De zwangere man -6-

De zwangere man  -6-

Het mei zonnetje schijnt weldadig en verwarmt mijn gestel en gemoed. Ik zit op het terrasje en om mij heen zoemen de bijtjes, wespjes, hommeltjes, vliegjes en meer van dat kleine grut. De zwarte roodstaart bekijkt vanaf de rand van het garage dak de woestenij die men normaal tuin noemt en de merel laat enigszins vermoeid zijn bekende riedel horen. Hij was er vanmorgen al vroeg bij dus wie zal hem iets kwalijk nemen. Twee kauwtjes scharrelen in het gras. Ze zijn op zoek naar de resten van twee kale broodkapjes die ik gisteren, in een vlaag van gulheid, aan de vogelen des hemels geofferd heb. Een kapje met roomboter, oude kaas en mittelscharfe mosterd is een gebakje dus waardoor deze daad van offervaardigheid is ontstaan, weet ik even niet. Uit het huis komt een flard van rabarbergeur. Er staat een grote pan op het spreekwoordelijke vuur en het wachten is op gaarheid. Ergens in de omgeving is een boer zijn privéverzameling mest aan het uitrijden en ook flarden van die geur bereiken mijn neus.

Al die geluiden, al die geuren en al die ziendingen komen via voor mij onverklaarbare banen, terecht in mijn hersenpan. Daar raken ze snaren die denkprocessen in werking stellen en het resultaat mag er zijn. Nee, geen oplossing maar wel een richting. Het boek, want naast al het andere is mijn geest daar veelvuldig mee bezig, is nog niet klaar maar aan vervolgstappen kan wel gedacht worden. Ik hoop en neem, misschien tegen beter weten in, aan dat de langste tijd van wachten achter de rug is. Nog even en dan kunnen de laatste correcties gecorrigeerd, de laatste stukken herschreven en de laatste onlogische handelingen verbeterd worden. ‘Het boek is klaar’. Wat een prachtige zin is dat nu al.

Af en toe, nou ja, meer toe dan af, droom ik. Het nieuws dat mijn boek klaar is, heeft zich razendsnel verspreidt. Ik droom dat de aanbiedingen van de 4500 uitgeverijen die Nederland rijk is, mij brieven sturen, mijn mailbox vol laten lopen of hun charmantste dames naar mijn voordeur sturen met de vraag of ze alstublieft in het kwadraat mijn boek mogen uitgeven. Verveeld leg ik de ongeopende brieven op de stapel, markeer ik mailtjes als spam en geef al die dames een chocolaatje om ze vervolgens van de stoep te jagen. Zolang er geen getal van minimaal 4 nullen genoemd wordt ben ik niet thuis. Natuurlijk weet ik dat dromen bedrog zijn maar met de gedachte spelen is leuk.

Maar goed, die richting. Uitgeven via een reguliere uitgeverij lijkt mij geen goed plan. Ik wil niet hebben dat zij zich gaan bemoeien met mijn tekst. Nee, een redacteur die het op fouten gaat controleren is ook niet nodig en nee, ik kan zeker geen half jaar of meer wachten tot het eindelijk uitgegeven wordt. Op een echte baby moet je negen maanden wachten maar als het eenmaal komt is er geen houden meer aan. Het laat zich niet nog een maand in de wachtstand zetten en zo is het ook met mijn boek. Straks is het klaar en dan moet het verder.

Over dat ‘verder’ smeed ik allerhande plannetjes. Natuurlijk bekendheid geven via Facebook en aanverwante media, een eigen website maar ook een signeersessie in Meppel. Daar heb ik lang gewoond en velen zullen mij nog kennen. Via een persbericht mij aankondigen en dan een middagje mooie dingen schrijven in het boek. Hier in Georgsdorf gaat dat niet. In de eerste plaats is hier geen boekwinkel en spreekt men of Duits of plat. Er wonen wel Nederlanders maar dat zijn er, vrees ik, te weinig. Overigens, mocht u als lezer nog suggesties hebben dan hoor ik die graag.

Ik ga er vanuit dat het boek niet zichzelf verkoopt. Zo een hoge pet heb ik niet op. Ik zie mijzelf niet op de buis voor een diepzinnig gesprek over het boek of het schrijverschap. Een recensie in een landelijke krant is waarschijnlijk ook een brug te ver. Het zal afhangen van creatieve en/of ludieke acties. Die verzin ik als ik op het kleine terras zit en al de geuren, geluiden en ziendingen hun werk laat doen.

© peter gortworst / mei 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

De oude kastanje

Bohdan is een tevreden man. Hij heeft zichzelf wat rust gegund en is voor zijn boerderij op het bankje gaan zitten. De lentezon schijnt op zijn gezicht en met de ogen dicht geniet hij van de warmte. De hele dag is hij bezig geweest het grasland te maaien. Het is voor de eerste maal dit jaar en hij hoopt dat er nog vele maaidagen volgen. Als het morgen weer zo’n zonnige, warme dag wordt, kan hij overmorgen het gras van het land halen om er een deel van in te kuilen. Het andere deel krijgen de koeien.
Gefladder laat hem opkijken. Twee houtduiven slaan met hun vleugels naar elkaar. Een derde loopt op een afstandje wat heen en weer en doet als of dat geruzie haar niet aangaat. O, hij weet zeker dat het een vrouwtje is. Waarom zouden die twee vechtersbazen anders ruzie maken? Lenteliefde doet niet alleen bij mensen rare dingen. Eén van de twee strijders geeft het op en vliegt de oude kastanjeboom in.

Onwillekeurig voelt hij naar de kastanje zijn broekzak. Hij is er nog en zal het nog een lange zomer moeten volhouden. Elke herfst zoekt hij de twee grootste kastanjes. Eén bewaart hij een jaar lang in zijn broekzak. De ander legt hij in de linnenkast als reserve. Het is zijn aardeleiding, de connectie met zijn verleden. Zijn overgrootvader heeft deze kastanjeboom geplant. Zijn opa heeft er, net als zijn vader, een hart ingesneden en de initialen van hem en zijn vrouw met een pijl door dat hart met elkaar verbonden. Zijn vader deed hetzelfde en toen hij zijn Anna trouwde, was hij aan de beurt. Een simpele symbolische handeling met een diepe lading en die kastanje in zijn broekzak helpt hem om zich dat elke dag te herinneren. Nog even en dan zal de boom weer bloeien met roomwitte kaarsen. Een kerstboom in de lente.
Meisjesgelach roept hem terug in de werkelijkheid. Zijn dochters Yulia en Alina zijn blijkbaar klaar met hun huiswerk. Hij staat op en gaat de stal in. Voor het eten kan hij nog mooi de vier koeien melken.

Net als hij de uier wast van de tweede koe trekt een diep motorgebrom zijn aandacht. Hij loopt naar buiten en ziet een zwaar legervoertuig zijn net gemaaide land oprijden. Op dat voertuig een vierkante constructie met aan één kant wel vierenzestig gaten. Hij vermoedt dat het een raketinstallatie is maar wat moet dat ding op zijn land? Uit een tweede wagen klimmen een aantal soldaten. Er klinken bevelen en de wagen met de raketten wordt opgesteld. Dan maken drie mannen zich los van de groep en komen op zijn boerderij af. Hij wacht ze op.

‘Wie ben jij?’ vraagt de middelste man.
‘Bohdan. En wie ben jij?’
‘Ik ben de kapitein van deze groep. Ben jij de eigenaar van deze boerderij?’
‘Ja…?’
‘Mooi. Die boom moet weg. Die staat in mijn schutsveld.’
‘Welke boom? Die kastanje?’
‘Ja.’
‘Dat zie je verkeerd. Jij bent in zijn schutsveld gaan staan. Rij honderd meter verder. Daar is een stuk land wat niet gebruikt wordt en waar geen bomen zijn die jou in de weg staan.’
‘Wie ben jij om mij bevelen te geven? Daar staat mijn geschut en daar blijft het ook staan. Vergeet je soms dat wij een oorlog aan het voeren zijn? Wij zijn jouw vrijheid aan het bevechten en het omzagen van die boom is toch wel één van minste offers die je kan brengen.’
Op dat moment komt Anna met Yulia kijken wat er aan de hand is. Ze blijven bij de staldeur staan.
‘Wie zijn dat?’ wil de kapitein weten.
‘Mijn vrouw en één van mijn dochters.’
‘Hm,’ zegt de kapitein maar Bohdan ontgaat de knipoog die de twee anderen elkaar geven niet.
‘Nou?’ vraagt de kapitein, ‘Gaat die boom om of niet?’
‘Ik denk niet dat de oorlog gewonnen gaat worden door het omzagen van een boom. Maar goed, ik zal er over nadenken en morgenvroeg laat ik het je weten.’

Bohdan gaat verder met melken en schuift daarna aan tafel. Als zijn bord leeg is zegt hij:
‘Jullie moeten een tijdje ergens anders gaan wonen. Doe kleren in een koffer met wat je verder nodig denkt te hebben. Neem de auto en rij naar mijn broer in Debaltseve. Blijf daar totdat ik laat weten dat het hier weer veilig is.’
‘En jij papa? Wat doe jij?’
‘Ik blijf hier. Er zal toch iemand moeten zijn die de koeien melkt en de andere dieren eten en drinken geeft.’
Het is al donker als de oude auto met gedoofde lichten het erf afrijdt.

Bohdan is vroeger wakker dan normaal. Buiten begint het voorzichtig licht te worden en hij weet niets beter te doen dan brood te snijden en koffie te zetten. Hij eet bedachtzaam en vraagt zich af hoe laat hij zijn broer zal bellen. Hij wil weten of zijn meiden goed aangekomen zijn. Donkere schaduwen passeren het keukenraam en even later staat er een hele groep soldaten in zijn keuken. Een aantal van hen doorzoeken het huis en komen even later terug.
‘Waar is je vrouw!? Waar zijn je dochters!?’ schreeuwen ze.
‘Weg.’
‘Weg!? Waar zijn ze naar toe?’
‘Op familiebezoek.’
Er wordt gevloekt en geschreeuwd. Dan komt de kapitein naar voren.
‘Hoe zit het met die boom?’ wil hij weten.
‘Die blijft staan.’
‘Neem hem mee,’ commandeert hij.

Ze voeren Bohdan naar buiten en laten hem los als ze bij de oude kastanjeboom zijn. Tegen de stam staat een bijl. De kapitein gaat naast hem staan en zegt:
‘Je weet wat er te doen staat. Het is of hakken of we schieten je neer.’
Bohdan pakt de bijl en voor iemand weet wat er gebeurt, klieft het ijzer door het borstbeen van de kapitein en boort zich in het hart. Even is het ijzingwekkend stil en net als Bohdan zich afvraagt waarom het zo lang duurt, vallen achter hem de schoten. Stervend valt hij naast het lijk van de kapitein.

Die middag hakken de soldaten zelf de boom om. Ze doen het niet goed. De boom valt op de boerderij en beneemt zo hun tijdelijk maar comfortabel onderkomen. Het lijk van Bohdan slepen ze naar binnen en steken dan de boerderij aan. Het vuur brandde de hele nacht maar het onderste deel van de dikke stam wordt bewaard. Het hout is te nat en voorkomt dat vier harten met pijlen en initialen voorgoed in de vergetelheid verdwijnen.

© peter gortworst / april 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Moeielijke woorden

In deze tijd van wachten op de correcties blijft er tijd over voor iets anders. Zo kom ik eindelijk toe aan het lezen van bijdragen die collega-schrijvers posten in de verschillende groepen.

Het klinkt waarschijnlijk aanmatigend maar er zijn bijdragen die ik na twee zinnen al wegklik. Het gebruikte Nederlands is van zo’n belabberd laag niveau dat ik mij daar niet aan wil ergeren. Nu weet ik best dat ik geen verhaaltje kan schrijven zonder fouten te maken maar op een schaal van 1 tot 10 denk ik op een 7 te zitten. ‘Een voldoende,’ zou meester Meekma vroeger op school zeggen terwijl het zuinige mondje liet blijken dat hij meer verwacht had. (Nee, geen trauma)

Nu ik er over nadenk moet ik constateren dat mijn (on)vaardigheid met taal niet is ontstaan op de scholen die ik bezocht. Begrippen als onderwerp, gezegde, lidwoorden, meewerkend voorwerp of bijvoeglijk naamwoord leerde ik op de lagere school. Voor veel van mijn klasgenootjes was een ‘opstel’ schrijven een bezoeking. Ik vond het altijd leuk om te doen en leefde mij daar helemaal op uit. Van Nederlandse les op de ULO kan ik mij weinig herinneren. Van de Franse les wel maar dat komt meer door de leraar en de chronische wanorde in zijn klas. Op de technische scholen die ik daarna doorliep was Nederlands duidelijk ondergeschikt aan alle technische vakken. Praktijklessen, technisch tekenen en mechanica waren vakken waar je mee kon scoren. Nederlands, Duits en Engels niet.

Ik heb dus ook nooit boeken moeten lezen. Uittreksels maken was iets vreselijks waar vrienden die op de HBS zaten, mee te maken hadden. Niet dat ik niet las. Ik was een gedreven bezoeker van de bibliotheek en sjouwde wekelijks heen en weer met boeken. Stukjes schrijven voor de schoolkrant en het clubblaadje, notulist zijn, bijdragen schrijven voor een kerkblad zijn dingen die ik later met plezier deed. En fouten maken. Ik weet nog dat ik, als 15-jarige, in een clubblad heel hardnekkig ‘invertariseren’ schreef. Ik heb daar net zo vaak commentaar op gekregen als het aantal malen dat het woord in de tekst stond. (Ja, wel een trauma) Mijn taalvaardigheid is door bewuste maar meestal onbewuste omgang met de taal ontstaan. Dat ik daar een leven lang over gedaan heb is natuurlijk bijzaak.

Nu kom ik in teksten en commentaren woorden tegen die ik niet of onvoldoende ken en ik vraag mij af of dat erg is. Ik denk te weten wat een palindroom en een contaminatie is. Maar wat te verzinnen bij woorden als metonymia, sequentie van de handelingen, absurdisme, epifoor of close third person perspective? Opzoeken! Ik hoor het u zeggen en dat heb ik gedaan. Ik koos het woord semantiek maar wordt je hier wijzer van?

semantiek

Etym: Gr. sèmantikos = betekenend < sèma = teken; vandaar teken- en betekenisleer.    

In de taalkunde is semantiek (of betekenisleer) de studie van de betekenis van woorden en van hogere eenheden als woordgroepen en zinnen. De conceptuele (denotatieve, referentiële) betekenis is hierbij slechts één van de betekenistypes die onderscheiden worden in de analyse, naast o.m.: connotatieve betekenis, stilistische betekenis (verg. ‘morgen’ met ‘ochtendgloren’), en grammaticale betekenis (d.i. het potentieel van taalelementen om in bepaalde morfologische en syntactische verbanden te functioneren). Velen zien overigens de beschrijving van taalbetekenis als het moeilijkste onderdeel van de linguïstiek. Notoire probleemgebieden zijn de manier waarop de semantische component in de gehele taalbeschrijving moet worden geïntegreerd (verhouding t.o.v. syntaxis en morfologie), en de onvaste grens tussen semantiek en pragmatiek: is het wel mogelijk betekenis te beschrijven los van de communicatieve situatie waarin zij telkens tot stand komt?

Als zelfs mijn spellingscontrole deze tekst met rood en blauw lardeert, wat moet ik dan?
Laat ik het maar simpel houden. Ik kan mijn prakje opwarmen in de magnetron zonder te weten hoe die precies mijn eten zo warm krijgt dat ik mijn mond verbrand. Ik kan met mijn auto naar mijn meisje rijden zonder te weten hoe dat nu precies gaat met zo’n differentieel. Zo kan ik ook mijn stukjes schrijven zonder kennis van syntaxis, semantiek of epifoor.

Misschien mist u daardoor iets. Dat zij dan maar zo…..

© peter gortworst / april 2021

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

De zwangere man -5-

Wachten duurt altijd lang vooral als je niets te doen hebt. Ik loop echter, in afwachting van de laatste correcties, beslist niet alle dagen met mijn ziel onder de arm. Het wachten zou daarom niet erg moeten zijn maar dat klopt niet. De VierRussen belemmeren mij in mijn toch al beperkte bewegingsvrijheid. Als ik voor mijn typisch Hollandse boodschappen (o.a. brinta, ossenworst, rosbief, satésaus, rivella, vla en draadjesvlees) even de grens over ga, laat het Duitse Gesundheidsambt mij via een berichtje weten dat ik mij aan de voorschriften moet houden. Ergens op bezoek gaan kan je wel vergeten. Kinderen wel gesproken maar zien is een heel ander verhaal. Enfin, u kent dat. Afgelopen weekend trouwens ontdekt dat er ook nog een doodgewone verkoudheid bestaat.

Maar goed, in afwachting van die laatste correcties een lumineus idee gekregen. Ik ben geen neerlandicus dus ik verkeer met talloze andere Nederlanders in de groep die niet weet wanneer je dat en wanneer je wat moet gebruiken. Het kind wat of het kind dat? Het dak van het huis wat of dat net gerenoveerd was? “Even” geleerd hoe het ook al weer was en dan: Leve de tekstverwerker!

In het zoekvenster het woordje dat gezet en ziet, de gele markeringen spatten bijna van het scherm af. Hier en daar een pagina met enkel geel vlekje op het scherm maar op andere pagina’s zat waarschijnlijk een nest. Nu waak ik er voor om dezelfde woorden niet te vaak te gebruiken en zeker niet twee maal in één zin. Toch ontdek je zo dat jouw kritische blik soms niet kritisch genoeg is. Oei! Uh uh… scherpzinnig genoeg is. Vol goede moed aan pagina 1 begonnen en al snel verval je in het herschrijven van zinnen, synoniemen zoeken of domweg schrappen. Natuurlijk hoeft niet elk datje weg maar als er een nest zit kunnen er best wat eieren uit. Opmerkelijk genoeg worden woorden als omdat, zodat, doordat, voordat en update ook geel gekleurd. Het is dus soms minder erg dan het lijkt maar desondanks kost het tijd. Veel tijd zelfs en dan moet ik natuurlijk ook nog laten zoeken naar wat. Het lumineuze idee verliest ietwat aan glans maar ik hoop dat de tekst dan tenminste beter wordt.

Ik vroeg mij af of het verstandig is de titel van je boek te registreren. Dat blijkt niet nodig. Bovendien is het weinig zinvol. Sommige titels komen tientallen malen voor. Ik denk dat de titel in combinatie met je naam genoeg moet zijn. Als je aan kan tonen dat jouw titel op een bepaalde datum tot leven is gekomen is dat voldoende. Maar voor alle zekerheid dus bij deze: Mijn boek heeft als titel ‘De vergelding’ en het is nu 26 maart 2021. Hoe simpel kunnen sommige zaken zijn.

Natuurlijk weet ik best dat ik een hele aardige, soms zelfs lieve en een bijna altijd sociale man ben. Ik ben er zo eentje die je liever niet kwetst. Het is om die reden dat ik mijn proeflezers nadrukkelijk gevraagd heb mij niet te sparen met mogelijke kritiek. Ik dacht daar best tegen te kunnen en dat is ook zo. Wel heb ik mij na elke mail met kritische noten een week lang met prikkeltjeswater en Duits brood, opgesloten op zolder alwaar ik mij op gezette tijden kastijdde met een Spaans riet. Het werkte zo louterend dat ik mij na die week als herboren voelde en de kritische noten in mijn verhaal kon verwerken. Gelukkig meenden allen dat het een goed en spannend boek was. Dat gaf en geeft deze goede man moed.

De flaptekst is af. Nou, mooi niet. Die hele tekst luistert behoorlijk nauw. Met wat vang je de lezer? Een korte en bondige tekst of een beetje uitgebreider zonder te veel uit de doeken te doen. Met kort en bondig dacht ik aan ‘Dit is een goed boek en moet je gelezen hebben’. De tekst ‘Dit boek gaat over …… jahaaa. Zelf ontdekken’ stond lange tijd bovenaan mijn lijstje maar voldeed toch niet. Te veel a-tjes. Nu denk ik dat de volgende tekst beter is maar ik sta wagenwijd open voor uw opmerking en suggesties.

Als Anja de ogen van haar gestorven vader sluit, zweert ze wraak. Het grote onrecht hem aangedaan, kan niet onbestraft blijven. De dader vermoorden is haar te min en te gemakkelijk. Er zijn betere manieren om hem te laten lijden en te vernederen. Het hoeft ook niet nu te gebeuren. Het vuur van de wraak kan een leven lang branden. Onvoorziene gebeurtenissen helpen Anja. Dat het daarmee een grotere omvang krijgt dan voorzien, deert haar niet. Zij heeft slechts één doel voor ogen: vergelding en ten langen leste lukt haar dat. Het bereikte doel wordt duur betaald en bovendien blijkt dat vergelding geen winnaars kent.

Zo. U bent weer een beetje bijgepraat. Doe er uw voordeel mee.

© peter gortworst / mrt 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De goede daad,

Even een voorafje:
Eén van mijn gewaarde lezers maakte mij er op attent dat het er in verpleeghuizen niet aan toe gaat zoals in dit verhaal beschreven.. Gelukkig, zou ik zeggen. Mijn verhaal is gebaseerd op een bestaande gebeurtenis die meer dan 40 jaar geleden heeft plaats gevonden. Bij lange na dus niet actueel, niet berustend op de hedendaagse werkelijkheid maar wel te mooi om het niet te verhalen.

Een goede daad doen, is ook een egoïstische daad’ zei een vrouw ooit tegen hem. Hij had haar nadenkend aangekeken en was het niet met haar eens. Het is afhankelijk van de intentie, meende hij. Als je het alleen doet om er zelf een goed gevoel aan over te houden, klopt het. Als je primaire doel is de ander te helpen, is het goede gevoel voor jezelf een leuke bijkomstigheid. Ze was het niet met hem eens. Het egoïstische deel is per definitie aanwezig en hij concludeerde dat ze daarmee meer van zichzelf bloot gaf dan goed voor haar was.

Helaas is zijn mening aan verandering onderhevig. Zonder het zijn broers en zussen te vertellen regelt hij een nieuw gebit voor zijn moeder. Het is een hele opgave om de zwaar demente vrouw bij de tandtechnicus op de stoel te krijgen. Haar meenemen uit de gesloten afdeling van het verpleeghuis is al een dingetje. De voormalige zakenvrouw die het altijd voor het zeggen had, luistert niet naar alle verzoeken van de technicus. Het kost veel praatwerk en geduld maar uiteindelijk is de hele operatie succesvol verlopen. Zijn moeder zit er weer mooi bij en dat vervult hem met trots. Daar had hij bij moeten laten. Een goede daad hang je niet aan de grote klok maar het egoïsme waar ooit die vrouw over gesproken had, speelt hem parten. Hij hunkert naar iets van erkenning, een schouderklopje, een ‘goed gedaan Martin’. Die hang naar erkenning wordt ook nog eens versterkt door de hoogte van de rekening. Als hij vooraf met de broers en zussen hierover gesproken had, waren de kosten verdeeld. Nu kan hij daar niet meer mee aankomen. Daarvoor kent hij zijn familie te goed.

Marijke, zijn jongste zus, woont in dezelfde stad en hij besluit om haar te bezoeken. Als zij het weet is het binnen de kortste keren ook bij de anderen bekend.
Ik heb geregeld dat moeder een nieuw gebit heeft,’ zegt hij als het goede moment daar is.
‘Waarom?’ vraagt Marijke.
‘Omdat het nodig was. Dat oude gebit rammelde in haar mond. Daarmee een beetje normaal eten ging niet meer.’
‘Vonden de zusters dat?’
‘Nee, dat vond ik zelf.’
‘Nou, dat zal je een lieve duit gekost hebben.’
‘Ja…’
Meer komt er niet. Het voelt als één cijfertje mis hebben op je staatslot, net te laat zijn voor een uniek aanbod, ontdekken dat de antieke ets een vervalsing is of voor je neus zien dat het laatste pak wc-papier niet in jouw maar in een andere winkelwagen komt te liggen. Zonder iets te laten merken verlaat hij het huis van Marijke.

Twee weken later, als zijn frustratie enigszins gezakt is, gaat hij opnieuw bij zijn moeder op bezoek. Hij vindt haar in een stoel naast een andere dame en beiden zijn druk bezig met hun monologen. Hij pakt er een stoel bij en gaat tegenover zijn moeder zitten.
‘Dag mijnheer,’ zegt ze, ‘Kan ik iets voor u doen?’
Hij ziet het direct. In haar mond huist een oud, versleten gebitje wat voor geen meter past.
‘Mama! Waar zijn je tanden?’
Met een vlot gebaar haalt ze de complete prothese uit haar mond en bekijkt het aandachtig. Ze keurt het blijkbaar goed want met dezelfde snelheid verdwijnt het weer in haar mond. Martin schiet uit zijn stoel en gaat op zoek naar een zuster.
‘Waar is het gebit van mijn moeder,’ vraagt hij iets luider dan zijn bedoeling was.
‘Hoe bedoelt u?’
‘Ik heb twee weken geleden een nagelnieuw gebit voor mijn moeder gekocht en nu zit ze daar met een gebitje wat beslist niet van haar is. Waar is haar eigen gebit?’
‘Tja, ik zou het niet weten. Waarschijnlijk in de mond van een andere bewoner.’
Even staat hij met zijn mond vol tanden.
‘Huh?’ stamelt hij, ’Dat kan toch niet? Iedereen heeft toch een eigen gebit?
‘In principe wel maar zo werkt dat hier niet. Als een prothese irriteert halen ze het eruit en als ze na verloop van tijd merken dat er geen tanden in hun mond zitten, gaan ze op zoek. Vinden ze ergens een gebitje dan wordt dat gewoon ingedaan. Met brillen gaat dat net zo.’
Hij kijkt haar verbluft aan.
‘Dat hoort toch niet zo?’
‘Nee, maar er valt weinig aan te doen. Wij gaan er in ieder geval niet op letten. Er is meer te doen dan tandjes passen.’

Drie maanden later is moeder zachtjes heengegaan. Hij heeft de zusters dringend verzocht er voor te zorgen dat het nieuwe gebitje in haar mond zit en nu staat hij met Marijke naast de kist. Ze kijken naar hun moeder.
‘Heeft ze de nieuwe tanden in?’ vraagt Marijke.
‘Ja.’ zegt hij glashard maar honderd procent zeker is hij niet.
‘Jammer dat je er niets van ziet,’ grinnikt ze.
Hij kijkt haar een beetje verbolgen aan. Ze slaat haar arm om hem heen en zegt dan:
‘Kom op joh. Iedereen doet wel eens gek maar het was wel lief dat je het hebt gedaan. Ze is er vast heel blij mee geweest.’

© peter gortworst / mrt 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 1 reactie

De zwangere man -4-

Het is een beetje een rare tijd. Het schrijven is klaar. Ik wacht geduldig op de laatste correcties en zodra die er zijn, kunnen die verwerkt worden. Er heerst nu een soort stilte voor de storm. Straks, als het boek gedrukt gaat worden zal, naar ik van anderen verneem, het met de rust gedaan zijn. Dan moet er gepromoot worden. De handen uit de mouwen, de blaren op de tong, de pootjes in de klei en hopelijk kilo’s aan boeken verzenden. Ben er nu al moe van.

Afgelopen twee weken bezig geweest om een synopsis te schrijven. Een uitgever schijnt dat nodig te hebben bij de beoordeling van een boek. Het schrijven daarvan voelt heel ongemakkelijk. In maximaal twee A4-tjes een boek van ongeveer 220 pagina’s samenvatten, valt niet mee. Bovendien voelt het heel onnatuurlijk om alle ontwikkelingen en gebeurtenissen van mijn personages op voorhand prijs te geven. De boeklezer ontdekt gaandeweg de verbanden en geheimen en een synopsislezer weet alles al na twee bladzijden. Ik denk dat een stempel met ‘top secret’ op de synopsis zo gek nog niet is.

Denk, nu ik daarvoor tijd heb, veel na over het waarom van het schrijven. Er zijn tal van redenen te verzinnen. Van uiterst banale tot puur edelmoedige. Alleen schrijven om er geld mee te verdienen of schrijven omdat je meent de mensheid wat wijsheid en inzicht te bieden. Ik be- of veroordeel geen van deze uitersten. Ieder moet doen waar hij of zij blij van wordt. Als ik voor mijzelf spreek, denk ik dat deze schrijver, net als iedere kunstenaar, een wil heeft om iets te maken. Te scheppen is misschien een beter woord. Niet voor de wereld maar voor jezelf. Ontdekken dat je dit kan. Aan het scheppen plezier en voldoening beleven. Als dan blijkt dat mensen jouw kunstwerk waarderen, is dat een fantastische bijkomstigheid. Het is bevestiging van de kunstenaar. Je hebt niet jezelf blij gemaakt maar je kan ook anderen daarvan laten genieten. Er zit echter ook een gevaar in. De stelling dat een schrijver gelezen wil worden en dat aflezen uit die fantastische bijkomstigheid, heeft een valkuil. Schrijf je om het de anderen naar de zin te maken of schrijf je omdat je iets moois wil maken. Ben je de Jumbo of de speciaalzaak. Schrijf je een vlot leesbaar en niet te moeilijk boek of schrijf je een boek waar je echt voor moet gaan zitten? Ik denk dat het beide kan. Voor zowel het ene als het andere is er een markt, is er bestaansrecht. Misschien is de hoeveelheid plezier die een schrijver in het schrijven vindt, uiteindelijk de maat. Voor deze schrijver in ieder geval wel.

Ik heb al vaker beweerd dat de aantallen keren dat mijn korte verhaaltjes gelezen worden, mij niet zo veel zeggen. Het aantal keren dat mensen ze ‘liken’ of nog mooier, een commentaar geven, doet mij veel meer. Het zal mooi zijn als ik straks de kosten van het drukken er uit kan halen. Elk boek wat extra verkocht wordt is een extra kers op de taart.

Er is probleempje dat ik graag met u wil delen. Ik wil een website voor alleen het boek. Nu is de domeinnaam peter gortworst.com al in gebruik. De domeinnaam ‘auteur peter gortworst’ of ‘peter gortworst schrijver’ bevallen mij niet. Op zoek naar synoniemen kwam ik het woord ‘penvoerder’ tegen. Een woord dat je niet veel hoort en alleen daarom al bevalt het mij. De vraag is dus deze: ‘penvoerder peter gortworst.com’ of ‘peter gortworst penvoerder.com’? Als je wilt reageren dan graag.

Ik denk dat de cover er zo uit gaat zien:

Nieuwsgierig? Dat is ook de bedoeling.

© peter gortworst / mrt 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

De alpenweide in Friesland

Het is de bus van lijn 5. De oude vertrouwde blauwe bus. Harde oncomfortabele bankjes met rode leren zittingen. Hoofdsteunen hadden ze toen nog niet. Elke morgen afgeladen vol en ’s winters, als je heel veel geluk had, vond je het zitplaatsje waarbij je de koude voeten voor de uitblaasopening van de kachel kon houden. Als je het Centraal Station uitkwam was daar rechts de standplaats van lijn 5. Via de Gelderse kade, de Jodenbreestraat, het Weesperplein en de Wiboutstraat reed hij naar het Amstelstation. Nu niet. Nu rijdt hij door het vlakke Friesland. Prachtige wolkenluchten en een eindeloze horizon. Viaducten en terpen zijn de enige verhogingen in dit platte land. Af en toe een meer met een enkel wit zeil, kop-hals-romp boerderijen, zwart-witte koeien in de weilanden en een overdaad aan rust. Schuin voor mij zit een jonge vrouw. Zwart haar dat in een vlecht op haar rug hangt. Aan weerszijden van de vlecht is een stukje nek zichtbaar. Het is een prachtige nek. Sterk, lang en donker getint. Een nek om verliefd op te worden en dat doe ik dan ook. Ik zou mijn vingers er over willen laten glijden. Voelen hoe zacht de huid is en hoe warm en zachtjes kroelen in de nekhaartjes. Dat doe je natuurlijk niet. Dat hoort niet zo maar er een beetje over dromen mag wel.

Ze drukt op het knopje en voorin gaat er een rood lampje branden. De bus stopt bij de halte en ze stap uit. Ik ook. Waarom ik dat doe weet ik niet. Ik ben nog lang niet waar ik wezen moet maar ik wil bij haar zijn. Ze kijkt naar mij. Voor het eerst zie ik haar gezicht en wat mij direct opvalt zijn haar helblauwe ogen. In een donker getint gezicht had ik die niet verwacht. Met een glimlach die mij laat smelten zegt ze:
‘Kom,’ en we gaan op weg.
Zij loopt voorop en ik kan genieten van een dansende vlecht die telkens een beetje zicht geeft op haar nek. We spreken geen woord met elkaar. Naast elkaar lopen is niet verstandig. Het pad is te smal. Rechts de steile bergwand en links een diepe afgrond. Het uitzicht is, wat ze noemen, feeëriek. Beneden in het ravijn slingert een rivier. Het water glinstert in de zon. Hoge bergtoppen omringen ons en heel duidelijk is de boomgrens te zien. Wij zitten daarboven.

Het pad wordt moeilijker begaanbaar. Zij hupt als een berggeit van de ene steen op de andere. Ik ben dat niet gewend. Laat mij voort baggeren in de zuigende zware klei van de polders. Daar kan ik uit de voeten. Dit is, in meerdere opzichten, onbekend terrein voor mij en moet daarom de plaatsing van mijn voeten alle aandacht geven.

Plotseling staat ze stil. Als ik langs haar heen kijk, zie ik waarom ze halt houdt. Op het pad staat een heuse wolf. Die Friezen zijn te laat geweest met dat hek, schiet het door mij heen. De wolf is er al. Ze maakt klokkende en klikkende geluidjes en loopt op de wolf af. Het beest draait zich om en gaat ons voor. Hoe lang we zo gelopen hebben weet ik niet meer. Ik weet wel dat we ineens op een soort alpenweide staan. Redelijk in het midden staat een nagelnieuwe caravan. ‘Münsterland’ staat er op de zijkant. Het ding glimt in de zon. Ze roept iets en door het smalle deurtje wurmt zich een man naar buiten. Woeste haren op zijn kop en zijn baard doet daar niet voor onder. Hij draagt een pantervel. Zijn armen en blote benen zijn bovenmatig gespierd. Mij verontrust echter de knuppel die hij in zijn handen houdt. Een honkbalknuppel van aluminium. Het gekke is dat al deze contrasten mij niet verwonderlijk voorkomen. Misschien moet ik er over nadenken als ik daar de tijd voor heb.

De man zet met een handomdraai een campingtafeltje onder de luifel. Met een armgebaar maakt hij duidelijk dat ik moet komen en zet ondertussen twee stoelen klaar. Hij bromt iets door de deuropening en even later komt daar een vrouw uit. Een, als je het netjes wil zeggen, volslanke vrouw in een badpak wat een maatje te klein is. Het teveel aan vlees stulpt bij de randen van het badpak naar buiten. Ze zet twee flesjes bier op het tafeltje. Het is Guinness en dat doet mij buitengewoon veel plezier. Mooie herinneringen aan Dublin vullen mijn gedachten. De man wil toasten en drinken. Verder zegt hij geen woord. Dat hoeft ook niet. Samen drinken verbroederd en dat is mooi.

Ik kijk om mij heen en mis de vrouw met de mooie nek. Ook de wolf is in geen velden of wegen te zien. Ik sta op en loop om de caravan heen. Aan de rand van de weide zit ze. De wolf ligt naast haar. De weide loopt daar vrij steil af en voorzichtig loop ik naar haar toe. Dan glijden mijn klompen uit op het natte gras. Als een skiër zonder lange latten glij ik naar beneden. Rakelings glij ik langs de vrouw maar ze steekt geen hand uit. Ik weet dat de afgrond de volgende halte is en weet niets beter te doen dan mij te laten vallen. Dat haalt de vaart er niet uit. Ik probeer mij vast te klauwen aan het gras maar ook dat mislukt. De paniek slaat toe en dan steekt er iets in mijn oor.

‘Achtendertigvijf,’ hoor ik iemand zeggen. Ik open mijn ogen en zie mijn zuster met een brede glimlach naar mij kijken. De oorthermometer heeft ze nog in haar hand.
‘We gaan vooruit,’ zegt ze monter, ‘Voel je je goed?’
Ik knik. Veel anders kan ik even niet doen. Ik kijk naar dat mooie donkere gezicht met die blauwe ogen. De vlecht die haar sterke lange nek bedekt. Ik kan zo’n prachtige vrouw het toch niet kwalijk nemen dat ze mij, daar op die alpenweide in Friesland, niet even vast gepakt heeft?

© peter gortworst / feb. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Stapjes in de sneeuw

Het zou best eens een fobie kunnen zijn. Zeker weten doet hij het niet. In het lijstje met fobieën heeft hij het nog niet kunnen vinden en dat maakt hem uniek. Dat bevalt hem. Uniek zijn en doen, is het mooiste wat hem kan overkomen.

Dat heeft hij altijd al gehad. Als kleine jongen geeft lopen door vers gevallen sneeuw hem een euforisch gevoel. Maagdelijk witte sneeuw die knerpt onder je schoenen. Hier heeft nog niemand gelopen. Alleen zijn voetstappen zijn zichtbaar. Iedereen die na hem komt, loopt in al betreden sneeuw. Zij zijn niet de eerste omdat hij zijn sporen daar al zette.
Hetzelfde heeft hij aan het strand. Gladde stukken zand die hij als eerste markeert met zijn voetstappen. Hij maakt gewone voetstappen, loopt een stukje op zijn tenen of wijdbeens en als hij zich omdraait om zijn sporen te bezien, vult het hem met voldoening. Zijn voetstappen staan hier als eerste en enige. Dat telt.
Zijn kleding kiest hij zorgvuldig uit. Het moet beslist niets met de gangbare mode van doen hebben. Dat het hem een opvallende verschijning maakt is juist goed. Zo vaak zie je niet een man lopen met een knickerbocker, geruite lange sokken en bruine veterschoenen. Dat men hem nakijkt als een bijzonder mens is mooi meegenomen maar in wezen gaat het hem daar niet om. Het gaat hem om zichzelf. Hij haat het als het hem niet lukt om de eerste en enige te zijn en dat gaat ver.

Op een feestje wil hij best een colaatje drinken maar alleen als de fles nog niet open is geweest. Als het bord met lekkere hapjes rond gaat neemt hij niets wanneer hij niet de eerste is. Chips uit een schaaltje laat hij, om dezelfde reden, staan. Een biertje drinkt hij uit een flesje. Nooit van de tap want hoeveel hebben er voor hem al een biertje uit dat vat getapt? Verjaardagstaarten laat hij staan. Het eerste stuk is immers voor de jarige en daarmee voldoet de taart niet meer aan zijn voorwaarde. Eén maal per jaar is hij echter de gelukkige. Hij krijgt het eerste stuk en dat is dan genieten met een hoofdletter.

Deze dwang maakt zijn leven niet eenvoudig en ook voor zijn naasten is de omgang met hem lastig. Zijn moeder wist hoe met hem om te gaan. Zijn bord werd als eerste vol geschept, het pak vla mocht hij zelf open maken en in zijn kommetje schenken. Hetzelfde met de koekjes maar was het eenmaal open en hadden anderen er ook van gegeten dan raakte hij met geen vinger meer aan.

Kunstenaar wil hij worden. Het enige beroep waar je uniek in kan zijn. Helaas wordt je daar niet rijk van. Integendeel zelfs. Het kost hem geld want verf, schilderdoeken, klei, gereedschappen, marmer, hout of een schilderezel zijn niet gratis. Op zich is dat niet erg mits je jouw kunstwerken kan verkopen. Dat lukt hem niet. Niemand zit te wachten op iets wat een Dali, Picasso of Appel qua abstractie verre overtreft. Noodgedwongen moet hij elders zijn geld verdienen. Het zijn niet de twaalf ambachten en dertien ongelukken. Het zijn de twaalf ambachten en dertien zich niet kunnen conformeren. Het is slecht kleding verkopen als je er zelf beslist niet modieus bijloopt. Verkoper zijn van radio’s en tv’s geeft weinig ruimte voor unieke verkoopmethodes en ook het maken van opzienbarende belegde broodjes wordt niet op prijs gesteld. Nergens kan hij aarden en de schuld ligt niet bij hem. Waarom zien anderen niet zijn unieke persoonlijkheid? Hij heeft toch ook recht van leven op een manier die hem goeddunkt?

Zo langzamerhand dringt bij hem het besef door dat zijn leven in kommer en kwel geleefd moet worden. Tot hij een maand geleden Irene tegen het lijf liep. Een meisje naar zijn hart. Ook zij heeft maling aan mode, weet zich uniek en leeft als kunstenares in haar eigen atelier. Hij valt als een blok voor haar en tot zijn grote verbazing is dat wederzijds. Ze bewonderen elkaars werk en voeren lange gesprekken over inspiratie en onafhankelijk zijn. Het zich losweken uit de maatschappij met alle ge- en verboden en hoe hoort het eigenlijk, is een favoriet onderwerp. Ook zij heeft slechte ervaringen met niet geaccepteerd worden, met een buitenbeentje zijn. Zij heeft haar draai gevonden. Wat zij in haar atelier maakt, wordt verkocht en dat geeft haar vrijheid. Wat hij nooit heeft durven dromen kan met haar zomaar werkelijkheid worden: een samenwerking van twee bijzondere geesten.

Tot gisteravond. Het begon zo mooi. Hij had een fles wijn meegenomen en zelf het eerste glas volgeschonken. De temperatuur was aangenaam, de sfeer zwoel en de kleding luchtig. Wat de aanleiding was voor haar vernietigende mededeling weet hij niet meer. Ze maakte hem duidelijk dat hij niet de eerste was die met haar ging vrijen. Hij verstarde en zonder een woord te zeggen is hij vertrokken. En nu, the morning after, zit hij op de rand van zijn bed en weet het niet meer. De maagdelijke witte sneeuw waarin hij zijn eerste voetstappen zou zetten, is bezoedeld. Dit kan nooit meer ongedaan gemaakt worden. Anderen zijn hem voorgegaan en dat is onverteerbaar.

Hij belt Irene en netjes laat hij weten dat het over en uit is. Hij stapt op zijn fiets en gaat de stad in. Ergens moet er een baan zijn die bij hem past. Ergens moet er een vrouw zijn die dat ook doet. Zo bijzonder is dat niet.

© peter gortworst / feb. 2021
Afbeelding: nos.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De zwangere man -3-

Ongelovig keek ze hem aan.
Hm… t.t. … Haha! Is gelovig kijken beter?

Met ogen vol ongeloof kijkt ze hem aan.
Hm…

Ongelofelijk, denk ze en kijkt naar hem
Nnneu…

Met ogen vol ongeloof kijkt ze naar hem.
Hm…

Toch … hem aan?
Weet niet…

Niet te geloven, denkt ze terwijl ze hem aankijkt.
Nee.

Ze kijkt naar hem en kan het niet geloven.
Hm. Tja…

Ze kijkt hem met ongeloof aan.
Nou?

‘Ik kan het niet geloven,’ zegt ze terwijl ze hem aankijkt…. als ze hem aankijkt.
Twee keer ‘ze’… en ‘terwijl’?

…hem aankijkend?
Nee!

Deze?

Ze kijkt hem ongelovig aan?
Jein. Laat dit maar even zo staan. Volgende zin.

Zo onopvallend mogelijk doet hij alsof hij niets in de gaten heeft.
Pardon?

De ervaren schrijvers onder ons kennen, als het goed is, de overwegingen die gemaakt moeten worden bij het schrijven van een tekst. Weinigen schrijven alle zinnen in ene keer goed. Natuurlijk, niet elke zin behoefd verbetering. Je ervaring met het schrijven heeft je een eigen schrijfstijl opgeleverd en daar kom je een heel eind mee.

Dit is het 245ste schrijfseltje op mijn blog en wanneer ik mijn eerste verhaaltjes nog eens lees, kan ik niet anders dan concluderen dat ik er op vooruit ben gegaan. Niet dat ik er ben. Als ik voor mijzelf mag spreken: ik denk dat ik er nooit kom. Opschrijven wat in mijn grijze brein ontstaat, moet voor de lezer duidelijk zijn en dat is het soms niet. Van een ingewijde weet ik dat ‘in tongen spreken’ zinloos wordt als er niemand is die het ‘vertalen’ kan. Mijn geschreven woorden moeten dus duidelijk zijn en geen raadsels opleveren. Aan dat ‘in tongen spreken’ doen we hier niet.

In het verhaal, de inhoud, mogen wel raadsels opgeworpen worden. Lezers vinden dat leuk. Het maakt een verhaal spannend. De oplossing geef je natuurlijk pas aan het eind van het verhaal. Soms panklaar en soms als een duidelijke suggestie. Het moet, hoe dan ook, als een ‘aha erlebnis’ ervaren worden. En juist daar zit de moeilijkheid. Mijn lezers zijn beslist niet dom maar bij welk raadsel haakt hij of zij af omdat het verhaal zo raadselachtig, onnavolgbaar en onleesbaar is? In een kort verhaal is dit meestal geen probleem maar in een boek?
Ik weet niet hoe vaak ik de teksten al gelezen heb. Honderden keren denk ik. De ene keer met een helicopterblik, de andere keer met mijn neus tussen de letters en nog maken mijn geliefde proeflezers mij, naast zaken als overbodige zinnen, onlogische handelingen of regelrechte fouten in de tijdlijnen, attent op te raadselachtig, te cryptisch geschrijf.

Afgelopen week heel erg praktisch aan de gang geweest: foto’s gemaakt bij een houthandel voor de kaft van het boek. Wilde de beelden niet van het internet plukken want stel dat het boek een bestseller wordt en de fotograaf zijn foto herkent. Dan kan ik de aankoop van een villa in Zuid Frankrijk wel vergeten.

© peter gortworst / feb. 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

De zwangere man -2-

In mijn laatste epistel heb ik over de op handen zijnde geboorte van mijn boek geschreven. Een kind dat je al slapeloze nachten bezorgd voordat het geboren is. Wat zich niet zelf vormt tot wat het zou moeten zijn en niet alleen maar recht van bestaan heeft omdat de schrijver dat nu eenmaal graag wil maar omdat het lezenswaardig moet zijn. Een spannend, arbeidsintensief maar ongekend leuk proces.

Nu ben ik een beginneling wat boeken schrijven betreft. Van meer ervaren schrijvers kreeg ik waardevolle tips. De meeste daarvan heb ik niet gebruikt. Eigenwijs ben ik namelijk ook en natuurlijk wreekt zich dat vroeg of laat.

Zo lopen er in mijn verhaal twee politiemannen rond. Leo en Sjef heb ik ze genoemd. Ik weet precies hoe ze er uit zien, hoe hun onderlinge verstandhouding is en wat hun rol binnen het politieapparaat is. Vanuit die kennis schrijf ik hun aandeel in het verhaal en daar gaat het mis. Nergens deel ik mijn kennis over deze twee mannen met de lezer en dat is niet goed. Het is alsof je een vreemde tegenkomt die een heel verhaal begint over zijn tante Marietje terwijl jij geen idee hebt wie die man en wie die tante is. Je blijft in raadselen achter.

Dezelfde fout maakte ik met gebeurtenissen. Wel weten wat er heeft plaatsgevonden maar het niet opschrijven en dan verbaasd zijn dat een proeflezer het niet kan volgen. Voor mij zo klaar als een klontje maar de ander tast in het duister.

Eén ding weet ik inmiddels wel. Proeflezers zijn goud waard! Op dit moment is er een lezeres bezig die mij met regelmaat een paar gelezen hoofdstukjes stuurt met op en aanmerkingen. Dat varieert van foute deetjes of teetjes, overbodige zinnen tot opmerkingen over iets wat helemaal niet kan en meer inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld die Leo en Sjef. Elke correctie is een verbetering en juichend open ik elke keer mijn box als ze weer geschreven heeft. Gelukkig staan er ook hele stukken tekst waarin geen correcties aangebracht zijn. Doe ik toch ook wat dingen goed.

‘Nee joh, maak je geen zorgen over de titel van je boek. Die komt vanzelf als het klaar is.’ Ik hoor het hem nog zeggen. De werkelijkheid? Meer als honderd titels bedacht en geen van allen deugt. Er bestaan sites waar je kan zien of jouw titel al eens is gebruikt en ja, ze stonden er allemaal in. Een bestaande titel gebruiken als ‘de Aanslag’ ‘Turks Fruit’ of ‘Buitelingen’ kan natuurlijk niet. Wie ben ik om dergelijke titels boven mijn verhaal te zetten? Een unieke titel verzinnen is het devies en vooralsnog is dat niet eenvoudig.

Wat wel weer eenvoudig was? De flaptekst. De tekst die mensen nieuwsgierig moet maken en de aanzet moet zijn tot de koop van het boek, was in een vloek en een zucht geschreven. Misschien heeft dat te maken met mijn verbazing en nieuwsgierigheid. Ik weet niet hoe dat met andere schrijvers is maar af en toe verwonder ik mij over wat ik geschreven heb. Hoe verzin ik het? Waar komt die fantasie vandaan? Ik heb dat niet alleen bij mijn boek. Ook als ik een oud verhaaltje herlees, overkomt mij dat soms. Het is niet alleen wat ik schrijf maar ook hoe ik het schrijf. Ik ben mij er van bewust dat woorden, geschreven of gesproken, er toe doen. Dat wil niet zeggen dat ik alles weloverwogen uit mijn mond of vingers laat komen. Zeker niet maar op momenten dat het belangrijk is, doe ik het wel. Dat betaalt zich uit en dat lees ik dan ook in wat geschreven is.

Het is nu een rustige periode. Een tijd van wachten, een tijd om proeflezers rust te gunnen om dat te doen waarvoor ik ze gevraagd heb en een tijd om te herlezen, te herschrijven en te verbeteren. Dat ondertussen die titel en de lay-out mij bezig houden, moge duidelijk zijn.

© peter gortworst / januari 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , | 2 reacties