Zee

Als ze de opvouwbare scootmobiel voorzichtig achter in de auto legt, voelt ze het al. Het is perfect strandweer: grijze lucht, harde wind en niet koud. Het is de dag waar ze naar heeft uitgekeken.

Vier lange maanden was ze belemmert in haar komen en gaan. Auto rijden was geen probleem maar lopen een heel ander verhaal. Regelmatig heeft ze in de supermarkt met haar kont op de rollator gezeten omdat het even niet meer ging. Ze waardeerde de zorgelijke vragen van de andere klanten en net zo hevig haatte ze deze. ‘Nee, het gaat wel goed. Moet alleen even uitrusten’ heeft ze, naar haar gevoel, talloze malen moeten zeggen. Voor iemand die onafhankelijk wil zijn en er de pest in heeft dat haar benen niet meer goed willen, was dat elke keer weer een opgave. Accepteren dat je oud wordt is nog te doen maar dit gebrek bederft de vreugde wel en dat maakt die acceptatie een stuk lastiger.

Tot de scootmobiel kwam. Een lichtgewicht opvouwbaar ding wat niet meer vraagt dan een snoertje naar het stopcontact. Ze is er wijs mee. Ze rijdt er stad en land mee af en geniet van de wind door haar haren, snuift als een hond alle geuren op en zelfs een beetje regen houdt haar niet in huis. De supermarkt doet ze in de helft van de tijd en als ze de bejaardensoos bezoekt, hoeft ze haar auto niet meer voor die twee kilometer van stal te halen. Het klinkt gek maar ze is zelfs een beetje verliefd op dat ding geworden. Als ze ’s avonds naar bed gaat, stopt ze de stekker in het stopcontact. Met een kort piepje laat het apparaat weten dat het laadproces aangevangen is.
‘Ja’, zegt ze dan, ‘Jij ook welterusten. Goed je best doen hoor. Morgen heb ik je weer nodig.’

Op het strand waar zij naar toe rijdt, is in de winter niets te doen. De strandtenten die daar in de zomer staan, worden in de herfst afgebroken. Het is haar favoriete plek. Toen zij nog goed ter been was, maakte ze vanuit hier lange wandelingen langs het strand.
Ze parkeert haar auto boven op de parkeerplaats. Als ze uitstapt ademt ze diep door haar neus de zilte zeelucht in en ze voelt zich gelukkig. De harde wind komt met vlagen en voert met elke vlaag zand mee. De betonplaten liggen deels onder het zand. Behoedzaam stuurt ze haar scootmobiel over de delen die nog goed begaanbaar zijn. Haar sjaal heeft ze voor de neus en mond gebonden en de bril beschermt haar ogen. De betonplaten houden aan de voet van de duinen op. Ze remt keurig op tijd en zet de scootmobiel op de handrem.

De horizon is niet te zien. De grijze zee gaat naadloos over in de grijze lucht. Met witte toppen en een donderend geweld breken de golven op het strand. Vuilgele schuimvlokken liggen bibberend bij elkaar of jagen over het zand. Een enkele meeuw scheert laag over het water. Er is geen mens te zien en dat vindt ze heerlijk.

Van jongs af aan is de zee haar vriend. Vroeger namen haar ouders hen mee voor een dagje naar het strand. Kuilen graven deed ze niet. In de zon liggen ook niet. Het liefst stond ze daar in het water waar de golven nog niet braken. Ze ging zo ver het water in dat ze nog net kon staan en genoot van elke golf die haar even optilde. ‘Het water wat draagt als in de moederschoot’ zou ze later ontdekken. Vreemd vindt ze dit denken niet. Ze is van mening dat onze oorsprong in de zee ligt dus als je door het water gedragen wordt maak je contact met een heel ver verleden. Ze mijmert over de vele zeeën die ze heeft gezien en bevaren. De vele overtochten met de veerboten naar Engeland en die je even een zeeman of zeevrouw laten zijn als je tenminste op het dek blijft. Het kristalheldere water bij Bali of Nieuw Zeeland. De keer dat ze met windkracht 12 op de Hondsbossche zeewering probeerde te blijven staan en de meeuwen achteruit vlogen. Het zoute water wat haar bril ondoorzichtig maakte en haar lippen naar zee liet smaken. De machtige branding op de rotskusten van Noorwegen. Getuige zijn van een langzaam vollopende Waddenzee. Ze glimlacht. Altijd en overal, bij elke zee of oceaan en elke keer weer moest ze haar vingers in het water steken om te kunnen proeven. Het zoute water smaakt overal anders en toen ze deze rare gewoonte eens aan een pastoor vertelde, bleek hij hetzelfde te doen.
‘Wat doe jij met je vingers in mijn zee?’ vroeg hij lachend.
‘Proeven waar we vandaan komen,’ had ze geantwoord maar daar bleek hij toch heel anders over te denken.
Natuurlijk weet ze best van de gevaren. De spreuk ‘de zee geeft en de zee neemt’ is haar bekend. Als ze op Urk is en bij het standbeeld van die vissersvrouw staat, voelt ze zich schuldig. Er zijn velen die de zee, waar zij zo veel van houdt, haten omdat deze genomen heeft wat hen dierbaar was. Onbarmhartig en genadeloos kan haar vriend zijn en toch houdt ze van hem.

Achter de wieltjes van haar scootmobiel vormen zich kleine duinen. Ze wordt wat rillerig en besluit om weer naar de auto te gaan. Ze maakt de handrem los en als de scootmobiel van de helling af naar voren rijdt knijpt ze instinctief de handel in. Het gebrek aan ervaring nekt haar. Te laat herinnert zij zich dat knijpen gasgeven is. ‘Ho!’ roept ze maar daar rem je niet mee. De scootmobiel schiet naar voren om zich één meter later vast te rijden in het zand. Rul zand is geen stabiele ondergrond en het voertuig wankelt. Haar poging om rechtop te blijven werkt niet. Met een ‘wel verdomme’ kieperen ze samen om. Ze blijft even liggen en wacht af of ze ergens pijn voelt. Als ze niets verontrustends bemerkt, gaat ze zitten om het volgende probleem onder ogen te zien. Hoe komt ze overeind? Die krakkemikkige benen hebben tijdens de therapie wel geleerd hoe te lopen en te zitten maar opstaan vanaf de grond zat niet in het pakket. Ze kijkt om zich heen. Zo’n vijf meter achter haar worden de duinen afgeschermd door prikkeldraad en dat zit vast aan houten palen. Op haar kont hobbelt ze daar naar toe en het lukt haar om zich aan een paal op te trekken. Voetje voor voetje schuifelt ze naar haar scootmobiel, zet hem uit en rechtop. Dan trekt ze hem naar de betonplaten en veegt het meeste zand er af. Ze is doodmoe geworden en kan alleen maar stil op het stoeltje zitten. Als het weer gaat, draait ze het sleuteltje om en knijpt in de gashandel. Er gebeurt niets. Ze zet hem weer uit en aan maar niets helpt. ‘Nou, daar ben je lekker mee’ denkt ze, ‘Wat nu?’
Omhoog lopen met een scootmobiel kan ze wel vergeten. Dat redt ze nooit. Ze vist haar mobieltje uit haar zak en bedenkt wie ze zou kunnen bellen. Het noodnummer lijkt haar wat overdreven. Zo erg is het niet. Haar kinderen wonen te ver weg, de buren wil ze niet lastig vallen en die oudjes van de bejaardensoos al helemaal niet. Dan weet ze het: de ANWB! Ze is per slot van rekening al jaren lid en heeft ze nog nooit nodig gehad. Eens moet het de eerste keer zijn.

‘Waar staat u?’ vraagt de dame van de ANWB.
Ze vertelt bij welke strandopgang ze is.
‘Ik ben omgevallen en nu doet hij het niet meer.’
‘Is de auto omgevallen!?
‘Nee, mijn scootmobiel en ik zat er op.’
‘Ja?’
‘Ik krijg dat ding de strandopgang niet op. Mijn benen redden dat niet.’
‘Is daar niemand die u helpen kan?’
‘Nee, gelukkig niet. Je ligt daar toch maar mooi voor gek toch?’

De dame belooft iemand te sturen en als er over een half uurtje nog niemand is moet ze weer bellen. Ze wacht en na een kwartiertje verschijnt er boven aan de strandopgang een politiewagen. Een wat oudere agent met een jonge agente stappen uit.

‘Had u de ANWB gebeld?’ vraagt de agent.
‘Ja, het leek mij niet iets voor 112’.
‘Wat is er gebeurt?’ vraagt de agente.
Ze vertelt van de rem, de gashandel, het rulle zand en het moeilijk opstaan en lopen.
‘Maar waarom bent u hier?’ vraagt de agente.
Ze draait zich om en wijst naar de zee.
‘Is het niet prachtig? Al dat water, die wind, dat zand, die geur?’
De ambtsdragers kijken en zwijgen maar iets van bewondering of ontzag is hen vreemd.
‘Is het wel zo verstandig om naar een plaats te gaan waar geen mensen zijn?’ wil de agent weten, ‘Stel dat u geen mobieltje bij u had. Wat dan?’
‘Stel dat jij geen agent geworden was. Dan had je hier nu niet gestaan. Luister, ik heb mij al heel lang geleden voorgenomen mij geen vragen te stellen met ‘als’ of ‘stel dat’. De dingen gaan zoals ze gaan en daar valt weinig tegen te doen. Ik heb mijn mobieltje altijd bij mij. Niet voor ‘als’ of ‘stel dat’ maar omdat ik het gewoon prettig en makkelijk vind. Nu komt het goed uit en dat is prettig.’
‘Hm’, zegt de agent.
‘Is die auto die boven staat van u?’ vraagt de agente.
‘Ja’.
‘Dan rijdt ik onze wagen even hier naar toe en breng ik u naar uw auto. Mijn collega ontfermt zich wel over uw scootmobiel.’

Ze is weer thuis en heeft de reparateur al gebeld. Ze komen morgen. De scootmobiel staat op zijn vertrouwde plaats bij het stopcontact. Ze is vergeten te vragen of het wel verstandig is om hem op te laden. ‘Rotding!’ zegt ze zachtjes en geeft een schopje tegen de zijkant. Uit verontwaardiging, maar het kan ook verdriet zijn, laat het ding een straaltje zand op het tapijt lopen.
‘Oké, sorry. Het was mijn schuld’, en met een diepe zucht haalt ze de stofzuiger uit de kast.

 

 

© peter gortworst / jan. 2020
afbeelding: nrc.nl     

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Tijd

Zo af en toe kom je het plaatje nog eens tegen: het oude jaar afgebeeld als een oude man en het nieuwe jaar als een pasgeborene. Soms is de oude man een goedmoedige grijsaard met een lange, golvende baard en een andere keer een narrige en lelijke man die met een leeggelopen zandloper onder de arm weggejaagd wordt door een montere jongeling.

Het zal de weemoedigheid dezer dagen zijn die gedachten over deze twee zonderlingen de vrije loop geeft. Laten wij eens aannemen dat de oude man de gezegende leeftijd van 100 jaar heeft bereikt. Een vol jaar verdient immers een mooi rond getal. Tot de laatste dag heeft hij zijn werk voorbeeldig gedaan en dan verdwijnt hij. Dat is onbevredigend en wonderlijk. Het jaar is om, de man heeft zijn werk, zijn levensbestemming bereikt en dan verwacht je een dode, oude man in een kist. Natuurlijk mooi opgebaard en beschikbaar voor ieder die nog even afscheid wil nemen. Misschien dat iemand nog even het woord wil voeren want de dode heeft zich toch maar zijn hele leven (wat slechts één jaar duurde) kranig gedragen en zijn taak tot het einde toe, voorbeeldig volbracht. Maar nee, hij vertrekt. Waar gaat die oude man heen? Hij verdwijnt letterlijk uit beeld. Het kan natuurlijk zijn dat hij, gelijk dieren doen, een plekje zoekt om rustig te sterven. Hij is immers ‘uit de tijd’ en er wordt niets meer van hem verwacht. Iets als een bejaardenoord voor ouden der jaren is ondenkbaar. Je bestaat niet meer en je wordt alleen nog in herinneringen genoemd.

Dan die jongeling die het symbool moet zijn van het nieuwe jaar. Meestal is dat een merkwaardig gedrocht. Een lijf als een baby maar dan geschetst als een kind van vier met vaak een hoofd wat hoort bij een volwassene. Ook hij heeft slechts één jaar te leven en om op 31 december de leeftijd van 100 jaar te bereiken, wordt hij per 3,65 dagen één jaar ouder. Los van de lichamelijke consequenties van die snelle groei is waarschijnlijk dit het gegeven dat zijn uiterlijk zo bijzonder maakt. De avond van de 10e januari is hij al zindelijk en bedient zich van de eerste woorden. Op de 21e januari heeft hij de peuterschool doorlopen en vinden we hem terug in groep 3 van de basisschool. Begin maart kan hij autorijden en heeft het meeste onheilaanrichtende pubergedoe achter zich. Begin juli wordt hij vijftig en dient zich waarschijnlijk zijn midlifecrisis aan. Na 237 dagen ontvangt hij, als het SVB tenminste deze snelle ontwikkeling bij kan houden, zijn AOW en kan hij zich opmaken voor de eindspurt naar 31 december. Maar waar komt deze jongeling vandaan? Wie zijn de ouders van deze knaap? Het is sowieso knap een kind te verwekken met deze eigenschappen maar het dan ook nog ter wereld te laten komen op precies 00,00 uur vraagt bovennatuurlijke vermogens. Maar is het voor een pasgeborene mogelijk die oude man uitgeleide te doen of wordt het kind iets eerder geboren om in staat te zijn met de levenstaak te beginnen als de luiers verleden tijd zijn. Na drie dagen is het immers bijna één jaar en zou voor een kind met dergelijke kwaliteiten, de zindelijkheid geen probleem meer moeten zijn. Maar dan nog blijft de vraag waar dit kind vandaan komt. Van ‘uit de tijd’ naar de tijdelijke ‘in de tijd’?

De rusttijd tussen de verplichtingen van kerst en het oliebollen bakken voor oud en nieuw, is niet voor een ieder gegeven. Als ik in deze periode mijn gedachten de vrije loop geef, gaan ze met mij aan de haal en dat maakt mij knap onrustig. Gelukkig heb ik tijd genoeg en nadenken en schrijven over ‘tijd’ is een aangename tijdsbesteding. Tevens een mooie gelegenheid om mijn lezers een gezond, blijmoedig en creatief nieuw jaar te wensen.
Bij deze gedaan.

 

 

©peter gortworst / dec 2019  

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , | 1 reactie

Het meisje en meneer van der Eik

Ze heeft vooraf goed op de kaart gekeken en opgeschreven hoe ze rijden moet. Netjes en overzichtelijk onder elkaar. Niet dat ze snel verdwaald maar je weet maar nooit en in zestig jaar kan er veel veranderen. Op de snelweg ziet ze dat het dorp, haar geboortedorp, al op het blauwe bord van de ANWB staan. Nog een paar kilometers en dan is zij er.

Hij heeft haar meer lief dan hij durft te zeggen. Zijn eerste kind en een kind naar zijn hart. Onbevangen, open, het hart op de tong en een durfal. Een robbedoes van het zuiverste water met ongekende kwaliteiten. Heeft hij moeite om de koeien op stal te krijgen dan vraagt hij haar te helpen. Een kind van zes en er is geen koe die niet naar haar luistert. De hond doet alles voor haar en het varken gaat al op haar zij liggen als ze het kot instapt: er wordt weer gekroeld. Dat ze van dieren houdt is wel duidelijk. De kleine boerderij is haar wereld maar er is meer dan dit. Dat weet ze en dan vraagt ze. Vaak weet hij de vragen te beantwoorden maar net zo vaak niet. Soms zijn het kinderlijke vragen maar voor hetzelfde geld vraagt ze iets waar hij geen antwoord op heeft. Waarom gaat een mens wel naar de hemel en een koe niet? Met wie trouwden Kaïn en Abel als zij de kinderen van de eerste mensen op aarde waren? Als de ruimte steeds groter wordt, in wát wordt het dan steeds groter? Vragen die niet alleen hem maar ook zijn vrouw af en toe tot wanhoop drijven. Vragen die komen op momenten dat hij het niet verwacht. Als zij op zijn schoot zit en de trekker stuurt bijvoorbeeld. Hoe kan je dan in een paar zinnen vertellen hoe het komt dat er seizoenen zijn? En dan de alles overtreffende vraag: Waarom?

De kerk is er nog. De bakker niet. Natuurlijk had ze verwacht dat er veranderingen hadden plaatsgevonden en de nieuwe huizen aan de rand van het dorp hebben aan die verwachtingen voldaan. Maar ook de bestrating. Geen klinkerweg meer maar asfalt. Voorbij de kerk moet ze rechtsaf en vroeger ging daar de klinkerbestrating over in een onverharde weg. Het huis van opoe Buntsma was het laatste huis wat nog aan de klinkerweg lag. Opoe is al jaren dood en het huis is herbouwd. Ze is er voorbij gereden zonder het te herkennen. Nog twee kilometer en dan zou daar de oprit naar hun oude boerderij moeten zijn.
Drie verticale vlaggen staan rechts van de oprit. Links een groot bord met de naam van het vakantiepark. Het weiland waar de pinken graasden en waar de overbuurman zijn knol mocht laten weiden is een grote parkeerplaats geworden en de boerderij is verbouwd. ‘Receptie’ ziet zij op het bord staan en een rood-witte slagboom belet haar, als ze dat al zou willen, de weg.
Ze heeft de auto in de berm gezet en kijkt. Niet voor de eerste keer valt de kneuterigheid van dit land haar op. Alles is afgebakend, ordelijk en klein. Ook hier. Het is kleiner dan wat zij zich herinnert. Volwassenen hebben dat wel vaker maar bij haar komt het sterker binnen. De weidsheid van het Canadese land maakt dat je groot gaat denken. Daar is ze volwassen geworden, getrouwd, kinderen gekregen en weduwe geworden. Haar wens om nog eenmaal haar geboorteland te zien, het dorp met de kleine huisjes en het boerderijtje van haar ouders waar ze zoveel mooie herinneringen aan heeft, is mogelijk gemaakt door haar kinderen. Ze is hen daar innig dankbaar voor en geniet met volle teugen van de tijd in haar geboorteland. Het Rijksmuseum heeft ze al gezien. De Zaanse Schans ook maar het Achterhuis, Den Haag en Madurodam staan nog op haar lijstje. Vandaag niet. Vandaag is ze hier en natuurlijk voor meneer van der Eik.

Dat zal je altijd zien. Als die dekselse meid nodig is om iets te doen is ze er niet. Ze zal wel weer in het bos zijn en op laatste moment binnen komen rennen. Wie dekt er nu de tafel en prikt er in de aardappelen? Zij moet helpen met melken en hoe graag ze het ook zou willen, koken en melken gaat niet samen.
‘Ga het bos in en zoek je zus!’ commandeert ze haar broertje.
Gehoorzaam vertrekt het ventje. Het gaat haar niet snel genoeg.
‘Rennen!’ roept ze hem toe en de klompjes klikklakken over het erf.

‘Wat is er in het bos te doen?’ vraagt haar vader als ze aan het eten zijn. ‘Je bent er de laatste tijd zo vaak en zo lang.’
Ze zwijgt en slaat haar ogen neer.
‘Nou?’
Even flitst er een gedachte door zijn hoofd. Ze zal toch geen vriendje hebben? Ze is nog maar negen!
‘Ze zat bij een boom met twee konijnen en een hertje,’ klikt het broertje.
Een klein grommend geluid ontsnapt uit haar keel. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich.
Haar vader zegt niets. Zolang het geen vriendje is maakt het hem niet uit.
‘Leuk,’ zegt moeder maar meer wil zij er ook niet over kwijt. Er zijn belangrijker dingen.

Het begint op te vallen. Zij en dieren hebben iets met elkaar. Ze weet ook niet hoe dat komt en al helemaal niet hoe bijzonder het is. Het is begonnen toen ze op een mooie dag het bos ingelopen was. Bij de grote eik is ze tegen de stam gaan zitten en de boom begint tegen haar te praten. Niet echt maar ze hoort in haar hoofd zijn stem en ze antwoordt door terug te denken. Dat gaat zo vanzelf dat het haar niet eens verwondert. Het is gewoon zo. ‘Mijn Nootje’ noemt hij haar. Hij leert haar dat zij, door te denken, ook kan praten.
‘Het hoeft niet altijd met herrie of wat jullie spraak noemen,’ zegt de boom. ‘Ik wordt soms horendol van al mijn bladeren als de wind er te hard doorheen waait,’ vertrouwt hij haar toe.

Hoe vaker ze bij de boom komt hoe meer ze leert over dat denken. Ze begroet hem altijd met ‘Dag meneer van der Eik’ en dan weet ze dat hij een beetje moet glimlachen. Meneer van der Eik is al heel oud. Meer dan 250 jaar en als je zelf negen bent is dat een niet te bevatten getal. Het grote voordeel is dat hij veel heeft meegemaakt en veel weet. Al die kennis probeert hij in dit meisje te stoppen want tot nu toe is zij de enige die de gave van zo kunnen denken heeft. Talloze mensen hebben tegen zijn stam gezeten maar nog nooit was er één die hem kon verstaan. Hij prijst de dag dat zij kwam. Ze maakt hem gelukkiger dan hij al was en vol ongeduld wacht hij elke dag op haar komst. Zelfs als je meer dan 250 bent kan een dag soms lang duren. Hij vertelt haar dan zij ook met dieren kan denken en om dat te bewijzen heeft hij een konijn gevraagd te komen als zij er ook is. Het begin was niet makkelijk weet ze nog. Het gaat met horten en stoten, denkfoutjes en misverstandjes maar al doende leert ze. Genoeg dieren om mee te oefenen en zo kan het gebeuren dat de waakhond die altijd aan de ketting ligt, haar denkt ook wel eens lekker te willen rennen. Ze maakt hem los en ze gaan samen het weiland in. De hond weet van gekkigheid niet hoe hard hij rennen moet, hoe snel hij kan wenden en keren en hoe ver hij springen kan. Hij rent en blaft de adem uit zijn lijf en als vader komt kijken wat er aan de hand is, weet hij niet wat hij ziet. Die hond moet vals en waaks zijn en zeker een meisje van negen zou op moeten passen voor zo’n hond. Hij verstopt zich een beetje en ziet dan dat zijn dochter de hond meeneemt naar het erf. Het beest loopt als een eendenkuiken achter de moeder aan. Dan legt ze hem weer aan de ketting. Alles zonder één woord te zeggen. Hij weet niets anders te bedenken dan ‘bijzonder’.
‘Hoe is het?’ denkt ze de volgende dag tegen de hond.
‘Spierpijn,’ moppert het beest, ‘Maar graag nog een keer als ik weer een beetje normaal kan lopen.’
‘Doen we,’ belooft ze.

Het denken met dieren geeft ook problemen en ze vraagt meneer van der Eik om raad.
‘De muizen zijn bang voor de kat, het varken weet dat ze dood gemaakt gaat worden en dat maakt haar verdrietig en de koeien willen weten waar hun kinderen zijn,’ denkt ze.
Meneer van der Eik heeft niet direct een antwoord.
‘Ik heb in mijn leven al miljoenen kleine eikeltjes geproduceerd,’ denkt hij, ‘Soms konden er een paar groeien maar die werden dan meegenomen omdat er iets van leer gelooid moest worden. Heel veel eikeltjes zijn opgegeten door de eekhoorns, de wilde zwijnen of ze zijn verstopt door de gaaien. Ik heb daar geen verdriet van. Zo gaat het nu eenmaal. Muizen zijn voedsel voor katten, slangen, vossen of uilen. Varkens zijn voedsel voor de mensen en koeien gaan nu eenmaal het huis uit. Net als mensen. Soms zijn ze zelf het voer en soms geven ze de mensen voer. Wie dat ooit bedacht heeft, als het al bedacht is, weet ik niet. Ik weet wel dat het al mijn hele leven zo is’.
Het antwoord bevalt haar niet maar als meneer van der Eik geen beter antwoord heeft, komt het misschien nog wel.

Via het vakantiepark kan ze het bos niet in. Ze rijdt een klein stukje door omdat daar een pad was dat het bos inloopt. Het pad is er nog maar de slagboom is nieuw. Ze zet de auto in de berm. Als ze uitstapt twijfelt ze of ze haar rollator of alleen haar stok mee zal nemen. Het wordt de stok. Meneer van der Eik mag niet weten dat er iets als een rollator is.

Ze herkent het bos niet. Alles is natuurlijk zestig jaar ouder geworden en kijk naar jezelf: jij bent ook niet meer dezelfde. Nieuw is wel alle rotzooi die ze ziet liggen. Overal liggen papiertjes, blikjes of flesjes. Dat was vroeger toch wel anders, mompelt ze in zichzelf.

Meneer van der Eik is er nog. Majestueus staat hij daar. Ook zestig jaar ouder maar dat is hem niet aan te zien. Met moeite gaat ze zitten en leunt met haar rug tegen zijn stam.
‘Dag meneer van der Eik,’ denkt ze.
Verbeeld zij het zich of ging er werkelijk een schokje door de boom?
‘Mijn Nootje!’ juicht meneer van der Eik, ‘Je bent terug!’
‘Ja en hoe is het met u?’
‘Ik heb op je gewacht. Je vertelde toen dat je met je ouders weg ging naar dat verre Canada en dat het heel lang kon duren voor je terug kwam. Ik ben zo blij dat je er weer bent! Je bent echt terug gekomen. O wat fijn. Wat een mooie dag!’
‘Ik ben terug gekomen om u te zien en om u te bedanken. Ik heb mijn hele leven plezier gehad van wat u mij geleerd heeft.’
‘O vertel, vertel!’

Ze begint bij het begin. De bootreis naar hun nieuwe land, de eerste jaren van bittere armoede, het kleine boerderijtje wat ze konden huren en hoe het hen langzaam beter ging. Haar vader vertrouwde haar blindelings als zij vertelde welke koe hij wel en welke hij niet moest kopen. Het vele werk wat, naast haar opleiding, gedaan moest worden,
‘Wat heb je geleerd?’ denkt meneer van der Eik.
‘Ik ben dierenarts geworden, samen met mijn man.’
‘Dom van mij. Ik had het kunnen weten.’
‘Als ik u niet had leren kennen, was ik het misschien niet geworden. U heeft mij geleerd om met dieren te denken en u kunt zich voorstellen wat voor een voordeel dat is geweest. Er kwamen mensen met hun dieren uit heel Canada maar ook uit Amerika. O, ik zou u oneindig verhalen kunnen vertellen van wat de dieren en de eigenaren mij zeiden. Vaak een wereld van verschil.’
‘Weten ze dat je met dieren denkt?’
‘Nee, niemand. Mijn man wist het niet en mijn kinderen weten het ook niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik keek wel uit. Voor je het weet ben je een heks en gaan ze over je schrijven of godbetert kom je op tv. Ik heb het alleen mijn vader vertelt toen hij dood lag te gaan maar hij wist het al. Hij was er trots op dat hij het zelf had ontdekt maar hij heeft ook zijn mond gehouden.’

Tijd gaat snel voorbij als je het goed hebt met elkaar. Het is al bijna donker als ze moeizaam opstaat.
‘Ik ga weg,’ denkt ze.
‘Ja, het is tijd. Kom je nog een keer terug?’
‘Als ik dood ben. Ik heb voor mijn kinderen alles opgeschreven zodat ze weten wie u bent en wat mijn grote geheim is geweest. Ik wil dat ze mijn as hier, om u heen uitstrooien. De coördinaten en de omschrijving staan ook op papier. Ik kom dus terug maar of wij dan nog met elkaar kunnen denken weet ik niet’.
‘Tja, daar heb ik ook nooit over nagedacht maar het is mooi dat je bij mij wilt zijn. Ik zal op je wachten maar maak alsjeblieft geen haast.’
Ze spreidt haar armen uit en drukt zich tegen de oude stam.
‘Dag lieve meneer van der Eik.’
‘Dag Mijn Nootje,’ en met bovennatuurlijk kracht laat hij zijn bladeren even ritselen.

 

 

 

© peter gortworst / dec 2019
afbeelding www, pinterest.co.kr

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Kateryna

In het buurthuis staat één biljarttafel en er zijn vijf spelers. Mannen op leeftijd die nog graag het spelletje spelen. Op deze koude, winterse woensdag zijn ze er allemaal. De pilsjes en de jonkies smaken best en het spel is voor de verandering ongewoon spannend. Teun en Gerard gaan gelijk op en Harry zit er vlak achter. Het zal er om hangen wie het eerst de 100 haalt. Niemand rekent op Bert maar als deze een ongelofelijke serie van 26 maakt is het spel uit. Ze ploffen in een stoel en Bert moet het ontgelden. Als ome Jaap die ballen niet zo mooi had neergelegd was het hem nooit gelukt, meent Gerard. Bert lacht een beetje schamper. Waarom zou een winnaar zich nog moeten bewijzen?

Ome Jaap was even naar het toilet geweest en als hij gaat zitten zegt hij:
‘Katrien was daar aan het schoonmaken.’
De anderen kijken hem vragend aan.
‘Ja? En?’
‘Nou…. Ik dacht zo…..Wat weten we eigenlijk van haar?’ vraagt ome Jaap.
‘Nou,’ zegt Harry, ‘Niet zo heel veel want ze praat amper Nederlands.’
‘Ze heet niet Katrien maar Katerina of Kati of Katrijn, zegt Gerard.
‘Waarom noemen we haar dan Katrien?’
Dat weet niemand.
‘Misschien omdat het makkelijker is,’ meent Teun.
‘Ze komt uit Rusland en woont alleen met haar zoon,’ weet Bert.
‘Ze komt uit de Oekraïne en haar zoon zit bij mijn kleinzoon in de klas. Ze woont in één van die huisjes bij jou achter, Teun,’ zegt Gerard.
‘O, daar. Dat zijn akelig kleine huisjes. Ze zijn van de gemeente. Sociale woninkjes. Als je daar woont heb je niet veel te makken,’ zegt Teun.
‘Dan zal ze wel een uitkering hebben,’ denkt ome Jaap, ‘Dat is geen vetpot.’
‘Maar voor dat schoonmaken hier. Krijgt ze daar dan geld voor of is dat vrijwilligerswerk?’
Ook dat weet niemand. Ze zwijgen en overdenken hoe Katrien het moet redden met haar zoon. Als de dagen kort en de nachten lang zijn met een winterse koude die je kleumend doet verlangen naar een warme zomerse dag, doet dat iets met mensen. En als dan ook nog Sinterklaas en kerst een geest oproepen van blijmoedige vrijgevigheid, is het niet verwonderlijk dat er in deze heren iets onbaatzuchtigs zijn opwachting maakt.

Na een paar minuten zegt ome Jaap:
‘Kunnen we niet wat voor haar doen?’
Het is het startschot van een zee aan ideeën. Helaas weet geen van de vijf of ze een tuintje heeft wat ze op kunnen knappen, hoe het er bij haar in huis aan toe is, of er misschien behangen en geschilderd moet worden en of ze wel genoeg meubels heeft. Uiteindelijk is het idee van Bert nog het beste. Ze lappen de man 20 euro en gaan daar, in de stad, een formidabel sinterklaascadeau voor kopen. Een grote doos met allerlei levensmiddelen die ze gewoon gebruiken kan en natuurlijk ook wat luxe dingen. Die koop je immers niet als je arm bent. Bert en Teun zullen zich daar mee bezig houden. Als Harry zegt een mooi gedicht te schrijven wordt dat met algemene stemmen verworpen. Katrien kan geen Nederlands lezen. Dat haar zoon dat wel kan, wordt vergeten. Ook weldoeners hebben soms gebreken.

Ze zijn met de auto van Bert naar de stad gereden en lopen nu, gebroederlijk naast elkaar achter de winkelwagen. In de auto hebben ze al met elkaar gesproken over wat er beslist gekocht moet worden. Koffie staat op nummer 1 en suiker op 2. Die zijn snel gevonden. Teun heeft een rekenmachine meegenomen en telt alle bedragen bij elkaar op. Bij de vleesafdeling slaat de twijfel toe. Is Katrien een moslima? Zo ja, dan mag er geen varkensvlees gekocht worden. Ze nemen het zekere voor het onzekere en kopen twee biefstukjes van de haas. Mandarijnen en druiven zijn altijd goed. Een blok jong belegen kaas natuurlijk ook. Koekjes en chocolade zijn lekker en als Bert zich plotseling herinnert dat zijn vrouw zich regelmatig insmeert met een soort zalfje, staan de twee mannen voor een rek met een heleboel lotions en weet geen van beide wat te kiezen. Gelukkig helpt een goedlachse dame op leeftijd hen uit de brand.

‘We zijn bijna op de honderd euro,’ zegt Teun als Bert een blik met haring in tomatensaus heeft gepakt.
‘Hoeveel hebben we nog?’
‘Iets meer als twee euro.’
‘Dan gaan we naar de kassa.’
Ze leggen gezamenlijk alle boodschappen op de band. Teun meent dat er voor die twee euro nog wel een doosje met pepermuntjes en een Bounty bij kunnen en ook deze gaan mee.
‘Dat is dan honderd euro en vijf cent,’ meldt het meisje achter de kassa blijmoedig.
De heren kijken elkaar aan.
‘Heb jij nog vijf cent?’ vraagt Bert.
‘Nee, ik heb helemaal geen geld op zak.’
‘Ik ook niet,’ zegt Bert, ‘Ik heb alleen maar die briefjes van twintig mee.’
Hij wendt zich tot het meisje achter de kassa, legt de vijf briefjes voor haar neer en zegt:
‘Zo veel geld en jij maakt je druk om vijf centen?’
‘Anders klopt de kassa niet,’ is het weerwoord.

Nu bemoeit ook Teun zich er mee en als hij omstandig vertelt waarom ze voor precies honderd euro inkopen hebben gedaan, ontgaat hem het gemor dat langzaam opwelt uit de rij wachtenden achter hen. Het kassameisje is standvastig en als ze voorstelt om dan maar wat terug te leggen, is dat tegen het zere been van Bert. Het gaat verdorie maar om drie centen en omdat de grootgrutters een hekel aan centen hebben ronden ze dat af naar boven. Als er iets één hele cent minder had gekost, was het precies honderd euro geweest dus waar maakt zo’n meisje zich druk om? Is het werkelijk zo een ramp als bij het opmaken blijkt dat er drie centen missen? De standvastigheid van het meisje is van het goede soort. Het blijft honderd euro en vijf cent of er wordt wat van de band gehaald. De rij wachtenden is het zat.
‘Wat is het probleem?’ roept een vrouw die nog lang niet aan de beurt is.
‘Er ontbreken vijf centen!’ roept Teun verbolgen.
‘Die kan je van mij ook wel krijgen,’ roept de vrouw terug.
Het muntstukje gaat van hand tot hand naar voren om uiteindelijk met een kleine rinkel in de lade van de kassa te verdwijnen. Mopperend over zoveel onbegrip, onbenul en onverschilligheid verlaten de heren de winkel.

De kartonnen doos zit helemaal vol en is beplakt met sinterklaaspapier. ‘Van Sint en Piet’ heeft Teun er met viltstift nog opgeschreven. In het donker dragen ze deze naar het huisje van Katrien. Zachtjes, zonder geluid te maken zetten ze de doos voor de deur. Ze kijken elkaar aan en dan druk Bert op de bel. Ze rennen, zo goed en zo kwaad als dat nog gaat, weg. Niemand heeft hen gezien.

Woensdag wordt er, voordat er ook maar één bal gespeeld is, verslag gedaan. Het ‘vijfcentenverhaal’ wordt langdurig besproken want het is toch van de gekke dat dit zomaar kan? Ome Jaap, die vaak in Duitsland boodschappen doet, heeft altijd centen in zijn beurs en vertelt met zichtbaar genoegen dat hij meestal tot op de cent nauwkeurig betaalt. Natuurlijk niet als het naar beneden wordt afgerond maar als het drie of vier centen zijn, dan wel. Dat niet elke winkelier daar blij mee is, laat hem koud.

Ze beginnen met een potje tien over rood en dan is daar plotseling Katrien. Ze loopt langs met een emmer en een zwabber en zegt vriendelijk gedag. Voor ze door de deur naar de toiletten loopt, horen de mannen haar zachtjes zingen.
‘Engelengezang,’ zegt Harry.
Ome Jaap knikt. ‘Verdomd, nou je het zegt.’
‘Mooi!’ menen de anderen en met een blij gevoel wat alleen goede gevers kennen, tiktakken ze de ballen over het groene laken.

 

 

© peter gortworst / dec. 2019
afbeelding: decoma.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Een hardnekkig gif

Ik heb een probleem. Al heel lang. Het is niet zo groot dat ik er wakker van lig of er dagelijks mee bezig ben maar het is hardnekkig en knaagt op gezette tijden aan mij. Ik heb geen idee hoe en of ik het op kan lossen. Ik denk, maar zeker weten doe ik dat allerminst, dat ik niet de enige ben met dat probleem. Om gelijk maar ter zake te komen: het gaat over racisme of beter gezegd het beoordelen van  mensen met een andere huidskleur.
Ik kan zeggen dat iedereen voor mij gelijk is en dat ik geen onderscheid maak tussen mensen met verschillende huidskleuren of afkomst. Helaas is dat niet zo. Ik maak dat onderscheid wel en voor u verkeerde conclusies trekt, even wat achtergrondinformatie en voorbeelden.

Ik ben geboren en groot geworden in de Zaanstreek. Gastarbeiders waren er nog niet en de zwarte mensen woonden allemaal in dat verre Afrika. Daar gingen zendelingen heen en je spaarde voor die arme zwarte kindertjes zilverpapier. De school was wit, de verenigingen waren wit, de kerk was wit en zo ook het straatbeeld. Toen waren er plotseling mannen uit Zuid-Europa. Eerst veel jonge mannen. Later ook oudere die met hun veelal gezette vrouwen in lange broek met jurk, door de winkelstraat liepen. De man voorop, de vrouw erachter. Men zei dat het domme mensen waren die werk deden wat Nederlanders niet meer wilden doen. Je moest oppassen voor die lui. Wel vriendelijk zijn maar goed oppassen want je weet maar nooit. Voor de meisjes waren er aanvullende waarschuwingen en verboden want stel je toch eens voor wat voor vreselijks er wel niet allemaal kan gebeuren.

Er waren nog andere mensen waar je voor op moest passen: Duitsers. Zij hadden ons land bezet, de Joden vermoord en goede mensen doodgeschoten. Als een Mof je de weg vraagt moet je hem de andere kant opsturen was de algemene raadgeving. Ze deugen immers geen van alle.

Ik ging, toen ik 13/14 was, in Amsterdam naar school. Daar leerde ik de eerste Indonesiërs kennen. Ze stonken naar knoflook. Een gewas wat wij niet kenden. In spinazie, boerenkool, spruitjes of bloemkool gebruik je dat niet. Het waren vriendelijke mensen, dat wel maar die geur was zeer onaangenaam. Je kwam ook nooit bij hen thuis. Bij mijn Nederlandse vriend die geboren was in Indonesië, een keer een originele nasi-schotel gegeten. Mijn eerste keer en het was een volkomen onbekend gerecht maar wel heel erg lekker.

Gedurende de jaren kwamen er steeds meer verschillende nationaliteiten bij. Helaas werd met iedere nieuwe bevolkingsgroep de argwaan met bijbehorende typeringen en waarschuwingen groter. Als het woord ‘tsunami’ toen al een modewoord was, had het zeker geklonken. Ook de media deden lustig mee. Zinnen als ‘de verdachte van Turkse afkomst’ hebben bijgedragen aan de algemene beeldvorming.

Het is voor mij wel duidelijk dat gedurende de tijd van het van kind naar de volwassene een gif mijn hersenen heeft besmet. Oppassen, argwaan, verdacht, messentrekkers, kinderverkrachters, dieven, steuntrekkers, oplichters. Dit en nog veel meer, kleurden je jeugd en voedde je met een lelijk gif. Het blijkt een hardnekkig gif te zijn wat onder de naam ‘vooroordelen’ vele varianten kent.

Zo herinner ik mij de eerste meubelmaakster en de eerste metaalbewerkster. Leuk natuurlijk maar geheel onbevangen kon ik toch niet naar kijken. Het was toen beslist niet normaal en de kwalijke bijgedachten speelden op: het zal wel een manwijf zijn of waarschijnlijk lesbisch. Gelukkig bleken het wel normale vrouwen te zijn en alleen deze zin zegt meer dan genoeg.

Altijd zit er in mijn hoofd het duiveltje van de maat nemen. De ander afmeten aan je eigen normen. Ik kijk anders naar een chirurg met een Zuid-Europees uiterlijk. Zo ook naar een Afro-Amerikaanse commentator als ik weer eens op de hoogte wil blijven wat die gek in Amerika nu weer presteert. Naar de autoverkoper met een duidelijke Oost-Europese afkomst en waarom? Het zijn gelukkig zelden negatieve gedachten. Het is vaak bewondering maar ook dat deugt niet. Hoezo is het knap dat iemand met een donkere huidskleur, professor kan worden? Waarom voel ik bewondering en onbehagen als ik een geslaagde zakenman spreek van Marokkaanse afkomst? Waarom denk ik er niets bij zoals ik met elke witte man of vrouw wel doe? Waarom zit dat gif nog steeds in mijn kop en schaam ik mij elke keer dat het in een flits mijn gedachten infecteert?

Ik ga, vanaf het moment dat ik volwassen begon te worden, graag met mensen van verschillende afkomst om. Er valt veel te leren van hun gastvrijheid, cultuur, gewoonten en bereiding van de meest verrukkelijke maaltijden. Mensen die in een AZC verblijven maken je vaak deelgenoot van hun moeilijkheden en je zou graag willen dat hun verhaal bekent wordt bij veel meer mensen. Ik vind werkelijk dat ons land verrijkt is met al die nieuwe Nederlanders en het gezeur over ‘tradities’ komt mij de strot uit. De functie die een traditie heeft, namelijk het in stand houden van de maatschappelijke stabiliteit, kan gewoon niet volgehouden worden. Onze maatschappij is al lang niet meer stabiel. Die lijkt zo instabiel te worden dat het gevaar bestaat dat de meest fundamentele beginselen van de democratie ten onder dreigen te gaan. Zelfs de rechtsstaat staat te vaak niet meer recht en is dat iets waar we ons druk over moeten maken.

Met steeds grotere regelmaat schaam ik mij er voor een witte Nederlander te zijn. Het zou zo mooi zijn als al die Nederlanders die roepen dat zij geen racist zijn, zich zouden uiten op het moment dat de rechtsstaat in het geding is. De terreuraanval tegen KOZP is daar een schrijnend voorbeeld van.
Overigens zijn alle mogelijke relatievormen en  Zwarte Piet voor mij al jaren geen thema’s. Roetveegpieten zijn voorlopig een mooi compromis.

En ondanks alle positieve ervaringen zit dat gif in mijn kop. Voor u misschien geen probleem. Voor mij wel want het heeft mij berooft van de, misschien wel kinderlijke, argeloosheid. Een hardnekkig gif waar misschien alleen blanken last van hebben of kunnen hebben. Mijn vraag is hoe ik daar van af kom.

 

 

© peter gortworst / nov. 2019
afbeelding: 1jour1actu.com

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 11 reacties

Stadsduif met pleinvrees.

Goed, vandaag ben ik dus 21 geworden. Dat had ik een paar jaar geleden niet gedacht. Ik wordt nu eenmaal niet oud. Iemand met zo veel kwalen en zwakke gezondheid als ik, leeft niet lang en wees nu eerlijk, 21 is al best een hoge leeftijd. Vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer een pilsje gedronken. Dom want hoeveel hersencellen zijn er wel niet naar de Filistijnen gegaan? Alcohol is gewoon slecht voor je. Net als roken, melk, te koude lucht inademen, suiker, plastic schoenen, zwemmen in een zwembad, vet, de stad en kraanwater.

Nu lig ik al zeker een kwartier in bed en heb het nog steeds koud. Dat is vast niet goed. Mijn hart pompt het bloed natuurlijk niet hard genoeg rond. Mensen die dood gaan hebben dat ook. De vingers en de tenen zijn het eerste koud.

Waarom heb ik mij laten overhalen om toch een biertje te drinken? Normaal trek ik mij niets aan van wat ze van mij denken en laat ik mij zeker niet dwingen maar op een verjaardagsfeestje gaat het soms anders. Misschien wel omdat Henny er bij was. Leuke meid maar helaas niets voor mij. Ik kan toch moeilijk een relatie aanknopen terwijl ik weet dat ik morgen dood in bed kan liggen. Papa en mamma hebben haar natuurlijk niet voor niets gevraagd te komen. Die hopen vast dat zij zich in mij interesseert en ze weten niet dat Henny al lang weet wat ik ben. Ja, ik weet het zelf ook: een hypochonder van het zuiverste water maar dat is natuurlijk niet zonder reden. Wacht, even mijn pols voelen……. Zie je wel, hij vergeet af en toe gewoon een slag. Niemand die mij serieus neemt maar vannacht is het met mij gedaan.

Waarom heeft Vincent mij vanavond eigenlijk een optimistische hypochonder genoemd? Was dat sarcasme? Hij heeft wel vaker van die rare opmerkingen of manke vergelijkingen. Net als die schoonmaker die een hekel aan zijn werk had. Een luiaard met ADHD noemde hij hem. Slaat nergens op en dat kan bovendien niet. Net als een stadsduif met pleinvrees of een nijlpaard met anorexia. Ha ha, wel leuk om zoiets te bedenken. Hij vroeg of ik niet altijd bang ben maar dat is niet zo. Misschien wel omdat het gewoon bij mij hoort. Misschien omdat ik met een soort berusting leef, nou ja, zolang ik nog leef.

Zouden mijn ouders ondertussen wel weten hoe ik mijn begrafenis wil hebben? Ik heb ze toch hopelijk genoeg hints gegeven maar ja, ze rekenen er natuurlijk niet op dat ik morgen misschien wel dood in bed lig. Toch wel sneu voor ze als ik er niet meer ben. Kan er natuurlijk niets aan veranderen maar misschien moet ik morgen een brief voor ze schrijven met welke muziek ze moeten draaien in de aula. Stel dat ik het op één of andere manier toch meemaak dan moet het toch minstens naar mijn smaak zijn.

Een vogel met vliegangst of een mol met claustrofobie. Uh, even denken….. een eekhoorn met een notenallergie of een koe die lactose intolerant is. Een vegetarische leeuw, een varken met smetvrees of een aalscholver die bang is voor water. Grappig.

Hoe kan ik het koud hebben en toch zweten? Waar is de thermometer. Zie je wel: 37,3. Een lichte verhoging noemen ze dat. Alsof je ook een klein beetje zwanger kan zijn of een beetje kanker kan hebben. Ik heb gewoon koorts en mijn lijf vecht nu terug. Dat voel ik en misschien verliest het vannacht de strijd wel.

Ik hoop niet, nee, dat moet ik ook opschrijven: er mag geen pastoor aan mijn bed komen en in de kerk wil ik helemaal niet komen te liggen. Mama moest erg lachen toen ik zei dat ik weer katholiek wordt als de paus een zwarte, lesbische vrouw met een kind is. Maar ik meen het wel! Toch best wel jammer dat ze van mij geen kleinkinderen kan verwachten.

Uhm, uh, een kuddedier met verlatingsangst…. nee, dat is normaal gedrag. Iets met narcolepsie…. Welk dier mag er niet plotseling in slaap vallen? Een jachtluipaard? Ah, nog één: een vleermuis met entomofobie! Dat kan wel. Of een aaseter met necrofobie. Ook leuk. Kan een lintworm eigenlijk angst hebben voor een lintworm of een vluchteling een xenofobie? Morgen maar eens op Google kijken of ik daar iets over vinden kan. Hoewel….. eerst maar eens zien of ik er morgen nog wel ben.

Even voelen……. dacht ik wel: de pols is nog steeds onregelmatig en ik hoor nu ook mijn eigen adem. Ik piep een beetje. Misschien stik ik vannacht wel. Dat is een akelige manier van doodgaan maar ja, als het anders niet is, dan moet het maar zo. Wacht even….. waar komt die buikpijn vandaan? Het is nu nog maar een klein beetje maar het wordt vast erger. Even drukken… ja hoor, boven in de buik. Dat kan mijn hart zijn maar ook mijn slokdarm en dan is het vast kanker. Iets anders kan haast niet, hoewel, misschien is het wel mijn aorta die op knappen staat. Hoe schadelijk is maagzuur als dat in je slokdarm komt? Het was natuurlijk dom om alles door elkaar te eten. Asperges met ham, kaas, leverworst, zoutjes, een gebakje en van die zoute stengels: roer het door elkaar en je vreet het niet maar het zit nu wel in mijn maag. Dat water met koolzuur heeft de hele handel aan het gisten gebracht en nu vreet het zuur mij van binnen weg. Nu doodgaan is mijn eigen schuld. Het minst erge is dat ik wellicht een allergie oploop en laat het dan alsjeblieft geen waterallergie zijn. Dan wordt mijn leven nog beroerder dan het nu al is. Bestaat er eigenlijk zoete haring? Haring die ze in de rivieren vangen bijvoorbeeld. Die kan ik dan wel eten omdat een zoute haring mijn vocht teveel vasthoudt.

Een bever met twee linkerhanden. Een stokvis met krukken…. Is die leuk? Nou…nee.

Laat ik mij maar omdraaien. Als ik dan een scheet moet laten zit er niets in de weg. Wie weet slaap ik dan ook in. Misschien voorgoed. Dat kan maar zo.

Een meikever die geen kalender kan lezen, een processierups die een einzelgänger is, een eendagsvlieg die zijn dag niet heeft of een, kom, hoe heette dat beestje van Vondel nou…. O ja, een schrijverke maar dan een laaggeletterde. Mwah…..

 

 

© peter gortworst / nov 2019
foto: geratherm koortsthermometer
leef.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Elske -3-

Het is geen verliefdheid die hij voor haar voelt. Hij zou het eerder omschrijven als interesse. Elske is geen meisje als alle anderen. Elske heeft twee gezichten en hij is misschien wel de enige die dat ziet. Voor iedereen is het de lachebek, de jongensgek, de brutale en de vaak ordinaire puber. Ze wisselt als een knipperlicht van vriendjes en al snel heeft ze ‘de hoer van de school’ als naam. Ze lijkt er niet mee te zitten. Het zou zelfs kunnen dat ze er een beetje trots op is.

Hij zit alleen in de schoolkantine en eet zijn brood. Eén boterham met kaas, eentje met worst en eentje met jam. Elke dag hetzelfde omdat uit orde en regelmaat, rust voortkomt. Plotseling zit zij naast hem. Hij kijkt haar verwondert aan.
‘Ik heb nog nooit met jou gesproken,’ zegt ze.
Zonder iets te zeggen slikt hij zijn hap brood door en weet dat hij haar zoveelste verovering moet worden.
‘Zou je mij niet willen leren kennen?’ vraagt ze met een lachend gezicht.
Als hij haar aankijkt, knipoogt ze naar hem. Zo’n knipoog die meer beduidt. Hij kijkt terug en bestudeert zo lang haar gezicht dat zij zich er ongemakkelijk bij gaat voelen.
‘Waarom huil je?’ vraagt hij.
De lach is plotseling verdwenen.
‘Ik huil niet.’
‘Je gezicht niet, nee, maar je ogen wel.’
Even zegt ze niets en kijkt hem aan, met een gezicht wat een mengeling geeft van nietszeggendheid en brutaliteit.
Ze staat op. Voor ze wegloopt sist ze hem toe:
‘Idioot!’
Hij kijkt haar na. Ze loopt als een mannequin en haar kleine kontje wipt bij iedere stap, beurtelings rechts en links, een beetje omhoog. Hij kan er niets aan doen: ‘Something in the way she moves’ zingt het in zijn hoofd als de volgende boterham aan de beurt is.

Het is hem duidelijk dat ze hem heeft opgewacht. Ze staat niet voor niets in de stalling bij zijn fiets. Het is het begin van een relatie die bol staat van tegenstrijdige verwachtingen. Hij wil heel graag weten waarom zij hem uitgekozen heeft en wie zij werkelijk is. Zijn vragen worden met zwijgen, irritatie en nukkigheid gepareerd. Zij wil graag plezier met hem maken en vrijen maar alleen al aan de eerste tongzoen houdt hij een nare smaak in de mond over. Het duurt daarom niet lang voor hij haar een brief schrijft met de mededeling dat het voor hem over en uit is. Ze hebben elkaar na die schooltijd nooit meer gezien en zij is voor hem in de vergetelheid verdwenen. Zij was een rimpeling in zijn bestaan en de tijd heeft deze glad gestreken.

 

En nu zit zij bij het voeteneinde van het bed.
‘Hoe kom je hier? Is dit soms een enorme halloweenstunt?’ vraagt hij.
‘Nee, daar heeft het niets mee te maken, hoewel, het zou inderdaad een mooie stunt zijn maar nee, het is gewoon….. ik weet het niet, ik schijn dit te kunnen.’
Als hij niets zegt en haar alleen maar vragend aankijkt, zegt ze:
‘Ik ben dood. Ik was de laatste in een file en de vrachtwagen achter mij had dat niet door. Ik heb mijzelf gezien in mijn auto en vanaf daar is het een beetje vreemd. Die tunnel waarover gesproken wordt is er wel maar ik wilde nog niet. Het was te plotseling en ik was nog niet klaar.’
‘Hè? Je bent dood? Hoe kan het dan dat je hier zit als Elske van toen? Ben jij die vrouw die ik overal tegengekomen ben of zijn er meer als jou?’
‘Nee, ik was het alleen en ik denk dat ik er uit zie zoals ik mij op dat moment voel. Ik heb daar geen controle over. Weet je, als je ouder wordt ga je terugkijken. Dat doe jij ook. En dan zijn er zaken die je altijd hebt willen weten. Waarom en met welke zin is dat toen en toen gebeurt? Wat als ik een andere beslissing genomen had? Hoe is het met die of die gegaan en hoe zou het geweest zijn als ik niet die maar met die andere getrouwd was? Allemaal vragen waar je normaal geen antwoord op krijgt. Het ‘wat als’ opent een deur die je beter dicht kan laten. Het verleden is verleden tijd en alles is gegaan zoals het gegaan is. Daar verander je niets meer aan.’
‘Maar waar ben jij dan nog niet klaar mee? Wat wil je nog doen en kan je eigenlijk wel wat doen?’
‘Jij bent één van de dingen waar ik nog niet klaar mee was. Weet je nog dat ik naast je kwam zitten in de kantine?’
‘Ja, nu wel en ik weet niet waarom. Ik heb er nooit meer aan gedacht en nu staat het mij bij alsof het gisteren gebeurt is.’
Ze glimlacht.
‘Jij hebt mij toen gevraagd waarom ik huilde. Ik ben die vraag nooit vergeten omdat het zo verschrikkelijk waar was. De vraag maakte mij bang en ik voelde mij gelijktijdig door jou aangetrokken. Ik kon toen niet anders reageren en ook gedurende onze verkeringstijd niet. Ik moest mijn grote geheim bewaren. Er over praten wilde ik wel maar kon ik niet omdat de consequenties te groot en te onoverzichtelijk waren. Toen jouw brief kwam, was mijn laatste kans om het er misschien in de toekomst over te hebben, verkeken. Ik heb jouw brief altijd bewaart en ik heb je later vaak gezocht. Om eerlijk te zijn: je bent nooit uit mijn gedachten geweest. Jij was anders dan al die mannen uit mijn leven. Ze wilden mij allemaal hebben omdat ik donders goed wist hoe ik ze tevreden kon stellen met mijn lijf. Niemand vroeg mij wie ik echt was. Misschien was het ook wel mijn eigen schuld. De liefde die ik geleerd heb, was geen liefde of misschien slechts een deel van wat liefde zou moeten zijn. Helaas was jij onvindbaar. Geen Facebook, Instagram of Twitter. Niemand die wist waar je gebleven was en het mooie van dood zijn is dat dit soort zaken eenvoudig op te lossen zijn.’
‘Ik begrijp niet goed…. nee, ik snap hier niets van. Voor mij is dood echt dood. Er is gewoon niets meer en nu zit jij hier mijn zekerheden omver te gooien. Hoe ziet het eruit waar je nu bent? Hoe beweeg jij je? Ben je nu een geest? Hoe weet je wat je doen moet?
‘Dat kan ik je allemaal niet zeggen. Geen idee hoe alles hier werkt. Het is voor mij ook de eerste keer. Ik weet alleen dat ik tijd gekregen heb om jou te ontmoeten. Ik wilde zo graag weten hoe het jou is vergaan. Was ik jouw eerste meisje en waren er na mij andere?’
‘Jij was de eerste en ook de laatste.’
‘En ben ik daar de oorzaak van?’
‘Nee, het gaat mij goed als ik alleen ben. Dan is alles overzichtelijk. Ik weet, ik ben een zonderling maar dan wel een gelukkige.’
Plotseling schiet hem de hond te binnen.
‘Waarom heeft mijn hond eerst tegen jou geblaft en later niet meer?’
‘Omdat een hond meer ziet dan een mens. Ik ben een nieuwe verschijning voor hem maar nu niet meer. Hij ligt beneden in zijn mand en ik heb hem even gerustgesteld. Het is een lief beest.’

Langzaam is het gezicht van Elske aan het veranderen. Het is meer een vrouw op middelbare leeftijd en niet langer het meisje van toen.
‘Je gezicht wordt ouder,’ merkt hij op.
‘Ja, ik weet het. Mijn tijd zit er bijna op.’
‘En dan?’
‘Dan ga ik door de tunnel en ben ik, voor zo ver ik nu weet, voor altijd weg.’
‘Wat is dat grote geheim waar je over sprak?’
‘Ach, het gewone verhaal. Een vader met losse handjes en een net zo losse gulp. Een vriend van hem die er ook wel pap van lustte en een machteloze moeder die regelmatig alle hoeken van de kamer zag. Het is alleen zo jammer dat zoiets je hele leven tekent.’

Hij voelt een kou zijn hart omklemmen. Hoezo het ‘gewone verhaal’? Dit is niet normaal. Dit mag toch nooit gewoon worden? ‘Jammer’ is in dit geval een understatement van de bovenste plank.
‘Daarom heb ik je altijd gezocht,’ gaat ze verder, ‘Jij gaf mij een vermoeden van een andere wereld. Een wereld waarin een mooi of lekker lijf met alles wat je daar mee kan doen, niet het belangrijkste is.’
‘Het spijt mij dat ik onvindbaar voor je was. Ik heb nooit kunnen vermoeden dat een vraag van drie woorden zo belangrijk was.’
‘Je moet geen spijt hebben. Je hebt mij iets gegeven wat ik als een juweel bewaard heb: de hoop dat ik je ooit zou vinden en jouw rust de mijne zou kunnen maken. Nu hoef ik niet meer te zoeken. Wat ik gehoopt had met jou te vinden is hier volop. Vreedzaam is misschien wel het goede woord.’

Ze is nu een vrouw geworden met een gezicht wat past bij haar leeftijd.
‘Ik moet gaan,’ zegt ze zacht.
Hij knikt en voelt de tranen in zijn ogen branden. Ze staat op, knielt naast zijn bed en slaat haar armen om hem heen. Ze kust hem op zijn mond.
‘Dag,’ zegt ze en hij is alleen.

Hij valt achterover en een genadige diepe slaap overvalt hem. Als hij wakker wordt, ontdekt hij de hond die naast hem ligt. Het beest slaapt. Zijn emoties nemen de overhand en hij kan maar aan één ding denken:
‘Elske!’ stamelt hij.
Dan begraaft hij zijn gezicht in de nekharen van de hond en huilt.

 

 

© petergortworst / okt. 2019
foto: maker Alexey_M
         Getty Images/iStockphoto

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Elske -2-

Schokkend om te ervaren dat een rustig, kalm bestaan kan veranderen in één groot vraagteken. Laat in de middag komen ze thuis en de hond ploft meteen op zijn kussen. Zo moe heeft hij dat beest nog nooit gezien. Zelfs zijn lekkers moet hij brengen en met lange tanden wordt het naar binnen gewerkt.

Hij maakt voor zichzelf koffie en met de mok gaat hij aan de eettafel zitten. Het wordt langzaam donker. De motregen lijkt wel wat minder geworden maar al met al blijft het een grauwe en naargeestige oktoberdag. Hij huivert en de oorzaak daarvan zit niet in de grauwheid van deze dag maar meer in wat hij beleeft heeft. Vragen, vragen en vragen schieten door zijn schedel. Hoe kan die vrouw zo snel op dat bankje gekomen zijn en hoe zo snel bij de auto? Waarom is zijn hond zo bang? Kent zij hem en waarvan dan? Maar wie is zij? Vooralsnog is dat de grootste vraag en de beantwoording daarvan zal waarschijnlijk veel duidelijk maken. Dat loopje van haar. Dat kent hij ergens van maar wie in zijn kennissenkring heeft blond haar en is slank?

Hij maakt wat te eten en verzet zijn gedachten door een dom spelletje op de computer te spelen. Het lukt maar ten dele want domme spelletjes geven je brein nog genoeg speelruimte om na te denken. Plotseling begint de hond als een gek te blaffen en spurt met poten die wegglijden op het laminaat naar de achterdeur. Hij schrikt zich rot en haast zich ook naar de deur. De hond staat met de poten tegen het raam en is helemaal dol. Eerst trekt hij de hond weg naar het halletje en tuurt dan door het glas. Niets of niemand te zien. Voorzichtig draait hij de deur van het slot en als hij naar buiten stapt, gaat de buitenverlichting aan. Als er iemand was had het moeten branden en die wetenschap stelt hem enigszins gerust. Hij loopt weer naar binnen en bevrijdt de hond. Die rent naar de achterdeur maar stopt dan abrupt. Geen stap zet die hond buiten de deur. Zacht jankend en met de staart tussen de poten kijkt hij wisselend naar buiten en naar hem. Het beest is beslist van iets bang. Hij doet de deur voor zijn neus dicht en loopt de keuken in. Ergens staat nog een fles whisky. Een longdrink met half cola half geestrijk vocht kan hij nu wel gebruiken. Hij nestelt zich op de bank en als de hond hem vragend aankijkt, mag hij naast hem liggen. Na een diepe zucht ligt de hond met de kop op zijn dijbeen gelukkig te wezen en hij vraagt zich af wat dat hele gedoe nu weer was.

De slaap is diep en lang. Als hij zijn ogen opent is het al licht. Hij blijft stil liggen omdat de hond, wanneer hij geluid maakt, weet dat hij naar boven mag komen. Hij heeft tijd nodig om na te denken en zodra de dagelijkse bezigheden daar zijn, gaat dat stuk lastiger. Zijn hele leven was één groot ordelijk geheel. Bijna alles was voorspelbaar omdat hij verrassingen en onregelmatigheden haat. Nooit getrouwd, altijd gewerkt en sinds zijn pensionering zielsgelukkig met alle vrije tijd. Een nieuw ritme vinden was niet moeilijk en de aangeschafte hond past daar moeiteloos in. Een hond zeurt niet, vraagt niet wat je denkt, wil niet iets gezelligs doen, accepteert dat wat er op tv is en doet niet moeilijk over eten. Zijn gelukkige bestaan als eeuwige vrijgezel kon zonder problemen worden voortgezet en de hond helpt hem om er een duidelijk ritme aan te geven.

En plotseling is daar al dat onverklaarbare. Het zit hem dwars omdat hij geen duidelijke oorzaak of reden kan vinden. Aan iets bovennatuurlijks denkt hij niet. Dat is iets voor zweverige types en hij weet van zichzelf dat hij dat beslist niet is. Die opgedoken vrouw en die hond hebben iets met elkaar te maken maar wat? Of niet? Is wat gisteren gebeurde dom toeval en is er vandaag niets meer aan de hand? Hij roept de hond en met een snoekduik landt het beest op bed.

 

Als hij beneden komt, schuift hij de gordijnen open. Schuin aan de overkant stapt een slanke jonge vrouw met blonde haren op de fiets. Hij kan haar alleen op de rug zien. Ze steekt haar hand op en fiets weg. Hij voelt zijn hart in zijn keel kloppen en staart haar verbijsterd na. Het is dus niet alleen iets van gisteren.

Als iemand hem zou vragen hoe het is om langzaam gek te worden, kan hij je dat haarfijn vertellen. Het is niet alleen de hond die regelmatig als een gek bij de achterdeur staat te blaffen en vervolgens bang weigert om ook maar één poot in de ogenschijnlijk lege en donkere achtertuin te zetten. Het is vooral die ongrijpbare vrouw die hem het leven moeilijk maakt. Al zijn gepieker wie het zou kunnen zijn heeft nog geen enkel resultaat gehad en zijn voornemen om haar aan te spreken zodra hij haar ziet, lukt om onverklaarbare redenen niet. Hij dacht de beste kans te hebben toen hij in de stad was en besloot om in het stadscafé koffie te drinken. Hij ging bij het raam zitten en toen hij om zich heen keek zat aan de andere kant van de ruimte een slanke, blonde vrouw. Iets klopte niet. Het was geen jonge vrouw. Haar gezicht was duidelijk door de tijd getekend. Ze keek hem aan, stak haar hand op en verdween, met dat loopje wat hij ergens van zou moeten kennen, naar de toiletten. Hij heeft gewacht tot ze terug kwam maar na drie koppen koffie was duidelijk dat daar geen sprake van was. De serveerster is op zijn verzoek nog even gaan kijken of er iemand op het toilet was maar die kwam onverrichterzake terug.

Hij is weer in de stad geweest en stapt in zijn geparkeerde auto. De motor wordt gestart en hij zet de automaat op standje D. Dan ziet hij haar aan de overkant van de straat staan. Ze steekt haar hand op en hij drukt het gaspedaal van pure schrik te diep in. Het parkeerpaaltje ligt plat en de deuk is aanzienlijk. Als hij uitstapt, ziet hij haar om de hoek van de straat verdwijnen. Nu heeft hij er een nieuw probleem bij. Hoe vertel je een verzekeringsagent dat je, wegens een onbekende vrouw, tegen een parkeerpaaltje bent gereden?

De onzekerheid en de vragen groeien met de dag. Bestaat die vrouw wel echt of is het een waanbeeld. Elke keer dat hij haar ziet, of misschien dus wel meent te zien, steekt ze haar hand op en is vervolgens spoorloos verdwenen. De ene keer is het een vrouw van middelbare leeftijd, dan een jonge vrouw of is het een oudere dame maar altijd wordt die hand opgestoken. Inmiddels meent hij zeker te weten dat het niet één vrouw is en dat maakt het probleem alleen maar groter. Waarom steken vrouwen van blijkbaar verschillende leeftijden maar wel allemaal met dat nog niet plaatsbare loopje, slanke gestalte, lange benen en kleine kontje, hun hand naar hem op? Hij is de enige die gek wordt van de onzekerheid. Zijn hond lijkt langzaam aan het ‘verschijnsel’ te wennen. Als hij met de hond loopt en haar niet ziet, doet zijn hond dat wel. Hij blaft nog wel maar de angst lijkt wel wat te minderen. ’s Avonds staat hij niet meer als een dolle bij de achterdeur. Hij loopt er wel naar toe en jankt dan een beetje maar meer niet. Voor een beest is het blijkbaar makkelijker om aan iets onverklaarbaars te wennen maar als je gezegend bent met een gezond verstand, lukt dat niet zomaar. Hoewel… gezond verstand?

 

Hij droomt. Meneer van der Bos geeft wiskunde en vraagt hem hoe je de inhoud van een cilinder berekent. Kwart pi D in het kwadraat maal de hoogte wil hij zeggen maar hij krijgt het niet uit zijn mond. Hij zegt het wel maar er komt geen geluid. Eerst is er de verbazing. Dan de angst. Hij probeert het keer op keer maar het gaat niet. De klas wacht en als ze hem zien worstelen, beginnen ze te lachen. Steeds harder en ook meneer van der Bos doet mee. Paniek slaat toe en plotseling zit daar, schuin voor hem, de blonde en slanke vrouw. Met een schreeuw springt hij op en wijst naar haar.

Zijn eigen schreeuw maakt hem wakker. Langzaam voelt hij de paniek uit zijn lijf verdwijnen en wordt zijn ademhaling weer normaal. Dan kucht er iemand zacht en het klinkt vreselijk dichtbij. Hij knalt overeind en ziet, in een diffuus blauwachtig licht, bij het voeteneind de slanke, blonde vrouw zitten. Ze steekt haar hand op. Haar gezicht is van een tiener en hij herkent het onmiddellijk.

‘Elske?’ stamelt hij.

                                                                   wordt vervolgd

 

 

 

©peter gortworst / okt 2019
afbeelding: maker Alexey_M
                     Getty Images/iStockphoto    

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Elske -1-

Voor de hond maakt het niets uit. Een natte, sombere en nevelige oktoberdag is hem net zo lief als elke andere dag. Het bos is altijd vol geuren, sporen en geluiden die duiden op iets spannends. De kleine druppels op zijn brillenglazen  hinderen hem bij het kijken maar hij weet dat de hond hem niet uit het oog verliest en de weg in het bos net zo goed kent als hij. Op de parkeerplaats stond geen enkele auto en hij vermoedt dat er niemand anders in het bos is. Het is daarom een verrassing dat de hond, bij een kruising van bospaden, plotseling begint te blaffen. Hij veegt met zijn vingers het meeste water van zijn bril en als hij ook op de kruising komt, ziet hij een stuk op het pad dat naar rechts voert, iemand stil staan. Erg goed kan hij het niet zien omdat brillenglaswater het beeld vertekent maar het is duidelijk een vrouw met lichte haren en ze staat stil op zo’n honderd meter afstand. Hij roept dat de hond niets doet en ze steek haar hand op. Dan loopt hij door en de hond volgt hem. Raar beest. Normaal interesseert het hem niets als er andere mensen in het bos zijn en waarom nu dan wel?

 

Als hij een stuk verder is, merkt hij dat de hond vlak achter hem loopt en met grote regelmaat achterom kijkt. De staart die normaal fier omhoog staat, hangt in een boog. Hij bromt dat er niets aan de hand is en moedigt de hond aan weer te gaan struinen. Dat heeft geen effect en met de gedachte dat het wel weer over zal gaan, loopt hij verder. Als hij bij de rand van het bos, daar waar de heide begint, staat, twijfelt hij of hij met een boog door het bos terug zal gaan of nog een ronde over de heide zal lopen. Hij besluit het laatste en hoort dan de hond, die nog steeds achter hem staat, grommen. Met de staart tussen de poten is het beest gefixeerd op de vrouw die blijkbaar dezelfde weg heeft genomen. Ze is nog altijd zo’n honderd meter weg en staat stil. Hij maakt zijn bril droog met een papieren zakdoekje en kijkt naar de vrouw. Het is een jonge vrouw. Slank, jong, lange benen en blonde haren. Ze zet hem aan het denken omdat ze hem bekend voorkomt. Helaas heeft hij geen idee van waar of hoe hij haar zou kennen. Het komt niet in hem op om naar haar toe te stappen. Zo iets doet men niet en hij besluit verder de heide op te lopen. De hond volgt hem en het duurt maar even voordat deze zijn schijnbare angst heeft verloren. Hij struint weer van links naar rechts en de staart staat weer omhoog.

 

Vlak voor hij de bosrand aan de andere kant van de heide bereikt, besluit hij met een boog naar links terug te lopen. Normaal doet hij dat niet. Hij loopt meestal door tot het bos om daar op een bankje te gaan zitten. Dat staat op een kleine verhoging en vaak geniet hij dan van het uitzicht over de heide. Vandaag heeft dat geen zin. Het bankje is natuurlijk nat en het uitzicht is beperkt door de grijze mist en motregen. Bovendien is het bankje nu bezet. Met een schok meent hij de jonge, blonde vrouw te zien maar de afstand is te groot. Hij veegt zijn glazen schoon en constateert dat zij het inderdaad is. Ze steekt haar hand op en hij draait zich abrupt om. Hoe is zij daar zo snel gekomen? De weg die hij genomen heeft is de kortste. Heeft zij, misschien wel rennend, een andere weg genomen om eerder op dat bankje te zijn? En waarom? Zonder om te kijken loopt hij weg. De hond doet nog steeds normaal. Blijkbaar heeft hij niets gemerkt.

 

Men zegt wel eens dat wandelen stilstaan bij jezelf is. Dat klopt. Verschillende malen heeft hij dat zo ervaren en ook nu is er genoeg om bij stil te staan. Hij vraagt zich af waarom zijn hond zo raar reageert, hoe het kan dat zij kilometers heide sneller heeft afgelegd maar vooral waarom ze hem bekend voorkomt. In gedachten gaat hij al zijn vrienden en kennissen af en vooral hun kinderen. Wie heeft er een slanke dochter met blonde haren? Hij weet er geen en de wetenschap dat dit vraagstuk hem de komende dagen bezig zal houden, ergert hem. Het is dit keer geen liedje of melodie waar hij niet op kan komen, geen naam van een oude bekende, geen stuk gereedschap wat hij niet kan vinden  en waarvan hij ook niet weet wanneer en waar hij dat voor het laatst heeft gebruikt. Dit is lastiger. Hij heeft noch een naam noch een gezicht en de vragen die hij heeft kan hij niet zomaar vergeten.

 

Na ruim een uur is hij bijna terug bij de auto. De hond is moe. Een konijn wat tussen de bomen door weg schoot, heeft hij zelfs laten lopen. Het pad maakt een flauwe bocht naar links en van daar kan hij zijn auto in de verte zien. Plotseling staat de hond achter zijn benen. De staart weer tussen de poten en hij gromt. Bij zijn auto staat die vrouw. Ze kijkt door het portierraam naar binnen. Hij wacht op wat komen gaat. Ze draait zich naar hem toe en steekt haar hand op. Dan loopt ze weg en dat loopje kent hij ergens van. Die slanke benen en dat kleine kontje heeft hij eerder gezien. Maar waar en wanneer?

Zodra ze weggelopen is, doet de hond weer normaal. Bij de auto is niets verdachts te vinden en met een hoofd vol vragen rijdt hij naar huis.

 wordt vervolgd

 

 

 

© peter gortworst / okt 2019
afbeelding: maker Alexey_M 

                     Getty Images/iStockphoto

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Onheil van boven

Ze treffen elkaar op de voedselbank. Beiden niet armlastig, hongerig of onderbedeeld maar als er iets als een voedselbank is waar je een graantje kan meepikken zonder er veel moeite voor te doen, is dat natuurlijk meer dan welkom. De ene heet Trees en is een beetje het gevulde moeke die alles vooral gezellig wil houden. De ander heet Truus en zij is een dame die zich welvarender voordoet dan ze is.

Ze kennen elkaar al een tijdje. Alleen van gezicht want tot nu toe heeft geen van tweeën de ander nog gesproken. Dat zie je wel vaker. Je ziet elkaar regelmatig. Op straat, in de winkel of in het park maar elkaar spreken doe je niet. Het blijft vaak bij een bekend gezicht tot het moment daar is. Dat moment kan van alles zijn en pas dan ontdek je wie of wat die ander is. Soms valt het mee en soms tegen maar hoe dan ook: het bekende gezicht krijgt een naam.

Trees is een beetje onder de indruk van Truus. Ze is groter en is altijd zo mooi zwart gekleed. Niet matzwart maar glimmend en met allemaal witte spikkels. Als het licht een beetje meewerkt lijkt er, door het donkere zwart, iets van groen te schijnen. O, ze vind het prachtig maar het is niets voor haar. Het ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ is haar op het lijf geschreven. Zij is gewoon een grijze mus en dat bevalt haar prima.

Misschien is dat wel de reden waarom Truus haar niet aangesproken heeft. Waarom zal je je inlaten met een zo onbeduidend en armoedig geval? Ze zal het nooit hardop zeggen maar zij is natuurlijk beneden haar stand. O, ze zal best een lieve en zorgzame moeder voor haar kroost zijn maar dan in haar milieu. Een milieu waar zij zich absoluut niet voor interesseert en, afgaande op het volledig oninteressante en inhoudsloze gebabbel van deze grauwe mus, zal haar nageslacht wel net zo dom zijn als deze moeke. Appels vallen nu eenmaal niet ver van de boom.

En wat toevallig. Laten het nu net de echte appels zijn die hen nader tot elkaar brengt. Ze staan er bij en kijken er naar.
‘Ze zien er niet echt lekker uit,’  zegt Trees.
‘Nee,’ zegt Truus, ‘Ze lijken wel aangepikt en die zijn ook al bruin.’
‘Jammer. Ik had mijn kinderen wel wat lekkers gegund,’ zegt Trees met spijt in haar stem.
‘Hoeveel kinderen heeft u?’ wil Truus weten.
‘Zeven.’
Mijn God, denkt Truus. Zeven kinderen! Dat zal daar toch een puinhoop zijn.
‘U woont toch in dat huis met die blauwe dakpannen?’
‘Ja, maar gelukkig niet alleen. We hebben daar een kleine maar gezellige ruimte. Het enige nadeel zijn die zomergasten die naast ons wonen. Die zijn nogal luidruchtig. Gelukkig zijn ze alleen in de zomer hier. Het is anders geen harden. Ze vliegen met een noodgang door de straat en als je er wat van zegt, krijg je alleen maar te horen dat ze niet anders kunnen.’
‘Toch is het een vlijtig volkje,’ meent Truus. ‘Als mijn man ’s morgens vroeg aan het werk gaat zijn die gasten al druk in de weer. Dat verbaast mij elke keer weer omdat je niet verwacht dat die donkere types van die harde werkers zijn. Maar misschien moeten ze wel. Elke winter de warmte opzoeken kost natuurlijk het een en ander.’

Daar had Trees nog niet aan gedacht. Zij maakt zich meer zorgen om dat gevlieg en gejaag. Een botsing is zo gemaakt en dan maakt het niet uit of je een harde werker bent of een donker type.
‘Waar woont u?’ vraagt ze aan Truus.
‘Wij wonen vrijstaand. Wij hebben dit jaar een riante woning betrokken waarbij wij alleen de ingang moesten vergroten. Geen idee wie de vorige bewoners waren maar ze waren beslist klein van stuk. Nee, we hebben het met z’n vieren prima naar onze zin.’
‘O, u bent ook moeder?’
Dat had Trees niet verwacht. Ze kan zich niet voorstellen dat iemand met zo’n uiterlijk zich bezig houdt met schoonmaken, eten verzorgen en poep opruimen.
‘Nou,’ zegt ze blij, ‘Dan weet u ook alles van het huishouden en opvoeding.’
‘Ja, maar het maakt natuurlijk wel uit of je er twee hebt of zeven. Ik moet er niet aan denken. Nee, wij voeden ze op tot zelfdenkende en zelfstandige wezens die hun draai in het leven kunnen vinden. Je kan immers meer persoonlijke aandacht aan twee geven dan aan zeven. Nee zeg, ik moet er echt niet aan denken. Ze zouden voor galg en rad opgroeien en wie worden daar op aangekeken? Precies: de ouders.’

Als Trees over deze woorden nadenkt en concludeert dat haar leefstijl door deze dame wordt bekritiseerd, verduistert plotseling de lucht. Voor Trees weet wat er gebeurt, grijpt een sperwer Truus met beide poten vast. De nagels boren zich in haar vlees en het laatste wat Trees hoort, is de doodskreet van een spreeuw die weldra voer is voor de jongen van deze jager.

Ze is behoorlijk ontdaan. Haar hart klopt in haar keel en ze beseft dat ze vreselijk geluk heeft gehad. Het is misschien toch beter een grijze en onopvallende huismus te zijn dan een opzichtige spreeuw. Ze pikt nog snel een paar graantjes van de voedertafel en brengt dat naar haar kinderen. Kan ze hen gelijk een mooie levensles leren.

 

©peter gortworst / okt. 2019
foto: pinterest.co.uk

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties