In mijn jonge jaren, toen mijn interesse voor alles wat vliegt en veren heeft, zich ontwikkelde richting ‘vogelaar’, was het determineren van vogeltjes een kunst die je moest leren. Het lijkt gemakkelijk. De vogel zwemt als een eend, kwaakt als een eend, loopt als een eend, dus het moet wel een eend zijn. Maar wat voor eend? Een wilde-, berg-, kuif-, eider- of pekingeend? Hetzelfde met de kraaiachtigen. Een zwarte kraai? Een bonte? Een raaf of een kou? Roofvogels. De torenvalk was makkelijk, maar hoe weet je of het een buizerd is of een wespendief, een kiekendief of een steenarend? Als je het niet wist, pakte je het boek erbij. Niet zomaar een boek, nee, de Kist. Dat is de naam van de vertaler van dit oorspronkelijk Engelse boek. Het is de bijbel van de vogelaars. Er zijn vogelaars die deze bijbel als hun broekzak kennen. Om bij de goede vogel te komen, weten ze precies hoever ze het boek open moeten slaan. Aan het begin, halverwege of op driekwart. Ze weten waar de plaatjes van welke vogels te vinden zijn. Daar staan de steltlopers, daar de zangers, daar de roofvogels. Bij elk plaatje staan aandachtlijntjes. Daarmee wordt aangegeven waar je op moet letten bij het verenkleed of de bouw, vliegbeelden en natuurlijk een tekst. Hoe weet je of je met een mannetje, een vrouwtje of een jonge vogel te maken hebt? Wat zijn de opvallendste kenmerken? Waar komt de vogel voor? Is het een zeldzame of algemeen voorkomende vogel? En dan, als kroonjuweel in de tekst: wat voor geluid maakt deze gevederde vriend?
Nu lijkt het alsof vogels determineren een makkelijke bezigheid is. Dat is het niet. Als je de vogel al ziet en opgezocht hebt in je Kist, ontdek je dus waar je op moet letten. Een tjiftjaf, een fluiter of een fitis lijken nogal op elkaar en de aandachtspijltjes geven dan wel aan waar de verschillen zitten, maar een vogel zit zelden stil. Tegen de tijd dat jij weet waar je naar moet kijken, is de vogel meestal verdwenen.
Nu heeft het gros van de vogels een prettige bijkomstigheid: ze maken geluid. Iedereen met buren en een kippenren weet wat ik bedoel. Het oude spreekwoord ‘elk vogeltje zingt zoals het gebekt is’ klopt voor honderd procent. Een haan kraait, de ooievaar kleppert, een duif koert, kraaien krassen, eenden kwaken en de mus tsjilpt. Als je de vogel niet ziet, kan je hem wel horen en ten gerieve van de vogelaar zijn er vogels als de koekoek, de tjiftjaf en de grutto die hun eigen naam roepen. Bij onbekende geluiden was het zaak de zingende vogel te zien. Zo kon je het geluid aan het vogeltje koppelen. Die kennis moest je dan wel onthouden en dat viel niet altijd mee. Zoveel vogeltjes, zoveel geluiden en het vervelende is dat je ze niet iedere dag hoort. Het ‘O ja, welke was dit ook alweer?’ stak regelmatig de kop op.
In mijn jonge jaren waren er grammofoonplaatjes te koop waar vogelgeluiden op stonden. De Vogelbescherming en Natuurmonumenten gaven iconische series uit. Thuis luisteren en leren om vervolgens in het veld hopelijk hetzelfde geluid te ontdekken, zodat je kon zeggen dat het beluisterde vogeltje een vink was en geen fitis.
Je bouwde met elk grammofoonplaatje, maar vooral met elk bezoekje in het veld, een behoorlijke kennis op. In mijn waarnemingenboekje kon ik steeds meer soorten schrijven. Voorheen onbekende zangers werden plotseling zwartkopjes, tuinfluiters, zwarte roodstaarten of heggemussen.
Fietsen verleer je niet. Vogelgeluiden herkennen wel. Dat zou tragisch zijn, ware het niet dat de moderne techniek voor een oplossing heeft gezorgd. Je installeert een app, gaat met je mobieltje het veld in en feilloos wordt elke geluid makende vogel geregistreerd. Dat wat je niet meer weet, wordt gecompenseerd door de techniek. Waarom zou je nog je best doen om te ontdekken welke vogel je hoort als de app al aangeeft dat het een winterkoninkje is? Het is zowel een verarming als een verrijking. Het is ook een confrontatie. Ik was er zeker van dat de snor en de sprinkhaanrietzanger uitgestorven waren. Volgens de app zijn ze er nog en daar geloof ik niets van. Ik hoor ze niet en ik laat mij door dat mobieltje niet aanpraten dat ik wat dovig word. Techniek is mooi, maar maakt ook fouten, toch?