IETS

 

Voor Rozemarijn

 

Ze zijn met z’n vieren. S is altijd de laatste. Daar kan hij niets aan doen. Hij is gewoon te verlegen om vooraan te gaan staan en als hij dat al een keertje moet, doet hij dat vaak met T. Dan durft hij wel en een heel enkele keer, één keertje per jaar misschien, als hij heel moedig en flink is, zegt hij sssss. Dat vindt T prachtig en van puur plezier helpt hij S een beetje. Dan klinkt het sssst. Als ze dat gedaan hebben kijken ze elkaar met grote ogen aan. Het klonk wondermooi en ze deden het toch maar. Ze spreken af, omdat het zo leuk is, het vaker te doen maar net zo vaak blijven dat goede voornemens. Dat zie je wel meer.

E is dikke maatjes met I. Het zijn een beetje de belhamels van het stel. E is soms kortaf en een andere keer heel lang. I is, wanneer hij alleen staat, vaak pinnig maar met E naast hem, is hij in zijn element. Oke, een enkele keer is hij zijn punt een beetje kwijt maar daar heeft hij genoeg van in de kast liggen. Ze kunnen best zonder elkaar maar als je vriendjes bent wil ook graag naast elkaar staan. Wie vooraan staat maakt ze niets uit. Ze buitelen over elkaar heen en de ene keer gaat E voor I en de andere keer I voor E.

Samen zijn ze IETS en ze hebben geen idee wat zich daar bij voor moeten stellen. IETS is wat maar wat? Lang geleden hebben ze diep nagedacht over wat ze misschien zijn maar ze kwamen er niet achter. In een heel dik boek waarin wel duizend woorden staan, hebben ze het opgezocht. Er stond dat ze ‘wat onbepaalds’ zijn en toen begrepen ze nog minder van zichzelf. Dat is niet goed. Het is handig als je weet wie of wat je bent en van woorden als ‘wat onbepaalds’ wordt je niet veel wijzer. Ze besloten toen dat ze IETS waren en dat voelde goed.

Toen, op een mooie dag in augustus, is daar plotseling een nieuwe. Als je met z’n allen vriendjes bent en er komt een nieuwe bij, moet je even aan elkaar wennen. Ze hebben het echt geprobeerd. Ze lieten hem meespelen, als er wat besloten moest worden vroegen ze ook hem om zijn mening maar die nieuwe was helemaal niet aardig. Hij wilde alleen maar vooraan staan. ‘Ik ben de eerste!’ schreeuwde hij en dat klonk gewoon lelijk. Ze stelden de nieuwe voor om tussen E en T te gaan staan maar dat wilde hij niet. Misschien achteraan? Maar nee, dat was helemaal niet goed. Er was maar één plaats waar hij wilde staan en dat was helemaal vooraan. De vier hebben de koppen bij elkaar gestoken en uiteindelijk, ter wille van de lieve vrede, besloten ze die nieuwe, die N, maar zijn zin te geven. Alles beter dan ruzie.

Trots, voldaan en overtuigd van zijn eigen gelijk gaat N vooraan staan en zie, nu zijn ze NIETS.

 

©peter gortworst / aug. 2017
afb: http://www.kuleuven.be

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 2 reacties

to do list

Nog te doen en/of uit te zoeken en/of te regelen voor pensioendatum:

 

  • Eénkennige rode kater zoeken voor op schoot. Dierenasiel vragen / kijken op           internet. Moet gratis!!
  • Oude rookstoel zoeken met grote oren aan de rugleuning. Voorkeur verschoten rood en slijtageplekken. Kringloopwinkels / marktplaats / speurders o.i.d. Busje regelen voor ophalen.
  • Alvast rode port gaan drinken. Om te wennen. Boerenjongens? Haar laten groeien in pieken.
  • Mijn oude pijpen opzoeken. Oriënteren waar ze nog pijptabak verkopen en raggertjes. Oude groene glazen asbak proberen te vinden: zolder? Wanneer onvindbaar: kringloop.
  • Misschien bolknaks?
  • Wankel tafeltje voor naast de stoel. Oud bruin en kringen op het blad.
  • Abonnement nemen op dommig, makkelijk leesbare krant met sensatieverhalen. Bild of Telegraaf. Beide?
  • Pyjama met strepen en zomen onderaan de pijpen.
  • Lange oude kamerjas met touwsluiting. Donkerrood
  • Pantoffels. Ook donkerrood en met ruitjes.
  • Drogist voor spuitbus met muf ouwemannenluchtje
  • Ramen veel open laten staan om spinnen binnen te krijgen. Internet afzoeken welk soort spin een mooi web maakt in een hoek van het plafond.
  • Muizenholletje in de plint zagen en daarachter in de muur een ‘muizenhuisje’ hakken. Dierenwinkel voor een nog af te richten muis.
  • Verschoten Perzisch tapijt zien te vinden. Weer kringloop? Ikea?
  • Zware donkerrode gordijnen. Rails nog monteren.
  • Sanseveria’s en geraniums kopen.
  • Dierenwinkel voor extra muizen. Voorraad i.v.m kat!!! Zelf fokken?
  • Open haard maken.
  • Kettingzaag, bijl, hakblok, houtopslag, mand, tangen en poken, aanmaakblokjes, lucifers enz.
  • Internet kijken voor elektrische open haard.
  • Oude pendule voor op schoorsteen. Kapot of niet opwinden. Irritant getik!
  • Donkergroen streepbehang vinden. Met bloemen? Franse lelie?
  • Oud leesbrilletje zien te vinden.
  • Schouw maken voor (elektrische) open haard.
  • Stoof opzoeken. Zolder!
  • Kostenplaatje maken.
  • Een vrouwmens die mij kan verzorgen, waar ik tegen kan mopperen, die het voor zoete koek slikt als ik zeg dat vroeger alles beter was en die toch van mij houdt. Zo eentje waarmee ik niet met maar ook niet zonder kan leven. Bejaardenhuis? Internet? Datingsite?
  • …………?

 

© peter gortworst / aug. 2017
afbeelding kater: nl.123rf.com
afbeelding bril: veiling.catawiki.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties

Opa en oma

Hij zit op de rand van het logeerbed en kijkt naar zijn kleinzoon. De zwarte krulletjes fris gewassen, rozig en moe maar nog klaar wakker. De eerste nacht bij opa en oma, een vreemd bed en andere geluiden van die van buiten komen en rond dansen in een kamer die je niet kent.
‘Moet opa een verhaaltje vertellen?’
Hij knikt gelukzalig van ja en nestelt zich bijna helemaal onder het dekbed.

Toen ze, kort geleden, even bij hun dochter en schoonzoon koffie hadden gedronken, vertelde zij dat er een personeelsfeest aan zat te komen wat twee dagen ging duren. Ze wilden daar graag heen en of het een bezwaar was dat Shankar één nachtje bij hun zou slapen. Het was natuurlijk absoluut geen bezwaar. Integendeel zelfs. Ze vonden het leuk en al snel waren de afspraken gemaakt.

Met een enorme weekendtas, vol met kleren, knuffels en een cadeautje voor opa en oma wordt de kleinzoon thuis afgeleverd. Zijn fietsje, wat nog net in de kofferbak past, zet pa in het voortuintje, kussen smakken, vermanende en aanmoedigende woorden klinken als afscheid en het feest kan beginnen.

Oma heeft zich zorgen gemaakt over de invulling van die twee dagen. Gaat het kind zich niet vervelen? Er wonen geen andere kinderen in de buurt waarmee hij kan spelen en een speeltuintje is er ook niet. Wat moet je dan de hele dag met een kind doen? Als ze haar zorgen met opa deelt lacht hij haar nog net niet uit.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘Ik regel wel dat die jongen zich geen moment verveelt. Maak jij het logeerbed in orde, doe de boodschappen en vergeet niet om meel, eieren en melk mee te nemen. Het lijkt mij leuk om ’s avonds, samen met hem, pannenkoeken te bakken.’
‘Wat ga je dan met hem doen?’
‘Weet ik nog niet maar ik heb nog twee weken om daarover na te denken.’

Opa heeft het druk gehad met alles te verzamelen. Op de werkbank in de schuur ligt een bonte verzameling van materialen te wachten. Als Shankar zijn logeerkamertje en zijn bed heeft gezien en een glaasje ranja heeft gedronken vraagt opa of hij ook oude kleren heeft meegekregen. Dat weet hij niet en als oma in de tas gaat kijken of daar iets bij zit is het antwoord negatief.
‘Wat ben je dan van plan?’
‘Ja, van alles en er zal vast wel iets gebeuren waardoor hij vies wordt.’
‘Nou ja, dat wassen we dan wel weer.’

Huppelend loopt Shankar achter opa aan naar de schuur.
‘Heb jij wel eens een katapult gemaakt?’ vraagt opa.
‘Nee….’ klinkt het aarzelend. ‘Wat is een katapult?’
‘Een ding om steentjes heel ver weg te kunnen schieten. Ik ga je laten zien hoe je dat maakt en hoe dat werkt. Let op.’
Opa knipt uit de oude binnenband van een fiets reepjes en laat zien hoe je die rondjes aan elkaar knoopt.
‘Ik knip en jij knoopt ze aan elkaar. Goed strak aantrekken.’
Met het puntje van zijn tong uit zijn mond knoopt de jongen de rondjes aan elkaar.
‘Ga eens staan en steek één arm uit,’ zegt opa.
Kritisch bekijkt hij de lengte van de arm en de geknoopte stukjes binnenband. Er moeten nog drie rondjes aan. Het laatste rondje is een speciale. Die knoopt opa er zelf aan.
‘Klaar!’
‘En nu?’
‘Nu gaan we steentjes schieten op de parkvijver. Wacht even.’
Shankar ziet opa over het hekje, wat zijn tuin begrenst met die van de buren, stappen. Daar graait hij een handvol kleine kiezels van het net aangelegde tuinpad. Hij stopt ze in zijn zak en klimt weer terug.
‘Mag dat wel opa?’
‘Ze zijn niet thuis dus ik kan het ze ook niet vragen. Kom mee.’

In het park legt opa de beginselen van het katapult schieten uit en al snel heeft de jongen het door. De steentjes plonsen steeds verder in het water. De eenden moeten niets hebben van die gekke plonsjes en zijn verderop gaan zitten. Plotseling pakt opa de katapult af, stopt die in zijn zak en gaat snel op een bankje zitten.
‘Kom hier zitten en denk er om: niks zeggen.’
Over het fietspad, tussen een paar struiken door, komen twee mannen op de fiets langzaam voorbij. Op hun uniform staat ‘handhaving’. Een stukje verder draaien ze om en stoppen bij opa.
‘Hebt u iets bijzonders gezien?’ vragen ze.
‘Wat zou ik hebben moeten zien?’
‘We krijgen klachten dat er op de eenden geschoten wordt. Dus misschien hebt u iemand gezien die dat zou kunnen doen.’
‘Nee, en om eerlijk te zijn: ik heb er ook niet zo op gelet. Ik zit hier gezellig met mijn kleinzoon en dat zijn momenten die je moet koesteren.’
Vertwijfelt kijken de mannen om zich heen en met een ‘Nou, dan kijken we wel verder’ stappen ze weer op de fiets.
‘We gaan naar huis,’ zegt opa, ‘Oma heeft het brood al klaar staan en vanmiddag gaan we vliegeren. De vlieger is bijna klaar. Er moet alleen nog een staart aan. Dat kan jij mooi doen.’
‘Steentjes schieten mag niet hè opa?’
‘Nee,’ bromt deze.

Als ze aan tafel zitten en gezellig een broodje eten, vertelt Shankar in geuren en kleuren aan oma hoe goed hij al steentjes kan schieten. Oma vindt het leuk tot de twee mannen van handhaving ten tonele verschijnen.
‘Mag je niet met een katapult schieten?’ vraagt ze aan opa.
Die haalt zijn schouders op en met een ‘je mag zo veel niet’ probeert hij de gebeurtenis te bagatelliseren.
‘Denk er om dat je je gedraagt!’ sist ze opa toe. ‘Ik wil niet dat je hem verkeerde dingen leert!’
‘Straks gaan we vliegeren. Dat mag gewoon hoor.’
‘Misschien vindt Shankar het wel veel leuker om met oma boodschappen te gaan doen?’ fleemt ze maar deze is zich niet bewust van de klaarblijkelijke strijd om de qualitytime.
‘Ik wil met opa vliegeren.’
Wanneer oma naar opa kijkt, doet deze geen enkele poging zijn brede grijns te onderdrukken.

Het vliegeren ging goed maar was van korte duur. Toen eindelijk de staart genoeg gewicht aan plukken gras had om mooi stil in de lucht te staan, bleek het 250 meter lange touw door opa niet vastgemaakt te zijn aan het eigenhandig gefabriceerde blok. Gewoon vergeten. Ze konden de vlieger nog lang nakijken. Hij stond best wel hoog en dan duurt het lang voordat deze uit het zicht is verdwenen. Met de belofte dat opa een nieuwe maakt gaan ze huiswaarts.

Oma heeft thee gezet en denkt eindelijk te kunnen genieten van haar kleinkind. Shankar kan echter maar één ding tegelijk. Hij heeft zijn tekenblok uit de grote tas gevist en is druk met het tekenen van vijvers met eenden, vliegers en handhavers op de fiets. Dat én praten met oma gaat niet goed samen dus veel meer dan een ‘ja’ of een ‘nee’ komt er niet uit.

Tegen zessen gaat opa pannenkoeken bakken en natuurlijk helpt Shankar mee. Dat het hele aanrecht langzaam een witte waas van bloem krijgt, de klodders beslag op het fornuis ruim voldoende is voor nog twee pannenkoeken en de gootsteen vol ligt met nog af te wassen gereedschap mag de pret niet drukken. De pannenkoeken zijn heerlijk en er wordt gesmuld.

Het is bedtijd. Opa brengt Shankar naar bed en als deze ligt, vraagt opa of hij nog een verhaaltje moet vertellen. Hij knikt gelukzalig van ja en nestelt zich bijna helemaal onder het dekbed.

Oma is druk met het opruimen van de keuken en ze verbaast zich erover hoe het toch mogelijk is dat iemand er zo’n troep van kan maken. Als de deur van de keuken open gaat wil ze beginnen aan haar preek maar tot haar schrik staat daar Shankar in zijn pyjama.
‘Waar is opa!?’
‘Opa snurkt in mijn bed.’
Ze gaat naar boven en vindt haar man half liggend op het logeerbed.
‘Wacht maar even,’ zegt ze zachtjes tegen Shankar, ‘Dit lossen we zo op.’
Ze tilt de benen van opa in het bed en dekt hem toe met een extra deken. Dan neemt ze Shankar mee naar hun eigen slaapkamer en stopt hem daar onder de dekens. Ze knuffelt haar kleinzoon en leest een lief verhaaltje voor. Als haar kleinzoon bijna in dromenland is, aait ze zachtjes de zwarte krulletjes en geeft ze voorzichtig een zoen op zijn voorhoofd. Ze kijkt naar hem en wanneer hij slaapt gaat ze zachtjes de kamer uit. Opa ligt er bij zoals hij is achtergelaten en met een glimlach van opperste voldoening doet ze het licht uit en gaat de deur dicht.

 

© peter gortworst / aug. 2017
afbeeldingen: www. groupon.nl http://www.rtvpurmerend.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 3 reacties

Stempels

Ik tel noch de dagen, noch de uren of de weken tot mijn pensioen. Het gaat zo al snel genoeg en dat is aan de post te merken. Geen aanbiedingen van of voor een 65+ pas, geen Superangebot van een met zijde gevoerde kist maar papieren van pensioenfondsen en de SVB. Helaas, ik heb drie pensioenfondsen en gelukkig maar één AOW.

Een gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden dus stel je even voor hoe het is als drie gekken het moeten doen met één wijze. Nu valt er, met een beetje goede wil, best wel antwoord te geven op al hun vragen. Je gaat er een avond voor zitten en spit vervolgens door gegevens die je, omdat je slecht dingen weg kan gooien, toevallig nog hebt. Ze zitten weliswaar in dozen die na drie verhuizingen nog steeds in die eerste doos zitten en die je, na de derde avond dat je er voor bent gaan zitten eindelijk vindt maar dat geeft niet. Het geluksgevoel dat je een uitkerende instantie blij kan maken doet een hoop.

Eén fonds kwam erachter dat wanneer ik het tijdelijke voor het eeuwige of het grote niets verwissel, er geen rechthebbende nabestaanden zijn die aanspraak kunnen maken op pensioen. Dit betekent dat mijn uitkering 8 euries per maand hoger wordt. In plaats van dit gewoon mee te delen krijg ik een nieuw pak papieren in huis met precies dezelfde vragen. Over drie weken willen ze het ingevuld weer terug.

Nu willen ze allemaal één ding extra. Bij het in elkaar zetten van Het Europa is men vergeten dat het best wel handig zou kunnen zijn elkaar op de hoogte te houden van het wel en wee van de eigen landgenoten in den vreemde. Elke verjaardag doorgeven, het winnen van de loterij of de aankoop van een fiets is niet nodig maar wel of de bewuste landgenoot/genote nog in leven is. Blijkbaar is men dit vergeten, het is te ingewikkeld, praktisch niet uitvoerbaar, privacygevoelig of gewoon lastig.  Ik krijg als ‘in het buitenland wonende Nederlander’ dus elk jaar van elk van de drie fondsen en het SVB een formulier waarmee ik zelf naar het gemeentehuis moet om met een warme handdruk te bewijzen dat ik nog besta. Dit jaar dus 1 extra vanwege die 8 euries.

Gelukkig gaat het er hier gemoedelijk aan toe. Je loopt het kantoor binnen en daar zitten meestal drie en soms vier Staatsbeamten te werken aan hun bureau. Zonder twijfel zijn dat belangrijke werkzaamheden en toch, hoe klantvriendelijk kan je zijn, mag je zomaar op de stoel gaan zitten die bij elk bureau klaar staat. Het papierwerk wat nodig is voor een miljoeneninvestering teneinde de renovatie van de dorpskern te bekostigen, het becommentariëren van de vergunningaanvraag behorend bij ener casinobaas die droomt van een Las Vegas just across the border of het bezwaarschrift van de nonnen die last hebben van de flikkering op hun zorgvuldig gepoetste ramen veroorzaakt door de nieuwe goudglimmende haan op de protestantse kerktoren, wordt bereidwillig ter zijde geschoven en met een echte glimlach wordt gevraagd wat men voor jou kan doen.

Met enige schroom overhandig ik het formulier ‘Bewijs van in leven zijn’. Weer één want ze sturen ze nooit allemaal tegelijk op en sparen gaat ook niet want er zit een deadline (!) op die dingen. Een soort THT-datum. Mijn paspoort wordt bekeken en dan gaat men, al vinkjes zettend, vliegensvlug door alle vragen heen. Wat ze niet weet staat in de computer en als dat gedaan is komt het leukste van het bezoek: de stempelmolen wordt naar voren gehaald!

 

Een stempel met de datum. Boem. Een stempel van het gemeentehuis. Boem. Een stempel van de burgemeester. Boem. Een stempel met het wapen van de Samtgemeinde. Boem. Een stempel met de handtekening van de Staatsbeamte. Boem.

 

Met een vriendelijke glimlach krijg ik alles weer terug en elkaar een schönen Tag wensend vertrek ik. Thuis alles in de goede enveloppe doen en niet vergeten de brief klaar te leggen om, zodra ik de grens weer eens passeer, langs de brievenbus te gaan.

Ik heb mij verheugd over het feit dat ik straks niets meer moet. Dat gaat dus niet gebeuren. Nou ja, vier keer per jaar bij de gemeente langs is nog wel te doen maar als AOW-er kan je het daar nog razend druk mee hebben. Dat weet ik nou al!

 

© peter gortworst / juli 2017
afbeelding: http://www.decofrills.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 9 reacties

Gedoe

Ze zijn bewust niet zo heel vroeg vertrokken. De route naar het zuiden bevat niet heel veel knooppunten waar ze in een file terecht zouden kunnen komen, maar zekerheid voor alles. Het is altijd een heel gedoe om met een caravan achter de auto uit de lange rij vrachtwagens te komen en doe je dat niet dan zie je met leedwezen de linker rij met de nodige snelheid aan je voorbij komen. Dat geeft erger en dat wil je in de vakantie natuurlijk voorkomen. Rustig aan maar wel doorrijden is het devies.

De camping voor de overnachting in Luxemburg is, dank zij het bejaarde navigatiesysteem, snel gevonden. Hij had zich laten vertellen dat het navigatiesysteem op hun nieuwe telefoon beslist beter was maar de angst om met een giga telefoonrekening opgescheept te zitten na hun vakantie, had hen doen besluiten dit nieuwe speeltje met lader, snoer en koptelefoon in het speciaal aangeschafte etui te laten zitten. De telefoon staat op de vliegtuigstand dus daar kan niets mee gebeuren.

 

Na het eten zitten ze onder de luifel van hun caravan. Zij heeft het nieuwe puzzelboekje ter hand genomen en hij kijkt de folder door die ze bij het inschrijven hebben gekregen.
‘Ze hebben hier wifi,’ zegt hij.
‘Ja?’
‘Dan kan je gratis op internet. Nieuws en de buienradar kijken en zo.’
‘Nou, dan doe je dat toch….’

Voorzichtig haalt hij het apparaat uit het etui, voert de toegangscode in en met de folder van de camping als leidraad schakelt hij de wifi in.
‘Hij wil een beveiligingsupdate uitvoeren,’ merkt hij op.
Ze kijkt op van haar kantoor met zes letters en zegt: ‘Dat zal wel nodig zijn na die virusaanval van de laatste dagen. Hoe doe je dat?’
‘Gewoon, op nu uitvoeren drukken, denk ik.’
‘Oke,’ en als een zangstem een bas is, begint kantoor met een b en zou dat best eens bureau kunnen zijn.

Het duurt lang voordat de telefoon klaar is zodat hij besluit een rondje over de camping te maken. Bij terugkomst is de koffie en de telefoon klaar. Hij start het apparaat op en als er een code wordt gevraagd type hij deze in. Het duurt even maar dan ziet hij dat de telefoon een andere code vraagt dan hij dacht en dat hij nog twee pogingen over heeft.
‘Hij vraagt een code voor de simkaart,’ zegt hij.
‘Die weet je toch? Dat is toch 5154?’
‘Nee, dat is de gewone code. Dit moet een andere zijn.’
‘O, dat is dan vier keer nul. Is op mijn werk ook altijd zo.’
Gehoorzaam typt hij vier keer de nul en heeft nog één poging over.
‘Wat nu?’ vraagt hij.
‘Hebben we niet de code van de Visa gebruikt bij het in gebruik stellen?’ vraagt zij.
Ze weten het niet en als na rijp beraad besloten wordt dat het de pincode van haar betaalpas is, vraagt de telefoon om een pukcode.
‘Die ligt thuis,’ weet zij.

De telefoon ligt op het campingtafeltje en nadenkend nipt hij van de koffie.
‘Ik ga je moeder even bellen. Die heeft een sleutel en kan even gaan kijken naar die code. Ze hebben hier vast wel een telefoon die ik even kan gebruiken.’
Ze schrikt op van haar steltloper met als tweede letter een u.
‘Dat doe je niet! Dat kan niet!’
Verbaast kijk hij haar aan. ‘Waarom niet?’
‘Ik heb die papieren in de doos gedaan die in de linnenkast op de slaapkamer ligt.’
Het duurt even maar dan gaat hem een lichtje op.
‘Waar dat boek van de vijftig tinten in zit met die spulletjes die daar bij horen?’
‘Ja,’ zegt ze en ze krijgt zowaar blosjes op haar wangen.
‘Hoe kom je er nu bij om het daar te verstoppen? Ha, je moeder krijgt een rolberoerte als ze dat ziet en de buren kunnen we dus ook niet bellen. Maar wat doen we nu? Geloof het of niet maar die telefoon hebben we wel nodig. Alle campingadressen staan er in, we kunnen geen foto’s maken, de kinderen niet bellen en God verhoede dat we pech krijgen. Dan zijn we helemaal in de aap gelogeerd!’

Er zit niets anders op. Hij stapt in de auto en vertrek naar Nederland. ’s Nachts om één uur zijn er niet veel mensen meer wakker maar hij parkeert zijn auto toch maar een straat verder. Hij sluipt zijn eigen huis in en gaat op de tast naar de slaapkamer. Als hij het gordijn gesloten heeft kan het licht aan en zoekt hij het papiertje met de pukcode. De telefoon leeft weer en hij zet hem met de lader in het stopcontact op het nachtkastje. Als hij om vier uur weg gaat is hij verdwenen voordat iemand in de straat wakker wordt, heeft hij geen last van files en weer bijtijds op de camping.

De wekker wekt hem om half vier. Hij rammelt van de honger maar het enige wat een beetje voedzaam zou kunnen zijn is een pak houdbare chocolademelk. Hij drinkt zo uit het pak want een vuil glas is natuurlijk verdacht als de buren de plantjes water komen geven. Hij sluipt het huis weer uit en rijdt tegen achten de camping weer op.

‘Is het gelukt?’ vraagt ze.
‘Ja,’ zegt hij trots en geeft haar het etui met de telefoon.
‘Ik heb onderweg al wat gegeten maar een kop koffie met een broodje zou er best in gaan.’
‘Goed,’ zegt ze terwijl ze in het etui kijkt. Dan vraagt ze aarzelend: ‘Waar is de lader?’

 

©peter gortworst / juli 2017
afbeelding: de.freepik.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties

Jeugd van toen

Het station is er al lang niet meer. Van de treinen waarvan de deuren tijdens het rijden gewoon open konden, staat er nog één in het spoorwegmuseum. De slimmigheden wetende forens van toen is een man op leeftijd geworden. Het is nu technisch onmogelijk maar los daarvan zal hij het nu niet meer in zijn hoofd halen om bij aankomst van de trein, er uit te springen voordat de trein stil staat. Richting stad moest je altijd voorin gaan zitten en op de terugweg helemaal achterin. Je was dan het snelst bij de uitgang. De controleur die altijd bij de uitgang zat kon gelukkig nooit zien wat voor capriolen je uithaalde en dat was maar goed ook. Het was levensgevaarlijk weet hij nu. Je zal maar struikelen of tegen iemand opbotsen.

Het begin van de straat herkent hij niet meer. De brug, even verder op, nog wel. Het beeld van Jan Wolkers staat nog steeds op zijn ronde sokkel. Aan de andere kant van de brug was de melkcentrale. Daar tilden in de vroege morgen de melkmannen hun melkbussen op hun karren en later in hun VW-busjes. Een paar kratten yoghurt, rotatormelk en vla. Niks geen gedoe met halfvol of mager. Melk was melk en yoghurt was yoghurt. Met een maatbeker van een halve liter werd het bij de huizen in de melkkokers gedaan. Altijd een scheutje toe want iets te veel mocht wel maar iets te weinig absoluut niet. Alleen in de zomermaanden moesten de huisvrouwen naar de kar komen. Met een bel ging de melkboer door de straat. Een paar zomers mocht hij helpen. De bel luiden en de klanten bedienen. Aan het eind van de dag mee naar de centrale om de melkbussen schoon te maken met een onverantwoorde hoeveelheid chlooroplossing. Na elke week werd hij beloont met een paar klinkende rijksdaalders.

De drukkerij is er ook niet meer en ineens mist hij de hoge populieren. Er staan wel bomen maar die halen het niet bij die machtige bomen van toen. Hij passeert het huis waar de dominee woonde. Nog steeds een imposante woning. Hij herinnert zich de keer dat hij, kort na nieuwjaarsdag, daar aan de deur stond. Wat hij daar moest weet hij niet meer maar hij werd gevraagd naar binnen te komen. De domineesvrouw wilde weten of hij wel een oliebol lustte. De oliebol was koud en de binnenkant niet gaar. Het beslag liep er in een dikke druppel uit. Daar kon je natuurlijk niets van zeggen. Het waren per slot van rekening oliebollen van de dominee.

Naast de dominee woonde de huisarts. Toen al een oude man die zelden uit zijn stoel kwam. Hij bekeek je over zijn leesbrilletje, hoorde je verhaal aan, schreef een onleesbaar recept uit en met de vermelding dat, wanneer het over een week niet over was, je maar terug moest komen, kon je gaan. Achteraf gezien deed die arts het niet verkeerd. Hij is als patiënt tenminste niet overleden aan kwalen die door hem niet geconstateerd zijn. Slechts één keer heeft hij de man buiten zijn stoel gezien. Een daverende oorontsteking die op zaterdagavond opwachting maakte, dwong de arts actief te worden. Met een kijkbuisje gluurde hij in het oor en met een recept voor de weekendapotheek was voor hem de zaak afgedaan. Hij probeert zich te herinneren of deze arts al op afspraak werkte. De tandarts die een klein stukje verder zijn praktijk had in ieder geval niet. Twee maal per jaar werd je geacht daar te verschijnen. In de praktijk kwam het er op neer dat je zo vroeg mogelijk heen ging en in de al aanwezige mensenmassa schuchter de vraag stelde: “Wie is de laatste?” Zodra deze zich melde was het zaak hem of haar goed in de gaten te houden. Het gebeurde namelijk wel eens dat deze zich opgeofferd had voor liefhebbende man of vrouw en zodra deze ten tonele verscheen was jouw ‘laatste’ plotseling verdwenen. Aan de tandarts zelf heeft hij alleen maar slechte herinneringen. Zijn zwakke gebit leverde bij elk bezoek een waslijst op van onbegrijpelijke termen. Het enige wat hij, liggend met samengeknepen handen in de stoel deed, was tellen. Drie of meer was een vervolgafspraak voor een behandeling zonder verdoving maar wel met een preek over het onderhoud van de bijtertjes. Het hielp niet. Poetsen was een zinloze bezigheid. Fluoride moest nog uitgevonden worden.

De tandarts woonde een stukje verder op. Schuin tegenover de kerk. Speciaal voor hem werd er soms een oud glazen raam bewaard. In de luilaknacht bonsde deze patiënt op de ramen van zijn huis en onder het met donkere stem roepen van: “Hé! Luilak! Wakker worden!” werd de glasplaat zo hard als het kon op de stoeptegels gegooid. Verstopt achter de auto’s aan de overkant van de straat zag hij dan de tandarts naar buiten rennen, zijn ramen inspecteren en even later met bezem, stoffer en blik de glasscherven in de metalen asemmer deponeren. De luilakbol smaakte dan extra goed.

Hij heeft het reclamebureau gemist. Hij is de naam vergeten maar weet nog wel dat de eigenaar in zijn vrije tijd theologie studeerde en ook werkelijk diverse kansels heeft beklommen. Er werd in zijn kringen daarom bewonderend over deze man gesproken. Iets wat hij toen niet begreep en nu nog steeds niet. Zijn er gradaties in herinneringen? Het feit dat één van zijn zonen onder de wielen van een vrachtwagen is gekomen is hem meer bijgebleven dan die studie van zijn vader. Zijn zoon was maar iets ouder dan hij. De oorzaak van zijn dood intrigeerde hem toen meer dan het overlijden zelf.

De kerk is er nog maar behoort niet meer aan de protestante gemeente. Hier liggen zo veel herinneringen dat hij aan de overkant stil blijft staan om, al kijkend naar dit overbekende gebouw, de meeste even de revue te laten passeren. De drie dubbeltjes en één stuiver voor de collectes, de vaste plaatsen aan de zijkant bij de metalen paal, de verveling, de klok die oneindig langzaam ging en de drie pepermuntjes die altijd snel op waren, de gaanderij waar de jeugd zat en het soms zo rumoerig was dat de dominee de preek moest onderbreken, het orgel met het fantasieloze orgelspel, diensten waarin het avondmaal ‘gevierd’ werd en die eindeloos duurden en het ‘denk er om dat je je gedraagt’ omdat de inkomsten van zijn ouders in hoge mate afhankelijk waren van kerkelijk gelijkgezinden.

Het heeft hem niet belet om later als vrijwilliger behoorlijk actief te worden. Niet om de ingedutte goegemeente in slaap te houden maar om ze wakker te schudden. Het geloof zelf was niet zijn drijfveer. De organisatie des te meer. Wat is er mis met een dominee die homo is? Hoezo geen kinderen aan het avondmaal? Hoe kan een diaconie stinkend rijk zijn terwijl er, ook in de kerk, mensen zijn die geen scherf hebben om hun kont te krabben? Waarom doen wij zaken met een bank die ook de wapenindustrie als klant heeft? De kerk bezoekt hij niet meer. Zijn geloof in God is er nog wel maar hij krijgt aan zichzelf niet goed uitgelegd hoe dat er dan uit ziet. Het is in ieder geval niet meer het geloof der vaderen. Het is zelfs verre van dat.

 

Het bankgebouw op de hoek heeft hij nog gebouwd zien worden. Het staat op houten palen. De laatste paal moest met klap gevierd worden. Op de paal werd een heel pak lucifers gelegd en het houten heiblok moest de ontploffing in gang brengen. Het mislukte jammerlijk.

De voetbalsteeg tussen het weeshuis en de meubelzaak is er nog. Van de brede steeg in zijn herinnering blijft echter niet veel over. Een vrachtwagen zal moeite hebben om hier achteruit in te parkeren.

Dan slaat hij de hoek om. Zijn oude woning met de dubbele winkelramen, het grote raam van de woning daar boven, de dakkapel waar hij soms via een dakraam naar toe klom en, liggend op het dakje, je de hele straat mooi kon bekijken, de smalle steeg die toegang gaf naar de achterdeur en de tuin, is er niet meer. Er wordt, blijkens een groot bord, gebouwd aan een flink aantal meters winkeloppervlak en een paar appartementen met riant uitzicht op het water.

Nee, in hem sterft er geen klein stukje af. Zijn herinnering vult het zichtbare gat. Dan draait hij zich om en gaat. Er is nog zo veel te zien waaraan hij wel herinneringen heeft. Goede en slechte en geen van beiden doen hem terugverlangen naar dat wat er eens was.

 

©peter gortworst / juni 2017
foto beeld: http://www.europeana.eu
foto orgel: maker onbekend

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Ongedierte

Het einde van een warme dag. Er is vandaag hard gewerkt. Schoon en rozig wil ik mijn bed instappen. Een schoon bed. Vanmorgen gelijk alles in de wasmachine gedaan en het bed opnieuw opgemaakt.

Ik sla het laken terug en zie een rond dopje op het onderlaken liggen. Zonder bril is de wereld wat wazig dus ik buk mij om te zien wat dat voor dopje is. Het is een spin en nog een forse ook. Een enorm bol achterlijf, niet van die hele lange pootjes, een kleine kop en lichtbruin. Hij, daar ga ik gemakshalve maar even van uit en vraag niet waarom, zit doodstil. Nog wel, denk ik. Per slot van rekening is hij ergens vandaan gekomen en daar ik standaard bijna alle ramen open of op kierstand heb staan, lijkt het mij dat het beest van buiten is gekomen.

Ik ben niet zo van gelijk doodmeppen. Spinnen zijn uiterst nuttige dieren dus onbeschadigd naar buiten werken is de eerste optie. Nu ben ik een grote, sterke en bij tijden een stoere vent maar deze spin met de blote handen oppakken gaat mij iets te ver. In de badkamer ligt wc-papier en dat lijkt mij voldoende afscherming tussen zijn en mijn huid. Ik vermoed dat mijnheer aan de wandel gaat wanneer ik in de badkamer dat velletje wc-papier haal en sla daarom het laken voorzichtig terug. Als er al gelopen wordt gaat het in ieder geval niet snel.

Met papiertje in de aanslag kom ik terug en sla voorzichtig het laken weer op. Hij is weg. Ik trek meer laken van het bed want misschien is hij richting voeteneind gekropen. Niet dus. Dan til ik voorzichtig mijn kussen op en ziet: daar is hij. Nu moet er kordaat gehandeld worden. Ik drapeer het velletje papier over hem heen en met de vingers en de duim vouw ik het onder de spin. ‘Plof’ voel ik en als ik het papiertje optil ligt er op mijn schone laken een lichtbruine natte plek met een donkere stip in het midden.

Hoe heb ik het nu? Was dit een geradicaliseerde spin? Ik heb beslist niet in de spin geknepen en toch is hij ontploft. Ik kijk in het papiertje en het enige wat ik nog als herkenbaar kan herkennen zijn een paar pootjes. De rest is bruine smurrie.

Ik gooi het papiertje met stoffelijke resten in de wc. Trek het laken van het bed en ga op zoek naar een ander. Maak het bed opnieuw op, schuif tussen de lakens en dwing mijzelf om aan werk te denken. Ook niet leuk maar beter dan een ontploffende spin.

 

© peter gortworst / mei 2017
foto: http://www.powned.tv 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 7 reacties

Verdomme

Mijn geliefde viswinkel heeft een heus terras met glimmende ronde tafeltjes en grote parasols als het tenminste niet hard waait. In de winkel heb ik een lekkerbekje en een haring besteld. De haring heb ik binnen al opgegeten en nu zit ik buiten aan een tafeltje om het gebakken visje te verorberen.

Ik trap er weer in. Als je ouder wordt, zou ook de wijsheid met sprongen omhoog moeten gaan maar bij mij schijnt dat niet te mogen. De vis is heter dan ik dacht en dat is dus niet de eerste keer dat mij dat overkomt. Ik hang met half open mond en tranende ogen schuin voorover in een poging de hap vis tot sliktemperatuur te verlagen. Leer dat nu toch eens, druiloor!

‘Bent u Peter Gortworst,’ hoor ik een vrouwenstem vragen.
Ik kijk op en voor mijn tafeltje staat een dame. Een hele keurige dame van ongeveer mijn leeftijd, zorgvuldig opgemaakt en zeer netjes in de kleren. Ik knik, wijs naar mijn mond en probeer met ‘hhoeh, hhoeh…. heet’ duidelijk te maken dat er van enige conversatie even geen sprake kan zijn.
‘Juist,’ zegt ze en ongevraagd gaat ze tegenover mij zitten. Ik slik de hap vis door en voel hem langs mijn borstbeen richting maag glijden. Dat kan nooit gezond zijn.
‘Ik ben mevrouw Koster,’ zegt ze en steekt haar hand uit.
Helaas, ik eet met mijn vingers.
‘Sorry,’ zegt ik en steek mijn hand, die glimt van het vet, even omhoog.
Ik heb nog geen zweem van een glimlach bij haar kunnen ontdekken en mijn glimmende hand verslechterd haar gezichtsuitdrukking richting afkeuring.
‘U heeft er toch een vorkje bij gekregen?’
‘Die gebruik ik nooit. Ze breken altijd en bovendien is vis lekkerder als je het met je handen eet. Hoe weet u trouwens mijn naam?’
‘Ik herken u van de foto bij uw blog.’
‘O, u bent één van mijn lezers? Wat leuk!’
‘Ja, en heeft u veel lezers of volgers?’
‘Ik weet niet of je mijn aantallen veel of weinig kan noemen. Elke lezer is mij dierbaar.’
‘Dus niet. Dat verbaast mij niets.’

Ik val even stil. Als mevrouw Koster een kritische lezeres is moet ik mijzelf even omschakelen naar begripvol luisteren, niet vanuit de heup op kritiek gaan schieten en de alles oplossende zin ‘dan ga ik nog beter mijn best doen’ alvast klaar leggen.
‘U schrijft soms van die rare verhaaltjes die nooit echt plaats hebben kunnen vinden.’
‘Zoals….?’
‘Pratende vogels, engelen, het hiernamaals, een vrouw die een gierzwaluw is…. dat soort dingen gebeuren toch niet echt?’
‘Nee, dat klopt. Die verzin ik gewoon en iets verzinnen is heel leuk.’
‘Maar er gebeurt toch genoeg? Kijk om je heen en de verhalen liggen voor het opscheppen. De echte verhaaltjes die u schrijft, die vind ik wel leuk. Die herken ik en soms zijn ze echt mooi.’
‘Kijk aan. Dat doet mij deugd. Maar weet u wel dat er andere mensen zijn die de verzonnen verhaaltjes ook waarderen? Ik zal u een geheimpje verklappen: ik schrijf omdat ik het schrijven leuk vind. Het is mijn hobby en als andere mensen het leuk vinden om ze te lezen is dat alleen maar mooi. Net als een sporter. De sport is leuk om te doen en als anderen van zijn spel genieten is dat een plezierige bijkomstigheid.’

Ze kijkt mij nadenkend aan.
‘U bent zeker niet christelijk?’ vraagt ze dan.
‘Wablief?!’
‘U gebruikt soms zinnen of woorden die duiden op een christelijke achtergrond maar dat klopt niet met de rest.’
Ik kijk haar zwijgend aan in de wetenschap dat er meer komt.
‘In uw laatste verhaaltje schreef u de zin ‘als een hijgend hert der jacht ontkomen’. Dat komt uit een psalm. Maar u schrijft ook over homo’s en lesbische vrouwen, gebruikt krachttermen en in één verhaaltje staat zelfs een hele lelijke vloek. Niet netjes en zeker niet christelijk! Dat bent u toch wel met mij eens?

Moet ik nu bij een lekkerbekje wat koud ligt te worden een discussie aangaan met iemand die waarschijnlijk een onwrikbare mening heeft? Iemand die weet hoe het hoort en rotsvast gelooft in haar eigen gelijk. Verloren energie.
‘Mevrouw Koster, die vader die zijn dochter verloren heeft, kon zijn ‘Heer, ontferm U’ niet anders bidden dan met een knetterend ‘godverdomme’ en homo’s en lesbiennes kom ik ook op uw straat tegen en ja, u heeft gelijk: de verhalen liggen zomaar voor het oprapen. Ook die. Ik zie ze. U misschien niet. Ik schrijf ze op vanuit mijn achtergrond en niemand verplicht u om ze te lezen. En nu wil ik mijn visje opeten.’

Ik gun haar geen blik meer waardig. Ze gaat staan, schuift haar stoel naar achteren en vergeet dat het terras een afstapje heeft. Ze zwikt door haar enkel en valt op handen en knieën.
‘Auw, verdomme! Wat een rottig afstapje!’

Toch eens een verhaaltje over karma schrijven.

©peter gortworst / mei 2017
foto: http://www.koffiepartners.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 6 reacties

De Preikestolen

Wij hadden een hond die tijdens de vele wandelingen die wij maakten, de onbedwingbare neiging had de boel bij elkaar te houden. De boel bestond uit drie jeugdige personen, allen voorzien van een hoogtoerig en soepel lopend motortje en twee wat oudere personen die het moesten hebben van een langzaam maar gestaag dokkerend dieseltje. Het jeugdige spul liep, zeker als het bergop ging, vrolijk een stuk sneller omhoog dan de twee dieseltjes en dat zinde de hond niet. Hij spurtte heen en weer tussen de voorgangers en de achterblijvers en hoe groter de onderlinge afstand werd zo veel te meer nam zijn ongerustheid toe. Wanneer de top bereikt was keerde de rust in tweeërlei opzichten in hem weer en dat mocht ook wel daar hij de afstand minstens vijf keer had gelopen.

Ik moet aan hem denken als ik met zoonlief op vakantie ben in Noorwegen. Ik denk dat ik in een vlaag van verstandsverbijstering maar het kan ook een geval van misplaatste overmoed of een categorische ontkenning van klimmende jaren zijn, instem met de beklimming van de Preikestolen. In goed Hollands de Preekstoel. Het is een vlakke, ver uitstekende rots, loodrecht 600 meter boven het water van de Lysefjord.

Wat is nu 600 meter? Op de snelweg is dit de voorlaatste waarschuwing voor de afslag en elke gemiddelde automobilist zal het met mij eens zijn dat die afstand een kippeneindje is. Als ik mij goed herinner staat er voor die wandeling naar boven twee en een half uur. Dat zal dan wel de maximale tijd, inclusief pauzes zijn die men er voor uit trekt. Ik kijk daarom met enige verwondering naar een wat oudere man, nou ja, oké, mijn leeftijd, die met massieve schoenen en uiteraard de bijbehorende rode kousen, rugzak, buik en twee lange prikstokken ook van plan is dat stukje naar boven te lopen. Onvoorbereid op pad gaan is niet verstandig maar je kan ook overdrijven en dit is een duidelijk geval van ‘te’.

Het pad is in het begin redelijk begaanbaar. Het gaat weliswaar behoorlijk stijl omhoog maar hé, wat verwacht je anders? Mijn dieseltje dokkert en gromt en plotseling is er iets met de luchtaanvoer. Het toerental daalt richting stationair en ik laat mij zakken op een boomstam. Het flitsende motortje van zoonlief staat in twijfel te snorren en om te voorkomen dat hij warm loopt zeg ik hem maar vooruit te gaan. Als de lucht/brandstofverhouding van dit dieseltje weer op orde is gaat hij wel weer verder. Dankbaar geeft hij gas en is, bijna huppelend, in korte tijd aan het oog onttrokken. De hond zou nu met hem mee zijn gegaan en ik mis plotseling dit fysieke heen en weer hollende bewijs van er zijn. Terwijl ik wacht tot de luchtinlaat weer normaal doet, passeren de rode kousen en de twee lange prikstokken. Zijn hoofd heeft nu bijna de kleur van de kousen. Ik verwacht dat ook hij spoedig de vlezige onderkant van rug op een gepaste plaats neer zal vlijen.

Na enige tijd sta ik op en vervolg mijn weg. Een klein stukje verder heeft moedertje Natuur met zeer kwistige hand rotsblokken gestrooid en vadertje Tijd heeft nog geen tijd gehad om ze een beetje netjes neer te leggen. Het zijn niet van die blokken waar je overheen stapt of even omheen loopt. Het zijn forse rotsen waar je soms klauterend met handen en voeten overheen moet zien te komen. Dit wordt nog wat voor de rode kousen en de buik die ik inmiddels gepasseerd ben. Waar laat je je stokken als je zo moet klimmen?

Het pad wordt gekenmerkt met een rode T die ogenschijnlijk her en der, lukraak op rotsen en boomstammen is geschilderd. Je wordt dus geacht om naast het klimmen en klauteren, ook nog de route in de gaten te houden. De inspanning begint wederom zijn tol te eisen. Het dieseltje loopt warm en verlangt rust. Gelukkig zit zoonlief op mij te wachten. Of het goed gaat. Ja, het gaat goed. Mooi hè? Ja, mooi. Niet echt een makkelijk pad hè? Nee, niet echt. Sorry maar een warme diesel maakt de spraak wat kort.
Ik merk dat hij zijn bolide al gestart heeft maar hij gaat, ik neem aan uit liefde en bezorgdheid, nog niet verder. Voor zijn motortje op mijn zenuwen gaat werken zeg ik dat hij wel verder mag. Ik kom heus wel. Heb alleen even wat tijd nodig.
Lange prikstokken kan je blijkbaar in elkaar schuiven. Ze steken als twee korte antennes uit de rugzak als de rode kousen mij weer voorbij gaan.

Hoewel het grootste deel van de wandeling bestaat uit het veroveren van rotsen en ontwijken van diepe afgronden zijn ook beter begaanbare stukken. Zo heeft men een lang plankier gelegd over een drassig stuk land. Het gaat dan wel niet omhoog, wat uiteindelijk toch de bedoeling is, maar het geeft een idee dat het wel opschiet. Ik vraag aan dalende bezoekers van de Preekstoel hoe ver het nog is en hoor verontrustende verhalen over een heel stijl stuk, een gedeelte wat vlak lijkt maar vals plat is en dan nog iets over een klein stukje klimmen. Ik probeer de moed er in te houden want als deze in mijn schoenen zakt wordt het vandaag helemaal niks.
De massieve schoenen  met de rode kousen zit langs de kant. Hij is druk met de twee lange prikstokken. Misschien schuiven ze makkelijker in dan uit.

Boven aan het hele steile stuk wat ook nog akelig smal is, zit zoonlief met een glimlach op zijn oude vader te wachten. Ja ja, ik weet het. Dit moet je toch eenmaal in je leven gedaan hebben en we zijn er nu bijna en het is toch een schitterende belevenis en wat een mooie, ruige omgeving en die Noren, die boffen maar met zo’n land. Peptalk. Wat lief! Ja joh, loop maar wat vooruit. Ik zie je vanzelf wel weer. Verdwalen kan je hier niet toch?
Hijgend als een paard sjokken de rode kousen met dito kop mij voorbij. In elke hand een ingeschoven lange prikstok.

Het stuk vals plat geeft ongekende sensaties. Ik blijk veel meer kuitspieren te hebben dan ik dacht. Nu zijn er lichaamsdelen en organen waarvan je weet dat ze er zijn maar die je niet voelt. Op het moment dat je dat wel doet, is het meestal mis. Het duurt dan ook niet lang voor ik mij met een doffe plof voorover op een mooi rond rotsblok vlij. Vlak voor mijn neus is er een grote rode T geschilderd en lijkt het nu maar zo of gaat het echt op een kruis lijken? Een klein stukje verder staat, midden op dat grote valse plat, de rugzak met de rode kousen voorover gebogen. Hij leunt met lange armen op de ingeschoven lange prikstokken. Van een afstandje lijkt hij op een dromedaris met twee protheses als voorpoten. Zoonlief komt terug lopen en de herinnering aan de hond wordt weer levendig. Monter deelt hij mee dat het nog maar een heel klein stukje is. Ik geloof hem op zijn woord en met een, voor mij bovenmenselijke inspanning bereik ik de preekstoel.

Er valt weinig te preken. Voor preken heb je adem nodig en die is er even niet. Als ik, na al die inspanning al adem had, was het nog niet gelukt. Het uitzicht ontneemt alles wat maar een beetje op adem lijkt. Hier past slechts stilte en diepe ver- en bewondering. Op onze buik kruipen we naar de rand en kijken in een peilloze diepte van 600 meter. Eens te meer ervaar ik dat natuur overweldigend kan zijn. Als ik omkijk zie ik de rode kousen ook het plateau betreden. ’t Viel niet mee, collega-klimmer, maar we deden het toch maar.

© peter gortworst / mei 2017
foto’s eigen maaksel

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

De toneelschrijver

Precies op de afgesproken tijd, ja, zelfs op de seconde nauwkeurig, belt de man aan. Ik open de deur en voor mij staat de voorzitter van de dorpsvereniging ‘Ons genoegen’. Zijn komst had hij drie dagen geleden aangekondigd met de geheimzinnige mededeling dat hij, in opdracht van de toneelgroep, iets met mij bespreken moest. Verdere mededelingen kon hij niet doen maar alles zou duidelijk worden in een persoonlijk gesprek. Toen ik vroeg of wij elkaar dan op een geheime locatie zouden moeten treffen, viel hij even stil maar na enig nadenken was mijn woning blijkbaar goed genoeg.

Ik krijg een formele handdruk en leidt mijn bezoeker naar binnen. In de keuken schenk ik twee kopjes koffie in en zet deze met de suiker, melk en koekjes op tafel. Zwijgend roert hij de ingrediënten door de koffie, bijt een stukje van een koekje en neemt dan voorzichtig een slokje. Het is geen gezellige prater. Van mijn inleidende koetjes en kalfjes wil hij niets weten. Hij komt direct ter zake:

‘Ik ben al geruime tijd volger van uw verhaaltjes op uw blog en nu….’
‘Ah! Bent u dat!?’ onderbreek ik hem in een zwakke poging tot enige luchtigheid.
Het helpt niet. Verstoord kijkt hij mij even aan en gaat dan verder:
‘Nu heeft de toneelafdeling van onze vereniging mij gevraagd om u te polsen teneinde een toneelstuk te schrijven. De uitvoering daarvan vindt volgend jaar plaats. We denken aan kort na Pasen. Daar het instuderen, maken van de kostuums en decorbouw nogal wat tijd vragen, zou het wenselijk zijn als het stuk in september klaar is.’

Ik ben mij er van bewust dat ik hem, met een nogal stomme uitdrukking op mijn gezicht, aan zit te staren. Ik een toneelstuk schrijven? Hoe verzint iemand dat? Het aantal keren dat ik een stuk heb gezien in een dorpshuis zijn op twee vingers van een hand te tellen. Blijkbaar is mijn stomme blik voor hem geen beletsel. Onverdroten gaat hij voort:

‘Het moet natuurlijk een stuk worden waar enige diepgang in zit maar waar ook de grap en de grol niet mogen ontbreken. De dorpsgemeenschap is een avondje uit en wil vooral vermaakt worden. Dat zult u wel begrijpen toch?’
Verwachtingsvol kijkt hij mij aan maar ik ben omgeven door vraagtekens.
‘Hoe lang moet het duren? Hoeveel spelers zijn er? Moet het ergens specifiek wel of niet over gaan?’ zijn de eerste vragen die in mij opkomen en deze dus ook maar aan hem stel.
‘Voor de pauze duurt het meestal een uur en na de pauze nog drie kwartier maar daar kan wel wat in geschoven worden. Er zijn 25 spelers die wel allemaal een rol willen en we hebben het liefst een stuk waar geen homo’s, politiek, vluchtelingen of asielzoekers in voorkomen. Godslasterlijke krachttermen horen we liever ook niet. De mensen zijn per slot van rekening een avondje uit.’

De weerstand die al voelde stijgt met de minuut. Een godslasterlijke krachtterm kan ik nog net binnen houden.
‘Helpt u mij even op weg?’ vraag ik hem. ‘Zomaar een wild idee. Ik zit te denken aan een handelaar in runderen. We zetten drie koeien op het toneel dus dan hebben 6 mensen al een rol. Die man heeft natuurlijk een vrouw en kinderen. Dat zijn minimaal 4 personen.’
Er wordt instemmend geknikt en hij begint zowaar mee te denken:

‘Er zijn natuurlijk buren en stel nu dat er vier vrienden op bezoek komen of vier onbekende jongens die in de hooiberg blijven slapen. We laten één van die jongens verliefd worden op de dochter van de handelaar…’
‘Of twee die het van elkaar niet weten.’
‘Oh ja,’ zegt hij en begint zowaar te glimlachen. ‘Dat geeft dolkomische situaties. Ik zie nu de ene al door een deur vertrekken en de ander binnen komen.’
‘Vast. En zeker als blijkt dat ze van één van de twee zwanger is.’
‘Nee,’ zegt hij en zijn formele gezicht is weer terug. ‘dat is natuurlijk niet leuk.’
‘Maar wel vaak de waarheid toch? Goed, ze wordt niet zwanger, de derde vriend kan niet op de zoon van de handelaar vallen en de vierde mag de moeder van het spul niet het hof maken. Hoe gaat het dan verder?’

Hij is in zijn hoofd druk met al die mogelijke relatievormen dus het duurt even voordat hij wat zegt.
‘Misschien leert ze dat de stadse gewoontes van die jongens uiteindelijk niets voor haar zijn. Die weten natuurlijk niet wat het is om met laarzen in de stront te staan. We laten haar verliefd worden op de knecht. Die heeft al jaren een oogje op haar.’
‘Prima. Nog een karakter er bij wat door deuren kan komen en gaan. Een romantische liefdesscène op het toneel wil iedereen wel zien. We komen er wel.’

Hij knikt instemmend en vraagt dan:
‘Begrijp ik dat u het stuk gaat schrijven?’
‘Dat hangt er van af of jullie het kunnen betalen.’
Het gezicht wordt zakelijk. Hij gaat wat rechter in zijn stoel zitten en zegt dan:
‘Wat denkt u te vragen?’
‘Voor het schrijven vijfhonderd, per woord drie cent en per scene vijftig euro. Je hebt, voor je er erg in hebt zo drie tot vierduizend woorden en zeker tien scenes dus reken maar uit.’
Hij doet zijn best.
‘Duizend tot twaalfhonderd euro,’ help ik hem.
‘Dat is een hoop geld,’ zegt hij zachtjes.
‘Ik zal je helpen,’ zeg ik. ‘Ik reken voor het idee van het verhaal honderd euro maar als u het schrijft, en dat gaat u vast wel lukken, kost het maar de helft. Uw naam komt op het programmaboekje te staan en er is een heleboel geld mee uitgespaard. Hoe lijkt u dat?’
‘Denkt u dat echt? Ik bedoel, denkt u… kan ik dat echt wel schrijven?’
‘Ja hoor. U heeft al zo veel van dit soort voorstellingen gezien dat het voor u een fluitje van een cent is. Ik wed dat u er veel bedrevener in bent dan ik en vergeet niet dat dit maar vijftig euro heeft gekost. Een prachtige kans om de kas eens flink te spekken. De penningmeester zal u eeuwig dankbaar zijn.’

Hij zit stil in zijn stoel en pakt nog een koekje. In diepe gedachten verzonken bijt hij daar een stukje af.
‘Ik kan die koeien op het toneel ook laten poepen,’ mijmert hij. ‘Dat doet het altijd goed.’
‘Wat een geweldig idee. Moet je doen. Zie je wel. Het gaat helemaal goed komen. Zal ik u een rekening sturen voor die vijftig euro of rekent u dat liever even contant af?’
Hij vist in zijn kontzak naar zijn portemonnee en met een  ‘Laten we dat maar gelijk afhandelen’ gaat hij staan. Ik help hem in zijn jas en leidt hem vriendelijk naar buiten.
‘Ik blijf u volgen hoor!’ roept hij als afscheid. Het klinkt bijna vrolijk.

Morgenochtend in de stad maar even een lekker ontbijtje halen. Dik verdiend.

©peter gortworst / mei 2017
foto: http://www.youtube.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 3 reacties