IJspret

Er moet wat gebeuren. Zo gaat het niet langer. Allemaal leden die trouw hun contributie betalen maar ze krijgen er niets voor terug. Al drie winters geen ijs van betekenis op hun ondergelopen land. Gelukkig treft het bestuur geen blaam. Zonder temperaturen onder nul kan een ijsvereniging niets beginnen en daarom zijn ze nu in vergadering bijeen. Wat doen wij? Gaan we geld teruggeven of organiseren wij iets.

De penningmeester ligt direct voluit gestrekt, dwars. De kas plunderen door leden geld terug te geven?! Over zijn lijk! De overige leden van het bestuur zouden juist blij moeten zijn met dit overschot. Stel dat het komende winter wel vriest en er zit te weinig geld in kas? Wie betaalt dan alle kosten voor het onder water zetten van de baan en het optuigen van het terrein? Dit is een onzalig idee en men moet maar wat anders verzinnen. Hier werkt hij niet aan mee.
Men vergaderd stug door tot de oplossing is gevonden. Een feestavond in de feestzaal van de Harmonie. Live music, de eerste twee drankjes gratis en minisnacks tegen betaling. De toegang is gratis op vertoon van de lidmaatschapskaart.

Klaas en Netty hebben er zin in. Zo eind februari zijn de dagen nog kort, de feestdagen liggen al ver achter hen en voorlopig is er ook niets in het verschiet. Eindelijk organiseert hun ijsclub iets leuks. Schaatsen kunnen beiden wel vergeten. Netty heeft een kunstheup maar loopt daardoor een beetje mank en Klaas kan helemaal niet schaatsen. Feesten kunnen ze wel. Als de besten.

Het is druk, warm en gezellig. Al snel verliezen ze elkaar uit het oog. Netty zit aan de witte wijn met zes vriendinnen en Klaas zit aan de tafel met de sterke verhalen aan het bier. Dan is het tijd voor de polonaise. Hossend hobbelt men achter elkaar aan en Klaas komt Netty tegen. Zij ziet het direct.
‘Gossie Klaas, heb je gedronken?’
Ai. Daar hebben ze niet aan gedacht. Normaal maken ze een afspraak wie drinkt en wie niet. Vanavond zijn ze dat vergeten.
‘Ik ben aan het zuipen,’ deelt Klaas met ontroerende eerlijkheid mee.
Goede raad is duur. Ook Netty is niet meer broodnuchter.
‘Ik drink niet meer,’ zegt ze, ‘dan rijd ik wel terug.’
‘Je bent lief,’ meent Klaas.

In de kleine uurtjes is het feest afgelopen. Een dun laagje sneeuw maakt het Klaas en Netty lastig als ze naar hun auto lopen. De ramen zijn bevroren. Klaas offert zich op om zonder handschoenen het ijs van de ramen te krabben. Het lukt hem niet. Zijn bewegingen missen enige coördinatie en als hij languit op de motorkap ligt maakt Netty het karwei af. Ze zet Klaas in zijn stoel en gespt hem vast. Voorzichtig rijdt ze huiswaarts.

Ook zonder één drup alcohol was het haar niet gelukt de slip te voorkomen. De rotonde is een ijsbaan en voor ze het in de gaten heeft staat ze verkeerd om.
‘Wat doe je nou?’ vraagt Klaas.
‘Weet ik niet. Hij glee weg.’
‘Je moet omdraaien,’ zegt Klaas in een helder moment, ‘Zo ga je de verkeerde kant op.’
‘Ja, dat weet ik ook wel,’ snauwt Netty. Die heeft de politiewagen al gezien en ze weet wat er komen gaat.
Netty draait de auto terwijl de politiewagen, als beveiliging, het zwaailicht heeft aangezet. Nauwlettend houden beide agenten de auto in de gaten en zodra ze van de rotonde af is, krijgt ze een stopteken. Schuivend en met kleine pasjes komt de agent op haar af. Ze draait het raampje een klein stukje open.
‘Wat was dat nou voor spannende actie?’ vraagt de agent.
Voor Netty iets kan zeggen meent Klaas er zich op dat moment  mee te moeten bemoeien.
‘He agent! Moet jij nog laat werken met dit kloteweer?’ lalt hij.
De agent bukt zich om te zien wie er zo tegen hem praat. Dat had hij beter niet kunnen doen. Zijn voeten glijden naar achteren en zijn enige houvast is de buitenspiegel.
‘Wel verdorie!’ moppert Klaas. ‘Die zit met zijn handen aan mijn spiegel!’
Voor Netty hem kan tegenhouden staat hij naast de auto en glibbert naar de agent.
Omstandig probeert hij de spiegel weer in de goede stand te zetten terwijl hij flink tegen de agent tekeer gaat. Als hij dan ook nog probeert de pet van de agent te pakken, vindt deze het welletjes. Hij dirigeert Klaas naar zijn plaats en Netty doet net zo hard mee.

Klaas zit weer en Netty krijgt op haar hart gedrukt dat ze voorzichtig moet rijden.
‘Het is maar goed dat u rijdt,’ meent de agent, ‘Uw man is in kennelijke staat. De hele auto stinkt naar drank.’
‘Ja,’ zegt Netty met een klein stemmetje, ‘Vies hè? Dank u wel hoor.’
‘Ze vervolgt haar weg nog langzamer rijdend dan ze al deed.
‘Zo,’ zegt Klaas met een schaterende lach, ‘Daar zijn we toch goed weggekomen.’
‘Dronkenlap,’ zegt Netty vertederend.
‘Koude lucht werkt verhelderend, lief meisje van mij.’
‘Dat zullen we thuis nog wel eens zien,’ en ze probeert zo verleidelijk als mogelijk is, te kijken.
Klaas is gelukkig. Het feest is nog niet voorbij.

 

© peter gortworst / juli 2020
afbeelding: schaatsers onderzetters zazzle.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

De zuchtende barman

Wanneer je als cursusleider bijna alleen maar in de grote steden van de randstad werkzaam bent, is een klus van vier dagen in Maastricht een welkome afwisseling. Ze heeft de bureaumedewerkster gevraagd een klein, knus hotel te boeken in een dorp net buiten de stad. De standaard hotels met snelle streberige zakenlui en jolige werklieden, kunnen haar even gestolen worden. Ze heeft uitgekeken naar de rust van het platteland met ’s avonds een wandeling door de omgeving. Even geen hectiek en het nuttige met het aangename verenigen.

De cursusdag is ten einde en ze rijdt de stad uit, op weg naar haar overnachtingsadres. ‘Hotel Café Restaurant’ staat er op de gevel en verwachtingsvol druk ze de koperen deurklink naar beneden. De ruimte wordt overheerst door een enorme bar. De koperen reling is dof en de barkrukken staan schots en scheef. Op de donkerbruine tafeltjes liggen roodbonte plastic zeiltjes. De stoelen, dezelfde die ze kent uit tijd dat ze nog thuis woonde en in dezelfde donkerbruine kleur, staan ordelijk gerangschikt rondom de tafels. Dat dan weer wel. De planken vloer is bruin. De wanden zijn crèmekleurig gestukt en het balken plafond is voor het gemak met dezelfde verf behandeld als de vloer. Aan de wanden hangen koperen schemerlampjes met rode kapjes. Het licht wat ze uitstralen is meer bedoeld om hun aanwezigheid te tonen dan hun omgeving te verlichten. Al met al maakt het een sombere indruk die nog versterkt wordt door de man achter de bar. Hij is op leeftijd en zijn gezicht straalt een zorgelijk bestaan uit. Dan ontdekt ze in de hoek van de bar een gast. Diep gebogen zit hij op zijn kruk. De kin rust net niet op de bar. Voor hem een groot glas bier en zolang het daar beneden in dat glas helder geel is en de hemel schuimend wit, is het leven goed. Ze noemt haar naam en de barman vertelt dat ze kamer drie heeft. Die is boven en de sleutel zit in de deur. Hij zucht zo diep na deze mededeling dat ze zich afvraagt welke lichamelijke inspanning deze zucht rechtvaardigt.

Als je het aardig zegt is de kamer gedateerd maar het ruikt fris en het is schoon. Het bed ligt lekker maar de tv is een onmogelijk klein ding wat te ver van het bed aan de muur hangt. Ze zoekt de afstandsbediening en ontdekt dan dat zo iets moderns hier niet van toepassing is. Handbediening en meer dan zes kanalen zijn er niet. Het douchen is een genot, ze trekt makkelijke kleren aan en gaat naar beneden om wat te eten.

Zodra ze zit komt de barman met de kaart. Er staan niet veel gerechten op maar het is gevarieerd. Ze besteld een witte wijn, een uiensoepje en medaillons van varkenshaas. Met een diepe zucht hoort hij haar aan en vertrekt richting keuken.
In de hoek van de bar wordt enig gestommel hoorbaar. De onderkant van het glas is niet meer helder geel en de schuimend blonde hemel vertoont lelijke gaten. De dame achter de bar en waarschijnlijk de wederhelft van de barman, tapt een nieuw glas en de rust keert weder.

Het eten is goed en het smaakt haar. Gedurende haar maaltijd is het langzaam drukker geworden. Bij de bar staan een aantal mannen met elkaar te praten en twee andere tafeltjes zijn bezet door twee stelletjes. Ze is klaar en veegt haar mond af met een servet. Zodra ze het servet op de tafel legt wordt het rumoeriger. Blijkbaar heeft men uit beleefdheid gewacht met wat luider praten tot zij klaar was. Ze glimlacht, staat op en loopt naar buiten.
Een korte wandeling zal haar goed doen.

Zonder Google Maps zou ze in deze vreemde omgeving reddeloos verloren zijn. Als zij in een warenhuis een andere uitgang neemt dan die waar ze binnengekomen is, heeft ze geen idee waar ze zich bevindt. Zo iemand kan niet zonder deze app op haar telefoon en vol vertrouwen in dit stukje techniek loopt ze het dorp uit. De zon daalt richting horizon en het is aangenaam koel. De heuvels bieden mooie vergezichten en ze is blij dat ze geen hotel in de stad genomen heeft. Een duidelijk bejaarde man op een fiets komt haar tegemoet. Hij houdt de trappers stil als hij haar passeert en steekt hij zijn hand op. ‘Haije’,  zegt hij. ‘Hoi,’ zegt ze. Nog geen minuut later komt hij haar achterop. Weer zegt hij ‘Haije’ en weer zegt zij ‘Hoi’. Verschillende malen kijkt hij daarna achterom. Een gevaarlijke bezigheid want hij slingert op die momenten vervaarlijk. Dan slaat hij rechtsaf het erf van een kleine boerderij op. Het zou haar niet verbazen wanneer hij, samen met zijn vrouw, haar vanachter de gordijnen staat te bespieden. Wie is dat en wat moet die hier?
Ze kruipt in bed. Morgen om half acht is het ontbijt klaar en moe van de lange dag slaapt ze in.

Ze wordt wakker omdat ze een vliegtuig hoort. Even weet ze niet waar ze is. Het geluid wordt steeds harder en harder. Met schrik bedenkt ze dat het ding misschien wel neerstort maar laat het dan niet op dit hotel zijn. Dan vliegt het met donderend geraas over het hotel. De ramen rinkelen en verstijft van angst ligt ze in bed. Ze kijkt op haar horloge. Zes uur! Ze staat op en drinkt een glas water. Net als ze besloten heeft om verstandig te zijn door nog een uurtje te gaan slapen, komt er een tweede vliegtuig aan. Slapen kan ze wel vergeten. Ze neemt een douche, pakt haar boek en gaat op bed liggen lezen. Tegen half acht gaat ze naar beneden. De ontbijttafel is al gedekt.

Volgens de barman is de wind ongunstig. Bij deze wind liggen ze precies in de aanvliegroute van Maastricht Airport. Hij heeft het over de randen van de nacht en ze begrijpt dat het randje om zes uur begint of eindigt als je uitgaat van de nachtelijke slaap. Met een diepe zucht laat hij weten dat dit donderende geweld niet goed is voor de constructie van zijn gebouw en dat ambtelijke molens in Nederland en Duitsland verdomd langzaam draaien. Volgens hem wachten ze net zo lang met ingrijpen tot het niet meer nodig is omdat zijn hotel in elkaar is gestort.

De tweede cursusdag is achter de rug. Ze heeft weer makkelijke kleren aangetrokken en wacht aan haar tafeltje tot de barman met de kaart komt. De barman komt wel maar de kaart niet. Ze kan kiezen uit een karbonade of een eigengemaakte gehaktbal. Daar komen dan spinazie en gekookte aardappelen bij. Ze neemt de karbonade.
In de hoek van de bar zit de man met zijn bierglas. Ze vraagt zich af of hij er weer zit of nog steeds. Toch eens vragen. Ook nu wordt het tijdens haar maaltijd langzaam voller. Er zijn er meer dan gisteren maar de stemmen klinken gedempt. Dan krijgt ze idee. Ze is klaar en veegt haar mond af met het servet maar in plaats van het neer te leggen, laat ze het van dertig centimeter hoogte vallen. De ridders van het toernooi spelen het spel van de bevallige jonkvrouw perfect mee. Zodra het servet de tafel raakt gaat het volume vier standjes omhoog. Voor haar avondwandeling kiest ze een andere route. Ook een mooie en zonder bejaarde op de fiets.

De wind is blijkbaar gedraaid. Ze wordt wakker van haar wekker en heeft geen vliegtuig gehoord. Dat heeft ook effect op de barman. Hij zucht nog steeds maar minder diep. Hij vraagt of het haar stoort als hij, terwijl ze eet, de vloer gaat dweilen. Nee, dat stoort haar niet. Ze vindt het zelfs leuk om naar mensen te kijken die werken. Uit zijn diepe zucht maakt ze op dat de humor niet begrepen wordt.

’s Avonds zit ze voor de laatste maal aan haar tafeltje. De barman komt met een dampend bord naar haar toe. Een gehaktbal, rode kool en gebakken aardappelen. Met een ‘Astublief, eet smakelijk’ loopt hij weg. Ze eet dus met de pot mee en is dat nu gemakzucht of iets van erbij horen. Eén ding is zeker: de zuchtende barman weet hoe een gehaktbal moet smaken. Aan de bar is het rustig. De man met zijn bierglas is er weer of nog en verderop aan de bar zitten drie mannen die normaal met elkaar praten. Veel kan ze er niet van verstaan maar het klinkt gezellig. Ze maakt geen wandeling maar gaat bij een kapelletje op een bankje zitten. Naarmate het donkerder wordt vallen de geluiden langzaam weg. Een zanglijster en een merel bieden met hun gezang nog tegen elkaar op tot ze beiden er plotseling de brui aangeven. Het concours eindigt onbeslist.

De wind is weer ongunstig. Klokslag zes ligt ze weer schuddend in bed. Ze gaat douchen, doet haar nette pakje aan, pakt haar koffertje in en gaat naar beneden. De barman laat weten dat ze te vroeg is. Er is wel koffie maar het ontbijt is nog niet klaar. Ze kan wachten en neemt de kans waar om hem te vragen naar de klant met zijn bier op ooghoogte. Het blijkt dat hij hier elke avond zit. Het is een triest geval. Een man alleen en niets om handen. Dit is zijn tweede huis. Ze moet even wachten tot er weer een vliegtuig de voegen uit de stenen heeft gevlogen maar dan vraagt ze waarom hij altijd zo zucht. Hij kijkt haar verbaasd aan en weet zich van de prins geen kwaad. Zuchten? Hij? Ongelovig kijkt ze hem aan. Dat kan hij niet menen. Is er nooit iemand geweest die gevraagd heeft waarom hij zoveel zucht? Nee, niet dat hij zich kan herinneren en het is haar beurt om maar eens diep te zuchten.

Na het ontbijt betaalt ze de rekening. Een belachelijk laag bedrag dat ze cash voldoet. Als hij vraagt of alles naar wens was kan ze dat alleen maar bevestigen. Met een diepe zucht zegt hij ‘Mooi. Dan wens ik u een goede thuisreis en wie weet, tot ziens.’
Bewust of niet. De diepe zucht doet toch een beetje afbreuk aan die mooie wens.

 

© peter gortworst / juli 2020
afbeelding: catenacycling.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Koninklijk in Groningen

Dit is het derde en laatste verhaal van een serie. Als je de vorige nog niet gelezen hebt kan je dat beter eerst doen. Dit zijn de links:

https://petergortworst.com/2017/08/30/ontheemden/
https://petergortworst.com/2020/06/18/weerzien/

Ze staat met haar auto een paar minuten te laat voor zijn woning. Hij opent de deur en laat haar binnen.
‘Sorry dat ik te laat ben,’ zegt ze schuldbewust.
‘Te laat? Hoe kom je daar nu bij? Je bent er nu toch? Ik ben blij dat je mijn huis gevonden hebt.’
‘Vindt je het niet erg?’
‘Nee, natuurlijk niet. Wil je koffie?’
‘Graag,’ en terwijl hij in de keuken de koffie inschenkt, kijkt ze rond in zijn huiskamer. Op een kastje staan wat foto’s. Ze bekijkt ze één voor één.
Met twee kopjes komt hij de kamer binnen.
‘Dat zijn al mijn kinderen en kleinkinderen,’ zegt hij als ze met een groepsfoto in haar handen staat.
‘En dat was mijn vrouw.’
Ze bestudeert de foto aandachtig.
‘Ze ziet er lief uit.’
‘Dat was ze ook. Het was er een uit duizenden.’
Ze kijkt om zich heen en vraagt dan:
‘Woon je hier helemaal alleen?’
‘Ja…?’
‘En maak je hier alles zelf schoon? En kook je ook voor jezelf?’
‘Ja…? Hoezo? Vindt je dat bijzonder?’
‘Eigenlijk wel ja. Kunnen meer Nederlandse mannen dat?’
‘Ik denk het wel. Niet alle maar als ze alleen komen te staan zullen ze wel moeten.’
Ze neemt kleine slokjes koffie en hij ziet haar denken.
‘Nou, waar gaan we heen?’ vraagt ze dan.
Hij pakt zijn mobieltje. Vooraf heeft hij op Google-maps zijn geboortedorp al opgezocht en de route bekeken. Hij laat het haar zien.
‘Het is een heel eind maar we maken een stop voor de koffie.’

Ze zijn onderweg en ze laat hem rijden. Zij heeft meer ervaring met autorijden in den Haag dan op de grote weg en bovendien kan ze dan om zich heen kijken. Als ze een stop gemaakt hebben bij het monument op de Afsluitdijk en hij alles vertelt wat hij weet over de Waddenzee, het IJsselmeer met de palingvangst en de vele oude vissersdorpen, begint het hem op te vallen dat alles nieuw voor haar is.
‘Zeg mij,’ vraagt hij, ‘Hoe vaak en hoe ver ben jij uit den Haag geweest?’
‘Een paar keer.’
‘Hè!? Een paar keer?’
‘Ja, mijn man was van mening dat we in den Haag alles hadden wat nodig was. Het Scheveningse strand voor de deur en Madurodam als favoriete uitje met de kleine meid. Hij was het liefste thuis. Soms mocht ik naar mijn zus. Die woont ook in den Haag maar hij vond het beter als ik ook thuis was.’
‘Mocht?’
‘Ja…..’
Hij kijkt even opzij. Met een uitdrukkingsloos gezicht staart ze voor zich uit.
‘Het was niet goed,’ zegt ze na een lange stilte.
‘Nee, dat lijkt mij ook niet.’
Zijn gevoel zegt te stoppen met dit onderwerp. Zonder twijfel zal het later nog ter sprake komen maar nu is het niet het goede moment.

Ze komen aan in zijn geboortedorp. Bij de kerk parkeert hij de auto en samen lopen ze door de smalle straatjes. Op de plek waar zijn schooltje stond staan nieuwe huizen. Dat voelt als een teleurstelling maar met een opgewonden blosje op de wangen vertelt hij hoe het vroeger was, wat ze beleefden en wie waar woonde. Zij ziet een man op leeftijd terug gaan in de tijd en geniet. Bij een huis wat onbereikbaar is gemaakt door hekken, staat hij stil. Het huis staat leeg en dikke houten palen stutten de voorgevel. De linkerkant van het dak is ingestort. Meer dan een bouwval is het niet. Achter hen is een bewoner aan het werk in zijn tuintje.
‘Moi,’ zegt de tuinder.
Ja, moi, antwoord hij.
Dan wijst hij naar de bouwval en zegt:
‘Dei is goud toutoakelt’
‘Nee, dat hoese het betere tieden kend. Nog ain beving en’t stort hailendoal in mekoar.’
‘Ik heb doar woont. Mien olheer was schoulmaster.’
‘O, moar dan kin ik die wel. Doe bist, noa dien trouwn, weggoan noar ‘t westn. Hou ist der mit?’
Dan realiseert hij zich dat zij er geen woord van kan verstaan en met een korte uitleg van wat er net gezegd is, gaat hij verder in het Nederlands. Ze is aangenaam verrast dat hij haar bij het gesprek wil houden.
De tuinder wil weten hoe het hem vergaan is. In grote lijnen verhaald hij zijn leven. Als de tuinder hoort dat Mieke is overleden spijt hem dat. Mieke was de dochter van de timmerman en een lief kind. Menige jongen was knap jaloers toen hij met haar verkering kreeg.
Met een laatste blik op zijn oude woning zoeken ze de auto weer op. Hij wil haar voor vandaag nog één ding laten zien en rijdt naar het noorden. Ze maakt een opmerking over de weidsheid van het land. Hij grinnikt en zegt, in de hoop dat ze de liedjes van Jacques Brel niet kent, dat de enige bergen hier de kerken zijn. Ze moet er om lachen.

Hij parkeert de auto aan de voet van de dijk en neemt haar mee naar boven.
‘Hou je maar aan mij vast. Ik heb drie benen.’
Ze kijken uit over de Waddenzee. De wind is fris en hij gaat zo staan dat ze in zijn luwte staat. Ze huivert. Deels door de wind en deels omdat ze onder de indruk is van de oneindigheid in dit landschap. Land, water en lucht. Meer is het niet maar dit weinige is een voor haar ongekende schoonheid.
‘Vind je het mooi?’
‘Ik wist niet dat dit bestond. Ik vind het prachtig.’
‘Mooi,’ zegt hij en zijn oude Groninger hart klopt vol trots.

Het hotel is klein en gemoedelijk. De receptie wordt bemand door de eigenaar. Een grote kerel met een ontzagwekkende snor. Ze krijgen de sleutel van kamer 2. Het blijkt een ruime kamer te zijn met twee bedden die op afstand van elkaar worden gehouden door een nachtkastje. De badkamer is comfortabel en modern. Het raam biedt uitzicht op de kerktoren die, volgens Snorremans, tot ’s avonds zeven uur met de luidklok de tijd laat horen. Tot de volgende morgen zeven uur is hij dan stil wegens klagende bewoners. Ze kunnen ’s nachts van de herrie niet slapen.
‘Het is de import die klaagt mijnheer. Onze eigen mensen weten niet beter maar die nieuwe….. nee….’
Zijn gezicht verraad een innerlijke afschuw van formidabele omvang.
Hij legt zijn weekendtas op bed. Zij een kleine koffer.
“Zullen we eerst wat gaan eten.’ vraagt hij.
‘Ja, ik heb best wel honger.’

Ze nemen een tafeltje in de hoek, bij het raam. Onopvallend kijkt hij naar haar als ze de menukaart leest. Hij voelt zich gelukkig. Aan tafel zitten met een prinses, een exotische prinses zelfs, is iets wat hij een maand geleden niet had kunnen dromen. Hij voelt zich koninklijk en de koning te rijk. Na enig overleg bestellen ze beiden hetzelfde. De rode wijn smaakt uitstekend en het gesprek gaat over van alles en niets. Dan vraagt ze plotseling:
‘Heb jij je vrouw vaak geslagen?’
Zijn mond zakt open van verbazing. Duizend gedachten flitsen door zijn hoofd. Hier zit meer achter en dat vraagt de behoedzaamheid van een hengelaar die zijn vis op het droge moet krijgen.
‘Ik heb haar nooit geslagen. Een man doet dat niet of beter gezegd, zou dat niet mogen doen. Een man die zijn vrouw slaat is een zwakkeling, een mispunt, een, een…..’
Hij weet even geen woord waaruit zijn afschuw moet blijken.
‘Waarom vraag je dat?’ wil hij weten.
Ze haalt even haar schouders op en heeft spijt van de vraag die ze hem gesteld heeft. Ze had kunnen weten dat hij niet is zoals haar eigen man was. Deze man behandeld haar met een respect die ze nog nooit ervaren heeft. Het zijn niet alleen de deuren die hij voor haar open houdt, het is niet de bezorgdheid die hij toonde op de dijk, het is niet de aandacht die hij voor haar had toen hij met die oude bekende in dat rare taaltje stond te praten en het zijn niet de oprechte vragen en antwoorden die hij stelt en geeft. Het plaatje is groter. Het is weten geliefd te zijn zoals je bent. Als ze ergens haar hart kan luchten is het nu, bij deze man. Ze heeft hem nog niet vertelt dat hij niet de enige was die gewacht heeft op die bank van de boulevard. Eén keer heeft ze hem daar zien zitten maar de durf om op hem toe te stappen ontbrak. Nu zit hij tegenover haar en ze voelt zich meer op haar gemak dan ze vooraf voor mogelijk heeft gehouden.

Ze vertelt en hij luistert. De grote lijnen van haar verhaal kent hij inmiddels. Nu vertelt ze uitvoeriger en met meer details. Over het vooropgezette plan om haar naar Nederland te laten komen. Haar man en de man van haar zus kenden elkaar en toen die zwager vertelde dat een leuke en gedienstige Filipijnse vrouw een zegen is voor elke man, was het plan geboren. Een huishoudster, een sexslaafje en een moeder van je kind ineen. Beter kan je het als man niet voor elkaar hebben. Voor hun trouwen was hij de voorkomendheid zelve maar zodra alle papieren in orde waren en de gang naar het stadhuis achter de rug, veranderde alles. Ze was gevangene in haar eigen huis en wist niet beter. Haar zus leefde een soortgelijk leven dus blijkbaar was dat normaal. Net zo normaal als de klappen die ze kreeg. Ze weet nog dat ze buiten westen werd geslagen toen haar kleine meid een paar woordjes in haar eigen taal zei. Ze had dat in het geheim haar geleerd. Uitzinnig van kwaadheid was hij geweest toen hij dat hoorde en dat heeft ze aan den lijve ervaren. Een vlek in een broek die er niet uitging, aardappelen die te zout waren, een aanrecht wat niet schoon en opgeruimd was, haar menstruatie op momenten dat hij weer wilde of de abortus die ze moest ondergaan omdat hij één kind mooi genoeg vond; altijd was er wel een reden om te slaan, te kleineren of vernederen. Haar dochter ziet ze nauwelijks. Het is een vaderskindje dat het nog nooit heeft gezegd maar wel liet blijken dat de hartaanval van haar vader, deels haar schuld moet zijn. Ze schaamt zich bovendien voor die domme moeder die niets weet van het leven en die nergens over kan meepraten. Je vrienden en vriendinnen mee naar huis nemen kan ze daardoor wel vergeten. Wat zullen ze wel niet denken?

Hij hoort haar aan, zijn grote hart bloedt en er staan tranen in zijn ogen. Hij wil iets doen, haar troosten, haar omarmen, haar laten weten dat ze beter verdiend maar hij weet niet hoe. Een tafel met rode wijn, varkenshaas en gebakken aardappelen staat in de weg. Mooie volzinnen met diepe betekenissen ontbreken.
‘Hier schrik ik toch weer van. Het is erger dan ik al wist. Ik ben blij dat je het mij vertelt,’ zegt hij zacht.
‘Je bent de enige die dit alles nu weet. Zeg eens eerlijk, vindt je mij een slechte vrouw?’
Hij kijkt haar diep in die mooie donkerbruine ogen en zegt:
‘Nee, natuurlijk niet. Je bent een prinses die een slechte kikker heeft gekust. Jouw prins was een stinkende draak uit de onderwereld maar je bent nog steeds die prinses. Niet voor mij. Je hebt moed getoond door mij deelgenoot te maken van jouw bestaan. Daarmee ben je voor mij een koningin geworden.’
Ze slaat haar ogen neer en een traan loopt langs haar wang omlaag. Gedienstig vist hij opnieuw een papieren zakdoekje uit zijn zak. Deze keer niet voor hemzelf maar voor haar. Een koning doet dat voor een koningin.

Een beetje onwennig staan ze in de kamer.
‘Getal onder de tien,’ zegt hij.
‘Drie!’
‘Goed. Jij mag eerst in de badkamer.’
Geduldig wacht hij tot ze klaar is. De deur gaat open en in een lange nachtjapon komt ze binnen. Haar gezicht ziet er anders uit en onderzoekend bekijkt hij haar.
‘Niet zo kijken,’ zegt ze, ‘Ik heb geen make up op.’
Ze zegt het bloedserieus en hij vermoedt dat ze in haar vorige leven met make up in bed moest liggen.
‘Dat zie ik en het bevalt mij uitstekend. Je bent er nog mooier op geworden.’
Getroffen zwijgt ze. Weer zo’n onverwachte opmerking die haar diep raakt.
Het is zijn beurt en in een heuse flanellen pyjama komt hij de badkamer uit. Jasje en lange broek. Lichtblauwe strepen van boven tot beneden. Zo goed en zo kwaad als het gaat draait hij, met zijn stok als middelpunt, een pirouette.
‘Tataaa!!’
Ze schiet in de lach.
‘Kom eens hier,’ zegt ze.
Als hij voor haar staat, draait ze hem om. Er hangt een label aan zijn kraag en met een korte ruk verwijdert ze deze.
‘Nieuw?’
‘Ja,’ bekent hij. ‘Normaal slaap ik alleen in mijn onderbroek maar dat leek mij niet zo gepast.’
‘Dat heb je dus voor mij gedaan?’
‘Ja, en vindt je hem mooi?’
‘Hij is prachtig.’

Het licht is uit en ze luisteren naar elkaars ademhaling. Beiden laten de dag aan zich voorbijgaan en als eerste vertrekt hij naar dromenland. Wanneer hij ’s morgens wakker wordt ligt zij naast hem. Haar hand ligt op zijn borst en haar hoofd op zijn schouder. Hij draait zijn hoofd een beetje en steekt zijn neus in haar zwarte haren. Dan streelt hij haar arm met die prachtige donkere huid en een diep gevoel van geluk gaat als een trilling door zijn lijf. Hij blijft stil liggen tot ze wakker wordt.
‘Goedemorgen,’ zegt ze.
‘O, zeker,’ antwoord hij.
Ze rekt zich uit en draait zich op haar rug. Met een glimlach staart ze naar het plafond.
‘Weet je nog wat je zei toen wij elkaar voor het eerst spraken?’ vraagt hij.
‘Dat van dat verleden en de toekomst?’
‘Ja, dat. Je zei toen “Hier heb je geen verleden en in het verleden wat je had, zit geen toekomst.” Denk je niet dat wij, ieder met ons verleden, samen wel een toekomst kunnen hebben?’
Ze kijkt hem aan.
‘Ja,’ zegt ze, ‘Met jou wel.’

Snorremans bekijkt het stel aan de ontbijttafel en wat hij ziet, maakt hem vrolijk. Er is niet veel mensenkennis voor nodig om het geluk tussen deze twee mensen te zien. Als hij op hen toestapt en vraagt of alles naar wens is, blijkt dat zo te zijn. Dan zegt hij:
‘Het gaat mij niet aan maar ik denk dat jullie wat te vieren hebben. Jullie stralen als een lentezon boven een korenveld. Gefeliciteerd met wat het ook zijn mag maar ik zou het een eer vinden als jullie over één jaar hier terugkomen om dit weekend opnieuw te vieren.’
Ze kijken blij verrast. Dan zegt hij:
‘Ik vind dat een wonderschoon idee. Schrijf maar in je boek dat volgend jaar deze koning en koningin hier hun opwachting weer komen maken.’
‘Natuurlijk Sire, het is mij een eer,’ zegt Snorremans en buigt diep. Een goed gastheer weet hoe het hoort.

 

© peter gortworst/juni 2020

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Weerzien

 

Dit is een vervolg van het verhaal ‘ontheemden’. Misschien is het handig om dat eerst nog even te lezen voor je hier verder gaat. De link:

https://petergortworst.com/2017/08/30/ontheemden/

 

Toeval is een raar iets. Zo kan het gebeuren dat je toevallig iemand ontmoet waarmee je een gezamenlijke ervaring kan delen. Ogenschijnlijk een wereld van verschil en toch bijna alles gemeenschappelijk. Dat was ook bij hem het geval. Dat die ontmoeting, toen, bij hem meer heeft los gemaakt dan hij voor mogelijk houdt, is dan weer geen toeval. Het kleurt al lange tijd zijn dagen. Het is zelfs zo erg dat het ritje met de tram naar de boulevard, wat hij ongeveer twee maal per maand maakt, een frequentie krijgt van drie maal per week. Hij wil haar zo graag nog een keer zien en met haar praten. Natuurlijk, het is een mooie donkere vrouw maar er is meer, veel meer dan dat. Het is niet alleen haar oogopslag of haar stem. Het is de verbinding met haar die, dieper dan hij menselijkerwijze voor mogelijk houdt, met haar voelt. Het verlangen in haar stem is ook zijn verlangen. Haar verdriet is zijn verdriet en haar uitzichtloosheid het zijne. Hij weet nu, na bijna drie jaar, de gevoelens nog op te roepen en het verlangen om haar weer te zien, is onverminderd groot. Talloze malen is hij op hun bank gaan zitten in de hoop haar daar weer te zien.

De tram stopt bij het Kurhaus. Hij stapt uit en loopt rechts van het Kurhaus naar de boulevard. Daar slaat hij linksaf. Het is een stukje lopen maar dan komt hij bij hun bank. Misschien wel de enige waar het uitzicht het minst verpest wordt door de strandtenten. Dan blijft hij stokstijf staan. Er zit een donkere vrouw met diepzwart haar.  Is ze het nu wel of niet? Bijna struikelend over zijn stok haast hij zich vooruit en als hij buiten adem voor haar staat, kijkt ze hem aan.
‘Groningen?’ zegt ze.
Hij knikt.
‘Filipijnen?’
Ze glimlacht en met een uitnodigend gebaar vraagt ze hem om naast haar te komen zitten. Vadertje tijd maakt, in het algemeen, mooie herinneringen mooier en de slechte minder slecht. Hier had de tijd beter zijn best moeten doen. Ze is vele malen mooier dan hij zich kan herinneren. Haar lach is stralender dan een winterse zon in de sneeuw, haar ogen zwarter dan de donkerste nacht, haar tanden als stralende witte parels en haar glimlach maakt hem net zo verlegen als die keer dat hij moeders vertelde dat hij verliefd was op zijn kleuterjuf. Hij kijkt naar de mooie bruine huid op haar onderarm en kan met enige moeite de nijging onderdrukken om haar huid te strelen.
‘Ik heb je gemist,’ zegt hij.
‘Waarom?’
Er komt geen antwoord. Wat zal ze wel niet denken als hij haar alles vertelt?
‘Ben je hier vaker geweest?’ vraagt ze.
Hij knikt.
‘Hoe vaak? Elke dag? Elke week?’
‘Als het mooi weer was twee, drie keer per week.’
‘Al die jaren?’
Hij knikt weer. Ze is even stil en vraagt dan:
‘Voor mij?’
‘Ja…’
Ze wendt haar hoofd af en staart naar de horizon. Zo onopvallend mogelijk vist ze een zakdoekje uit haar tas. Het is lang, heel lang geleden dat er iemand was die dit voor haar over had en het raakt haar diep. Ze dept haar vochtig geworden ogen.
‘Dat is lief,’ zegt ze en weet direct dat ze met dit understatement zichzelf en hem te kort doet.

Men moet niet proberen om twee levens in één uur aan elkaar te vertellen. Het maakt bovendien dorstig zodat ze besluiten verder te gaan aan een tafeltje bij één van de vele gelegenheden op de boulevard. Op weg daarheen geeft ze hem een arm. Hij loopt als op vleugels gedragen.
Ze bevragen elkaar. Ze vertellen en praten. Zij is oprecht verbaasd dat er blijkbaar een gewone lieve man bestaat. Die niet doet alsof maar werkelijk geïnteresseerd is en wijze dingen broodnuchter kan zeggen. Hij hoort met ontzetting haar levensverhaal. Zijn conclusie dat zij gewoon de huishoudelijke hulp van haar man was die bovendien, als het hem uitkwam, geneukt kon worden, vervult hem met verdriet en onbegrip. In zijn grote, troostende hart is plaats genoeg en zonder dat het gezegd is, weet ze dat. Die grote en grofgebouwde man die aan geen enkel schoonheidsideaal voldoet, krijgt iets warms, iets vertrouwds. Niet alleen liefde maakt blind. Vertrouwen, je gewaardeerd en geaccepteerd weten, doen dat ook.

Tijd gaat snel als je het goed hebt. Buiten is het al donker en samen lopen ze naar de tramhalte. Zij moet straks overstappen en ze beloven elkaar te bellen. Ze staat op en net als hij haar een hand wil geven, bukt zij zich en geeft hem een zoen op zijn wang. Ze zwaait hem gedag als ze uitstapt en hij weet niet beters te doen dan terug te zwaaien. Die avond wast hij zijn gezicht niet.

Ze bellen elkaar dagelijks. Soms praten ze over koetjes en kalfjes. Soms over zaken die met gevoel en emoties te maken hebben. De ene keer zijn ze met vijf minuten klaar en een andere keer kan het een uur duren. Dan, op een mooie vrijdag, durft hij eindelijk een vraag te stellen waar hij al een week mee rondloopt.
‘Ik wil je wat vragen,’ zegt hij.
‘O…, nou, shoot!’
‘Ik wil je meenemen naar Groningen. Ik wil je laten zien waar mijn jeugd ligt, hoe weids en mooi het landschap is, je de zee laten zien zonder strandtenten, je de wind laten voelen en ruiken zonder dat het verpest is met frituurluchtjes of parfum van zonnebrandcrème.’
‘Joh, wat een verrassing. Wat leuk!’
Hij is enigszins overdonderd. Zonder al te veel hoop heeft hij de vraag gesteld en zich bij voorbaat al neergelegd bij een afwijzing.
‘Is dat niet ver rijden?’ vraagt ze dan.
‘Ja, maar ik ga een auto huren. Dan kunnen we vroeg weg.’
‘Waarom? Ik heb toch een auto?’
‘Oh?’
‘Is het misschien een idee om gewoon op tijd weg te gaan en daar ergens een hotelletje te boeken waar ze twee aparte bedden op een kamer hebben? Dan hoeven we ons niet te haasten. Ik ben nog nooit in Groningen geweest dus ik moet er wel van genieten. We maken er gewoon een leuk uitje van. Is dat wat?’
Hij probeert een antwoord te geven maar meer dan wat stamelende geluiden komen niet uit zijn mond.
‘Kan jij daar een hotelletje regelen?’ vraagt ze dan.
Dat moet hem wel lukken. Dat zal zeker lukken! Door zijn hoofd schieten de plaatsen in het noorden van Groningen. Waar is het leuk? Waar zou er een goed hotel zijn?
‘Natuurlijk kan ik dat. Ik ga dat regelen. Ik vind vast wel iets moois.
‘Fijn. En wanneer gaan we?’
‘Volgende week vrijdag?’
‘Ja. Is goed. Ik kijk er nu al naar uit.’

 

© peter gortworst / juni 2020
foto: de.foursquare.com

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

De kudde

In een tijd die niemand zich nog kan heugen en in een land hier ver vandaan, waar de weiden weldadig groen zijn en de bossen donker en boosaardig, woont een grote schaapskudde. De kudde is zo groot dat één schaapsherder met zijn hond het alleen niet aankan. Als de kudde naar een andere weide moet en hij van achteren de schapen naar voren jaagt, staan ze vooraan nog stil. En als hij, tussen de dieren doorlopend, eindelijk bij de voorste aankomt om deze aan te moedigen, zijn de achterste al weer vergeten dat ze opgejaagd werden. Er is niemand die de herder wil helpen en daarom heeft hij, ten einde raad, de kudde gevraagd zichzelf te weiden.

De schapen hebben er eerst geen oren naar. Het is nog al niet wat om zelf te beslissen waar ze kunnen grazen. Het aangename leven van geleidt worden en zich geen zorgen maken over wat er moet gaan gebeuren, geven ze niet zomaar op. Waarom verzint die man nu zoiets? Het ging toch al tijden goed? Maar als de herder ze er fijntjes op wijst dat hun aantal gedurende de jaren vele malen groter is geworden en dat nu juist dàt de problemen geeft, begint er enige besef te dagen. Ze hadden zelf ook wel door dat hun aantal de spuigaten uitloopt. Vroeger kon je nog aan een lam vragen van wie hij of zij er eentje was maar als je dat nu doet schiet je er geen steek mee op: geen idee wie de ouders van dit schaap zijn. Vroeger liet je de kop zakken en was daar sappig groen gras. Nu moet je, zeker als je in het midden van de kudde staat, echt je best doen om wat te kunnen grazen. Voor je het weet hebben de buren het al opgegeten. Als de herder dan ook nog belooft dat ze zelf de schapenscheerders mogen uitkiezen is het pleit beslecht. De jaarlijkse scheerbeurt is voor velen een bezoeking. De lompe onbehouwen scheerders zijn hen een doorn in het oog en een nagel aan hun doodskist. De goede zijn zeldzaam maar juist hen willen ze dan gaan vragen. Ze kiezen een bestuur van vijf schapen en één ram en beloven dat ze heel goed naar hen zullen luisteren.
Het leven is weer op orde. Het bestuur bestuurt en de schapen zijn gehoor- en volgzaam. Planmatig grazen ze de weiden en de scheerbeurt was dit jaar een ongekend genoegen.

Dan, op een vroege morgen als de eerste zonnestralen de dauwdruppels op hun wollen vacht als sterretjes laten glinsteren, ontdekken ze dat ze ‘s nachts bezoek hebben gekregen. Midden in de kudde hebben een paar herten de nacht doorgebracht. Een beetje verwonderd kijken ze deze dieren aan. Ze hebben zelf toch een slaapplek dus wat moeten ze hier? Ze zullen toch ook nog niet van hun gras gaan eten! De herten begrijpen de blikken en vertrekken stilletjes. Niemand spreekt een woord.

De volgende nacht zijn ze er weer. Een lam wordt naar het bestuur gestuurd en zie daar, er wordt kordaat gereageerd. De ram stapt op de herten af en vraagt naar de bedoeling van deze logeerpartij. De herten vertellen dat er sinds kort een wolf in het bos woont en dat zij lijfelijk voorzien in het dagelijkse levensonderhoud van dit monster. De bescherming van de schaapskudde houdt hen vooralsnog in leven en voorkomt dat hun aantal tot een minimum beperkt wordt. Daar schrikt de ram van. Overdonderd door de nood van deze dieren laat hij de herten grootmoedig weten dat zij welkom zijn mits zij zich onthouden van het gras. De herten zijn hem innig dankbaar. Opgetogen over zijn besluit laat onze ram de kudde weten hoe de vork in de steel steekt maar de reacties zetten hem met vier poten terug op aarde.

Wat eet de wolf als er geen herten meer in het bos zijn? Denkt de ram nu werkelijk dat het monster daar op een houtje zal gaan bijten? Heeft de ram wel eens aan de mogelijkheid gedacht dat de wolf de schaapjes uit hun eigen geliefde kudde zou kunnen opeten? Het moet toch niet gekker worden! Zo brengt die ram zijn eigen volk naar de slachtbank.

Het bestuur trekt zich in vergadering terug en na vele uren is men er uit. De ram zal het bos ingaan om met de wolf te spreken. De inzet zal het vertrek van dit monster zijn en mocht dat niet lukken dan is er nog een voorstel tot wijziging in het dieet. De grazige weiden zijn immers vergeven van woelmuizen? Hen opeten geeft een win-winsituatie. De wolf komt niet van de honger om en de schapen struikelen niet meer in alle gangen die deze diertjes maken. Met goede moed trekt de ram het bos in.

Het duurt enige dagen maar dan is de conclusie gerechtvaardigd dat deze operatie niet zo’n goed idee was. De ram komt niet terug en men vreest niet meer het ergste. Het is het ergste. Een behoorlijk aantal lammeren zal het moeten doen zonder vader en het bestuur zit met de handen in de wol. De reacties uit de kudde zijn niet mals. Een heleboel achteraf wetenschappers maar ook veel complotdenkers. Wie zegt ons dat de herder daar niet achter zit? Hij was het toch die opmerkingen maakte over hun grote aantal? Wie weet mist hij zijn machtspositie en probeert hij dit zelfstandige volk weer onder de duim te krijgen. Enigen onder ons hadden hem horen klagen over de kosten van de scheerbeurt. Goede scheerders kosten nu eenmaal meer geld en wellicht heeft hem dat opgebroken. Het bestuur moet maar eens bij hem op bezoek en hem stevig aan de tand voelen.

Met lood in de schoenen staan ze bij de herder voor de deur. Deze laat hen binnen en vraagt waarom de ram er niet bij is. Zorgelijk deelt men mee dat er een vermoeden van overlijden bestaat en dat dit tevens één van de redenen van hun bezoek is. De herder hoort het hele verhaal aan en vraagt of de herten er ’s nachts nog zijn. Die zijn er nog. Er is hen immers belooft dat ze daar mogen blijven. Hen wegsturen en zo ten prooi laten vallen is niet ethisch toch? Daar is de herder het mee eens en op de vraag of de wolf al kuddeleden op zijn menu heeft staan wordt schoorvoetend bevestigend geantwoord. De herder belooft het bestuur een groot elektrisch hek te gaan plaatsen. Zo groot dat de hele kudde, inclusief de herten, daar veilig de nacht kunnen doorbrengen.

Het hek is er gekomen en dankzij dit stukje techniek leeft de kudde met hun gasten wat langer en gelukkiger. Helaas menen sommigen kuddeleden dat ze zo in hun vrijheid worden beperkt. Ze zijn vrije schapen die zich niet door een hogere macht laten knechten en daarom kiezen zij er voor om buiten de omheining de nacht door te brengen. Dat hun aantal nacht na nacht afneemt moge duidelijk zijn.
Vrijheid is niet kosteloos. Dat blijkt maar weer.

 

© peter gortworst / juni 2020
foto: natuurmonumenten.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Kwajongens

Voor wie Zaandam kent is deze tekst misschien een feest van herkenning. Hopelijk beleeft ieder ander er toch plezier aan.

 

Het zal de leeftijd en de nadering van Luilak zijn die bij mij herinneringen oproepen. Eénmaal per jaar mocht je geoorloofd kattenkwaad uithalen en dat deden wij dan ook. Niet dat we de andere dagen van het jaar brave en oppassende jongetjes waren. Verre van dat. Wat moeten jongetjes die nog geen weet hadden van computerspelletjes of 24/7 tv anders? Als je thuis geen verplichtingen had en de school gesloten, speelde je, met of zonder vriendjes, op straat. Waar kan je beter spelen dan in het centrum van een stad. Er was altijd wel wat te doen. Ik zal mijn beminde lezers in deze tekst een paar voorbeelden geven van wat wij zoal deden. Ik hoop dat mijn biecht geen consequenties heeft. Als het al niet onschuldig was dan is het wel verjaart.

Wij woonden in de Westzijde tegenover Bischoff. Rechts naast ons was de bakkerij van Grauwelman. Eén van zijn zonen was een fanatiek liefhebber van de postduivensport. Regelmatig deed hij mee aan wedstrijden. De duiven werden dan gelost in Lyon of andere Franse steden die heel ver buitenland klonken. Degene wiens duif het eerste thuis kwam, kon bijvoorbeeld een koelkast winnen. In die dagen een prijs van formaat. De thuiskomst was altijd op zondag. De dag dat wij twee keer naar de kerk in de Stationsstraat moesten. Half tien en vijf uur. In de uren daartussen kon en mocht je niet veel doen. Je had nette en goede kleren aan dus dat was oppassen geblazen. In de tuin zitten, met de rug tegen de schutting van Grauwelman kon wel. En net als de zoon van Grauwelman, zaten wij te wachten. Als de duivenmelker een duif meende te zien rammelde hij met het voerblik en floot zijn karakteristieke lokfluitje. Nu hadden zijn duiven de gewoonte ontwikkeld om eerst op het dak van het magazijn van Bischoff te landen. Dat was bij ons aan de linkerkant. Vandaar maakten ze een zeilvlucht naar beneden om te landen op hun hok. Spannende momenten waren dat. Voor de duivenmelker maar ook voor ons. Timing was belangrijk. Zodra de duif de landing inzette en onze tuin kruiste, klapte je op het goede moment in je handen. Duif met een haakse bocht weg, wij op de vlucht richting huis en een buurman die vloekend over de schutting vloog. Heel spannend allemaal.

Af en toe had Grauwelman bezoek van zijn vader. De man was al aardig op leeftijd en niet geheel fit meer. Wat hij nog wel graag deed was met zijn hengeltje op de beun zitten en proberen wat vis te vangen. Hij was niet de enige die het dobbertje in de gaten hield. Wij deden dat ook en zodra er beweging kwam gooiden wij een flinke steen met een boogje richting dobber. Zijn kleinzoon had het vloeken vast van hem geleerd. Wederom moesten wij vluchten om het vege lijf redden.

Een klassieker: Portemonnee aan een touwtje en je verstoppen in de etalagegangen van Bischoff. Opa Hogendijk, die boven Kaasschieter woonde, zette zijn stoel voor het raam om mee te kunnen genieten.
Deze opa kon het goed vinden met de hond, een boxer, van de familie Negrijn. Hun brasserie lag inverdan en op het pleintje daarvoor speelde opa vaak met de hond. Tot de boxer een keer zijn oranje gummi dop van de stok aftrok en uiteraard weigerde deze los te laten. Opa had die stok echt nodig en heeft daar een, voor zijn leeftijd, bovenmatige lichamelijke inspanning moeten leveren. Spelen met de hond bleef hij doen maar de stok werd angstvallig uit het zicht van de hond gehouden.

Wonen aan de Zaan gaat niet zonder spelen op de Zaan. Wij hadden een oude zinken badkuip die ideaal bleek om in te kunnen varen. Het gaatje in de bodem hadden wij vakkundig dichtgestopt met wat teer. Je moest er op je knieën in gaan zitten. Alleen zo kon je het ronde ding in evenwicht houden. Nadeel was wel dat je regelmatig naar de kant moest om de bloedsomloop in je benen de kans te geven zich te herstellen. Met een plank als peddel hebben we aan deze badkuip veel plezier beleefd. Het mooiste was een flinke sleper die uit de sluis kwam en flinke golven maakte. Nog mooier was achter een schip aanvaren. Het schroefwater maakte lange golven waar de neus van de ‘boot’ mooi in kon duiken. Niet iedereen zag de lol in van deze nautische capriolen. Af en toe werden wij via de luidsprekers vanuit het brugwachtershuis op de Beatrixbrug gemaand te verdwijnen en ook van veel schippers kregen wij dergelijke bevelen. Met de wijsheid van nu vraag je je af hoe dom we wel niet bezig waren. Het was beslist gevaarlijk.

Vlotten bouwen was ook een favoriete bezigheid. De steiger van IJzerhandel Huisman bood daarvoor alle materialen. Wij konden via het erf van Grauwelman, Negrijn en fotograaf de Jong bij die steiger komen. Pallets genoeg en in het afval vonden wij spijkers te kust en te keur. De kromme sloegen we recht. Zo hebben wij een keer een vlot gebouwd wat genoeg draagkracht had om ons beiden te dragen. De bovenkant lag dan wel gelijk aan de waterlijn maar het hield. Een nadeel was dat je moest blijven staan. Mensen op afstand moeten in ons beslist twee jonge Zaanse jezusjes gezien hebben die op het water van de Zaan konden lopen. Met lange planken als peddels voeren we het pontje van het Ruyterveer voorbij. Dat de schipper een beetje gas gaf omdat het pontje los kwam van de kade konden wij niet weten. Het schroefwater trok eerst het vlot een halve meter naar beneden om het vervolgens schuin omhoog te drukken. Toen waren wij al aan het zwemmen. De schipper heeft ons nog aan boord gehesen en zo konden wij, heel hard lopend en een spoor van water achter ons latend door de Westzijde naar huis. Moeders was niet blij. Nog meer vieze was en wat zullen de mensen wel niet denken.

Dempen waren een ideaal speelgebied. Voorheen open riolen die dichtgegooid waren. Het huisje achter in de tuin werd vervangen door een echt toilet in of aan de woning en de gedempte riolen kregen de status van een achterom. Er waren er drie. Eén tussen de Zeemanstraat en de Stationsstraat. Daar kwam je door langs de personeelsingang van de Typhoon te lopen. Eén was er tussen de Stationsstraat en de Herengracht. De ingang was aan het einde van de steeg tussen Bischoff en het Doopsgezinde weeshuis. Deze demp liep helemaal door tot de Herenstraat. De laatste kon je bereiken via het Wijnkanspad. Je kwam dan halverwege de Hoopsteeg uit en de demp liep daarna verder. Of het dan op de Vaartkade eindigde weet ik niet meer.
Nu waren er aan de Herengracht een paar huizen die nog een wc aan de demp hadden. Een wc met daaronder het houten tonnetje. Wij staken een plank onder het tonnetje. Onder de plank, dichtbij het tonnetje, een klos of baksteen. En dan wachten. Wachten tot er eindelijk iemand gebruik ging maken van deze sanitaire voorziening. Als wij zeker wisten dat de man of vrouw goed zat, sprongen wij op het uiteinde van de plank. Het tonnetje vloog omhoog en het gevloek of geschreeuw was onze beloning.

Tussen het Wijnkanspad en de Botenmakerstraat lag een brandweerkazerne. Wanneer er, naar het geluid te oordelen ergens brand was, pakten wij onze fiets en gingen bij de kazerne kijken wat er op het bord stond. Daar werd voor de laatkomers opgeschreven waar de uitruk naar toe aan het rijden was. Ook voor ons was dat makkelijk. Je hoefde dan niet als een gek achter de brandweerwagen aan te sjezen.

Op een gegeven moment besloten de winkeliers in de Westzijde dat het wel mooi zou zijn om in de tijd voor kerst de straat op te fleuren met echte kerstbomen en elektrische lampjes. Wie de bomen regelde weet ik niet. Wel weet ik dat de familie Pootjes ( ja, die van Edison ) de lampjes kon leveren. Het was een feestelijk gezicht tot er een paar belhamels op het idee kwamen lampjes los te draaien. Niet één maar zo veel mogelijk. Per boom twee strengen met lichtjes geeft dan een hoop werk voor de hersteltroepen. Ze kwamen klagen bij onze vader maar die wist zeker dat zijn jongens dat nooit zouden doen. De volgende avond deden we het weer maar toen lagen de gebroeders Pootje in een hinderlaag. Wij konden bij ons de steeg nog invluchten. Voor onze vader viel er niet veel meer te ontkennen. ‘Niet meer doen’ was de wijze raad die hij ons gaf.

Ja, en dan luilak. Herrie maken met een omgekeerd conservenblik op de bagagedrager, touwtje via de zijkant van de wielnaaf en een spijker om het touwtje strak aan te draaien. Halve knijpers met elastiek op het doosje van de schoenensmeer en via de spaken laten ratelen. In alle vroegte krentenbollen halen bij de Zeeuw. Van twee, naar binnen draaiende deuren in een portiek, de deurknoppen met een oude binnenband van de fiets aan elkaar binden. Speld in de deurbel en aan de overkant van de straat wachten op de dingen die gingen gebeuren. Dat deden we ook als we ergens op een ruit bonsden en vervolgens een oud raam op de straat lieten vallen. Allemaal redelijk onschuldig maar helaas werd toen al langzamerhand het feest verpest door vandalisme en bijbehorende  politieoptredens.

Nu ik dit zo schrijf komen er natuurlijk veel meer herinneringen boven. TV kijken bij Wastora, met ouwejaar genieten van het vuurwerk bij Kota Radja, sinteremaarten lopen en bij Aspa de mooiste dingen krijgen, stripboeken lezen in de doorgang van Simon de Wit, rolschaatsen in de etalagegangen van Bischoff, op de dakkapel van ons huis liggen en de Westzijde van boven bekijken, gebakje bietsen bij de banketbakker van de Zeeuw, in de vakantietijd de bel luiden van melkboer Zwikker en aan het einde van de week er een paar daalders aan over houden, lopen op de bevroren Zaan en er een pesthekel aan hebben als het ijs stukgevaren werd, elke week het koper poetsen omdat de Zaan een tijdlang een giftig dampend en meurend water was. Gierende buikpijn van gejatte maar nog niet rijpe peren. Langs de deur met een gehuurde handkar om oud papier op te halen. Afleveren op het Rustenburg en met een paar klinkende guldens naar huis.

Zoals gezegd: het zal de leeftijd zijn en de nadering van luilak. Mooie herinneringen maar luilak en pinksterdrie zijn niet meer en dat is toch wel jammer.

 

©peter gortworst / mei 2020
foto: smeerling-antiek.nl     

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Zwartwit

Het einde van een warme zomerse dag. De grote groene speelweide bij het water ligt er verlaten bij. Het gras ademt de vochtige avondlucht met volle teugen in. Het moet zich herstellen van de spelende kinderen, de zonaanbidders op hun king-size badhanddoeken en de aluminium poten van de stoeltjes. Op een enkele plek gaat dat niet lukken. Daar is het gras verbrandt door onverlaten die meenden dat een wegwerpbarbecue geen kwaad kon.

Op die weide scharrelen twee figuren rond. Beiden speuren de grond af op zoek naar dat wat de bezoekers vandaag misschien vergeten of verloren zijn. Het zal een lucratieve bezigheid zijn want waarom zou je het doen als het niets oplevert. De ene is donker van kleur. Dat is een understatement. Hij is gewoon pikzwart. De ander niet. Die is het tegenovergestelde. Spierwit maar met een beetje grijs. Al rondscharrelend komen ze bij elkaar in de buurt.

‘Al wat gevonden?’ vraagt de witte.
‘Nee,’ antwoord de zwarte, ‘Niks bijzonders in ieder geval.’
Met een driftige tik schuift hij een leeg blikje opzij omdat je nooit kan weten of er toch niet iets onder ligt. Weer niks.
‘Er zijn wel eens betere dagen geweest,’ meent de witte.
‘Ja, maar de ene dag is de andere niet.’
‘Dat klopt.’
Geen van beide weet naderhand te zeggen hoe het moment ontstaan is. Voelden ze samen de diepere lading die in deze paar woorden schuilt? Eén ding weten ze wel: hier is het begonnen.

Het is zo’n moment, zo’n zeldzaam moment dat bedachtzaamheid, gelardeerd met gedachten over het bestaan in het algemeen en het doel van hun beider aanwezigheid op die plaats en dat uur, hen laat staren naar de ondergaande zon. Deze kust de horizon en wekt daarmee de filosofische gedachten, die zich daarachter bevinden en worden zo, alsof je ze echt kan zien, hanteerbaar voor deze zwarte en witte. Twee zielen, één gedachte. Het had zo mooi kunnen zijn.

‘Hoe is het eigenlijk om zo zwart te zijn?’ vraagt de witte na een korte, weldadige stilte.
Hij hoort hoe de ander even zijn adem inhoudt en heeft al spijt van zijn vraag.
‘Sorry,’ zegt hij dan, ‘Maar ik moest het even vragen. Ik loop er al zo lang mee. Hoe het is om wit te zijn weet ik maar zo mooi zwart als jij, daar kan ik mij geen voorstelling van maken. Weet je, eigenlijk ben ik een beetje jaloers. Wit is gewoon wit maar zwart lijkt altijd wel dieper zwart te zijn. Het glimt soms zo mooi en af en toe lijkt er wel donkerblauw of diepgroen doorheen te komen.’
‘Ik ben blij met de verduidelijking van je vraag,’ antwoordt de zwarte, ‘Ik was even bang dat er weer van die rare en nare opmerkingen zouden komen.’
‘O nee!’ zegt de witte geschrokken. ‘Dat is absoluut niet de bedoeling. Ik zal niet zeggen dat ik vrij ben van vooroordelen maar probeer mij telkens weer te corrigeren als ik het toch doe. Geloof mij, ik heb niets kwaads in de zin.’
De zwarte kijkt hem even aan maar weet toch niet goed wat te denken.
‘Zeg eens eerlijk,’ vraagt hij, ‘Ben ik nu je excuustruus? Praat je nu met mij om jezelf een goed gevoel te geven?’
De witte moet even slikken. Zijn eerste reactie is een glasharde ontkenning maar hij kan die nog net binnen houden. Dit gezamenlijke moment is kostbaar en zeldzaam en dat maakt hem stil. Een ontkenning zou het kapot maken. Alles zou weer zijn zoals het was en juist dat wil hij voorkomen. Het verbaast hem niet dat hij een lichte vorm van verdriet voelt. Bij hem zie je dat er aan de buitenkant niet van af maar het is een gevoelig wezen.

‘Laat mij even hardop denken,’ zegt hij zachtjes, ‘Misschien kan je het vergelijken met iets goed doen voor een ander. De ontvanger is blij en krijgt een goed gevoel maar de gever ook. Deels omdat zijn gift goed terecht komt. Deels omdat hij bij machte is om te geven en misschi…’
‘Stop!’ zegt de zwarte met een lichte stemverheffing, ‘Ik weet wat je gaat zeggen. Het maakt hem trots op zichzelf en bevestigt hem in zijn macht over de ander. Kijk wat ik kan en jij moet nu dankbaar zijn. En voor je een conclusie trekt: dit heeft niets met zwart of wit te maken. Het is van altijd en overal.’
De witte zegt even niets. Het gesprek gaat een kant uit die hij niet wilt maar zoals zo vaak zitten er meer kanten aan een zaak. Slecht zelden is iets zwart of wit. Dan zegt hij:
‘Je hebt gelijk. Helaas komt dat ook voor maar dat wilde ik niet zeggen. Er is een spreekwoord dat zegt “wie goed doet, goed ontmoet”. Er is een kans dat, vroeg of laat, de gever de ontvanger wordt. Niet iedereen kan dan daar mee om gaan. Iets goed geven is een kunst maar iets goed ontvangen ook. Blijdschap, afhankelijkheid en trots schuren in veel gevallen beetje. Maar ik wil even terug naar het begin van ons gesprek. Jij had het over een excuustruus. In mijn ogen ben je dat niet. Ik wilde een gewoon gesprek met je voeren en je iets vragen wat mij al tijden bezig houdt.’
‘En een gewoon gesprek begin je met te vragen hoe het is om zwart te zijn? Waarom begin je niet over de troep die hier ligt? Of over het weer? Snap jij nu zelf niet dat het lariekoek is wat je zegt? Vraag je dat ook aan een gele of een bruine of aan een geelbruine? En zullen we het even niet hebben over de onrust die ontstaat wanneer ik, als zwarte, in jouw witte wijkje kom?
De witte zwijgt. Hij meent dat zijn goede wil niet wordt begrepen en vermoedt sterk dat deze zwarte iets duidelijk wil maken wat hij niet begrijpt. De zwarte heeft voor de zoveelste keer ervaren dat er nog werelden te winnen zijn.

Het moment is stuk en beiden weten dat.
‘Je woont zeker bij al die andere witten daar bij de zee?’ vraagt de zwarte.
De witte knikt zachtjes.
‘En jij?’
‘In de stad. Dat park bij het station.’
De witte wil niet de eerste zijn die vertrekt. Het geeft misschien een verkeerde indruk, Daarom zegt hij:
‘Laten we maar op huis aangaan. Het is al te donker om hier nog goed te kunnen zoeken.’
‘Ja.’ zegt de zwarte kraai. Hij vliegt op en zet koers naar zijn kolonie in het park. De zilvermeeuw kijkt hem even na, neemt een korte aanloop en vliegt dan naar zijn wijkje in de duinen met allemaal witten. Twee vogels die met een ongemakkelijk gevoel blijven zitten.

 

 

© peter gortworst / mei 2020
afbeelding:  Campusblog.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De schoen op het nachtkastje

Ze is jong, beschikt over een bovenmatige slimheid en heeft een figuur waar menig mannenhart sneller van gaat kloppen. Gelukkig is niet iedereen perfect. Zij ook niet. Bij tijd en wijlen is zij een chaoot van het zuiverste water. Vaak gaat het goed maar er zijn van die momenten. Op de regel dat vrouwen de kunst van multitasking beheersen, is zij de spreekwoordelijke uitzondering. Dat weet zij van zichzelf heel goed. Daarom heeft zij zich, gedurende haar nog korte bestaan, handigheidjes aangeleerd. Zo staan er naast de kookplaat vier eierwekkers. Als ze alleen aardappelen, vlees en groente moet bereiden gaat dat nog maar met een extra pannetje voor bijvoorbeeld een saus, heeft ze de wekkers echt nodig. Gebruikt ze deze niet dan kan je er op wachten dat er iets aanbrandt. Ze is ook goed met het schrijven en plakken van notitiebriefjes en zonder agenda zou haar leven een opeenstapeling zijn van gemiste afspraken en vergeten verjaardagen.

De briefjes vullen een belangrijk deel van de spiegel in haar slaapkamer. Op het bed ligt haar koffer en één voor één trekt ze een briefje van de spiegel. ‘Rode topje’ leest ze en uit haar kledingkast haalt ze dat topje en doet het in de koffer. ‘Zwarte bikini’ staat er op de volgende. Met een warm en tevreden gevoel vult ze zo met briefje-kledingstuk-inpakken haar koffer.

Het is best een mooi gebaar van Betty, haar vriendin, om te vragen of zij voor tien dagen haar gezelschap wil houden op Tenerife. Zij zit daar minimaal een half jaar voor haar werk en dan kan je na een paar weken het thuisfront al aardig missen. Het is niet voor niets dat zij hagelslag, Engelse drop en stroopwafels mee moet nemen. Betty kijkt er naar uit dat ze weer gewoon in het Nederlands kan kletsen. Het Spaans gaat haar goed af maar de leukste grapjes maak je toch in je eigen taal.

Ze gaat vroeg naar bed. Vannacht om twee uur gaat de wekker. Ze drinkt het laatste restje jus d’orange en schakelt de koelkast uit. Die heeft de komende tien dagen ook vakantie. Als ze net in bed ligt schiet het door haar hoofd dat ze haar paspoort niet mag vergeten. Die heeft ze standaard verstopt achter het schilderij wat ze nog van haar oma heeft gekregen. Zichzelf kennende past ze één van haar handigheidjes toe: ze legt haar schoen op het nachtkastje. Dat doet ze vaker en als herinneringen oproepmiddel werkt het uitstekend.

Precies om twee uur gaat de wekker. De toch nog korte nacht is zij niet gewoon en half overeind komend zoekt zij, maaiend met haar arm, het klokje. Dan ploft ze terug en bedenkt wie het in zijn hoofd heeft gehaald vliegtuigen op zo een onchristelijk vroeg tijdstip te laten vertrekken. Ze bedenkt wat er nu gaat gebeuren en hoe leuk het zal zijn dat Betty haar straks op zal staan wachten. Met een schok komt ze overeind en constateert dat ze bijna een half uur heeft liggen dagdromen. Een licht gevoel van paniek maakt zich over haar meester. Gehaast kleed ze zich aan, pakt de koffer en haar handtas en spoed zich via het trappenhuis naar buiten. In de auto start zij de navigatie. Deze moet haar brengen naar het adres waar ze haar auto tien dagen kan parkeren. Er is bijna geen verkeer op de weg en als je de flits van de camera die de te hoge snelheid vastlegt niet meetelt, verloopt de rit voorspoedig.

De man van het parkeerbedrijf staat al op haar te wachten. Als zij zich wil verontschuldigen blijkt dat niet nodig. Er is tijd genoeg en wanneer hij haar in zijn bedrijfsauto naar de luchthaven vervoert, komt zij een beetje tot rust. Het kaartje met zijn telefoonnummer heeft ze in haar tas gestopt en ze geniet van de rit. Het is een mooie heldere nacht en ze ziet dat het in het oosten al langzaam licht wordt.

In de hal van de luchthaven blijkt dat er nog genoeg tijd is voor een kop koffie en een broodje. De smaak van de koffie is onevenredig met de prijs die zij daarvoor betaalt. Als ze het toch maar weggewerkt heeft, opent ze haar tas en vist daar de tickets uit. Dan voelt ze een koude rilling opkomen. Het begint bij haar voeten, kruipt langzaam omhoog en nestelt zich uiteindelijk tussen haar schouderbladen. Paspoort! Waar is haar paspoort? Ze probeert na te denken. Heeft ze het nu wel of niet achter dat schilderij vandaan gehaald? Heeft ze vanmorgen de schoen op het nachtkastje niet gezien of lag dat ding er helemaal niet? Ze zoekt wel drie keer haar handtas na en doet dat ook met de koffer. Het resultaat is hetzelfde: geen paspoort.

Het eerste wat ze doet is Betty bellen. Die valt bijna om van het lachen. Ze had het kunnen verwachten en kom op meid, je komt gewoon een weekje later. Dat gaat ze ter plekke organiseren. Ze boekt haar vlucht om maar dat gaat niet zonder kosten. Meer dan ze redelijk vindt. Ook de man van de parkeerplaats wil geld zien. Prima dat ze volgende week weer komt maar dat heen en weer rijden gaat niet zonder wederdienst in de vorm van geld.

Zodra ze thuis komt, kijkt ze achter het schilderij. Het paspoort lijkt haar wel aan te grijnzen en voor ze het vergeet plakt ze een briefje op de spiegel. ‘Paspoort’ staat daar dik onderstreept. Dan kijkt ze in de slaapkamer naar de schoen. Die ligt naast het nachtkastje en langzaam begint er een vermoeden te groeien dat het wel eens haar eigen schuld kan zijn. Ze trekt de deur van de koelkast open en staart in een donkere, lege ruimte. Met een diepe zucht gaat ze aan haar tafeltje zitten en begint aan een boodschappenlijstje. Wil ze volgende week halen dan zal er gegeten moeten worden. Troostvoer. Heel veel troostvoer.

 

 

 

© peter gortworst / mei 2020
foto: verhuis.de

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Ze is samen

 

Hier, in dit bos, bekend vanaf haar jeugd, loopt ze met een murw geslagen lijf en onrustige geest. Het is vroeg in de ochtend en de koude nevel wordt doorboord met lichte banen zonlicht. De frisse boslucht snuift ze met diepe teugen op in haar longen. Hier plukten ze bosbessen, maakten hutten, speelden verstoppertje en liepen speurtochten. Alles was goed. Het bestaan overzichtelijk en vredig. Het leven lachte de kinderen toe en de wereld lag aan hun voeten. Misschien zijn dat wel de redenen geweest om nu terug te komen. Zoeken naar iets wat houvast kan geven, een gevoel wat je misschien weer oproepen kan. Het leven lacht niet meer naar haar en alles wat aan de voeten ligt, zijn scherven van wat hij grijpen en gooien kan.

Hij, de mooie, de vriendelijke, de zorgzame mijnheer die voor de buitenwereld de schone schijn ophoudt. Voor iedereen maar niet voor haar. Zij mag het doen met zijn kleinerende opmerkingen, zijn eisen, zijn veel te losse handjes, zijn claims en buien van ongecontroleerde woede. O, ze weet best dat zij nog geen kinderen wilden, maar is het haar schuld dat ze nu zwanger is nadat hij haar, voor de zoveelste keer, verkracht heeft?

O ja, ze hebben haar gewaarschuwd. Gevraagd naar het waarom, hulp aangeboden en goede raad gegeven. Ze weet alleen maar dat zij hem lief heeft. Het is toch ook de man die lief kan zijn? Die haar laat voelen een vrouw te zijn, die nederig en vol schuldbesef haar overlaadt met liefde en cadeautjes. Die elke keer weer oprecht belooft dat het nooit meer zal gebeuren?

Zijn moordende stompen in de buik kan ze afweren. Ze moet haar kind verdedigen. Het gaat ten koste van slagen in haar gezicht. Ze probeert in een hoekje te kruipen en laat hem zijn gang gaan. Verweren roept nog meer woede op. Nooit gedacht dat ze dit zou moeten leren. Hij schopt, stompt, slaat, trekt haar aan haar haren door de kamer en schreeuwt dat ze dat kind weg moet laten halen. Vreemd dat je tijdens zo’n marteling een groot besluit kan nemen. Ze gaat bij hem weg. Als hij op een dag thuiskomt van zijn werk, zal zij er niet meer zijn.

Niet meer! Nu niet meer! Ze zal alle uitgestoken handen zoeken die ze grijpen kan. Wèg bij deze tirannieke leugenaar. Ze kiest niet meer voor haarzelf alleen. Ze is nu samen en kiest daarom ook voor het kind wat ze draagt.

De zonnestralen verlichten de ochtendnevel en in brede banen zijn ze door het bladerdak zichtbaar. En zoals de warmte van de zon de koude ochtendnevel langzaam verdrijft, zo zal het ook in haar leven gaan. Opstaan zal ze en zich door het volle zonlicht en de warmte laten koesteren. Ze kiest een nieuw leven wat haar weer toe kan lachen. Een leven met een spelend kind aan haar voeten. Haar eigen kind dat alles zal leren over het leven en de liefde en naar wie de wereld lacht.

 

© peter gortworst mei/2020
afb: Pinterest.com

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Meneer van der Eik

Het is precies zes jaar, twee maanden en achttien dagen later. Meneer van der Eik weet dat heel zeker omdat hij de dagen telt. Daar heeft hij alle tijd voor. Zijn enige taak is er ‘zijn’. Door er te ‘zijn’ maakt hij de lucht schoon, vangt hij met zijn bladeren stof, geeft hij onderdak aan vogels en insecten en levert hij voer voor de wilde zwijnen, de gaaien en de eekhoorns. Als je dat al meer dan tweehonderd jaar doet is dat er ‘zijn’ niet zo’n aandacht vragende bezigheid dus heeft hij tijd om de dagen te tellen. Hij telt vanaf het moment dat ze afscheid heeft genomen. Hij weet nog precies hoe dat ging en hoe dat voelde. Na zestig jaar leunde ze weer tegen zijn stam en kon hij eindelijk haar naam weer roepen. ‘Mijn Nootje!’ had hij juichend gedacht en ze hadden uren met elkaar door gebracht. Het was een dag om nooit te vergeten en hij heeft er wel drie zomers plezier van gehad. Hij niet alleen maar ook alle dieren. Hij produceerde meer eikeltjes dan vele jaren daarvoor en het bevestigde hem in zijn wetenschap dat aandacht geven een mooi iets is. Blijde verrassingen doen dat ook maar die houden het minder lang vol. Dat heeft wat met zielenroerselen te maken maar daar weet hij net niet genoeg van.

De jonge knul loopt voorop. In zijn hand een mobieltje waar hij voortdurend op kijkt. Hij stopt als zijn neus bijna de stam raakt. De anderen stoppen ook. Drie wat oudere mannen met dito vrouwen en acht jongeren die ongetwijfeld hun kinderen zijn, staan bij zijn stam. Ze kijken omhoog. Ze kijken om zich heen en als ze zien dat er geen andere oude eiken in de buurt staan, stellen ze vast dat dit meneer van der Eik moet zijn. Ze gaan in een kring zitten. Uit een rieten mand komen lange dunne glazen en uit een koeltas champagne. Met een plof gaat de eerste fles open en worden de glazen gevuld. Dan toasten ze met elkaar op hun moeder en oma die toch maar mooi zo een fantastisch geheim had. Het duurt maar even en dan komen de verhalen, de anekdotes en de herinneringen van alle goede en slechte tijden. Soms schateren ze het uit om dan weer overmant te worden door verdriet. Rouwen is nu eenmaal een complex gebeuren en zeker als je het goed wil doen. De tweede fles wordt open gemaakt en de ouderen tikken met het volle glas tegen de stam. Meneer van der Eik heeft geen idee wat ze zeggen maar het zal vast goed bedoeld zijn.

Een plechtig moment voel je soms aankomen. Ook meneer van der Eik voelt dat. Er wordt een houten kistje open gemaakt en daaruit haalt één van de kinderen een soort vaas met een deksel. Als het deksel er af is, ziet meneer van der Eik dat er een witgrijze as in zit. ‘Mijn Nootje’ weet hij.  Ieder van de ouderen en ieder van de kinderen strooit een beetje as rondom zijn stam. Het komt precies uit. Als ze rond zijn, is de vaas leeg. Een mooie toevalligheid.

Het doet meneer van der Eik meer dan hij zeggen kan. Hij is diep onder de indruk en hij niet alleen. De wind houdt zich zo stil dat er geen blad ritselt, geen takje kraakt, geen vogel zingt en geen insect zoemt. Het is alsof alles en iedereen weet dat dit een uitzonderlijk moment is. Dan begint de zanglijster, die in de jeneverbes woont, te zingen. Hij zit in het topje van zijn struik en zijn zang klinkt als een ‘last post’. Als meneer van der Eik het zou kunnen, had hij op dat moment een traan gelaten.

De nazaten van zijn Nootje pakken alles weer in. Als ze weglopen en bij het pad zijn, gaan ze op een rij staan en buigen diep. Voor Nootje en voor meneer van de Eik. Hij zou wel willen bedanken en terug willen buigen maar voor een boom van bijna driehonderd jaar is dat laatste geen goed idee.

Er valt veel na te denken. Nootje is terug. Mooi dat haar kinderen dat gedaan hebben. Onwil en laatste wil zijn toch twee verschillende dingen. Hij vraagt zich af wat er gebeurt als regen de as in de grond laat trekken en zijn wortels bereikt. Toch heeft hij niet veel hoop op iets bijzonders of iets magisch. Als je zo oud geworden bent, weet je dat dood het einde is. Het grote vergeten kan even duren maar uiteindelijk is het moment daar en ben je de bloem op het veld die vertrapt wordt. Niemand bekommert zich om haar en niemand kent haar plaats nog. Toch doet de wetenschap dat de laatste resten van zijn Nootje bij hem zijn, hem goed. Ze was haar hele leven in zijn hart verankert en wat hier vandaag is gedaan, onderstreept dat alleen maar. Op zijn beurt haalt hij alle herinneringen aan haar op en het maakt hem blij en droevig tegelijk. Nootje voelde zich bevoorrecht hem te kennen en hij hoopt dat het haar duidelijk was dat hij zich ook zo voelde. Er zijn immers niet veel bomen die de kans krijgen om met iemand als Nootje te denken.

De volgende morgen is de jongeman die de vorige dag met zijn mobieltje bijna tegen hem aan botste, terug. Hij gaat met zijn rug tegen de stam zitten en meneer van der Eik hoort hem denken. Zoals mensen vaak intuïtief aanvoelen of een ander enige vorm van sympathie krijgt of heeft bij een eerste kennismaking, heeft meneer van der Eik dat ook. Zonder dat er nog veel heen en weer gedacht is, weet hij dat deze jongen niet deugt.

‘Hoe heet jij?’
‘Ik ben Donald. De oudste kleinzoon van oma.’
‘En wat kom je doen?’
‘Ik wil dat jij mij leert hoe ik met dieren kan denken.’
‘….Jij?’
‘Ja, jij. Tegen wie zou ik het anders moeten hebben?’ zegt Donald korzelig.
O, dat hatelijke toontje. Hoe anders is dit. Hoe veel mooier was het met zijn Nootje die hem zijn titel gaf en die hij met trots draagt. Hij vraagt:
‘Waarom wilt ú dat leren?’
‘Omdat ik daar veel geld mee kan verdienen. Mijn oma was zo stom om er niets mee te doen. Ze had wereldberoemd kunnen worden en er bakken met geld aan over kunnen houden. Helaas diende ze alleen maar als dierenarts terwijl er zo veel meer uit te halen was. Zeg nou zelf: dat is toch eeuwig zonde?’
Meneer van der Eik is er even stil van.
‘Hoe weet ú dat wij met elkaar kunnen denken?’ vraagt hij dan.
‘Dat heb ik gisteren ontdekt toen ik je even aanraakte.’
Meneer van der Eik weet daar niets van. In alle emoties is dat hem blijkbaar ontgaan. Niets menselijks is een boom vreemd.
‘Weten úw ouders dat ú hier bent?’
‘Nee. Die zijn met z’n allen een dagje naar Giethoorn. Ik had daar geen zin in maar vooral geeft mij dit de kans om van jou even te horen hoe ik met dieren kan denken.’
‘Stel dat ik het ú leer. Wat wilt ú dan met deze gave doen? Wordt ú misschien ook dierenarts?’
‘Hou eens op met dat ge-ú!’ En nee zeg. Alsjeblieft! Geen dierenarts. Jaren leren, werken bij nacht en ontij, regelmatig in de stront staan en amper wat verdienen. Doe mij een lol! Nee, ik wil dan een soort van paardenfluisteraar worden. In de oliestaten hebben ze toppaarden en daar een beetje werken verdient heel goed. En natuurlijk op tv met shows. Moet je eens kijken wat die hondentrainers op tv verdienen en in wat voor huizen ze wonen. Zo iets wil ik ook wel.’
‘Hm. Wat zal ú het dan jammer vinden dat ik het ú niet leer.’
‘Wat?! Waarom niet?’

Meneer van der Eik zegt even niets. Hij moet nadenken. Hij heeft het Nootje geleerd omdat hij wist dat zij het niet voor eigen gewin ging gebruiken. De wereld van Nootje werd oneindig groter toen zij met dieren kon denken en deze wereld werd voor iedereen beter. Al denkend met dieren werd zij zich bewust dat er niet een aparte mensenwereld en een aparte dierenwereld is. Voor Nootje was er maar één wereld en in die wereld was zij een verbindende factor. Ze heeft gedaan waar ze goed in was: zich in dienst stellen van. En juist dat is iets waar deze jonge man geen kaas van heeft gegeten en het met grote zekerheid ook nooit zal doen. Dat is voor hem een wereld waar hij geen vermoeden van heeft en wanneer wel, hij het waarschijnlijk ook nog zal afwijzen. Trekken aan een dood paard en in weerwil van alles moet hij een beetje lachen om de woordspeling.
‘Nou?’ vraagt de jonge man ongeduldig.
‘Daarom niet.’ antwoord meneer van der Eik en het zijn de laatste woorden die hij tegen hem denkt.

Donald zit nog zeker een half uur te proberen om met meneer van der Eik te denken. Dan staat hij op en loopt weg. Even later is hij terug met een polsdikke stam van zeker twee meter lengte op zijn schouder. Als hij bij de stam van meneer van der Eik staat, zwaait hij met een reuzenslag en met de uitroep ‘stomme kutboom!’  het hout tegen de stam. Dat had hij beter niet kunnen doen. De schokgolf in het stuk hout verplaatst zich naar zijn handen en armen en kermend van de pijn zakt hij door de knieën. Gebogen en met de handen tussen de dijen loopt hij weg.

Meneer van der Eik kijkt hem na.
‘Juist,’ zegt hij, ‘Daarom dus.’

 

 

Het eerste verhaal ‘Het meisje en meneer van der Eik’ vindt u hier:
https://petergortworst.com/2019/12/11/het-meisje-en-meneer-van-der-eik/

 

© peter gortworst / apr. 2020
afbeelding: http://www.pinterest.co.kr

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 3 reacties