. Dat is een kennisgeving. Meer niet. Ik zie het echter als mijn taak, jawel, ‘Taak’ om het beeldend, bijzonder te maken. Het eten van een aardbei gaat over meer. Het is de aanblik van deze vrucht, de mogelijkheid om hem, of haar?, te eten omdat het lente is, de geur, de kleur, het mondgevoel, de smaak te beschrijven en de herinneringen te vertellen die opgeroepen worden. Dat overbrengen is een kunst die ik probeer uit te oefenen.

Toen ik dat bedacht, kwam de ontdekking dat ik een zonderling ben. Wie haalt het nu in zijn hoofd om midden in een herfstige nacht, op 31 oktober, aan een aardbei te denken? En welke zonderling gaat dat nog diezelfde nacht opschrijven?
Deze dus.

© peter gortworst / okt 2020
afbeelding: pinterest   

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Vijfje

‘Gerdien wil iets van Frozen. Een ontbijtbordje of een beker. Ik kan het wel voor je bestellen. Dan hoef jij de deur niet uit,’ heeft zijn dochter hem gezegd.
Dat is tegen het zere been. Wat denkt ze wel! Hij is dan wel een beetje invalide maar gelukkig nog zo mobiel als een huisjesslak: het duurt even maar uiteindelijk komt hij daar waar hij wezen wil. Nee, dat cadeautje gaat hij zelf kopen.

Hij parkeert zijn auto en opent de achterklep. Met de handigheid die je van een ervaren techneut mag verwachten, zet hij zijn scootmobiel in elkaar. Als hij op zoek gaat naar de parkeermeter kijkt hij een beetje zorgelijk naar het metertje op zijn scooter. Als hij stil staat wijst het naaldje naar het groene balkje. Als hij rijdt staat het in het geel. Dat is een kort balkje. Het rode daarnaast is langer maar ook gevaarlijker. Dom dat hij er niet aan gedacht heeft de accu op te laden. Even twijfelt hij of het wel verstandig is de stad in te rijden. Toch waagt hij het er op. De speelgoedwinkel is niet zo heel ver weg. Het gaat vast goed.
De parkeermeter is snel gevonden en met verbazing ziet hij dat je voor 2 euro 58 minuten mag parkeren. Wie verzint zoiets? Waarom niet een heel uur voor die 2 euro? Hij vist 4 euro uit zijn portemonnee en ziet dan dat er alleen maar met een kaart betaalt kan worden. Hij zucht. Met je tijd meegaan, ouwe jongen, denkt hij. Gewoon met je tijd meegaan. Het kaartje legt hij achter de voorruit en hij wendt het steven richting winkel.

Het is fris. Echt herfstweer. Er staat een koude wind en donkere wolken dreigen met regen. Hij knoopt zijn jas dicht tot onder zijn kin en trekt de pet wat dieper over zijn hoofd. Met de snelheidsmeter op haas rijdt hij door de winkelstraat. Weinig mensen op straat en dat bevalt hem. Altijd al een hekel aan drukte gehad en het voordeel van de tijd aan jezelf hebben, is boodschappen doen als het rustig is.
De winkel in het winkelcentrum is er niet meer. Zijn goede humeur zakt naar een bedenkelijk niveau. Wat nu? Navraag leert hem dat de hele speelgoedketen niet meer bestaat en dat Blokker of de Hema misschien ook wel hebben wat hij zoekt. Die zaken zitten een stuk verder in dit winkelcentrum en hebben inderdaad wat hij hebben moet. Om dat te vieren trakteert hij zich op een kopje koffie met een tosti.

De uitgang ligt hoger dan de vloer van het winkelcentrum. Er is een brede trap van zes treden en in het midden van de trap een rolstoelbaan. Hij rijdt omhoog en halverwege begint zijn scooter te piepen. Het ding trekt het niet en stopt met het metertje zwaar in het rood. Wat nu? Achter hem begint een vrouw te mopperen. Ze kan niet aan hem voorbij.
‘Moet ik je omhoog duwen?’ vraagt ze.
‘Nee, ik wil achteruit.’
‘Nou, vooruit dan maar,’ zegt ze met duidelijke tegenzin.
Noodgedwongen loopt ze terug en neemt vervolgens de trap. Hij ontkoppelt de aandrijving en rijdt zachtjes achteruit. Buiten is het flink gaan regenen. Een donkere wolk heeft de dreiging waargemaakt. Het geeft hem tijd om na te denken hoe het nu verder moet. Dat hij dom is geweest hoeft niemand hem te vertellen. De grote vraag is nu hoe hij bij zijn auto komt. Hij vreest dat het een lange weg wordt. Zijn scooter voor hem uitduwen  zal een vermoeiende en langdurige bezigheid zijn. Eerst maar wachten tot het droog wordt.

Af en toe komen mensen op een holletje naar binnen. Ze worden opgewacht door de ‘wij wachten tot het droog is mensen’.
Twee echtparen, een man en een vrouw alleen en drie jonge mannen met van die glimmende jassen met zo’n bontkraagje.
‘Nog even en dan is het droog,’ deelt de man alleen hem mede.
Hij schakelt zijn scooter in. Het ding rijdt nog maar niet meer dan dat. Nog voor de helling geeft hij opnieuw de geest. Met een vloek en een diepe zucht stapt hij af en gaat achter zijn vervoermiddel staan. Langzaam drukt hij hem de helling op.

‘Hé opa! Moeten wij je even helpen?’ roept een bontkraagje.
‘Ja, graag.’
Hij wil wat zeggen over dat “opa” maar verstandig lijkt hem dat niet. Twee duwen zijn scooter omhoog en de derde ondersteunt hem op zijn weg naar boven.
‘Kapot?’ vraagt hij.
‘Nee. De accu is leeg.
‘En nu? Moet je ver?’
‘Nee, mijn auto staat aan het einde van de straat. Dat is niet ver gelukkig.’
De jongen roept naar zijn maten:
‘Hé! Opa moet naar zijn auto en de accu is leeg. We gaan hem duwen.’
Ze wachten tot hij zit.
‘Zo opa, goed sturen.’
Hij slikt een opmerking in. Wat denken die snotneuzen wel? Met alle kilometers die hij in zijn arbeidzame leven gereden heeft, kom je met gemak twee keer de aarde rond. En nu gaat dat joch hem zeggen dat hij goed moet sturen? Het is dat hij weet dat je mensen, die een goede daad verrichten, niet moet hinderen maar anders…

Ze komen bij de auto. Gedienstig helpen ze hem om de scooter achter in de auto te zetten. Ze houden de deur voor hem open en als hij zit, zegt hij:
‘Dankjewel. Ik zou jullie graag wat geven maar ik heb alleen wat kleingeld in mijn portemonnee.’
‘Kom op opa, we willen helemaal niets van je hebben. We hebben je gewoon even geholpen.’
‘Wacht even,’ zegt één van de bontkraagjes, ‘Ik heb wel wat voor jou.’
Uit zijn broekzak vist hij een stapeltje bankbiljetten en trekt er een vijfje uit.
‘Hier. Koop er maar een ijsje voor.’
Ze lachen vriendelijk en nadat ze het portier gesloten hebben lopen ze weg.

Verbluft kijkt hij ze na. Dat duurt maar even omdat hij zich kwaad begint te maken. De confrontatie met vooroordelen komt hard aan. Zij zien hem als een sullig, arm en oud mannetje. Dat bevalt hem voor geen meter. Hij is niet oud. Niet arm en zeker niet sullig. Hij smijt het bankbiljet op de stoel naast hem, start de auto en manoeuvreert het parkeervak uit. De straat is leeg en met een knetterende vloek geeft hij plankgas. Met piepende banden scheurt hij weg.
Wat denken ze wel!?

© peter gortworst / okt. 2020 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 3 reacties

De uil

De uil zit in de olmen. De nacht valt en hij voelt zich niet goed. Een beetje koortsig zelfs. Die ene muis van vanmiddag is de oorzaak van zijn ellendige gevoel. Het was ook te makkelijk gegaan. Het beestje scharrelde open en bloot een beetje rond en gedroeg zich niet des muizes. Met één poot had hij hem gegrepen en in zijn olm had hij zich er tegoed aan gedaan. De smaak was anders geweest. Een beetje zurig. Eigenlijk had hij hem niet moeten eten maar ook uilen doen soms dingen die ze beter niet hadden kunnen doen. Nu heeft hij krampen in zijn maag en vol ongeduld wacht hij op het moment dat de resten als braakbal naar buiten komen. Hopelijk knapt hij daarna een beetje op. Aan eten moet hij nu even niet denken. Als het aan hem ligt blijft hij vannacht hier zitten en wordt er niets gevangen. Af en toe vasten is per slot van rekening niet verkeerd.

Op het bankje onder zijn boom is een man gaan zitten. Middelbare leeftijd, dikke jas en een pet. Dat hij op iets of iemand wacht is wel duidelijk. Om de haverklap kijkt hij op zijn horloge en tuurt het pad af in de richting van de watertoren. Het is een ongeduldig mannetje. Hij gaat staan, ijsbeert heen en weer, gaat toch maar weer zitten en gluurt naar de cijfertjes op zijn klokje. Dan piepende remmen van een fietser op een racefiets. De fietser is duidelijk een fietsster. Snelle outfit en een fietshelm. Veel fluorescerend groen. Het doet de uil pijn aan de ogen. Ze zet de fiets tegen zijn boom en omarmt de man. Ze zoenen. Veel, langdurig en intens. Uil vindt dat wel mooi. Zonder liefde zou er immers weinig leven over blijven.

Ze gaan op het bankje zitten, houden elkaar vast en praten. Uil kan alles horen maar verstaat er niets van. Mensentaal is hem net zo vreemd als uilentaal vreemd is voor mensen. Onderscheid moet er zijn maar zelf een invulling geven aan het gebeuren is noch uilen noch mensen vreemd. Zijn veronderstellingen gaan al spoedig, een beetje geholpen door de koorts, met hem op de loop. Ze zijn duidelijk verliefd op elkaar maar niemand mag dat weten. Waarom zou je anders, bij het vallen van de nacht, op zo een stille plek elkaar ontmoeten? Zou het de directeur van een bedrijf zijn die hier afspreekt met een secretaresse? Is hij getrouwd en gaat hij vreemd of is zij getrouwd en gaat zij vreemd? Is zij de lerares van één van zijn kinderen of is hij de schoolmeester van één van haar kinderen? Misschien is hij wel een hele hoge Piet die als vrijgezel bekend staat en dat graag zo wil houden. Imago is voor sommigen heel belangrijk. Een prinses met een hoveling? Een priester met een sportieve non? Een getrouwd stel met een rollenspel? Hoe langer uil fantaseert hoe gekker het wordt.

Uit een zakje op haar rug vist ze een koekjesreep. Ze wil dat in tweeën delen maar hij schudt van nee. Ze knabbelt, luistert en praat. Als de reep op is, legt ze haar benen over de bovenbenen van de man. Haar arm slaat ze om zijn nek en ze fluistert in zijn oor. Dat zijn vast lieve woordjes, denkt de uil. Lieve woordjes fluisteren doet hij ook. In het voorjaar, als de natuur roept, hoort dat er gewoon bij. De opmaat voor de zomerse stress. Eieren die uitgebroed moeten worden, voortdurend alert zijn op vele gevaren, jongen die de oren van je kop vreten zodat je bij nacht en ontij op muizenjacht moet. Nee, hij is blij met het najaar. Eindelijk rust en tijd voor jezelf.

Het stel blijft maar kletsen. Af en toe onderbreken ze dat om met elkaar te zoenen. Dan strelen handen intieme plaatsen. Handelingen die het daglicht moeilijk kunnen verdragen. Het is maar goed dat het al bijna donker is. Ze gaat staan en zet haar helm op. De man pakt haar fiets en zet deze op het pad voor haar klaar. De galante ridder. De afscheidszoen is van het langdurige soort maar uiteindelijk fiets ze terug richting watertoren. Hij kijkt haar na. Dat duurt niet lang. Hij heeft niet de ogen van een uil. De pet wordt weer goed op het hoofd gezet en de dikke jas knoopt hij dicht. Dan loopt hij weg en uil kijkt op zijn beurt hem na.

Het is alsof zijn maag op dit moment heeft gewacht. Plotseling is de braakbal daar. Uil onderzoekt zijn gestel en wat hij van zichzelf ontdekt, bevalt hem. Hij heeft zelfs weer trek. In gindse heuvels roept zacht een koekoek. Hoe zou die smaken? Uil slaat zijn vleugels uit. De gindse heuvels zijn niet ver en wie weet vindt hij die koekoek. Verandering van spijs doet eten, heeft hij wel eens gehoord.  

© peter gortworst / okt. 2020

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Heks

Hij parkeert zijn auto op een parkeerplaats langs de A7. Het is ontegenzeggelijk vakantietijd. Alles staat bijna vol met campers, woonwagens en volgeladen personenwagens. Hij zet de rugleuning naar achteren en gunt zich een kwartiertje rust.

Ongewild veroorzaakt zijn volgende klant onrust in zijn kop. Het kan een belangrijke klant worden. De potentie dat ze veel af kunnen gaan nemen is daar. Hij komt overeind en zoekt in zijn papieren naar de omzetcijfers van de laatste maand. Helaas. Zelfs na drie maal alles doorzoeken kan hij het papier niet vinden. Hij pakt zijn telefoon en belt de zaak. Ze moeten het maar even mailen.

‘Goedemiddag. De Vulpen, met Bianca. Wat kan ik voor u doen?’
Bianca? Wie in hemelsnaam is Bianca? Hij noemt zijn naam en vraagt:
‘Ben je nieuw in ons bedrijf?’
‘Ja, ik ben nieuw. En wie bent u?’
Haar stem klinkt wat meisjesachtig. In gedachten ziet hij een welgevormde jonge, blonde, frisse meid zitten met de telefoon aan haar poezelige oor.
‘Ik ben de vertegenwoordiger van het bedrijf. Voor wat ben jij aangenomen?’
‘Ik ben de assistente van meneer de Vulpen.’
Toe maar, denkt hij, de oude snoepert heeft zich een groen blaadje uitgezocht.
‘Nou, we zullen elkaar nog wel leren kennen. Kan je mij even doorverbinden met Dick.’
‘Die is er niet. Die is een rondje aan het lopen.’
‘O. Oké. Misschien kan jij mijn dan helpen. Ik moet de omzetcijfers hebben van boekhandel de Ezelsoor. Die liggen in de kast bij het bureau van Dick. Kan jij even kijken?’
‘Ja hoor. Hoe ziet de kast er uit?’
‘Het is de meest rechtse kast. Het ding is grijs, geloof ik. En je moet de rode map hebben.’
‘Momentje.’
Hij hoort dat ze telefoon op het bureau legt. Dan is het stil. Hij wacht.
‘De meest rechtse kast zit op slot. Er zit zo’n ding op met druktoetsen.’
Dat is waar ook. De achterdocht van de oude baas is op de gekste momenten merkbaar.
‘Ah. Dat kan kloppen. Je moet de code intypen en dan gaat hij open. Die code is 2854 hekje. Heb je dat?’
‘Ja.’
De telefoon wordt weer neergelegd. Hij wacht.
‘Waar vind ik de letters? Ik druk 2854 maar waar moet ik dan hekje intypen?’
In gedachten verandert Bianca in een vrouw van middelbare leeftijd met te veel onnatuurlijk blond haar.
‘Dat hekje is een toets met twee horizontale en twee verticale streepjes die door elkaar lopen.’
‘Moment.’
Hij wacht.
‘De kast is open. Welke grijze moest u hebben?’
‘Ik moet geen grijze map. Ik moet de rode map. Daar is er maar één van.’
‘Moment.’
Hij wacht. Bianca heeft een bril met jampotbodemglazen en draagt steunzolen.
‘Ik heb hem. En nu?’
‘Nu zoek je de papieren van de Ezelsoor. Als het goed is liggen ze op alfabet.’
‘Moment.’
Hoezo moment? Heeft ze die map daar nog liggen? Bianca heeft rimpels en een onderkin.
‘Er zitten geen papieren van de Ezelsoor in de map. Ik heb de hele D doorzocht maar ze niet gevonden.’
Hij zucht diep.
‘Lieve Bianca, luister. Haal de …..
‘Pardon?’
‘Wat pardon?’
‘Ik ken u niet. U kent mij niet dus dat “lieve” kunt u beter weglaten. Ik ben daar niet van gediend.’
Hij is even stil. Bianca is een lelijke, kromme vrouw met harige wratten op haar wang.
‘Sorry. Ik bedoelde het niet verkeerd. Zou je de map even op willen halen en bij je op het bureau leggen. Dan proberen we samen even te zoeken.’
‘Moment.’
Hij wacht. Een daverende klap maakt duidelijk dat de map op het bureau is aangekomen.
‘En nu?’ vraagt de heks.
‘Nu kijk je bij de E. Ik denk dat achterin bij de E, je de papieren vindt van de Ezelsoor.’
‘Raar,’ zegt de heks, de Ezelsoor bij de E. Wie zoekt daar nu?’
Hij hoort haar bladeren en dan, goddank, heeft ze de papieren.
‘Ik heb ze,’ en het verwondert hem dat een heks opgelucht kan klinken.
‘Fijn. Er is één papier waarboven staat ‘omzet juni’. Klopt dat?’
‘Ja. Die heb ik.’
‘Mooi. Kan jij die even naar mij mailen?’
Het is stil aan de andere kant. Te stil.
‘Ik weet niet hoe dat moet,’ bekent Bianca dan.
Het verbaast hem niets. Van iemand die op een bezemsteel naar het werk komt, mag je dit niet verwachten.
‘Kan je er een foto van maken en die naar mij toesturen?’
‘Dan moet ik u eerst in mijn WhatsApp zetten en dan een foto maken en dan naar u sturen?’
‘Ja, dat kan.’

Ze verbreekt de verbinding. Hij leunt weer achteruit en wacht. Na een kwartier piept zijn telefoon. Het is haar blijkbaar gelukt. Als hij kijkt is daar een foto van een bureau met op het blad de rode map en daarvoor een vel papier. Een prachtig sfeerbeeld maar niet meer dan dat. Hij belt weer op.

‘Bianca, is het ook mogelijk dat je een foto maakt van het papier alleen? Zo kan ik niet lezen wat er staat.’
‘O. Goh. Ik heb net alles opgeruimd. Wat was die code ook alweer? … O, wacht. Dick komt net binnen. Ik geef de telefoon wel even aan hem.’
Dick snapt met twee tellen waar het om draait en gaat het regelen.
‘Wat is die Bianca voor een type?’ vraagt hij.
Dick zucht diep.
‘Daar bel ik je nog wel over. Nu gaat dat even niet.’
Bianca heeft vleermuisoren die draaien kunnen. Als ze op haar bezem vliegt kan ze die naar achteren in haar nek leggen.
‘Is goed. Spreek je later.’

© peter gortworst / sept. 2020
foto: handgemaakt.eu

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 3 reacties

De zee bij nacht

 

Nog een klein uurtje en dan wordt het donker. Chris en Jan lopen de Noorderpier op. Beiden trekken een karretje achter zich aan. Het is beladen met alles wat een zeevisser die op tong gaat vissen, nodig heeft. Als ze zo’n vijftienhonderd meter ver zijn, stoppen ze. Uit ervaring weten ze dat het hier goed vissen is. Ze prepareren hun hengels, zetten de bak met zeepieren en zagers op een veilige plek en controleren hun hoofd- en zaklampen. Achter hen lopen de laatste bezoekers richting kust. Het belooft een warme nacht te worden met een beetje wind uit zee. Chris neemt uit zijn lunchdoosje een broodje haring. Jan wacht daar nog even mee. Die heeft vanavond thuis nog goed gegeten
‘Moi!’ klinkt het achter hen.
‘Moi,’ zeggen ze uit een automatisme terug. Als ze omkijken zien ze een man op leeftijd de pier oplopen. Om zijn schouder draagt hij een vouwstoeltje en in zijn hand een boodschappentas. Ze kijken elkaar aan.
‘Wat zal die gaan doen?’ vraagt Chris.
‘Geen idee. In ieder geval niet vissen.’
Ze halen hun schouders op. Wat maakt het hen ook uit. Ieder moet doen wat hij zelf wil, toch?

Het is donker geworden. De hoge vuurtoren flitst elke vijf seconden. Op wat geruis van de golven na, is het stil. Vanuit zee waait er een zacht windje. Het ruikt fris en is verkoelend. De tong wil nog niet bijten. De kostbare zeepieren worden van de haak gegeten door krabben en ze vrezen dat het een slechte nacht wordt. Vissen is echter een bezigheid die talloze variabelen kent. Wat de ene keer niet werkt, blijkt de volgende keer de gouden greep. Zo ook nu. In plaats van het aas stil te laten liggen haalt Chris met kleine schokjes het aas op. De laatste keer werkte dat niet maar nu heeft hij beet. De eerste tong is er eentje van formaat. De komende twee uur halen ze met regelmaat een vis uit het water. Dan vangen ze niets meer. Ze proberen van alles maar niets schijnt te werken. Ze leggen het aas stil op de bodem en wachten af.
‘Heb jij die ouwe man nog terug zien lopen?’ vraagt Chris.
‘Nee.’
‘Als hij terug gelopen was, hadden we hem toch moeten zien?’
‘Ja.’
Ze zwijgen en denken. Een man op leeftijd met een stoeltje en een boodschappentas. Zou iemand die levensmoe is met…. nee, dat zal toch niet? Misschien is het een kunstenaar die een schetsboek in die tas had zitten. Kan het ook wat anders zijn?
‘Ik ben er niet gerust op,’ zegt Jan.
‘Ik ook niet.’
Ze zwijgen en ieder denkt het zijne.
‘We moesten maar bellen,’ zegt Chris.
‘Ja.’

De dame van de meldkamer begrijpt de ongerustheid van de heren. Ze gaat een wagen aansturen. Chris en Jan zien na een kwartier twee koplampen hun kant opkomen. Ze gaan midden op de pier staan en vertellen de beide heren van de reddingsbrigade wat ze gezien hebben. Op de vraag of ze er zeker van  zijn dat die man niet teruggelopen is, kunnen ze geen volmondige bevestiging geven.
‘Geeft niks,’ zegt de jongen achter het stuur, ‘We gaan wel kijken of we hem vinden.’
Dat vinden is niet moeilijk. Bijna op het eind van de pier zien ze hem, in het licht van de koplampen, zitten. Hij kijkt, met een mok warme koffie in zijn handen, de thermosfles naast hem en zittend in zijn klapstoeltje, uit over de donkere zee.

De reddingswerkers stappen uit.
‘Goedenavond,’ zeggen ze.
De man kijkt hun kant op maar houdt zijn hand voor de ogen. Het licht van de koplampen verblindt hem.
‘Ja, ja, goedenavond,’ zegt hij.
‘Mogen wij weten wat u hier doet?’
‘Ja, ja. Ik bestudeer de zee. De nachtelijke zee.’
De reddingswerkers vallen even stil. Huh? De nachtelijke zee bestuderen?
‘Waarom?’
‘Omdat ik weten wil hoe het er ’s nachts op zee uitziet.’
‘Ja, maar waarom?’
‘Research. Gewoon research.’
Zo schiet het niet op. Eén van de reddingswerkers gaat tegenover de man op het lage muurtje zitten.
‘Luister,’ zegt hij, ‘U gaat hier midden in de nacht op de pier zitten. Er zijn mensen die u hebben zien gaan en zij maken zich zorgen over u. Dat is de reden dat wij hier zijn. Het kan best zijn dat u een hele goede reden hebt om hier te gaan zitten maar wij vinden het niet zo’n goed idee. Als u hier nog lang blijft, koelt u steeds verder af en dat is niet goed. Het kan zelfs zijn dat er dan een ziekenwagen moet komen om u van de pier te krijgen. Dat willen wij voorkomen. Ik stel voor dat u met ons mee gaat. Bij ons kunt u dan een beetje op temperatuur komen en dan moeten we maar eens zien hoe het verder gaat.’
Moet ik mee?’
‘Nee, ik kan u niet verplichten mee te gaan. Maar denkt u niet dat het wel beter is?’
‘Ja, ja.’
Hij stopt de mok en thermosfles in de tas, vouwt zijn stoeltje in elkaar en wil op de achterbank van de truck klimmen. De chauffeur helpt hem.
‘En één, twee, hoppa opa!’
‘Snotneus!’ zegt de gepikeerde man.
Aan het einde van de pier wordt de truck gedraaid en rijden ze terug naar de kust. Onderweg worden Chris en Jan even op de hoogte gebracht van hun bevindingen.

‘Ho!’ roept de man bij het begin van de pier, ‘Mijn fiets staat hier.’
‘O, dat is mooi,’ meent de chauffeur, ‘Dan kunt vanaf hier naar huis rijden.’
‘Ja, ja, dat gaat niet.’
‘Waarom niet?’
‘Het is bijna vier uur fietsen en ik heb geen licht.’
Voorin laat één van de reddingswerkers een diepe zucht.
‘Is er iemand die wij kunnen bellen?’
‘Ja, ja, mijn dochter.’
De fiets wordt in de laadbak gelegd. In het dienstgebouw krijgt de man een krentenbol en belt men de dochter uit bed.

Ze valt van de ene verbazing in de andere. Midden in de nacht op de pier? Reddingsbrigade? Research? Op de fiets? Zonder veel te zeggen laadt ze de fiets in de kofferbak en haar vader op de passagiersstoel. Ze drukt de reddingswerkers vijftig euro in de hand en belooft op haar vader te passen. Met piepende banden vertrekt ze.
‘Wat was dit nou weer voor stunt?’ vraagt ze na een paar zwijgzame kilometers.
‘Ja, ja. Research. Ik wilde weten hoe de zee er ’s nachts uitziet.’
‘Laat mij raden: boek.’
‘Ja, ja. Boek.’
Ze zegt even niets. Het dilemma waar ze al een tijdje mee rondloopt, vraagt om een oplossing. Ze weet dat haar vader goed kan schrijven. Alle verhaaltjes die hij hen als kinderen, ’s avonds bij het slapen gaan, vertelde, heeft hij allemaal opgeschreven. Een hele stapel oude schriftjes met pareltjes van verhalen. Ze heeft ze ook aan haar kinderen vertelt. Een “opaverhaaltje” voor het slapen gaan. Schrijven is zijn lust en zijn leven. Dit hem gaan verbieden? Dat lukt niet en kan niet. Pak hem zijn pen en papier af en hij gaat dood.
‘Papa, zal ik je helpen met je boek? Al dat onderzoek wat moet gebeuren, daar kan ik je toch bij helpen. Je hoeft niet alles alleen te doen.’
‘Ja, ja.’
‘Wat ja ja?’
‘Dat is goed. We kunnen samen naar Roemenië of Bulgarije. Ja, ja, leuk.’
Ze kreunt zachtjes.
‘Waar ben je in ’s hemelsnaam mee bezig? Laten we eerst maar eens kijken naar het verhaal wat je aan het schrijven bent. Volgende week woensdagavond heb ik tijd en dan gaan we er samen eens voor zitten. Beloof mij dat je tot die tijd niet in het vliegtuig stapt of de trein neemt naar weet ik veel waar. Ik wil dit soort capriolen niet meer meemaken.’

‘Ja, ja.’

 

 

© peter gortworst / aug. 2020
afbeelding: eu.clipdealer.com 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie