Weemoed

 

Ze leest, voor de zoveelste keer, het briefje wat op tafel ligt. Ik kom morgen, woensdag, om 10 uur en neem iemand mee. Liefs Ans staat er. Dat is vandaag en sterker nog, dat is straks. Ze weet precies wie haar dochter meeneemt. Het is niet de eerste keer dat Ans zich zorgen over haar maakt en nu komt ze met iemand die moet beoordelen hoe ver ze heen is. Dat is natuurlijk onzin. Als je tegen de honderd loopt is het toch niet zo vreemd dat je af en toe wat vergeet? Goed, soms is het vervelend maar meestal is het helemaal niet zo erg. Dat haar gasfornuis het niet meer doet was ze bijvoorbeeld vergeten. Ze had zich verheugd op spruitjes, kruimelige aardappelen en een mooie gehaktbal. De maaltijden die haar worden gebracht en die ze alleen maar op hoeft op te warmen in de magnetron, smaken haar niet meer. Alles smaakt hetzelfde. Er zit geen kraak of smaak aan en daarom wilde ze zelf weer koken. Ze was naar de winkel gegaan. Thuis maakte ze alles klaar maar toen ze de braadpan met een flinke klont boter op het fornuis zette, ging het vuur niet aan. De buurman die ze om hulp vroeg, had gemeen gelachen. Het was maar goed dat ze het fornuis afgekoppeld hadden. Wilde ze soms weer de boel in de fik steken? Was ze het melkpannetje op het fornuis vergeten? Dat was ze inderdaad maar toen wist ze het weer. Ze kon niet slapen en een beetje warme melk zou vast wel helpen. Terwijl de melk warm werd kon zij wel even wat anders doen maar ze werd in die bezigheden ruw gestoord. De buurman, die gelukkig laat thuis kwam, zag donkere wolken uit het keukenraampje komen en bonkte op de ramen. Alles was zwart in de keuken en het pannetje gesmolten. Jammer want het was een fijn pannetje.

Ze hoort de voordeur van het slot gaan en haar dochter komt binnen. Achter haar aan komt een vreemde vrouw. Ze geeft haar een hand en ze vertelt dat ze even komt praten. Ze kijkt wat bevreemd naar die vrouw en heeft geen idee waarom ze met haar zou moeten praten. Ans had wel eens kunnen zeggen dat ze iemand mee neemt. Ze gaat in haar stoel bij het raam zitten. Haar dochter vist een thermoskan uit haar tas en haalt drie kopjes uit de keuken.

‘Ik kan ook wel even koffie zetten hoor,’ zegt ze.
‘Nee mam, dat hoeft niet. Ik heb thuis al koffie gemaakt.’

De koffie is heet en sterk. Precies zoals ze hem graag heeft.
Ondertussen heeft de vreemde vrouw papieren uit haar tas gepakt en legt die op haar schoot.
‘Zo,’ zegt ze dan na haar eerste slokje, ‘kunt u mij vertellen wat voor dag het vandaag is?’
‘Ach, dat is toch niet zo belangrijk? De dagen komen en gaan en voor mij maakt het niet uit welke dag het is. Als je zo oud bent als ik heb je weinig om handen en glijden de dagen als los zand door de vingers. Wat een rare vraag overigens. Waarom wilt u dat weten?’
Dan herinnert zij zich plotseling het briefje.
‘Maar vandaag is het woensdag. Toch?’
‘Ja hoor, de hele dag,’ en ze schrijft iets op haar papier.

Ze bladert even door de papieren en zegt dan:
‘Ik zie dat u nog een jonge meid was in de oorlog?’
‘De oorlog?’
‘Ja toen de nazi’s hier waren. De bezetting.’
Er gaat haar een licht op en een blos trekt over haar witte wangen.
‘Maar dat weet niemand hoor!’
‘Wat weet niemand?’
En ze vertelt. Van der Stephan, die lieve jongen die helemaal geen soldaat wilde zijn. Die vele malen liever bij zijn ouders op de boerderij gebleven was. Die met haar droomde over de tijd dat de oorlog voorbij zou zijn. Met wie ze in het diepste geheim verkering had en hem lief had zoals alleen een tiener dat kan. Die plotseling verdwenen was en van wie ze nooit meer iets had gehoord. Ze vertelt van de verduistering, de honger, de razzia’s en de angst. Alles weet ze nog en hoe meer ze vertelt hoe meer ze zich herinnert.
‘Wie was toen koningin?’ vraagt de vreemde vrouw.
‘Wilhelmina natuurlijk. En daarna kwam Juliana. Dat was een hele lieve vrouw. Ze was zo gewoon. Niet zo star als Wilhelmina. Gewoon een lief mens. Mijn Dirkje heeft haar nog een brief geschreven toen ze ging emigreren en ze kreeg een hele lieve brief terug.’

De vreemde vrouw bladert weer in haar papieren.
‘Weet u hoe het met Dirkje gaat?’
‘Nee. Ze schrijft niet zo vaak maar ik denk dat het wel goed gaat.’
‘Mam,’ zegt Ans, ‘Dirkje is toch overleden?’
Ze schrikt zichtbaar en slaat haar hand voor haar mond.
‘Nee toch! Is Dirkje dood? Wat vreselijk! Hoe kan dat nu?’
De tranen beginnen over haar wangen te lopen en zacht snikkend huilt ze.
‘Dirkje is nu 8 jaar geleden overleden. Ze had kanker,’ zegt Ans.
Door de tranen heen kijkt ze naar Ans.
‘Dat wist ik helemaal niet. Waarom vertel je mij dat nu pas? Mijn Dirkje dood?’

Ze zwijgt en lijdt. De vreemde vrouw en Ans wachten tot ze haar ogen heeft gedroogd met het zakdoekje dat ze aangereikt krijgt. Dan, bijna fluisterend, vertelt ze van de tijd dat haar kinderen nog jong waren. De tijd van het gelukkige gezin, papa die nog leefde en de tijd zonder armoe. Van Dirkje die altijd alles alleen wilde doen en net zo goed kon timmeren als haar vader. Die Nederland te klein vond en de wijde wereld in wilde en dat ook gedaan heeft. Hoe meer ze vertelt hoe weemoediger ze wordt. Alles is verandert, er gaan steeds meer mensen om haar heen dood, ze kan niet alles meer wat ze vroeger wel kon en het enige wat ze nog heeft zijn haar herinneringen en ook die vervagen. Langzaam zinkt ze weg in de tijd.

De vreemde vrouw staat op en verdwijnt met Ans in het halletje.
‘Mij is het wel duidelijk,’ zegt de vreemde vrouw, ‘Blijft u nog maar even bij uw moeder. Ik kom er wel uit.’
Als Ans de kamer in komt, zit haar moeder met gesloten ogen en de kin op de borst, in haar stoel. Ze gaat tegenover haar zitten en kijkt naar haar. De sterke, vrolijke vrouw van toen is er niet meer. De moeder die altijd wel een oplossing wist voor elk probleem, die van veel de humor in zag, die immer klaar stond voor iedereen is een oud en breekbaar mensje geworden. Nog geen schim van het verleden. Ans blijft naar haar kijken en realiseert zich dat ook zij wordt overvallen door weemoed. Mooie, pijnlijke en warme herinneringen dringen zich aan haar op. Met een lach en een: ‘Kom op meid, achter de wolken schijnt de zon.’ wist mams haar vaak het verdrietige te laten vergeten. Ze heeft er een lief ding voor over als haar moeder nu op zou kijken om met de lach van toen, het haar nog één maal te zeggen.

 

 

© peter gortworst / aug 2019
afbeelding: shsel.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Achteraf

Achteraf gezien had men beter niet of beter wel, wordt iets duidelijk of toch minstens begrijpelijk, worden zaken verklaarbaar of juist niet en blijkt men dom te zijn geweest of uitzonderlijk slim. In de meeste gevallen schiet men er echter niets mee op en kan men alleen concluderen dat, bij dit achteraf-gezien-gedoe, men een koe in de kont kijkt.

Het is zo’n vroege zomermorgen waar mensen van kunnen genieten. Niet te warm, een enkel wolkje dus een mooie opkomende  zon en een wind die de haren streelt en speelt om blote benen. In de auto, op weg naar huis, heeft men daar geen oog voor. Daar heeft men meer dan genoeg aan zichzelf. Beiden in een stadium van verbijstering, ongeloof, verongelijkt- en kwaadheid.

Achteraf gezien hadden ze dit niet moeten doen. Het idee was goed maar met de uitvoering daarvan hadden ze beter kunnen wachten. Via een gemeenschappelijke vriend hadden ze elkaar leren kennen. Zij had net haar relatie beëindigd en hij was al drie jaar alleen. En tja, hoe gaat dat? Ze raken met elkaar in gesprek, blijken raakvlakken en gezamenlijke interesses te hebben en, niet geheel onbelangrijk, ook interesse in elkaar. De constatering dat hij de wat flierefluiterige losbol is en zij de berekende en controlerende, wordt niet als een probleem gezien. Integendeel zelfs. Ze zijn overtuigt dat ze van elkaar kunnen leren om het perfecte koppel te gaan vormen.
Hij adoreert haar en doet bijna alles om het haar naar de zin te maken. Zij accepteert dat welwillend zoals alleen een koningin dat kan. In bed is zij de onverzadigbare en luidruchtige tijgerin die haar prooi niet loslaat en zonder het zich bewust te zijn, zakt zijn verstand langzaam tot broekzakhoogte. Niet alleen wanneer het bed, de bank of de keukentafel in zicht zijn maar continue. Een vrouw die zo onverzadigbaar is kent hij alleen van sterke verhalen en nu is het een bijna onwerkelijke werkelijkheid. Dat er dan van enige reflectie of logisch en nuchter nadenken geen sprake meer is, moge voor ieder duidelijk zijn. Niet voor hem. Zonder het zelf te weten is hij zichzelf niet meer.

Dat hij zijn eigen huis heeft en geen aanstalten of toespelingen maakt over bij elkaar intrekken, zint haar niet. Elke keer dat zij er over begint, wimpelt hij het onderwerp weg en het maakt haar achterdochtig. Hij kan dan wel zeggen dat hij lange dagen maakt en zijn rust ’s avonds gewoon nodig heeft maar is dat wel zo? Hij kan hier toch ook uitrusten? Haar slechte ervaringen uit een recent verleden voeden de argwaan en dat maakt een relatie er niet beter op. Wie zegt dat ook hij er niet een dubbel leven op na houdt en haar gebruikt voor de seks? Toch, als ze ziet en merkt wat hij allemaal voor haar doet, lukt het haar vaak om deze gedachten te verdrijven. Hij is gewoon niet slim genoeg voor een dubbel leven. Een goede en wat naïeve sul is het. Ze weet zich door hem op handen gedragen maar die achterdocht gaat nooit helemaal weg. Het zal, achteraf gezien, toch wat zijn als zou blijken dat ook hij niet deugt.

Geen van beiden weet hoe en wanneer het idee is ontstaan om samen op vakantie te gaan. Hij heeft een tent met alle benodigde  kampeerspullen en vertelt vol enthousiasme hoe mooi en ontspannend het is om in een tent te slapen, pannenkoekjes te bakken als ontbijt, te gaan slapen als het donker wordt en wakker te worden als de zon opkomt, alleen in de tent te zitten als het regent en zelfs dan is het nog ronduit romantisch. Zij heeft nog nooit gekampeerd maar laat zich overhalen. Ze gaan met haar auto en samen zoeken ze een Oost-Europees land uit wat niet te ver maar wel mooi is en betaalbaar. Als ze haar grote koffer van zolder haalt kijkt hij daar wat misprijzend naar. Een krat is beter omdat je die kan stapelen en rokjes, panty’s, witte blouses en nette schoenen neem je niet mee als je gaat kamperen. Het moet allemaal ‘makkelijk’ zijn en hoe meer hij dat woord gebruikt hoe ongemakkelijker zij zich voelt.

Achteraf gezien is niet precies te zeggen waar het fout is gegaan. Vaak is de oorzaak een opeenstapeling van kleine wrijvingen. Nu geeft wrijving ook warmte maar als dat niet als zodanig herkent wordt, is de kans groot dat het een moeilijk te bedwingen vuur wordt. Het kan natuurlijk zijn dat hij iets te lang naar die twee bevallige meiden kijkt bij het wegrestaurant. Misschien is het haar weigering om de twee luchtbedden op te pompen omdat ze meent er een lam been aan over te houden. Zijn weigering om, vanwege haar luidruchtigheid, met haar in de tent te vrijen, is natuurlijk ook een dingetje. Die ene rottige mug in de tent die haar wakker houdt en die hij niet belangrijk genoeg vindt om daar zijn slaapzak voor uit te komen, zet ook kwaad bloed en dan is daar nog die vermeende orgie in de kookruimte van de camping:
Ze hebben een mooi stuk vlees gekocht en hij biedt aan om dit vakkundig te gaan braden. Op een paar meter afstand van de kookruimte hoort hij een aantal vrouwen, die daar eten aan het koken zijn, al kwebbelen. Hij verstaat er geen woord van maar dat hindert niet. Als hij naar binnen stapt valt het stil. Blijkbaar is een man in deze ruimte een bijzonderheid. Hij zoekt een fornuis wat niet gebruikt wordt, doet de echte boter in de pan en zoekt de lucifers. Die zijn er niet. Vragend kijkt hij naar de dames en met handgebaren probeert hij duidelijk te maken dat geen vuur ook geen braadsel geeft. Eén van de vrouwen komt naar hem toe, pakt de koekenpan, vlees en boter van hem af en neemt hem mee naar buiten. Zij gebaart dat hij dáár moet wachten tot zij klaar is met zijn vlees. Binnen zwelt het kwebbelen weer aan tot het gebruikelijke niveau. Het duurt even maar dan komt de vrouw naar buiten met een mooi gebruind stuk vlees en de rest van de boter. Zo goed en kwaad als het gaat, bedankt hij haar en loopt dan terug naar de tent. Ze zit in de auto met de deuren wijd open. In geuren en kleuren vertelt hij van zijn belevenissen. Ze kan er niet om lachen. Integendeel zelfs want wat voor vrouw was dat? Waarom zal een wildvreemde vrouw zoiets doen? Wat heb jij gedaan om haar zo ver te krijgen?
Als zij dan ook nog met vage redeneringen, want wie weet wat die vrouw met het vlees heeft gedaan, weigert haar stuk te eten en het zelfs met een theatraal gebaar in de afvalzak dumpt, is bij hem de maat vol.

Het gesprek was niet bepaald vrolijk. Het was ook niet, dankzij de gehorigheid op een camping, met veel stemverheffing. Het was wel indringend. Zij constateren beiden dat zijn flierefluiterige losbolligheid haar de neusgaten uitkomt en dat haar berekenen, controleren en achterdocht hem gestolen kan worden. Natuurlijk zijn er verwijten. Het in goede harmonie uit elkaar gaan is niet ieder gegeven. Als zij zegt niet nog een nacht in die rottent te willen slapen, breekt hij de tent af en sleept de complete kampeeruitrusting in de auto.

Als ze in het donker onderweg zijn, zegt hij zeer beslist dat hij eerst naar zijn huis rijdt. Daar wil hij alle kampeerspullen uitladen zodat zij met haar eigen auto naar haar woning kan. Hij heeft er geen zin in om achteraf nog alles bij haar op te halen. Meer wordt er niet gezegd. Beiden zijn vol van hun eigen gedachten en ze weten niet van elkaar dat er een zekere mate van opluchting en een zichzelf hervinden heerst.
Zoiets wordt vaak achteraf duidelijk.

 

©peter gortworst / juli 2019
maker afbeelding: Picasa

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 8 reacties

Gedicht

Een mooie tekst die zomaar opduikt en die ik graag met mijn lezers deel:


Gedicht: Lucienne Stassaert • Zeggen: gemis is een beproeving

Uit Intermezzo, de nieuwe bundel van dichteres en kunstenares Lucienne Stassaert.

Zeggen: gemis is een beproeving
is niet de volle waarheid

een deel van een giftige vrucht
dat je leven nog steeds
niet in gevaar heeft gebracht –

Zeggen: het gaat wel over
is een blote leugen:

iets om te verzinnen
tijdens een verwelkingsziekte –

Zeggen: geduld oefenen helpt
is een drogbeeld

met toenemende schaduwen
in een wildgroei van gedachten –

Zeggen: hoe houd ik dit vol
is een vraag die je kan stellen

op het ritme van een hart
dat nog niet wil breken.
Lucienne Stassaert (1936)
uit: Intermezzo (2019)

• • •

Geplaatst in van alles... | Tags: , , | 1 reactie

De kortste nacht

Het is 1 uur in de morgen als hij het huis uitloopt. Hij gaat de straat uit, slaat rechtsaf en volgt het kanaal tot voorbij de bocht. Voor de weinige huizen die daar staan, bevindt zich een bankje. Hij gaat zitten en ziet tot zijn genoegen dat het aan de oostelijke horizon niet echt donker is. De flarden van wolken tonen blauwzwart en hij weet dat het zwarte langzaam verdwijnt, het blauwe steeds lichter kleurt en uiteindelijk de rode zon boven de kim zichtbaar wordt.

Hij heeft dit al zo vaak willen doen. De kortste nacht en daarmee de langste dag vieren. Wakker zijn als het licht wordt en de wereld om hem heen zien ontwaken. De eerste merels horen zingen, de natte dauw van de ochtendnevel voelen op zijn gezicht en blote benen en de eerste dorpelingen die op weg zijn naar hun werk of de hond uitlaten, te zien gaan. De kou rond zijn benen wordt hem een beetje te gortig. Hij trekt de knieën op, rits zijn jas los en verstopt zijn benen onder de jas. Straks als de zon schijnt zal hij weer langzaam warm worden. Het vooruitzicht doet hem nu al genieten.

De rust wordt plotseling verstoord. Een stuk naar rechts plonst een eend luid kwakend in het water. Opgeschrikt door de hond met één achterpoot. Hij kent die hond en hij denkt niet dat de eigenaren weten van deze nachtelijke excursie. Het beest loopt met de neus naar beneden langs de waterkant en krijgt hem plotseling in de gaten. Hij bevriest ter plekke en na wat inleidend gegrom, produceert het dier een blafconcert.
‘Sssst,’ sist hij maar dat werkt averechts. De hond springt nu blaffend heen en weer.
‘Kom eens hier,’ zegt hij zacht maar enige wat dat oplevert, is een hond die een omtrekkende beweging maakt over de straat die achter hem ligt. Schuw kijkend met een luide blaf passeert de hond hem. In het huis achter hem gaat een rolluik omhoog. Het spijt hem dat de nachtelijke rust van de bewoner is verstoort maar veel is er niet meer aan te doen.

In het oosten wordt het steeds lichter. Het zal niet lang meer duren voor de eerste vogels aan hun concert beginnen. De opgejaagde eend zwemt hem voorbij maar meer dan een wat argwanende blik wordt hem niet gegund. Achter zich hoort hij een huisdeur in het slot vallen. Die is er vroeg bij, denkt hij nog.

De eerste merel en de eerste zanglijster gaan zingen. Bijna gelijktijdig hoort hij een winterkoninkje. Dat klopt niet met wat hij geleerd heeft. Die horen veel later te beginnen maar misschien heeft ook dit wel te maken met de opwarming van de aarde. Plotseling zegt iemand achter hem ‘Moi!’ Hij kijkt even om en langzaam passeert er een man op de fiets. ‘Moi!’ zegt hij terug en als hij wat langer gekeken had, was hem opgevallen dat de man hem secuur observeerde.

Het kan ieder moment zo ver zijn. Het is nu al zo licht aan het worden dat het een kwestie van minuten is voor de zon zich aan de horizon laat zien. Gespannen tuurt hij naar de lichtste plek en weet dat het bijna zo ver is. Achter hem stopt een auto. Portieren slaan dicht en twee stemmen wensen hem een goede morgen. Hij kijkt om en ziet twee agenten over het gras naar hem toelopen. Pontificaal gaan ze voor zijn neus staan.
‘Wat doet u hier?’
‘Zitten.’
‘Mogen we vragen waarom?’
‘Ja hoor. Doe maar.’
De agenten zijn even stil en kijken elkaar aan.
‘Heeft u een legitimatie bij u?’ vraagt de ene.
De ander buigt zich naar hem toe en vraagt, terwijl hij zijn adem probeert te ruiken:
‘Heeft u gedronken?’
Hij kijkt de agenten wat verbaasd aan en zegt dan:
‘Nee en nee. Ik zit hier alleen maar omdat ik de zon op wil zien komen en sorry dat ik het zeg: jullie verpesten nu dat moment.’
‘Wij kregen verontrustende telefoontjes van mensen die het maar vreemd vonden dat u hier zit,’ verklaart de ene. ‘Gaat het wel goed met u?’
‘Ach, die mensen hebben nog nooit van de zonnewende gehoord.’
‘De wàt?’
‘De zonnewende. Vandaag is het de langste dag ofwel de kortste nacht. Vanaf nu worden de dagen weer korter en als je het weten wil: over een half jaar staat de kerstboom weer in huis. En over hoe het met mij gaat: het ging fantastisch tot jullie kwamen. Kijk maar achter je. De zon staat al boven de horizon. Het mooiste moment heb ik gemist.’

De agenten draaien zich inderdaad om en staren zwijgend naar de rode zon. Ze lopen een stukje bij hem weg om te overleggen wat te doen. Dan komen ze terug en beginnen weer over een legitimatie. Hij noemt zijn naam en adres en terwijl de ene in de auto gaat zitten blijft de ander bij hem staan. Als de ander terug komt knikt deze even.
‘Volgende keer wel een legitimatie meenemen’, beleert hij hem.

Ze lopen naar het huis achter hem en praten met de bewoner. Hij kan niet horen wat er gezegd wordt. Dan stappen ze in en vertrekken.

Hij probeert nog te genieten van de steeds warmer wordende zon maar het gemiste moment door zo iets doms, zit hem te veel dwars.
De zon schijnt voor iedereen maar soms zou je willen dat het anders was.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: pixabay.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

200

Stomtoevallig ontdekte ik dat mijn laatste verhaaltje nummer 199 was. Ik ben niet zo met getallen bezig maar een getal als 200 kan je niet ongemerkt voorbij laten gaan. Daarom ook dit stukje. Op zich is een getal van 200 niet iets noemenswaardig. Het getal 100 of 250 spreekt meer tot de verbeelding. Een kwart eeuw stadsrechten of de eerste 100 euro aan spaarcentjes als je van je ouders voor een hondje moet sparen. Dát zijn getallen die ergens over gaan. Toch vind ik 200 verhaaltjes bijzonder omdat juist dit ‘verhaaltje’ mij de kans geeft op wat zelfreflectie. Mijn kenners weten dat het aantal lezers per dag, week of jaar mij niet veel doet. Het is vele malen leuker om te zien vanuit welk land zij mijn verhaaltjes lezen. Want is dat een Nederlander die op zijn hotelkamer in Hongkong zit en uit verveling toch iets te lezen wil hebben of is het een Hongkonger die Nederlands leert en mijn schrijfseltjes als leerstof gebruikt? Fantasie is ook hier leuker dan de rauwe werkelijkheid.

Mijn zorgeloosheid aangaande cijfertjes kan ik ook volhouden omdat er niets aan vast zit. Niemand klaagt als er vandaag één bezoeker is en niemand raakt euforisch als het er 1000 zijn. Dat is ook de reden dat ik geen reclame bij mijn verhaaltjes duld. Zodra er verdient kan worden zijn cijfertjes plotseling wel belangrijk en ik wil voorkomen dat ik in die valkuil stap. Uiteraard moet ieder doen wat hem of haar goeddunkt maar schrijven is voor mij een hobby en een hobby kost geld. Die 27 cent per dag kan Bruintje voorlopig nog wel trekken.

Als ik de titels lees van mijn verhaaltjes valt mij op dat er verschillende zijn waarvan ik absoluut niet meer weet waar ze over gaan. Die noem ik de ‘vanzelfjes’. Ik krijg een idee voor een verhaaltje, schrijf dat zonder veel schaven, schrappen of herschrijven op en het is klaar voor publicatie. Dat geeft voldoening maar wat meer voldoening geeft zijn de verhaaltjes waar ik wel veel aan moest veranderen. Soms heb je dat. Je krijgt niet op papier wat er in je kop zit, elke keer herlezen geeft net zo vaak herschrijven en je kan blijven schaven tot je een ons weegt. Als zo’n verhaaltje dan klaar is en je publiceert het, dan nog kan het voorkomen dat je bij herlezen, weer woorden of zinnen verandert. De verhaaltjes ‘Gierzwaluwen’ en ‘Kiezen’ behoren bijvoorbeeld tot die categorie.
Het leukste zijn de verhaaltjes die ontspruiten uit een vaag idee. Meestal moet dat broeden, soms moet er wat speurwerk gedaan worden omdat wat ik schrijf, natuurlijk wel moet kloppen en als het dan zo ver is dat het broedsel volmaakt uit het ei komt, is dat een zinnenprikkelend genoegen.

Mijn verhaaltjes over Kuri in de serie ‘Orde, rust en regelmaat’ bewaar ik als een kostbaar aandenken. Met mijn huidige lichamelijke toestand kan ik haar niet houden. Het is geen gezapig huisdier. Het is een hond die veel energie heeft en de daarbij behorende beweging kan ik haar vooralsnog niet geven. Geen gemakkelijke beslissing maar voor haar wel de beste. Ze heeft een geweldig nieuw thuis gevonden en afgaande op berichtjes, foto’s en video’s gaat het haar goed.

Wat mij veel plezier gegeven heeft is de serie over Mannes in het veen. Bij het schrijven van de eerste aflevering had ik nog geen idee waar het naar toe zou gaan. Het complete verhaal heeft zich zelf geschreven en dat was een spannend proces. Het heeft mij wel geleerd dat het schrijven van een boek ook zo kan gaan. Een bedacht plot kan zomaar wegvallen, schrijfstijl moet consequent zijn en eerdere gebeurtenissen moeten logisch ingepast kunnen worden in latere. Het is niet voor niets dat ideeën voor een boek voorlopig maar het beste ideeën kunnen blijven.

Ook grappig: mijn mini-onderzoekje naar de herkomst van de derde pinksterdag in de Zaanstreek wordt elk jaar tegen Pinksteren veelvuldig gelezen. Een jaarlijks terugkerend genoegen.

Fantasie is iets moois. Het gebruik daarvan geeft talloze mogelijkheden. Het onmogelijke wordt simpel mogelijk en zolang de dikke duim overvloedig geeft, zijn de verhaaltjes legio. Toch ligt daar niet mijn eerste voorkeur. Die ligt nog steeds bij echte mensen. Niets is zo kleurrijk en echt als het beschrijven van mensen en hun belevenissen. Vaak ontkom je er niet aan om het verhaal met wat fantasie te larderen maar meestal is het een voorrecht om de gebeurtenissen te zien, te horen of mee te beleven. Soms is het tragisch komisch zoals in ‘Er gebeurt hier niks’ en soms alleen maar tragisch zoals in ‘Schrijver op de berg’ of ‘Hermann’.

Tot slot een oprecht woord van dank aan al mijn trouwe volgers en lezers. Dank voor alle opmerkingen, kritische noten en likes. Het is bekend dat een schrijver gelezen wil worden en jullie geven mij die voldoening.  Ik beloof bij deze dat ik met plezier naar de 300 ga en ook dan jullie daar deelgenoot van maak.

Een lieve groet en ik hoop dat het jullie goed gaat.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: cbr.ru

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Hermann

 

Hij zit in een rolstoel. Zijn rechterbeen is zo goed als weg en de voet en kuit van zijn andere been zijn in een dikke zwachtel verbonden. Hoe gaat dat als je samen in een kamer zit? Je raakt aan de praat en al pratend merk je dat het klikt: geen vrijblijvende gesprekjes over niets maar gelijk het diepe in met conversaties die ergens over gaan. Hij heeft een leven achter zich waarin de zeeën en de scheepvaart een wezenlijk bestanddeel vormen. Zo vrijgevochten als de golf die de eindeloos lange weg over de oceaan neemt, was ook zijn leven. Geen rust, nergens lang kunnen blijven, altijd onderweg. Drie keer getrouwd geweest, een zoon in Thailand, een dochter in Frankrijk en toch zo trouw als een hond. Met zijn drie vrouwen heeft hij nog altijd contact en ook zijn kinderen belt hij regelmatig. Zijn verblijf hier en zijn lichamelijke gezondheid maken hem onrustig. Al tien lange jaren heeft hij pijn en al dat gedokter zint hem niet meer.

We treffen ons bijna dagelijks en ik geniet van de flarden van zijn verhalen. Als hij iets wil vertellen over een stel protserige Duitsers op zijn cruiseschip, vergeet hij ze omdat er in de haven waar ze aan boord kwamen, ook iets was gebeurt wat het vertellen waard is. Als ik hem bij de les probeer te houden door te vragen naar die Duitsers, gaat het maar even goed want er is iets wat hem te binnen schiet en wat ook nog vertelt moet worden. Zelfs als je alle ‘verdamd noch mals, arschlochen en scheisen’ uit zijn vertelsels filtert, blijft het luisteren een vermoeiende bezigheid.

‘Luister verrückte Hollander, ik heb een besluit genomen’ zegt hij op een avond.
‘Morgen komt de professor aan mijn bed en dan ga ik hem vertellen dat ik niet meer wil dat er aan mij gedokterd wordt. Ik wil zo veel pijnstillers dat ik echt niets meer voel en dan ga ik naar huis.’
‘En dan?’
‘Dan wil ik dat mijn huisarts mij dezelfde medicijnen geef en dan zie ik wel.’
‘Wat zie je dan wel? Hoe lang je nog leeft?’
‘Ja, en ik hoop dat het nog heel lang is. Ik hoop dat ik nog naar Thailand kan om mijn Jasmijn te zien en mijn zoon. Het mooiste zou zijn als ik daar zou sterven.’
‘Ik help het je hopen. Wie neem je mee want alleen in een rolstoel gaat je dat niet lukken?’
‘Hadi gaat mee.’
Daarmee zijn alle mogelijke problemen opgelost. Hadi is zijn vriend die alles voor hem regelt en gaat regelen.

De volgende dag vertelt hij blij dat de professor ingestemd heeft met zijn verzoek. Over een paar dagen hebben ze de medicatie op orde en dan mag hij naar huis. Mijn tijd in het ziekenhuis wordt, wegens plaatsgebrek op de reha-afdeling voor twee weken afgebroken en we treffen elkaar voor de laatste keer. We praten zeker een uur met elkaar. Als ik hem zeg dat ik zijn besluit moedig vind, haalt hij zijn magere schoudertjes op.
‘Dood ga ik toch en laat het dan maar op een plaats zijn die ik zelf kies.’
Ik kan met hem meevoelen. Veel is er niet meer te kiezen dus dan dit maar als één van de laatste wensen. Met een ‘verrückte Hollander’ en een ‘stomme Duitser’ nemen we warm afscheid.

Twee weken geleden kom ik Hadi tegen in de hal van het ziekenhuis. Hermann is weer terug. Hij is uit bed gevallen en de wijkverpleging vond hem met een pijnlijke schouder en bult op zijn kop. Ik beloof hem ’s middags te bezoeken.

Er ligt een schamel hoopje mens in bed. Hij ligt gehurkt op zijn zij, klemt zich vast aan de zijkant van het bed en huilt.
‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer…..’
Als ik naar de geestelijke verzorgster kijk, die ook naast zijn bed zit, haalt ze haar schouders op. Ik snap dat. Herman is niet bereikbaar.

Als ik ’s avonds nog even ga kijken zit Hermann rechtop in zijn bed.
‘Ha, verrückte Hollander! Hoe gaat het?’
Ik ben blij verrast. Hij vertelt hoe het zo gekomen is en ze moeten niet denken dat hij hier blijft. Als ze ontdekken dat er met die schouder niets aan de hand is, kan hij wel weer naar huis. We kletsen wat en plotseling trekt hij de lade van zijn nachtkastje open. In een plastic zakje zit zijn baaltje shag.
‘Ik wil roken.’
‘Hè? Waar wil je dat doen?’
‘Hier natuurlijk. Draai er eentje voor mij.’
‘Dat kan je niet maken Hermann….’
‘Verdamd noch mal!! Ik wil roken!!
Ik draai een behoorlijk dun shagje en als Hermann daar de brand in steekt ga ik naar de badkamer. Gelukkig staat daar een fles aftershave en overdadig vernevel ik het spul in de kamer.
‘Ga de kamer uit en als je terugkomt moet je vertellen wat je ruikt,’ commandeert Hermann.
Gehoorzaam doe ik dat en als ik terug kom staat daar een muur van aftershave.
‘Als er nu een zuster komt, weet ze gelijk dat je hebt gerookt,’ deel ik hem bezorgd mee.
‘Wat willen ze met mij doen? Mij naar huis sturen?’ en zelden heb ik een zo schorre en intens sarcastische lach gehoord.

De volgende dag belt hij mij op.
‘Kom je nog?’
‘Ja, ik kom er aan.’
‘Weet je waar ik ben?’
‘Ik neem aan dat je in je kamer bent?’
Hij lacht: ‘Nee, ik ben op ons stekkie.’

De avonden van de volgende twee dagen zijn van ons. Hij vertelt van zijn jeugd. Een vader die zich verhangen heeft in de boomgaard, een broer die niet zijn echte broer was omdat zijn moeder vreemd was gegaan. Zodra het kon het huis uit en alleen op bezoek bij zijn moeder als hij geld nodig had.
‘Heb je niet één goede herinnering?’ vraag ik hem.
‘Ja, met mijn vader bij de aardbeien in de tuin. Hij plukte de dikste en mooiste voor mij.’

Sterven was voor Hermann het letterlijke einde. Met grote stelligheid had hij volgehouden dat er na de dood niets is. Opvallend dat die stelligheid verdwenen is voor een ‘je kan niet weten’. Sterven doe je alleen en de verwachting dat er toch iets is waar je je aan vast kan houden, is een godsgeschenk.

Hermann gaat dood. Dat was lange tijd al zeker maar niet zo zichtbaar als nu. Hij ligt stil in bed. De morfinepomp doet zijn werk. Eten en drinken krijgt hij niet meer en het is een kwestie van wachten. Als ik vraag waarom ze de morfine niet wat verhogen krijg ik als antwoord dat het slecht is voor de ademhaling. Ik houd mijn mond maar. Euthanasie is hier nog een taboe en zeker in een katholiek ziekenhuis.
Ik mag naar huis en ga ’s morgens nog even bij hem langs. Hij ligt er mooi bij. Jammer dat zijn ademhaling de deken nog beroert.

De golf die alle oceanen heeft gezien is stukgelopen op de rots van de dood. Op het kerkelijke feest van de geest heeft Hermann de zijne gegeven.

Hij weet nu.

Rust zacht, Hermann.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: werkaandemuur.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Jelte

Jelte is een vriendje maar geen leuk vriendje. Hij, Berend en Wouter kunnen het goed met elkaar vinden, zijn aan elkaar gewaagd en durven alles. Jelte niet. Jelte is vaak bang, vindt het heel erg als hij een nat poot haalt en vindt vuile handen, een kapotte broek of knie vreselijk. Zolang ze geen gevaarlijke spelletjes doen kan je hem er best bij hebben maar pas op dat je niets lelijks zegt of doet. Voor je het weet rent hij weg en zijn gluiperige stemmetje laat weten het lekker te gaan zeggen. Daar trekken ze zich ondertussen niets meer van aan. Hun ouders en de meester van school kennen hen en Jelte en zolang het kwajongenswerk is wordt er niet opgetreden.

Vanmiddag gaan ze naar de polder. Een groot gebied van slootjes met drassige, langwerpige eilandjes. Op enkele staan jonge koeien. Die worden daar met platte schuiten naar toe gevaren. Dat doen ze ook met de maaimachines. Gevaarlijke dingen met twee brede banden en een kam met scherpe messen aan de voorkant. Wouter heeft wel eens van een boer mogen maaien. Met zijn armen breeduit liep hij achter het ding aan en het was maar goed dat de boer er bij was anders had hij het apparaat zo de sloot ingereden. Sturen was niet zijn sterkste punt.

Ze hebben het aan de werfbaas van de houtzagerij gevraagd en hij vond het goed. Ze mochten de brede, lange plank lenen als ze hem maar weer, zoals altijd, netjes terug brachten. Ze hebben de plank nodig om over de eerste sloot te komen. Die is breed en een aanloop nemen kan daar niet. Ze gaan er één voor één overheen. Op de tenen want door het gewicht verdwijnt de plank in het midden onder water. Na het eerste weilandje komt er een smalle sloot. Daar springen ze makkelijk overheen. Dan komt er een bredere sloot. Die moet met een aanloop. Berend gaat als eerste. Jelte gaat als tweede en landt met twee voeten in de drassige zijkant. Zijn voeten zakken weg en met een klap valt hij op zijn buik. Als hij zijn voeten uit de modder trekt blijft zijn rechterschoen achter. Na enig graaien vindt hij hem terug en het huilen staat hem nader dan het lachen. Hij en Wouter die ook over de sloot zijn, geven goede raad: sok uittrekken en met schoen schoonspoelen in het water. Uit alles blijkt dat Jelte de hele expeditie al niet meer ziet zitten. Hij wil terug en wat anders gaan doen maar dat voorstel vindt bij de anderen geen gehoor.
Dan ziet Berend, een beetje verscholen in het riet, de roeiboot liggen. Wel een boot en nergens een boer te zien. Dat is een buitenkansje. Hiermee kunnen ze over de grote vaart naar de eilandjes waarboven de hoogspanningsmasten staan. Daar kunnen ze lijken zoeken van vogels die tegen de draden zijn gevlogen, de koppen eraf snijden en ze thuis uitkoken. Berend heeft al een hele verzameling van vogelschedels en wie weet vinden ze er één die hij nog niet heeft.

Als ze in de roeiboot klimmen blijft Jelte op de kant staan. Wat ze doen mag vast niet. Hoe vaak en hoe eerlijk de anderen ook beloven om de boot weer netjes terug te brengen, Jelte gaat niet mee. Wouter is het zat. Met een flinke duw van de spaan zet hij af en samen met Berend trekt hij aan de riemen. Het laatste wat ze van Jelte zien en horen is een jongetje wat op de kant staat en heel hard roept dat hij het gaat zeggen.

Wie had kunnen weten dat het inderdaad het laatste was? Ze hebben de boot aan het einde van de middag niet bij het weiland maar bij de werf afgemeerd en de plank opgehaald. Wat volgde was een vreselijke tijd. De moeder van Jelte die tijdens het avondeten kwam vragen of hij wist waar Jelte was, de politie die ’s avonds kwam en aan wie hij moest vertellen wat ze die middag hadden gedaan, de volgende dag toen hij niet naar school kon om de politie te laten zien waar ze gespeeld hadden, het ongeloof en het verdriet toen ze Jelte vonden in de brede sloot, de onwerkelijke sfeer op school, de blikken van de andere kinderen, de begrafenis en vooral zijn schuldgevoel. Nee, ze hadden geen schuld werd er gezegd maar zo voelde het niet.

Nu is hij terug. Ruim 55 jaar later en niets is meer als toen. Geen houtzagerij meer, geen eilandjes die omringt zijn door slootjes, geen koeien, geen paradijs voor de grutto’s. Huizen, straten, auto’s, bomen en pleintjes. Geen spelende kinderen maar nog wel die hoogspanningsmasten. Doelloos staat hij daar en het besef dat er niet de minste kans is om iets af te sluiten, maakt de steen, die al die jaren op zijn hart ligt, zwaarder dan ooit.

 

 

© peter gortworst / feb. 2019

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Ik een chaoot?

 

Zo langzamerhand moet één van de logeerkamers er aan geloven. Tot nu toe zijn dat kamers die, met het groots mogelijke geduld, zichzelf ter beschikking hebben gesteld als opslagruimtes voor meubels, oude kleren, dozen vol met boeken of snuisterijen en lampen in verschillende gedaantes. Gelukkig past alles in één kamer dus in mijn nieuwe kluskamer kan ik aan de gang. De diepte-investering in een ‘behangafstoomapparaat’ heeft zich uitbetaalt: vier lagen van het meest afschuwelijke behang wat men kon kopen zijn er af. Eén muur blijkt een voorzetmuur te zijn van gipsplaat. Door ervaring wijs geworden vermoed ik dat de stuclaag van de originele muur in slechte staat was en er daarom gipsplaten tegenaan zijn gezet. Ik vind het prima. De beschadigingen in de gipsplaat vul ik later op en als er een behangetje tegen aan gaat zie je er niets meer van. Vandaag heb ik mij voorgenomen een kleine verticale wand te bekleden met een heus eiken parket. Ooit gekregen van een scharrelaar die het zonde vond om weg te gooien. Voor mijn wandje is het precies genoeg en eens te meer blijkt dat wie iets bewaart nog wat heeft.

De vloerbedekking langs dat wandje moet er uit. Die is gelijmd en weghalen valt nog niet mee. Bovendien blijkt dat de voorzetwand geplaatst is toen de vloerbedekking er al lag. De onderste rand van de gipsplaat brokkelt af bij het wegtrekken van het tapijt en raakt zo beschadigd dat je er onderdoor kan kijken. Ik verwacht een muur te zien. Geen rioolpijp en elektrische draden. Wat nu? Goede raad is duur maar niet als je de situatie een tijdje laat betijen. De oplossing komt vaak later.

Vandaag eerst dat verticale wandje. De zaagtafel, de elektrische zaag en de waterpas liggen nog in de auto. Die spullen eerst maar naar boven sjouwen. Een winkelhaak heb ik ook nodig en die ligt ergens in de schuur. In de schuur staat ook mijn fiets en de voorband staat leeg. Dat is niet goed. Ik schakel de compressor in en wacht tot er genoeg druk is om mijn band te vullen. Dan bedenk ik mij dat ik ook, nu ik toch genoeg lucht heb, de banden van de auto kan controleren. De blokhaak vind ik na lang zoeken en weer neem ik mij voor om binnenkort orde in de chaos te scheppen.

De zaagtafel ligt onder een onwaarschijnlijke hoop rommel. Lege flesjes, kapot gebeten tennisballen, papieren zakdoekjes, een verlengsnoer, een Nederlandse frisdrankfles met statiegeld, planken die ik misschien nodig had voor een klusje bij iemand thuis, een mooie rode bloempot die in de aanbieding was, een zak met 10 kg gips, losse hoofdsteunen voor stoelen die er niet meer in staan, een kratje met een sleepkabel en autogereedschap wat je nooit nodig hoopt te hebben, de verplichte brandblusser en verbanddoos en een onwaarschijnlijke hoeveelheid aan losse papiertjes, zakjes, doosjes en rommeltjes. Hier passen slechts rücksichtslose maatregelen.

De vuilniszak in de keuken is half vol. Daar kan nog makkelijk iets bij en dus verdwijnt alles wat in deze zak aangeboden mag worden uit de auto. Papier moet apart en wat je niet zeker weet, gaat in de container voor restafval. Dat ruimt op. De zak is nog niet vol maar geen nood: in het bureau staat nog een prullenbak die ook leeg moet. Achter de prullenbak heeft zich een onwaarschijnlijke hoeveelheid hondenharen verzamelt. Zo’n hoeveelheid in twee dagen kan alleen maar als de hond in de rui is en dus moet het beest er aan geloven. Twee streken met de kam over haar rug en de kam zit vol. Dat moet dus eerst wil het schoonhouden van het huis geen water naar de zee dragen worden. Met de stofzuiger bij de hand laat de hond zich haar de schoonheidsbehandeling welgevallen. Dan valt er iets in het bureau en zie ik de kat de trap op vluchten. De zak is door de kat open gescheurd en ongeveer de helft ligt op de grond. Er zal iets vreselijk lekker geroken hebben en dan kan je een kat niet kwalijk nemen dat hij op onderzoek uitgaat. De hele handel in een nieuwe zak gedaan en deze voorlopig in het toilet gezet. Onbereikbaar voor kat en hond.
De hond is het kammen zat. Ik ook en morgen moet het toch weer.

De zaagtafel gaat naar boven. De zaag ook maar het zaagje wat er in zit is niet het goede. Na lang zoeken vind ik het bakje met de zaagjes. Dan blijkt de tube met montagekit niet meer goed te zijn. Te lang geleden gebruikt en ondanks de afdichtingen is het niet vloeibaar gebleven. Gelukkig is er in dit dorp een grote winkel waar je een nieuwe kan kopen. Als ik mijn jas aantrekt om op de fiets te stappen kijkt de hond mij verwachtingsvol aan. Dat is waar ook. Ze moet nog uit. Ik besluit deze twee dingen te combineren. Zij gaat eerst lekker achter de bal aan in het vrije veld en ik koop op de terugweg de tube kit.

Het sneeuwt en is koud. De hond loopt zich wel warm. Ik niet. Met tintelende vingers rijd ik, met naast mij een hijgende hond die de oorzaak is van beslagen ramen aan de rechterkant van de auto, naar de grote winkel. Met kit, rode loopneus en blijde hond kom ik weer thuis. De tube leg ik op de trap. De hond krijgt zijn lekkertje en ik maak koffie.

Morgen is er weer een dag.

 

 

© peter gortworst / feb. 2019

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Abels en Abelinnen

 

‘Nee joh, ik ben geen kok! Denk je dat? Ik ben een goedwillende amateur die in een kookboek alles met tien vermenigvuldigt en tot nu toe gaat dat goed. Een echte kok kunnen ze niet betalen. Alles hangt hier van liefdadigheid en vrijwilligerswerk aan elkaar. Als ik een dagje niet kan, kookt er een ander en als er niemand is om de wc’s schoon te maken of de was te draaien, doe ik dat. Gewoon, niet zeuren maar aanpakken. Van hard werken ga je niet zomaar dood.

Nee, ik slaap niet onder de brug. Ik heb een eigen huis. Overgehouden uit de tijd dat ik nog het ‘mannetje’ was. De, voor de buitenwereld, harde en genadeloze industrieel. Dat vond ik van mijzelf natuurlijk niet. Ik was alleen maar bezig met geld verdienen, het bedrijf laten groeien, steeds meer ijzers in het vuur en steeds meer ballen proberen hoog te houden. Dat ging mij goed af. Gelukkig wel want ik moest hè. Bewijzen dat ik het kon. Mijn twee broers konden goed leren en voor hen lag er een gouden toekomst open. Voor mij niet. Ik had een pesthekel aan leren. Leraren en ouders in wanhoop. Die hadden nog hun christelijke opvattingen dat je in het zweet des aanschijns je brood moet verdienen. Wat moet er van Joop worden? Opgroeien voor galg en rad? Ik had er maling aan maar dan merk je dat je zonder papieren niet ver komt.

Allerhande onbenullige baantjes gehad. Een paar maanden hier, drie weken daar, via een uitzendbureau her en der gewerkt maar niets wat mij echt boeien kon. Tot er in een bedrijf een nieuw magazijn werd geplaatst. Dat vond ik mooi. Al die stellingen netjes op een rij en alles logisch ingericht. Enfin, een lang verhaal kort: ik begon een eigen bedrijfje. Verkopen en plaatsen van magazijnstellingen. Eerst betrok ik die uit Duitsland maar ik vond al snel uit dat de constructie beter kon. Sterker en makkelijker te monteren. Ik liet ze maken bij een metaalbedrijfje en al snel werkten ze bijna alleen voor mij. Strikte levertijden bedong ik met hen. Ik kon niet wachten tot ze aan mijn order begonnen omdat er een andere klant met een ordertje tussen zat. Toen heb ik ze aangemoedigd, nou ja, een beetje gedwongen, om speciale machines aan te schaffen voor mijn stellingen. Zware stans- en buigmachines. Dat deden ze, en toen we een half jaartje verder waren heb ik al het werk daar weggetrokken. Tja, metaalbedrijfje kapot en toen voor een appel en een ei gekocht. Een deel van het oude personeel kon blijven, een deel een baan aangeboden in de montage en een deel, inclusief de vorige eigenaar, ontslagen en de werkplaatschef de functie van bedrijfsleider aangeboden. De inkoop van mijn stellingen was een stuk goedkoper geworden.

:——————–:

Hoe ik het moet noemen? Een klotestreek! Sorry, kan er geen ander woord voor verzinnen. Het was ‘ons’ bedrijf. Niet al te groot, iedereen was je en jou en als het nodig was hees de directeur zich in een overall. De sfeer was altijd goed en iedereen was gemotiveerd om het zo te houden. We hadden veel verschillende klanten en daardoor was het werk gevarieerd. Mooie dingen hebben we gemaakt. Soms lastige klussen maar ‘kan niet’ waren twee woorden die bij ons niet bestonden. En toen kwam die Joop met zijn magazijnstellingen. Ik mocht hem gelijk al niet. Een drammerig, hoog van de toren blazend ventje. In het begin viel het nog wel mee met het werk voor hem maar dat werd allengs steeds meer. Toen hij eiste dat we stellingen op voorraad gingen maken die hij pas betaalde als hij ze daadwerkelijk had verkocht, zag ik de bui al hangen. Daar ging een massa geld inzitten. Ik heb de baas er op aangesproken maar die was alleen maar blij met zo’n goede klant. Joop was goed van betalen dus er was niets aan de hand. Volgens mij was hij helemaal weg van dat ventje. Het bedrijf kreeg de kans om te groeien, meende hij en de aanschaf van die buig- en stansmachines zou het bedrijf geen windeieren leggen. Het enige wat groeide was de voorraad onverkochte stellingen. Voor ander werk was er geen tijd meer en bovendien waren de winstmarges daarop beduidend minder dan op die rottige stellingen. Uiteindelijk werkten we bijna alleen voor die Joop.

Ik weet het nog goed. Donderdagmiddag om een uur of drie kwam de baas naar mij toe en vertelde dat Joop geen stellingen meer bij ons kocht. Hij zou een ander, goedkoper bedrijf hebben gevonden. Ja, en dan gaat het snel. Oude klanten hadden al anderen die voor hen werkten, nieuwe klanten heb je niet zomaar, rente en aflossing van de nieuwe machines moeten doorbetaald worden en een magazijn met een voorraad stellingen die je aan de straatstenen niet kwijt kan, helpen niet om het bedrijf levensvatbaar te houden. De tent moest dicht en dan dreigt het vooruitzicht om met je 58 jaar in de WW te komen.

Wat mij nog het meeste stak? Dat die Joop als een soort redder des vaderlands de zaak koopt en er gelijk flink in roert. Ik weet niet of het er beter van geworden is.

Het was niet meer ‘ons’ bedrijf, de sfeer was kapot, de motivatie weg. Toen bleek dat ik niet meer nodig was en solliciteer mij nu een slag in de rondte. O ja, er worden vakmensen gezocht maar met je 58 ben je toch een tikkeltje te oud.

:——————–:

Ik barstte van de orders, verdiende geld als water, was vierentwintigzeven met mijn bedrijf bezig en verder was er eigenlijk niets. Ja, af en toe een vriendin maar zodra die begonnen over wat meer tijd voor elkaar, samen leuke dingen doen en zo, dan zette ik ze aan de kant. Ze konden alles van mij krijgen maar niet mijn tijd en blijkbaar is dat niet goed genoeg. Kon er niet mee zitten. Graag of niet en er waren genoeg vriendinnen die het wel met mij wilden proberen. Haha, ik denk dat mijn broers en ouders horendol zijn geworden omdat ik elke keer weer een nieuwe meid meebracht. En altijd in het nieuwste model van Jaguar. Kan er niks aan doen. Vind dat gewoon één van de mooiste auto’s.

:——————–:

Een jonge, aantrekkelijke vent. Ik weet nog dat ik dat dacht toen ik hem in het restaurant zag zitten. Ik kwam daar regelmatig want als je alleen woont is koken niet echt leuk. Joop werd daar ook een regelmatige gast en hoe gaat dat? Je herkent elkaar en het obligate ‘dagzeggen’ verandert in gesprekken. Nee, het was geen liefde op het eerste gezicht maar uiteindelijk kon je toch spreken van een relatie. Nou ja, een soort relatie. Hij was altijd druk met zijn werk. Echt, altijd. Een avondje op de bank was een zeldzaamheid en dan nog lag zijn telefoon binnen handbereik. Dat is niet echt leuk. Je wilt niet op de tweede plaats staan maar daar stond ik wel. Misschien heeft hij dat ook wel zo gevoeld want hij, hoe zal ik het zeggen, kocht zijn schuldgevoel af. De zeldzame momenten dat we in de stad waren kocht hij alles voor mij. Ik durfde niet meer te zeggen dat ik een armband, een jasje of een fiets mooi vond. Voor ik het wist had hij het al voor mij gekocht. Dat is best beangstigend hoor. Uiteindelijk heb ik hem voor de keuze gesteld: als we samen zijn wil ik zijn volle aandacht en een beetje normale relatie. Zo niet, dan ben ik weg. Toen heeft hij mij gedumpt. Anders kan ik het niet noemen. Koud, emotieloos was zijn afscheid. Meer dan een ‘het ga je goed’ kon er niet af.    

:——————–:

Tja, en toen kwam De Dag. Ik was op weg naar Den Helder. Ik had een afspraak bij de Marine. Halverwege de Afsluitdijk kreeg ik een soort waas voor mijn ogen en een klappende koppijn. Ik moest bij het monument stoppen. Frisse lucht inademen, de benen strekken, even rust. Het ging niet. Ik heb nog de tegenwoordigheid van geest gehad om de afspraak af te zeggen en mijn tweede man te bellen dat hij maar een oogje moest houden op de lopende zaken. Hoe lang ik daar op die basaltblokken gezeten heb weet ik niet. Ik denk best wel lang. Toen ik dacht dat het weer een beetje ging heb ik in Den Oever mijn auto gekeerd en ben naar huis gereden. Thuis een paar borrels gedronken en toen naar bed. Knap klote. Er is iets en je weet niet wat en dan is er niemand met wie je even kan praten.

Is het overwerkt, overspannen, burn out? Een kortsluiting in de bovenkamer? Eindeloze gesprekken gevoerd met agoog die en dan die en dan die. Mateloos vermoeiend en ik was al zo moe. Alleen al van het woord ‘magazijnstelling’ kreeg ik lichamelijke bijverschijnselen. Ik kon niets hebben en dan lig je te denken en te malen. Eén kopje koffie zetten was al een project. Eten koken kon ik wel vergeten en dan was er nog het afstoffen, de wasmachine laten draaien, stofzuigen…… ik kon het gewoon niet. Toen heb ik een Poolse in dienst genomen. Een gouden meid. Nooit klagen, het huis was tiptop, ze kookte als een driesterren kok en leergierig als de pest: ze moest en zou Nederlands leren. Dat was ook voor mij leuk. Nee, ik heb geen pools geleerd. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Spijt vooral. Heel veel spijt.

Ik heb ontzettend last gehad van mijn geweten. En nu nog. Last is eigenlijk niet het goede woord. ‘Geweten’ is ‘het best wel weten’. Dat klopt maar niet het geweten geeft je last. Je last wordt veroorzaakt doordat je eigenlijk wel weet hoe het moest maar het niet gedaan hebt. Je bent te kort geschoten, heb anderen als object gebruikt, je prioriteiten niet goed gesteld, geen oog gehad voor anderen of je eigen zin, ten koste van alles, doorgezet. Zo moet ik nog regelmatig terugdenken aan een ongeluk op de A28. Het gebeurde voor mijn ogen. Een vrachtwagen stuurt naar links en een personenwagen heeft dat te laat in de gaten. Hij raakt de wielen van de oplegger, slipt en rolt daarna een paar keer over de kop en blijft op zijn dak liggen. Alles komt tot stilstand maar ik had een afspraak in Zwolle. Ik had geen tijd om uit te stappen om misschien iets te kunnen doen. Ben daarom tussen de wrakstukken door gereden. Geen idee of daar gewonden of doden zijn gevallen. Wilde het ook niet weten.

:——————-:

Wat mij het meest is bij gebleven? Het moment dat alles tot stilstand komt er een soort onwerkelijke stilte ontstaat. Je realiseert je dat je zojuist een ongeluk hebt gehad maar de volle betekenis dringt nog niet tot je door. Je hangt op de kop en je ziet je vrouw, die net een rolletje snoep van de achterbank haalde en daarom even geen gordel om had, half door de voorruit hangen. Dan kijk je opzij en ziet een of andere dure slee langzaam voorbij rijden. Die vent aan het stuur kijkt niet op of om. Dat steekt. Nog steeds. Ik ben groot geworden in een tijd dat je voor ouderen in de bus of tram ging staan, dat je deuren open hield voor mensen en dat elkaar helpen de gewoonste zaak van de wereld was. En als dan iemand in die omstandigheden niets doet….? Nee, mijn vrouw heeft het niet overleefd. Onze kleinkinderen moeten het zonder oma doen.

 :——————–:

Dat terugdenken gaat best wel ver. Allerlei dingen uit mijn jeugd komen ook terug. Leuke maar ook minder leuke. Gebeurtenissen, situaties, verhalen. Ik zie mij nog thuis aan tafel zitten. Vader aan de ene korte kant en mijn moeder aan de andere. ’s Avonds aten we warm en na afloop werd dan de bijbel gelezen. Eén van die verhalen ging over Kain en Abel. Twee broers en ik dacht dat het de kinderen waren van Adam en Eva. Waarom weet ik niet meer maar Kain vermoordt Abel. Als hem gevraagd wordt waar Abel is zegt hij dat het hem niet aangaat. Hij is niet de oppasser van zijn broer.
De herinnering aan dat verhaal deed wat met mij. Gek hè, dat zo’n verhaal, na zo lange tijd, je raakt. Ik heb weliswaar geen mens gedood maar er zijn meer dan genoeg geweest waar ik eigenlijk wel om had moeten geven. Niet echt gedood maar wel doodgezwegen, niet naar omgekeken of geen oog gehad voor hun situatie of verlangens. Ik noem dat de Abels en Abelinnen in mijn leven. De vraag ‘Waar is Abel?’ heeft lang door mijn hoofd gespookt. Je realiseren dat je geen antwoord hebt, maakt je niet gelukkiger. Dat geeft spijt en spijt is niet iets wat er maar even is. Spijt vreet en iedereen gaat daar op zijn of haar eigen manier mee om.
Ik ben na mijn ziekte weer redelijk op orde. Erkennen dat je al die tijd iemand speelde die je niet bent, is een langdurig proces. Ik heb mijn bedrijf verkocht. Goed verkocht zelfs en nu werk ik hier. Als vrijwilliger. Hier komen de dak- en thuislozen voor een bed en een warme maaltijd. Voor mij zijn dat ook allemaal Abels waar je voor zorgen moet, naar wie je moet omzien. Sommigen kan je helpen door ze eten te geven, anderen moet je soms een duwtje geven, hun verhaal aanhoren of met ze mee naar een of andere instantie. Geweldig om te doen en het mooie is dat het je nederig maakt. Er zijn er die zonder dak boven hun hoofd of geld in hun zak, iemand zijn waar je met ontzag naar opkijkt en waar je wat van leren kan. Haha, over leren gesproken: de Poolse hulp is nu mijn vrouw en ze kan al zo goed Nederlands dat ze er in kan mopperen. Heerlijk vind ik dat.’

 

 

©peter gortworst / jan. 2019
afbeelding: medienwerkstatt-online.de

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Horloge

 

Het besluit om zijn oudere broer te bellen voelde als een overwinning. Het contact dat er al vele jaren niet is, moest maar eens doorbroken worden. Eigenlijk is het van de gekke dat een antiek zakhorloge de oorzaak van zo veel ellende kan zijn. Volgens Anneke, zijn vrouw, gaat het natuurlijk niet om dat horloge. Dat is alleen maar het tastbare deel. Het gaat om verbroken beloften, wantrouwen, zich iets toe-eigenen wat niet van jou is en meer van dat soort negatief gedoe waarbij op eigen houtje bepalen van hoe het is, misschien wel tot de gluiperigste gerekend moet worden.

Theo, zijn oudere broer, had geen boodschap aan de wens van zijn vader dat hij het horloge zou erven. Hij was de oudste en dit familiestuk behoorde hem toe. Zo was het al een paar generaties gegaan en zo moest het blijven: de oudste zoon erft het horloge en geeft dit weer door aan zijn oudste zoon. De wens van hun vader om het anders te doen, kon natuurlijk niet serieus genomen worden. Wellicht was de geestelijke aftakeling daar de oorzaak van. Hoewel zijn vader, al veel eerder, bij zijn volle verstand hen beiden duidelijk had gemaakt dat het zijn wens was om het horloge aan Martijn na te laten, was het de dag na de begrafenis verdwenen.

Toen de verkoop van het ouderlijke huis en alles wat er na een begrafenis gedaan moet worden, geregeld was, heeft Martijn aan Theo gevraagd hem het horloge te geven. Eerst ontkende Theo het in bezit te hebben maar na enig doorvragen kwam de aap uit de mouw. Hij had het en het behoorde volgens de traditie hem toe. Van weggeven was geen sprake.

Erfenissen kunnen vaak een bron van ellende zijn en in dit geval was het niet anders. Er vielen harde woorden en verwijten met als resultaat dat ze elkaar al vele jaren doodzwegen.
Is het de verstandigste willen zijn? Zijn het de kerstgedachten die opspelen? Is het een besef van de idiotie die materiële zaken laat prevaleren boven waar het echt om gaat? Martijn weet het niet precies als hij zijn broer belt en hem uitnodigt om op tweede kerstdag langs te komen.

Theo is verrast en zelfs zo, dat hij niet direct ja of nee kan zeggen. De volgende dag belt hij terug. Hij wil wel komen maar op één voorwaarde: over dat horloge wordt niet gesproken.

Natuurlijk hebben Martijn en Anneke de komst van die onbekende oom met hun kinderen besproken. De naam was wel eens gevallen en het verhaal van het horloge was wel eens vertelt maar gezien hadden ze deze oom met zijn vrouw, tante Marijke, nog nooit. Anneke kent haar puberzoon Justin als geen ander en juist daarom heeft ze hem op het hart gedrukt met geen woord over het horloge te praten.
‘Ik weet dat oom Theo helemaal fout zat maar houdt, omwille van de lieve vrede je mond,’ zei ze en Justin heeft dat met de hand op zijn hart belooft. Het woord horloge zou niet vallen.

De verwelkoming is geforceerd vrolijk. Ook als men plaats neemt in de huiskamer. Dat kan niet anders als een heet hangijzer onbesproken moet blijven. Men vervalt in algemeenheden en veilige onderwerpen. Zo meent Theo dat hun verhuizen naar Venlo een mededeling is die niet veel kwaad kan.
‘Venlo?’ vraagt Julius, ‘Dat ligt toch onder Arcen, aan de Maas?’
‘Ja,’ zegt Theo, ‘Ben je daar bekend?’
‘Nee, maar ik weet dat ze daar klokken gieten.’

Anneke verslikt zich bijna in haar appeltaart. De rode blosjes op haar wangen worden gelukkig niet veel roder dan ze al waren en die ze kreeg toen Theo het waagde op te merken dat Martijn het maar getroffen heeft met zo’n vrouwtje die heerlijk haar weg weet in de keuken. Theo heeft niets door. Met veel dikdoenerij vertelt hij hoe goed het hem gaat, hoe groot zijn nieuwe huis wel niet is en hoe goed zijn kinderen het doen.

‘Studeer jij ook?’ vraagt hij aan Justin.
‘Ja, in Utrecht.’
‘En heb je daar een kamer?’
‘Nee hoor. Ik ga elke dag op en neer. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens en dat heen en weer gaan is maar een uur werk.’
Zogenaamd verschrikt slaat hij de hand voor de mond.
‘Ik bedoel uur, spatie, werk.’
Theo kijkt hem strak aan en Justin speelt de vermoorde onschuld.
‘Of ik alsnog op kamers ga, weet ik niet. Dat zal de tijd moeten leren. Zolang ik nog op een christelijke tijd van huis kan en weer thuis kom, is er geen noodzaak. Maar wie weet? Als de tijd rijp is, is er nog genoeg tijd om de zaken anders aan te pakken. Het lijkt mij wel mooi om een beetje in het centrum van Utrecht te wonen. Wakker worden met de klokken van de Dom en meteen weten hoe laat het is of beiaardconcerten vanuit je kamer kunnen beluisteren….. Tja, dat lijkt mij wel wat.’

De sfeer is drastisch gewijzigd. Theo lijkt boos en is minder spraakzaam geworden. Marijke, die tot nu toe niet veel heeft gezegd, vraagt zachtjes aan Theo wat er is. Justin hoort dat en kan het niet laten:
‘Ach kom, tante Marijke, doet nou niet alsof u wel de klok hebt horen luiden en niet weten waar de klepel hangt. Er zijn hier oude wonden en deze worden blijkbaar niet door de tijd geheeld. De klok terugdraaien gaat niet en of het in de toekomst goed gaat worden zal diezelfde tijd ons leren.’

Oom Theo gaat staan.
‘Kom vrouw,’ zegt hij, ‘We gaan.’
Zonder hand te geven, zonder dag te zeggen en met een blik die op donderen staat, vertrekt oom Theo. Tante Marijke weet niet wat te doen. Een beetje onbeholpen en verwart staat ze bij de deur. Dan geeft ze hen wel een hand en mompelt iets van een tot ziens.
Als Anneke en Martijn de kamer inlopen zit daar Justin met een brede grijns op zijn gezicht.
‘Zeg niet dat ik mijn huiswerk niet heb gedaan,’ deelt hij hen monter mee.

Bij de eerste postbestelling in het nieuwe jaar zit een klein pakje. Het bevat het antieke horloge en een briefje wat geschreven is door Marijke. Ze schrijft dat het horloge al jaren op zolder ligt en Theo er nooit naar heeft omgekeken. De waarde van dit uurwerk ligt voor hem niet familiebezit of emotionele waarde maar in de heb. Bovendien vreest zij dat, wegens de reeds lang verstoorde relatie tussen Theo en hun oudste zoon, dit instrument wellicht in verkeerde handen zal vallen. Ze hoopt dat Justin in de toekomst die diepere waarden kan erkennen. Dan wenst ze hen het allerbeste en ze sluit af met een p.s: ‘Ik mag Justin wel. Hij is moedig en eerlijk. Dikke knuffel.’

 

 

© peter gortworst / dec. 2018
afbeelding: Vladimir Kush / Dali
                      schilderen van Nell Maessen

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties