De goede gevers

In het buurthuis staat één biljarttafel en er zijn vijf spelers. Mannen op leeftijd die nog graag het spelletje spelen. Op deze koude, winterse woensdag zijn ze er allemaal. De pilsjes en de jonkies smaken best en het spel is voor de verandering ongewoon spannend. Teun en Gerard gaan in punten gelijk op en Harry zit er vlak achter. Het zal er om hangen wie het eerst de 100 haalt. Niemand rekent op Bert maar als deze een ongelofelijke serie van 26 maakt is het spel uit. Ze ploffen in een stoel en Bert moet het ontgelden.
‘Als ome Jaap die ballen niet zo mooi had neergelegd was het je nooit gelukt,’ meent Gerard.
Bert lacht een beetje schamper. Waarom zou een winnaar zich nog moeten bewijzen?

Ome Jaap is even naar het toilet geweest en als hij gaat zitten zegt hij:
‘Katrien was daar aan het schoonmaken.’
De anderen kijken hem vragend aan.
‘Ja? En?’
‘Nou…. Ik dacht zo…..Wat weten we eigenlijk van haar?’ vraagt ome Jaap.
‘Nou,’ zegt Harry, ‘Niet zo heel veel want ze praat amper Nederlands.’
‘Ze heet niet Katrien maar Katerina of Kati of Katrijn, zegt Gerard.
‘Waarom noemen we haar dan Katrien?’
Dat weet niemand.
‘Misschien omdat het makkelijker is,’ denkt Teun.
‘Ze komt uit Rusland en woont alleen met haar zoon,’ weet Bert.
‘Nee. Ze komt uit de Oekraïne en haar zoon zit bij mijn kleinzoon in de klas. Ze woont in één van die huisjes bij jou achter, Teun,’ zegt Gerard.
‘Oh? Daar? Dat zijn akelig kleine huisjes. Ze zijn van de gemeente. Sociale woninkjes. Als je daar woont heb je niet veel te makken,’ zegt Teun.
‘Dan zal ze wel een uitkering hebben,’ denkt ome Jaap, ‘Dat is geen vetpot.’
‘Maar voor dat schoonmaken hier. Krijgt ze daar dan geld voor of is dat vrijwilligerswerk?’
Ook dat weet niemand. Ze zwijgen en overdenken hoe Katrien het moet redden met haar zoon. Als de dagen kort en de nachten lang zijn met een winterse koude die je kleumend laat verlangen naar een warme zomerse dag, doet dat iets met mensen. En als dan ook nog de dagen voor kerst een geest oproepen van blijmoedige vrijgevigheid, is het niet verwonderlijk dat er in deze heren iets onbaatzuchtigs zijn opwachting maakt.   
Na een paar minuten zegt ome Jaap:
‘Kunnen we niet wat voor haar doen?’

Het is het startschot van een zee aan ideeën. Helaas weet geen van de vijf of ze een tuintje heeft wat ze op kunnen knappen, hoe het er bij haar in huis aan toe is, of er misschien behangen en geschilderd moet worden en of ze wel genoeg meubels heeft. Uiteindelijk is het idee van Bert nog het beste. Ze lappen de man 20 euro en gaan daar in de stad een formidabel kerstcadeau voor kopen. Een grote doos met allerlei levensmiddelen die ze gewoon gebruiken kan en natuurlijk ook wat luxe dingen. Die koop je immers niet als je arm bent. Bert en Teun zullen zich daar mee bezig houden. Als Harry zegt een mooi gedicht te schrijven wordt dat met algemene stemmen verworpen. Gedichten schrijf je met Sinterklaas en Katrien kan geen Nederlands lezen. Dat haar zoon dat wel kan, wordt even vergeten. Ook weldoeners hebben soms gebreken.

Ze zijn met de auto van Bert naar de stad gereden en lopen nu, gebroederlijk naast elkaar achter de winkelwagen. In de auto hebben ze al met elkaar gesproken over wat er beslist gekocht moet worden. Koffie staat op nummer 1 en suiker op 2. Die zijn snel gevonden. Teun heeft een rekenmachine meegenomen en telt alle bedragen bij elkaar op. Bij de vleesafdeling slaat de twijfel toe. Is Katrien een moslima? Zo ja, dan mag er geen varkensvlees gekocht worden. Ze nemen het zekere voor het onzekere en kopen twee biefstukjes van de haas. Mandarijnen en druiven zijn altijd goed. Een blok jong belegen kaas natuurlijk ook. Koekjes en chocolade zijn lekker en als Bert zich plotseling herinnert dat zijn vrouw zich regelmatig insmeert met een soort zalfje, staan de twee mannen voor een rek met een heleboel lotions en weet geen van beide wat te kiezen. Gelukkig helpt een goedlachse dame op leeftijd hen uit de brand.
‘We zijn bijna op de honderd euro,’ zegt Teun als Bert een blik met haring in tomatensaus heeft gepakt.
‘Hoeveel hebben we nog?’
‘Iets meer als twee euro.’
‘Dan gaan we naar de kassa.’

Even tijd voor een andere boodschap:

Voorbeeld van afbeelding

http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

Ze leggen gezamenlijk alle boodschappen op de band. Teun meent dat er voor die twee euro nog wel een doosje met pepermuntjes en een Bounty bij kunnen en ook deze gaan mee.
‘Dat is dan honderd euro en vijf cent,’ meldt het meisje achter de kassa blijmoedig.
De heren kijken elkaar aan.
‘Heb jij nog vijf cent?’ vraagt Bert.
‘Nee, ik heb helemaal geen geld op zak.’
‘Ik ook niet,’ zegt Bert, ‘Ik heb alleen maar die briefjes van twintig mee.’
Hij wendt zich tot het meisje achter de kassa, legt de vijf briefjes voor haar neer en zegt:
‘Zo veel geld en jij maakt je druk om vijf centen?’
‘Anders klopt de kassa niet,’ is het weerwoord.
Nu bemoeit ook Teun zich er mee en als hij omstandig vertelt waarom ze voor precies honderd euro inkopen hebben gedaan, ontgaat hem het gemor dat langzaam opwelt uit de rij wachtenden achter hen. Het kassameisje is standvastig en als ze voorstelt om dan maar wat terug te leggen, is dat tegen het zere been van Bert. Het gaat verdorie maar om drie centen en omdat de grootgrutters een hekel aan centen hebben ronden ze dat af naar boven. Als er iets één hele cent minder had gekost, was het precies honderd euro geweest dus waar maakt zo’n meisje zich druk om? Is het werkelijk zo een ramp als bij het opmaken blijkt dat er drie centen missen? De standvastigheid van het meisje is van het onbuigzame soort. Het blijft honderd euro en vijf cent of er wordt wat van de band gehaald. De rij wachtenden is het zat.

‘Wat is het probleem?’ roept een vrouw die nog lang niet aan de beurt is.
‘Er ontbreken vijf centen!’ roept Teun verbolgen.
‘Die kan je van mij ook wel krijgen,’ roept de vrouw terug.
Het muntstukje gaat van hand tot hand naar voren om uiteindelijk met een kleine rinkel in de lade van de kassa te verdwijnen. Mopperend over zoveel onbegrip, onwil, onverschilligheid en nog wat andere ‘onnen’, verlaten de heren de winkel.

De kartonnen doos zit helemaal vol en is beplakt met kerstpapier. ‘Van de Kerstman’ heeft Teun er met viltstift nog opgeschreven. In het donker dragen ze deze naar het huisje van Katrien. Zachtjes, zonder geluid te maken zetten ze de doos voor de deur. Ze kijken elkaar aan en dan druk Bert op de bel. Ze rennen, zo goed en zo kwaad als dat nog gaat, weg. Niemand heeft hen gezien.

Woensdag wordt er, voordat er ook maar één bal gespeeld is, verslag gedaan. Het ‘vijfcentenverhaal’ wordt langdurig besproken want het is toch van de gekke dat dit zomaar kan? Ome Jaap, die vaak in Duitsland boodschappen doet, heeft altijd centen in zijn beurs en vertelt met zichtbaar genoegen dat hij meestal tot op de cent nauwkeurig betaalt. Natuurlijk niet als het naar beneden wordt afgerond maar als het drie of vier centen zijn, dan wel. Dat niet elke winkelier daar blij mee is, laat hem koud. Geld is geld.
Ze beginnen met een potje tien over rood en dan is daar plotseling Katrien. Ze loopt langs met een emmer en een zwabber en zegt vriendelijk gedag. Voor ze door de deur naar de toiletten loopt horen de mannen haar zachtjes zingen.
‘Engelengezang,’ zegt Harry.
Ome Jaap knikt. ‘Verdomd, nou je het zegt,’
‘Mooi!’ menen de anderen en met een blij gevoel dat alleen goede gevers kennen, tiktakken ze de ballen over het groene laken.

© peter gortworst / dec. 2021

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Nacht

voor een vriendin

Het is avond en een waterige zon daalt in het westen. Geen oranjerode wolken maar een grijze nevel die de zon als een kleine, lichte schijf toelaat om er te zijn. Alles komt tot rust. Een enkele vogel laat zich nog horen. De herder leidde de schapen naar hun kooi en de koeien hebben zich neergelegd. Het bos zwijgt en vanaf de graslanden bij de rivier stijgt een witte nevel op. In de stad zoekt de dakloze zich een slaapplaats en haasten mensen zich naar hun huizen waar anderen op hen wachten. De maan komt op. Geen volle maan en juist zo elke keer weer een symbool van verwachting of afscheid, van wat komen gaat, van wat niet meer is. In deze schemer zou alles tot rust moeten komen. Alles, maar niet voor die ene.

Grote vragen spoken door het hoofd. Hoe? Waarom? Hoe verder? Het maakt geen verschil of deze schemer iedereen verstilt. Zelfs een stralende zon midden op de dag, vermag deze diepe duisternis niet verdrijven. Zo geleidelijk de maan van het ene in het andere kwartier glijdt, zo onverwacht was deze overgang.

Alleen staan in het donker. Niemand meer naast je in bed. Niemand die thuis op je wacht. Niemand voor steun, voor raad en daad. Weg is het vertrouwde. Alles is nu anders en het wordt nooit meer als vroeger.

Zoals in de schemer de wereld haar kleur verliest, zo is ook het leven geworden. Grijs, grauw, zwart. Zwervende gedachten, weifelende krachten en een wankele geest. Wie zal dit mensenkind geleiden zoals eens de vader deed? Wie jaagt het monster onder het bed vandaan? Wie droogt de tranen? Wie laat ontdekken dat herinneringen niet alleen maar pijn kunnen geven?

Natuurlijk. De dood hoort bij het leven maar nu toch nog niet? Er waren nog zo veel plannen, vooruitzichten en mooie tijden die zouden komen. Die verdomde duisternis: je ziet geen hand meer voor de ogen! Wat koop je voor algemeenheden, goedbedoelde opmerkingen of raad? De mond lacht maar het hart huilt tot het moment dat je weer alleen bent. Daar waar eens ook die ander was. Daar waar je luidkeels en zonder rem je verdriet en wanhoop kan uiten. Daar waar je naar antwoorden zoekt op duizend vragen. Daar waar je langzaam leert dat het ochtendgloren er is voor hen die de nacht hebben doorstaan.

peter gortworst / nov 2021

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , | 2 reacties

Blauwe pruimen

‘Zo m’neer Molenaar? U lust graag pruim’n?’ vraagt zijn hulp. Ze wijst naar de twee bakjes met mooie, grote blauwe pruimen terwijl ze aanrecht schoon maakt.
‘Nee,’ zegt hij, ‘Ik heb ze gekocht om weg te geven. Als ik ze eet, zit ik hele dagen op de wc.’
‘U hept ze gekocht voor uw kleinkinder’n? Dà vint-ik lief,’
‘Nou,’ zegt hij aarzelend, ‘Wel voor kinderen maar niet voor mijn kleinkinderen.’
Ze kijkt hem niet-begrijpend aan en besluit niet verder te vragen. Het zijn per slot van rekening haar zaken niet.
Na een half uurtje is ze klaar.
‘Ik hep ’t bed schoon opgemaakt, de was hangt te drogen en de zak van de stofzuiger is ook weer leeg. Heppu nog wat nodig?’
‘Nee, het is goed zo. Je wordt bedankt.’
‘Ja, ’t is goe.’
Ze trekt haar jas aan en gaat. Hij nestelt zich in zijn stoel om zich te verheugen op het vanavond naar bed gaan. Schone lakens en een kussensloop dat weer lekker ruikt.

Aan het eind van de middag schilt hij twee aardappelen, maakt een half zakje met spruitjes schoon en legt een speklapje in de koekenpan. Geduldig wacht hij tot alles gekookt en gebakken is en zet zich dan aan de eettafel. Als alles op is, verhuist de vuile vaat naar het aanrecht en pakt hij de twee bakjes met pruimen. Uit de wandkast haalt hij een houten kistje met naaispullen. Door het oog van een lange naald priegelt hij het uiteinde van een draad zwart ijzergaren en steekt dan de naald door de lengte van een pruim. Aan de onderkant maakt hij een zo groot mogelijke knoop en aan de bovenkant knipt hij de draad op ongeveer 15 cm af. Op tafel liggen 19 pruimen met een draadje. Eentje heeft hij zelf opgegeten. Dat was de zachtste en met één pruim zal de gang naar het toilet wel beperkt blijven. Tevreden bekijkt hij zijn arbeid en gaat dan naar bed.

Terwijl hij slaapt kan er best even een reclame tussendoor:

Het is woensdagmorgen en hij is een uur bezig met zijn vaste ochtendritueel: opstaan, zijn oefeningen doen, wassen en eten. Dan doet hij de pruimen in een vergiet en loopt de tuin in. Stuk voor stuk hangt hij de pruimen in zijn pruimenboompje en bekijkt van een afstandje het resultaat. Het ziet er helemaal echt uit.

Om twaalf uur sluit hij het gordijn maar laat een kiertje open. Hij zet zijn stoel voor die kier en wacht.
Er landt een ekster in het boompje. Met hakkende bewegingen doet hij zich tegoed aan een pruim. Hij ziet het aan en bedenkt dat dit weliswaar niet de bedoeling is maar alla, die vogel moet toch ook eten. De vogel schrikt van iets en vliegt weg en dan gebeurt waar hij op gewacht heeft. Achter in de coniferenhaag waar een smalle opening is, verschijnt een gezicht van een jongen. Het gezicht tuurt door de tuin en naar het huis en verdwijnt dan. Een nieuw gezicht, ditmaal van een donkere jongen, komt tevoorschijn. Dan stappen beiden door de opening de tuin in. Ze sluipen met hoog opgetrokken voeten richting pruimenboom. Wat een waanzin, denkt hij. Wie zal hen horen lopen? Bijna tegelijkertijd trekken ze een pruim uit de boom. Hij ziet ze kijken naar de vruchten. De donkere jongen trekt het draadje uit de pruim en laat dit aan de ander zien. Het is duidelijk dat ze aan het overleggen zijn. Pruimen hangen aan steeltjes. Niet aan ijzergaren. Wat ze helemaal niet op lijkt te vallen is dat de pruimen die nog wel aan een steeltje hangen, geel van kleur zijn. Die zijn ook niet zo groot dus misschien denken deze snoodaards dat ze nog niet rijp zijn. Ze vertrekken ieder met een enkele pruim.

Hij heeft er met plezier naar gekeken. Vroeger deed hij hetzelfde. In de tuin van het hoekhuis op de Heerengracht en de Hoopsteeg stond een perenboom. Elk najaar sloop hij die tuin in en jatte een maaltje stoofperen uit die boom. Zijn moeder vroeg nooit hoe hij aan die peren kwam maar weten deed ze het wel. Het bleef ook vaak niet bij die ene keer. Als de week daarop er nog peren in die boom hingen, werd er een nieuwe diefstal gepleegd.

Hoezeer de tijden ook veranderd zijn, dit is gebleven. Het doet hem genoegen om te constateren dar er nog altijd kwajongens zijn die fruit stelen. Soms gaat het niet goed. Ze worden gesnapt of ze krijgen vreselijke buikpijn van nog onrijpe appels of peren. Het hoort er bij. Het enige wat veranderd is, zijn de klappen voor je kop als je betrapt werd. Een vuurrood oor was altijd lastig uit te leggen aan je ouders. Vandaag schijnt zoiets niet meer te mogen en dat is best jammer.

Hij blijft zitten en wacht. Het duurt maar even en dan zijn ze terug. De donkere jongen draagt een plastic tas. Zo snel als ze kunnen plukken ze de overgebleven blauwe pruimen. Even lokt de verleiding om het gordijn open te schuiven om hen te laten schrikken. Dan zal hij ook moeten vertellen dat ze de vruchten best mogen plukken en dat bederft dan weer hun plezier in de rooftocht. Als het mag is er immers niks meer aan? Hij wacht daarom tot ze door de heg gekropen zijn. Met zo veel mogelijk herrie gooit hij de deur open en moppert zo hard dat ze het wel moeten horen:
‘Potverdorie! Rotjongens! M’n pruimen zijn weg!’ en met een brede grijns sluit hij weer de deur.

© peter gortworst / nov. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Radio

Fris gewassen, geschoren en in zijn beste pak zit hij naast haar. De schrijver en zijn zorgzame, betrokken dochter. Het is een prachtige herfstmorgen. Veel verkeer is er niet op dit tijdstip. Ze zijn op weg naar de studio van de regionale omroep.
‘Vind je het niet spannend?’ vraagt ze aan haar vader.
‘Een beetje wel, ja ja.’
‘Weet je al wat je gaat vertellen?’
‘Ja ja. Het hangt er van af wat ze vragen natuurlijk.’
‘Lijkt mij niet zo moeilijk. Ze willen vast weten waar het boek over gaat, of het autobiografisch is, waar je de inspiratie vandaan haalde of waarom je het geschreven hebt. Denk je dat je daar antwoorden op kan geven?’
‘Ja ja.’
‘Ik hoop dat het wat oplevert. Die tweehonderd boeken liggen als een steen op mijn maag.’
‘Ja ja.’

Het was een compromis. Toen zijn boek klaar was en gedrukt kon worden, wilde hij er duizend bestellen. Ze schrok zich dood toen ze ontdekte hoeveel geld dat zou gaan kosten.
‘Dat gaan we niet doen, pa,’ had ze gezegd, ‘Dit zijn er te veel. Ik geloof nooit dat er zoveel van verkocht gaan worden. Bovendien, waar laten we duizend boeken in jouw huis? Weet je wel hoeveel plaats die innemen? Ik denk dat we het voorlopig maar moeten doen met dertig boeken. Lijkt mij meer dan genoeg. We kunnen toch altijd bijbestellen?’
Het kostte haar veel overredingskracht om het uiteindelijk op tweehonderd exemplaren te krijgen. Zo meegaand als hij normaal is, zo onbuigzaam was hij toen.

Nadat de bestelling in achttien doosjes afgeleverd was, had hij er eentje opengemaakt en trots naar zijn werk gekeken. Vervolgens had hij een pen gepakt en op een lege pagina iets geschreven.
‘Dit is de eerste en die is voor jouw,’ had hij gezegd.
Ze las: “Voor mijn lieve dochter die mij zo geweldig geholpen heeft. Je oude vader.” Dat vond ze mooi en ze had hem bedankt met een dikke knuffel.

De kosten van al die boeken was een aardige aanslag op zijn kapitaal en zij zag zich genoodzaakt om mee te helpen met het aan de man brengen. Enigszins bezwaard had zij lopen leuren bij haar vrienden, buren en kennissen. De reacties op zijn boek waren, tot haar verrassing, lovend. Zo lovend dat ze het waagde om een persbericht te schrijven voor het lokale suffertje. Het werd niet geplaatst maar ze had meer pijlen op haar boog. In twee boekhandels in hun woonplaats konden een paar boeken in consignatie komen te liggen. Het telefoontje naar de regionale omroep was een succes. Op zaterdagmorgen zenden ze een boekenkwartiertje uit en zij waren wel geïnteresseerd.

De file is niet aangekondigd en daardoor onverwacht. Het duurt iets meer dan een half uur voordat ze de plaats van het ongeluk stapvoets voorbij kunnen rijden. Gespannen heeft ze naar het klokje op het dashboard zitten turen. Het zal er om hangen. Als ze eindelijk voor de deur van het gebouw staan, zijn ze precies op tijd.
‘Ga alvast naar binnen,’ gebied ze haar vader, ‘Ik moet eerst parkeren.’
Gedwee is hij uitgestapt en vertwijfeld kijkt ze om zich heen. Waarom ligt een studio midden in het centrum van een grote stad? Overal staan auto’s en waar moet zij de hare kwijt? Ze jaagt lukraak door smalle straatjes in de hoop ergens een plekje te vinden. Op de radio die afgestemd staat op de lokale zender, hoort ze de presentatrice zeggen:
‘Dan zijn wij nu toe aan ons wekelijkse boekenkwartiertje. Dit maal met een, tot nu toe onbekende schrijver uit de regio. Hij heeft een prachtig boek geschreven. Ik vertel u zo wie deze man is maar we gaan er eerst even uit voor de reclame.’

Verdorie! denkt ze maar veel verder komt ze niet. Ze mist de eerste wervende tekst van een plaatselijk restaurant omdat de auto, die van links komt, haar over het hoofd ziet. De schade is niet groot maar al het papierwerk kost tijd. Als ze weer in haar auto zit, rijdt ze naar de studio. Haar telefoon gaat. Geheel tegen haar gewoonte in, neemt ze al rijdend op.
‘Waar ben je?’ vraagt haar vader.
‘Ik ben er zo. Wacht maar even voor de deur.’
‘Ja ja.’
‘Nou? Hoe was het?’ vraagt ze als hij is ingestapt.
‘Het viel wel mee. We moeten maandag honderdvijftig boeken komen brengen.’
‘Joh! Dat is mooi! En betalen ze die ook?’
‘Ja ja. Ze verkopen na een uitzending gemiddeld zo’n tweehonderd boeken dus misschien zal er na geleverd moeten worden.’
‘Korting?’
‘Ja ja. Twintig procent.’
‘Dat is redelijk. Jeetje pa! Wat goed! En hoe ging het gesprek?’
‘Heb je niet geluisterd dan?’
‘Sorry, nee. Ik was zo druk met het zoeken naar een parkeerplaatsje dat ik niet kon luisteren.’
‘Ja ja. Jammer.’
Ze vertelt hem niets over de aanrijding. Waarom zou je zijn mooie dag verpesten met iets banaals als blikschade?

Ze neemt hem mee naar haar huis. Haar kinderen rennen hen tegemoet.
‘Opa! Je was op de radio!’ schreeuwen ze blij.
‘Ja ja. Jammer dat ik het niet gehoord heb,’ grapt hij.
Ze lachen. Hij heet niet voor niets ‘gekke opa’.

Als ze aan de koffie zitten, zegt haar man:
‘Die boekhandelaren hebben gebeld. Je moet straks even twintig boeken extra brengen. Het loopt storm.’
‘O..?’ zegt zij.
‘Ja ja.’ grijnst opa, ‘Dat is mooi.’
Ze kijkt hem aan zonder iets te zeggen. Het bewonderingswaardige aan iemand heeft soms een herbevestiging nodig. Ze denkt aan al zijn verhaaltjes die hij hen voorlas voor het slapen gaan en daarna in een schriftje schreef. Ze liggen in een kast op de overloop en veel van zijn verhaaltjes heeft ze ook haar kinderen voorgelezen. Zou je daarmee niet…. Ze schudt haar hoofd. Eerst dit en later misschien dat andere.
‘Ja ja. Ik wil naar huis,’ zegt haar vader, ‘Kan je gelijk de boeken ophalen en wegbrengen.’
‘Ja pa,’ zegt ze.
Het klinkt heel gehoorzaam maar hij weet donders goed dat een schrijver alleen maar groot kan worden als er een sterk persoon achter hem staat. In zijn geval is het de oudste dochter. Zonder haar zou hij een armzalige krabbelaar zijn die verzuipt door verkeerde beslissingen. Het heeft hem nederigheid geleerd en trots gemaakt maar vooral dankbaar. Dankzij haar kan hij de hele wereld aan.
Ja ja.

© peter gortworst / nov. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

De zevende

Sinds gistermiddag staat er een koude wind en het regent. Een enkele keer een echte regenbui, soms pijpenstelen maar verder alleen maar van die miezerende druppeltjes die er de hele tijd zijn. Alles in de tent begint vochtig klam te worden en het maakt haar humeur er niet beter op. Zomervakantie op een ongemakkelijk stoeltje in een te kleine tent met een dikke trui, joggingbroek en warme sokken.
Waarom heeft zij zich laten overhalen om op vakantie te gaan naar zijn favoriete vakantieland? Waren het zijn enthousiaste verhalen over de schitterende natuur, de intrigerende geschiedenis of de mentaliteit van de bewoners? En dan nog kamperen! Ze heeft dat nog nooit gedaan en zijn opmerkingen over je één voelen worden met de elementen als je gaat kamperen, had ze zich heel anders voorgesteld.
Wat is er mis met een geheel verzorgde vakantie op Tenerife? Daar is het minstens 15 graden warmer. Je kan er rondlopen in een korte broek op sandalen en als je zo nodig nat wil worden stap je het zwembad in. Slapen in een echt bed en niet op zo’n opblaasmatras met een klamme slaapzak. ’s Morgens een ontbijtbuffet en geen kleffe broodjes of zelf gebakken flensjes met een lap bacon en een spiegelei.
Wat haar nog het meest ergert is zijn enthousiasme. Het is haar net even te veel, te gemaakt, te geforceerd. Het is het leuk vinden omdat het leuk moet zijn.

De rits van de tent gaat omhoog en hij stapt naar binnen. Korte broek en magere witte spillebenen. Hoe haalt hij het in zijn hoofd? De rol wc-papier gaat in de krat met keukenrollen, schoonmaakdoekjes en stoffer met blik. Dat is ook zoiets. Overal heeft hij een krat voor. Eentje voor de technische dingen, eentje voor het eten, eentje voor de pannetjes, eentje voor de hand- en theedoeken…

‘Het wordt droog,’ zegt hij monter.
‘En?’
‘We zouden een wandeling kunnen maken. Er is een route van vijf kwartier die langs zeven watervallen loopt. Lijkt mij wel mooi.’
‘En waar is die wandeling?’
‘Hier vanaf de camping.’
Weg is haar hoop op een ritje in een auto die voor wat warmte kan zorgen.
‘Nou… laten we dat dan maar doen,’ zegt ze met een stem die overduidelijk niets laat blijken van “ja leuk” of ”Goh, daar heb ik echt zin in”.

De watervallen zijn alleen bereikbaar door van het pad af naar beneden te lopen. Geen mooi aangelegd weggetje maar een paadje van grote gladde stenen. Ze vindt het doodeng. Stel dat ze weg glijdt en iets breekt! Ze moet er niet aan denken.

We gaan er even uit voor de reclame 🙂

De eerste waterval kan je nauwelijks een waterval noemen. Het is meer een stroomversnelling. Mistroostig kijkt ze er naar. Nog meer water, denkt ze.
Ook de volgende watervallen tonen hetzelfde beeld. Oké, bij de ene valt het water van een wat grotere hoogte dan bij de ander maar het gehele plaatje kan amper de benaming watervallen dragen. Na de zesde houdt ze het voor gezien.
‘Ik wil weer naar de tent,’ zegt ze met een pruilmondje.
‘Ach joh, laten we die laatste ook nog even doen. Misschien is die wel mooier dan de rest.’
‘Nee,’ zegt ze zeer beslist, ‘Het miezert weer. Alles is zijknat en ik heb het koud.’
Hij zucht even diep.
‘Goed, we gaan naar de tent.’

Bij de ingang van de camping lopen ze hun buurman tegen het lijf. Ook een Nederlander met een onverwoestbaar optimisme als het over het weer gaat.
‘We hebben de zeven watervallentocht gelopen,’ deelt haar vriendje mee.
‘O, wat leuk! Dat hebben wij gisteren gedaan. Die zevende was mooi hè? Zijn jullie ook achter het water langs gelopen? Ik vond het een spectaculair ding.’
‘Uh… nee… dat hebben we gemist…’
‘Wat jammer. Nou ja, morgen is er weer een dag en zo ver lopen is het niet.’
Ze weet dat ze nu even niets moet zeggen. Bij de tent gaat ze in de auto zitten.
‘Ik ga even mijn moeder bellen,’ zegt ze.
‘Ja, prima. Ik schil ondertussen de aardappelen.’

Na een kwartier stapt ze uit de auto.
‘Thuis zitten ze in de tuin. Zelfs in de schaduw is het te warm. Mijn vader neemt twee keer per dag een koude douche.’
Hij kijkt haar een beetje zompig aan.
‘Fijn voor ze,’ zegt hij dan.
‘Ik wil naar huis.’
Hij zwijgt, ontdoet de aardappels van de pitjes en snijdt ze doormidden.
‘Hoor je mij?’
‘Ja.’
Er valt weer een stilte.
‘Ik had je nog zo veel moois willen laten zien,’ biecht hij op.

Ze denkt na. Het liefst zou ze hier nooit meer heen gaan maar dat wil ze hem niet aandoen. Het is beter iets van hoop te laten bestaan.
‘Dan doe je dat in een volgende vakantie. We nemen dan kleine hotelletjes of BenB’s zodat we niet zo afhankelijk zijn van het weer. Dat is toch ook leuk?’
‘Ja…’ zegt hij aarzelend.
‘Weet je wat? Morgenochtend ga jij nog even naar die laatste waterval en ruim ik alvast alle spullen op. Als jij dan terug bent, breken we de tent af en gaan we naar huis.
Hij snijdt een ui in kleine stukjes en ze gaat er maar even vanuit dat de traan die over zijn wang loopt, zijn oorsprong vindt in de uiendamp.
‘Ja. dat is goed,’ en hij veegt de traan weg met een stuk keukenrol.
‘Morgenavond zitten we in onze eigen tuin en maken we onze vakantie daar af,’ hoort ze zichzelf geestdriftig zeggen.
Hij zegt niets. Geconcentreerd regelt hij de vlam onder de benzinebrander en stiekem hoopt hij dat het weer in Nederland rigoureus omslaat.

© peter gortworst / okt.2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

West Terschelling

Het zal de regen van de laatste dagen zijn geweest. Voor hetzelfde geld is het de ontdekking dat de r weer in de maand zit. Veel maakt dat voor hem niet uit. Een man op ruime leeftijd en alleenstaand heeft aan tijd en omstandigheden geen boodschap. Dat zijn rek- en plooibare dingen. Het besef dat er na zijn pensionering niets meer moest, heeft hem een gelukkig man gemaakt. Dat zijn omgeving daar vaak anders over denkt, deert hem niet. Zo is daar de overbuurvrouw die ’s nachts om drie uur aanbelde om te vragen of het wel goed met hem ging. Er brandde zo laat nog licht… Nee, er was niets aan de hand en als hij dood in zijn woning zou liggen kwam hij haar dat wel vertellen. Toen hij, in een vlaag van mededeelzaamheid, vertelde dat hij een boek aan het schrijven was en dat zoiets het beste gaat als het nacht is, vertrok zij hoofdschuddend weer naar haar eigen woning. De nachtelijke uurtjes zonder slaap haalt hij vaak overdag weer in en zo kan het gebeuren dat zijn oudste dochter hem, in diepe rust, op de bank vindt.

Ook zij maakt zich zorgen. Haar vader was zijn hele leven al een zonderling maar het lijkt wel of het steeds erger wordt. Hij staat stil in de tijd. Een mobiele telefoon wil hij niet hebben. ‘Ik heb een telefoon,’ liet hij weten terwijl hij naar het oude apparaat op het bijzettafeltje wees. Alles wat digitaal zo veel makkelijker zou kunnen, bant hij uit zijn huis. Schrijven doet hij met een vulpen in schriftjes, als er wat betaalt moet worden loopt hij naar de bank. Van een DigiD heeft hij nog nooit gehoord. Dat zijn dochter hem heel wat administratief werk uit handen neemt, weet hij wel maar beseft het niet.

Het is al vijf uur in de middag als hij wakker wordt. Dat is later dan hij had voorzien. Nu moet hij nog eten koken en daar heeft hij geen zin in. Hij smeert twee boterhammen met pindakaas en met een groot glas melk werkt hij die weg. Om zes uur zet hij de radio aan en luistert naar de nieuwsberichten. Op Terschelling zijn vier dode zeehonden gevonden en het is nog onbekend hoe die aan hun einde gekomen zijn. Terschelling. Daar is hij nog nooit geweest. De vakanties bracht hij met zijn gezin, net als zo veel Zaankanters, altijd door in Bakkum. Waarom zou je ver reizen als het vakantiegevoel ook dicht bij huis gevonden kan worden? De verhalen van anderen over de bergen in Oostenrijk, de prachtige steden in Italië of de bloedhete stranden in Spanje konden hem niet bekoren. Het zal vast mooi zijn maar zo lang in een auto zitten en al dat geld wat zoiets kost, nee, Bakkum is ook mooi en je kan er gewoon Nederlands praten. Maar Terschelling…? Het idee dat je op een eiland zit maakt het natuurlijk wel bijzonder.
Hij pakt zijn encyclopedie uit kast en zoekt naar Terschelling. Je komt er door op de boot te stappen in Harlingen, leest hij. Meer hoeft hij niet te weten. Hij pakt een weekendtas en stopt daar wat kleren, ondergoed, een washandje, een handdoek, zeep en zijn tandenborstel in. Uit de schuur haalt hij een groot stuk karton en schrijft er met grote letters “Harlingen” op. Dan gaat hij naar bed en zet de wekker op half vijf.

De wekker ratelt hem wakker en met enige moeite schuift hij het handeltje opzij. Het duurt even voor hij weet waarom hij wakker moest worden. Het is buiten nog donker maar langzaam gaat hem een licht op. Terschelling! Dat was het! Zo snel als zijn oude lijf hem toelaat haalt hij een waslap over zijn gezicht, schiet in de kleren en hobbelt de trap af. In de keuken maakt hij zijn havermoutpap klaar en smeert vier boterhammen voor onderweg.

De achterdeur wordt op slot gedraaid. De weekendtas gaat, samen met het kartonnen bord, op de bagagedrager van zijn fiets en hij stapt op. Het vervoermiddel wordt bij de Mac aan het Prins Bernhardplein geparkeerd. Daar heeft hij ANWB borden gezien waar Purmerend op staat. Hij weet dat vanaf die plaats een weg naar het noorden loopt dus eerst maar daar zien te komen. Aan het begin van de vluchtstrook legt hij de tas in de berm en met het bord voor zijn buik, steek hij de arm uit en de duim omhoog. Het wordt langzaam licht dus ze moeten hem kunnen zien, denkt hij.

Het duurt zeker een half uur als er eindelijk een auto stopt. Het raampje gaat open.
‘Waar moet u heen?’ vraagt de man op leeftijd achter het stuur.
‘Wat dacht u van Harlingen?’ vraagt de lifter.
‘Tsss,’ zegt de vrouw naast de bestuurder en ze bekijkt hem afkeurend.
‘Dat treft. Stap maar in,’ zegt de man, ‘Wij moeten naar Leeuwarden dus dat komt goed uit.’
Als hij op de achterbank zit, verstelt de man zijn binnenspiegel zodat hij hem goed kan zien. Ze zeggen geen boe of bah. Niet tegen hem maar ook niet tegen elkaar en terwijl het voor hem onbekende landschap aan hen voorbij trekt, vraagt hij zich af waarom ze hem hebben meegenomen. Aan het einde van de Afsluitdijk vraagt de man:
‘Waar moet u zijn in Harlingen?’
‘Ik ga naar Terschelling dus het zal de haven wel worden.’
‘Ja, dat denk ik ook. Ik zet u daar wel af.’
‘Toe maar…’ zegt de vrouw en het klinkt behoorlijk pissig.
De auto stopt bij de haven en hij stapt uit.
‘Dank u wel,’ zegt hij, ‘Goede reis verder.’
‘Ja. Graag gedaan.’
Hij kijkt de auto na en bedenkt dat zijn aanwezigheid hen misschien wel heeft behoedt voor een flinke echtelijke ruzie. Maar misschien breekt die nu uit. Dan kan maar zo.

Hij is op tijd voor de boot die net na tienen vertrekt. Het waait maar een beetje en de zon schijnt. Hij besluit om op het dek te blijven. Als je de eerste keer van je leven op zee bent, moet je daar toch ten volle van te genieten. Het lukt hem echter niet. De zon schijnt eerst op zijn rug, daarna van opzij en nu weer schuin van voren. Hij kan niet anders dan concluderen dat het schip gewoon een beetje rondzwalkt. De kapitein zal toch geen alcoholist zijn die nu al te veel gezopen heeft? Een beetje bezorgt kijkt hij om zich heen maar blijkbaar is er niemand die het in de gaten heeft. Hij gaat op zoek naar reddingsboten maar vindt ze niet. Wel een soort van ronde tonnen. Die hebben vast iets met ‘redden’ te doen en daarom blijft hij daar een beetje in de buurt. Voor geen goud gaat hij nu nog naar binnen.
Het vaste land wordt gehaald en dat valt hem mee. Als hij van boord gaat, is hij voor het eerst van zijn leven op een eiland.

Hij loopt naar de huizen die aan de haven staan en ontdekt daar een wegwijzer van de ANWB. Hij is aangekomen in West Terschelling dus zal er ook wel een Noord Terschelling zijn en een Terschelling Centrum. Helaas staat dat niet op het bord. Wel Hoorn en Midsland maar dat zegt hem niets. Als hij om zich heen kijkt of er iemand is die hem zou kunnen helpen, valt zijn oog op de letters van de VVV. Die moeten het wel weten.
De mevrouw achter de balie begrijpt zijn vraag niet. Er is geen Terschelling Centrum probeert ze hem duidelijk te maken. Dit, waar hij nu is, is de ‘hoofdstad’ van het eiland en iets van een Centrum bestaat niet. Ze haalt er een kaart van het eiland bij en wijst hem waar hij nu is. Langzaam wordt het hem duidelijk. Het eiland is veel groter dan hij dacht.
‘Hoe ver het is naar het strand?’ vraagt hij.
‘Welk strand?’
‘Ja. Het strand bij de zee natuurlijk! Er is toch geen strand zonder zee?!’
De mevrouw krijgt langzaam door dat ze met een zonderling te maken heeft. Een wereldvreemde zonderling nog wel. Hem helpen is niet alleen haar taak. Het is ook haar roeping en met een houding die alle geduld van de wereld toont, antwoordt ze hem:

‘U bedoelt het strand aan de Noordzee? Dat is aan de andere kant van het eiland. Hier voor de deur ligt de Waddenzee. Uw zee ligt zo’n zes kilometer weg. Als u dat niet wilt lopen, kunt u altijd een fiets huren. Hebt u eigenlijk wel een slaapgelegenheid?’
‘Nee…’
‘Zal ik even voor u bellen of er nog ergens plaats is?’
Hij knikt zonder iets te zeggen en zij gaat aan een bureau zitten. Het duurt even maar dan komt ze met een glimlach op haar gezicht naar de balie.
‘Bij hotel NAP is nog een kamer beschikbaar tot vrijdag. Ik ben maar zo vrij geweest deze voor u te reserveren.’
‘O… En wat kost dat?
‘Honderdzesendertig euro per nacht en het ontbijt is gratis.’
‘Jezus!’ zegt hij geschrokken.
Dat is veel geld voor een nachtje slapen. Hier had hij niet op gerekend. Tweehonderd euro had hij uit zijn geldkistje gehaald en dat moest ruim voldoende zijn.
‘Is er niet wat goedkopers?’ vraagt hij daarom.
‘Nee. Dit is één van de goedkopere die toevallig nog een kamer vrij hebben.’
Hij twijfelt maar veel keus is er niet.
‘Goed. Hoe kom ik daar?’
Bereidwillig vertelt ze hoe hij moet lopen en als hij de deur uit gaat, wenst ze hem een prettig verblijf op het eiland.

Hij boekt de kamer voor één nacht. Zijn tas zet hij op het bed en kijkt uit het raam naar het volk wat door de straat loopt. Het strand is zes kilometer lopen en hij besluit om zich aan die wandeling te wagen. Per slot van rekening heeft hij de hele middag de tijd. De gesmeerde boterhammen vist hij uit de tas en met de kaart van Terschelling in zijn broekzak, gaat hij op pad.

Zes kilometer is ongeveer de afstand van de Dam met het beeld van Czaar Peter tot Wormerveer of Nauerna. Een flinke wandeling maar te doen. Het landschap is mooi. De zon schijnt maar echt warm is het niet. Prima wandelweer. Veel mensen komt hij niet tegen en ook op het strand is het niet druk. Bovenaan de strandopgang doet hij zijn schoenen en sokken uit, krult zijn broekspijpen op en loopt door het zand naar het water. Het voelt lekker. Hij sopt een stukje naar links en hij sopt een stukje naar rechts en gaat dan op het zand zitten, eet zijn boterhammetjes en kijkt om zich heen. Hij vraagt zich af wat de meerwaarde is van strandzitten op een eiland. Het verschilt niets met zijn vertrouwde strand bij Bakkum. Enigszins ontgoocheld door zijn eigen ontdekking staat hij op en loopt de lange weg terug. Het is al laat als hij doodmoe het hotel bereikt. Hij gaat naar zijn kamer, ploft op bed en vertrekt met zijn kleren nog aan, naar dromenland.

Zodra hij wakker wordt stapt hij onder de douche. Een lange en warme. Hij heeft er goed voor betaalt dus je moet het er van nemen. Het ontbijt bevalt hem uitstekend. Hij eet zo veel dat de lunch er vandaag wel bij kan inschieten. Thuis staat er nog een stoofpotje in de koelkast. Dat kan hij vanavond wel opwarmen. Bij de haven gaat hij op een muurtje zitten. Het duurt nog even voor de middagboot vertrekt maar dat geeft niet. Hij heeft de tijd.

Als hij aan boord gaat, loopt hij gelijk naar het bovenste dek. Vlakbij zo’n ronde witte ton is een bankje en daar gaat hij zitten.
‘Mag ik er bij komen zitten?’ vraagt een vrouw.
Hij kijkt op. Voor hem staat een magere vrouw die wel van zijn leeftijd zou kunnen zijn. Het grijze haar heeft ze in een knotje en onder haar driekwart broek steken twee bruine benen.
‘Ja, natuurlijk,’ zegt hij.
‘Nou? Hoe was de vakantie? Of ben je niet op vakantie geweest?’
‘Nee, ik was hier maar één nacht.’
‘Waarom?’ wil ze weten.
‘Omdat ik nog nooit op een eiland ben geweest.’
‘Zeg, kom jij toevallig uit de Zaan?’
Ze zegt op een toon alsof ze zojuist ontdekt heeft dat hij haar eerste vriendje was. Hij kijkt haar verbaast aan.
‘Ja… Hoezo?’
‘Je praat zo Zaans als Piet Kee van de vis. Dat geeft niet hoor. Ik woon er ook.’

Vijf kwartier varen is zo voorbij als je samen herinneringen ophaalt en elkaar vertelt hoe het eens was. Het oude station met die gammele voetgangersbrug. Je keek vanaf het perron uit over het Westzijderveld met de held Jozua prominent in beeld. Over Poelenburg wat er toen nog niet was. De fabrieken van Albert Heijn, Verkade en Pieter Schoen aan de Zaan. De kermis op de Burcht en de films die ze draaiden in Flora of Apollo. Als ze vraagt of hij de auto ook in Harlingen heeft staan, biecht hij op dat er gelift zal moeten worden. Spontaan biedt zij hem een lift aan en belooft hem bij de rotonde af te zetten.

Het wordt een lange zit. Ze rijdt niet sneller dan tachtig kilometer per uur.
‘Ik rij nooit harder dan mijn beschermengel kan vliegen,’ laat ze hem weten.
‘Dan zou ik de volgende keer de achterdeur even openen zodat die engel op de achterbank kan gaan zitten,’ merkt hij gevat op, ‘Kan je wat sneller rijden.’
‘Mijn engel doet dat niet. Die wordt wagenziek. Zullen we in Den Oever even een visje gaan eten?’
‘Ja. Lekker.’

Hij neemt een harinkje met ui en zij een bakje kibbeling met knoflooksaus. Hij betaalt. Zo galant is hij wel. Terug in de auto valt hem de geur van de knoflook op. Hij houdt niet van knoflook en als hij het raampje een klein beetje open draait komt er commentaar.
‘Wil je dat weer dicht doen? Het tocht en straks heb ik een stijve nek.’
Gehoorzaam doet hij dat maar de geur van knoflook bederft niet alleen zijn autoritje. De sfeer is ook anders geworden. Hij zegt niet meer zo veel en ook zij wordt zwijgzamer. Beiden zijn blij dat de rotonde is bereikt.
‘Je wordt bedankt,’ zegt hij.
‘Graag gedaan en wie weet komen we elkaar nog eens tegen.’
‘Ja, dat kan maar zo. Dag hoor.’

’s Avonds komt zijn dochter even langs.
‘Je ziet er een beetje pips uit, Pa. Je zit teveel binnen. Is het een idee om een weekje op vakantie te gaan?’
‘Waarheen dan?’
‘Nou, een leuk hotelletje op Texel of Terschelling. Volgens mij ben jij daar nog nooit geweest. Lekker wandelen, een fiets huren, uitwaaien of met je blote pootjes in de zee…’
Hij kijkt haar een beetje dommig aan.
‘Breek me de bek niet open,’ laat hij zich ontvallen.

© peter gortworst / aug.2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

De zwangere man -11-

Met blijdschap geven wij kennis….

Volgens mij de meest gebruikte eerste zin op een geboortekaartje. Nu doe ik niet aan geboortekaartjes maar het heugelijke feit is daar. De uitdaging om een boek te schrijven is tastbaar geworden. Mijn boek is gedrukt en ligt in de verkoop.

Voorbij is de tijd van ‘hoe nu verder met het verhaal’. Geen zorgen meer over tijdlijnen die wel of niet kloppen. Geen bedachte personen meer die toch anders zijn of doen, locaties die er niet uitzien zoals beschreven of straatnamen die niet bestaan. Veel collega-schrijvers zullen zich herkennen in het gegeven dat het uiteindelijke verhaal niet dat is wat het vooraf had moeten zijn. De tekst is regelmatig met mij op de loop gegaan. Ik heb een aantal hoofdstukken weg moeten doen omdat het verhaal zich anders ontwikkelde. Zonde van het werk maar zo gaat het blijkbaar. Het is niet voor niets dat het schrijven zo veel tijd en inspanning kostte. Slapeloze nachten heb ik niet gehad. Wel vaak erg korte.

Nu is het wachten op reacties. De opmerkingen van mijn proeflezers waren veelbelovend en dat geeft hoop. Hoewel het schrijven in eerste instantie een uitdaging voor mijzelf was, ben ik natuurlijk wel nieuwsgierig hoe anderen het boek vinden. Ik weet niet meer wie het gezegd heeft maar de zin ‘een schrijver wil gelezen worden’ is natuurlijk waar. Ik ben benieuwd of mensen zich in de personages herkennen en of lezers in Zaandam en Meppel iets lezen met een ‘hé, dat ken ik’. Voor die lezers zullen er straatnamen of omschrijvingen herkenbaar zijn.

In mijn beleving zou het minstens een maand duren voor alles drukklaar zou zijn maar uiteindelijk is het in anderhalve week gelukt. Veel sneller dan ik dacht. Het binnenwerk, de tekst, was, mede dankzij het werk van mijn proeflezers en deskundigen, geen groot probleem. De cover was een ander verhaal. Gelukkig hebben ze bij de drukker genoeg deskundigheid in huis om ook dat goed en snel te organiseren. Het resultaat mag er zijn en ik ben dan ook apetrots op het resultaat. Petje af voor Pumbo.

Nu willen jullie natuurlijk allemaal dit boek kopen om met eigen ogen te lezen wat voor moois er ontstaan is. Ik ga niet over jullie handel of wandel maar heb wel een verzoek: De reguliere boekwinkels hebben het zwaar. Zouden jullie daarom het boek willen bestellen bij de boekhandel in de buurt? Op deze manier dragen jij en ik een klein steentje bij aan hun instandhouding en het scheelt jullie in de verzendkosten. Voor de goede orde: deze manier van aankoop levert mij niet het beste resultaat op. Wil je het toch on-line bestellen doe het dan via bijgaande link. Bij boldotcom kan ook maar daar zijn het niet alleen de auteurs die uitgeknepen worden. Als e-book is het nog niet verkrijgbaar. Eerst maar eens zien hoe de verkoop van het gedrukte exemplaar loopt.

https://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

Het boek is vandaag aangemeld bij het CB. Het kan dus een paar dagen duren voor de boekwinkels het voor je kunnen bestellen. Dat kan geen probleem zijn. Jullie hebben al zo lang moeten wachten dat deze paar dagen er ook wel bij kunnen.

En nu? Is dit het einde van de zwangere man? Uh… ja. Voorlopig wel. Over een tweede boek zijn wij het nog niet eens maar mocht er een nieuwe zwangerschap ontstaan dan hoor je dat als eerste. Nu is er nog alle tijd en aandacht nodig voor deze boreling.

© peter gortworst / sept. 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

De zwangere man -10-

Zo kordaat en/of daadkrachtig ik soms kan doen of toch minstens kan lijken, zo schijterig en besluiteloos ben ik nu. De laatste dagen ben ik alleen maar bezig met het kind wat komen gaat. Na vele overwegingen weet ik nu zeker hoe het gaat heten: “Wraak kent geen winnaars”.
Een mooie naam die de lading prima dekt en waar ik een bevredigend gevoel over heb.

Nu is er een groot voordeel als je een boek als kind krijgt: je kan zelf bepalen hoe het er uit gaat zien. Geen angst voor te grote of te kleine oren, een haarkleur die je vooraf niet had verwacht, geen vingers te veel of te weinig, geen jongen of meisje en wel of geen huilbaby. Al die keuzes blijven een auteur als vader bespaard. Niet dat het daarmee makkelijker wordt. Beslist niet. Ik zou haast zeggen: integendeel en de reden is de afwezigheid van de vroedvrouw alias uitgever.

‘Hoe kan dat nu?’ hoor ik jullie vragen, (Dat hoor ik natuurlijk niet echt maar dit terzijde) ‘Er was toch een uitgever die brood zag in jouw boek?’  Wel, dat dacht ik ook maar het verhaal is net even anders.
Stel, ik zoek een nieuwe computer en de verkoper zegt:
‘Je moet model XYZ hebben. Dat is de beste die je kan krijgen. Het apparaat schrijft nog net niet zelf alle volgende boeken maar het scheelt niet veel. We gaan samen investeren en hier gaan we in de toekomst goud mee verdienen. Hebben? Jouw deel van de investering is 5000 euro maar dat verdien je zeker terug. Wij dragen natuurlijk ook ons steentje bij dus samen gaan we een zonnige toekomst tegemoet. O ja, jouw provisie voor de toekomstige boeken is 2,5%. Nou? Hebben we een deal?’
‘En wat kost het ding als ik het gewoon in de winkel koop?’
‘5010 euro maar dan moet je alles zelf doen: naar de winkel, uitpakken, instaleren en zo… Best wel moeilijk allemaal dus weet waar je aan begint.’
De uitgever blijkt dus een drukker te zijn die wel wat extra doet maar dat kan je zelf ook heel goed. Exit drukker/uitgever dus.

Aan dat “best wel moeilijke” ben ik begonnen. Ik ga uitgeven in eigen beheer en ja, het valt niet mee. Ik leer nu van alles over spiegelende pagina’s, links en rechts marges, soorten papier, pixels, breedte van ruggen, marketing en oplages. Een tijdje terug las ik dat iemand ontdekt had dat het schrijven van een boek nog het makkelijkst deel was van het hele proces. Inmiddels kan ik niet anders dan hem gelijk geven.

Eén van de lastige vragen betreft de oplage. Het maakt qua inkoopprijs nogal wat uit of je 50 of 100 boeken inkoopt maar verkoop ik er wel 50? Ik weet dat ik een goed boek heb geschreven maar hoe maak je dat de gemiddelde boekkoper duidelijk. Hoe uniek mijn naam ook is, ik ben een onbekende schrijver die het zich niet kan veroorloven bedragen met getallen van drie cijfers voor de komma, losjes op de toonbank te leggen. En dat brengt mij terug op het besluiteloze van de eerste zin in dit stukje.

Weten wat de markt de komende jaren gaat doen, is de droom van elke belegger. Weten hoeveel mensen jouw boek gaan kopen, is de droom van elke schrijver. Uit de commentaren van mijn proeflezers heb ik nog geen onvertogen woord gehoord en in mijn optimistische momenten ontstaan er in mijn hoofd gigantische verkoopcijfers. Maar ja, die optimistische momenten zijn er niet altijd en dan schakelt mijn brein om naar kommer en kwel.
Al die technische dingen zijn te leren en op te lossen maar dat waar het op aankomt, is ongrijpbaar.

Op internet zijn er massa’s tips te vinden die de verkoopcijfers van jouw boek de hoogte in laten schieten. Eén daarvan is het organiseren van een ‘eerste boek aanbieden’. Zorg voor een goede locatie, stuur heel veel uitnodigingen de deur uit, maak een flyer, zorg voor een drankje en een hapje, zorg dat de pers er is en bied je eerste boek aan² een bekende Nederlander en doe dat met een korte speech waarin ook nog enige humor is verwerkt.
Kijk, dat is nu net niks voor mij. Met die speech zou ik nog de minste moeite hebben maar de rest? Nee, ik ga liever elk weekend in een boekwinkel zitten om de mensen die mijn boek willen kopen, te zien en te spreken. Met plezier schrijf ik op verzoek iets aardigs voorin het boek. Van mij mag het in Groningen zijn, Haarlem of Maastricht. Ik rij liever met 50 boeken in mijn auto Nederland rond dan eenmaal zo’n evenement organiseren.

Maar goed, lieve lezers. Het boek komt eraan en ik verwacht nog steeds dat het november zal worden. Maak je dus geen zorgen wat je voor oom Floor of tante Saar als Sinterklaascadeau moet kopen.
Ik verdiep mij verder in een onbekend vak en jullie horen nog van mij.

© peter gortworst / sept. 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Chinees

Ik ben nog maar weinig Chinese afhaalrestaurants tegen gekomen waar de wachtruimte een zekere gezelligheid uitstraalt. Iets van een ‘Jammer dat je niet bij ons binnen komt eten maar we zijn toch blij dat je er bent’. Soms kan je zitten op stoelen die men, uitgaande van de mate van versletenheid, niet meer in het eetgedeelte kan zetten. Als je geluk hebt ligt er een leesmap maar dat geeft tevens aan dat de wachttijden lang zijn. In dit restaurant is het niet anders. Een gammele tafel, een paar stoelen en een ‘leren’ bank die vanaf een afstandje al plakkerig oogt. Beslist een hippe en moderne ruimte ergens in de jaren zeventig. Aan de tafel zit een omvangrijke dame. De tijd van ‘een paar pondjes meer’ ligt ver achter haar. Ze heeft een spierwit kort kapsel. Het staat rechtop haar hoofd. Ze bekijkt mij een beetje meewarig. Er zijn niet veel mensen meer in Nederland die nog een mondkapje dragen. Het maakt mij een vreemde eend in de bijt.

Er komt een andere dame binnen. Qua omvang doet ze niet onder voor de ander. Ze heeft besteld maar moet ook wachten. Dan herkent ze de dame met het spierwitte haar.
‘Hé! Gerda!’
‘Ach, nu zie ik het. Jannie!’
‘Hoe is het?’
‘Ja. goed. Kom erbij.’
Gerda schuift een beetje op en Jannie neemt plaats.
‘Ook aan de chinees?’ vraagt Jannie.
‘Ja, ik had niet zoveel zin om te koken en Jan wilde wel wat van de chinees. Niks bijzonders hoor. Gewoon een nasi speciaal. Jan houdt niet van dat exotische gedoe.’
‘Mijn vent wilde graag babi pangang met bami. Nou, dat lust ik ook dus dat kwam mooi uit. We hadden vanmiddag Marga met de kinderen. Dat is druk hoor en dan blijft er weinig tijd om te koken.’
Gerda knikt instemmend.
‘Hoe is het met Marga?’ vraagt ze dan.
‘Goed hoor. Haar man is druk met zijn bedrijf en zij werkt twee dagen in de week. Ze verkoopt boeken in een boekwinkel. Hoe is het met jouw kinderen?’
‘Zal ik je laten zien,’ zegt Gerda.

Ergens uit haar omvangrijke boezem vist ze een mobieltje en begint foto’s te laten zien. Jannie heeft haar leesbril opgezet. Namen, omschrijvingen, plaatsen, beroepen, vrachtauto’s en bijbehorende verhalen passeren de revue. Bij de eerste foto’s vroeg Jannie nog wat, maar allengs is zij daar mee gestopt. De spraakwaterval is onstuitbaar en hier had zij geen rekening mee gehouden. De geplande koetjes en kalfjes zijn verworden tot een immense, niet te houden kudde. De tegenzin is aan haar houding af te lezen. Ik betrap Jannie er op dat ze regelmatig over haar glazen naar de balie kijkt. Elke plastic zak met in papier verpakte bakjes, kan haar redding zijn. Gerda heeft niets in de gaten. Vol trots vertoont ze de ene foto na de andere.
Er gloort hoop. Het houten doorgeefluikje van de keuken rammelt. De dame achter de balie stapelt een paar bakjes op elkaar, wikkelt het in papier en het plastic zakje wordt er omheen getrokken. Gerda ziet dat niet maar Jannie wil al overeind komen. Het blijkt mijn bestelling te zijn.

Het spijt mij voor Jannie. Helaas ligt haar redding niet in mijn bereik. Maar kop op, meid. Dit leed kan hoogstens nog een paar minuten duren.

© petergortworst / aug. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De zwangere man -9-

Wachten. Gedwongen wachten. Dat valt niet mee maar het doel heiligt de middelen. Het zit zo: Ik heb een mailtje gestuurd naar een uitgeverij met de vraag of mijn boek in hun ‘stal’ zou kunnen passen. Als bijlage de mogelijke (niets is immers zeker?) flaptekst daar bij gedaan. Prompt krijg ik een berichtje dat ze mijn manuscript wel willen lezen. Natuurlijk hebben ze een paar dagen de tijd nodig om het te lezen maar ik zal nog van ze horen.

Het duurt precies een week. Hun mailtje maakt mij blij en lichtelijk wanhopig. Blij omdat men vindt dat het goed geschreven is, goed opgemaakt en de leestekens zijn prima geplaatst. Het wanhopige deel is de mededeling dat er nogal wat deetjes en teetjes fout zijn en dat er woorden die wel aan elkaar geschreven moeten worden, los staan. Hun vraag is of ik het manuscript nogmaals op fouten wil controleren en het dan opnieuw naar hen toe zou willen sturen.

Geen afwijzing dus en dat geeft deze burger moed maar wat te doen met die foutjes. Twee van mijn geliefde proeflezers hebben zich over de tekst gebogen om daar de taalfouten uit te halen. Blijkbaar is er toch wat over het hoofd gezien. Dat neem ik hun beslist niet kwalijk. Ik weet inmiddels dat je, als je er maar lang genoeg naar kijkt, fouten gaat zien die geen fouten zijn en overduidelijke missers gewoon over het hoofd ziet.
Op een paar pagina’s heeft de uitgever een scan naar fouten laten zoeken en één van de dingen die ze eruit halen is ‘jij kunt’ en ‘jij kan’. Daar ik nooit te oud ben om te leren dit maar eens nagekeken. Het blijkt dat beide vormen goed zijn. Voor alle zekerheid het complete boek doorzocht naar het woordje ‘kan’ en overal waar het schrijftaal betrof dit veranderd in ‘kunt’. In de dialogen het woordje ‘kan’ laten staan. In de  spreektaal wordt dit woord zelden gebruikt.
Maar wat te doen met de overige fouten? Ik haal ze er in ieder geval niet uit. Het streven is natuurlijk een boek te publiceren dat foutloos geschreven is maar is dit mogelijk? Ik denk het niet. Ik denk dat het perfecte boek niet bestaat maar corrigeer mij als ik het mis heb.

Gelukkig een echtpaar kunnen vinden die beiden werkzaam waren in het onderwijs. Zij willen dit wel voor mij doen. Lief toch? De tekst hadden ze graag op papier en met de laatste druppel inkt van mijn printer dit voor elkaar gekregen. Ze denken het met een maand klaar te hebben en daar is nu dus het wachten op. Met mijn, bijna dagelijkse, (kleine) veranderingen en/of verbeteringen in het boek ben ik gestopt. De correcties moeten immers wel overeenkomen met de versie die ik in de computer heb staan.

Het idee om het boek in september ter wereld te brengen heb ik maar laten varen. November lijkt mij een betere en haalbare optie. Ook nog op tijd om het boek als Sinterklaas of kerstcadeau weg te geven of om er zelf, genoeglijk opgevouwen in je favoriete leesstoel bij de behaaglijke warmte van de open haard, van te genieten. Ik geef maar een voorbeeld. De radiator van de cv is natuurlijk ook goed.
Maar goed, het wachten heeft ook consequenties voor deze serie van ‘de zwangere man’. Nummer 10 komt, maar jullie zullen een maand verstoken zijn van nieuws over van het wel en wee van deze draagvader.

©petergortworst / aug.2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen