De 300ste

Dit schrijfsel is een markeringspunt, een mijlpaal. Volgens de administratie van WordPress is dit het 300e bericht op mijn blog en daar ik wel van ronde getallen houd, laat ik jullie meedelen in mijn vreugde.

Mijn eerste bericht publiceerde ik hier in juli 2015. Ik vond, zo onbescheiden ben ik wel, dat mijn korte verhaaltjes een breder publiek verdienden dan mijn familieleden, vrienden en toenmalige collega’s. Een schrijver wil gelezen worden. Zo simpel is dat.

Voor ik met dit blog begon was ik op zoek naar een uitgever die wel brood zag in mijn werk. Dat viel niet mee. Het heeft mij een klein vermogen aan postzegels gekost en veel tijd die voornamelijk uit wachten bestond. Soms hoorde je niets meer en een enkele keer kreeg je na lange tijd een briefje met de mededeling dat je niet in hun stal paste. Dat een uitgever uiteindelijk wel de gok durfde te wagen, ervaarde ik als een klein wonder. Er werd in 2013 een bundel gedrukt met dertig korte verhalen. De titel was: ‘Vandaag en anders morgen’. De titel was een citaat uit één van de verhalen. Helaas is er toen, door omstandigheden, van enige promotie niets terecht gekomen en het aantal verkochte boeken was daarom gering. Achteraf maar goed ook. Het boekje voldeed niet aan de normen die ik er vandaag aan stel.

Ook mijn bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik begon mij te realiseren dat er meer mogelijkheden waren om mijn werk te presenteren aan een breed publiek en waagde daarom twee jaar later de sprong om een eigen blog te beginnen. Ik schrijf bewust ‘waagde’. Voor wie groot geworden is met een echte typemachine waar je op moest hameren en altijd ruzie had met dat zwart-rode lint, je het belletje dat klonk als je het einde van de regel had bereikt, nog uit duizenden zou herkennen, talloze stencils hebt getikt en met de hand afgedraaid en de schilderkunst met het aanbrengen van Tipp-ex machtig bent geworden, is iets als een computer, internet of een inktjetprinter nog altijd een hypermodern gedoe. Zo gemakkelijk als jonge mensen er mee omgaan, zo veel moeite koste het mij. De techniek heeft voor mij weinig geheimen maar zodra mijn computer rare dingen gaat doen zit ik met de handen in het haar. Er zijn bijvoorbeeld geen stroomdraadjes die je kan volgen om met een beetje logisch nadenken te ontdekken welk relais kapot is of welke schakelaar niet meer werkt. Een spanningszoeker of ampèretang zijn hier nutteloze gereedschappen.
En dan is er nog de taal. Computertermen of toetsen waarbij ik mij niets kon voorstellen en, tijdens het ontdekken van hun betekenis, vond ik met regelmaat complete teksten in een volkomen andere samenstelling of opmaak, vaak na lang zoeken en proberen, ergens weer terug. Het gebruik van een herstelpunt had ik gelukkig wel snel door. Dat hameren doe ik overigens nog steeds en ik kan een beetje jaloers kijken naar mensen die met fluwelen bewegingen van hun vingers, hun toetsenbord bedienen. Maar goed. Ik was aan een blog begonnen en ten lange leste is het geworden wat het nu is.

Mijn blog heeft mij veel gebracht. In de eerste plaats veel nieuwe contacten. Van goede kennissen tot echte vrienden. Elke schrijver geeft, of deze dat nu wil of niet, zichzelf bloot. Zelfs al zou je alleen maar sprookjes schrijven dan zeggen jouw teksten toch iets over jezelf. Als lezer kan je een schrijver door zijn werk gaan waarderen en dat hebben ook een aantal van mijn lezers gedaan. Dat had ik mij vooraf niet gerealiseerd en ik zie dit nu nog immer als een waardevol cadeau.

Het schrijven heeft mij, met vallen en opstaan, ook een andere manier van kijken gegeven. Nu is kijken misschien niet helemaal het goede woord. Het is het altijd bedacht zijn op iets waar een verhaal in zit en juist dat bedoel ik met kijken. Godfried Bomans meende dat kinderen de mogelijkheid van dat kijken nog hebben en volwassenen niet meer. Voor kinderen is alles nieuw en hun fantasie grenzeloos. Een paar struiken is het oerwoud, een stukje zanderig land waar nog een huis op moet worden gebouwd, de eindeloze Sahara en een mier die over hun hand loopt een minimonster. Volwassenen hebben alles al gezien en meegemaakt. Voor hen is er weinig nieuws onder de zon. En de truc, volgens Bomans, is om die gave van kinderen je opnieuw eigen te maken. Het lukt mij, zoals ik al schreef, met vallen en opstaan. De keren dat het goed gaat, vormen de waarnemingen vaak de opmaat voor een nieuw verhaaltje.

Het blog zelf geeft mij vaak redenen tot verbazing. Zo was er afgelopen week een lezer in België die in één dag ruim zestig verhaaltjes heeft gelezen. En wat te denken van lezers die vanuit de meest exotische landen op mijn blog terecht komen. Zijn dat Nederlanders op vakantie of zakenreis? Zijn dat emigranten die de banden met hun vaderland willen vasthouden? Feit is dat ik blij ben met iedereen die mijn verhaaltjes leest. Ene mijnheer A.Gans heeft eens gezegd: ‘Door het schrijven worden de vliedende belevingen van een sterveling tot eeuwig bezit van alle volkeren der wereld’. In mijn oren klinkt het behoorlijk hoogdravend. ‘Eeuwig bezit van alle volkeren der wereld…’ Toe maar. Ik ben al blij met die ene lezer in Australië of Zuid Afrika. Voor mij is dat al mooi genoeg.

Ongekend waren het aantal lezers van mijn blog met als titel ‘Een hardnekkig gif’. In twee dagen had ik net zo veel lezers als anders in twee maanden. Ik wist werkelijk niet wat mij gebeurde en heb voor de eerste keer te maken gehad met ‘toetsenbordridders’. Dat was een minder leuke ervaring.

Grappig is ook dat de verhaaltjes die seizoensgebonden zijn, nog steeds gelezen worden. Gedurende de wintermaanden mag het recept van de erwtensoep zich in verhoogde belangstelling verheugen, de week voor Pinksteren is het uitzoekwerk van de Zaanse derde pinksterdag aan de beurt, eind december natuurlijk de oliebollen en appelflappen en in de zomer het verhaal over de Preikestolen in Noorwegen. Het verhaal over de bakbokking wordt altijd gelezen. Iets waar ik mij nog steeds over verwonder omdat deze vis helaas steeds minder wordt verkocht.

Vorig jaar stond het aantal lezers uit Nederland op de eerste plaats. België was tweede en Amerika derde. China stond op de zesde plaats en dat verbaasd mij nog altijd. Verder heb ik een vaste lezer in Ierland en ik denk een paar in Canada.

Nu ik zo schrijf over alles wat dit blog mij gebracht heeft, kan ik natuurlijk niet om de nadelen heen. Het grootste nadeel zit in het schrijven zelf. Het is nu de nacht van woensdag op donderdag en de tijd is 02.41. Ik vind dat deze tekst nu geschreven moet worden. Als het straks klaar is, sluit ik de computer af en ga naar bed. Morgen lees ik het nog een keer door en moet er zonder twijfel dingen in veranderen. Als dat klaar is zal het ook wel weer midden in de nacht zijn. Vrijdag publiceer ik het en dan is het klaar totdat er een nieuw idee komt voor een verhaaltje dat ook weer ’s nachts geschreven gaat worden. Onregelmatige nachten met een tekort aan slaap dus. Dat is een nadeel maar verder…..?

Ik denk dat het bezig zijn met taal het allerleukste is en dan bedoel ik niet de grammatica. Daar ben ik gewoon niet goed in en ook in deze tekst zullen wel weer fouten staan. Nee, het leuke zit in het bouwen van zinnen. In het zo opschrijven van dat wat in je hoofd zit dat de lezer het begrijpt en met net zo veel plezier jouw tekst leest als waarmee jij hem bedacht hebt. Een tennisspeelster speelt haar spel voor zichzelf maar het wordt leuker als er publiek is. Zo is het ook met een schrijver. Feedback, aanmoedigingen en ja, ook kritiek, zijn onontbeerlijk.

Al 300 maal, los van de boeken, heb ik mijn spel hier gespeeld. Voor mijzelf en ook voor jullie. Zonder lezers die commentaar geven, was mijn ambitie als schrijver niet half zo leuk. Daarom mijn oprechte dank dat jullie mijn lezers willen zijn.

Zo. Nu op weg naar nummer 301.

©Peter Gortworst / jan. 2023

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Amerika

Ze is frisgewassen onder de douche vandaan gekomen, heeft over haar slobberpyama de dikke ochtendjas aangedaan, is in haar foeilelijke maar heerlijk warme roze sloffen gestapt en kruipt zo knusjes tegen haar man aan op de bank.
‘Hoe laat begint het?’ vraagt ze.
Hij kijkt even op zijn horloge en zegt dan:
‘Over zeven minuten.’
‘Dan kan je mooi nog wat lekkers voor mij inschenken….’
‘Wijn?’
‘Mmm, ja, die droge witte.’
Hij staat op om zijn goede daad als liefhebbende echtgenoot te vervullen. Dan gaat haar telefoon. ‘Pa’ staat er in het schermpje.

‘Ja? En wat is er nu weer?’ vraagt ze plagerig.
Het is even stil aan de andere kant. Dat verbaasd haar niet. Papa is niet zo van de snelle, onverwachte kwinkslagen of grapjes.
‘Ja, ja. Je moet even komen.’
Het klinkt een beetje paniekerig en de laatste keer dat ze dit zo hoorde, was hij een melkpannetje op het fornuis vergeten. De melk was verbrand, het pannetje gesmolten en de keuken zwart van de roet. Het kostte een week om de keuken op te knappen en de stank is nog steeds niet helemaal weg.
‘Is het dringend? Kan het niet tot morgen wachten?’ vraagt ze.
‘Ja, ja…Nee, niet tot morgen. Het is iets met geld.’
‘Ben je geld kwijt?’
‘Nee, nee. Ik moet omrekenen en dat weet ik niet. Ik bedoel… Kom nou maar dan laat ik het je zien.’
Ze zucht diep en luidruchtig en terwijl haar man een heerlijk glas koude, witte wijn op de salontafel zet, zegt ze:
‘Oké. Ik kom eraan.’

Ze gooit haar jas over de eetkamerstoel, ploft op de bank en vraagt:
‘Nou, vertel. Wat is er aan de hand?’
Ja, ja. Ik ga in september naar Amerika.
‘Hè!? Hoezo? Waarom?’
‘Ik heb ja, ja, een uitnodiging van het Genootschap tot instandhouding van de Nederlandse taal gekregen.’
Hij spreekt de naam van dit genootschap bijna net zo respectvol uit als de naam zelf al doet vermoeden.
‘In Amerika?’
‘Ja, ja. In Amerika. In Chicago.’
‘En wat moet jij daar dan gaan doen?’
‘Uh…uh… ja, een lezing houden… denk ik.’
Ze is even stil om na te denken. Dat zijn lezers overal op de wereld te vinden zijn, wist ze al maar een genootschap die hem uitnodigt om een lezing te geven, gaat er bij haar niet in.
‘En wat heeft dat met geld te maken?’
Ik moet, ja, ja, negenhonderd dollar overmaken. Dan regelen zij de vlucht en het hotel en als beloning voor de lezing krijg ik daar, aan het einde van de avond, duizend dollar voor terug. Nou, dan heb ik én een leuke trip én honderd dollar extra. Mooi toch?’
‘En hoe komen ze zo bij jou terecht?’
‘Ja, ja. Via de mail.’
‘Laat die maar eens zien.’

De foto van een beetje wulps kijkende Sarah DeYoung staat prominent boven een mail die geschreven lijkt te zijn door iemand die nooit zal slagen voor de inburgeringscursus. Wel duidelijk is de haast waarmee het geld overgemaakt dient te worden. Vroeg boeken maakt de vlucht goedkoper is het argument. Ze googelt de naam van het genootschap en het zoekresultaat bevestigd haar vermoeden: Het bestaat niet en ook alle foto’s van dames in Chicago die Sarah DeYoung heten, lijken niet op de foto van de mail.
‘Heb jij al wat terug gemaild?’ vraagt ze.
‘Ja, ja. Nee…?’
‘Mooi, wacht maar even.’

Geachte mevrouw DeYoung,

Als zaakbeheerder van mijn vader laat ik u weten dat wij zeer bereid zijn om een lezing voor uw genootschap te verzorgen. Aangezien mijn vader niet alleen kan reizen, zal ik hem begeleiden. Ik verzoek u daarom een bedrag van drieduizend dollar over te maken op een rekening waarvan ik u het nummer, na uw toezegging, geef. Dit bedrag is nodig voor de vlucht, aanschaf van een paspoort voor mijn vader, derving van mijn inkomsten en verblijf in een hotel van onze keuze. Voor het houden van de lezing gaan wij akkoord met uw voorstel om daar honderd dollar voor te vragen.

In afwachting van uw mail en met een vriendelijke groet,

Ineke Wolmans

Haar vader staat stilletjes en een beetje beteuterd naar het scherm te kijken. Ze klikt op ‘verzenden’ en zegt:
‘Als het goed is, horen we nooit meer iets van Sarah.’
‘Oh?… Ja, ja….
‘Het is goed dat je mij belde, pa. Zeker als ze geld van je vragen, moet je dat een volgende keer ook doen.’
‘Ja, ja.’
‘Wat denken die oplichters wel? Geld aftroggelen van oude lieve mannetjes! Dat gaat mooi niet gebeuren.’
‘Ho, ho! Ik ben niet oud,’ sputtert haar vader.
Ze omhelst hem.
‘Maar je bent wel lief.’
‘Ja, ja,’ klinkt het ergens gesmoord.

‘En? Wie is de mol?’
‘Geen idee,’ zegt haar man, ‘Ik heb niet gekeken. Doe je makkelijke kloffie weer aan en plof op de bank. Ik schenk een nieuw glas voor je in en dan gaan we samen alsnog kijken.’
‘Hmmm, jij bent ook lief.’
‘Wie nog meer dan?’
‘Mijn vader natuurlijk!’
‘Ja, ja.’

© Peter Gortworst / jan. 2023

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Opnieuw in verwachting -6-

Ogenschijnlijk is het stil. Er lijkt niet veel te gebeuren maar ook hier bedriegt die schijn. Zoals een baby in de baarmoeder moet groeien en volmaken, zo moet ook mijn boek dat. Van buiten zie je er niets van maar ondertussen….

Het verhaal is door proeflezers gelezen en de reacties zijn positief. Men vindt het een goed boek. Eén lezer offerde zijn nachtrust er aan op omdat hij wilde weten hoe het afliep. Bij tijden raakt het verhaal de emotionele snaar en men kreeg sympathie voor personages of zelfs een hekel aan één van de personen in het boek omdat het een egoïstische kwal bleek te zijn. U begrijpt vast mijn blijdschap.

Uit de reacties weet ik nu ook dat het een spannende streekroman is. Nu bestaat er iets als een NUR-code. De Nederlandstalige Uniforme Rubrieksindeling. Elk boek wordt gevangen in een driecijferige code. Dat is makkelijk voor bibliotheken, boekhandelaren en archivarissen omdat duidelijk wordt in welke categorie jouw boek valt. Ik ben bang dat mijn boek niet in die drie cijfers te vangen is. Het is deels fictie en deels realiteit. NUR-code 330 is spannende boeken algemeen, 344 streek en familieromans en 402 zijn waargebeurde verhalen. Op dit moment heb ik nog geen idee welke te kiezen en of je meerdere codes mag gebruiken. Gelukkig is er nog tijd genoeg om daarover na te denken.

De complete tekst ligt nu bij een vriendin die de gave heeft van moeilijke vragen stellen en rake opmerkingen maken. Tot nu toe heeft ze de eerste negen bladzijden gelezen en man o man, wat ben ik, en dat meen ik oprecht,  blij met haar. Het probleem met mij als goedwillende krabbelaar is, en ik ben daar niet de enige in, dat je als schrijver precies weet waar de tekst over gaat en er vanuit gaat dat ieder die het leest, dat ook weet.
Een voorbeeld: Je schrijft over Pietje die met Keesje in een roeiboot onderweg is en een zwemmende Jantje tegenkomt. Omdat Pietje aan de riemen zit, ziet hij Jantje niet zwemmen maar Keesje, die het roer bediend, ziet dat wel. In mijn gedachten zie ik mij al zitten in een bij de Hippert gehuurde roeiboot, varend door een van de vele sloten in het Oostzijderveld. Die gedachten hebben mijn lezers niet. Hippert? Roeien? Oostzijderveld? Er ontstaan dus onduidelijkheden. Wie roept er ‘Pas op!’? Wie laat de boot stoppen? Wie vraagt Jantje wat hij daar in ’s hemelsnaam doet of vraagt hij dat aan Pietje? Ik als schrijver weet dat allemaal wel maar helaas is die duidelijkheid als een klontje er niet bij mijn lezers. Dus…. Er moet herschreven worden en met dat herschrijven ontdek je dat er stukken tekst weggelaten kunnen worden zonder het verhaal tekort te doen, dat er onduidelijkheden zijn over wanneer het verhaal speelt, dat verleden tijd en tegenwoordige tijd soms door elkaar lopen, dat je ijle lucht beter kan omschrijven als frisse lucht en dat lange zinnen wel mooi zijn maar ook vaak onleesbaar. Het is een fascinerend proces waar ik mateloos van geniet.

Binnenkort gaan we ons bezig houden met de foto die als cover moet gaan sieren. Ideeën zijn er al maar verder nog niet. Belangrijk wordt wel dat de foto zo wordt dat de belangrijke elementen van het plaatje uiteindelijk niet zoek raken onder de letters van de titel. Vooral de vele letters van ‘glimlachende’ kunnen veel schade toebrengen. Daar moet dus ruimte op het plaatje voor gereserveerd worden.

Het zal u inmiddels wel duidelijk zijn dat schrijven niet alleen het neerpennen van een verhaal is. Zeker voor iemand die in eigen beheer een boek maakt, komt er veel meer bij kijken. Ik vertel u daarover een volgende keer.

Natuurlijk kunt u mijn boek ‘Wraak kent geen winnaars’ gewoon bestellen bij uw boekhandelaar of via http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

©Peter Gortworst / jan.2023

Geplaatst in Opnieuw in verwachting | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Mancave

Eén van de geneugten des levens is zaterdagmorgen neerstrijken in het stadscafé en jezelf verwennen met een koffie, punt appeltaart en de krant van die dag. De grote groep stadgenoten die op deze dag even gaan ‘statten’ is nog niet op gang gekomen en daarom kan er in alle rust van deze geneugten genoten worden.

Achter mij zitten twee dames. Beiden van net geen middelbare leeftijd meer en druk in gesprek. Ik wil niet generaliseren maar zet twee mannen bij elkaar en je hoort hooguit wat gemompel. Zet twee vrouwen bij elkaar en de conversatie gaat met een volume alsof ze tien meter uit elkaar zitten. Zo ook hier. Ik kan hun gesprek woordelijk volgen.

‘Hoe is het nu thuis?’ vraag te ene.
‘O meid, breek me de bek niet open,’ verzucht de ander.
‘Hoezo? Ik dacht dat je het nu wel rustig zou krijgen. De kinderen zijn de deur toch uit?’
‘Ja, dat klopt maar nu heeft Diederik het op zijn heupen gekregen.’
‘Nee toch? Een man in de overgang die zich in een leren pak hijst en op een chopper door Europa wil tuffen?’
‘Deed hij dat maar, nee, hij heeft van de slaapkamer van Anneke zijn mancave gemaakt.’
‘Een mancave? Wat ik moet mij daarbij voorstellen?’
‘Net wat ik zeg. Een hol waar mijnheer zich kan terugtrekken. Een kamer voor hem alleen met een bureau voor zijn computer, een luie stoel, een kast voor zijn boeken, een ijskastje alleen voor zijn whisky en één fles cola en natuurlijk een tv. Aan de muur natuurlijk die grote poster van Tina Turner. Sorry hoor, maar ik kan mens niet uitstaan!’
‘Oh? Nooit geweten dat ze zoiets een mancave noemen. Wat is er dan zo erg aan?’
‘Veel. Eerstens heeft hij zelf behangen. Daar zit een motiefje in wat hij niet opgemerkt heeft dus de naden zijn overduidelijk zichtbaar. Het sluit niet aan, zeg maar. Hij is bovendien scheef begonnen en je kent mij, ik stoor mij daar mateloos aan. Dan vond mijnheer het nodig om de deur te schilderen. Het is broddelwerk geworden met druipers en heilige dagen. En dan ook nog in een kleur die totaal niet past bij de kleur van het behang. En niet willen luisteren hè of het gewoon niet wìllen zien. Zo ongelofelijk eigenwijs, nou ja, je kent hem.’
‘Ik zou hem daar lekker laten zitten. Wat heb jij daar nog te zoeken?’
‘Denk jij dat Diederik daar met een stofzuiger over de vloer gaat, stof afneemt of het raam een keertje lapt?’
‘Nee, dat denk ik niet en misschien is dat ook wel beter zo.’
‘Wat bedoel je?’
‘Was het niet twee jaar terug dat hij jullie broodrooster gerepareerd had en op paasmorgen dat ding ontplofte?’
‘Ja…?’
‘Zaten jullie toen niet die hele eerste paasdag zonder stroom omdat de gemeentestop eruit geknald was en de monteur niet eerder kon komen?’
‘Ja, dat weet ik nog. We hebben ons ‘s middags bij de buren uitgenodigd omdat het in huis steeds kouder werd.’
‘Toch niet bij die vreselijke Varenkampjes?’
‘Daar ja. We konden nergens anders heen. Maar wat heeft dat met Diederik te maken?’
‘Het spijt mij om het te moeten zeggen, maar jouw man is gewoon geen Handige Harry. Dat weet je zelf ook. Als hij het raam moet lappen, mag je blij zijn dat het nog in de sponning zit als hij er mee klaar is. Stof afnemen gaat bij hem niet zonder dat er dingen kapot vallen en geef hem geen stofzuiger in zijn handen. Hij zuigt alles op behalve stof en je mag je handen dichtknijpen als dat wonder der techniek het naderhand nog doet.’

Het is even stil achter mij. Er wordt blijkbaar nagedacht.
‘Het zal mij niet meevallen,’ verzucht de eega van Diederik na een paar minuten van overdenkend zwijgen, ‘Ik wordt altijd zo onrustig als er dingen zijn die ik moet doen en niet kan doen. Dat het in één kamer van het huis waarschijnlijk een vieze bende wordt zit mij nu al dwars. Alles moet van mij nu eenmaal spik en span zijn.’
‘Zit er een slot op de deur van zijn mancave?’
‘Ja…?’
‘Vraag hem of hij de deur altijd op slot doet en de sleutel bij zich houdt. Dan kan jij er niet meer komen en hoef jij je ook niet te ergeren.’
‘En dan zit hij daar ’s avonds gezellig in zijn eentje en ik zit ook reuze gezellig in mijn eentje op de bank. Dat is toch ook niks?’
‘Geloof mij, dat is voor zolang het duurt. Maak het in de kamer gezellig met wat kaarsjes, zet plakjes worst en stukjes kaas op tafel, schenk voor jezelf een Hugo in, zorg dat het lekker warm is en trek vooral wat spannends aan. Moet jij eens kijken hoe snel Diedertje met een glas whisky bij jou op de bank kruipt.’
‘Tja, ik kan dat best gaan proberen,’ klinkt het aarzelend.

Het gesprek valt even stil. De spik en span mevrouw wil blijkbaar niet meer over de mancave praten en zegt daarom:
‘Goed, we moesten maar eens gaan. Heb jij nog plannen voor vandaag?’
‘We gaan vanmiddag de kerstboom optuigen. Daar heb ik echt zin in. Staat die van jullie al?’
‘Ja, dat hebben we vorig weekend gedaan en gisteren kwamen we erachter dat we het laminaat onder de boom moeten vervangen.’
‘Hè? Hoezo?’
‘Diederik wilde een boom met kluit. Die heeft hij in een emmer gezet en elke dag water gegeven. Nu bleek de emmer lek te zijn en is het laminaat op gaan zwellen.’
‘O dear! Da’s minder. En wie gaat dat doen, dat laminaat vervangen? Toch niet Diederik hoop ik?’
‘Nee. Ik denk dat het voor iedereen beter is dat ik hem, voordat hij zelf de sleutel mag houden, opsluit in zijn mancave. Ik heb al een mannetje geregeld die het tussen kerst en oud en nieuw doet.’
‘Nou, mooi dat je iemand gevonden hebt die dit op korte termijn kan doen.’
Ik hoor dat ze opstaan en bij de kassa afrekenen. Ze staan al buiten als iedereen binnen een straal van vijftig meter hoort dat ze elkaar luid en duidelijk prettige kerstdagen wensen.

Mij weer concentreren op de krant valt niet mee. Het beeld van Diederik met zijn scheve behang, hangend in zijn makkelijke stoel met een glas whisky in zijn hand raak ik niet zomaar kwijt. Zo’n mooie naam en dan met misprijzen een Handige Harry genoemd worden. Het zou niet mogen.

©Peter Gortworst / dec. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Amor

‘Zullen wij vandaag naar het tuincentrum om een boom te halen?’ vraagt ze bij het ontbijt.
Haar man, net bezig om zijn gekookte eitje uit te lepelen, kijkt haar even aan.
‘Ik heb er dit jaar geen zin in,’ bromt hij dan.
‘Waarin? Die boom ophalen of …?’
‘In dat hele kerstgedoe. Zogenaamd gezellig zitten zijn, lichtjes all over the place, vroom in de kerstnachtdienst liedjes zingen, vreten tot je pens barst, dat bocht die …die glühwein… het hoeft van mij dit jaar niet.’

Het is niet de verbazing die haar even laat zwijgen. Het is de ongerustheid over het welzijn van haar man. Sinds zijn burn-out van een paar jaar geleden, is het niet meer de man die zij trouwde. De streber van vroeger die haar en de kinderen soms tot waanzin dreef, is een goedzak geworden. Een ‘het hoeft toch niet vandaag?’ die vaak moeilijk te motiveren is om iets te doen. Hij is niet meer de grote motivator die iedereen op sleeptouw nam. Die vooruit leefde en ook zo liep. Nu is het haar taak om dat te doen. Gelukkig zijn de kinderen het huis al uit. Dat maakt die taak lichter maar evengoed is het samenleven met een patiënt, want zo ziet zij hem, een opgave. En is deze weigering om iets aan kerst te doen, geen opleving van zijn labiele geestesgesteldheid? Haar vraag naar het waarom van zijn nieuwe standpunt is daarom logisch.

‘Omdat ik de wereld niet meer begrijp,’ antwoord hij, ‘Als je de pers en de schreeuwrijkste brulapen in de politiek moet geloven, vindt niemand meer een woning, staat de helft van het land in de rij bij de voedselbank, bewondert iedereen door het dure gas, de ijsbloemen op de ramen en warmt de aarde desondanks op en dreigt er een massale sterfte omdat ze ingeënt zijn tegen corona. Er is geld zat in Nederland en iedereen komt tekort, zeggen ze. En natuurlijk ligt het volgens deze Pavlovhonden aan de buitenlanders dus hup, de grenzen moeten dicht, ze lullen wat over een Deens model, jagen de goedgelovigen de stuipen op het lijf door te schermen met een islamisering van de maatschappij alsof de onmogelijke voorkoming daarvan de problemen oplost. En dat is dan nog maar Nederland! Laten we het niet hebben over de Ukraine, Iran of Syrië. En in deze godverlaten wereld gaan we gezellig naar de kerstmarkt in Düsseldorf, Munster of godbetert in Tiendeveen! Ik bedank voor de eer!’

Ze hoort hem aan en constateert dat zijn keuze om geen kerst te vieren, niet in een opwelling is ontstaan.
‘Als ik je zo hoor is er eigenlijk niet één jaar geweest dat de wereld wèl kerst kon vieren.’
‘Dat zou best nog wel eens kunnen kloppen.’
‘Waarom doen de mensen dat dan wel?’
‘Weet ik veel! Zeg het maar! Zelfs in de oorlog, wat zeg ik, zelfs op het slachtveld, vierden ze kerst. Hoe idioot wil je het hebben!’
‘Ik denk dat het iets met dat kind te maken heeft.’
‘Welk kind?’
‘Dat kind in de kribbe. Weet jij nog dat wij een stalletje onder de boom hadden staan en dat jij op kerstavond, na de kerstnachtdienst, onder toeziend oog van onze kinderen, het kind in het kribbetje legde? Over dat kind heb ik het.’
‘Ik snap je niet. Wat heeft dat kind met al die problemen te maken? Ga je nu softie zitten wezen?’
‘Ho even! Zo voeren wij geen gesprek. Je gaat mij geen softie noemen.’
Hij slaat zijn ogen neer.
‘Sorry, je hebt gelijk.’
‘Oké. Is het jou wel eens opgevallen hoe mensen veranderen als ze met een kind in hun armen staan?’
‘Ja, maar ook als het een hondenpup is.’
Tot zijn verrassing gaat ze serieus op zijn komische maar sarcastisch bedoelde opmerking in.
‘Een pup kan ook, maar een hond is niet overal op de wereld geliefd. Een kind wel. Beiden hebben ze één ding gemeen. Het is nieuw leven en dat geeft hoop en verwachtingen.’
Hij kan het niet laten om weer een sarcastische opmerking te maken.
‘Ja, de hoop dat het snel zindelijk is en de verwachting dat het succesvol kan afstuderen.’

Met dat hij dit zegt, heeft hij er al spijt van. Een vlaag van ergernis trekt over het gezicht van zijn vrouw. Hij heeft haar moedwillig gekwetst terwijl hij dat helemaal niet wil. Het is zijn onvrede, zijn erger, zijn arbeidsongeschikt zijn. Hij mist zijn werk en zijn collega’s. Juist nu, in de laatste maand van het jaar, als de targets nog wat scherper werden gesteld, de schijnbare wetenschap dat er na de kerst geen dagen meer kwamen en alles daarom nog af moest, genoot hij van zijn werk. De stress vond hij heerlijk. Met vier projecten tegelijk bezig zijn en toch de ballen in de lucht kunnen houden. Hij genoot en nu? Het schuurtje opruimen is een levenswerk, bladeren wegvegen en in de groencontainer doen iets waar hij huizenhoog tegenop ziet. Hij weet dat gewoon werken er waarschijnlijk nooit meer in zit en dat maakt zijn bestaan een moedeloze zaak. Tien jaar eerder dan gedacht achter de geraniums. Hij weet zich nutteloos, een onbruikbaar geworden stuk gereedschap en soms zelfs een profiteur. Die frustratie viert hij bij tijd en wijle bot op de mensen om hem heen. Gelukkig weten die van zijn problemen en dat is maar goed ook. Hij zou anders weinig vrienden en familie overhouden. Nu is zijn vrouw het doelwit en zij is wel de laatste die dit verdient. Zonder haar was en is hij nergens en daarom spijt het hem dat ze toch weer zijn slachtoffer is. Als hij het zou kunnen, kon hij er wel om janken.

Ze kijkt naar hem en zwijgt. Hij heeft het moeilijk en dat ziet ze.
‘Gaat het weer?’ vraagt ze als hij zich blijkbaar herpakt heeft.
Hij knikt en zegt zacht:
‘We hadden het over hoop en verwachting.’
‘Ja, over dat kind. Weet je, degene die dat verhaal over dat kind in die kribbe bedacht heeft, deed dat niet voor niets. Kan jij je nog herinneren toen onze oudste geboren was? Jij ging de deur uit om de geboortekaartjes te regelen en je was verbaasd dat de hele wereld maar gewoon doordraaide. Jij had voor de eerste keer jouw eigen kind in de armen gehad en niemand op staat was zich daarvan bewust. Dat vond je toen heel raar.’
Hij glimlacht. Die herinnering staat in zijn geheugen gegrift.
‘Weet je ook nog wat je tegen mijn moeder zei?’ vraagt ze.
‘…Nee…?
‘Je zei: Baby’s kunnen drie dingen goed: zuipen, slapen en poepen maar wat ze het beste kunnen is volwassenen onvoorwaardelijk van ze laten houden.’
‘Ah! Ja, dat zou ik best gezegd kunnen hebben en het is toch ook zo?’
‘Precies. En daarom denk ik dat die schrijver van dat verhaal over dat kind in die kribbe het nodig vond dat het opgeschreven moest worden. Hij heeft, als hij het al zou weten, die toestanden van kerstmarkten, kerstbomen, kerstkransjes en kerstdiners vast niet voorzien omdat het hem daarom niet ging. Ik denk dat hij de mensen er aan wilde herinneren dat er nog zoiets als ‘houden van’ iets van ‘liefde’ bestaat. Als mensen zich dat herinneren, ontdekken of opnieuw ontdekken is er, in weerwil van al het verdriet, alle wreedheid, alle uitzichtloosheid en al het onrecht, nog hoop voor deze, in jouw ogen godverlaten wereld.’
‘Dat is het probleem. Ze moeten ze het wel willen zien en ook nog geloven.’
‘Ze kunnen het elke dag zien en geloven komt niet vanzelf. Het is per slot van rekening een werkwoord.’
Hij glimlacht en knikt instemmend.
‘Afruimen en afwassen zijn ook een werkwoorden,’ zegt ze met een grijns, ‘Ik ga boodschappen doen dus, Kerstman, aan het werk!’

Het is de dag voor kerst en ze stuurt hem naar de markt voor een kilo kaas en twee haringen zonder ui. De markt sluit vandaag om drie uur dus hup, hup, snel weg nu!
Zodra hij de poort uit is, belt ze de buren.
‘Hij is weg. Kom maar met de handel!’
In een vloek en een zucht staat er in de hoek van de kamer een kerstboom met slingers, ballen, lampjes en een piek.

Ze wacht tot de poort open gaat, vouwt snel een kartonnen doos dicht en schuift deze dan snel onder de boom. Als hij binnen komt blijft hij stom van verbazing staan.
‘Hè? Een kerstboom? Waar komt die zo snel vandaan?’
‘Vertel ik je later. Je moet eerst die kartonnen doos openmaken.’
‘Heb je een kerstcadeau voor mij gekocht?’
‘Ja. Maak nu maar open.’
Aarzelend vouwt hij de flappen uiteen en slaat dan zijn handen voor zijn gezicht. In de doos zit een pup. De tranen lopen hem over de wangen als hij de pup uit de doos neemt, hem tegen zijn borst drukt en zijn wang tegen dat warme kleine hondenlijfje drukt. Dan bekijkt hij het beestje wat beter en constateert dat het een reutje is.
‘Het is een Jack Russel,’ zegt zij.
‘Ik dacht het al! Leuk! Mijn favoriete bek op pootjes. Hoe gaan we hem noemen?’
‘Dat mag jij verzinnen zolang je deze bek op pootjes maar geen Gideon noemt.’
Nadenkend bekijkt hij het bruin, zwart en witte mormel. Nieuwe, ontluikende liefde in zijn hart maakt het hem makkelijk.
‘Amor,’ zegt hij, ‘Dat lijkt mij een mooie, passende naam.’
Ze is het hartgrondig met hem eens.

©Peter Gortworst / dec. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Tintern Abbey

Ze is twee jaar ouder en noemt hem daarom haar kleine broertje. Niet uit minachting. Die bedoeling komt nooit bij haar op. Soms roept zij hem bij zijn naam maar meestal is het ‘broertje’. Het is uit de genegenheid die er tussen een broer en een zus kan zijn en die is er tussen hen. Van jongs af aan voelt zij zich voor hem verantwoordelijk en hij laat zich dat aanleunen omdat hij niet beter weet. Ze spelen samen. Niet met poppen want die vindt zij stom. Zijn zus is een meisje maar dat kan je amper aan haar merken. Ze stookt net zo hard een fikkie als de jongens uit de buurt, bouwt fanatiek mee als er weer eens ergens een hut van oude pallets in elkaar gezet moet worden en is de eerste die in de tuin van Joosten appels uit de boom jat. Alleen als er gevochten wordt, komt het meisje in haar naar boven. Ze slaat wel maar zodra ze de kans krijgt om de haren van de tegenstander te grijpen, doet ze dat. Ze laat pas los als de ander wegens pijn om genade vraagt. Toen hij eens met schaamrood op de kaken aan haar opbiechtte dat Gijs de Leeuw hem altijd pestte, heeft ze die Gijs opgewacht en hem een lesje geleerd. Dat vindt ze haar taak en bovendien is ze van mening dat een oudere zus dit beter op kan lossen dan het slachtoffer zelf. Jongens durven niet met een meisje te vechten en dat voordeel buit ze ten volle uit. Met haar vlugge, ranke en lenige lijf is ze ongrijpbaar voor de lompe bewegingen van Gijs en hij houdt al op wanneer zij nog maar één hand melkboerenhondenhaar uitgetrokken heeft.

Ze zijn beiden gek op spookverhalen. Als kinderen kropen ze vaak bij elkaar in bed en dan verzonnen ze hun eigen verhalen. Bloeddorstige honden, hele enge mannen, heksen, krakende trappen, vleermuizen, ramen die spontaan open gaan, mistige landschappen of een donderend onweer waren vaak de ingrediënten voor een slaap die ernstig verstoord werd door een nachtmerrie. Zij had daar geen last van. Als hij dit ’s morgens aan haar vertelde, reageerde ze altijd opgetogen en wilde die avond een nog spannender verhaal verzinnen. Gelukkig begreep ze ook wel dat hij daar niet altijd zin in had.

Het avontuurlijke dat ze beiden bezaten, hadden ze niet van vreemden. Hun ouders waren net zo en vooral tijdens de vakanties was dat te merken. Niks geen veertien dagen aan het strand liggen, geen all-in resort, geen geslenter langs allerhande winkeltjes met toeristenrotzooi. Er werd gekampeerd op campings met nul voorzieningen, pannenkoeken als ontbijt en macaroni met ham, kaas en tomatenpuree als diner. Wandelen was favoriet en dan geen gebaande wegen.
‘Ik denk dat we zo naar het noorden lopen en dan staat links van ons, achter dat bos, de auto…denk ik….’
Hij hoort het zijn vader nog zeggen. Verdwaalt zijn ze nooit maar ze waren zelden op tijd terug bij de auto. In ieder geval te laat om nog boodschappen te doen.

Tot verbazing van hem en zijn zus kregen ze, toen ze op de boot voor de eerste maal de kliffen van Dover zagen, het gevoel ‘thuis’ te komen. Geen van beiden had dat gevoel tijdens de vakanties in Denemarken, Duitsland, de Ardennen of in Frankrijk maar hier in Engeland, was het er zomaar. Het was een thuisgevoel dat zich niet liet omschrijven. Het ligt niet aan de glooiende groene heuvels, het links rijden, de vriendelijke mensen of de waardering voor het weer als het een keertje niet regent. Het is er gewoon en het beste wat je daarmee kan doen is ervan te genieten.

Ze zitten met z’n tweeën op de fundamenten van wat eens Tintern Abbey was. Zij zijn al klaar met de bezichtiging. Hun ouders nog niet. Straks maken ze een wandeling naar de Devil’s Pulpit. Dan kan je maar beter uitgerust zijn.
‘Geef mij eens vijftig penny,’ vraagt ze.
Zonder te vragen geeft hij die aan haar. Ze stopt hem in haar zak en haalt daar een munt van één pond uit. Op handen en knieën kruipt zij langs de muur en vlak bij de hoek vindt zij een spleet tussen de stenen. Ze duwt de munt ertussen en smeert een beetje aarde in de spleet.
‘Als ik zestig wordt, komen we terug en halen die ene pond er weer uit,’ beslist ze.
‘Waarom?’
‘Dan ben ik vijfenveertig jaar ouder en wie weet zit die munt dan nog in de spleet. Als dat niet zo is gaan we verzinnen wie hem gevonden heeft en wat hij of zij er mee gedaan heeft en als hij er nog wel is, gaan we herinneringen ophalen. Dat lijkt mij wel mooi.’
Dat lijkt hem niet. Liever had hij de vijftig penny zelf gehouden. Nu komt hij tekort voor een zakje roomzachte fudge.

Dat het een dagelijks wonder is te leven, wordt niet altijd beseft. Vanaf die zwarte dag dat zijn zus, blijkbaar in gedachten verzonken, de straat overstak en geschept werd door die auto, beseft hij het wel. Ze was op slag dood. Hij voelt zich sindsdien meer wees dan toen hun ouders gestorven waren. Haar wekelijkse telefoontje waarin ze vroeg hoe het met hem gaat, haar plannen vertelde, hoe haar twee kinderen het doen en hoe gelukkig ze is met Gert, miste hij gelijk al. Haar ‘mijn kleine broertje’ nog het meest.

‘Ik heb een notitieboekje gevonden,’ vertelt Gert tijdens een telefoongesprek, ‘Ze heeft er iets in geschreven en jij weet misschien wat ze ermee bedoelde.’
‘Wat dan?’
‘Tintern Abbey / 60 / broertje’
Hij moet lang nadenken.
‘Staat er niet meer?’ vraagt hij.
‘Nee…?’
Het duurt nog even maar dan weet hij het en vertelt dit aan Gert. Die klinkt opgelucht als hij ontdekt dat het niet iets is, waar zich mee bezig moet houden.

Vandaag zou ze zestig zijn geworden en dankzij het telefoontje van Gert staat hij nu in de regen bij het muurtje van Tintern Abbey. Het is een mistroostig geheel. Zijn schoenen tot de puntjes van de veters doorweekt, regen tikkelt voortdurend op de paraplu en het is koud. Hij vermoedt dat het muurtje waar hij nu naar kijkt, het goede muurtje is maar zeker weten doet hij het niet. Er zit niets anders op dan op de knieën te gaan om te speuren naar een spleet tussen de stenen. Goddank is er geen mens te zien zodat niemand zich hoeft af te vragen wat voor idioot er op zijn knieën langs een muurtje kruipt. Hij heeft een punttangetje meegenomen en krabt daarmee tussen de stenen. Een beginnend graspolletje trekt hij weg en met de kleine wortels komt de munt van één pond mee. Een wonder of het moest zo zijn.

Hij is op de stenen gaan zitten. De broek is toch al vies en nat. In zijn vuist houdt hij het muntstuk en af en toe kijkt hij ernaar. ‘Als het er nog is, gaan we herinneringen ophalen’ heeft zij toen gezegd. Hij vond dat, vijfenveertig jaar geleden, onzinnig maar nu doet hij niet anders. Zij heeft deze munt in haar handen gehad en zij heeft hem in die spleet gestoken. Het voelt aan als een relikwie en de herinneringen aan haar komen met groot gemak en helderheid bij hem naar boven. Zo ook het verdriet en het gemis. Wanneer het regent is huilen niet zo erg. Als er al iemand zou zijn die naar hem kijkt, valt dat beetje extra water niet op.

Het is klaar. Zo voelt hij dat. Vooraf heeft hij nagedacht over wat hij met de munt gaat doen als hij hem al zou vinden. Meenemen en aan een kettinkje om zijn hals? Gewoon gebruiken? Op haar graf leggen? Wat hij toen niet wist, weet hij nu zeker. Hij stopt de munt terug in de spleet en met het tangetje duwt hij hem zo diep dat deze klem zit tussen de stenen. Met relikwieën moet je niet gaan slepen. Die moet je laten waar ze zich thuis voelen.

©Peter Gortworst / dec. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Blote borstjes

Vanaf de eerste dag als ambtenaar in het gemeentehuis, was het beeldje hem opgevallen. Het is ongeveer een halve meter hoog en staat in een hoek van de gang. Hier komen geen loslopende burgers en dat is maar goed ook. ‘Herderinnetje’ staat er op het messing plaatje dat, samen met de naam van de kunstenaar, op de sokkel is gemonteerd. Die aanduiding van de dagelijkse bezigheid van deze vrouw in combinatie met het gebeeldhouwde maaksel van deze dame, klopt, wat hem betreft, voor geen meter met de realiteit. De herderin die hij kent, heet Hanneke en is een jonge, stoere vrouw. Met spijkerbroek, stevige laarzen, gekleed op het weer dat die dag wordt verwacht, rugzak en staf loopt zij elke morgen, begeleidt door haar hond, het dorp uit. Bij de schaapskooi laat ze de kudde los en trekt met hen de heide op. Hoe anders is het beeld van dit zeer bevallige popke. Hanneke draagt geen iele muiltjes en geen lang, kunstig en los om haar heen gedrapeerd gewaad dat haar borsten bloot laat. Haar hond lijkt niet op deze poedel en op haar staf zit geen ster. Ook het schaap dat aan haar voeten staat, is niet geheel raszuiver. Het toont als een mix van een schaap, geit en pony. Als Hanneke met deze uitrusting en kledij de heide opgaat, zal ze zonder twijfel meer toeristen trekken dan ze nu al doet. Of het haar kwaliteiten als herderin ten goede komt, is zeer de vraag. Een herder volgt zelden de gebaande paden dus als deze hoedster haar eerste stappen door de heidestruiken neemt, zijn haar muiltjes aan gort en blijft het fragiele gewaad natuurlijk aan de eerste de beste heidestruik hangen. Leuk voor de toeristen maar een ramp voor de schapenhoedster.

Het is niet het beeld als geheel dat hem obsedeert. Als kunstwerk op zich is het mooi. Doordat het in brons is gegoten heeft het die karakteristieke donker kleur, is gedetailleerd en de verhoudingen kloppen. Nee, de disfunctie van haar kleding in samenhang met haar beroep zitten hem dwars. Het zit hem zelfs zo dwars dat hij zichzelf dwingt om elke keer dat hij er langs moet lopen, heel bewust niet kijkt. Maar ja, die roze olifant in de kamer…

Voorzichtig heeft hij het kunstwerk wel eens ter sprake gebracht op de afdeling. Door een aantal mannelijke collega’s bleek zij ‘Tieten Truus’ genoemd te worden. Dat stoorde hem enigszins omdat er meer op dat beeldje aan te merken is dan die twee blote borstjes. Toch kan hij zich ook wel een beetje vinden in hun benaming. Hij heeft niets tegen borsten. Integendeel zelfs. Zijn vrouw kan daar, in de goede zin van het woord, over meepraten maar hier, bij dit beeldje, doen ze nog meer afbreuk aan iets wat al schamel is. Als hier de term ‘functioneel naakt’ gebruikt gaat worden, slaat men de plank volkomen mis. Er is niets functioneels aan een schaapherderinnetje dat met ontbloot bovenlijf de kudde leidt.

Het is zaterdag en samen met zijn vrouw scharrelen ze door het warenhuis. Op de lingerieafdeling neust ze wat door de verschillende bakken met aanbiedingen als zijn oog op een manshoog rek met uitgestalde beha’s valt. Zou daar zo een kleine tussen zitten dat die past op het kunstwerk in het gemeentehuis? Zo onopvallend mogelijk speurt hij de modellen af maar ze lijken hem allemaal te groot. En dan nog wat. Stel dat de goede er wel tussen zit? Hoe verkoop je dat aan je vrouw? Ze ziet hem aankomen met ‘Ik koop dat voor een bloot herderinnetje’! Hij laat het idee varen maar het laat hem niet los. Het idee om het herderinnetje een beha cadeau te doen, is als een zaadje in zijn achterhoofd geplant. Vadertje tijd en moedertje natuur moeten nog even hun gang gaan en als dit zaadje straks ontkiemt, komt er ook een oplossing.

Het magazijn van dit gemeentehuis is ruim voorzien. Het kost geen enkele moeite om zijn benodigde doosje paperclips en nietjes te vinden. Dan ziet hij een kartonnen doos staan met daarin witte en zwarte mondmaskers. Het boompje dat weken terug als zaadje in zijn achterhoofd is geplant, draagt vrucht. Hij pakt twee zwarte maskers uit de doos en stopt ze in zijn zak. Die avond legt hij zich toe op knutsel-, knip- en naaiwerk. De volgende morgen gaat hij een half uur eerder van huis. Ongezien voorziet hij het herderinnetje van een keurige zwarte beha.

In de dagen die volgen wacht hij gespannen af of er reacties komen op zijn verhullende daad. Het blijft stil. Zelfs na twee maanden is er niemand die iets over het beeldje zegt en ook de beha doet stilzwijgend zijn werk.
Een kunstenaar is geen knutselaar die onopvallend werk levert. Dat weet hij zelf heel goed. Maar wie zal het hem kwalijk nemen dat hij trots is op zijn kunstje?

©Peter Gortworst / nov. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het eerbetoon

Hij trekt zijn jas aan, stopt twee plastic zakjes met brood in zijn binnenzak, en loopt naar de schuur. Het is nog donker. Wel fris maar niet echt koud. Een doodgewone doordeweekse dag in november. Zijn vader is al eerder de deur uitgegaan en moeders slaapt nog. In de schuur verstopt hij zijn schooltas achter een paar verfblikken in de hoge, witte kast. De verrekijker heeft hij de vorige avond al klaargezet. Deze verdwijnt onder zijn jas en het riempje gaat om de nek. Hij trekt zijn fiets uit het rek en stapt op als hij de poort in de schutting achter zich gesloten heeft. Normaal zou hij aan het einde van de straat linksaf moeten slaan maar dat doet hij niet. Zijn medescholieren, die altijd op elkaar wachten bij Het Zwarte Schaap om gezamenlijk de acht kilometer naar school in de stad te rijden, zullen het vandaag zonder hem moeten doen. Hij slaat rechtsaf en neemt de verbindingsweg naar de hoofdvaart. Daar gaat hij de brug over en fiets dan rechtdoor in de richting van de kazerne.

Hij weet dat er nu ongeveer een half uur verstreken is. De lucht in het oosten wordt langzaam iets lichter. Uit het bos, rechts van hem, stijgen zware herfstgeuren op. Hij snuift ze op door een diepe teug lucht via zijn neus in te ademen. Het ruikt als die keer dat hij met Geert, de boswachter, paddenstoelen aan het zoeken was. Niet om ze mee te nemen maar alleen om ze te bekijken en alles te leren over hoeden met buisjes of platen, mycelium, heksenkringen en sporen. Hij mag Geert wel. Natuurlijk, hij is met zijn dik vijftig jaar al hartstikke oud, maar hij is grappig en weet heel veel. Eén piepje van een vogel en hij weet wat het is. Een silhouet in de lucht en Geert kan je vertellen welke roofvogel daar vliegt. Hij heeft hem het nest van de havik laten zien en soms mag hij mee naar zijn hut in het bos als hij de mistnetten op gaat hangen. Hoe mooi is het om een gevangen zwartkop, een grote bonte specht of een boomkruiper in je handen te kunnen houden terwijl Geert een ringetje om de poot doet? Het is ook een grappige man. Zijn vrouw noemt hij altijd ‘m’n verkering’ en zijn twee dochters ‘het nageslacht’. Voor hem heeft Geert de mooiste baan van de wereld.

Voor het theehuis slaat hij rechtsaf. Er zou een fietspad moeten zijn maar dat is kapot gereden door legervoertuigen. Fietsen kan hij hier wel vergeten. Er is geen doorkomen aan in het rulle zand. Hij parkeert zijn vervoermiddel, onzichtbaar vanaf het zandpad, achter een paar bosjes. Lopend gaat hij verder. Nog even en dan komt de zon in het oosten op. De lucht kleurt al oranje. Hij moet stevig doorstappen wil hij, voor het helemaal licht is, bij de bron zijn.

Hoe groot zou het meertje zijn? Het is een ovale plas. Op zijn breedst misschien zo’n driehonderd meter en op zijn smalst een meter of vijftig? Onder, op de bodem, is een bron en het teveel aan water stroomt via een smal beekje het bos uit. Geert vertelde eens dat dit water uiteindelijk in de grote zee terecht komt en dat vond hij een fascinerend idee. Het water wordt omzoomd door bomen en struiken. Aan de noordkant is een kleine weide en loopt er een bospad. ’s Zomers mogen de toeristen daar graag op het gras picknicken. Nu is daar natuurlijk geen mens te bekennen. Aan de zuidkant is alleen maar bos en dicht struikgewas en het is juist daar dat Geert een plekje heeft gemaakt waar je, door niemand gezien, uitzicht hebt over bijna het hele meertje.
Behoedzaam lopend, bijna sluipend, bereikt hij de in de lengte doorgezaagde boomstam. Als hij gaat zitten worden de boomtoppen door de eerste zonnestralen verlicht. De verrekijker zet hij naast zich op het bankje en neemt een boterham. Het is doodstil en wachten op wat komen gaat.

Een blauwe flits schiet over het water. De ijsvogel! Hij heeft hem hier nog maar één keer eerder gezien. De blauw en oranje gekleurde vogel landt op de kale tak die over het water hangt. Natuurlijk! Voor de vogel de beste plek om van daaruit vis te vangen en voor hem de gelegenheid deze vogel langdurig te observeren. Turend door zijn kijker ziet hij de vogel duiken en weer bovenkomen met een visje in de snavel. Hij slaat de prooi harthandig tegen de tak en laat het visje zijn keel inglijden. Zijn stilzitten wordt ruimschoots beloond. Als je dan toch stil moet zitten kan je dat veel beter hier doen dan op school.

Twee reeën zijn aan de overkant uit het struikgewas gekomen en lopen, net zo behoedzaam en voorzichtig als zijn moeder die een muis ervan verdenkt zich onder de kast te verstoppen, over de weide naar het water. Eén van de geiten zou een bok kunnen zijn. Hij meent iets van de eerste aanleg van een gewei te bespeuren. Ze drinken samen. Voortdurend kijken ze om zich heen en nemen dan weer een slok. Plotseling spurten ze weg en hij vraagt zich af waarom. Hij heeft niets gehoord of bedreigends gezien maar als een grote hond op zijn gemakje de weide op komt lopen weet hij het. Weer zo’n idiote wandelaar die zijn hond hier los laat lopen. Hij pakt zijn kijker en tuurt naar de hond. De adem stokt hem in de keel. Dit is geen hond! Dit is een wolf!

Hij voelt zich helemaal warm worden. De adrenaline jaagt hem door het bloed. Hoe doodstil kan je daarmee blijven zitten als je een heuse, levensechte wolf met je kijker observeert? Zou Geert dit weten? Hij heeft het er wel eens met hem over gehad, maar Geert wist zeker dat er geen wolf in zijn gebied rondloopt. Dat heeft hij dus mooi mis. Hij zou het gezicht van Geert wel eens willen zien als hij hem kan vertellen dat er wel degelijk een wolf in zijn bos is.
De wolf staat aan de waterrand en drinkt. Dan klinkt er een knal en de wolf zakt door de poten. De twee achterpoten schokken en schudden nog even maar vallen dan ook stil. Op slag dood. Zomaar. Verbijsterd, geschokt en vol ongeloof ziet hij het door zijn kijker gebeuren. Een man met een geweer in zijn hand, loopt op de wolf af en onderzoekt hem. Hij stelt de kijker nog scherper dan deze al was en met moeite kan hij een schreeuw onderdrukken. Het is Geert! Zijn leuke, grappige, alleswetende boswachter heeft een wolf doodgeschoten!

Hij weet niets beters te doen dan stil te blijven zitten en ziet Geert aan de rand van de kleine weide een gat graven. Het wordt een diep gat en hij is er daarom lang mee bezig. Als het diep genoeg is, sleept hij de wolf het gat in en schept het dicht. Het teveel aan aarde verspreidt hij met brede zwaaien over de weide.
Wat kan hij nog doen? Een hulpeloosheid overvalt hem. Geert kan hij nooit meer onder ogen komen. Zijn ouders kan hij het verhaal niet vertellen al is het alleen maar wegens het spijbelen. Zijn vrienden onder geheimhouding deelgenoot maken is ook geen goed idee. Dan weet hij zeker dat het geen geheim blijft. Het aan de politie vertellen is misschien een mogelijkheid maar wie zal hem geloven? Een eenzaamheid bekruipt hem en geluidloos huilt hij. Het is al middag als hij zijn schuilplaats verlaat. Niemand heeft hem zien gaan en overdreven opgewekt komt hij thuis.

In het weekend gaat hij terug naar het meertje. Onder zijn jas draagt hij een simpel houten kruis. Met de soldeerbout van zijn vader heeft hij daar Canis lupus ingebrand, de Latijnse naam voor de wolf. Met een steen slaat hij het kruis bij het graf van de wolf in de grond. Een eerbetoon aan dit onschuldige dier en een waarschuwing aan Geert. Zijn daad is niet ongezien. Iemand weet wat daar heeft plaatsgevonden en hij hoopt dat dit intens en heel lang aan hem knaagt.

©Peter Gortworst / nov. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Opnieuw in verwachting -5-

‘Hoe lang moet je nog?’ is een vraag die veel aanstaande moeders te horen krijgen. Het verloop van het gesprek kan dan zijn:
‘Nog drie maanden.’
‘Tja, dan heb je nog even. Geduld dan maar.’
En terwijl de moeder, vader (schoon)moeders en aanverwante familieleden allemaal geduld zitten te hebben, vinden er in die baarmoeder gigantische ontwikkelingen plaats. Er worden armpjes en beentjes gemaakt, kieuwen blijken, net als een staart overbodig en op een wonderbaarlijk mooi moment begint het hartje te kloppen. Voor het eerst in het leven en dat blijft het doen totdat, als het goed is, het leven geleefd is en het vanwege ouderdom, er mee stopt.

Kort geleden is ook het hart van mijn boekkind gaan kloppen. Ik herkende gelukkig het moment. Het is de ontdekking dat het boek, waar je al maanden aan werkt, een goed boek lijkt te zijn. Het constant schaven, herschrijven, verbeteren en puzzelen, werpt zijn vruchten af. Het is het plotselinge gevoel en de wetenschap dat wat je aan het schrijven bent, mooier en beter wordt dan je vooraf dacht. Vanaf nu kan het alleen maar beter worden.

Dat gaat niet zonder slag of stoot. Elke schrijver weet dat. Zo schrijf ik vanuit mijn West-Europese achtergrond en dat gaat mis zodra je het over een andere cultuur gaat hebben. In het boek ‘Wraak kent geen winnaars’, liet ik Italianen als ontbijt een broodje ham en een broodje kaas eten. ‘Is dat wel een Italiaans ontbijt?’ wilde een proeflezeres weten. Nee dus en daar loop ik ook nu tegen aan. Dit keer zijn het geen Italianen maar mensen uit het Midden-Oosten en daar is heel weinig Europees aan te ontdekken. Om een voorbeeld te geven: Hier is het heel gewoon om voor jouw geliefde een koosnaampje te verzinnen. Meestal komt er iets als ‘tie’ of ‘ie’ achter de naam. Bert wordt Bertie. Albert Appie en Cor kan Corrie worden maar net zo goed Corretje.

Dit aandoenlijke gegeven dacht ik ook in dit boek te gebruiken. Niet voor een Nederlandse naam maar voor een Arabische. Ik had van Mustafa, Mustie gemaakt en daarmee grote verbazing bij mijn deskundige gewekt.
‘Is dat een schrijffout?’
‘Nee, het is een koosnaampje.’
‘Een wat?’
Ik voelde de bui al hangen. Van zo’n naam had ze nog nooit gehoord. Nadat ik vertelde wat het was, bleek dat ze aan dergelijke gekkigheid in haar thuisland niet doen. Je heet Mustafa en niet anders.

Daar ging mijn romantisch tafereel. Twee mensen bij elkaar op de bank die lieve woordjes fluisteren en elkaar bij hun koosnaampjes noemen. Het werd zonder die ‘ie’ opeens een stuk zakelijker en ik heb mijn best moeten doen om de oude, romantische sfeer met andere woorden vast te houden. Natuurlijk is het goed om waarheidsgetrouw te schrijven maar soms moet je even een jammergevoel wegslikken.

We hadden het dus over geduld. De ontwikkeling van dit boekkind gaat gestadig door. Deskundigen laten op zich wachten en proeflezers ook. Troost u met de gedachte dat deze zwangere man, net als u, het geduld op moet zien te brengen. Uiteindelijk willen we een mooi kind op de wereld zetten en de enigen die daar iets over te zeggen hebben zijn onze ouders: moedertje Natuur en vadertje Tijd.

© Peter Gortworst / nov 2022

Het boek ‘Wraak kent geen winnaars’ is te bestellen bij
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars
en natuurlijk bij uw boekwinkel.

Geplaatst in Opnieuw in verwachting | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Raampje

Het is nieuwsgierigheid. Het is zelf willen zien, voelen, ruiken en beleven. Zijn lange leven lang heeft hij dat al. Vroeger, toen hij nog met zijn ouders op vakantie ging, wilde hij het liefst voorin de auto zitten en als dat niet ging, achterin bij het raampje. Hij wilde de wereld aan zich voorbij zien trekken en alles trok zijn aandacht. Het maakte niet uit of het bergen waren, eindeloze lavendelvelden of lantaarnpalen. Het was anders dan thuis en dat alleen al maakte het interessant.

Af en toe kwam er op de lagere school een jongen in de klas. Het was een schipperskind en als de boot van zijn vader in de haven lag en wachtte op een nieuwe vracht, ging deze jongen, voor de tijd die het duurde, naar zijn school. Hij werd vriendjes met hem. Het was een aardige jongen. Karel was zijn naam. Dat aardig zijn was mooi meegenomen maar er was iets belangrijker: het leven van Karel had te maken met reizen. Hij leefde in een huis dat overal naar toe kon varen. Geen dag hetzelfde uitzicht, voortdurend iets nieuws te ontdekken. Hoe graag had hij met Karel geruild om weg te zijn uit zijn eigen, bekrompen wereld. Altijd hetzelfde straatje, hetzelfde huisje, dezelfde vriendjes, school, kerk en speeltuintje. Zo klein, zo begrensd terwijl er letterlijk een wereld te ontdekken viel. Het was niet voor niets dat hij op zijn fiets de wereld ging ontdekken. De woensdagmiddagen waren er voor de korte tochten, de zaterdagen voor de lange. Broodtrommel en een banaan in de fietstas en dan op weg naar wie weet. Zelden had hij vastomlijnde plannen. Hij fietste daarheen waar het hem mooi leek of naar plekken waarvan hij zeker wist dat hij er nog niet geweest was. Tijdens een vakantie met zijn ouders in Drenthe is hij op de fiets gestapt en Duitsland ingereden. Het was zijn eerste bezoek aan een buitenland en het besef een klein beetje wereldburger te zijn, maakte hem gelukkig.

Later toen hij in Amsterdam naar school ging en een abonnement had waarmee hij elke tram of bus kon nemen, reed hij kriskras door de stad. Altijd zat hij aan het raam en keek naar de huizen in de nieuwbouwwijken, de mensen op straat, de oude gebouwen en de schepen op het IJ. Waar kwamen die vandaan en waar gingen ze heen?

Het was ook deze interesse, deze drang naar het zoeken van het onbekende die zijn voorliefde voor mensen met een andere huidskleur verklaarde. Zij kwamen uit een andere, voor hem onbekende wereld. Hij zoog zich vol met hun verhalen over het land waar ze vandaan kwamen en wilde alles weten. Hoe ziet het er daar uit? Wat eten ze? Hoe warm of hoe koud is het daar?

Onverzadigbaar was zijn reislust. Van de fiets ging het naar de tram en de bus. Vandaar naar de trein, de auto en tot slot het vliegtuig. En altijd wilde hij bij het raampje zitten om te kunnen kijken naar de wereld die aan hem voorbij trok. Zijn ergste ervaring was een vlucht dwars over Amerika. Hij zat midden in het vliegtuig, ver van alle raampjes af en kon niets zien van al dat moois daar beneden. Vreselijk vond hij dat.

Overal wilde hij heen. Niet naar het strand van Benidorm maar naar de binnenlanden van al die schitterende landen. Talloze mensen heeft hij gesproken. Vaak in het Engels maar vaker met handen en voeten. Dat maakte hem niet uit. Het ging hem om het zien, het beleven, voelen en ruiken. Maar hoe vaak en hoe ver hij ook ging, altijd was er het besef dat hij nooit lang genoeg zou leven om alles in de wereld te kunnen zien. Hij stond op het uiterste puntje van Cornwall, het noordelijkste puntje van Denemarken en Nieuw Zeeland maar het zuidelijkste puntje van Zuid Amerika zal onbezocht blijven. Die tijd heeft hij niet meer volgens de oncoloog.

Hij zet zijn fiets tegen de gevel van Joost de aannemer. Joost is al jaren een goede vriend en hij moet voor hem zijn grafkist maken. Een simpele, vurenhouten kist met op de plek waar zijn hoofd komt te liggen, aan weerszijden een raampje.

© Peter Gortworst / okt. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , | 1 reactie