De alpenweide in Friesland

Het is de bus van lijn 5. De oude vertrouwde blauwe bus. Harde oncomfortabele bankjes met rode leren zittingen. Hoofdsteunen hadden ze toen nog niet. Elke morgen afgeladen vol en ’s winters, als je heel veel geluk had, vond je het zitplaatsje waarbij je de koude voeten voor de uitblaasopening van de kachel kon houden. Als je het Centraal Station uitkwam was daar rechts de standplaats van lijn 5. Via de Gelderse kade, de Jodenbreestraat, het Weesperplein en de Wiboutstraat reed hij naar het Amstelstation. Nu niet. Nu rijdt hij door het vlakke Friesland. Prachtige wolkenluchten en een eindeloze horizon. Viaducten en terpen zijn de enige verhogingen in dit platte land. Af en toe een meer met een enkel wit zeil, kop-hals-romp boerderijen, zwart-witte koeien in de weilanden en een overdaad aan rust. Schuin voor mij zit een jonge vrouw. Zwart haar dat in een vlecht op haar rug hangt. Aan weerszijden van de vlecht is een stukje nek zichtbaar. Het is een prachtige nek. Sterk, lang en donker getint. Een nek om verliefd op te worden en dat doe ik dan ook. Ik zou mijn vingers er over willen laten glijden. Voelen hoe zacht de huid is en hoe warm en zachtjes kroelen in de nekhaartjes. Dat doe je natuurlijk niet. Dat hoort niet zo maar er een beetje over dromen mag wel.

Ze drukt op het knopje en voorin gaat er een rood lampje branden. De bus stopt bij de halte en ze stap uit. Ik ook. Waarom ik dat doe weet ik niet. Ik ben nog lang niet waar ik wezen moet maar ik wil bij haar zijn. Ze kijkt naar mij. Voor het eerst zie ik haar gezicht en wat mij direct opvalt zijn haar helblauwe ogen. In een donker getint gezicht had ik die niet verwacht. Met een glimlach die mij laat smelten zegt ze:
‘Kom,’ en we gaan op weg.
Zij loopt voorop en ik kan genieten van een dansende vlecht die telkens een beetje zicht geeft op haar nek. We spreken geen woord met elkaar. Naast elkaar lopen is niet verstandig. Het pad is te smal. Rechts de steile bergwand en links een diepe afgrond. Het uitzicht is, wat ze noemen, feeëriek. Beneden in het ravijn slingert een rivier. Het water glinstert in de zon. Hoge bergtoppen omringen ons en heel duidelijk is de boomgrens te zien. Wij zitten daarboven.

Het pad wordt moeilijker begaanbaar. Zij hupt als een berggeit van de ene steen op de andere. Ik ben dat niet gewend. Laat mij voort baggeren in de zuigende zware klei van de polders. Daar kan ik uit de voeten. Dit is, in meerdere opzichten, onbekend terrein voor mij en moet daarom de plaatsing van mijn voeten alle aandacht geven.

Plotseling staat ze stil. Als ik langs haar heen kijk, zie ik waarom ze halt houdt. Op het pad staat een heuse wolf. Die Friezen zijn te laat geweest met dat hek, schiet het door mij heen. De wolf is er al. Ze maakt klokkende en klikkende geluidjes en loopt op de wolf af. Het beest draait zich om en gaat ons voor. Hoe lang we zo gelopen hebben weet ik niet meer. Ik weet wel dat we ineens op een soort alpenweide staan. Redelijk in het midden staat een nagelnieuwe caravan. ‘Münsterland’ staat er op de zijkant. Het ding glimt in de zon. Ze roept iets en door het smalle deurtje wurmt zich een man naar buiten. Woeste haren op zijn kop en zijn baard doet daar niet voor onder. Hij draagt een pantervel. Zijn armen en blote benen zijn bovenmatig gespierd. Mij verontrust echter de knuppel die hij in zijn handen houdt. Een honkbalknuppel van aluminium. Het gekke is dat al deze contrasten mij niet verwonderlijk voorkomen. Misschien moet ik er over nadenken als ik daar de tijd voor heb.

De man zet met een handomdraai een campingtafeltje onder de luifel. Met een armgebaar maakt hij duidelijk dat ik moet komen en zet ondertussen twee stoelen klaar. Hij bromt iets door de deuropening en even later komt daar een vrouw uit. Een, als je het netjes wil zeggen, volslanke vrouw in een badpak wat een maatje te klein is. Het teveel aan vlees stulpt bij de randen van het badpak naar buiten. Ze zet twee flesjes bier op het tafeltje. Het is Guinness en dat doet mij buitengewoon veel plezier. Mooie herinneringen aan Dublin vullen mijn gedachten. De man wil toasten en drinken. Verder zegt hij geen woord. Dat hoeft ook niet. Samen drinken verbroederd en dat is mooi.

Ik kijk om mij heen en mis de vrouw met de mooie nek. Ook de wolf is in geen velden of wegen te zien. Ik sta op en loop om de caravan heen. Aan de rand van de weide zit ze. De wolf ligt naast haar. De weide loopt daar vrij steil af en voorzichtig loop ik naar haar toe. Dan glijden mijn klompen uit op het natte gras. Als een skiër zonder lange latten glij ik naar beneden. Rakelings glij ik langs de vrouw maar ze steekt geen hand uit. Ik weet dat de afgrond de volgende halte is en weet niets beter te doen dan mij te laten vallen. Dat haalt de vaart er niet uit. Ik probeer mij vast te klauwen aan het gras maar ook dat mislukt. De paniek slaat toe en dan steekt er iets in mijn oor.

‘Achtendertigvijf,’ hoor ik iemand zeggen. Ik open mijn ogen en zie mijn zuster met een brede glimlach naar mij kijken. De oorthermometer heeft ze nog in haar hand.
‘We gaan vooruit,’ zegt ze monter, ‘Voel je je goed?’
Ik knik. Veel anders kan ik even niet doen. Ik kijk naar dat mooie donkere gezicht met die blauwe ogen. De vlecht die haar sterke lange nek bedekt. Ik kan zo’n prachtige vrouw het toch niet kwalijk nemen dat ze mij, daar op die alpenweide in Friesland, niet even vast gepakt heeft?

© peter gortworst / feb. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Stapjes in de sneeuw

Het zou best eens een fobie kunnen zijn. Zeker weten doet hij het niet. In het lijstje met fobieën heeft hij het nog niet kunnen vinden en dat maakt hem uniek. Dat bevalt hem. Uniek zijn en doen, is het mooiste wat hem kan overkomen.

Dat heeft hij altijd al gehad. Als kleine jongen geeft lopen door vers gevallen sneeuw hem een euforisch gevoel. Maagdelijk witte sneeuw die knerpt onder je schoenen. Hier heeft nog niemand gelopen. Alleen zijn voetstappen zijn zichtbaar. Iedereen die na hem komt, loopt in al betreden sneeuw. Zij zijn niet de eerste omdat hij zijn sporen daar al zette.
Hetzelfde heeft hij aan het strand. Gladde stukken zand die hij als eerste markeert met zijn voetstappen. Hij maakt gewone voetstappen, loopt een stukje op zijn tenen of wijdbeens en als hij zich omdraait om zijn sporen te bezien, vult het hem met voldoening. Zijn voetstappen staan hier als eerste en enige. Dat telt.
Zijn kleding kiest hij zorgvuldig uit. Het moet beslist niets met de gangbare mode van doen hebben. Dat het hem een opvallende verschijning maakt is juist goed. Zo vaak zie je niet een man lopen met een knickerbocker, geruite lange sokken en bruine veterschoenen. Dat men hem nakijkt als een bijzonder mens is mooi meegenomen maar in wezen gaat het hem daar niet om. Het gaat hem om zichzelf. Hij haat het als het hem niet lukt om de eerste en enige te zijn en dat gaat ver.

Op een feestje wil hij best een colaatje drinken maar alleen als de fles nog niet open is geweest. Als het bord met lekkere hapjes rond gaat neemt hij niets wanneer hij niet de eerste is. Chips uit een schaaltje laat hij, om dezelfde reden, staan. Een biertje drinkt hij uit een flesje. Nooit van de tap want hoeveel hebben er voor hem al een biertje uit dat vat getapt? Verjaardagstaarten laat hij staan. Het eerste stuk is immers voor de jarige en daarmee voldoet de taart niet meer aan zijn voorwaarde. Eén maal per jaar is hij echter de gelukkige. Hij krijgt het eerste stuk en dat is dan genieten met een hoofdletter.

Deze dwang maakt zijn leven niet eenvoudig en ook voor zijn naasten is de omgang met hem lastig. Zijn moeder wist hoe met hem om te gaan. Zijn bord werd als eerste vol geschept, het pak vla mocht hij zelf open maken en in zijn kommetje schenken. Hetzelfde met de koekjes maar was het eenmaal open en hadden anderen er ook van gegeten dan raakte hij met geen vinger meer aan.

Kunstenaar wil hij worden. Het enige beroep waar je uniek in kan zijn. Helaas wordt je daar niet rijk van. Integendeel zelfs. Het kost hem geld want verf, schilderdoeken, klei, gereedschappen, marmer, hout of een schilderezel zijn niet gratis. Op zich is dat niet erg mits je jouw kunstwerken kan verkopen. Dat lukt hem niet. Niemand zit te wachten op iets wat een Dali, Picasso of Appel qua abstractie verre overtreft. Noodgedwongen moet hij elders zijn geld verdienen. Het zijn niet de twaalf ambachten en dertien ongelukken. Het zijn de twaalf ambachten en dertien zich niet kunnen conformeren. Het is slecht kleding verkopen als je er zelf beslist niet modieus bijloopt. Verkoper zijn van radio’s en tv’s geeft weinig ruimte voor unieke verkoopmethodes en ook het maken van opzienbarende belegde broodjes wordt niet op prijs gesteld. Nergens kan hij aarden en de schuld ligt niet bij hem. Waarom zien anderen niet zijn unieke persoonlijkheid? Hij heeft toch ook recht van leven op een manier die hem goeddunkt?

Zo langzamerhand dringt bij hem het besef door dat zijn leven in kommer en kwel geleefd moet worden. Tot hij een maand geleden Irene tegen het lijf liep. Een meisje naar zijn hart. Ook zij heeft maling aan mode, weet zich uniek en leeft als kunstenares in haar eigen atelier. Hij valt als een blok voor haar en tot zijn grote verbazing is dat wederzijds. Ze bewonderen elkaars werk en voeren lange gesprekken over inspiratie en onafhankelijk zijn. Het zich losweken uit de maatschappij met alle ge- en verboden en hoe hoort het eigenlijk, is een favoriet onderwerp. Ook zij heeft slechte ervaringen met niet geaccepteerd worden, met een buitenbeentje zijn. Zij heeft haar draai gevonden. Wat zij in haar atelier maakt, wordt verkocht en dat geeft haar vrijheid. Wat hij nooit heeft durven dromen kan met haar zomaar werkelijkheid worden: een samenwerking van twee bijzondere geesten.

Tot gisteravond. Het begon zo mooi. Hij had een fles wijn meegenomen en zelf het eerste glas volgeschonken. De temperatuur was aangenaam, de sfeer zwoel en de kleding luchtig. Wat de aanleiding was voor haar vernietigende mededeling weet hij niet meer. Ze maakte hem duidelijk dat hij niet de eerste was die met haar ging vrijen. Hij verstarde en zonder een woord te zeggen is hij vertrokken. En nu, the morning after, zit hij op de rand van zijn bed en weet het niet meer. De maagdelijke witte sneeuw waarin hij zijn eerste voetstappen zou zetten, is bezoedeld. Dit kan nooit meer ongedaan gemaakt worden. Anderen zijn hem voorgegaan en dat is onverteerbaar.

Hij belt Irene en netjes laat hij weten dat het over en uit is. Hij stapt op zijn fiets en gaat de stad in. Ergens moet er een baan zijn die bij hem past. Ergens moet er een vrouw zijn die dat ook doet. Zo bijzonder is dat niet.

© peter gortworst / feb. 2021
Afbeelding: nos.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De zwangere man -3-

Ongelovig keek ze hem aan.
Hm… t.t. … Haha! Is gelovig kijken beter?

Met ogen vol ongeloof kijkt ze hem aan.
Hm…

Ongelofelijk, denk ze en kijkt naar hem
Nnneu…

Met ogen vol ongeloof kijkt ze naar hem.
Hm…

Toch … hem aan?
Weet niet…

Niet te geloven, denkt ze terwijl ze hem aankijkt.
Nee.

Ze kijkt naar hem en kan het niet geloven.
Hm. Tja…

Ze kijkt hem met ongeloof aan.
Nou?

‘Ik kan het niet geloven,’ zegt ze terwijl ze hem aankijkt…. als ze hem aankijkt.
Twee keer ‘ze’… en ‘terwijl’?

…hem aankijkend?
Nee!

Deze?

Ze kijkt hem ongelovig aan?
Jein. Laat dit maar even zo staan. Volgende zin.

Zo onopvallend mogelijk doet hij alsof hij niets in de gaten heeft.
Pardon?

De ervaren schrijvers onder ons kennen, als het goed is, de overwegingen die gemaakt moeten worden bij het schrijven van een tekst. Weinigen schrijven alle zinnen in ene keer goed. Natuurlijk, niet elke zin behoefd verbetering. Je ervaring met het schrijven heeft je een eigen schrijfstijl opgeleverd en daar kom je een heel eind mee.

Dit is het 245ste schrijfseltje op mijn blog en wanneer ik mijn eerste verhaaltjes nog eens lees, kan ik niet anders dan concluderen dat ik er op vooruit ben gegaan. Niet dat ik er ben. Als ik voor mijzelf mag spreken: ik denk dat ik er nooit kom. Opschrijven wat in mijn grijze brein ontstaat, moet voor de lezer duidelijk zijn en dat is het soms niet. Van een ingewijde weet ik dat ‘in tongen spreken’ zinloos wordt als er niemand is die het ‘vertalen’ kan. Mijn geschreven woorden moeten dus duidelijk zijn en geen raadsels opleveren. Aan dat ‘in tongen spreken’ doen we hier niet.

In het verhaal, de inhoud, mogen wel raadsels opgeworpen worden. Lezers vinden dat leuk. Het maakt een verhaal spannend. De oplossing geef je natuurlijk pas aan het eind van het verhaal. Soms panklaar en soms als een duidelijke suggestie. Het moet, hoe dan ook, als een ‘aha erlebnis’ ervaren worden. En juist daar zit de moeilijkheid. Mijn lezers zijn beslist niet dom maar bij welk raadsel haakt hij of zij af omdat het verhaal zo raadselachtig, onnavolgbaar en onleesbaar is? In een kort verhaal is dit meestal geen probleem maar in een boek?
Ik weet niet hoe vaak ik de teksten al gelezen heb. Honderden keren denk ik. De ene keer met een helicopterblik, de andere keer met mijn neus tussen de letters en nog maken mijn geliefde proeflezers mij, naast zaken als overbodige zinnen, onlogische handelingen of regelrechte fouten in de tijdlijnen, attent op te raadselachtig, te cryptisch geschrijf.

Afgelopen week heel erg praktisch aan de gang geweest: foto’s gemaakt bij een houthandel voor de kaft van het boek. Wilde de beelden niet van het internet plukken want stel dat het boek een bestseller wordt en de fotograaf zijn foto herkent. Dan kan ik de aankoop van een villa in Zuid Frankrijk wel vergeten.

© peter gortworst / feb. 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

De zwangere man -2-

In mijn laatste epistel heb ik over de op handen zijnde geboorte van mijn boek geschreven. Een kind dat je al slapeloze nachten bezorgd voordat het geboren is. Wat zich niet zelf vormt tot wat het zou moeten zijn en niet alleen maar recht van bestaan heeft omdat de schrijver dat nu eenmaal graag wil maar omdat het lezenswaardig moet zijn. Een spannend, arbeidsintensief maar ongekend leuk proces.

Nu ben ik een beginneling wat boeken schrijven betreft. Van meer ervaren schrijvers kreeg ik waardevolle tips. De meeste daarvan heb ik niet gebruikt. Eigenwijs ben ik namelijk ook en natuurlijk wreekt zich dat vroeg of laat.

Zo lopen er in mijn verhaal twee politiemannen rond. Leo en Sjef heb ik ze genoemd. Ik weet precies hoe ze er uit zien, hoe hun onderlinge verstandhouding is en wat hun rol binnen het politieapparaat is. Vanuit die kennis schrijf ik hun aandeel in het verhaal en daar gaat het mis. Nergens deel ik mijn kennis over deze twee mannen met de lezer en dat is niet goed. Het is alsof je een vreemde tegenkomt die een heel verhaal begint over zijn tante Marietje terwijl jij geen idee hebt wie die man en wie die tante is. Je blijft in raadselen achter.

Dezelfde fout maakte ik met gebeurtenissen. Wel weten wat er heeft plaatsgevonden maar het niet opschrijven en dan verbaasd zijn dat een proeflezer het niet kan volgen. Voor mij zo klaar als een klontje maar de ander tast in het duister.

Eén ding weet ik inmiddels wel. Proeflezers zijn goud waard! Op dit moment is er een lezeres bezig die mij met regelmaat een paar gelezen hoofdstukjes stuurt met op en aanmerkingen. Dat varieert van foute deetjes of teetjes, overbodige zinnen tot opmerkingen over iets wat helemaal niet kan en meer inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld die Leo en Sjef. Elke correctie is een verbetering en juichend open ik elke keer mijn box als ze weer geschreven heeft. Gelukkig staan er ook hele stukken tekst waarin geen correcties aangebracht zijn. Doe ik toch ook wat dingen goed.

‘Nee joh, maak je geen zorgen over de titel van je boek. Die komt vanzelf als het klaar is.’ Ik hoor het hem nog zeggen. De werkelijkheid? Meer als honderd titels bedacht en geen van allen deugt. Er bestaan sites waar je kan zien of jouw titel al eens is gebruikt en ja, ze stonden er allemaal in. Een bestaande titel gebruiken als ‘de Aanslag’ ‘Turks Fruit’ of ‘Buitelingen’ kan natuurlijk niet. Wie ben ik om dergelijke titels boven mijn verhaal te zetten? Een unieke titel verzinnen is het devies en vooralsnog is dat niet eenvoudig.

Wat wel weer eenvoudig was? De flaptekst. De tekst die mensen nieuwsgierig moet maken en de aanzet moet zijn tot de koop van het boek, was in een vloek en een zucht geschreven. Misschien heeft dat te maken met mijn verbazing en nieuwsgierigheid. Ik weet niet hoe dat met andere schrijvers is maar af en toe verwonder ik mij over wat ik geschreven heb. Hoe verzin ik het? Waar komt die fantasie vandaan? Ik heb dat niet alleen bij mijn boek. Ook als ik een oud verhaaltje herlees, overkomt mij dat soms. Het is niet alleen wat ik schrijf maar ook hoe ik het schrijf. Ik ben mij er van bewust dat woorden, geschreven of gesproken, er toe doen. Dat wil niet zeggen dat ik alles weloverwogen uit mijn mond of vingers laat komen. Zeker niet maar op momenten dat het belangrijk is, doe ik het wel. Dat betaalt zich uit en dat lees ik dan ook in wat geschreven is.

Het is nu een rustige periode. Een tijd van wachten, een tijd om proeflezers rust te gunnen om dat te doen waarvoor ik ze gevraagd heb en een tijd om te herlezen, te herschrijven en te verbeteren. Dat ondertussen die titel en de lay-out mij bezig houden, moge duidelijk zijn.

© peter gortworst / januari 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , | 2 reacties

De zwangere man -1-

De oplettende lezer van dit blog heeft waarschijnlijk al een vermoeden. Er zijn enige ingewijden die het al zeker weten en mijn directe naasten leven hevig met mij mee. Het hoge woord moet er daarom maar eens uit: ik ben zwanger.

Zo. Nu weet iedereen het. Natuurlijk niet zwanger van een echte baby. Zo’n klein hummeltje met mini vingertjes, armpjes en beentjes die alleen maar huilt, drinkt, plast en poept. Naar mijn beste weten, maar 100% zeker weten doe ik het niet omdat het gekste heden ten dage niet gek genoeg kan zijn, is het biologisch niet mogelijk voor een man een mensenbaby te baren. Mijn kindje is anders. Het houdt mij al vele nachten lang wakker. Dat is onnatuurlijk omdat het nog geboren moet worden. Aan het hele maakproces bij een baby in de baarmoeder, komt geen mensenhand te pas. Het lichaam zorgt er zelf voor dat er geen armpje met een beentje wordt verwisseld of dat de ene hand alle vingertjes krijgt en de ander niets. Bij mijn kindje is dat wel anders. Zonder mijn bemoeienis wordt het niets. Alles moet ik zelf doen. Met dat ik deze laatste zin schrijf, bedenk ik dat dit niet helemaal waar is. Collega-schrijvers weten wat ik bedoel: verhalen schrijven soms zichzelf en ja, over schrijven gaat het. Mijn baby is een Boek.

Een collega-blogster heeft op haar welkom pagina staan: ‘Ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk wel dat ik het kan.’ ( https://machteldberkelmans.com/ ) Een mooi uitgangspunt en bovendien is daar MeinMoni. Zij weet zeker dat ik het kan en wie ben ik om haar tegen te spreken. Dus waarom niet, dacht ik. Ga gewoon beginnen en je ziet wel of het schip strandt.

Ergens in de diepe krochten van mijn computer zat een stuk tekst dat ik zo’n twaalf jaar geleden geschreven had. Het was één gebeurtenis. Een fantasie eigenlijk. Een ‘stel je nu eens voor dat…’ Ongeschikt voor een kort verhaal maar om daar een heel boek mee te vullen, zag ik ook niet zitten. Die fantasie zou ingebed moeten worden in een verhaal en zo ontstond gaandeweg een boek. Dat klinkt lekker kort maar zo was de werkelijkheid zeker niet. Er moesten logische handelingen verzonnen worden, personen geïntroduceerd, verhaallijnen bedacht, geschrapt of veranderd. Bewust dingen niet noemen en andere van wat extra accenten voorzien, tijdvakken op elkaar aan laten sluiten en tot het laatst toe niet weten wat er in de nog ontbrekende hoofdstukken kwam te staan. Het verhaal is anders geworden dan ik vooraf bedacht had. Mijn eerste hoofdpersoon is nog wel belangrijk maar niet meer dan dat. Een vrouw die ik terloops introduceerde is nu hoofdpersoon. Zelfs voor mij was dat een ontdekking. Een cadeau dat in mijn schoot geworpen werd.
Een aantal stukken in het boek hebben zichzelf geschreven en mijn brein was meer bezig met ‘nu doen ze dat’ en ‘straks gaat er dat gebeuren’. Ik was meer een notulist dan een verhalenverteller en dat kwam de leesbaarheid niet ten goede. Dat verbeteren was één van de vele hordes die genomen moesten worden. De ontdekking van een lijstje woorden die men zo weinig mogelijk moet gebruiken, was de volgende horde. Dat zijn woorden als ‘toen’ ‘soms’ ‘mogen’ ‘moeten’ ‘heel’ en nog 16 van dat soort. Gelukkig bestaat er een zoekfunctie die alle opgegeven woorden feilloos in de tekst vindt. Over de tijd die 20 keer de bijna 150 pagina’s doornemen en corrigeren kost, zullen we het maar niet hebben. Ook niet over het verkeerde gebruik van ‘wat’ en ‘dat’. (21ste keer)
Feit is dat mijn overbuurvrouw kort geleden kwam vragen of ik ’s nachts wel eens slaap. Met de verklaring dat mijn dag- en nachtritme etwas durch einander liep, nam ze genoegen. Ze kon moeilijk anders maar haar observaties waren juist. De afgelopen maanden ben ik eigenlijk alleen maar bezig geweest met dit kind. Midden in de nacht een idee krijgen en er dan ook nog uitgaan. Hoe bezeten kan je zijn? Voor mijn lezers die ooit zelf een boek het levenslicht hebben laten aanschouwen, zal dit herkenbaar zijn. Hen vertel ik niets nieuws. Voor mij is dit hele geboorteproces een ongekende ervaring waar ik overigens ten volle van geniet.

Research. Ook zo’n ding. Ik wacht nog op een mail van een houthandelaar, de Ierse kustwacht stuurde mij een stekelige mededeling dat ze uit tactische gronden mij geen gegevens mogen verstrekken, een brandweerman die per omgaande antwoordt, een kandidaat-notaris die een uitgebreid verhaal terugstuurt waarbij je bijna spijt voelt omdat je er zo weinig van gebruikt, en Schiphol die mij verwijst naar een site die ik allang gevonden had maar die niets meer mogen zeggen dan dat. Onschuldige vragen verworden tot staatsgevaarlijke geschriften. Pas op!! In Georgsdorf woont een potentiele terrorist!!

Wat een zegen is? Internet en Google Maps. Ik heb een diep respect gekregen voor alle schrijvers die vroeger met pen en papier hun boeken schreven. Die kwamen bovendien niet zo snel en gemakkelijk aan informatie en knippen en plakken was echt knippen en plakken.

En nu? Het wachten is op alle reacties van mijn proeflezers (wat ben ik die ontzettend dankbaar) en dan voor de 6888ste keer weer de hele tekst doornemen, veranderen, aanpassen of herschrijven. Elke reactie maakt mijn kind mooier. Is dat alles gedaan dan kan dit wicht naar een lieverd die alle deetjes en teetjes op hun plaats zet. Ja, ik ken mijn zwakheden en je wilt per slot van rekening geen gedrocht met 10 vingers aan één hand of een armpje of beentje wat niet op de goede plaats zit.

De negen maanden die menselijkerwijs tussen verwekking en geboorte zitten haal ik niet. Dat is niet erg. Er is niemand die mij dwingt. Wordt dit boek geen leesvoer wat je meeneemt op vakantie dan wordt het een sinterklaascadeau of ligt het onder de kerstboom.
Het schip is niet gestrand. Het dobbert voor de kust en de boeg wijst naar het open water. De optimist in mij zegt dat het wel goed komt. Wordt vervolgd dus.

© peter gortworst / januari 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Ik zag twee mensen.

Ik heb mijn mooiste pak aangedaan,
mijn lichtbruine schoenen met die harde, leren hakken.
Ik heb mij besprenkeld met de aftershave die we samen uitkozen.
Mijn haar zoals jij het graag ziet, gekamd in een eenvoudige slag.
Je raakt mijn gezicht aan om een haartje wat ik heb gemist, weg te nemen.
‘Laten we thuis blijven,’ zeg je, ‘Niet naar dat feest gaan.’
Je kust mijn hals en ik zeg: ‘Nee. We kunnen hen niet teleurstellen.

De avond is nu voorbij en ik weet niet wat ik moet doen.
Ik zag twee mensen die verliefd werden en één van hen was jij.

En nu liggen we een paar centimeters uit elkaar
Maar ik ervaar het als kilometers.
Ik voel dat er diep in mij iets dood gaat
als ik naar je kijk en die kleine glimlach rond je lippen zie.
De lucht is zwanger van dat wat we niet kunnen zeggen.
Ik wil mijn arm om je heen slaan
maar het een zucht draai je jouw rug naar mij toe.
In één avond is alles anders geworden.

Je hield mijn hand vast toen we op het feest kwamen.
Elk detail kan ik mij nog herinneren.
Met velen maakte ik weinig zeggende praatjes.
Jij was in gesprek met een man die ik niet kende.
Hij deed mij aan iemand denken: ik, zo’n tien jaar geleden.
Het feest liep ten einde en we moesten weg.
Maar na al die uren hing je nog steeds aan zijn lippen.
Wist je dat zijn hand lang op jouw arm lag?
Jij reed naar huis – of heb ik gereden?

De hele rit is in een waas aan mij voorbij gegaan.
Ik zag twee mensen die verliefd werden en één van hen was hij.

En nu liggen we een paar centimeters uit elkaar
Maar ik ervaar het als kilometers.
Ik voel dat er diep in mij iets dood gaat
als ik naar je kijk en die kleine glimlach rond je lippen zie.
De lucht is zwanger van dat wat we niet kunnen zeggen.
Ik wil mijn arm om je heen slaan
maar het een zucht draai je jouw rug naar mij toe.
Hoe wanhopig ik ook probeer mijzelf te overtuigen
dat we niet van elkaar vervreemd zijn:
in één avond is alles anders geworden.

Twee mensen liggen naast elkaar.
De ene slaapt bijna, de andere niet.
Die overdenkt elke toevallig gemaakte opmerking.
Het mooiste pak hangt voor de lichte kastdeur
en het lijkt een boosaardige geest
die de vergankelijkheid toont van dat waar we aan gehecht zijn.
De bruine schoenen zijn weer opgeborgen.
Die schop je niet zomaar in een hoek.
Als je het licht uit doet, krijg ik vreemd, kuise kus.
Afstandelijk bijna.
Ons liefdesnest, ons heiligdom voelt niet meer aan als thuis.

Ik zag twee mensen die verliefd werden en één van hen was jij.

En nu liegen we tegen elkaar….

Ik voel dat er diep in mij….

 De lucht is zwanger van dat wat we niet kunnen zeggen.

Hoe wanhopig ik ook probeer mijzelf te overtuigen….

In één avond is alles anders geworden.

28 dec 2020
Vrij vertaalt naar ‘I watched two people’
van Fascinating Aida.

Geplaatst in van alles... | Tags: , , | 1 reactie

De jager -2-

(een vervolg op het vorige verhaaltje)

Ome Tol zit met zijn vrouw aan de keukentafel. Henk komt binnen en merkt direct dat er iets aan de hand is.
‘De hond is dood,’ deelt ome Tol ongevraagd mee.
‘Oh?’
‘Ja. Hij moest een haas ophalen en plotseling zakt hij door zijn achterpoten. Hij jankte het uit. Lopen wilde niet meer en toen heb ik hem naar huis gedragen. Bij de dierenarts kwamen ze erachter dat hij nooit meer zou kunnen lopen. Iets met een zenuw in zijn ruggengraat. Toen hebben we hem maar laten inslapen. Ik wilde het dier niet langer laten lijden.’
‘Man. Wat een naar verhaal. Hoe lang had je de hond?’
‘Elf jaar. Ik heb hem als pup gekocht en zelf getraind als jachthond. We konden met elkaar lezen en schrijven.’
Zijn vrouw zet het eten op tafel. Gedurende de maaltijd laat Henk ome Tol verhalen vertellen over de hond. Voor de verwerking van verdriet is dat best een goed middel.

Na een maand is Henk weer terug. Hij wordt blaffend verwelkomd door een grote hond van onbestemd ras.
‘Max!’ commandeert ome Tol, ’Ga plaats!’
De hond luistert.
‘Braaf.’
‘Je nieuwe hond?’ vraagt Henk.
‘Ja.’
‘En?’
‘Ik weet het niet. Hij luistert slecht. Als hij een haas ziet die ik niet beschieten kan, is hij er al achter aan. Ik kan roepen wat ik wil maar luisteren, ho maar. Jagen is zo niet leuk meer.’
‘Dat lijkt mij niet goed. En wat nu?’
‘Maar eens kijken of ik dat er met trainen een beetje uitkrijg.’
Henk wenst hem daarmee succes. Ze bespreken nog wat zakelijke dingen omdat er natuurlijk ook geld verdient moet worden.
‘Over twee weken ben ik terug,’ zegt Henk.

De twee weken zijn voorbij en Henk zit aan tafel. Voor hem een dampend bord boerenkool. De halve rookworst lijkt hem glimlachend aan te kijken en laat zijn principe aangaande het eten van vlees, als sneeuw voor de zon verdwijnen.
‘Hoe is het met de hond?’
Het is alsof ome Tol een licht opgaat. Hij gaat staan en uit de kast neemt hij een plastic zak. Zijn bord schuift hij opzij en kiepert de inhoud van de zak op tafel. Iets van een walkietalkie, een oplader, een fluitje en een halsband landen naast zijn bord.
‘Jij bent toch een beetje technisch?’ vraagt ome Tol.
‘Ja…?’
‘Ik heb dit geleend van een andere jager. Het is om je hond te trainen. Hij heeft vertelt hoe het werkt maar ik ben het vergeten. De hond moet de halsband om en als hij moet luisteren blaas ik eerst op het fluitje. Als hij niet luistert moet ik met deze zender een fluittoon sturen en wat daarna moet weet ik niet meer.’
‘Laat eens kijken,’ zegt Henk.
Hij bestudeert de halsband. Een brede leren band met leren vakjes. Twee kleine bronzen schoteltjes en een forse sluiting. In de leren vakjes zitten waarschijnlijk de ontvanger, de luidspreker voor de pieptoon, batterijen en een condensator. De zender heeft een witte knop, een rode knop en een draaiknop waar ‘squelz’ bij staat.
‘Is hij opgeladen?’ vraagt Henk.
‘Hij zit hartstikke vol.’
‘Mooi. Ik druk nu eerst op de witte knop.’
Een doordringende pieptoon vult de kamer.
‘Juist. Als jij nu even met beide handen die twee schoteltjes vastpakt, gaan we testen hoe het werkt.’
Gehoorzaam neemt ome Tol een schoteltje in zijn rechter en linkerhand. Henk draait de draaiknop naar maximaal en drukt vervolgens op de rode knop. Met een ongecontroleerde bewegingen stuitert ome Tol in zijn stoel heen en weer.
‘Wel snotverdedomdedju!!’ vloekt hij, ‘Wat was dat?!’
‘Een elektrische schok. Dat voelt je hond ook als dit gebruikt.’
Ome Tol is daar even stil van. Hij wappert af en toe met zijn handen omdat alle spiertjes zich moeten herstellen. De hele handel gaat weer in de plastic zak en hij wil er niet meer over praten.
Henk laat zich de boerenkool goed smaken. Het geven van vruchtbare lessen blijft een dankbaar gebeuren.

‘Nou? Hoe is het met de hond?’ vraagt Henk als hij weer op bezoek is.
‘Fantastisch,’ zegt ome Tol met een brede glimlach, ‘Ik heb die halsband één keer gebruikt. Hij sloeg werkelijk over de kop en sindsdien luistert hij als geen ander. Als die halsband omgaat doet hij alles goed. Ik heb een band laten maken die er ongeveer net zo uit ziet en even zwaar is maar ik kan er niks mee. Het is gewoon een dummy. Zodra die hond die halsband draagt, luistert hij.’
‘Wat een goed idee. Gefeliciteerd. Jagen is nu weer leuk?’
‘Ja. Ik kan weer lekker kuieren zonder mij te ergeren. Wacht, ik heb wat voor je.’
‘Ome Tol verdwijnt even en komt terug met een in zilverpapier verpakt iets.
‘Hier,’ zegt hij, ‘Een haas. Komt uit de diepvries. Jij hebt dit weekend wat lekkers op tafel staan. Zie het maar als een bedankje voor de schokkende les.’
‘Dank je. Ik heb het als een vruchtbare les ervaren.’
Ome Tol denkt even na.
‘Ja, dat kan. Ieder peurt uit een gezamenlijke ervaring nu eenmaal wat het beste bij hem past.’
‘Mooie gedachte ome Tol. Even terug naar aarde? Zullen we het over zaken hebben?’
‘Ja, doe maar. Da’s ook mooi.’

© peter gortworst / nov 2020
afbeelding: nl.freepick.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De jager

Principes zijn er in soorten en maten. Er zijn er die als een eenzame grashalm op de akker staan en met alle winden meewaaien. Anderen zijn als in beton gegoten: onwrikbaar en standvastig. Sommigen zijn zo vanzelfsprekend dat ze vallen onder de categorie ‘dat doe je gewoon niet’ maar er zijn er ook die, in meer of mindere mate, afhankelijk zijn van omstandigheden. Die beginnen meestal met: ‘Het is eigenlijk tegen mijn principe maar…’

Henk heeft ook principes. Bij verkiezingen stemt hij zo links mogelijk, is de maximale temperatuur in zijn woning negentien graden, eet hij alleen vlees van dieren waarvan hij weet dat ze een goed leven hebben gehad en is hij tegen de jacht.
Daar valt meestal goed mee te leven. Hij is vertegenwoordiger en er wordt van hem verwacht dat hij verkoopt. Dat lukt aardig zo lang hij zijn klanten maar niet al te goed kent. Dan blijft het een wat afstandelijk gebeuren waarbij weinig fout kan gaan.

Bij ome Tol is dat wat anders. Hij kent ome Tol en zijn vrouw al jaren en het is een goede en trouwe klant. Vrienden zijn ze niet maar wel heel goede kennissen. Ze zien hem het liefst aan het einde van de morgen komen. Dan kan hij mee-eten en is er tijd om al het wel en wee te bespreken. Dat hij een selectieve vleeseter is, maakt de gastvrouw niet uit. Hun vlees is van eigen varkens of van de jacht en juist daar zit hem de kneep. Natuurlijk smaakt een haas prima. Het beest heeft een goed leven gehad maar hij is wel geschoten. Ome Tol vertelt regelmatig over zijn jacht. Als hij zijn kop leeg wil maken, hangt hij zijn geweer over de schouder en loopt met de hond over zijn jachtterrein. Tot frustratie van de hond schiet hij vaak niet. De haas is te ver weg, in de vriezer liggen nog drie fazanten of hij is gewoon te langzaam met zijn geweer. Het maakt hem niet uit. Na een middag in het veld is zijn kop weer leeg en de hond moe.

Eenmaal heeft Henk met ome Tol over het nut van de jacht geredekaveld. Er had een artikel in de krant gestaan over de hoeveelheid vossen. Het waren er te veel. Ome Tol was van mening dat het te veel afgeschoten moest worden en Henk meende dat de natuur zichzelf regelt. Een zinloze discussie was het resultaat. Beiden waren overtuigt van hun eigen gelijk maar Henk kon niet zo ver gaan als hij eigenlijk wilde. Ome Tol was per slot van rekening een klant die hij graag behouden wilde.

Ze zet het eten op tafel. Bloemkool met een kaassausje, gekookte aardappelen en een prachtige karbonade.
‘Lekker,’ zegt Henk.
Ze wensen elkaar smakelijk eten en vallen aan. Dan valt Henk iets op. De vrouw heeft altijd de poes op schoot als ze eet. Nu niet.
‘Waar is de poes?’ vraagt hij daarom.
‘Dood.’
‘Dood?’
‘Ja. Dood. Ik had haar laten steriliseren en de volgende dag wordt ze door een auto doodgereden. Ligt daar mijn honderd euro op de straat.’
‘Goh, wat erg,’
Hij weet dat het wat mager klinkt maar meer weet hij niet te zeggen. De vrouw zit met een gebogen hoofd te eten en met een punt van haar servet veegt ze een traan uit haar oog. Ome Tol heeft met zijn vrouw te doen. Hij is geen kattenman maar dat zijn vrouw verdriet heeft, grijpt hem aan. Hij weet niet beter te doen dan het gesprek naar een ander onderwerp over te hevelen.

‘Ik ga zaterdag op ganzenjacht,’ zegt hij daarom, ‘Ze hebben mij gevraagd. Voor het licht wordt moet ik in de polder zijn. Ik ben benieuwd. Op ganzen jagen heb ik nog nooit gedaan.’
‘Zijn ganzen lekker?’ wil Henk weten.
‘Geen idee. Weet jij dat vrouw?’
Ze weet het ook niet maar er zullen vast wel recepten zijn.

Een week later is Henk terug en zitten ze weer aan tafel.
‘Hoe was de ganzenjacht?’ vraagt Henk.
‘Prachtig,’ zegt ome Tol, ‘Ik was daar al heel vroeg. Ze hebben lokganzen in het veld gezet en wij hebben ons verborgen achter het riet. We hadden van die camouflagedekens omgeslagen en dan begint het wachten. Uit het niets zijn ze daar. Je hoort ze eerst wel maar zien doe je ze op het laatste moment. Dan wieken ze naar beneden en dat is zo’n fantastisch gezicht. Die grote zwarte vogels die mooi afsteken tegen de ochtendschemer, die zo gecontroleerd naar beneden komen en, ik zou bijna zeggen ‘bevallig’ landen… het is werkelijk fenomenaal.’
‘En? Hoeveel heb je er geschoten?’
‘Geen enkele. Ik heb alleen maar genoten van hun vliegtechniek, hun plotseling daar zijn.’
Ome Tol kijkt hem aan en Henk ziet nog de blijde verwondering in zijn ogen.
‘Tja,’ zegt zijn vrouw, ‘Zit ik daar met mijn recepten. Ik had voor zondag mijn zoon met zijn vrouw en kinderen gevraagd voor het eten. Komt hij zonder gans thuis. Kon ik zondagmorgen gehaktballen draaien.’
‘Was toch ook lekker?’ zegt ome Tol
‘Je had er toch eentje van die anderen kunnen krijgen? Er waren er genoeg geschoten.’
‘Nee,’ zegt ome Tol, ‘Ik neem niets mee wat ik zelf niet geschoten heb. Dat is tegen mijn principes.’
Henk’s principe wankelt. Blijkbaar zijn er ook goede jagers en langzaam wordt ome Tol een man naar zijn hart.     

© peter gortworst / nov 2020
afbeelding: pinterest

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Ontboezemingen (of een verhaaltje voor het slapen gaan)

De tijd tussen een kapje op mijn neus en weer wakker worden was lang. Voor mijn geliefden een uiterst spannende en emotionele tijd. Letterlijk niets was zeker. Het was zelfs maar de vraag hoe ik uit de kunstmatige coma zou komen.

De opluchting dat ik niet gekker dan normaal wakker werd, was groot en het antwoord op de vraag hoe het met mij gaat, beantwoord ik sindsdien steevast met ‘Goed, ik mis alleen een been’.

Dat is niet helemaal waar. Mijn stem is niet meer wat het was en dat frustreert bij het zingen. Als ik vroeger niezen moest, was dat altijd drie keer maar nu kan dat, met hetzelfde gemak, twee of vier keer zijn. Wat mij echter het meest dwars zit zijn de dromen.  Soms onschuldig, soms zo droevig dat ik met tranen in de ogen wakker wordt, een enkele keer zo verschrikkelijk dat de paniek toeslaat en af en toe gewoon idioot.

Hoe kan je dromen dat je een houtbewerkingsmachine staat te repareren in de keuken van een kazerne? Een ambtenaar met zweet op zijn voorhoofd spreek, in auto’s rijd die ik nog nooit gehad heb, vlot met kruk en hond door ruw terrein loop en zelfs een berg beklim?  Dat zijn dan nog de onschuldige dromen. Over de beangstigende, verwarrende of panische heb ik het dan nog niet gehad. Als zo eentje zijn opwachting heeft gemaakt en ik wakker geworden ben, kan ik niet gewoon constateren dat het gelukkig maar een droom was en weer verder slapen. De droom gaat dan gewoon verder. Net of de naald even omhoog is gezet en wacht op het moment dat deze weer in de groef kan vallen. (dit voor degenen die nog weten wat een pick up was). Nee, ik moet er uit en gedurende een uurtje of zo, iets onbenulligs doen. Mij verbazen over de droom en deze zo snel als mogelijk is, vergeten.

De nacht van woensdag op donderdag werd ik in paniek wakker. Die grote kleuter in Amerika met de kleine handjes en dito … had gewonnen. Donkere wolken stapelden zich op. Noodweer brak los. Niet nog vier jaar! Mensen vluchten in paniek naar het zuiden waar Mexicaanse grenswachten hen tegen hielden en de toegang weigerden. Vertwijfeld probeerden ze over hekken te klimmen maar tevergeefs. Het waren de beste die ze ooit gemaakt hadden. Ze hadden immers moeten geloven dat niemand betere maken kon? Kinderen werden afgepakt en in kale gevangenissen gestopt. Witte neusjes in witte cellen. De gek zelf verscheen op het balkon van het Witte Huis. Hij had zich verkleed als Mussolini en zijn hoogblonde persvoorlichtster lag aan zijn voeten en likte de zwarte laarzen. Hij strooide met dollarbiljetten maar de enigen die daar wat aan hadden waren zijn familieleden die onder het balkon aan het juichen waren. Eén van zijn stafleden nam mij apart en ontboezemde dat deze grote leider het Kurhaus in Scheveningen ging slopen om daar een heuse Trumptower te bouwen.
Toen werd het mij even te veel en werd ik wakker.

Twee uur duurde mijn terugkeer naar aarde. Op you-tube zag ik dat het nog allerminst zeker was dat deze oranje clown gewonnen had. Dat was een gedeeltelijke geruststelling. Meer niet. Tot vanavond. Het speelkwartier van deze losgeslagen zuigeling is voorbij! Amerika heeft een hell of a job om weer terug te keren naar normen en waarden maar erger dan wat het nu is, kan het niet meer worden.
Vannacht slaap ik vast goed.

©peter gortworst / nov 2020
afbeelding nl.pinterest.com

Geplaatst in startpagina | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Aardbei

Ik geef het toe. Veel overtuigingskracht is er niet voor nodig en zeker niet als je zelf tot de conclusie komt. Ik ben een zonderling. Zo. Het hoge woord is eruit. Misschien geen zonderling van het zuiverste water maar goed genoeg om deze ‘titel’ te kunnen dragen. Velen van mijn geliefden, vrienden of kennissen wisten dit natuurlijk al. Voor hen is dit niets nieuws. Voor een verslaafde aan alcohol is de erkenning dat hij, of zij, verslaafd is, de eerste stap naar genezing. Gelukkig is zonderling zijn niet iets wat genezing behoeft. Er bestaat, naar mijn weten, geen zelfhulpgroep van zonderlingen. Ik zie deze staat van ‘zijn’ als licht vermakelijk, doe er niemand kwaad mee en wellicht zet ik een enkeling, net als mijzelf, aan het denken. Hoe kan een normaal uitziend persoon toch zo zonderling zijn?
Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier niet over bijzonder zijn. Bijzonder is gewoon bijzonder en op de keeper beschouwd is iedereen dat. Het valt niet altijd op. Met een beetje bijzonder steek je niet boven het maaiveld uit en doe je dat wel, dan voldoe je aan de verwachtingen die men van een bijzonder iemand heeft. Een bijzonder iemand is of doet bijzonder en dat maakt hem, of haar, niet bijzonderder.
Bij een zonderling ligt dat anders. Als een zonderling iets zonderlings doet, valt dat op. Het ligt niet in de lijn van de verwachtingen dat hij, of zij, iets zonderlings doet. Uit ervaringen weet men wel dat hij, of zij, een zonderling is, houdt er in het achterhoofd rekening mee maar toch komt het zonderlinge onverwacht. Ik meen dat het zonderlinge ligt in het volkomen onlogische, niet ge- of bedachte gedachtengoed of handelingen.

Nu ik deze, voor menigeen verwarde gedachtenspinsels met mijn geachte lezers, of lezeressen, gedeeld heb, kan ik u meenemen naar de bron van deze kabbelende beek aan ontdekkingen.

Het is nu 3.17 a.m. en hoewel ik hondsmoe in bed gekropen ben, kan ik de slaap niet vatten. Mijn trouwe volgers, of volgsters, weten dat ik druk ben met het schrijven van een boek. Dit heeft meer effect op mijn wel en wee dan ik vooraf kon bevroeden. De ontdekking dat ik een wending in het verhaal op geen enkele manier vanzelfsprekend kon maken, zorgde er voor dat ik drie geschreven hoofdstukken met het knopje delete naar de prullenmand liet verdwijnen. Bovendien moest ik alle verwijzingen naar die wending in de voorgaande tekst opzoeken en aanpassen. Ik weet best dat dit het lot van een schrijver, of schrijfster, is maar het doet wel pijn.
De nieuwe wending kost veel hoofdbrekens. Verhaallijn nieuw: research nieuw. Verse vellen papier met feiten, wetenswaardigheden, tijden, dialogen en weet ik wat nog meer vullen de gaten die de oude verhaallijn liet vallen.. Het lastigste is nog de oude verhaallijn helemaal vergeten. Er is immers wel een stukje van je kind geamputeerd en dat ziekt nog een tijdje door.

Een voortdurende bron van zorg is de wens mijn lezers, of lezeressen, mee te nemen in het verhaal. Die zorg voel ik deze nacht ook. Ik kan bijvoorbeeld schrijven dat ik een aardbei eet. Dat is een kennisgeving. Meer niet. Ik zie het echter als mijn taak, jawel, ‘Taak’ om het beeldend, bijzonder te maken. Het eten van een aardbei gaat over meer. Het is de aanblik van deze vrucht, de mogelijkheid om hem, of haar?, te eten omdat het lente is, de geur, de kleur, het mondgevoel, de smaak te beschrijven en de herinneringen te vertellen die opgeroepen worden. Dat overbrengen is een kunst die ik probeer uit te oefenen.

Toen ik dat bedacht, kwam de ontdekking dat ik een zonderling ben. Wie haalt het nu in zijn hoofd om midden in een herfstige nacht, op 31 oktober, aan een aardbei te denken? En welke zonderling gaat dat nog diezelfde nacht opschrijven?
Deze dus.

© peter gortworst / okt 2020
afbeelding: pinterest   

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , | 1 reactie