Abraham de os

 

“Mag ik mij even voorstellen? Ik ben Abraham de os. Zo heet ik officieel maar iedereen noemt mij Hammie of Hammetje. Dat komt door mijn prachtige billen. Dat zijn grote, gespierde, volle billen en ik ben daar heel erg trots op. Ik ben een bruine os met een zwarte punt aan mijn staart en mijn onderbenen zijn ook zwart. Als de zon schijnt dan ligt er op mijn bruine vacht een hele mooie gloed en als je dan naar mijn billen kijkt…..  Zo mooi! Zo ontzettend mooi!

Niet zo heel lang geleden is hier iets heel raars gebeurd. Ik wil jullie dit vertellen maar dan moet je eerst weten wie en wat we zijn. Je snapt er anders niets van.

Ik woon in een klein dorpje vlak bij de grote stad. Het is nu winter en als het winter is hoef ik niet te werken. Ik sta dus elke dag in de stal. Gelukkig sta ik hier niet alleen.
Naast mij staat Isaak de ezel en aan de overkant wonen een stel schapen. Hoe veel het er zijn en hoe ze heten weet ik niet. Ik zou dat wel graag willen weten maar schapen tellen is dodelijk vermoeiend.
En dan zijn er nog de kippen. Dat zijn er ook veel en steeds weer andere. Dat is niet leuk. Ze kiezen regelmatig mijn stro uit om een ei in te leggen maar dat zullen ze mij dan niet even zeggen hoor!  Als ik dan ga liggen en ze hebben daar weer een ei gedropt, heb ik tien tegen één weer een vieze vlek op mijn vacht. Meestal kan ik het zelf wel schoonlikken maar als je niet van eieren houdt is dat toch maar een vieze bedoening.
Ik heb Jacobus de haan er wel eens op aangesproken maar die zegt dat hij er niets aan kan doen. “Eén chick in de hand houden is al een hele opgaaf. Met twee chicks wordt het uiterste van je gevergd en als je er drie tevreden wil houden verricht je iets wat zelfs een godswonder een simpele goocheltruc laat lijken. Ik weet het niet zeker maar er lopen hier wel 40 van die meiden rond dus wat verwacht je nu van mij?”

Daar moest ik lang over nadenken. Dat is niet erg want ik heb alle tijd. Jacobus had natuurlijk gelijk. Als je de baas bent van 40 kippen maar de kippen vinden dat jij de baas niet bent, dan bén je het ook niet. Wel zielig voor Jacobus. Hij doet zo zijn best. Elke morgen staat hij vroeg op en kraait dan drie keer. Dan weet iedereen dat het tijd is om op te staan. Alleen overdag kraait hij ook vaak drie keer. Zo maar. Hij weet ook niet waarom hij dat doet maar hij mag wel oppassen. Vroeg of laat wordt daar wat van gezegd of krijgt iemand daar last mee.

Ja, en dan is er nog een geitenbok. ‘De Hertog van Jan’ noemt hij zichzelf. Ik vind dat een rare naam. Ik weet niet wat een ‘Hertog’ is en wie of wat ´Jan´ is. Hij vindt zichzelf heel belangrijk maar dat vinden wij niet. Wij vinden dat hij stinkt! Zelf zegt hij dat hij een ‘offerdier’ is. Wij weten niet wat dat is en we denken dat hij het ook niet weet. We hebben er wel eens naar gevraagd en dan doet hij alsof zijn neus bloed.
“Wacht maar,” zei hij, “als er iets belangrijks is, dan hebben ze mij nodig!”
Nou het zal wel. Ik denk er het mijne van. Als iemand heel belangrijk doet, is er vaak iets heel anders aan de hand.

Nou, dat is het wel zo’n beetje. O ja, er is nog een boer. Dat is, zeg maar, mijn werkgever. Goeie vent hoor, beetje een mopperkont maar met het hart op de goede plaats. Ik heb geen klagen over hem. We krijgen op tijd ons voer, hij zorgt dat ik in een schone stal sta en zo af en toe kijkt hij ons goed na. Vooral de bok wordt goed bekeken. Er zal wel reden tot ongerustheid zijn want anders doe je dat niet. Elke week neemt hij ook één en soms twee kippen mee naar binnen. Waarschijnlijk hebben die extra verzorging nodig. Nee, we hebben geen klagen over deze man.

Maar goed. Wat gebeurde er een tijdje terug nu voor iets raars. Het was al bijna donker toen de boer naar de stal kwam. Hij had twee mensen bij zich en bij het licht van een fakkel liet hij de stal zien. Ik loeide nog dat het niet verstandig is om met een brandende fakkel in een stal te gaan staan zwaaien maar luisteren: ho maar. Toen begon hij een berg stro uit elkaar te trekken en legde daar wat oude dekens overheen. Die twee mensen die hij had meegenomen bleken een man en een vrouw te zijn. Ze gingen op de dekens zitten en keken heel dankbaar en blij naar de boer. Dat Was Mijn Stro!! Waar moet ik straks op liggen als dat stro voor heel andere dingen gebruikt gaat worden? Wat heb ik er aan dat zij een beetje dankbaar en blij naar een boer gaan zitten grijnzen? Ik vond het nu al niks en snapte niet waarom die boer dat deed. Plotseling komt hij ook nog met een ezel binnen en die zet hij plompverloren bij Isaak in het hok. Nou Isaak was niet blij en al helemaal niet toen hij er achter kwam dat die ezel een zwaar noordelijk accent had. Hij was amper te verstaan dus een goed gesprek kon hij wel vergeten.
“Wie komnu uut’ t norden en wie hebn de hoale daag laupen.”
Dat moest hij drie keer langzaam zeggen voordat we snapten wat hij bedoelde en we begrepen dat hij nu eigendom was geworden van onze boer. De overnachtingen waren door hem zelf betaald. De ezel!

Al met al een hoop gedoe en een hele hoop onrust. En dacht je dat dat alles was? Het werd nog veel erger! Midden in de nacht een hoop gefluister en geritsel. Om de haverklap begint die vrouw te puffen terwijl die man met een natte lap in de weer is. Op een gegeven moment loopt hij weg en komt terug met de boerin. Ik vertrouwde de boer al niet met een fakkel maar de boerin nog minder. En weer helpt waarschuwend loeien niet!
Toch is het bijzonder! De boerin komt nooit in de stal. Wij zijn vieze beesten, zegt zij, en nu is ze er opeens wel! De Hertog van Jan gaat met zijn voorpoten tegen zijn hek staan. Die altijd irritante belangrijkerts moeten steeds vooraan staan als er iets bijzonders gebeurd. Dat blijkt maar weer.

De boerin stuurt de man naar buiten. Geen idee waarom maar het zal wel nodig zijn geweest. We zien hem, tussen de kieren van de planken door, de hele tijd heen en weer lopen. Misschien moest hij oppassen of zo… Ik kan niet goed zien wat die twee vrouwen aan het doen zijn. Een hoop gedoe met dekens en bakken water en een heleboel blazen, piepen en schreeuwen van woorden die, denk ik, niet erg netjes zijn. En plotseling heeft de boerin een jonkie in haar handen. Dat was het dus! Die vrouw moest jongen! Dat jong begint meteen te krijsen en die twee vrouwen keken zo blij! Wel mooi om te zien hoor. Het doet je toch altijd wel wat zo’n nieuw en onbedorven leven….

Helaas maken de vrouwen een fout. Ze vergeten het jong schoon te likken! Wat een stel viespeuken. Ze draaien dat jong in een stel lappen! Meer niet! Dat gaat toch stinken! Bah, wat smerig. En die man, die nu weer binnen mag komen, zegt er ook niks van! Die zit alleen maar gelukzalig naar die vrouw en naar dat jong te kijken. Tussen haakjes: het lijkt helemaal niet op die man. Ik kan dat weten want in mijn tijd, toen ik nog geen os was controleerde ik mijn jongen altijd. Voor je het weet zit één of andere slimmerik onder je duiven te schieten.
Maar goed, ik heb veel gezien in mijn leven maar nog nooit een moeder die haar jong niet schoon likt. Wat een onsmakelijk gedoe!

We dachten dat we het wel zo’n beetje gehad hadden. Boerin was weer naar bed gegaan, De Hertog van Jan stond rustig stinkend belangrijk te zijn, dat jong lag stil in de armen van die vrouw en samen met die man zitten ze zachtjes te praten.
Beginnen plotseling die schapen van de overkant met elkaar te mekkeren.
“De herders komen!”
“Wat zeg je? Komen de herders?”
“Komen ze hier? Waarom dan?”
“Wie zegt dat? Wie zegt dat de herders komen? Zeg jij dat? Hoe weet je dat dan?”
“Ja echt. Ze komen zo! Wacht maar, ze zullen er zo wel zijn!”
“Daar zijn ze! Ik zei het toch! Zie je nou wel dat ik niks verzin!”
En verdomd: de deur ging open en er strompelen vijf van die onbehouwen analfabeten naar binnen en gaan stomverbaasd naar die mensen met dat jong staan te kijken.

Ik snap dat niet. Nooit komen hier herders op bezoek, laat staan ’s nachts, en nu zijn er plotseling vijf. Die stomme schapen staan allemaal klaar om mee te gaan maar het hek blijft dicht. Ja, logisch! Ze hebben gezien dat die vrouw het jong net de borst geeft. Eén voor één gaan ze op de knieën zitten voor die vrouw om dat jong goed te kunnen zien. Haha, vertel mij wat! Het gaat ze helemaal niet om dat jong. Ze kijken ietsjes verder dan dat jong! Perverselingen! Vraagt die zogenaamde vader van dat jong wat ze komen doen. Zegt één van die slimmeriken dat er op de heide een stel Engelsen waren die wilden vissen in de dode zee en daar heb je hengels voor nodig. Of de herders toevallig wisten waar je die kon krijgen en zij dachten op hun beurt dat die wel eens in de stal zouden kunnen hangen. Welke sukkel gelooft dat? En denken ze nu echt dat wij hier in de stal een stel hengels hebben staan?
Ik denk er wederom het mijne van. Volgens mij hadden ze heel andere plannen. Er is hier wel vaker wat verdwenen, wasgoed van de lijn en zo, dus het zal me niet verbazen dat ze gewoon gekomen waren om wat te jatten. Enfin, toen zij vertrokken werd het eindelijk rustig.

O ja, ik zou het bijna vergeten. Vraag niet hoe dat mogelijk is want wat er gebeurde ging werkelijk alle perken te buiten. Elke morgen komt de boer ons eten brengen. Een goede gewoonte. Maar die eerste morgen na die vreselijk onrustige nacht gooit hij mijn voer zo maar op de grond. Hebben die twee met dat jong mijn voerbak ingepikt. Daar ligt dat jong in! Dat vieze onafgelikte jong! In MIJN voerbak! Getverderrie nog aan toe. Mooi makkelijk van die lui maar rekening houden met de oorspronkelijke bewoners hier? Het komt niet eens in ze op! Ik heb die voerbak ook nooit meer gebruikt. Later, toen die lui weggegaan waren heeft de boer dat ding weer in mijn stal gezet. Ik ben er even op gaan zitten en nu heb ik een mooie nieuwe.

De andere dag is die ezel ‘uut’t norden’ verkocht aan een man uit de stad. Zeker is het niet maar het is zeer waarschijnlijk dat hij er de oorzaak van is dat hier plotseling drie kamelen voor de deur stonden. Wat zijn dat een stel vieze paparazzi beesten! Ze waren met een stel rijke stinkerds naar de stad gekomen en waren op zoek naar iets belangrijks. Nou ja, iets wat zij belangrijk vonden. Ik heb van horen zeggen dat die ezel daar lucht van kreeg en, terwijl die rijke stinkerds in de kroeg aan een kopje thee zitten, gaat hij die kamelen vertellen dat hij wel weet waar iets belangrijks te vinden is. En wat denk je? Gaat’ie vertellen over de Hertog van Jan!! Zien die rijke stinkerds vanachter hun theekopje, plotseling hun kamelen er vandoor gaan en die rennen er dus achter aan. Het hele spul op een drafje onderweg naar onze stal! Hier komt alles weer bij elkaar. Eind goed al goed zou je denken. Niet dus. Die kamelen willen naar binnen om die stomme bok te gaan bekijken. Nou ik weet niet of u wel eens een kameel heeft gezien maar die beesten met die puisten op hun rug zijn te hoog voor een normale stal. En toch proberen hé! Wat een gedoe, geduw en getrek. Chaos, gewoon chaos! En spugen die beesten! Wat een viezeriken. Te pas en te onpas kwatten ze, als je geluk hebt, op de grond met van die vieze slijmerige….. Bah! Als ik er nog aan denk….Jacobus die kwam kijken wat er aan de hand was kraaide spontaan drie keer en kreeg toen van twee kamelen de volle laag. Ik zag hem zo omvallen. Hij lag al niet goed bij zijn vrouwen maar dit was natuurlijk een giga afknapper. Kwaad dat hij was, kwaad….

Die rijke stinkerds waren wel blij dat ze hun kamelen weer hadden. Ze dachten dat die man en die vrouw met dat jong de eigenaren waren dus om de materiële en emotionele schade een beetje te vergoeden gaven ze hem wat goud, een lekker smeerseltje voor haar en om de stank van de kamelen wat te verdoezelen, een doosje met wierook. Jekkes, wat stinkt dat spul. De Hertog van Jan ruikt nog lekker vergeleken met dat spul. Met een: “Sorry, sorry de sterren zijn ons blijkbaar niet gunstig gezind,” vertrokken ze weer. En wij bleven zitten met een Hertog van Jan die van zelfgenoegzaamheid niets anders kon zeggen dan:
“Ik wist het wel! Ik wist het wel! Het gaat om mij.”
Dat heeft hij wel honderd keer gezegd. Bah, stomme bok.

Nog diezelfde nacht maakte Isaak me wakker.
“Ik heb zo raar gedroomd,” zei hij. “Het was helemaal niet leuk.”
“Wat droomde je dan?”
“Ik droomde dat ik hier wegging en heel veel moest lopen. Ik ging naar een ander land. Op mijn rug zat een vrouw met een klein kind en een man had mijn halster vast. In dat verre land bleven we heel lang en daarna liepen we weer terug. Niet naar hier. We gingen veel verder naar het noorden. Ik wil hier helemaal niet weg en al helemaal niet naar het noorden. Wat denk jij? Komen dromen wel eens uit?”
“Volgens mij niet. Van alles wat ik droom is nog nooit iets uitgekomen maar zeker weten doe ik het niet.”
We besloten om weer te gaan slapen. De tijd zou het wel leren.

Toen het licht werd kraaide Jacobus drie keer. Isaak stond niet meer naast mij in zijn stal. Hij stond buiten en over zijn rug hingen een paar zakken. De vrouw klom op zijn rug en de man gaf het jong aan de vrouw. Toen liepen ze weg. De man had Isaak aan zijn halster vast.
“Dag Isaak!” loeide ik en Isaak balkte terug:
“Dromen komen wél uit! Gadverderrie nog aan toe! Dag Hammie, het ga je goed. Bis hunderdzwanzig!”

“Waar gaat Isaak naar toe?” vroeg de Hertog van Jan.
“Die is bezig met een internationale opdracht en ik heb zo’n vermoeden dat hier iets heel belangrijks is gebeurd. Al dat gedoe met die man en die vrouw met dat jong, die herders en die kamelen…. Het is mij allemaal net even te toevallig.” antwoordde ik.
Daar had hij niet van terug.
“Goh, ik wou dat ik ook eens aan de beurt was,” zuchtte hij.
Ik hielp het hem hopen. Per slot van rekening gun ik iedereen het beste.”

 

 

© peter gortworst / dec. 2010

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Kippetje

 

Het leven kan zijn als een kabbelend beekje. Lieflijk, geruststellend en overzichtelijk. Maar gelijk er in zo’n beekje iets drastisch plaats vindt zodra er bovenstrooms donkere wolken hun water richting aarde laten vallen, zo kan ook het leven veranderen in een woest kolkende rivier. Natuurlijk, een dergelijk water heeft ook zijn schoonheid. De kracht van het water is vaak indrukwekkend. Het donderende geweld getuigt van een kracht waar niet mee te spotten valt en ook van een verraderlijkheid waar men ten zeerste op bedacht moet zijn. Daarmee omgaan vereist levenswijsheid, bedachtzaamheid en soms een dosis geluk. Bij Kees is dat niet anders.

Vele jaren geleden is hij alleen komen te staan. Het was niet eenvoudig om zijn draai te vinden maar het is hem gelukt. Zijn kippetjes vullen de dagen. Met zorgzaamheid en liefde is hij daar vele uren per dag mee zoet. Het water wordt elke morgen ververst, stro in het nachthok schudt hij op en alles wat niet in de grote ren thuis hoort, haalt hij weg. Na gedane arbeid zet hij zich op het bankje en geniet van zijn scharrelende kippetjes en als je dat dagelijks doet leer je de dames vanzelf kennen. Namen geeft hij ze niet maar hij kent hun karakters en eigenaardigheden. Hij weet bijvoorbeeld precies wie de kenau, wie het blondje en wie het moederke is.
Zijn zeven kippetjes hebben een goed leven en dat belonen ze door elke dag minstens zes eieren te leggen.

Voor een man alleen zijn dat er teveel. Elke dag één ei bij het ontbijt is voldoende en met een hond die ook één ei per week krijgt, blijft er een ruime hoeveelheid over. Gelukkig helpt zijn kastje aan de straat hem van het eieroverschot af. Voor tien cent per ei kan men zich zelf bedienen en dat werkt wonderwel.

De bel van de voordeur gaat en als hij open doet, staat hij oog in oog met een dame die hem zeer sympathiek voor komt. Een enkele keer overkomt je dat. Het zit niet in wat men een mooi of lelijk uiterlijk vindt. Het zit in de uitstraling en dat is net zo’n vaag en ongrijpbaar begrip als aanwijzen waar je hurken zitten. Het heeft te maken met houding, gebaren, oogopslag, glimlach en natuurlijk stem. En juist dat laatste zet bij Kees een reeds lang aanwezig maar ongebruikt carillon in werking. Heldere klanken zijn het niet. Nog niet want wat lang niet geklonken heeft moet zichzelf even hervinden.

Kees hoort helemaal niet wat ze vraagt en dat realiseert hij zich als ze hem vragend aankijkt.
‘Sorry,’ zegt Kees, ‘Wat vroeg u nou?’
‘Ik wil graag voor donderdag vijftien eieren bestellen,’ zegt ze en Kees hoort dat het klokkenspel een nieuw doch roestig liedje start.
‘O, ja dat is goed. Donderdagmorgen staan ze voor u klaar.’
Ze bedankt hem en als ze het tuinhekje achter zich sluit, geeft het kleinste klokje een laatste pingel. Hij kijkt haar na zo ver als hij kan. Dan sluit hij de deur, schudt zijn kop een paar keer heen en weer en besluit dat een kop sterke koffie hem weer bij de les moet krijgen.

Donderdagmorgen staan de eieren klaar en met een ongeduldigheid die hij lang niet zo heeft ervaren, wacht hij haar komst af. Eindelijk gaat de bel en met een jongensachtige nervositeit opent hij de deur. Hij vraagt zijn beiaardierster binnen en terwijl zij in het halletje wacht, haalt hij de eieren uit de keuken.
‘Wat een gezellig huis heeft u. Niet te groot en, ja hoe zal ik het zeggen… Knus! Ja, dat is het. Woont u hier al lang?’
Een groot en gedreven redenaar is Kees niet. In deze omstandigheden antwoorden op vragen valt hem niet licht maar op een wonderlijke manier lijkt ze hem te helpen met zijn antwoorden. Niet dat ze iets invult maar ze weet het zo te brengen dat Kees er naderhand van overtuigd is dat hij zelf met die briljante teksten is gekomen. Sommige mensen kunnen dat en zeker bij moeilijke onderwerpen is dat heel prettig. Na een kwartiertje vertrek zij. Hij weet nu waar ze woont, dat ze Dora heet, ook alleen is en op bestelling van de begrafenisondernemer de lekkerste cakes bakt met verse eieren. Bovendien heeft ze hem betaald.
De klokjes klinken helder en doordringend en wanneer deze niet verstommen bij een bak sterke koffie concludeert Kees dat hij verliefd is.

Je ziet het wel vaker. Grote schrijvers zijn in de dagelijkse omgang soms erbarmelijke hakkelaars die met moeite uit hun woorden komen. Kees kent zichzelf en in plaats van kordaat op Dora af te stappen om haar de liefde te verklaren, schrijft hij een brief. Bij het nalezen is hij niet tevreden en schrijft hij een andere brief. Ook deze bevalt hem niet dus de derde brief ziet het licht. Inmiddels is hij de tel kwijt en droomt van balpennen, briefpapier en postzegels. Onrust en onzekerheid bepalen zijn leven. Het is niet alleen de brief die geschreven moet worden maar wat als deze eenmaal klaar is en verstuurt? Zijn de gevoelens van hevige verliefdheid wel wederzijds? Je zou toch denken dat ze hem dan vaker zou willen zien? Dit af laten hangen van de dood die ergens zijn intrede heeft gedaan met de toevalligheid dat de nabestaanden ook nog koffie met Dora’s cake willen, klopt toch niet? Zijn toenaderingspogingen gaan niet verder dan een enkele keer ‘toevalligerwijs’ met de hond langs haar huis lopen en dan voelt hij zich de puber van vroeger.

Het schrijven van de vele niet verstuurde brieven kost tijd. Tijd die ten koste gaat van zijn kippetjes en hond. Zijn uurtje op het bankje vult hij niet met het genieten van de dames in de ren. Dora zweeft bijna alle uren van de dag door zijn hoofd en hij wordt daar pijnlijk mee geconfronteerd als de hond hem rond de middag langdurig aan zit te staren. Het beest heeft nog geen eten gehad! Hij legt zijn pen neer en herstelt onder mompelende verontschuldigingen richting hond, de fout. Buiten ruimt hij voor het eerst sinds dagen de ren op, ververst het water en vervangt het stro in het nachthok. Het moederlijke kipje verlaat net het nest en hij ziet dat er een kakelvers ei gelegd is. In een vlaag van trots en onvervuld verlangen vernoemd hij ter plekke het kipje naar Dora.

 

Dora heeft eieren besteld en staat weer in het halletje.
‘Zou ik je kippetjes eens mogen zien?’ vraagt ze.
‘Ja hoor,’ zegt Kees en gaat haar voor naar buiten.
Bij de ren gaan ze samen op het bankje zitten en Kees praat voor zijn doen honderduit. Ze luistert aandachtig en vraagt dan of zijn kippetjes ook namen hebben.
‘Haha, nee hoor. Nou ja eentje. Die heet …… ‘
Hij houdt verschrikt zijn mond, kleurt rood en weet niet waar hij kijken moet.
‘Nou?’ vraagt ze, ‘Hoe heet die ene?’
Het duurt even maar dan fluistert Kees ‘Dora……’
Hij ziet niet de glimlach op het gezicht van Dora als ze vraagt:
‘En wat is er zo bijzonder aan dat kippetje dat zij die mooie naam heeft gekregen?’
Hakkelend vertelt Kees dat het een moederlijk kippetje is die de anderen lekkere hapjes gunt en soms met haar snavel niet alleen haar eigen verenpak glad strijkt.
‘Denk je niet dat Dora een haantje verdient die Kees heet?’

Onvoorstelbaar hoe warm een houten bankje aan kan voelen, hoe een zomers briesje kippenvel geeft, hoe oorverdovend een serie klokken in je hoofd kunnen luiden en hoe vervelend het is als je je in niets verslikt.
Ze wacht tot hij klaar is met hoesten. Dan pakt ze zijn hand en zegt:
‘Kom vanavond naar mijn huis. Niet langslopen dit keer maar aanbellen. Ik zorg voor koffie met een lekker plakje cake en dan gaan wij eens praten. Goed?’
Kees kan alleen maar knikken en zwijgend gaan ze weer naar binnen. Ze pakt haar eieren en als ze naar buiten stapt zoent ze zijn wang en zegt:
‘Dag haantje. Tot vanavond.’

De hond weet niet waar hij de twee rauwe eieren aan verdient heeft die door zijn voer zijn geroerd en de kippetjes zien voor het eerst geen slablaadjes maar een hele krop die Kees zomaar uit de moestuin getrokken heeft. Liefde verandert een kolkende stroom in een kabbelend beekje of andersom. Zeker is dat het rare dingen met mensen doet.

 

©peter gortworst / nov. 2018

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Daarom

 

Wanneer de kinderen de deur uit zijn en zelden nog van zich laten horen, het werk een wekelijkse en maandelijkse routine heeft zonder uitdagingen, de hond ’s avonds om precies kwart over tien zelf klaar gaat staan voor het laatste rondje en de zin ‘Kom vrouw, we gaan naar bed’ net zo vanzelfsprekend is als de klok die elf uur slaat, de nachtzoen een standvastige vluchtigheid heeft en je vermoeid van niets in slaap valt, dan kan je spreken van een sleur.

Er is nog weinig wat hem raakt. De zoveelste orkaan, vloedgolf, idiote uitspraken van die Amerikaanse president of hun eigen ministers, bombardementen in Syrië, meisjes die slachtoffer zijn van een groepsverkrachting, de opwarming van de aarde of de plastic soep in de oceanen…. het doet hem niets. Met een lege blik staart hij naar de tv en bedenkt dat hij het meeste wel eens heeft gezien. Alles is zo onuitsprekelijk vermoeiend. Er is niets nieuws onder de zon.

Tot deze vrijdagavond. Onderuit gezakt hangt hij in zijn stoel als langzaam, zonder aanwijsbare reden, ‘gedachten’ door zijn hoofd beginnen te waren. Niet plotseling maar langzaam als een opkomende zon. Eerst een heel dun streepje licht en langzaam wordt het meer en meer. Deze ‘gedachten’ worden niet geboren uit het negatieve ‘is dit nu alles?’ Het is eerder een ‘ik ga het anders doen’ en zo begint hij, zonder het zelf te beseffen, vanuit, wat zo netjes heet, een positieve grondhouding. Of de oorzaak in de hormonen gezocht moet worden, weet hij niet. Zijn kennis van het menselijke lichaam gaat niet veel verder dan het benoemen van de verschillende ledematen en een paar organen. Het zouden dus best hormonen kunnen zijn maar werken die bij een man net zo als bij een vrouw? Vooralsnog heeft hij geen behoefte om opvallend lang iets in de koeling van de supermarkt te zoeken dus het zal zich wel anders manifesteren. Aan de cabrio, grote motor en een jonge vrouw denkt hij niet. Veel te veel gedoe maar dat zijn leven op de schop moet is hem wel duidelijk.

Het hele weekend heeft hij na lopen denken over dat ‘op de schop moeten’ en wonderlijk genoeg werd de sleutel hem aangereikt door een klein jongetje in de supermarkt. Het zit in het metalen rekje van de al behoorlijk gevulde kar.
‘Zo, nu de koffie nog,’ hoort hij de moeder zeggen.
‘Waarom?’ vraagt het ventje.
‘Omdat het bijna op is.’
‘Waarom?’
‘Omdat pappa en mamma graag koffie drinken.’
‘Waarom?’
‘Omdat we dat lekker vinden.’
‘Waarom?’
‘Ja,…..Daarom!’ zegt ze met een zucht.

Hij kan zich de irritatie van die moeder goed voorstellen maar de vragen van dat jochie intrigeerden hem. Voor zo’n kind is niets vanzelfsprekend. Alles is nieuw en met die nieuwsgierigheid die vrijwel alle kinderen gemeen hebben, ontdekken ze hun wereld. Zij ervaren hun leven niet als een sleur omdat er elke dag, en misschien wel elk moment van de dag, iets nieuws valt te leren of te ontdekken. Hij vraagt zich af wanneer deze onbevangen nieuwsgierigheid stopt en of het niet beter zou zijn er helemaal niet mee te stoppen. Waarom zou je als volwassene niet dezelfde vragen kunnen stellen? Hij wil ook weer ontdekken, niets als vanzelfsprekend aannemen, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn en als proef op de som probeert hij het op zichzelf uit:

‘Ik adem.’
‘Waarom?’
‘Om te kunnen leven.’
‘Waarom?’

Daar moet hij even over nadenken en dat alleen is al bewijs genoeg. Grote woorden als zingeving en levensbestemming waren rond in zijn hersenpan. Zie je wel! Zonder de vragen naar het waarom was hij hier nooit opgekomen. Een antwoord heeft hij niet maar dat is een kwestie van tijd.

Zijn eerste dag als nieuw mens en de eerste werkdag. Hij wil net aan zijn eerste taak beginnen als zijn vrouw belt:
‘Was er vanmorgen iets mis met de havermout?’
‘Nee, waarom?’
‘Je hebt je havermout niet gegeten.’
‘Klopt. Ik heb mij afgevraagd waarom ik dat elke morgen eet en ik kon daar geen goed antwoord op geven. Ik heb toen een eitje gebakken en met een plak ham op een boterham gedaan. Dat was lekker.’
‘O…… nou….. dan is het goed.’
‘Tot vanavond schat.’
Hij drukt haar weg en ziet natuurlijk niet dat zij met enige verbijstering naar haar telefoon kijkt. Schat? Wanneer heeft hij dat voor het laatst gezegd?

Langzaam, als een brandlucht die door steeds meer mensen wordt geroken, verandert de sfeer op de afdeling. De meest saaie piet is een raar mens geworden en niemand heeft enig idee wat er mee of aan gedaan moet worden. Bij de koffieautomaat is hij al meer dan een week het gesprek van de dag. Paulien is zelfs oprecht boos op hem. Toen ze twee zoetjes in haar koffie liet vallen, had hij gevraagd waarom ze dat deed. Ze had geantwoord dat ze op haar lijn moest letten en toen had hij gewaagd op te merken dat een vrouw met wat vlees op de botten beslist niet minder aantrekkelijk was. Ongehoord natuurlijk. Iedereen weet toch van haar harde maar succesvolle strijd tegen haar overgewicht?
Fred heeft het helemaal met hem gehad. Dodelijk nerveus is hij geworden van die stomme waaromvragen. In het begin heeft hij nog welwillend antwoorden gegeven maar op een bepaald moment werd het te gek. Hij is zelfs naar buiten gevlucht en zich bij de rokers in de fietsenstalling gemeld. Dit moet zo niet doorgaan want anders begint hij straks zelf weer te roken.

Buiten hem om heeft de afdeling twee man afgevaardigd om verhaal te halen bij de directie. Is deze saaie piet misschien door de directie geïnstrueerd om op onorthodoxe wijze ieders functioneren te beoordelen? Als de afgevaardigden terugkeren van hun missie wordt de totale onwetendheid die de directie ten toon spreidde natuurlijk amper geloofd en daarmee is de akker van achterdocht flink bemest.

Zelf is hij zich van geen kwaad bewust. De kwade, bevreemde, achterdochtige en angstige blikken ontgaan hem evenals de ontwijkende of zelfs vluchtende bewegingen die men maakt zodra hij zich uit zijn bureaustoel verheft. Dat is niets nieuws. Je ziet het wel vaker. Als eigen gewin of geluk in het geding is en de focus uitsluitend daarop gericht, heeft men vaak geen oog voor het grote of kleine leed dat men anderen daarmee aan doet. Nu is, al of niet gedwongen, op zoek gaan naar een andere baan, een lastige maar veelal niet onoverkomelijke hindernis. Ook voor hem zal dit niet al te lang meer duren daar de brandbrief, ondertekend door het voltallige personeel, een niet weg te poetsen indruk op de leidinggevenden heeft gemaakt.

Voor hem is echter het ‘thuisfront’ veel belangrijker. Zijn min of meer achteloos uitgesproken ‘schat’ bleek het scheutje petroleum te zijn wat het langzaam uitdovende vuurtje nodig had. Het duurt een paar dagen maar dan durft zijn vrouw hem, ’s avonds in de echtelijke sponde, te vragen of hij nog van haar houdt. Bijna automatisch en achteloos antwoordt hij:
‘Ja, natuurlijk.’
Gelukkig. Zijn nieuwe levensinstelling heeft hem geleerd het hier niet bij te laten.
‘Houd je ook van mij?’ vraagt hij.
‘Ja.’
‘Waarom?’
Na een korte pauze komt het verlossende antwoord:
‘Ja, gewoon………. daarom.’
En als ze vervolgens, net als de moeder in de supermarkt, een diepe zucht laat horen, kruipt hij, als een kind zo blij, lekker tegen haar aan.

 

© peter gortworst / okt 2018 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Stofdoek

 

Het knetterende geluid van zijn bromfiets is door het open raam al van ver te horen. Ze zet zich bijna letterlijk schrap tegen wat weer komen zal: de minachting, de onredelijkheid en het verzet tegen haar aanwezigheid. De veronderstelling van haar nieuwe vriend, dat het na een periode van gewenning best wel goed zal gaan, is alles behalve waar gebleken. Haar aanwezigheid wordt door deze jongste zoon beslist niet op prijs gesteld en te pas en te onpas laat hij dat blijken. Ze heeft geprobeerd er boven te staan, normaal te doen, te praten om vooral hem te laten praten maar niets heeft geholpen.

Ze zet zich aan de keukentafel met twee kopjes thee. Achter het huis komt de brommer tot stilstand. De deur van de bijkeuken gaat open en ze hoort de plof van de helm op de vriezer. Als de keukendeur opengaat kijkt ze hem aan. Hij ontwijkt haar blik.
‘Ik heb net thee gezet. Wil je ook een kopje?’ vraagt ze.
‘Mens, doe normaal!’ en met grote stappen verdwijnt hij naar boven.

Het duurt maar even voor hij met een knetterende vloek de trap afstormt.
‘Je bent in mijn kamer geweest!’ schreeuwt hij met een bijna overslaande stem.
‘Ja, ik heb even het wasgoed op je bed gelegd. Het is schoon en gestreken.’
‘Jij hebt niets in mijn kamer te zoeken! Het is mijn kamer! Hoor je dat? Mijn kamer!’
‘Ik hoor je maar het leek mij heel normaal om je kleren te wassen, te strijken en op je bed te leggen.’
‘Het kan mij niet schelen wat jij normaal vindt. Mijn echte moeder zou zoiets nooit doen. Die wist donders goed dat ze daar niets te zoeken had. Dát is normaal. Jij bent mijn moeder niet. Niets, helemaal niets in dit huis is van jou. Het enige wat je blijkbaar goed kan is mijn vader neuken. Prima maar laat mij daarbuiten!’

Het is de druppel in de bekende emmer. Ze schiet vol en het lukt haar niet om haar ogen droog te houden. Weg is de sterke vrouw die met redelijkheid de problemen probeert op te lossen. Ze wendt zich af en scheurt een vel van de keukenrol. Dat hij zichtbaar schrikt van zijn eigen woorden en de nieuwe situatie ontgaat haar daardoor. Ze hoort alleen zijn voetstappen op de trap.

Ze drinkt haar thee en wacht tot er een half uur verstreken is. Dan staat ze op en gaat naar boven. Ze klopt zacht op de deur van zijn kamer.
‘Ja?’ klinkt het gedempt.
‘Ik wil even binnenkomen om wat te vertellen,’ zegt ze.
De deur gaat open en ze ziet een knul die even niet meer stoer doet. Ze ziet zijn rode ogen. De ogen van een kind.
Hij gaat op zijn bureaustoel zitten en zij zet zich op de rand van het bed. Dan vertelt ze in de wetenschap dat in haar zwakte de grootste kracht licht. Ze vertelt van haar eigen huwelijk wat fout liep omdat zij geen kinderen kon krijgen. Dat ze afgedankt werd als een kapotte stofzuiger en nee, hij heeft gelijk: niets in dit huis is van haar omdat ze domweg niets had. Over de ontmoeting met zijn vader die haar accepteert zoals ze is en haar eigenwaarde hielp te hervinden. Die moeite heeft om zijn gevoelens kenbaar te maken, dat nooit geleerd heeft en het daarom ook niet door kan geven. Over de blijdschap die ze voelde toen bleek dat hij nog thuis woont en haar wil om hem te leren kennen, te leren van zijn leefwereld en vooral hem gelukkig te zien. Over haar wetenschap van het alcoholprobleem van zijn moeder, het verdriet dat dit nog steeds geeft en dat juist deze wetenschap haar motiveert om dit gezin gelukkiger tijden te laten beleven. Over dat ze heel goed weet dat zij zijn moeder niet is. Dit ook niet wil en kan zijn maar desondanks toch voor hem wil zorgen. Over de genegenheid die er tussen hen nog niet is maar wel zou kunnen komen

Hij zit in zijn stoel. Een beetje krom en starend naar de grond.
‘Net zijn vader,’ denkt ze, ‘En net zo stil.’
Ze laat de stilte voortduren en wacht.

‘En nu?’ vraagt hij dan.
‘Ik blijf’.
Hij knikt zachtjes.
‘Vind je het wel goed dat ik een beetje voor je zorg? Je hoeft niet alles alleen te doen. Ik kan meer dan alleen je vader neuken,’ zegt ze met een glimlach.
Geschrokken kijkt hij haar aan.
‘Sorry,’ zegt hij, ‘Had ik niet mogen zeggen.’
‘Ik ben het vanaf nu ook al vergeten.’
Ze staat op en loopt naar de badkamer. Uit de kast vist ze een pakje papieren zakdoekjes, opent het en neemt er één uit.
‘Hier,’ zegt ze, ‘Voor een snotneus.’
Hij grijnst.
‘Zal ik je even een stofdoek komen brengen om af te stoffen?’
‘Doe ik straks zelf wel.’

Als ze in de keuken staat om het avondeten te koken komt hij bij haar staan.
‘Waar vind ik een stofdoek, Marian?’
Ze wijst hem het mandje en bijna jubelend zegt ze:
‘Neem de blauwe, Mark, dat is de schoonste.’
Hij heeft haar bij haar naam genoemd!

 

© peter gortworst / sept 2018
foto: depositphotos.com 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 9 reacties

Kijken

 

De wandeling is lang. Zelfs de hond, normaal de energie zelve, is aan het sjokken geslagen. De uitspanning met terras aan het water is daarom een welkome gelegenheid om de moede voeten tot rust te laten komen. In een hoekje van het terras is nog een tafeltje vrij en na de kaart bestudeert te hebben leunt hij met een diepe zucht achterover. Als de serveerster komt en zijn bestelling opneemt, vraagt ze of de hond misschien wat water wil. Hij is blij verrast met deze attente vraag en als de bak met water voor de hond wordt neergezet, blijkt ook zij deze verzorging te waarderen.

Het is druk op deze zomerse dag. Hoewel het een gewone doordeweekse dag is en de schoolvakanties al weer voorbij zijn, is het hier vol. Veel ouderen die, getuige het aantal gestalde fietsen, het mooie weer gebruiken voor een dagje uit, drie heren in pak met een stapel papieren op tafel, een jong en overduidelijk verliefd stelletje en een vrouw alleen. Zij zit vier tafeltjes verder.

Zijn bestelling wordt gebracht en genietend van het koele vocht, volgt hij het binnenvaartschip wat stroomopwaarts vaart. Als het zicht op de boot hem ontnomen wordt door de terrasbezoekers valt het hem plotseling op dat de vrouw, die alleen aan het tafeltje zit, naar hem kijkt. Hij kijkt even terug maar wendt dan zijn blik af. Hij is niet zo’n held die brutaal terug gaat kijken. Dit soort vrouwelijke belangstelling maakt hem eerder onzeker. Zo onopvallend mogelijk controleert hij zijn uiterlijk. De gulp is dicht, er zit geen broekspijp per ongeluk in zijn sok, de schoenveters zitten vast en met een veeg door zijn haar stelt hij vast dat er geen takje of grasspriet in is blijven hangen. Een blik op de hond die onder te tafel is gaan liggen, vertelt hem dat ook daar alles is zoals het moet zijn. Schijnbaar willekeurig laat hij zijn blik dwalen en weer treft deze, de nog steeds naar hem kijkende, vrouw.

Hij neemt een slok en over de rand van het glas kijkt hij even naar haar. Ze zal ongeveer zijn leeftijd zijn. Ze is slank, mooi gebruind, donkerblond en casual gekleed.
Hij weet niet wat hij moet doen. Als hij zich een kwartslag draait valt dat natuurlijk op en als hij dan wil controleren of ze nog steeds naar hem kijkt ligt dat er helemaal duimendik bovenop. Misschien moet hij haar vriendelijk toeknikken en haar uitnodigen om bij hem aan het tafeltje te komen zitten. Maar wat als ze dan nee zegt en er misschien een scene van maakt? Toch maar zichzelf overwinnen en proberen glashard terug te kijken? Een ander tafeltje zoeken kan hij wel vergeten: het terras is vol. Hij weet het niet en daarom kiest hij ervoor om zijn gezicht op te heffen naar de zon, de ogen bijna te sluiten en door de kiertjes haar te bezien.

Ze heeft een hand onder haar kin gelegd en kijkt naar hem. Geen spoor van emotie. Geen lach en geen boze of onderzoekende blik. De term ‘uitdrukkingsloos’ schiet hem door het hoofd. Is zij iemand uit een ver verleden die hij zou moeten kennen? Lijkt hij op iemand die zij misschien kent? Een verstorven geliefde of familielid? De onzekerheid gaat met zijn gedachten op de loop. Hij schudt zijn kop, opent de ogen en richt zijn aandacht op de hond. Het beest is blij met die aandacht en gaat staan. Meer dan gewillig laat zij zich het aaien welgevallen. Misschien doet die vrouw het wel om hem te pesten? Of zou het om de hond gaan? Hij laat de hond de hond en als de serveerster zijn kant opkijkt bestelt hij nog wat te drinken. Hij rekent gelijk af zodat hij weg kan wanneer het hem uitkomt. De serveerster staat nu bij de vrouw. Ook zij rekent af en ook zij blijft nog zitten en nog steeds kijkt ze. Wanneer hij het glas naar zijn mond brengt merkt hij dat zijn hand trilt. Hij schrikt van zichzelf. Een kijkende vrouw doet hem meer dan hij dacht. Raar eigenlijk. Normaal is hij de spontaniteit zelve, legt makkelijk contacten en is zeker niet beducht om wat anderen over hem denken. Hij neemt zich voor om straks, als hij weg gaat, op haar af te stappen en te vragen waarom zij zo naar hem kijkt. Dat durft hij best.

Het glas is leeg en hoezeer hij het ook durft, er is wat tijd nodig om alle moed bij elkaar te rapen. Net als hij wilt gaan staan komt ook de vrouw overeind. Omdat hij de hond nog los moet maken is zij al onderweg naar de uitgang. Voor het etablissement ziet hij dat ze haar fiets van het slot haalt. Als ze opstapt kijkt ze hem, met een kleine glimlach om haar lippen, nog even aan. Dan fietst ze weg in de richting waaruit hij kwam. Ze kijkt nog een keer om en steekt als groet haar arm omhoog.

In vertwijfeling ziet hij haar gaan. De moede voeten zijn morgen voorbij. De vrouw zal nog weken door zijn hoofd spoken.

 

© peter gortworst / sept 2018

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat -26-

De laatste.

Toen kon ze nog op schoot…..

 

Nog een paar dagen en dan wordt ze 1 jaar. Tijd voor de 26e column over haar en hem. Het is tevens, met grote mate van waarschijnlijkheid, de laatste. Een heel jaar aan vreugdevolle, lastige, onbegrijpelijke, verrassende, ontroerende, humorvolle, tandenknarsende en schaterende belevenissen is vastgelegd en daarmee is het ook wel mooi geweest.

Niet dat Kuri inmiddels een gearriveerde, rustige en welopgevoede huisgenoot is geworden. Bijna dagelijks maakt hij wat met haar mee. Zo was daar het dagje aan het strand. Een Hollandse hond die nog nooit de zee heeft gezien, kan natuurlijk niet. Dat ze wat last had van haar darmen mocht de pret niet drukken. Een autorit van meer dan twee uur ook niet. Het zand alleen al was een belevenis: het stuift, je kan er hard in rennen en keren. Graven is helemaal het einde. De zee was eerst eng. Golven die zomaar verdwijnen, die maken dat je plotseling moet zwemmen en je ook nog terugduwen. Maar die tennisbal. Die zal, hoe dan ook, gehaald moeten worden.
Toen hij op de terugweg in Den Oever een haring hapte en een bakje kibbeling verorberde, weigert ze een stukje kibbeling. Raar maar de oorzaak werd duidelijk toen hij net de eerste sluizen van de Afsluitdijk gepasseerd was. Ze buigt zich voorover en produceert een kleine binnenzee met wat laatste resten van onverteerde brokken. De eerste mogelijke stop was het monument. Daar met een bekertje de wateroverlast, zo goed als mogelijk, bestreden en toen herinnerde hij zich dat zout water een prima braakopwekkend middeltje is. Net weg bij het monument verplaatst zij zich naar de laadvloer. Mocht hij vergeten zijn dat haar darmen niet helemaal in orde waren, zij laat hem wel weten dat het nog steeds zo is. De strontgeur verdwijnt niet met de ramen open en de eerste stopmogelijkheid is Breezanddijk. Een volle keukenrol als standaard auto-uitrusting lijkt hem in het vervolg geen slecht idee. Op de terugweg kip gekocht en haar, weer thuis, op een rantsoen van gekookt pluimvee met rijst gezet.

Een bezoekje aan het Tierpark in Nordhorn werd een belevenis waar zij, in de nacht die daarna kwam, heel veel van verwerken moest. De biggetjes waren leuk, de koe en de ezel groot, de aapjes niet interessant maar alle kinderen wel, de panter zag ze niet, de eenden onbereikbaar en de wolven gelukkig ook. Een glasplaat belette het lijfelijk contact tussen haar en de nazaten van verre voorouders. Dat was maar goed ook. Wolven, grommend en blaffend met de tanden bloot aan de ene kant en zij, borstelend van haar kruintje tot haar staart, aan de andere kant. Dat heeft indruk gemaakt. Een nacht met piepen en trekkende poten was dan ook niet verwonderlijk.

Bezoek is altijd leuk en op bezoek gaan, ook. Aandacht is het beste wat er is en ze leert al aardig dat je met kleine kinderen een beetje voorzichtig moet zijn. Dat valt niet mee voor een dame met een aangeboren lompheid maar ze doet (meestal) haar best. Dat doet ze ook met het opvolgen van commando’s. Vaak luistert ze maar de Oost-Indische doofheid slaat op cruciale momenten toe. Als er bijvoorbeeld een paar eenden in een moddersloot zitten of als er een jogger in een nogal strak pak van onnatuurlijk groen met roze (wie wil daar nu in lopen?), halt houdt om een praatje te maken. Dan kan je heel braaf aan de voet zitten maar zo’n man vráágt gewoon om aandacht. Het snoeiharde ‘NEE!!’ van de baas komt niet eens aan. Laat staan dat er naar geluisterd moet worden.
De drang om joggers, fietsers, trekkers, audi’s of toyota’s te apporteren is nog niet helemaal weg. Soms waagt ze het begin van een spurt maar zijn uitroep ‘Lekkers?’ wint het nog steeds. Dat lekkers in de vorm van stukjes kaas of gekookte worst zal altijd wel de motivatie blijven. Hij denkt niet dat ze daarin veel verschilt met soortgenoten.

Bijna 1 jaar dus en hij is blij met zijn trutje. De diepe zucht als ze haar kop op zijn been legt, het lekker tegen hem aanleunen als hij ’s morgens buiten op het bankje wakker zit te worden, het op je voeten gaan liggen als ze tijdens de wandeling even verplicht uit moet hijgen, het enthousiast komen brengen van haar kong als hij dat vraagt, het bij hem willen zijn als dit soort verhaaltjes geschreven worden….. het is genieten met een dikke vette G.

Het laatste verhaaltje van hem met zijn trutje. Zoals eerder geschreven is dit met een hoge mate van waarschijnlijkheid. Bij deze beloof ik haar trouwe fans dat, wanneer er belangwekkende gebeurtenissen plaats vinden, daar verslag van wordt gedaan. Die zullen niet geplaatst worden onder het hoofdstuk ‘Orde, rust en regelmaat’. Ik denk dat er een nieuw hoofdstuk gemaakt gaat worden. Welk weet ik nog niet. Komt tijd, komt raad. Voor nu neem ik afscheid. Hoog tijd om mij bezig te houden met de voorbereidingen van de verjaardag. Het ga jullie goed! Waf!

 

© peter gortworst / sept. 2018

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , , , | 5 reacties

Schrijver op de berg

 

Het bankje waar hij op zit is een halve boomstam en staat onder het ver doorlopende dak. Leunend tegen de houten gevel van het huisje kijkt hij uit over het dal. Niet dat daar veel te zien is. De regen valt overvloedig het uitzicht is met veel grijs en mistige flarden wolk zeer beperkt. Ook de stilte die hij gehoopt had hier te horen is daardoor weg. Het onbedaarlijk ruisen van de regen omringt hem en het water, wat via de regenpijpen over de aarde wegloopt, klatert niet vriendelijk maar bruist en dondert als een bezetene. Hoe lang dit gaat duren weet hij niet. Het enige wat hij weet is dat hij met dit rotweer wakker is geworden. Zijn mobieltje heeft geen bereik en als ze hier al iets hebben van een regenradar, heeft hij daar niets aan. Hoewel zijn oorspronkelijke plan best goed in elkaar zat, is alles is anders dan hij zich heeft voorgesteld. En dat ‘alles is anders’ is niet leuk.

Waarschijnlijk is gebrek aan slaap de oorzaak van zijn loslippigheid. Op een donderdagmorgen op je werk komen met een kop als een natte dweil roept bij een oudere collega de vraag op of hij slecht geslapen heeft. Zijn ‘Nee, het is laat geworden’ geeft een logisch ‘waarom?’ en dient natuurlijk ook beantwoord worden. Als hij, een tikje blozend, vervolgens bekent dat hij een boek aan het schrijven is en daar een groot deel van de nachtrust aan opgegeven heeft, wordt het plotseling voor die collega interessant. Dat had hij niet achter hem gezocht. Goh! Een doodgewone collega die een schrijver blijkt te zijn!

Als hij dan toch met de billen bloot moet dan ook maar helemaal en hij vertelt. Niets over de inhoud van het boek, nou ja, de grote lijnen, maar meer over de moeite die het kost om te kunnen schrijven. Dat moet in de gestolen uurtjes. In de weekenden en ’s avonds laat als de kinderen naar bed zijn en Janneke, zijn vrouw, voor de tv zit. Nee, zij vindt het niet leuk dat hij een boek schrijft. Het is ongezellig om alleen op de bank te zitten, alleen in bed te kruipen, een man in huis te hebben die er eigenlijk amper is. Hij begrijpt Janneke best en hoe vaak en hoe bevlogen hij ook aan haar vertelt dat zijn boek hun de kans geeft om uit de sleur van alle dag te komen, wat voor leuke dingen ze met het geld kunnen gaan doen, ze houdt haar twijfels en het lukt hem niet om haar enthousiast te krijgen. Zich spiegelen aan andere schrijvers die ook moeite hadden met hun eerste boek en hun armzalig bestaan, beurt hem dan wel op maar Janneke niet. Die meent dat er wel betere manieren zijn om extra geld in huis te halen maar zij heeft niet die drang die hij bijna dagelijks voelt. De drang om scheppend bezig te zijn, je waar te maken, uit te stijgen boven al je vrienden, kennissen en collega’s. Bekend en vooral gekend worden als iemand die meer kan dan men dacht.
Het hele verhaal, alle personages, alle gesprekken, alle sfeerbeschrijvingen, alle omstandigheden en zelfs het plot heeft hij al in zijn hoofd zitten. Als hij maar een paar dagen achter elkaar kon doorschrijven dan zou het boek zo goed als af zijn.

Als zijn collega hem zegt dat hij een huisje weet in Duitsland waar je door niemand gestoord wordt, komt dit als Gods woord in een ouderling bij hem binnen. Het is een beetje primitief maar het ligt prachtig tegen een bergwand met uitzicht over een dal. De weg daar naar toe loopt dood bij het huisje dus daar komt niemand. Zelf gaat hij daar in de zomer vaak naar toe en hij kent de verhuurder goed. Het is een boer die in het dal woont en hij kan deze man wel bellen om te vragen of je daar in een weekend terecht kan.

Het valt nog niet mee Janneke te overtuigen. Hij een beetje vakantie vieren in de bergen en zij opgesloten zitten in huis. Geen auto voor de deur want die heeft meneer mee en vrijdagmorgen gauw boodschappen doen voor het hele weekend omdat hij zo nodig vrijdagmiddag al wil vertrekken. Er vallen termen als ‘rotboek’ en er is zelfs sprake van enige achterdocht. Zijn aanbod om een selfie te sturen als hij daar is, wordt met een grimmig ‘Ja,ja’ aangehoord. Als hij haar een afscheidszoen wil geven draait ze demonstratief haar hoofd weg en gooit ze de voordeur met een daverende klap dicht.

De reis verloopt voorspoedig en dank zij het navigatiesysteem is de boerderij snel gevonden. Tot zijn schrik bemerkt hij dat zijn Duits niet zo goed is als hij dacht. Het duurt daarom even voor hij door heeft dat zijn auto hier moet blijven en de weg naar het huisje te voet afgelegd dient te worden. Als de boer zeker weet dat zijn huurder begrepen heeft dat hij over het bruggetje rechtsaf moet en alleen maar die weg hoeft te volgen, laat hij hem gaan. Een verdwaalde bewoner van dat vlakke Nederland in de bergen gaan zoeken is niet iets waar je op zit te wachten.

Een doosje met etenswaren onder de linkerarm en een rolkoffer voortslepen met je rechterarm is op een hobbelig karrespoor geen eenvoudige opgave. Het duurt daarom niet lang voor de koffer aan het handvat wordt gedragen. Met regelmaat worden doosje en koffer omgewisseld. Daar de weg alleen maar omhoog gaat, wordt elke wisseling tevens gebruikt om even op adem te komen. Net als de twijfel over de juistheid van de route opkomt, ziet hij het bruggetje. De weg rechtsaf is een steil omhoog lopend en smal pad. Op de steilste stukken heeft men van vlakke stenen iets van een trap gemaakt maar deze bestijgen zonder risico van onderuit gaan met beide armen vol, is te hoog. Het doosje met etenswaren verstopt hij daarom onder een paar struiken. Eerst maar die koffer omhoog slepen.

Via het pad dat af en toe zo vreselijk omhoog gaat dat men er zelfs haarspeldbochten in aangebracht heeft, komt hij puffend en hijgend en met een kop als een biet bij het huisje. Even waant hij zich een Israëliet die voor het eerst het beloofde land ziet. Hij stapt binnen en ontwaart een spartaans ingerichte kamer. Een enorme open haard domineert als een gek. In een hoek staat een tweepersoonsbed, de open keuken is niet meer dan een werkblad met twee kastjes eronder, een stenen wasbak en een houtgestookt fornuisje. In de andere hoek staat een eettafel met twee stoelen en voor de open haard een nogal verschoten sofa. Lichtelijk ontgoocheld kijkt hij om zich heen. Dat ‘een beetje primitief’ was, wat men noemt, een understatement. Hij laat de boel de boel en daalt het pad af om zijn doosje op te halen.

Het doosje ligt op zijn kant. De zak waar de kadetjes in zaten is leeg, de ham en de kaas zijn helemaal verdwenen en de tandensporen in de zo goed als lege plastic fles met twee liter halfvolle melk tonen aan dat de plaatselijk wildstapel zich dit buitenkansje niet aan hun uitstekende neus voorbij hebben laten gaan. Het pak koffie, de twee doosjes met gedroogde soep en de bekers met spaghetti bolognese die je tot het streepje met heet water moet vullen, zijn nog heel. Zachtjes vloekend klimt hij weer omhoog.

Als de kamer blauw staat van de rook herinnert hij zich dat de schoorsteen van de open haard eerst voorverwarmt moet worden door er een paar brandende kranten in te leggen. Hij neemt dit zichzelf niet eens kwalijk. Hij is ondertussen van de ene in de andere toestand van verbazing geraakt en inmiddels heeft deze de graad van verbijstering bereikt. De ontdekking dat er geen stromend water is maar een regenton met een kraantje is de eerste. De ontbrekende douche en de constatering dat het kraantje van de ton ook medeverantwoordelijk is voor de persoonlijke hygiëne, maakt twee. Na enig zoeken vindt hij het toilet. Een klein hok, zo’n 20 meter achter de berghut, met daarin een dikke balk boven een diep gat. In de gauwigheid telt hij 12 luchtverfrissers keurig op een rij aan een balkje van het dak. Desondanks stinkt het als een oordeel.
Het ontbreken van elektriciteit maakt duidelijk dat de olielamp er niet voor de show hangt maar het besef dat hij zonder die elektriciteit met zijn laptop weinig kan uitrichten overtreft alles. Dat waarvoor hij een lange rit gemaakt heeft, zijn Janneke verdrietig en boos achterliet, zijn weekend met een extra vrije dag opgaf om hier te kunnen schrijven valt in het water. Als hij dan ook nog ontdekt dat hij met zijn mobieltje geen bereik heeft en dus de beloofde selfie niet kan verzenden, vervalt hij in een diepe droefenis die gelardeerd wordt met dikke lagen zelfbeklag. Vechtend tegen de tranen stookt hij het fornuisje op en als er eindelijk koffie is en hij zijn noodlot tot aanvaardbare proporties terug heeft geredeneerd, besluit hij te gaan schrijven tot de batterij van de laptop leeg is. Dat is sneller dan hij dacht en in de hoop op een droomloze nacht, stapt hij in bed.

Wachten op beter weer is geen optie. In de bergen kan het van het ene op het andere moment opklaren maar daar heeft hij de tijd niet voor. Als er nog iets van zijn schrijfwerk terecht moet komen dan kan hij beter iets gaan doen. Er moet vast iets van een dorp of stad in de buurt zijn waar hij zijn verloren gegane proviand kan bijvullen en iets kan vinden om zijn schrijfkunsten de vrije hand te geven. Hij doet zijn jas aan en begint aan de lange weg naar het dal. Het blijkt een gevaarlijke onderneming. Het pad is een lange weg van glibberig modder en spekgladde stenen. Op enkele plaatsen heeft het water bezit genomen van het voetpad en er een waterweg van gemaakt. Hij sopt in zijn schoenen en met de nodige angst in zijn hart vreest hij de val die schijnbaar onvermijdelijk gemaakt zal worden. Niet alles gaat fout. Heelhuids bereikt hij zijn auto. De dichtstbijzijnde stad is een half uur rijden en ondertussen wordt zijn telefoon bijgeladen.

In de stad koopt hij twee dikke schriften, drie pennen en eten voor de resterende anderhalve dag. In een Kiosk neemt hij een bord patat met een halve kip en stuurt zijn selfie naar het thuisfront. Dat hij daar geen reactie op krijgt verbaast hem niet.

Als hij bij zijn berg aankomt is het droog en vol goede moed vangt hij de tocht naar boven aan. Dat het, dank zij de gladheid langer duurt dan gisteren, kan zijn pret niet drukken. Straks kan hij schrijven als een echte schrijver. Op papier met een pen en in armzalige omstandigheden zal zijn boek, zijn kindje, zijn roman waarmee hij zal debuteren en waardoor hij alom geroemd zal worden, gestalte krijgen. Het wordt een bestseller en Janneke zal trots op hem zijn.

Op één van de steilste stukjes schiet zijn rechterbeen naar links onder hem vandaan. Voor hij weet wat er gebeurt rolt hij de berg af en smakt tegen een grote steen die de eeuwigheid daar neer heeft gelegd. Maandagmorgen gaat de boer hem zoeken. De afspraak is immers dat hij zondagmiddag zou vertrekken. Hij is snel gevonden. Op het pad ligt een plastic tasje met boodschappen en een heel stuk lager ligt de eigenaar daarvan. Doodstil en in een rare houding. De bemanning van de heli haalt hem daar weg. Niet omdat er nog wat te redden valt maar omdat het zo een stuk veiliger is.

 

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: papercm.com  

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Regen

 

 

Lange tijd van uitzonderlijke droogte
En van hitte die lam maakt en lui.
Is eindelijk voorbij want vanuit grote hoogte
Valt een verfrissende bui.

Met schier ondoorgrondelijke logica
Verdrijft dit natte hemelwater
Mijn lust in ijsjes en alcoholica.
Ten laste van menig café-uitbater.

We kunnen wel wat water gebruiken,
Kwam uit de mond van velen.
En ziet, boven opent men de luiken.
De druppels veranderen in pijpenstelen.

Het gaat maar door en door en door.
En wordt een zomerse dag,
Met een riviertje in elk karrenspoor,
Verstiert met die broodnodige neerslag.

De regenton is vol en het is droog
En tot grote vreugde van de hond
Houd ik de riem uitdagend omhoog.
Helaas, daar is het volgende waterfront.

Mismoedig turen wij door de ramen
en bezien een weerkundige klucht.
Het valt niet te veronachtzamen:
’t water valt met bakken uit de lucht.

De tuin is nu ook zichzelf niet meer.
Hoe armzalig en sober het ook was
Menig kenner van enig waterbeheer
Kan weinig beginnen met dit nieuwe moeras.

De schaal gaat van vies naar viezerd
Maar wentelt als het bekende boomblad.
Wat nu neerkomt heet miezert
En daarvan wordt je ook nat.

Noem het hemelwater, bui of domweg regen.
Met standvastige gestadigheid,
Welkom of beslist ongelegen,
Vergaat de dag in vallende nattigheid.

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: nl.123rf.com

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , | 1 reactie

Aards bakkie

 

 

‘Dus jij bent, wat ze Duitsland noemen, een Schriftsteller?’
De eminente grijsaard vouwt zijn krant dubbel, legt deze op de stoel naast hem en kijkt hem over zijn halve brilletje nieuwsgierig aan.
‘Hm, ja, zo heet dat daar.’
‘En waarom schrijf jij van die verhaaltjes?’
‘Omdat ik het leuk vind om te doen. Om elk verhaaltje zo bondig mogelijk in goed Nederlands op te schrijven, is elke keer weer een uitdaging. Soms gaat dat heel snel en andere keren ben je dagen met een verhaaltje bezig omdat het maar niet goed wil worden.’
‘En wat verdien jij daar mee?’
‘Ha! Niks. Om eerlijk te zijn: het kost mij alleen maar geld. Dat geeft niet hoor. Elke hobby kost geld. Mijn beloning vind ik in het feit dat ik gelezen wordt en in de reacties die je soms krijgt’

Hij neemt voorzichtig het brilletje van zijn neus, vouwt de pootjes naar binnen en legt het met bedachtzaamheid op tafel. Dan buigt hij zich een beetje naar hem toe en zegt:
‘Nou, over mijn leven zou je een boek kunnen schrijven.’

 

Dat is een moeilijke zin. Hij heeft die al veel vaker gehoord. Een enkele keer heeft hij gevraagd wat er dan zo bijzonder in hun leven was dat dit wereldkundig gemaakt zou moeten worden. De antwoorden waren vaak teleurstellend. Een overwonnen ziekte, een droevig sterfgeval, een geweldige wereldreis, een zwaar ongeval, uit het oog verloren liefdes of een promotie op promotie. Voor de betrokkenen zijn die misschien wel levensbepalend geweest maar het grote publiek zit daar niet echt op te wachten. Tenzij je natuurlijk een bekend persoon bent. Dan schrijf je een boek over elke scheet die je dwars zit en is er altijd wel een uitgever te vinden die daar brood in ziet. Ieder ander maakt in zijn leven dingen mee die gewoon bij het leven horen. Het is slechts weinigen gegund om een leven te vieren wat zoetjes voortkabbelt en waarin geen schokkende dingen gebeuren.

Het is natuurlijk prima als je jouw ervaringen, je bergen en dalen, je geschiedenis op papier wilt zetten. Alleen het schrijven zelf geeft al voldoening en het helpt om voor jezelf dingen op een rijtje te krijgen maar verder zal het zelden tot een top-tien van meest verkochte boeken worden. Toch raad hij het mensen niet af. Je hoeft geen gevierd schrijver te worden om toch een bijdrage aan de geschiedenis te mogen leveren. Je nageslacht zal je er dankbaar voor zijn. Te weten wie en wat overgrootvader of moeder waren, hoe zij leefden en dachten, hoe hun wereld er uit zag is van een waarde die te vaak wordt onderschat. Het is niet zomaar geschiedenis. Het is jouw verhaal en het wordt hun geschiedenis.

Zijn tafelgenoot, de zich voornaam tonende grijsaard heeft natuurlijk ook zijn verhaal en de nieuwsgierigheid wint het.
‘Vertel,’ zegt hij uitnodigend.

 

En de grijsaard vertelt. Het begint normaal. Het gaat over zijn jeugd, zijn verliefdheid op dat ene meisje met wie hij uiteindelijk trouwde. Over de vier kinderen die zij kregen en die goed terecht gekomen zijn en over zijn carrière in de grafkistenfabriek.

‘Weet je,’ zegt hij, ‘de meeste mannen die last krijgen van hun midlifecrisis gaan gekke dingen doen. Ze kopen een motor, ruilen hun vrouw in voor een jonger exemplaar of willen met een zeilboot de wereld rond. Ik wilde een andere baan en uitvaartleider leek mij wel wat. Ik had natuurlijk contacten genoeg in die wereld en het was vrij eenvoudig om daar aan de bak te komen. Het leek mij zo mooi om mensen die te maken krijgen met het meest wezenlijke van het leven, de dood, te kunnen helpen. En het wás ook mooi. Zeker de eerste jaren maar gaandeweg loop je tegen wat mindere zaken aan. Omdat de kosten stegen moest er meer omzet gedraaid worden. Klanten heb je altijd. Dat is de enige en belangrijkste zekerheid in dit vak maar daar zo veel mogelijk aan verdienen is een ander verhaal. Ik weet nog dat er op een gegeven moment grafkisten op de markt kwamen van karton. Daar verdiende je geen stuiver aan dus tijdens het gesprek met de nabestaanden liet je even het zinnetje ‘vader begraven in een kartonnen doos’ vallen en geen mens durfde het daarna nog over dat soort kisten te hebben. Dat hele gedoe om steeds meer geld te verdienen aan mensen die op dat moment zeer beïnvloedbaar zijn, ging mij meer en meer tegen staan. En dan zit je tussen twee vuren. De klant die helemaal niet uit is op een dure kist omdat de overledene gecremeerd wordt en de baas die jouw dwingt om je uiterste best te doen toch die kist te verkopen.
En dan het menselijke aspect. Je moet je zakelijk opstellen maar dat lukte mij niet altijd.

En toen was er een vrouw waarvan de man was overleden. Zij gaf mij het besluit aan om het anders te gaan doen. Zij vertelde dat haar man een overtuigd communist was geweest die elke godsdienst werkelijk opium van het volk noemde. Men kon hem niet fanatieker krijgen dan door over de kerk of zo te beginnen. Op zijn sterfbed had hij plotseling liggen zingen. ‘De Heer is mijn herder, ik heb al wat mij lust. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden’. Ze wist werkelijk niet wat zij daarmee aan moest. Hij had bepaald dat tijdens het afscheid de Internationale gespeeld moest worden maar kon dat nog wel? Moest er niet toch een dominee komen? Moest er niet iets gezegd worden over die grazige weiden? Ja, en daar sta je dan. Wat moet je zeggen? Ik had toen ook maar een gewoon huis, tuin en keukengeloofje en daar kom je dan niet veel verder mee. We hebben zonder dominee de Internationale gewoon gedraaid en ik besloot om van de weeromstuit theologie te gaan studeren.’

‘Klinkt logisch.’

‘Ja hè? Dat dacht ik in al mijn naïviteit ook. Als je mensen wilt helpen, antwoorden wil geven op belangrijke vragen en geen gezeur over geld wil hebben, dan moet je dominee worden.’
‘En?’
‘’t Is niks geworden. Hoe meer ik leerde, hoe groter en talrijker mijn vragen werden en die kon ik niet kwijt. Ik heb moeilijke gesprekken gevoerd met de leraren maar ze konden mij niet overtuigen. Hoe kan je bijvoorbeeld een wereldbeeld, een visie op de vrouw of de verschillende vormen van relaties die schrijvers uit lang vervlogen tijden schreven en beschreven, toepassen op onze tijd? Dat wringt aan alle kanten en men weet dit! De kerk is niet voor niets voornamelijk gebaseerd op dogma’s die bepalen wat en hoe je moet geloven. Alsof de gelovigen een eenheidsworst zijn.  En weet je wat het gekke is? Toch geloof ik dat er een god is. Niet die van de kerken. Die bestaat volgens mij niet maar soms ontdek ik iets van god in gesprekken die ik heb gevoerd of tijdens een uitvaart. Nooit op het moment zelf. Altijd achteraf en als je dat met de familie bespreekt blijkt het vaak te kloppen. Ik denk dat er zonder mensen geen god is maar ik ben daar nog lang niet over uitgedacht. Misschien zal ik het ooit weten maar zolang dat nog niet het geval is, blijft het een prachtige ontdekkingsreis. Mooi is dat hè?’

‘Het klinkt goed. En toen? Bent u uitvaartleider gebleven?’

‘Nee, ik heb de wereld van uitvaarten gedag gezegd en doe nu een jaar lang niets. Financieel kan dat best uit en in dit jaar ben ik goed aan het nadenken over wat ik zal gaan doen. Ik heb van het jaar nog drie maanden over en wat ik zeker weet is dat ik niet terug ga naar het bedrijfsleven. Ik heb mijn bekomst van steeds meer en steeds beter. Zo af en toe help ik bij de voedselbank en ze hebben mij gevraagd om hen te helpen met het bepalen van beleid op langere termijn. Ik denk dat in dit soort werk mijn toekomst ligt.’

 

Ze zwijgen beide. De ene verwerkt wat hij heeft gehoord en de ander overdenkt wat hij heeft gezegd. Dan vraagt de grijsaard:
‘Wat denk je? Is het een boek waard?’

‘Ik denk dat u een levensinstelling heeft die u zeker moet delen met uw kinderen en kleinkinderen. Alleen daarvoor al zou ik het opschrijven. Wat uw ontdekkingsreis betreft in het geloof: volgens mij zijn daar al een professor en andere knappe koppen mee bezig geweest en hebben hun bevindingen ook gepubliceerd. Wat misschien mooi zou zijn is uw ontdekkingsreis te beschrijven in een taal die iedereen verstaat. Het taalgebruik van een professor is voor een niet-academicus wat lastig te volgen dus als u het voor elkaar krijgt om het in ‘normaal’ Nederlands te schrijven, zou dat best wel aan kunnen slaan. U bent niet de enige die zich daarover vragen stelt. Ik denk dat er binnen en buiten de kerk genoeg zijn die dit willen lezen. Het is een gok want zonder nog te ontdekken antwoorden ben je kwetsbaar maar als je deze kwetsbaarheid met de lezer deelt kan het ook je kracht worden.’

De grijsaard leunt achterover en kijkt nadenkend uit het raam.
‘Ja,’ zegt hij dan, ‘en als het niks wordt weet in ieder geval mijn nageslacht het. Goed, dankjewel, ik ga er mee aan de slag. Wil je nog koffie?’

‘Hm, ja, lekker. Even weer terug op aarde.’

 

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: esnverhuur.nl

    

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Stiekeme snoepert

Het roezemoest in het winkelcentrum. Een typische zaterdagmiddagroezemoes die bestaat uit muzak, huilende, lachende of krijsende kinderen, mensen die al pratend voorbij lopen of pontificaal midden in een looppad de doorgang blokkeren omdat de laatste ontwikkelingen van kleine Dennis gedeeld moeten worden met andere geïntersseerden. Gehaaste doelbewuste kopers, slenterende etalagebewonderaars, jeugdige macho’s in strakke T-shirts, slecht ter beengaanders achter de rollator en giebelende meiden. Het gebruikelijke bonte gezelschap wat je in elk winkelcentrum tegen kan komen.

Ik zit aan mijn extra large en extra sterke cappuccino als er een man mijn tafeltje passeert. Leeftijden schatten is niet mijn sterkste punt. Mijn schattingen zijn, voorzichtigheidshalve, steevast te laag en er is tot nu toe niemand geweest die daarover geklaagd heeft. Integendeel zelfs. Deze man schat ik op begin zestig. Hij zet zijn dienblad op een tafeltje bij de muur, hangt zijn jas over de leuning van de stoel en als hij gaat zitten, schuift hij het dienblad naar zich toe. Daarop bevinden zich een kopje koffie en een knaap van een moorkop.

De maatschappelijke discussie over de benamingen van etenswaren ben ik een beetje kwijt. Er was nogal wat te doen over negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken maar ik zou niet weten of de moorkop ook in dat rijtje thuis hoorde. Zo niet, dan zou dat alsnog moeten. Wat ik wel weet: zo’n ding is, met alleen een gebakvorkje, verdraaid lastig te eten.

Mijn observatieobject weet dat waarschijnlijk ook want hij heeft mes en een vork ter hand genomen en snijdt het gebak vakkundig in hapklare brokken. Met een onwaarschijnlijke snelheid verdwijnt dat ding tussen zijn malende kaken en met een servetje veegt hij zijn lippen schoon. Dan zet hij het koffiekopje op de tafel. Hij staat op en het dienblad met schoteltje, gebruikt servetje en bestek schuift hij in één van de klaarstaande trolleys. Als hij weer zit, nipt hij voorzichtig aan de hete koffie en kijkt af en toe naar de ingang.

De koffie is net op als hij met zijn arm een zwaaiende beweging maakt. Een vrouw, waarschijnlijk zijn vrouw, ploft op de stoel tegenover hem. Een meegevoerde grote doos, omhuld met cadeaupapier van een speelgoedketen, zet ze naast haar stoel. De menukaart wordt uit de staander getrokken en even later staat de man op om het gewenste te halen. Als hij wegloopt pakt ze snel het lege koffiekopje, kijkt er in en ruikt er aan om vervolgens met gespeelde onschuld de omgeving in zich op te nemen.

De man komt terug en op het dienblad staan twee koffiekopjes, een vruchtengebakje en een knaap van een moorkop. Die stiekeme snoepert!

 

© peter gortworst / aug 2018
foto: gemakgebak.nl

   

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties