Jelte

Jelte is een vriendje maar geen leuk vriendje. Hij, Berend en Wouter kunnen het goed met elkaar vinden, zijn aan elkaar gewaagd en durven alles. Jelte niet. Jelte is vaak bang, vindt het heel erg als hij een nat poot haalt en vindt vuile handen, een kapotte broek of knie vreselijk. Zolang ze geen gevaarlijke spelletjes doen kan je hem er best bij hebben maar pas op dat je niets lelijks zegt of doet. Voor je het weet rent hij weg en zijn gluiperige stemmetje laat weten het lekker te gaan zeggen. Daar trekken ze zich ondertussen niets meer van aan. Hun ouders en de meester van school kennen hen en Jelte en zolang het kwajongenswerk is wordt er niet opgetreden.

Vanmiddag gaan ze naar de polder. Een groot gebied van slootjes met drassige, langwerpige eilandjes. Op enkele staan jonge koeien. Die worden daar met platte schuiten naar toe gevaren. Dat doen ze ook met de maaimachines. Gevaarlijke dingen met twee brede banden en een kam met scherpe messen aan de voorkant. Wouter heeft wel eens van een boer mogen maaien. Met zijn armen breeduit liep hij achter het ding aan en het was maar goed dat de boer er bij was anders had hij het apparaat zo de sloot ingereden. Sturen was niet zijn sterkste punt.

Ze hebben het aan de werfbaas van de houtzagerij gevraagd en hij vond het goed. Ze mochten de brede, lange plank lenen als ze hem maar weer, zoals altijd, netjes terug brachten. Ze hebben de plank nodig om over de eerste sloot te komen. Die is breed en een aanloop nemen kan daar niet. Ze gaan er één voor één overheen. Op de tenen want door het gewicht verdwijnt de plank in het midden onder water. Na het eerste weilandje komt er een smalle sloot. Daar springen ze makkelijk overheen. Dan komt er een bredere sloot. Die moet met een aanloop. Berend gaat als eerste. Jelte gaat als tweede en landt met twee voeten in de drassige zijkant. Zijn voeten zakken weg en met een klap valt hij op zijn buik. Als hij zijn voeten uit de modder trekt blijft zijn rechterschoen achter. Na enig graaien vindt hij hem terug en het huilen staat hem nader dan het lachen. Hij en Wouter die ook over de sloot zijn, geven goede raad: sok uittrekken en met schoen schoonspoelen in het water. Uit alles blijkt dat Jelte de hele expeditie al niet meer ziet zitten. Hij wil terug en wat anders gaan doen maar dat voorstel vindt bij de anderen geen gehoor.
Dan ziet Berend, een beetje verscholen in het riet, de roeiboot liggen. Wel een boot en nergens een boer te zien. Dat is een buitenkansje. Hiermee kunnen ze over de grote vaart naar de eilandjes waarboven de hoogspanningsmasten staan. Daar kunnen ze lijken zoeken van vogels die tegen de draden zijn gevlogen, de koppen eraf snijden en ze thuis uitkoken. Berend heeft al een hele verzameling van vogelschedels en wie weet vinden ze er één die hij nog niet heeft.

Als ze in de roeiboot klimmen blijft Jelte op de kant staan. Wat ze doen mag vast niet. Hoe vaak en hoe eerlijk de anderen ook beloven om de boot weer netjes terug te brengen, Jelte gaat niet mee. Wouter is het zat. Met een flinke duw van de spaan zet hij af en samen met Berend trekt hij aan de riemen. Het laatste wat ze van Jelte zien en horen is een jongetje wat op de kant staat en heel hard roept dat hij het gaat zeggen.

Wie had kunnen weten dat het inderdaad het laatste was? Ze hebben de boot aan het einde van de middag niet bij het weiland maar bij de werf afgemeerd en de plank opgehaald. Wat volgde was een vreselijke tijd. De moeder van Jelte die tijdens het avondeten kwam vragen of hij wist waar Jelte was, de politie die ’s avonds kwam en aan wie hij moest vertellen wat ze die middag hadden gedaan, de volgende dag toen hij niet naar school kon om de politie te laten zien waar ze gespeeld hadden, het ongeloof en het verdriet toen ze Jelte vonden in de brede sloot, de onwerkelijke sfeer op school, de blikken van de andere kinderen, de begrafenis en vooral zijn schuldgevoel. Nee, ze hadden geen schuld werd er gezegd maar zo voelde het niet.

Nu is hij terug. Ruim 55 jaar later en niets is meer als toen. Geen houtzagerij meer, geen eilandjes die omringt zijn door slootjes, geen koeien, geen paradijs voor de grutto’s. Huizen, straten, auto’s, bomen en pleintjes. Geen spelende kinderen maar nog wel die hoogspanningsmasten. Doelloos staat hij daar en het besef dat er niet de minste kans is om iets af te sluiten, maakt de steen, die al die jaren op zijn hart ligt, zwaarder dan ooit.

 

 

© peter gortworst / feb. 2019

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Ik een chaoot?

 

Zo langzamerhand moet één van de logeerkamers er aan geloven. Tot nu toe zijn dat kamers die, met het groots mogelijke geduld, zichzelf ter beschikking hebben gesteld als opslagruimtes voor meubels, oude kleren, dozen vol met boeken of snuisterijen en lampen in verschillende gedaantes. Gelukkig past alles in één kamer dus in mijn nieuwe kluskamer kan ik aan de gang. De diepte-investering in een ‘behangafstoomapparaat’ heeft zich uitbetaalt: vier lagen van het meest afschuwelijke behang wat men kon kopen zijn er af. Eén muur blijkt een voorzetmuur te zijn van gipsplaat. Door ervaring wijs geworden vermoed ik dat de stuclaag van de originele muur in slechte staat was en er daarom gipsplaten tegenaan zijn gezet. Ik vind het prima. De beschadigingen in de gipsplaat vul ik later op en als er een behangetje tegen aan gaat zie je er niets meer van. Vandaag heb ik mij voorgenomen een kleine verticale wand te bekleden met een heus eiken parket. Ooit gekregen van een scharrelaar die het zonde vond om weg te gooien. Voor mijn wandje is het precies genoeg en eens te meer blijkt dat wie iets bewaart nog wat heeft.

De vloerbedekking langs dat wandje moet er uit. Die is gelijmd en weghalen valt nog niet mee. Bovendien blijkt dat de voorzetwand geplaatst is toen de vloerbedekking er al lag. De onderste rand van de gipsplaat brokkelt af bij het wegtrekken van het tapijt en raakt zo beschadigd dat je er onderdoor kan kijken. Ik verwacht een muur te zien. Geen rioolpijp en elektrische draden. Wat nu? Goede raad is duur maar niet als je de situatie een tijdje laat betijen. De oplossing komt vaak later.

Vandaag eerst dat verticale wandje. De zaagtafel, de elektrische zaag en de waterpas liggen nog in de auto. Die spullen eerst maar naar boven sjouwen. Een winkelhaak heb ik ook nodig en die ligt ergens in de schuur. In de schuur staat ook mijn fiets en de voorband staat leeg. Dat is niet goed. Ik schakel de compressor in en wacht tot er genoeg druk is om mijn band te vullen. Dan bedenk ik mij dat ik ook, nu ik toch genoeg lucht heb, de banden van de auto kan controleren. De blokhaak vind ik na lang zoeken en weer neem ik mij voor om binnenkort orde in de chaos te scheppen.

De zaagtafel ligt onder een onwaarschijnlijke hoop rommel. Lege flesjes, kapot gebeten tennisballen, papieren zakdoekjes, een verlengsnoer, een Nederlandse frisdrankfles met statiegeld, planken die ik misschien nodig had voor een klusje bij iemand thuis, een mooie rode bloempot die in de aanbieding was, een zak met 10 kg gips, losse hoofdsteunen voor stoelen die er niet meer in staan, een kratje met een sleepkabel en autogereedschap wat je nooit nodig hoopt te hebben, de verplichte brandblusser en verbanddoos en een onwaarschijnlijke hoeveelheid aan losse papiertjes, zakjes, doosjes en rommeltjes. Hier passen slechts rücksichtslose maatregelen.

De vuilniszak in de keuken is half vol. Daar kan nog makkelijk iets bij en dus verdwijnt alles wat in deze zak aangeboden mag worden uit de auto. Papier moet apart en wat je niet zeker weet, gaat in de container voor restafval. Dat ruimt op. De zak is nog niet vol maar geen nood: in het bureau staat nog een prullenbak die ook leeg moet. Achter de prullenbak heeft zich een onwaarschijnlijke hoeveelheid hondenharen verzamelt. Zo’n hoeveelheid in twee dagen kan alleen maar als de hond in de rui is en dus moet het beest er aan geloven. Twee streken met de kam over haar rug en de kam zit vol. Dat moet dus eerst wil het schoonhouden van het huis geen water naar de zee dragen worden. Met de stofzuiger bij de hand laat de hond zich haar de schoonheidsbehandeling welgevallen. Dan valt er iets in het bureau en zie ik de kat de trap op vluchten. De zak is door de kat open gescheurd en ongeveer de helft ligt op de grond. Er zal iets vreselijk lekker geroken hebben en dan kan je een kat niet kwalijk nemen dat hij op onderzoek uitgaat. De hele handel in een nieuwe zak gedaan en deze voorlopig in het toilet gezet. Onbereikbaar voor kat en hond.
De hond is het kammen zat. Ik ook en morgen moet het toch weer.

De zaagtafel gaat naar boven. De zaag ook maar het zaagje wat er in zit is niet het goede. Na lang zoeken vind ik het bakje met de zaagjes. Dan blijkt de tube met montagekit niet meer goed te zijn. Te lang geleden gebruikt en ondanks de afdichtingen is het niet vloeibaar gebleven. Gelukkig is er in dit dorp een grote winkel waar je een nieuwe kan kopen. Als ik mijn jas aantrekt om op de fiets te stappen kijkt de hond mij verwachtingsvol aan. Dat is waar ook. Ze moet nog uit. Ik besluit deze twee dingen te combineren. Zij gaat eerst lekker achter de bal aan in het vrije veld en ik koop op de terugweg de tube kit.

Het sneeuwt en is koud. De hond loopt zich wel warm. Ik niet. Met tintelende vingers rijd ik, met naast mij een hijgende hond die de oorzaak is van beslagen ramen aan de rechterkant van de auto, naar de grote winkel. Met kit, rode loopneus en blijde hond kom ik weer thuis. De tube leg ik op de trap. De hond krijgt zijn lekkertje en ik maak koffie.

Morgen is er weer een dag.

 

 

© peter gortworst / feb. 2019

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Abels en Abelinnen

 

‘Nee joh, ik ben geen kok! Denk je dat? Ik ben een goedwillende amateur die in een kookboek alles met tien vermenigvuldigt en tot nu toe gaat dat goed. Een echte kok kunnen ze niet betalen. Alles hangt hier van liefdadigheid en vrijwilligerswerk aan elkaar. Als ik een dagje niet kan, kookt er een ander en als er niemand is om de wc’s schoon te maken of de was te draaien, doe ik dat. Gewoon, niet zeuren maar aanpakken. Van hard werken ga je niet zomaar dood.

Nee, ik slaap niet onder de brug. Ik heb een eigen huis. Overgehouden uit de tijd dat ik nog het ‘mannetje’ was. De, voor de buitenwereld, harde en genadeloze industrieel. Dat vond ik van mijzelf natuurlijk niet. Ik was alleen maar bezig met geld verdienen, het bedrijf laten groeien, steeds meer ijzers in het vuur en steeds meer ballen proberen hoog te houden. Dat ging mij goed af. Gelukkig wel want ik moest hè. Bewijzen dat ik het kon. Mijn twee broers konden goed leren en voor hen lag er een gouden toekomst open. Voor mij niet. Ik had een pesthekel aan leren. Leraren en ouders in wanhoop. Die hadden nog hun christelijke opvattingen dat je in het zweet des aanschijns je brood moet verdienen. Wat moet er van Joop worden? Opgroeien voor galg en rad? Ik had er maling aan maar dan merk je dat je zonder papieren niet ver komt.

Allerhande onbenullige baantjes gehad. Een paar maanden hier, drie weken daar, via een uitzendbureau her en der gewerkt maar niets wat mij echt boeien kon. Tot er in een bedrijf een nieuw magazijn werd geplaatst. Dat vond ik mooi. Al die stellingen netjes op een rij en alles logisch ingericht. Enfin, een lang verhaal kort: ik begon een eigen bedrijfje. Verkopen en plaatsen van magazijnstellingen. Eerst betrok ik die uit Duitsland maar ik vond al snel uit dat de constructie beter kon. Sterker en makkelijker te monteren. Ik liet ze maken bij een metaalbedrijfje en al snel werkten ze bijna alleen voor mij. Strikte levertijden bedong ik met hen. Ik kon niet wachten tot ze aan mijn order begonnen omdat er een andere klant met een ordertje tussen zat. Toen heb ik ze aangemoedigd, nou ja, een beetje gedwongen, om speciale machines aan te schaffen voor mijn stellingen. Zware stans- en buigmachines. Dat deden ze, en toen we een half jaartje verder waren heb ik al het werk daar weggetrokken. Tja, metaalbedrijfje kapot en toen voor een appel en een ei gekocht. Een deel van het oude personeel kon blijven, een deel een baan aangeboden in de montage en een deel, inclusief de vorige eigenaar, ontslagen en de werkplaatschef de functie van bedrijfsleider aangeboden. De inkoop van mijn stellingen was een stuk goedkoper geworden.

:——————–:

Hoe ik het moet noemen? Een klotestreek! Sorry, kan er geen ander woord voor verzinnen. Het was ‘ons’ bedrijf. Niet al te groot, iedereen was je en jou en als het nodig was hees de directeur zich in een overall. De sfeer was altijd goed en iedereen was gemotiveerd om het zo te houden. We hadden veel verschillende klanten en daardoor was het werk gevarieerd. Mooie dingen hebben we gemaakt. Soms lastige klussen maar ‘kan niet’ waren twee woorden die bij ons niet bestonden. En toen kwam die Joop met zijn magazijnstellingen. Ik mocht hem gelijk al niet. Een drammerig, hoog van de toren blazend ventje. In het begin viel het nog wel mee met het werk voor hem maar dat werd allengs steeds meer. Toen hij eiste dat we stellingen op voorraad gingen maken die hij pas betaalde als hij ze daadwerkelijk had verkocht, zag ik de bui al hangen. Daar ging een massa geld inzitten. Ik heb de baas er op aangesproken maar die was alleen maar blij met zo’n goede klant. Joop was goed van betalen dus er was niets aan de hand. Volgens mij was hij helemaal weg van dat ventje. Het bedrijf kreeg de kans om te groeien, meende hij en de aanschaf van die buig- en stansmachines zou het bedrijf geen windeieren leggen. Het enige wat groeide was de voorraad onverkochte stellingen. Voor ander werk was er geen tijd meer en bovendien waren de winstmarges daarop beduidend minder dan op die rottige stellingen. Uiteindelijk werkten we bijna alleen voor die Joop.

Ik weet het nog goed. Donderdagmiddag om een uur of drie kwam de baas naar mij toe en vertelde dat Joop geen stellingen meer bij ons kocht. Hij zou een ander, goedkoper bedrijf hebben gevonden. Ja, en dan gaat het snel. Oude klanten hadden al anderen die voor hen werkten, nieuwe klanten heb je niet zomaar, rente en aflossing van de nieuwe machines moeten doorbetaald worden en een magazijn met een voorraad stellingen die je aan de straatstenen niet kwijt kan, helpen niet om het bedrijf levensvatbaar te houden. De tent moest dicht en dan dreigt het vooruitzicht om met je 58 jaar in de WW te komen.

Wat mij nog het meeste stak? Dat die Joop als een soort redder des vaderlands de zaak koopt en er gelijk flink in roert. Ik weet niet of het er beter van geworden is.

Het was niet meer ‘ons’ bedrijf, de sfeer was kapot, de motivatie weg. Toen bleek dat ik niet meer nodig was en solliciteer mij nu een slag in de rondte. O ja, er worden vakmensen gezocht maar met je 58 ben je toch een tikkeltje te oud.

:——————–:

Ik barstte van de orders, verdiende geld als water, was vierentwintigzeven met mijn bedrijf bezig en verder was er eigenlijk niets. Ja, af en toe een vriendin maar zodra die begonnen over wat meer tijd voor elkaar, samen leuke dingen doen en zo, dan zette ik ze aan de kant. Ze konden alles van mij krijgen maar niet mijn tijd en blijkbaar is dat niet goed genoeg. Kon er niet mee zitten. Graag of niet en er waren genoeg vriendinnen die het wel met mij wilden proberen. Haha, ik denk dat mijn broers en ouders horendol zijn geworden omdat ik elke keer weer een nieuwe meid meebracht. En altijd in het nieuwste model van Jaguar. Kan er niks aan doen. Vind dat gewoon één van de mooiste auto’s.

:——————–:

Een jonge, aantrekkelijke vent. Ik weet nog dat ik dat dacht toen ik hem in het restaurant zag zitten. Ik kwam daar regelmatig want als je alleen woont is koken niet echt leuk. Joop werd daar ook een regelmatige gast en hoe gaat dat? Je herkent elkaar en het obligate ‘dagzeggen’ verandert in gesprekken. Nee, het was geen liefde op het eerste gezicht maar uiteindelijk kon je toch spreken van een relatie. Nou ja, een soort relatie. Hij was altijd druk met zijn werk. Echt, altijd. Een avondje op de bank was een zeldzaamheid en dan nog lag zijn telefoon binnen handbereik. Dat is niet echt leuk. Je wilt niet op de tweede plaats staan maar daar stond ik wel. Misschien heeft hij dat ook wel zo gevoeld want hij, hoe zal ik het zeggen, kocht zijn schuldgevoel af. De zeldzame momenten dat we in de stad waren kocht hij alles voor mij. Ik durfde niet meer te zeggen dat ik een armband, een jasje of een fiets mooi vond. Voor ik het wist had hij het al voor mij gekocht. Dat is best beangstigend hoor. Uiteindelijk heb ik hem voor de keuze gesteld: als we samen zijn wil ik zijn volle aandacht en een beetje normale relatie. Zo niet, dan ben ik weg. Toen heeft hij mij gedumpt. Anders kan ik het niet noemen. Koud, emotieloos was zijn afscheid. Meer dan een ‘het ga je goed’ kon er niet af.    

:——————–:

Tja, en toen kwam De Dag. Ik was op weg naar Den Helder. Ik had een afspraak bij de Marine. Halverwege de Afsluitdijk kreeg ik een soort waas voor mijn ogen en een klappende koppijn. Ik moest bij het monument stoppen. Frisse lucht inademen, de benen strekken, even rust. Het ging niet. Ik heb nog de tegenwoordigheid van geest gehad om de afspraak af te zeggen en mijn tweede man te bellen dat hij maar een oogje moest houden op de lopende zaken. Hoe lang ik daar op die basaltblokken gezeten heb weet ik niet. Ik denk best wel lang. Toen ik dacht dat het weer een beetje ging heb ik in Den Oever mijn auto gekeerd en ben naar huis gereden. Thuis een paar borrels gedronken en toen naar bed. Knap klote. Er is iets en je weet niet wat en dan is er niemand met wie je even kan praten.

Is het overwerkt, overspannen, burn out? Een kortsluiting in de bovenkamer? Eindeloze gesprekken gevoerd met agoog die en dan die en dan die. Mateloos vermoeiend en ik was al zo moe. Alleen al van het woord ‘magazijnstelling’ kreeg ik lichamelijke bijverschijnselen. Ik kon niets hebben en dan lig je te denken en te malen. Eén kopje koffie zetten was al een project. Eten koken kon ik wel vergeten en dan was er nog het afstoffen, de wasmachine laten draaien, stofzuigen…… ik kon het gewoon niet. Toen heb ik een Poolse in dienst genomen. Een gouden meid. Nooit klagen, het huis was tiptop, ze kookte als een driesterren kok en leergierig als de pest: ze moest en zou Nederlands leren. Dat was ook voor mij leuk. Nee, ik heb geen pools geleerd. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Spijt vooral. Heel veel spijt.

Ik heb ontzettend last gehad van mijn geweten. En nu nog. Last is eigenlijk niet het goede woord. ‘Geweten’ is ‘het best wel weten’. Dat klopt maar niet het geweten geeft je last. Je last wordt veroorzaakt doordat je eigenlijk wel weet hoe het moest maar het niet gedaan hebt. Je bent te kort geschoten, heb anderen als object gebruikt, je prioriteiten niet goed gesteld, geen oog gehad voor anderen of je eigen zin, ten koste van alles, doorgezet. Zo moet ik nog regelmatig terugdenken aan een ongeluk op de A28. Het gebeurde voor mijn ogen. Een vrachtwagen stuurt naar links en een personenwagen heeft dat te laat in de gaten. Hij raakt de wielen van de oplegger, slipt en rolt daarna een paar keer over de kop en blijft op zijn dak liggen. Alles komt tot stilstand maar ik had een afspraak in Zwolle. Ik had geen tijd om uit te stappen om misschien iets te kunnen doen. Ben daarom tussen de wrakstukken door gereden. Geen idee of daar gewonden of doden zijn gevallen. Wilde het ook niet weten.

:——————-:

Wat mij het meest is bij gebleven? Het moment dat alles tot stilstand komt er een soort onwerkelijke stilte ontstaat. Je realiseert je dat je zojuist een ongeluk hebt gehad maar de volle betekenis dringt nog niet tot je door. Je hangt op de kop en je ziet je vrouw, die net een rolletje snoep van de achterbank haalde en daarom even geen gordel om had, half door de voorruit hangen. Dan kijk je opzij en ziet een of andere dure slee langzaam voorbij rijden. Die vent aan het stuur kijkt niet op of om. Dat steekt. Nog steeds. Ik ben groot geworden in een tijd dat je voor ouderen in de bus of tram ging staan, dat je deuren open hield voor mensen en dat elkaar helpen de gewoonste zaak van de wereld was. En als dan iemand in die omstandigheden niets doet….? Nee, mijn vrouw heeft het niet overleefd. Onze kleinkinderen moeten het zonder oma doen.

 :——————–:

Dat terugdenken gaat best wel ver. Allerlei dingen uit mijn jeugd komen ook terug. Leuke maar ook minder leuke. Gebeurtenissen, situaties, verhalen. Ik zie mij nog thuis aan tafel zitten. Vader aan de ene korte kant en mijn moeder aan de andere. ’s Avonds aten we warm en na afloop werd dan de bijbel gelezen. Eén van die verhalen ging over Kain en Abel. Twee broers en ik dacht dat het de kinderen waren van Adam en Eva. Waarom weet ik niet meer maar Kain vermoordt Abel. Als hem gevraagd wordt waar Abel is zegt hij dat het hem niet aangaat. Hij is niet de oppasser van zijn broer.
De herinnering aan dat verhaal deed wat met mij. Gek hè, dat zo’n verhaal, na zo lange tijd, je raakt. Ik heb weliswaar geen mens gedood maar er zijn meer dan genoeg geweest waar ik eigenlijk wel om had moeten geven. Niet echt gedood maar wel doodgezwegen, niet naar omgekeken of geen oog gehad voor hun situatie of verlangens. Ik noem dat de Abels en Abelinnen in mijn leven. De vraag ‘Waar is Abel?’ heeft lang door mijn hoofd gespookt. Je realiseren dat je geen antwoord hebt, maakt je niet gelukkiger. Dat geeft spijt en spijt is niet iets wat er maar even is. Spijt vreet en iedereen gaat daar op zijn of haar eigen manier mee om.
Ik ben na mijn ziekte weer redelijk op orde. Erkennen dat je al die tijd iemand speelde die je niet bent, is een langdurig proces. Ik heb mijn bedrijf verkocht. Goed verkocht zelfs en nu werk ik hier. Als vrijwilliger. Hier komen de dak- en thuislozen voor een bed en een warme maaltijd. Voor mij zijn dat ook allemaal Abels waar je voor zorgen moet, naar wie je moet omzien. Sommigen kan je helpen door ze eten te geven, anderen moet je soms een duwtje geven, hun verhaal aanhoren of met ze mee naar een of andere instantie. Geweldig om te doen en het mooie is dat het je nederig maakt. Er zijn er die zonder dak boven hun hoofd of geld in hun zak, iemand zijn waar je met ontzag naar opkijkt en waar je wat van leren kan. Haha, over leren gesproken: de Poolse hulp is nu mijn vrouw en ze kan al zo goed Nederlands dat ze er in kan mopperen. Heerlijk vind ik dat.’

 

 

©peter gortworst / jan. 2019
afbeelding: medienwerkstatt-online.de

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Horloge

 

Het besluit om zijn oudere broer te bellen voelde als een overwinning. Het contact dat er al vele jaren niet is, moest maar eens doorbroken worden. Eigenlijk is het van de gekke dat een antiek zakhorloge de oorzaak van zo veel ellende kan zijn. Volgens Anneke, zijn vrouw, gaat het natuurlijk niet om dat horloge. Dat is alleen maar het tastbare deel. Het gaat om verbroken beloften, wantrouwen, zich iets toe-eigenen wat niet van jou is en meer van dat soort negatief gedoe waarbij op eigen houtje bepalen van hoe het is, misschien wel tot de gluiperigste gerekend moet worden.

Theo, zijn oudere broer, had geen boodschap aan de wens van zijn vader dat hij het horloge zou erven. Hij was de oudste en dit familiestuk behoorde hem toe. Zo was het al een paar generaties gegaan en zo moest het blijven: de oudste zoon erft het horloge en geeft dit weer door aan zijn oudste zoon. De wens van hun vader om het anders te doen, kon natuurlijk niet serieus genomen worden. Wellicht was de geestelijke aftakeling daar de oorzaak van. Hoewel zijn vader, al veel eerder, bij zijn volle verstand hen beiden duidelijk had gemaakt dat het zijn wens was om het horloge aan Martijn na te laten, was het de dag na de begrafenis verdwenen.

Toen de verkoop van het ouderlijke huis en alles wat er na een begrafenis gedaan moet worden, geregeld was, heeft Martijn aan Theo gevraagd hem het horloge te geven. Eerst ontkende Theo het in bezit te hebben maar na enig doorvragen kwam de aap uit de mouw. Hij had het en het behoorde volgens de traditie hem toe. Van weggeven was geen sprake.

Erfenissen kunnen vaak een bron van ellende zijn en in dit geval was het niet anders. Er vielen harde woorden en verwijten met als resultaat dat ze elkaar al vele jaren doodzwegen.
Is het de verstandigste willen zijn? Zijn het de kerstgedachten die opspelen? Is het een besef van de idiotie die materiële zaken laat prevaleren boven waar het echt om gaat? Martijn weet het niet precies als hij zijn broer belt en hem uitnodigt om op tweede kerstdag langs te komen.

Theo is verrast en zelfs zo, dat hij niet direct ja of nee kan zeggen. De volgende dag belt hij terug. Hij wil wel komen maar op één voorwaarde: over dat horloge wordt niet gesproken.

Natuurlijk hebben Martijn en Anneke de komst van die onbekende oom met hun kinderen besproken. De naam was wel eens gevallen en het verhaal van het horloge was wel eens vertelt maar gezien hadden ze deze oom met zijn vrouw, tante Marijke, nog nooit. Anneke kent haar puberzoon Justin als geen ander en juist daarom heeft ze hem op het hart gedrukt met geen woord over het horloge te praten.
‘Ik weet dat oom Theo helemaal fout zat maar houdt, omwille van de lieve vrede je mond,’ zei ze en Justin heeft dat met de hand op zijn hart belooft. Het woord horloge zou niet vallen.

De verwelkoming is geforceerd vrolijk. Ook als men plaats neemt in de huiskamer. Dat kan niet anders als een heet hangijzer onbesproken moet blijven. Men vervalt in algemeenheden en veilige onderwerpen. Zo meent Theo dat hun verhuizen naar Venlo een mededeling is die niet veel kwaad kan.
‘Venlo?’ vraagt Julius, ‘Dat ligt toch onder Arcen, aan de Maas?’
‘Ja,’ zegt Theo, ‘Ben je daar bekend?’
‘Nee, maar ik weet dat ze daar klokken gieten.’

Anneke verslikt zich bijna in haar appeltaart. De rode blosjes op haar wangen worden gelukkig niet veel roder dan ze al waren en die ze kreeg toen Theo het waagde op te merken dat Martijn het maar getroffen heeft met zo’n vrouwtje die heerlijk haar weg weet in de keuken. Theo heeft niets door. Met veel dikdoenerij vertelt hij hoe goed het hem gaat, hoe groot zijn nieuwe huis wel niet is en hoe goed zijn kinderen het doen.

‘Studeer jij ook?’ vraagt hij aan Justin.
‘Ja, in Utrecht.’
‘En heb je daar een kamer?’
‘Nee hoor. Ik ga elke dag op en neer. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens en dat heen en weer gaan is maar een uur werk.’
Zogenaamd verschrikt slaat hij de hand voor de mond.
‘Ik bedoel uur, spatie, werk.’
Theo kijkt hem strak aan en Justin speelt de vermoorde onschuld.
‘Of ik alsnog op kamers ga, weet ik niet. Dat zal de tijd moeten leren. Zolang ik nog op een christelijke tijd van huis kan en weer thuis kom, is er geen noodzaak. Maar wie weet? Als de tijd rijp is, is er nog genoeg tijd om de zaken anders aan te pakken. Het lijkt mij wel mooi om een beetje in het centrum van Utrecht te wonen. Wakker worden met de klokken van de Dom en meteen weten hoe laat het is of beiaardconcerten vanuit je kamer kunnen beluisteren….. Tja, dat lijkt mij wel wat.’

De sfeer is drastisch gewijzigd. Theo lijkt boos en is minder spraakzaam geworden. Marijke, die tot nu toe niet veel heeft gezegd, vraagt zachtjes aan Theo wat er is. Justin hoort dat en kan het niet laten:
‘Ach kom, tante Marijke, doet nou niet alsof u wel de klok hebt horen luiden en niet weten waar de klepel hangt. Er zijn hier oude wonden en deze worden blijkbaar niet door de tijd geheeld. De klok terugdraaien gaat niet en of het in de toekomst goed gaat worden zal diezelfde tijd ons leren.’

Oom Theo gaat staan.
‘Kom vrouw,’ zegt hij, ‘We gaan.’
Zonder hand te geven, zonder dag te zeggen en met een blik die op donderen staat, vertrekt oom Theo. Tante Marijke weet niet wat te doen. Een beetje onbeholpen en verwart staat ze bij de deur. Dan geeft ze hen wel een hand en mompelt iets van een tot ziens.
Als Anneke en Martijn de kamer inlopen zit daar Justin met een brede grijns op zijn gezicht.
‘Zeg niet dat ik mijn huiswerk niet heb gedaan,’ deelt hij hen monter mee.

Bij de eerste postbestelling in het nieuwe jaar zit een klein pakje. Het bevat het antieke horloge en een briefje wat geschreven is door Marijke. Ze schrijft dat het horloge al jaren op zolder ligt en Theo er nooit naar heeft omgekeken. De waarde van dit uurwerk ligt voor hem niet familiebezit of emotionele waarde maar in de heb. Bovendien vreest zij dat, wegens de reeds lang verstoorde relatie tussen Theo en hun oudste zoon, dit instrument wellicht in verkeerde handen zal vallen. Ze hoopt dat Justin in de toekomst die diepere waarden kan erkennen. Dan wenst ze hen het allerbeste en ze sluit af met een p.s: ‘Ik mag Justin wel. Hij is moedig en eerlijk. Dikke knuffel.’

 

 

© peter gortworst / dec. 2018
afbeelding: Vladimir Kush / Dali
                      schilderen van Nell Maessen

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Wir schaffen das

 

Een blik in de spiegel wordt elke morgen, zo goed en kwaad als het gaat, vermeden. Die dingen zijn onuitstaanbaar, kwetsend, onbarmhartig en helaas goudeerlijk. Je eigen gezicht bekijken is soms een confrontatie. Zeker als je net uit bed stapt. Je bent, als je er al aan denkt, gedurende het dagelijkse leven vast wel toonbaar. Maar het stoer tegen jezelf vertellen dat men je maar moet nemen zoals je bent en de gevleugelde uitdrukking ‘wat je ziet is wat je krijgt’ verhullen misschien toch de onzekerheid die zich openbaart zodra de spiegel toont hoe je er werkelijk uit ziet.

De waarheid onder ogen zien is niet altijd leuk. De zwaartekracht krijgt dankzij onophoudelijk getrek, steeds meer grip. De vellen hangen er nog niet bij maar het lijkt wel of de neus steeds krommer wordt, de wangen beginnen als buideltasjes te hangen, de wenkbrauwen zakken steeds verder over de ogen, oorlellen flapperen als hamlapjes heen en weer en all over de place verschijnen er Grand Canyonsjes. En dan die vlekjes! Ouderdomsvlekjes heten die maar dat is een liefkozende naam voor iets wat eigenlijk degeneratie van de huid is. Het is maar goed dat de spiegel alleen het gezicht laat zien. De rest van het lijf aan deze waarheidsvinding bloot stellen is te veel van het goede.

Nee, het gaat om de uitstraling. Zegt men. Kolder natuurlijk. Een drol kan wel uitstralen dat hij gezorgd heeft voor ontlasting maar het blijft een drol. Mooi oud worden is niet een ieder gegeven en er zijn dagen dat dit pijnlijk zichtbaar is. Zonder twijfel zullen dat ook de dagen zijn dat de uitstraling minder stralend is.

“Ben jij gelukkig?” vroeg een vriendin gisteren.
“Ja…” was het antwoord.
“Kan ik aan je zien,” zei ze, “Je straalt de laatste tijd.”

Tja, wat wil je als je tot over je oren met die lellen als flapperende hamlapjes, verliefd bent. Te weten dat er na zo veel jaren iemand is die je bemind, er voor je is en er voor je zal zijn, met wie je onbedaarlijk lachen kan, met wie je helaas ooit wel eens een zakje zout zal eten, met wie je zo veel kan praten dat de keel gaat schuren, die je mag verwennen en die dat ook bij jou doet, die het leven een mooiere toekomst geeft en die het hart sneller laat kloppen als je alleen al de stem hoort, is zo geluk makend dat het wel aan de oude buitenkant te zien moet zijn.

De hoop was er al die tijd maar het echte geloof er in, werd steeds minder. Net toen de berusting aarzelend intrede deed was daar die ander. Weifelend ontpopte zich een vlinder die als de duif van Noach het landschap verkende en hoe meer kleine groene sprietjes van warme gevoelens en enthousiasme ze zag, hoe meer vlinders ontwaakten. Verstand en emotie vormden een bondje en de wetenschap iemand gevonden te hebben die naast je kan staan, en wanneer nodig tegenover je, is verbazingwekkend mooi. Die verbazing is er altijd geweest. Uitverkoren worden door de ander is nog nooit als vanzelfsprekend ervaren.

En nu staat deze uitverkorene voor de spiegel en bekijkt zichzelf. Het ongelofelijke heeft zich onthult: ze houden van elkaar. Good old Paulus had gelijk: Het is de liefde die alles bedekt, alles gelooft, alles hoopt en alles verdraagt. Het is de spiegel waar doorheen gekeken wordt en niets meer laat zien dan raadselen.

Het is goed zo. Raadseltjes maken het leven leuk en aan oplossingen kan je samen werken. Volkomen kennen is niet nodig. Elkaar leren kennen wel en dat geeft al meer dan voldoende werk. Wir schaffen das.

 

 

© peter gortworst / dec. 2018
afbeelding: Artists.de     

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Abraham de os

 

“Mag ik mij even voorstellen? Ik ben Abraham de os. Zo heet ik officieel maar iedereen noemt mij Hammie of Hammetje. Dat komt door mijn prachtige billen. Dat zijn grote, gespierde, volle billen en ik ben daar heel erg trots op. Ik ben een bruine os met een zwarte punt aan mijn staart en mijn onderbenen zijn ook zwart. Als de zon schijnt dan ligt er op mijn bruine vacht een hele mooie gloed en als je dan naar mijn billen kijkt…..  Zo mooi! Zo ontzettend mooi!

Niet zo heel lang geleden is hier iets heel raars gebeurd. Ik wil jullie dit vertellen maar dan moet je eerst weten wie en wat we zijn. Je snapt er anders niets van.

Ik woon in een klein dorpje vlak bij de grote stad. Het is nu winter en als het winter is hoef ik niet te werken. Ik sta dus elke dag in de stal. Gelukkig sta ik hier niet alleen.
Naast mij staat Isaak de ezel en aan de overkant wonen een stel schapen. Hoe veel het er zijn en hoe ze heten weet ik niet. Ik zou dat wel graag willen weten maar schapen tellen is dodelijk vermoeiend.
En dan zijn er nog de kippen. Dat zijn er ook veel en steeds weer andere. Dat is niet leuk. Ze kiezen regelmatig mijn stro uit om een ei in te leggen maar dat zullen ze mij dan niet even zeggen hoor!  Als ik dan ga liggen en ze hebben daar weer een ei gedropt, heb ik tien tegen één weer een vieze vlek op mijn vacht. Meestal kan ik het zelf wel schoonlikken maar als je niet van eieren houdt is dat toch maar een vieze bedoening.
Ik heb Jacobus de haan er wel eens op aangesproken maar die zegt dat hij er niets aan kan doen. “Eén chick in de hand houden is al een hele opgaaf. Met twee chicks wordt het uiterste van je gevergd en als je er drie tevreden wil houden verricht je iets wat zelfs een godswonder een simpele goocheltruc laat lijken. Ik weet het niet zeker maar er lopen hier wel 40 van die meiden rond dus wat verwacht je nu van mij?”

Daar moest ik lang over nadenken. Dat is niet erg want ik heb alle tijd. Jacobus had natuurlijk gelijk. Als je de baas bent van 40 kippen maar de kippen vinden dat jij de baas niet bent, dan bén je het ook niet. Wel zielig voor Jacobus. Hij doet zo zijn best. Elke morgen staat hij vroeg op en kraait dan drie keer. Dan weet iedereen dat het tijd is om op te staan. Alleen overdag kraait hij ook vaak drie keer. Zo maar. Hij weet ook niet waarom hij dat doet maar hij mag wel oppassen. Vroeg of laat wordt daar wat van gezegd of krijgt iemand daar last mee.

Ja, en dan is er nog een geitenbok. ‘De Hertog van Jan’ noemt hij zichzelf. Ik vind dat een rare naam. Ik weet niet wat een ‘Hertog’ is en wie of wat ´Jan´ is. Hij vindt zichzelf heel belangrijk maar dat vinden wij niet. Wij vinden dat hij stinkt! Zelf zegt hij dat hij een ‘offerdier’ is. Wij weten niet wat dat is en we denken dat hij het ook niet weet. We hebben er wel eens naar gevraagd en dan doet hij alsof zijn neus bloed.
“Wacht maar,” zei hij, “als er iets belangrijks is, dan hebben ze mij nodig!”
Nou het zal wel. Ik denk er het mijne van. Als iemand heel belangrijk doet, is er vaak iets heel anders aan de hand.

Nou, dat is het wel zo’n beetje. O ja, er is nog een boer. Dat is, zeg maar, mijn werkgever. Goeie vent hoor, beetje een mopperkont maar met het hart op de goede plaats. Ik heb geen klagen over hem. We krijgen op tijd ons voer, hij zorgt dat ik in een schone stal sta en zo af en toe kijkt hij ons goed na. Vooral de bok wordt goed bekeken. Er zal wel reden tot ongerustheid zijn want anders doe je dat niet. Elke week neemt hij ook één en soms twee kippen mee naar binnen. Waarschijnlijk hebben die extra verzorging nodig. Nee, we hebben geen klagen over deze man.

Maar goed. Wat gebeurde er een tijdje terug nu voor iets raars. Het was al bijna donker toen de boer naar de stal kwam. Hij had twee mensen bij zich en bij het licht van een fakkel liet hij de stal zien. Ik loeide nog dat het niet verstandig is om met een brandende fakkel in een stal te gaan staan zwaaien maar luisteren: ho maar. Toen begon hij een berg stro uit elkaar te trekken en legde daar wat oude dekens overheen. Die twee mensen die hij had meegenomen bleken een man en een vrouw te zijn. Ze gingen op de dekens zitten en keken heel dankbaar en blij naar de boer. Dat Was Mijn Stro!! Waar moet ik straks op liggen als dat stro voor heel andere dingen gebruikt gaat worden? Wat heb ik er aan dat zij een beetje dankbaar en blij naar een boer gaan zitten grijnzen? Ik vond het nu al niks en snapte niet waarom die boer dat deed. Plotseling komt hij ook nog met een ezel binnen en die zet hij plompverloren bij Isaak in het hok. Nou Isaak was niet blij en al helemaal niet toen hij er achter kwam dat die ezel een zwaar noordelijk accent had. Hij was amper te verstaan dus een goed gesprek kon hij wel vergeten.
“Wie komnu uut’ t norden en wie hebn de hoale daag laupen.”
Dat moest hij drie keer langzaam zeggen voordat we snapten wat hij bedoelde en we begrepen dat hij nu eigendom was geworden van onze boer. De overnachtingen waren door hem zelf betaald. De ezel!

Al met al een hoop gedoe en een hele hoop onrust. En dacht je dat dat alles was? Het werd nog veel erger! Midden in de nacht een hoop gefluister en geritsel. Om de haverklap begint die vrouw te puffen terwijl die man met een natte lap in de weer is. Op een gegeven moment loopt hij weg en komt terug met de boerin. Ik vertrouwde de boer al niet met een fakkel maar de boerin nog minder. En weer helpt waarschuwend loeien niet!
Toch is het bijzonder! De boerin komt nooit in de stal. Wij zijn vieze beesten, zegt zij, en nu is ze er opeens wel! De Hertog van Jan gaat met zijn voorpoten tegen zijn hek staan. Die altijd irritante belangrijkerts moeten steeds vooraan staan als er iets bijzonders gebeurd. Dat blijkt maar weer.

De boerin stuurt de man naar buiten. Geen idee waarom maar het zal wel nodig zijn geweest. We zien hem, tussen de kieren van de planken door, de hele tijd heen en weer lopen. Misschien moest hij oppassen of zo… Ik kan niet goed zien wat die twee vrouwen aan het doen zijn. Een hoop gedoe met dekens en bakken water en een heleboel blazen, piepen en schreeuwen van woorden die, denk ik, niet erg netjes zijn. En plotseling heeft de boerin een jonkie in haar handen. Dat was het dus! Die vrouw moest jongen! Dat jong begint meteen te krijsen en die twee vrouwen keken zo blij! Wel mooi om te zien hoor. Het doet je toch altijd wel wat zo’n nieuw en onbedorven leven….

Helaas maken de vrouwen een fout. Ze vergeten het jong schoon te likken! Wat een stel viespeuken. Ze draaien dat jong in een stel lappen! Meer niet! Dat gaat toch stinken! Bah, wat smerig. En die man, die nu weer binnen mag komen, zegt er ook niks van! Die zit alleen maar gelukzalig naar die vrouw en naar dat jong te kijken. Tussen haakjes: het lijkt helemaal niet op die man. Ik kan dat weten want in mijn tijd, toen ik nog geen os was controleerde ik mijn jongen altijd. Voor je het weet zit één of andere slimmerik onder je duiven te schieten.
Maar goed, ik heb veel gezien in mijn leven maar nog nooit een moeder die haar jong niet schoon likt. Wat een onsmakelijk gedoe!

We dachten dat we het wel zo’n beetje gehad hadden. Boerin was weer naar bed gegaan, De Hertog van Jan stond rustig stinkend belangrijk te zijn, dat jong lag stil in de armen van die vrouw en samen met die man zitten ze zachtjes te praten.
Beginnen plotseling die schapen van de overkant met elkaar te mekkeren.
“De herders komen!”
“Wat zeg je? Komen de herders?”
“Komen ze hier? Waarom dan?”
“Wie zegt dat? Wie zegt dat de herders komen? Zeg jij dat? Hoe weet je dat dan?”
“Ja echt. Ze komen zo! Wacht maar, ze zullen er zo wel zijn!”
“Daar zijn ze! Ik zei het toch! Zie je nou wel dat ik niks verzin!”
En verdomd: de deur ging open en er strompelen vijf van die onbehouwen analfabeten naar binnen en gaan stomverbaasd naar die mensen met dat jong staan te kijken.

Ik snap dat niet. Nooit komen hier herders op bezoek, laat staan ’s nachts, en nu zijn er plotseling vijf. Die stomme schapen staan allemaal klaar om mee te gaan maar het hek blijft dicht. Ja, logisch! Ze hebben gezien dat die vrouw het jong net de borst geeft. Eén voor één gaan ze op de knieën zitten voor die vrouw om dat jong goed te kunnen zien. Haha, vertel mij wat! Het gaat ze helemaal niet om dat jong. Ze kijken ietsjes verder dan dat jong! Perverselingen! Vraagt die zogenaamde vader van dat jong wat ze komen doen. Zegt één van die slimmeriken dat er op de heide een stel Engelsen waren die wilden vissen in de dode zee en daar heb je hengels voor nodig. Of de herders toevallig wisten waar je die kon krijgen en zij dachten op hun beurt dat die wel eens in de stal zouden kunnen hangen. Welke sukkel gelooft dat? En denken ze nu echt dat wij hier in de stal een stel hengels hebben staan?
Ik denk er wederom het mijne van. Volgens mij hadden ze heel andere plannen. Er is hier wel vaker wat verdwenen, wasgoed van de lijn en zo, dus het zal me niet verbazen dat ze gewoon gekomen waren om wat te jatten. Enfin, toen zij vertrokken werd het eindelijk rustig.

O ja, ik zou het bijna vergeten. Vraag niet hoe dat mogelijk is want wat er gebeurde ging werkelijk alle perken te buiten. Elke morgen komt de boer ons eten brengen. Een goede gewoonte. Maar die eerste morgen na die vreselijk onrustige nacht gooit hij mijn voer zo maar op de grond. Hebben die twee met dat jong mijn voerbak ingepikt. Daar ligt dat jong in! Dat vieze onafgelikte jong! In MIJN voerbak! Getverderrie nog aan toe. Mooi makkelijk van die lui maar rekening houden met de oorspronkelijke bewoners hier? Het komt niet eens in ze op! Ik heb die voerbak ook nooit meer gebruikt. Later, toen die lui weggegaan waren heeft de boer dat ding weer in mijn stal gezet. Ik ben er even op gaan zitten en nu heb ik een mooie nieuwe.

De andere dag is die ezel ‘uut’t norden’ verkocht aan een man uit de stad. Zeker is het niet maar het is zeer waarschijnlijk dat hij er de oorzaak van is dat hier plotseling drie kamelen voor de deur stonden. Wat zijn dat een stel vieze paparazzi beesten! Ze waren met een stel rijke stinkerds naar de stad gekomen en waren op zoek naar iets belangrijks. Nou ja, iets wat zij belangrijk vonden. Ik heb van horen zeggen dat die ezel daar lucht van kreeg en, terwijl die rijke stinkerds in de kroeg aan een kopje thee zitten, gaat hij die kamelen vertellen dat hij wel weet waar iets belangrijks te vinden is. En wat denk je? Gaat’ie vertellen over de Hertog van Jan!! Zien die rijke stinkerds vanachter hun theekopje, plotseling hun kamelen er vandoor gaan en die rennen er dus achter aan. Het hele spul op een drafje onderweg naar onze stal! Hier komt alles weer bij elkaar. Eind goed al goed zou je denken. Niet dus. Die kamelen willen naar binnen om die stomme bok te gaan bekijken. Nou ik weet niet of u wel eens een kameel heeft gezien maar die beesten met die puisten op hun rug zijn te hoog voor een normale stal. En toch proberen hé! Wat een gedoe, geduw en getrek. Chaos, gewoon chaos! En spugen die beesten! Wat een viezeriken. Te pas en te onpas kwatten ze, als je geluk hebt, op de grond met van die vieze slijmerige….. Bah! Als ik er nog aan denk….Jacobus die kwam kijken wat er aan de hand was kraaide spontaan drie keer en kreeg toen van twee kamelen de volle laag. Ik zag hem zo omvallen. Hij lag al niet goed bij zijn vrouwen maar dit was natuurlijk een giga afknapper. Kwaad dat hij was, kwaad….

Die rijke stinkerds waren wel blij dat ze hun kamelen weer hadden. Ze dachten dat die man en die vrouw met dat jong de eigenaren waren dus om de materiële en emotionele schade een beetje te vergoeden gaven ze hem wat goud, een lekker smeerseltje voor haar en om de stank van de kamelen wat te verdoezelen, een doosje met wierook. Jekkes, wat stinkt dat spul. De Hertog van Jan ruikt nog lekker vergeleken met dat spul. Met een: “Sorry, sorry de sterren zijn ons blijkbaar niet gunstig gezind,” vertrokken ze weer. En wij bleven zitten met een Hertog van Jan die van zelfgenoegzaamheid niets anders kon zeggen dan:
“Ik wist het wel! Ik wist het wel! Het gaat om mij.”
Dat heeft hij wel honderd keer gezegd. Bah, stomme bok.

Nog diezelfde nacht maakte Isaak me wakker.
“Ik heb zo raar gedroomd,” zei hij. “Het was helemaal niet leuk.”
“Wat droomde je dan?”
“Ik droomde dat ik hier wegging en heel veel moest lopen. Ik ging naar een ander land. Op mijn rug zat een vrouw met een klein kind en een man had mijn halster vast. In dat verre land bleven we heel lang en daarna liepen we weer terug. Niet naar hier. We gingen veel verder naar het noorden. Ik wil hier helemaal niet weg en al helemaal niet naar het noorden. Wat denk jij? Komen dromen wel eens uit?”
“Volgens mij niet. Van alles wat ik droom is nog nooit iets uitgekomen maar zeker weten doe ik het niet.”
We besloten om weer te gaan slapen. De tijd zou het wel leren.

Toen het licht werd kraaide Jacobus drie keer. Isaak stond niet meer naast mij in zijn stal. Hij stond buiten en over zijn rug hingen een paar zakken. De vrouw klom op zijn rug en de man gaf het jong aan de vrouw. Toen liepen ze weg. De man had Isaak aan zijn halster vast.
“Dag Isaak!” loeide ik en Isaak balkte terug:
“Dromen komen wél uit! Gadverderrie nog aan toe! Dag Hammie, het ga je goed. Bis hunderdzwanzig!”

“Waar gaat Isaak naar toe?” vroeg de Hertog van Jan.
“Die is bezig met een internationale opdracht en ik heb zo’n vermoeden dat hier iets heel belangrijks is gebeurd. Al dat gedoe met die man en die vrouw met dat jong, die herders en die kamelen…. Het is mij allemaal net even te toevallig.” antwoordde ik.
Daar had hij niet van terug.
“Goh, ik wou dat ik ook eens aan de beurt was,” zuchtte hij.
Ik hielp het hem hopen. Per slot van rekening gun ik iedereen het beste.”

 

 

© peter gortworst / dec. 2010

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Kippetje

 

Het leven kan zijn als een kabbelend beekje. Lieflijk, geruststellend en overzichtelijk. Maar gelijk er in zo’n beekje iets drastisch plaats vindt zodra er bovenstrooms donkere wolken hun water richting aarde laten vallen, zo kan ook het leven veranderen in een woest kolkende rivier. Natuurlijk, een dergelijk water heeft ook zijn schoonheid. De kracht van het water is vaak indrukwekkend. Het donderende geweld getuigt van een kracht waar niet mee te spotten valt en ook van een verraderlijkheid waar men ten zeerste op bedacht moet zijn. Daarmee omgaan vereist levenswijsheid, bedachtzaamheid en soms een dosis geluk. Bij Kees is dat niet anders.

Vele jaren geleden is hij alleen komen te staan. Het was niet eenvoudig om zijn draai te vinden maar het is hem gelukt. Zijn kippetjes vullen de dagen. Met zorgzaamheid en liefde is hij daar vele uren per dag mee zoet. Het water wordt elke morgen ververst, stro in het nachthok schudt hij op en alles wat niet in de grote ren thuis hoort, haalt hij weg. Na gedane arbeid zet hij zich op het bankje en geniet van zijn scharrelende kippetjes en als je dat dagelijks doet leer je de dames vanzelf kennen. Namen geeft hij ze niet maar hij kent hun karakters en eigenaardigheden. Hij weet bijvoorbeeld precies wie de kenau, wie het blondje en wie het moederke is.
Zijn zeven kippetjes hebben een goed leven en dat belonen ze door elke dag minstens zes eieren te leggen.

Voor een man alleen zijn dat er teveel. Elke dag één ei bij het ontbijt is voldoende en met een hond die ook één ei per week krijgt, blijft er een ruime hoeveelheid over. Gelukkig helpt zijn kastje aan de straat hem van het eieroverschot af. Voor tien cent per ei kan men zich zelf bedienen en dat werkt wonderwel.

De bel van de voordeur gaat en als hij open doet, staat hij oog in oog met een dame die hem zeer sympathiek voor komt. Een enkele keer overkomt je dat. Het zit niet in wat men een mooi of lelijk uiterlijk vindt. Het zit in de uitstraling en dat is net zo’n vaag en ongrijpbaar begrip als aanwijzen waar je hurken zitten. Het heeft te maken met houding, gebaren, oogopslag, glimlach en natuurlijk stem. En juist dat laatste zet bij Kees een reeds lang aanwezig maar ongebruikt carillon in werking. Heldere klanken zijn het niet. Nog niet want wat lang niet geklonken heeft moet zichzelf even hervinden.

Kees hoort helemaal niet wat ze vraagt en dat realiseert hij zich als ze hem vragend aankijkt.
‘Sorry,’ zegt Kees, ‘Wat vroeg u nou?’
‘Ik wil graag voor donderdag vijftien eieren bestellen,’ zegt ze en Kees hoort dat het klokkenspel een nieuw doch roestig liedje start.
‘O, ja dat is goed. Donderdagmorgen staan ze voor u klaar.’
Ze bedankt hem en als ze het tuinhekje achter zich sluit, geeft het kleinste klokje een laatste pingel. Hij kijkt haar na zo ver als hij kan. Dan sluit hij de deur, schudt zijn kop een paar keer heen en weer en besluit dat een kop sterke koffie hem weer bij de les moet krijgen.

Donderdagmorgen staan de eieren klaar en met een ongeduldigheid die hij lang niet zo heeft ervaren, wacht hij haar komst af. Eindelijk gaat de bel en met een jongensachtige nervositeit opent hij de deur. Hij vraagt zijn beiaardierster binnen en terwijl zij in het halletje wacht, haalt hij de eieren uit de keuken.
‘Wat een gezellig huis heeft u. Niet te groot en, ja hoe zal ik het zeggen… Knus! Ja, dat is het. Woont u hier al lang?’
Een groot en gedreven redenaar is Kees niet. In deze omstandigheden antwoorden op vragen valt hem niet licht maar op een wonderlijke manier lijkt ze hem te helpen met zijn antwoorden. Niet dat ze iets invult maar ze weet het zo te brengen dat Kees er naderhand van overtuigd is dat hij zelf met die briljante teksten is gekomen. Sommige mensen kunnen dat en zeker bij moeilijke onderwerpen is dat heel prettig. Na een kwartiertje vertrek zij. Hij weet nu waar ze woont, dat ze Dora heet, ook alleen is en op bestelling van de begrafenisondernemer de lekkerste cakes bakt met verse eieren. Bovendien heeft ze hem betaald.
De klokjes klinken helder en doordringend en wanneer deze niet verstommen bij een bak sterke koffie concludeert Kees dat hij verliefd is.

Je ziet het wel vaker. Grote schrijvers zijn in de dagelijkse omgang soms erbarmelijke hakkelaars die met moeite uit hun woorden komen. Kees kent zichzelf en in plaats van kordaat op Dora af te stappen om haar de liefde te verklaren, schrijft hij een brief. Bij het nalezen is hij niet tevreden en schrijft hij een andere brief. Ook deze bevalt hem niet dus de derde brief ziet het licht. Inmiddels is hij de tel kwijt en droomt van balpennen, briefpapier en postzegels. Onrust en onzekerheid bepalen zijn leven. Het is niet alleen de brief die geschreven moet worden maar wat als deze eenmaal klaar is en verstuurt? Zijn de gevoelens van hevige verliefdheid wel wederzijds? Je zou toch denken dat ze hem dan vaker zou willen zien? Dit af laten hangen van de dood die ergens zijn intrede heeft gedaan met de toevalligheid dat de nabestaanden ook nog koffie met Dora’s cake willen, klopt toch niet? Zijn toenaderingspogingen gaan niet verder dan een enkele keer ‘toevalligerwijs’ met de hond langs haar huis lopen en dan voelt hij zich de puber van vroeger.

Het schrijven van de vele niet verstuurde brieven kost tijd. Tijd die ten koste gaat van zijn kippetjes en hond. Zijn uurtje op het bankje vult hij niet met het genieten van de dames in de ren. Dora zweeft bijna alle uren van de dag door zijn hoofd en hij wordt daar pijnlijk mee geconfronteerd als de hond hem rond de middag langdurig aan zit te staren. Het beest heeft nog geen eten gehad! Hij legt zijn pen neer en herstelt onder mompelende verontschuldigingen richting hond, de fout. Buiten ruimt hij voor het eerst sinds dagen de ren op, ververst het water en vervangt het stro in het nachthok. Het moederlijke kipje verlaat net het nest en hij ziet dat er een kakelvers ei gelegd is. In een vlaag van trots en onvervuld verlangen vernoemd hij ter plekke het kipje naar Dora.

 

Dora heeft eieren besteld en staat weer in het halletje.
‘Zou ik je kippetjes eens mogen zien?’ vraagt ze.
‘Ja hoor,’ zegt Kees en gaat haar voor naar buiten.
Bij de ren gaan ze samen op het bankje zitten en Kees praat voor zijn doen honderduit. Ze luistert aandachtig en vraagt dan of zijn kippetjes ook namen hebben.
‘Haha, nee hoor. Nou ja eentje. Die heet …… ‘
Hij houdt verschrikt zijn mond, kleurt rood en weet niet waar hij kijken moet.
‘Nou?’ vraagt ze, ‘Hoe heet die ene?’
Het duurt even maar dan fluistert Kees ‘Dora……’
Hij ziet niet de glimlach op het gezicht van Dora als ze vraagt:
‘En wat is er zo bijzonder aan dat kippetje dat zij die mooie naam heeft gekregen?’
Hakkelend vertelt Kees dat het een moederlijk kippetje is die de anderen lekkere hapjes gunt en soms met haar snavel niet alleen haar eigen verenpak glad strijkt.
‘Denk je niet dat Dora een haantje verdient die Kees heet?’

Onvoorstelbaar hoe warm een houten bankje aan kan voelen, hoe een zomers briesje kippenvel geeft, hoe oorverdovend een serie klokken in je hoofd kunnen luiden en hoe vervelend het is als je je in niets verslikt.
Ze wacht tot hij klaar is met hoesten. Dan pakt ze zijn hand en zegt:
‘Kom vanavond naar mijn huis. Niet langslopen dit keer maar aanbellen. Ik zorg voor koffie met een lekker plakje cake en dan gaan wij eens praten. Goed?’
Kees kan alleen maar knikken en zwijgend gaan ze weer naar binnen. Ze pakt haar eieren en als ze naar buiten stapt zoent ze zijn wang en zegt:
‘Dag haantje. Tot vanavond.’

De hond weet niet waar hij de twee rauwe eieren aan verdient heeft die door zijn voer zijn geroerd en de kippetjes zien voor het eerst geen slablaadjes maar een hele krop die Kees zomaar uit de moestuin getrokken heeft. Liefde verandert een kolkende stroom in een kabbelend beekje of andersom. Zeker is dat het rare dingen met mensen doet.

 

©peter gortworst / nov. 2018

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Daarom

 

Wanneer de kinderen de deur uit zijn en zelden nog van zich laten horen, het werk een wekelijkse en maandelijkse routine heeft zonder uitdagingen, de hond ’s avonds om precies kwart over tien zelf klaar gaat staan voor het laatste rondje en de zin ‘Kom vrouw, we gaan naar bed’ net zo vanzelfsprekend is als de klok die elf uur slaat, de nachtzoen een standvastige vluchtigheid heeft en je vermoeid van niets in slaap valt, dan kan je spreken van een sleur.

Er is nog weinig wat hem raakt. De zoveelste orkaan, vloedgolf, idiote uitspraken van die Amerikaanse president of hun eigen ministers, bombardementen in Syrië, meisjes die slachtoffer zijn van een groepsverkrachting, de opwarming van de aarde of de plastic soep in de oceanen…. het doet hem niets. Met een lege blik staart hij naar de tv en bedenkt dat hij het meeste wel eens heeft gezien. Alles is zo onuitsprekelijk vermoeiend. Er is niets nieuws onder de zon.

Tot deze vrijdagavond. Onderuit gezakt hangt hij in zijn stoel als langzaam, zonder aanwijsbare reden, ‘gedachten’ door zijn hoofd beginnen te waren. Niet plotseling maar langzaam als een opkomende zon. Eerst een heel dun streepje licht en langzaam wordt het meer en meer. Deze ‘gedachten’ worden niet geboren uit het negatieve ‘is dit nu alles?’ Het is eerder een ‘ik ga het anders doen’ en zo begint hij, zonder het zelf te beseffen, vanuit, wat zo netjes heet, een positieve grondhouding. Of de oorzaak in de hormonen gezocht moet worden, weet hij niet. Zijn kennis van het menselijke lichaam gaat niet veel verder dan het benoemen van de verschillende ledematen en een paar organen. Het zouden dus best hormonen kunnen zijn maar werken die bij een man net zo als bij een vrouw? Vooralsnog heeft hij geen behoefte om opvallend lang iets in de koeling van de supermarkt te zoeken dus het zal zich wel anders manifesteren. Aan de cabrio, grote motor en een jonge vrouw denkt hij niet. Veel te veel gedoe maar dat zijn leven op de schop moet is hem wel duidelijk.

Het hele weekend heeft hij na lopen denken over dat ‘op de schop moeten’ en wonderlijk genoeg werd de sleutel hem aangereikt door een klein jongetje in de supermarkt. Het zit in het metalen rekje van de al behoorlijk gevulde kar.
‘Zo, nu de koffie nog,’ hoort hij de moeder zeggen.
‘Waarom?’ vraagt het ventje.
‘Omdat het bijna op is.’
‘Waarom?’
‘Omdat pappa en mamma graag koffie drinken.’
‘Waarom?’
‘Omdat we dat lekker vinden.’
‘Waarom?’
‘Ja,…..Daarom!’ zegt ze met een zucht.

Hij kan zich de irritatie van die moeder goed voorstellen maar de vragen van dat jochie intrigeerden hem. Voor zo’n kind is niets vanzelfsprekend. Alles is nieuw en met die nieuwsgierigheid die vrijwel alle kinderen gemeen hebben, ontdekken ze hun wereld. Zij ervaren hun leven niet als een sleur omdat er elke dag, en misschien wel elk moment van de dag, iets nieuws valt te leren of te ontdekken. Hij vraagt zich af wanneer deze onbevangen nieuwsgierigheid stopt en of het niet beter zou zijn er helemaal niet mee te stoppen. Waarom zou je als volwassene niet dezelfde vragen kunnen stellen? Hij wil ook weer ontdekken, niets als vanzelfsprekend aannemen, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn en als proef op de som probeert hij het op zichzelf uit:

‘Ik adem.’
‘Waarom?’
‘Om te kunnen leven.’
‘Waarom?’

Daar moet hij even over nadenken en dat alleen is al bewijs genoeg. Grote woorden als zingeving en levensbestemming waren rond in zijn hersenpan. Zie je wel! Zonder de vragen naar het waarom was hij hier nooit opgekomen. Een antwoord heeft hij niet maar dat is een kwestie van tijd.

Zijn eerste dag als nieuw mens en de eerste werkdag. Hij wil net aan zijn eerste taak beginnen als zijn vrouw belt:
‘Was er vanmorgen iets mis met de havermout?’
‘Nee, waarom?’
‘Je hebt je havermout niet gegeten.’
‘Klopt. Ik heb mij afgevraagd waarom ik dat elke morgen eet en ik kon daar geen goed antwoord op geven. Ik heb toen een eitje gebakken en met een plak ham op een boterham gedaan. Dat was lekker.’
‘O…… nou….. dan is het goed.’
‘Tot vanavond schat.’
Hij drukt haar weg en ziet natuurlijk niet dat zij met enige verbijstering naar haar telefoon kijkt. Schat? Wanneer heeft hij dat voor het laatst gezegd?

Langzaam, als een brandlucht die door steeds meer mensen wordt geroken, verandert de sfeer op de afdeling. De meest saaie piet is een raar mens geworden en niemand heeft enig idee wat er mee of aan gedaan moet worden. Bij de koffieautomaat is hij al meer dan een week het gesprek van de dag. Paulien is zelfs oprecht boos op hem. Toen ze twee zoetjes in haar koffie liet vallen, had hij gevraagd waarom ze dat deed. Ze had geantwoord dat ze op haar lijn moest letten en toen had hij gewaagd op te merken dat een vrouw met wat vlees op de botten beslist niet minder aantrekkelijk was. Ongehoord natuurlijk. Iedereen weet toch van haar harde maar succesvolle strijd tegen haar overgewicht?
Fred heeft het helemaal met hem gehad. Dodelijk nerveus is hij geworden van die stomme waaromvragen. In het begin heeft hij nog welwillend antwoorden gegeven maar op een bepaald moment werd het te gek. Hij is zelfs naar buiten gevlucht en zich bij de rokers in de fietsenstalling gemeld. Dit moet zo niet doorgaan want anders begint hij straks zelf weer te roken.

Buiten hem om heeft de afdeling twee man afgevaardigd om verhaal te halen bij de directie. Is deze saaie piet misschien door de directie geïnstrueerd om op onorthodoxe wijze ieders functioneren te beoordelen? Als de afgevaardigden terugkeren van hun missie wordt de totale onwetendheid die de directie ten toon spreidde natuurlijk amper geloofd en daarmee is de akker van achterdocht flink bemest.

Zelf is hij zich van geen kwaad bewust. De kwade, bevreemde, achterdochtige en angstige blikken ontgaan hem evenals de ontwijkende of zelfs vluchtende bewegingen die men maakt zodra hij zich uit zijn bureaustoel verheft. Dat is niets nieuws. Je ziet het wel vaker. Als eigen gewin of geluk in het geding is en de focus uitsluitend daarop gericht, heeft men vaak geen oog voor het grote of kleine leed dat men anderen daarmee aan doet. Nu is, al of niet gedwongen, op zoek gaan naar een andere baan, een lastige maar veelal niet onoverkomelijke hindernis. Ook voor hem zal dit niet al te lang meer duren daar de brandbrief, ondertekend door het voltallige personeel, een niet weg te poetsen indruk op de leidinggevenden heeft gemaakt.

Voor hem is echter het ‘thuisfront’ veel belangrijker. Zijn min of meer achteloos uitgesproken ‘schat’ bleek het scheutje petroleum te zijn wat het langzaam uitdovende vuurtje nodig had. Het duurt een paar dagen maar dan durft zijn vrouw hem, ’s avonds in de echtelijke sponde, te vragen of hij nog van haar houdt. Bijna automatisch en achteloos antwoordt hij:
‘Ja, natuurlijk.’
Gelukkig. Zijn nieuwe levensinstelling heeft hem geleerd het hier niet bij te laten.
‘Houd je ook van mij?’ vraagt hij.
‘Ja.’
‘Waarom?’
Na een korte pauze komt het verlossende antwoord:
‘Ja, gewoon………. daarom.’
En als ze vervolgens, net als de moeder in de supermarkt, een diepe zucht laat horen, kruipt hij, als een kind zo blij, lekker tegen haar aan.

 

© peter gortworst / okt 2018 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Stofdoek

 

Het knetterende geluid van zijn bromfiets is door het open raam al van ver te horen. Ze zet zich bijna letterlijk schrap tegen wat weer komen zal: de minachting, de onredelijkheid en het verzet tegen haar aanwezigheid. De veronderstelling van haar nieuwe vriend, dat het na een periode van gewenning best wel goed zal gaan, is alles behalve waar gebleken. Haar aanwezigheid wordt door deze jongste zoon beslist niet op prijs gesteld en te pas en te onpas laat hij dat blijken. Ze heeft geprobeerd er boven te staan, normaal te doen, te praten om vooral hem te laten praten maar niets heeft geholpen.

Ze zet zich aan de keukentafel met twee kopjes thee. Achter het huis komt de brommer tot stilstand. De deur van de bijkeuken gaat open en ze hoort de plof van de helm op de vriezer. Als de keukendeur opengaat kijkt ze hem aan. Hij ontwijkt haar blik.
‘Ik heb net thee gezet. Wil je ook een kopje?’ vraagt ze.
‘Mens, doe normaal!’ en met grote stappen verdwijnt hij naar boven.

Het duurt maar even voor hij met een knetterende vloek de trap afstormt.
‘Je bent in mijn kamer geweest!’ schreeuwt hij met een bijna overslaande stem.
‘Ja, ik heb even het wasgoed op je bed gelegd. Het is schoon en gestreken.’
‘Jij hebt niets in mijn kamer te zoeken! Het is mijn kamer! Hoor je dat? Mijn kamer!’
‘Ik hoor je maar het leek mij heel normaal om je kleren te wassen, te strijken en op je bed te leggen.’
‘Het kan mij niet schelen wat jij normaal vindt. Mijn echte moeder zou zoiets nooit doen. Die wist donders goed dat ze daar niets te zoeken had. Dát is normaal. Jij bent mijn moeder niet. Niets, helemaal niets in dit huis is van jou. Het enige wat je blijkbaar goed kan is mijn vader neuken. Prima maar laat mij daarbuiten!’

Het is de druppel in de bekende emmer. Ze schiet vol en het lukt haar niet om haar ogen droog te houden. Weg is de sterke vrouw die met redelijkheid de problemen probeert op te lossen. Ze wendt zich af en scheurt een vel van de keukenrol. Dat hij zichtbaar schrikt van zijn eigen woorden en de nieuwe situatie ontgaat haar daardoor. Ze hoort alleen zijn voetstappen op de trap.

Ze drinkt haar thee en wacht tot er een half uur verstreken is. Dan staat ze op en gaat naar boven. Ze klopt zacht op de deur van zijn kamer.
‘Ja?’ klinkt het gedempt.
‘Ik wil even binnenkomen om wat te vertellen,’ zegt ze.
De deur gaat open en ze ziet een knul die even niet meer stoer doet. Ze ziet zijn rode ogen. De ogen van een kind.
Hij gaat op zijn bureaustoel zitten en zij zet zich op de rand van het bed. Dan vertelt ze in de wetenschap dat in haar zwakte de grootste kracht licht. Ze vertelt van haar eigen huwelijk wat fout liep omdat zij geen kinderen kon krijgen. Dat ze afgedankt werd als een kapotte stofzuiger en nee, hij heeft gelijk: niets in dit huis is van haar omdat ze domweg niets had. Over de ontmoeting met zijn vader die haar accepteert zoals ze is en haar eigenwaarde hielp te hervinden. Die moeite heeft om zijn gevoelens kenbaar te maken, dat nooit geleerd heeft en het daarom ook niet door kan geven. Over de blijdschap die ze voelde toen bleek dat hij nog thuis woont en haar wil om hem te leren kennen, te leren van zijn leefwereld en vooral hem gelukkig te zien. Over haar wetenschap van het alcoholprobleem van zijn moeder, het verdriet dat dit nog steeds geeft en dat juist deze wetenschap haar motiveert om dit gezin gelukkiger tijden te laten beleven. Over dat ze heel goed weet dat zij zijn moeder niet is. Dit ook niet wil en kan zijn maar desondanks toch voor hem wil zorgen. Over de genegenheid die er tussen hen nog niet is maar wel zou kunnen komen

Hij zit in zijn stoel. Een beetje krom en starend naar de grond.
‘Net zijn vader,’ denkt ze, ‘En net zo stil.’
Ze laat de stilte voortduren en wacht.

‘En nu?’ vraagt hij dan.
‘Ik blijf’.
Hij knikt zachtjes.
‘Vind je het wel goed dat ik een beetje voor je zorg? Je hoeft niet alles alleen te doen. Ik kan meer dan alleen je vader neuken,’ zegt ze met een glimlach.
Geschrokken kijkt hij haar aan.
‘Sorry,’ zegt hij, ‘Had ik niet mogen zeggen.’
‘Ik ben het vanaf nu ook al vergeten.’
Ze staat op en loopt naar de badkamer. Uit de kast vist ze een pakje papieren zakdoekjes, opent het en neemt er één uit.
‘Hier,’ zegt ze, ‘Voor een snotneus.’
Hij grijnst.
‘Zal ik je even een stofdoek komen brengen om af te stoffen?’
‘Doe ik straks zelf wel.’

Als ze in de keuken staat om het avondeten te koken komt hij bij haar staan.
‘Waar vind ik een stofdoek, Marian?’
Ze wijst hem het mandje en bijna jubelend zegt ze:
‘Neem de blauwe, Mark, dat is de schoonste.’
Hij heeft haar bij haar naam genoemd!

 

© peter gortworst / sept 2018
foto: depositphotos.com 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 9 reacties

Kijken

 

De wandeling is lang. Zelfs de hond, normaal de energie zelve, is aan het sjokken geslagen. De uitspanning met terras aan het water is daarom een welkome gelegenheid om de moede voeten tot rust te laten komen. In een hoekje van het terras is nog een tafeltje vrij en na de kaart bestudeert te hebben leunt hij met een diepe zucht achterover. Als de serveerster komt en zijn bestelling opneemt, vraagt ze of de hond misschien wat water wil. Hij is blij verrast met deze attente vraag en als de bak met water voor de hond wordt neergezet, blijkt ook zij deze verzorging te waarderen.

Het is druk op deze zomerse dag. Hoewel het een gewone doordeweekse dag is en de schoolvakanties al weer voorbij zijn, is het hier vol. Veel ouderen die, getuige het aantal gestalde fietsen, het mooie weer gebruiken voor een dagje uit, drie heren in pak met een stapel papieren op tafel, een jong en overduidelijk verliefd stelletje en een vrouw alleen. Zij zit vier tafeltjes verder.

Zijn bestelling wordt gebracht en genietend van het koele vocht, volgt hij het binnenvaartschip wat stroomopwaarts vaart. Als het zicht op de boot hem ontnomen wordt door de terrasbezoekers valt het hem plotseling op dat de vrouw, die alleen aan het tafeltje zit, naar hem kijkt. Hij kijkt even terug maar wendt dan zijn blik af. Hij is niet zo’n held die brutaal terug gaat kijken. Dit soort vrouwelijke belangstelling maakt hem eerder onzeker. Zo onopvallend mogelijk controleert hij zijn uiterlijk. De gulp is dicht, er zit geen broekspijp per ongeluk in zijn sok, de schoenveters zitten vast en met een veeg door zijn haar stelt hij vast dat er geen takje of grasspriet in is blijven hangen. Een blik op de hond die onder te tafel is gaan liggen, vertelt hem dat ook daar alles is zoals het moet zijn. Schijnbaar willekeurig laat hij zijn blik dwalen en weer treft deze, de nog steeds naar hem kijkende, vrouw.

Hij neemt een slok en over de rand van het glas kijkt hij even naar haar. Ze zal ongeveer zijn leeftijd zijn. Ze is slank, mooi gebruind, donkerblond en casual gekleed.
Hij weet niet wat hij moet doen. Als hij zich een kwartslag draait valt dat natuurlijk op en als hij dan wil controleren of ze nog steeds naar hem kijkt ligt dat er helemaal duimendik bovenop. Misschien moet hij haar vriendelijk toeknikken en haar uitnodigen om bij hem aan het tafeltje te komen zitten. Maar wat als ze dan nee zegt en er misschien een scene van maakt? Toch maar zichzelf overwinnen en proberen glashard terug te kijken? Een ander tafeltje zoeken kan hij wel vergeten: het terras is vol. Hij weet het niet en daarom kiest hij ervoor om zijn gezicht op te heffen naar de zon, de ogen bijna te sluiten en door de kiertjes haar te bezien.

Ze heeft een hand onder haar kin gelegd en kijkt naar hem. Geen spoor van emotie. Geen lach en geen boze of onderzoekende blik. De term ‘uitdrukkingsloos’ schiet hem door het hoofd. Is zij iemand uit een ver verleden die hij zou moeten kennen? Lijkt hij op iemand die zij misschien kent? Een verstorven geliefde of familielid? De onzekerheid gaat met zijn gedachten op de loop. Hij schudt zijn kop, opent de ogen en richt zijn aandacht op de hond. Het beest is blij met die aandacht en gaat staan. Meer dan gewillig laat zij zich het aaien welgevallen. Misschien doet die vrouw het wel om hem te pesten? Of zou het om de hond gaan? Hij laat de hond de hond en als de serveerster zijn kant opkijkt bestelt hij nog wat te drinken. Hij rekent gelijk af zodat hij weg kan wanneer het hem uitkomt. De serveerster staat nu bij de vrouw. Ook zij rekent af en ook zij blijft nog zitten en nog steeds kijkt ze. Wanneer hij het glas naar zijn mond brengt merkt hij dat zijn hand trilt. Hij schrikt van zichzelf. Een kijkende vrouw doet hem meer dan hij dacht. Raar eigenlijk. Normaal is hij de spontaniteit zelve, legt makkelijk contacten en is zeker niet beducht om wat anderen over hem denken. Hij neemt zich voor om straks, als hij weg gaat, op haar af te stappen en te vragen waarom zij zo naar hem kijkt. Dat durft hij best.

Het glas is leeg en hoezeer hij het ook durft, er is wat tijd nodig om alle moed bij elkaar te rapen. Net als hij wilt gaan staan komt ook de vrouw overeind. Omdat hij de hond nog los moet maken is zij al onderweg naar de uitgang. Voor het etablissement ziet hij dat ze haar fiets van het slot haalt. Als ze opstapt kijkt ze hem, met een kleine glimlach om haar lippen, nog even aan. Dan fietst ze weg in de richting waaruit hij kwam. Ze kijkt nog een keer om en steekt als groet haar arm omhoog.

In vertwijfeling ziet hij haar gaan. De moede voeten zijn morgen voorbij. De vrouw zal nog weken door zijn hoofd spoken.

 

© peter gortworst / sept 2018

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties