‘Diepe’ gedachte en een boutje

Ik lig filosofisch te zijn. Ja, ik weet het. Het klinkt een beetje raar en het is ook niet helemaal goed beschreven omdat ik denk dat filosofie niets met een bepaalde lichaamshouding te maken moet hebben. Dat is misschien ook niet helemaal waar. Ik koppel filosofie aan geruite pantoffels, open haard, mooi glas wijn, goede sigaar, een gelijkwaardige gesprekspartner en de snorrende kat op schoot. Of yoga maar daar ben ik niet zo van.  Als ik het goed heb, gaat yoga over mijn innerlijk en mijn idee over filosofie is dat het over meer dan mij alleen gaat. De echte kenner zal inmiddels wel doorhebben dat ik er helemaal niets van weet en laten we het daarom maar hebben over ‘diepere’ gedachten.

Die gedachten kunnen je zomaar overvallen. Mij tenminste wel. Ik kan mij niet herinneren dat ik er ooit eens voor ben gaan zitten. Ze komen niet op afroep. Bij mij komen ze als ik met iets bezig ben waar ik niet of nauwelijks bij na moet denken. Lopend achter de grasmaaier, fietsend tegen de wind in op een lange, saaie weg of roerend in een pannetje. Niet dat de gedachten zo schokkend groots zijn dat ik alles uit mijn handen laat vallen om ze terstond aan het papier toe te vertrouwen maar opvallend genoeg om mijzelf te verbazen. Nu heb ik met dat opschrijven van die ‘diepere’ gedachten ervaring. Ik weet niet hoe het met u is, en misschien geef ik nu een onthutsende en zeldzame inkijk in mijn zielenroerselen, maar ook voor ik ’s avonds in slaap val, overvallen die gedachten mij soms. Omdat ik de volgende morgen absoluut niet meer weet welke fantastische ideeën, oplossingen of verklaringen ik ’s avonds had, heb ik een papiertje met een pen op het nachtkastje klaar gelegd. Toen ik, overvallen door diepe gedachten, daar wat op schreef en de volgende morgen ‘drie wilde eenden en een wc-rol’ las, ben ik er maar mee gestopt.

Zo weet ik nu niet wat de betekenis is van de ‘diepe’ gedachte die ik, liggend op de grond voor de reparatie van een machine, krijg. Het probleem is dat ik in de machine moet zijn en daartoe dient een grote plaat los geschroefd te worden. Dat doe je normaal gesproken gedachteloos. Nu echter niet omdat er 1 boutje (RVS M5 x 20 voor de kenners) niet los kan. De machine staat er op. Het eigenlijke, grote werk is onbereikbaar geworden door één boutje en dus wordt dat ene boutje noodgedwongen een Project. Het voelt nog niet als een mega bouwproject wat stil valt omdat de uiterst zeldzame zevenkleurige regenboogboomtikker is aangetroffen maar er moet wel omgeschakeld worden en op dat moment wordt de ‘diepe’ gedachte geboren.

Laat mij u meenemen in deze ‘diepe’ gedachte. Om iets te bereiken, te veranderen of te willen, dienen er vaak stapjes genomen te worden. Sommigen zijn nieuw en krijgen alle aandacht maar anderen zijn een vanzelfsprekendheid. Die neem je gedachteloos totdat je merkt dat het niet gaat. Je houdt bijvoorbeeld met iemand geen rekening, je denkt er gewoon niet aan of je vergeet het domweg. Het grote doel loopt vertraging op daar die ander als een machine op zijn/haar boutje is gaan staan en zo een Project wordt wat omschakeling of aandacht verlangt.

Nou? Is dat geen diepe gedachte van formaat? Nu nog proberen mij dit te herinneren als het nodig is. Of zal ik deze toch maar opschrijven?

 

©peter gortworst / mrt 2017
foto: http://www.dozon.nl 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , | 2 reacties

Vals

Meestal maakt drank meer kapot dan je lief is maar soms niet. Dan maakt het je, als je tenminste niet te veel gedronken hebt, losser. Het ‘hoe hoort het eigenlijk’ is niet meer de leidraad en remmingen die je normaal voelt, vervagen. Wat je zegt, klinkt best wel verstandig en als jouw luisteraar ook een stijgend uggel-niveau heeft, zal deze het, zonder al te veel bedenkingen, helemaal met je eens zijn.

Anneke is de luisteraar en als haar twee vriendinnen beweren dat zij bij haar man zwaar onder de plak zit, komen deze zinnen bij haar binnen als God’s woord in een ouderling. Ze had al een vermoeden dat het gesprek deze kant op zou gaan. Wanneer twee vriendinnen vragen of haar man deze avond niet thuis is en bij een bevestigend antwoord dan voorstellen om even gezellig langs te komen, is het niet moeilijk om te concluderen dat het over mannen gaat. In dit geval dus haar man.

Ze weet het best wel. Ze cijfert zich vaak weg. Bij het doornemen van de agenda’s laat ze te vaak zijn afspraken prevaleren. Ja, hij is wat dominant maar om haar nu weg te zetten als een slaafje gaat wat te ver. Zo erg is het niet, toch? Wat zij graag zelf zou willen doen? Iets helemaal los van Jan-Peter? Daar moet ze even over nadenken maar eigenlijk weet ze het wel: piano spelen en weer les gaan geven aan kinderen. Net als vroeger toen ze nog niet samenwoonde. Het was geen vetpot maar ze verdiende haar eigen geld en het gaf haar onnoemlijk veel plezier. De piano is er nog wel maar staat werkeloos tegen de lange muur. Overdag kan ze niet spelen omdat Jan-Peter laat opstaat en, voordat hij aan het eind van de middag vertrekt naar een schouwburg of theater, er stilte heerst omdat hij zijn teksten moet leren. ’s Avonds spelen gaat niet. De muren hebben weliswaar geen oren maar doof zijn ze ook niet en de verstandhouding met de wederzijdse buren is nu nog goed.

De vriendinnen zijn blij met deze oplossing. Een zinvolle tijdbesteding voor een ander verzinnen, valt niet mee. Ze zijn het er over eens dat er, met een beetje goede wil, aan het einde van de middag best gespeeld en geleerd kan worden. Drie kinderen die elk een half uurtje les krijgen is toch een mooi begin? Woorden als onafhankelijkheid, eigen leven, elkaar respecteren, levensdoel en op eigen benen staan, klinken voor Anneke als wachtwoorden die toegang geven tot het beloofde land. De vierde fles gekoelde Hugo draagt daar natuurlijk fors aan bij. Dan gaat de telefoon. Een beetje wankel staat ze op en pakt de telefoon. Staan blijven als alles om je heen beweegt is gevaarlijk en daarom daalt ze neer op de pianokruk.

 

Hij is geen topacteur maar dat weigert hij consequent te geloven. Het valt niet mee om aan voldoende werk te komen maar daar heeft elke toneelspeler last van. Zelfs de beroemde. Natuurlijk is het korten op de subsidies ook een reden. Dat hij desondanks toch steeds werk heeft versterkt hem in zijn overtuiging dat hij best een hele grote kan worden. Het gezelschap waar hij nu bij speelt hoort beslist niet bij de top maar als je gevraagd wordt voor een rol is dat toch mooi. Het is werk, er wordt geld verdient en wie weet komt met deze rol de doorbraak. Hoe mooi zou het zijn om in de grote theaters te staan en eindelijk al de zaaltjes in die provincieplaatsjes vaarwel te zeggen. Misschien nog eens voor een try-out waar het gezelschap dan met hun eigen touringcar naar toe gaat maar verder niet. Geen gedoe meer met een armetierig hotelletje, taxi, trein of bus en zeker geen gedoe zoals in het schouwburgje van vanavond. De tijd die hij na de voorstelling heeft om de laatste trein te halen die nog een aansluiting geeft met zijn woonplaats, was ruim genoeg. Dat wàs zo. Het gordijn wat niet open wilde, zorgde er voor dat de voorstelling een half uur later begint. Als dan ook nog de pauze belachelijk lang duurt omdat de verhuurder van de zaal tevens de catering onder zijn hoede heeft, blijft er weinig tijd over. Om 22.58 gaat zijn trein en gelukkig is het station vlakbij.

Tijd om zich af te schminken heeft hij niet. Hij rukt de pruik van zijn hoofd en schiet in zijn dagelijkse kleren. Dan haast hij zich naar buiten en begint te rennen. Bijna buiten adem vliegt hij de trap van het perron op en ziet twee rode achterlichten in het donker verdwijnen. Het 22.57. Dit zou niet moeten kunnen. Het bord boven hem begint te ratelen en vertelt hem dat de volgende trein over een half uur vertrekt maar hij weet dat de aansluiting deze nacht niet meer zal rijden. Hij loopt de trap weer af en treft in de onderdoorgang drie medewerkers van het spoor. Op hoge toon eist hij van hen een verklaring. De trein is te vroeg vertrokken en hoe kan dat. De heren van het spoor kijken hem zwijgend en enigszins bevreemd aan. Natuurlijk! De mascara rond zijn ogen, de roze blosjes op zijn wangen en het overduidelijke nep-litteken op zijn rechter kaak. Hij beseft dat hij met die geschminkte kop voor gek staat maar een antwoord is toch niet te veel gevraagd? Hij herhaalt zijn vraag en dan komt ook het antwoord. De trein is vijf minuten te laat vertrokken. Hij had om 22.52 moeten vertrekken maar dat was niet gelukt. Dan dringt het tot hem door dat hij gedurende de avond acht minuten vóór, verwisseld heeft met 58. Hij weet zich even geen houding te geven en in pure wanhoop heft hij beide armen hoog en roept: ‘Ach, laat ook maar!’ Hij draait zich om en loopt de trap weer op. Achter zich hoort hij roepen: ‘O! Kunstenaars!’ en hij weet dat één van die lolbroeken met zijn armen omhoog staat.

 

Als hij in Utrecht aankomt, belt hij Anneke. Ze moet hem maar komen halen met de auto.
‘Met Anneke.’
‘Ja, met mij. Luister ik sta in Utrecht en..’
‘Ik zit op de pianokruk en luister eens… Deze noot is helemaal vals.’
Hij hoort haar een toets aanslaan en inderdaad, het klinkt vals.
‘We moeten hem laten stemmen,’ zegt ze en nu hoort hij dat ze wat aangeschoten klinkt.
‘Heb je gedronken?’
‘Wat klink je boos. Ja, Els en Fleur zijn hier en we drinken Hugo. Het is hartstikke gezellig zo. We gaan weer pianoles geven…….. o nee, ik ga weer pianoles geven maar dan moet hij eerst gestemd worden. Hoor maar.’
Ze slaat een paar toetsen aan en het klinkt erbarmelijk.
‘Luister liefje, ik sta in Utrecht en er is geen aansluiting meer. Kan jij…’
‘In Utrecht? Wat gezellig. Kom je gauw naar huis? Je lieve vrouwtje wacht wel op je hoor..’

Ze verbreekt de verbinding. Op de taxistandplaats kruipt hij achterin de auto en mismoedig ziet hij de stad aan zich voorbijtrekken.

 

©peter gortworst \ mrt 2017
foto: Can Stock Photo

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

De prins van Dobricië

‘Kon u het vinden?’ vraagt de jonge vrouw die mij naar de afdeling begeleidt. Het is een kordate dame. Wit uniform, makkelijk haar en op Zweedse klompen. Ze heeft er flink de pas in en ik moet mij inspannen om, trekkend aan mijn koffer met gereedschap, haar bij te houden.
‘Ik heb Truus altijd bij mij. Die weet de weg,’ antwoord ik licht hijgend.
Ze kijkt mij even verbaasd aan.
‘Ik heet Truus…..’
‘Ha, dan heb jij een hele slimme naamgenoot. Ik noem mijn navigatiesysteem altijd Truus.’
Gelukkig, ze kan er om lachen.

We komen bij een deur die met een cijfercombinatie geopend wordt. Ze gaat mij voor en wijst even later op een koffiezetmachine.
‘Die is het. Hij stoomt meer dan dat hij water geeft.’
Een korte inspectie leert mij dat het apparaat vol met kalk zit. Dit gaat wel even duren. Ze schrijft een nummer op een briefje wat zij uit haar jasje haalt.
‘Als u klaar bent kunt u dit nummer bellen en dan kom ik u weer halen. De enige bewoner die hier nu is, heet Patrick. Hij praat veel maar verder zal u er geen last van hebben. Nou, succes!’

Ik ben nog maar net bezig als achter mij iemand zegt:
‘Dag meneer.’
Ik draai mij om en daar staat een boom van een vent. Ravenzwart haar, donkere ogen en een iets getinte huidskleur.
‘Hoi, jij moet Patrick zijn.’
‘O, dat hebben ze u al vertelt? Wat nog meer?’
‘Alleen dat jij een aardige man bent en graag praat.’
Deze mededeling moet hij blijkbaar even verwerken. Hij loopt een stukje weg, staat dan even stil en draait zich om. Zwijgend bekijkt hij mijn handelingen.

‘Waar praat jij graag over?’ vraag ik hem.
Schokschouderend blijft hij staan, zegt geen woord en net als ik denk dat het vele praten nog wel eens mee kan vallen, zegt hij:
‘Ze geloven mij niet als ik ga praten.’
‘Nou, als je over kabouters begint, geloof ik je ook niet.’
‘Ze geloven niet dat ik een prins ben.’
‘Een echte of van het carnaval?’
Even trekt er een donkere schaduw over zijn gezicht.
‘Een echte natuurlijk. Wij doen hier niet aan carnaval.’
‘En hoe komt een echte prins dan hier terecht?’
‘Omdat het hier veilig is. Mijn vader en moeder, de koning en koningin van Dobricië leven hier in ballingschap en omdat het te gevaarlijk is om zonder beveiliging rond te lopen hebben ze mij hier tijdelijk ondergebracht. Ik ben de troonopvolger dus ik mag niet dood’
‘Jouw vader is de koning van Dobricië? Waar ligt dat?’
‘Het is, nee, het was een klein koninkrijk op de grens van Roemenië en Bulgarije aan de Zwarte Zee. Toen in 1876 de sultan Abdoel Hamid zijn Ottomaanse rijk weer veroverde is mijn land ook verloren gegaan. Sinds die tijd leeft mijn familie in ballingschap en tot voor kort zag het er naar uit dat wij weer naar ons land konden terugkeren. Helaas is die Erdogan net zo’n grootdenkende idioot als die Hamid. Die wil ook zijn Ottomaanse rijk weer terug dus voorlopig zullen we hier wel blijven.’

Mijn topografische kennis is niet zo groot dat ik het bestaan van dat koninkrijk kan bevestigen of ontkennen. En waarom zou ik het ontkennen en waarom zou ik het bestaan van ene Abdoel Hamid in twijfel trekken?
‘Jouw voorouders zijn dus gevlucht. Hoe komen ze hier dan terecht?’
‘Waar kan je als koning beter zitten dan in een koninkrijk? Hier weten ze hoe ze met een koning om moeten gaan toch? Maar mijn ouders zijn hele gewone mensen hoor. Ze willen niet opvallen natuurlijk. Mijn vader werkt ook gewoon elke dag.’
‘Maar jij vertelt mij zomaar dat je een prins bent die hier verblijft omdat het anders te gevaarlijk is. Misschien ben ik wel de vijand!’
Ik zie hem even twijfelen. Misschien was dit niet zo’n handige opmerking van een flapuit die een kop kleiner is dan deze prins. Gelukkig loopt het zo’n vaart niet. Met een minzaam glimlachje merkt hij op dat ik de meneer ben die de koffiezetmachine maakt en blijkbaar is dit een kundige vaardigheid maar onvoldoende om een mogelijke aanslag op de prins van Dobricië te kunnen ondernemen. Toch loert het gevaar overal:

‘Er maakt hier wel een Turkse mevrouw schoon en die vertrouw ik niet. Als zij hier schoonmaakt verstop ik mij altijd. Zij weet niet dat ik besta.’
‘Omdat?’
‘Zij is een aanhanger van die Erdogan! De vijand van ons volk!”
‘Ah, zo…’
‘Geloof je mij wel?’
‘Ja, natuurlijk. Ik had er gewoon even niet aan gedacht. Wanneer wordt jij eigenlijk koning?’
‘Als mijn vader dood is en dat kan lang duren. Kijk maar naar Charles in Engeland. Als het even tegen zit gaat hij eerder dood dan zijn moeder.’
‘Charles heeft kinderen dus die zullen hem dan wel opvolgen. Hoe gaat dat met jou? Heb jij al kinderen?’
‘Nee, mijn vader zoekt nog een prinses voor mij. Die ga ik dan trouwen en dan krijgen wij ook kinderen.’
‘Ja, zo makkelijk is dat blijkbaar.’

Met de mededeling dat hij zich even terugtrekt, verdwijnt de prins naar zijn verblijven. Als de machine klaar is bel ik Truus. Misschien hebben de paar woorden die ik door de telefoon sprak de prins uit zijn vertrekken gelokt. Als Truus de deur binnenkomt is ook Patrick daar weer.

‘Tot ziens, prins van Dobricië,’ zeg ik en maak een diepe buiging. De prins glimlacht minzaam en geeft mij dan een hand. De wijsvinger van zijn andere hand houdt hij voor zijn lippen en met een knipoog laat ik weten dat het gebaar begrepen is.

‘Is het gelukt?’ wil Truus weten.
‘Het was een koninklijke klus,’ antwoord ik en Truus schiet in de lach.

©peter gortworst / mrt 2017
Afbeelding http://www.historiek.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De buitenlandse engel

Als ze in de hal van het station komt moet ze zich even oriënteren. Er blijken twee uitgangen te zijn. Op goed geluk gaat ze naar links en komt uit bij een busstation en kantoorgebouwen. Dat herinnert ze zich niet dus moet ze de andere uitgang hebben. Het straatbeeld komt haar bekend voor. Nu is ze goed. Ze gaat rechtsaf en in één van de zijstraten moet het zijn. De eerste twee slaat ze over. Die zijn het zeker niet maar of het nu de derde of vierde was weet ze niet meer. De eerste en enige keer dat ze hier was, zat ze in een auto en was het donker. Ze probeert de derde maar na honderd meter weet ze al dat het deze niet is. Hier zijn alleen maar hoge huizen en aan weerskanten van de straat geparkeerde auto’s. Dat was in die andere straat niet. Daar stonden maar aan één kant auto’s en er waren winkeltjes. Het moet de volgende straat zijn. Plotseling krijgt ze haast. Sneller dan gewoonlijk haast ze zich naar de vierde straat. Ook deze is het niet. Is het toch één van de eerste twee of misschien de vijfde straat. Ze besluit een straat verder te lopen en met een gevoel van opluchting komt de herkenning. Winkeltjes en auto’s aan één kant. Het was niet ver van de hoek en ze ziet van een afstandje al de tafeltjes en stoelen die op de stoep staan. ‘Koffiehuis Joop’ leest ze op het raam en met een blos op haar wangen en een hart wat sneller slaat dan normaal duwt ze klink naar beneden.

Natuurlijk was het stom geweest om met hem mee te gaan maar dat soort wijsheid komt altijd achteraf. Wie had kunnen denken dat haar nieuwe baas, waar zij als privésecretaresse voor was gaan werken zo’n onverwachte kwade kant had? In die ene week dat zij daar werkte was hij altijd vriendelijk, behulpzaam en geduldig geweest en toen hij aan het eind van die week haar gevraagd had met hem uit eten te gaan om elkaar wat beter te leren kennen, had zij daar niets achter gezocht. Het leek haar zelfs wel een goed idee. En het wàs ook een leuk etentje. Hij was oprecht in haar geïnteresseerd, vroeg haar van alles, vertelde ook veel en had ook nog een leuk soort humor. Zelfs toen hij vroeg of ze nog met hem mee ging om bij hem thuis een afzakkertje te nemen gingen er geen alarmbellen rinkelen. Die kwamen pas toen hij, met de smoes dat hij even naar de badkamer moest, terug kwam in een zwart leren broekje, een dito masker en een soort zweep. Hij had haar door. Volgens hem was zij een onderdanig type en zouden ze samen heel veel plezier kunnen maken. Ze was geschrokken maar had de tegenwoordigheid van geest om te gaan staan en voor hij door had wat er gebeurde, had zij de wreef van haar laarsje in zijn kruis geplant. Ze vluchtte terwijl hij kreunend op de grond lag.

Waar moest ze heen? Ze was in een wildvreemde stad en ze wist niet waar ze in die stad was. Haar mobieltje lag bij hem op de salontafel. Haar tas had ze mee gegrist, het mobieltje vergeten. Op goed geluk gaat ze lopen en al vragend aan toevallige andere wandelaars, loopt ze richting centrum. Daar is het station en als ze daar eenmaal is komt het weer goed. Wandelen is vaak stil staan bij jezelf en bij haar is dat niet anders. De emoties lopen steeds hoger op en snikkend vervolgt ze haar weg. Ze weet niet meer waar ze loopt. De omgeving is een brij van hoge huizen, geparkeerde auto’s, fietsen en eindeloze rijen stoeptegels. In die brij ontwaard ze een soort huiskamer. “Koffiehuis Joop” staat er op het raam. Halve vitrage, schemerlampjes aan de bruine muur en een ouderwetse kroonluchter aan het plafond. Ze beseft dat ze daar tot rust zou kunnen komen. Hete koffie en een toilet waar ze zich wat op kan knappen. De deur zit op slot en ontgoocheld leunt ze er met haar rug tegenaan. Ze hoort niet dat er een slot wordt omgedraaid en een knip weggeschoven. Ze zou ruggelings achterover gevallen zijn als twee armen haar niet hadden opgevangen. De armen zijn van een man met, wat zo diplomatiek omschreven wordt, een Noord Afrikaans uiterlijk.
“We zijn dicht,” zegt de man.
“Ja, dat dacht ik al. Sorry voor de moeite.”
Hij kijkt haar onderzoekend aan.
“Gaat het wel goed?”
Nee, natuurlijk gaat het niet goed. Ze schaamt zich omdat ze weet dat ze er niet uit ziet, ze moet wat drinken, ze is moe en ze moet nog naar het station waarvan ze niet weet waar het is.
“Ja, hoor. Er is niets aan de hand. Ik ben op weg naar het station maar ik wilde eerst even wat drinken. Jammer dat u gesloten bent. Ik zoek wel even verder,” liegt ze vrolijk.
Voor ze aan een bedankje toe is staat hij al met zijn hoofd te schudden.
“Het is niet goed met je. Ik ben niet gek. Kom, ga zitten.”
Met een uitnodigend gebaar trekt hij een stoel onder een tafeltje vandaan. Ze twijfelt even maar haar lijf heeft de keuze al gemaakt en met een diepe zucht neemt ze plaats. Hij loopt naar de bar en komt terug met een bierglas vol water. Als hij tegenover haar is gaan zitten gebaart hij dat ze moet drinken.
“Vertel.” zegt hij.

Ze kijkt hem aan. Kijkt naar die donkere bruine ogen, de hagelwitte tanden en zijn vriendelijke glimlach en dan voelt ze de rust die in deze man woont. En ze vertelt. Ze begint met de avond, dan haar werk, dan haar zoektocht naar werk, haar mislukte relaties, haar mantelzorg voor haar chronisch zieke moeder en elke keer weet deze man de goede vragen te stellen zodat ze meer vertelt, na moet denken over hoe het nu was of over het waarom. Ze voelt zich gedwongen om haar gedachten te formuleren omdat ze het hem duidelijk wil maken. Al pratend ontdekt ze steeds meer van zichzelf. Voor de eerste keer ervaart ze hoe bevrijdend praten over gevoelens, angsten, aannames en schijnbare zekerheden kan zijn als er echt naar je geluisterd wordt.

“Je bent een mooie vrouw,” zegt hij, “en ook een sterke vrouw. Sterk in het dienen, in het de ander naar de zin maken, in het jezelf wegcijferen. Dat is niet genoeg. Je moet ook sterk zijn voor jezelf. Schouders naar achteren en de kin omhoog. Hier ben ik. Ik heb ook mijn leven, mijn wil, mijn verlangens, mijn wensen en daarom zeg ik soms ‘nee’. Je bent geen sloofje. Je bent een waardevol mens die evenveel recht heeft op een gerespecteerd en gelukkig leven als ieder ander.”

Ze kijkt hem lang en zwijgend aan. Hij heeft zo vreselijk gelijk en ze voelt zich daardoor gesterkt. Ze staat op en vraagt naar het toilet. Daar knapt ze zich een beetje op.  Als ze terug komt staat hij op haar te wachten met zijn jas aan en de sleutels in zijn hand.
“Ik breng je naar huis,” deelt hij haar mee.
“Nee joh, ik ga wel met de trein. Vertel maar waar het station is.”
“Het is laat. Er gaan geen treinen meer.”

In een auto die aan alle kanten rammelt rijdt hij haar naar huis. Er wordt over niets gesproken. Alleen haar aanwijzingen over de te rijden route verbreken de stilte. Als ze bij haar huis zijn vraagt ze zijn naam.
“Ik heet Samien.”
“Ik heet Els. Dank je wel Samien. Ik ben heel blij dat ik jou ontmoet heb.”
Ze wil veel meer zeggen maar ze hakkelt zo erg dat er geen zinnig woord uit komt. Hij onderbreekt haar.
“Het is goed. Welterusten.”
Pas als ze deur achter zich gesloten heeft, hoort ze de auto starten. Hij wilde zeker weten dat het goed was.

Ze heeft na het weekend haar baas gebeld met de mededeling dat ze haar telefoon op kwam halen en dat deze bij de receptie klaar moest liggen. Ze kreeg hem in een gesloten enveloppe. Ter plekke maakte ze hem open en haalde behalve haar telefoon er ook een briefje uit. Hij bood zijn verontschuldigingen aan maar had ook het lef om te suggereren dat haar houding een stimulans was geweest voor dit SM-spel. Ze scheurt het briefje één keer doormidden en geeft dit met de enveloppe aan de receptioniste.
“Kunt u dit zo afleveren aan de verstuurder?” vraagt ze.
“Wie is dat dan?”
Ze noemt zijn naam en in de gelukzalige wetenschap dat het briefje eerst door haar gelezen zal worden, vertrekt ze voorgoed.

Het is niet druk in het koffiehuis. Achter de bar staat een man met een imposante snor en buik. Aan een tafeltje zitten vier mannen te kaarten en twee anderen zijn aan het biljarten.
“Koffie?” roept de man vanachter de bar naar haar.
Ze knikt en wacht. Als de koffie wordt gebracht vraagt ze of Samien er ook is.
“Wie?”
“Samien. Die werkt hier toch?”
“Ik ken geen Samien.” Hij draait zich om en roept naar de kaartende mannen:
“Jongens, kennen jullie Samien?”
Het duurt even maar dan komt er een antwoord.
“Dat was toch die schoonmaker, die buitenlander die niet schoon maakte?”
“Verdomd,” zegt de snor tegen haar, “Die had laatst op een vrijdagavond schoon moeten maken maar er was niets gedaan. Er was niet afgewassen, niet gedweild en niet opgeruimd. Die gozer is gewoon vertrokken. Mijn baas gelijk het uitzendbureau gebeld dat ze die niet meer hoeven te sturen en naar wat ik begrepen heb is hij daar ontslagen. Ja, dat heb je met die mensen. Een heel andere moraal hè. Konden wij op zaterdagmorgen eerst alles zelf nog doen.”
Als ze haar koffie afrekent wil de snor toch graag weten wat ze van Samien moet. Omzichtig probeert hij haar uit te horen. Ze legt haar hand naast haar mond en zegt zacht:
“We zitten achter hem aan. Ssst!”

Ze loopt naar buiten en ze weet dat het in deze grote stad onmogelijk is om Samien te vinden. Ze houdt het er maar op dat zij een Noord Afrikaanse engel heeft ontmoet die luisterend de ander laat weten dat het zo ontzettend mooi en belangrijk is om gehoord te worden.

©peter gortworst / feb. 2017
foto: you tube.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Amrak

Een diepe slaap heeft zijn voordelen maar als je daar noodgedwongen uit moet ontwaken valt het niet mee. Het dringt daarom langzaam tot mij door dat het alarm van een auto afgaat en het duurt nog wat langer voordat ik door heb dat het best eens van mijn auto kan zijn. Ik schiet uit bed en eens te meer blijkt de geest wel gewillig maar het vlees te zwak. Duizelig als een puber met een slok en één ritje in de kermisattractie te veel, zak ik terug op het bed. Ik wacht tot de slaapkamer weer stil staat. Dan hoor ik mijn sleutelbos rammelen en het alarm stoppen. Met gezwinde spoed haast ik mij de trap af. Dat een man in onderbroek en T-shirt op voorhand al geen dreigende of autoritaire indruk geeft bij een mogelijke indringer, neem ik maar voor lief.

Het is dat het mannetje wat verlegen kucht. Ik had hem makkelijk over het hoofd gezien en erger nog, op hem kunnen gaan staan. Het is een mini-mens van ongeveer 20 cm groot. Keurig in een donkerblauw pak, wit overhemd en een oranje stropdas, de haartjes netjes gekamd met een scheiding links, glimmende schoentjes en in zijn hand mijn sleutelbos.
‘Wat moet dat hier?’ vraag ik streng.
Het mannetje staart wat onwillig naar de koude stenen vloer en haalt zijn schoudertjes op.
‘Geef mij eerst maar eens die sleutels terug,’ brom ik bars.Met een grote boog gooit hij de sleutels omhoog en ik realiseer mij dat er in dat kleine lijfje verbazend veel kracht moet zitten. Er hangen nogal wat sleutels aan de bos en voor iemand van zijn formaat is dat een heel gewicht.
‘Zo, en nu gaan wij maar eens even praten. Hier is de keuken en ga maar op de kruk zitten’.

Ik zet het koffiezetapparaat aan en terwijl ik de melk en de suiker pak, houd ik hem nauwlettend in de gaten. Hij zit op de rand van het krukje, heeft zijn beentjes over elkaar geslagen en zijn armpjes losjes in zijn schoot gelegd. Als de koffie klaar is, schenk ik een mok vol en ga tegenover hem zitten. Ik zie alleen nog zijn keurig gekamde haren.
‘Kom maar op de tafel zitten. Zo kan ik je niet zien.’
Met een sierlijke sprong landt hij op de tafel en neemt plaats op de rand van de fruitschaal. Omdat je nu eenmaal meer vliegen met stroop vangt dan met azijn vraag ik hem of hij ook wat wil drinken. Hij schud zijn hoofd. Ik schenk wat melk in de koffie en zie dat het schift. De mok giet ik leeg in de gootsteen en schenk een nieuwe in. Dan maar zwart.
‘Hoe heet je?’
‘Amrak,’ zegt hij met een diepe, melodieuze baritonstem.
Ik schiet in de lach. Een dergelijk stemgeluid had ik niet verwacht. Hij kijkt mij nieuwsgierig aan dus vertel ik hem waarom ik moest lachen. Hij glimlacht een beetje.
‘Wie of wat ben jij? En kom niet aan met ‘kabouter’ want daar gelooft slechts een enkele zonderling in.’
‘Ik ben een Amrak. Eén van de velen en wij proberen de mensen een beetje op te voeden. Soms helpen wij en soms expres niet.’
‘Ik dacht dat wij daar beschermengelen voor hadden?’
‘Die zijn van de afdeling ‘wonderen’. Daar doen wij niet aan. Dat is te makkelijk. Een wonder overkomt je gewoon. Bij ons moet je nadenken.’

Ik neem voorzichtig wat kleine slokjes van de koffie. Een prima handeling om even te overwegen wat er zojuist is vertelt.
‘Wat heb jij dan hier gedaan om mij aan het nadenken te krijgen?’
‘De melk zuur gemaakt. Die autoband van vet om je middel is niet goed. Je moet dus af gaan vallen. De man van de nachtbevoorrading heeft mij onbewust even geholpen met het autoalarm. Het wordt een prachtige dag. De zon komt zo op dus waarom zou je, nu je toch wakker bent, niet even een rondje gaan wandelen. Goed voor je.’
Er zijn opnieuw een aantal slokjes koffie nodig. Voor ik weer wat kan vragen gaat het mannetje verder:
‘Je scheiding was klote maar hoe is het nu met je? Ooit eens nagedacht over de kosten die je zou moeten maken om je oude huis bewoonbaar te houden? Denk jij dat je die enorme tuin tot in lengte van jaren had kunnen onderhouden? Jij bent net als de rest: wel het noodlot zien maar niet de kansen die het geeft. Wij zorgen voor het noodlot en wij weten dat er dan kansen zijn. Je moet ze alleen nog zelf ontdekken door anders te gaan denken. Maar ja, dat andersom denken, maar ook schrijven, kijken of lezen, valt voor jullie niet mee. Best wel jammer, eigenlijk. Toch hadden jullie een voetballer die het aardig begreep. Elk nadeel hep zijn voordeel. Zo was het toch?’
‘Hoe kan het dat jij zo veel van mij weet? Ben jij er altijd al en waarom heb ik je nooit eerder gezien?’
Het mannetje haalt even zijn schouders op en vertelt dan dat er alleen in dit mooie dorp er wel een paar honderd zijn die alles weten van iedereen. Als ik vraag wie ze aanstuurt kijkt hij mij verwonderd aan. ‘We zijn er gewoon’ is het enige wat hij kwijt wilt.
‘Waarom heb ik je nooit eerder gezien?’
‘Er ging wat fout met de verbinding. Het is net techniek. Normaal zie je ons ook niet maar soms moeten we even zichtbaar worden. Jouw sleutel van de auto kan ik niet bedienen als ik onzichtbaar ben en omdat er met de verbinding wat fout ging bleef ik zichtbaar. Dat zal inmiddels wel verholpen zijn dus ik ga nu.’
Hij knijpt zijn oogjes even dicht en is verdwenen.

Er zit nog net een kopje koffie in de kan. Ik loop er mee naar buiten. Het schemert en de eerste merels en zanglijsters beginnen aan hun dagelijkse concert. Als ik op het bankje ga zitten stoot ik met mijn elleboog tegen de beugel van de grasmaaier. De hete koffie loopt over mijn blote benen. Ik spring op en kwaad roep ik: ‘En waar was dit nu weer goed voor? Oke, ik ga zo wandelen en die rottige grasmaaier zet ik de volgende keer gelijk wel in het schuurtje. Tevreden?’

©peter gortworst / feb. 2017
foto: http://www.tuinadvies.be

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 5 reacties

Potje

Met nauwelijks verborgen belangstelling gluurt de heer op leeftijd naar het notitieboekje in haar hand. Het is een meisje van een jaar of achttien wat bij het uitdelen van schoonheid niet helemaal vooraan heeft gestaan. Ze is te mager, heeft knokige knieën die ondanks haar maillot duidelijk zichtbaar zijn, haar kin is ver teruggetrokken en de neus te groot. Met haar wat fletse ogen staart ze een tijdje naar de lamp in de wachtkamer en schrijft dan iets in haar boekje. Ze wacht even, laat haar pen wiebelen tussen de wijs en middelvinger en schrijft dan nogmaals iets op. Ze staart weer naar de lamp en na enige tijd klinkt er een diepe zucht.

‘Lukt het niet?’ vraagt de heer naast haar.
Ze schrikt een beetje. Haar wangen kleuren rood en schichtig kijkt ze hem even aan.
‘Nee,’ zegt ze aarzelend.
Ze haalt adem om weer iets te zeggen maar ze bedenkt zich. Het wiebelen en staren gaat door. Dan schrijft ze weer wat, kijkt er naar en de dunne lippen bewegen mee als ze leest wat ze zojuist opgeschreven heeft. Het is niet goed. Met vinnige krasjes streept ze het door. Ze kijkt snel even opzij en de heer naast haar doet alsof hij niet kijkt.

De nood is blijkbaar hoog. Ze overwint haar verlegenheid en vraagt:
‘Wat rijmt er op heupen?’
‘Heupen?’
‘Ja, heupen.’
De heer fronst de wenkbrauwen en zachtjes ‘heupen’ mompelend bekijkt hij de veters in zijn schoenen.
‘Ik zou het niet weten. Volgens mij niks.’
‘Hm,’ is enige wat ze zegt en aan het pennengekras te horen en zien, verdwijnt er een hele regel.

‘Je schrijft gedichten?’ en omdat hij door heeft dat dit een nogal domme vraag is corrigeert hij zichzelf met een: ‘Ik bedoel, je bent een dichteres?
‘Nou, uh, nee, niet echt’.
‘Ik schrijf ook gedichten. Er zijn al twee bundels van mij uitgegeven. Publiceer jij ze ook?’
Ze kijkt hem een beetje bevreemd aan.
‘Ik schrijf ze voor mijn lief’, zegt ze dan.
‘Ach, wat mooi, wat romantisch! Lees jij ze dan voor of laat je ze hem lezen?’
‘Geen van beide. Ik heb nog geen lief.’
Het is duidelijk dat de heer zich even geen houding weet te geven. Liefdesgedichten aan een niet bestaande lief vragen een wending in zijn verwachtingspatroon die niet is voorzien.
‘Ja, ja,’ is het enige wat hij kan zeggen. Dan, alsof hem een licht opgaat, waagt hij zich aan een poging tot troost:
‘Die komt vast nog wel. Je bent nog jong, je hebt nog een heel leven voor je en uiteindelijk past er op elk potje een dekseltje.’

De zoemer zoemt en het meisje staat op. Terwijl ze het boekje en de pen in haar tas doet zegt ze met een allerliefste glimlach:
‘Ik ben al een pot. Nu nog een dekseltje.’
Ze verdwijnt door de deur van de spreekkamer. De heer op leeftijd heeft haar nagekeken. Het duurt even maar met een zacht kuchje als inleiding, durft hij toch zijn vraag aan mij te stellen:
‘Bedoelde ze nou dat ze lesbisch is?’
Ik knik glimlachend en zie tot mijn voldoening dat ook heren op leeftijd nog kunnen blozen.

©peter gortworst / feb. 2017
foto: kunstenantiekverkoop.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Nel

Hij staat al een tijdje te kijken hoe ik aan het prutsen ben om zeven extra veren te monteren. De haakjes aan de onderkant moeten op de tast gemonteerd worden en voor een ziende valt dat niet mee.
‘Moet ik even helpen?’ vraagt hij.
Ik kijk hem aan en schat zijn handvaardigheid in. Het is geen moeilijk klusjes en een extra hand zou best eens makkelijk kunnen zijn.
‘Als u die plaat een klein stukje naar beneden drukt kan ik er net wat beter bij.’
‘Zeg maar Henk. Ik ben een gewone jongen hoor.’
‘Ik ook en ik heet Peter.’

Gezamenlijk worstelen we de eerste veer op zijn plaats. Nog zes te gaan en met hulp van Henk gaat het niet sneller maar wel makkelijker. We mopperen gezamenlijk hartsgrondig op constructeurs die zo iets onzinnigs kunnen bedenken en zijn wonderbaarlijk eensgezind in het gebruik van krachttermen. Tijdens het broddelen aan nummer vier komt er een dame langs met een dikke map als een baby op haar arm. Haar hakken verraden haar kordaatheid: marstempo.
‘Daaag, mevrouw van der Velde’ fleemt Henk.
Ze knik minzaam naar Henk en mij. Het geluid van de hakjes verdwijnt in een lange gang en Henk gromt:
‘Bitch!’
Ik schiet in de lach.
‘Jij bent een flinkert! Hoezo bitch?’

‘Zij is, net als ik, een vrijwilligster. Alleen zij maakt de roosters voor alle vrijwilligers die hier werken en ze denkt daarmee dat ze de president-directeur is. Het steekt haar dat ze op mij geen vat heeft. Ik ben de man van de kleine klusjes. Lampjes bij de bewoners vervangen, tv’s inregelen, schilderijtje ophangen, banden van de rolstoelen oppompen en meer van dat soort dingetjes. Dat valt niet in te roosteren en al zou dat wel zo zijn dan ga ik nog mijn eigen gang. Als er wat is, dan leggen de zusters een notitie in mijn hok en dan regel ik zelf wat en wanneer er iets gaat gebeuren.’

‘Maar als je niets met haar te maken hebt en haar toch een bitch noemt, is er wel wat anders aan de hand geweest toch?
Hij begint te grijnzen.
‘Toen het oude gebouw gesloopt werd, heb ik de vier bankjes die in de tuin stonden, er uitgespit. Die krengen zijn niet te tillen dus heb ik met de sloper geregeld dat hij ze bij mij in de tuin zette. Daar heb ik ze helemaal opgeknapt en toen de tuin van het nieuwe huis werd aangelegd een beetje met het hoveniersbedrijf gesjoemeld. Ze hebben ze opgehaald en op mooie plekjes gezet. De bewoners zijn er hartstikke blij mee. Bij de officiële opening werd door de directeur in zijn speech de groep vrijwilligers ook genoemd. Hij wilde er echter één speciaal naar voren halen en dat was ik. Vanwege die bankjes. Die bitch vond het na afloop nodig om mij te laten weten dat ik mij daar helemaal niet mee had mogen bemoeien.
Vorig jaar december is mijn vriendin die hier ook woonde, overleden. De dag na de crematie belt ze mij op met de vraag wanneer ik weer van plan was te komen. Er bleef, volgens haar, te veel werk liggen. Geen condoleance, geen vraag hoe het met mij ging, geen ‘kunnen we wat voor je doen’, helemaal niets! Ik heb, zonder iets te zeggen, haar weggedrukt. Het gaat haar niet aan dat ik met de directeur geregeld had dat ik twee weken mijn neus niet liet zien. Nou, en sinds die tijd is het mis en pest ik haar door overdreven vriendelijk en voorkomend te zijn. Vroeger was het ‘Nel’ en nu is het ‘mevrouw van der Velde’.

‘Goed van jou dat je hier toch vrijwilligerswerk blijft doen.’

‘Ja, wat moet ik anders? Thuis ga ik maar zitten kniezen en het loopje hier naar toe ben ik toch al gewend. Je hebt een beetje aanspraak en zo. Ritme, weet je wel. Vind het alleen nog moeilijk de oude kamer van mijn vriendin in te gaan als daar wat gebeuren moet. Ze heette ook Nel maar zij was een lieverd.’

Hij loopt de keuken in en trekt een stuk papier van de rol. Omstandig snuit hij zijn neus en wrijft in zijn ogen. Als ik mijn gereedschap inpak staat hij zwijgend tegen het aanrecht geleund. Ik ga naast hem staan en sla een arm om hem heen.
‘Dank voor je hulp, Henk.’
Hij blijft even staan en met een ‘Ja, ja, ’t is goed’ loopt hij weg.
‘Tot ziens!’ hoor ik hem nog zeggen als hij om de hoek verdwijnt.

 

©peter gortworst / jan. 2017

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Amsterdam huilt….

Ik ben eindelijk zo ver dat de boekenkast ingeruimd kan worden. Het is een genot om de boeken vanuit hun dozen door je vingers te laten gaan:
O ja, heb ik die ook nog? Heb ik deze wel eens gelezen? Ach, dit is zo achterhaald, die kan wel weg. Hier doe ik niets meer mee maar die-of-die vindt het vast leuk om te krijgen. Wat is dit nu? Hoe ben ik hier ooit aan gekomen?
De laatste verzuchting betreft een schriftje. Er staat een handgeschreven voordracht in en heeft als titel:

-Voordracht 1934 Diner-

Ik weet werkelijk niet hoe dit in mijn bezit is gekomen. Er staat geen enkele naam in maar ik vermoed dat het uit de nalatenschap van mijn moeder komt. Zij heeft het grootste deel van haar jeugd in Amsterdam gewoond. De voordracht gaat over ene Moos en Levi. Joodse namen en dat is niet zo vreemd. Voor de oorlog woonden er 80.000 joden in Amsterdam en hun levenswijze en hun humor hebben ontegenzeggelijk invloed gehad op de overige Amsterdammers.
Misschien is de hoofdstedelijke vorm van humor wel de meest herkenbare, niet-materiële nalatenschap van de gedecimeerde bevolkingsgroep. Er waren na de oorlog nog maar 16.000 joden over.

Ik generaliseer vast als ik zeg dat de Amsterdammers (en zij niet alleen) geen ‘witz’ kunnen vertellen. Zij vertellen een witz als een mop en meestal ontgaat een niet-Jood de diepere laag die in een witz verborgen zit. Een witz is meer dan een mop. Het is meer een anekdote, een mix van humor, wijsheid en tragiek. De witz is niet zonder reden ontstaan in de diaspora. Leven in moeilijke omstandigheden, vaak onder de druk van het antisemitisme en onder de druk van een toch al moeilijk vol te houden traditie. Humor, deze humor, maakt een niet te winnen strijd dragelijk en helpt om te dromen over een tijd die komt en goed is.

Dan nu de tekst van de voordracht. Ter wille van de leesbaarheid heb ik alleen de “zoo’s” en “sch’s” maar omgezet in hedendaags Nederlands.

Verkeerd begrepen of zo gij wilt een vergeefse reis naar een diner.

Moos! Zei laatst mijn zwager Levi
Koom’t er eens bai me op ’t diner
Breng je Racheltje en lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Moos, je weet, ten allen tijden
Is’t van harte je gegund
Kom dus de andre week
Een week en woensdag
Bai me eten, als je kund.

Nah, ik loop dus spoedig henen
Naar mijn dochters en mijn vrouw
En ik zeg Racheltje en Lea
En Rebekka, kom eens gauw.
Hoor wat Levi me gevraagd heit:
Of we kwamen op het diner
Breng je Rachel, zei die en je Lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Nah, wat zeg je van zo’n pretje?

Maar je kleedt chic en fijn,
In je paarse baljapponnen
Met die borsten van satijn
Maak daj Levi vrouw en dochters
De ogen uitsteekt, hoor je, met je praal
Nah, wat zullen ze dan kaiken
Want dat hait ie niet gedacht.

Goed, den volgende week een woensdag
Koomt het paard en rijtuig veur
En we stonden, dat is te denken
Spoedig bai mijn zwagers deur
Ik zeg, Koetsier, trek aan de bel!
En wij wachten met fatsoen in het rijtuig.

Maar jawel! Niemand kwam ons opendoen
Ik zeg “Koetsier, bel nog een keer!”
En de voerman belt alweer!
Drommels, zeg ik, dat is niet pluis
Is mijn zwager nou niet thuis?
Ik zeg Koetsier bel nog-erus.

Mozes! Roep mijn vrouw verlegen
Kaik naar boven toch erus
Angst en schrik vlamt in haar oog
En in mijn woede kaik ik omhoog
En, wat denk je, zie ik nauw?
Daar leit Levi en zijn vrouw
En zijn dochters, met der vieren,
Luid te lachen en te gieren
Boven uit het zolderraam

Ik zeg, wat moet me dat beduien
Levi, hoor je me niet luien?
’t Is schandalig wat een troep
Wat een mensen op de stoep!
Nah! Roept Levi, wat kom je doen?
Ik kom toch bai je te dineren?
Is dat handlen met fatsoen?
‘k zou me voor de buurt generen

Wat? roept Levi, jij dineren?
En bai mijn, wat denk je man?
Dat ik miljoenen kan verteren
En met jou doordraaien kan?
En een week geleden na… (onleesbaar)
Vroeg je of ik kwam dineren
Met mijn dochters en mijn vrouw?

Man, riep Levi – zal ik explikeren
Wat ik onlangs heb gezeit?
‘k Zei, en dat maakt onderscheid,
Moos, kom als je kunt dineren.
Maar je kunt niet, slimme rot,
Want de voordeur is op slot.

Met dit soort voordrachten werd toen menig feest opgeleukt. Tijden veranderen en dat is soms maar goed ook. Maar ook begrijp ik mijn moeder donders goed die elke keer stil en aangeslagen was als Rika Jansen via de radio haar lied zong over het Amsterdam wat eens heeft gelachen.

© peter gortworst / jan. 2017

foto’s: eigen maaksel

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

Puber

Het is hun tweede ontmoeting. De eerste was in het Grand Café en zij zag wel wat in deze sportieve gepensioneerde man. Hij was onderhoudend, beslist niet alledaags en behandelde haar als een dame. De avond was tot haar genoegen plezierig verlopen en toen zij, met de nodige spanning in haar lijf, vroeg of er iets van chemie tussen hen was, had hij dat niet ontkent. Of er genoeg chemie was wist hij nog niet maar dat zou de tijd wel leren. Vol begrip had ze geknikt maar het antwoord kwam toch als een beetje jammer bij haar binnen. Gelukkig wilde hij haar wel een tweede keer zien en ze spraken af om dinsdagmiddag een boswandeling te maken. Hij zou haar thuis om half twee oppikken.

Het is snikheet maar het bos geeft een aangename verkoeling. De gesprekken gaan van de koetjes en de kalfjes naar de meer serieuze onderwerpen en weer terug. Ze ontdekken hun overeenkomsten en verschillen. Boeken die beiden gelezen hebben, gelijke politieke voorkeuren maar hij gruwt van GTST en zij niet. Ze moet glimlachen om zijn grapjes en geniet hoopvol.

Het pad voert hen langs een recreatievijver maar op deze doordeweekse dag is er geen mens te zien. Ze nemen plaats op een bankje en hij vist uit zijn rugzak een thermoskan met thee, twee bekers, een zakje met suikerklontjes en een doosje met koekjes. Als ze een tijdje zwijgend naar het water hebben zitten staren zegt hij plotseling:
‘Zullen we gaan zwemmen?’
Ze schrikt uit haar dagdroom en kijkt hem verbaasd aan.
‘Heb jij zwemkleding bij je dan?’
‘Nee, moet dat? Er is geen mens. We gaan gewoon in ons ondergoed. Of in de blote kont?’
‘Nou, nee,’ zegt ze afgemeten want in haar leefstijl komt dergelijk gedrag niet voor. ‘Maar als jij wilt zwemmen hou ik je niet tegen.’

Met een ‘okido’ begint hij zich uit te kleden en schijnbaar achteloos kijkt ze de andere kant op. Dan rent hij over het stukje zandstrand, plonst het water in, duikt onder en komt een aantal meters verder weer boven. Ze heeft hem nagekeken, gezien dat hij zijn boxershort nog aan heeft en hem bewonderd om zijn tanige, mooie bruine lijf. Ze heeft ook om zich heen gekeken en met opluchting geconstateerd dat er niemand is die haar zou kunnen conformeren met deze oude man in zijn onderbroek.

‘Hoe droog jij je nu af?’ vraagt ze als hij weer bij het bankje staat.
‘Niet. Het droogt vanzelf als ik vijf minuten in de zon zit.’
Hij gaat, een beetje achterover hangend, de ogen dicht en de benen gespreid in de zon zitten.
‘Doe jij wel eens gek?’ vraagt hij.
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, op het rolstoelknopje van een draaideur drukken als er veel mensen in staan en als dan de deur heel langzaam gaat draaien net zo verbaasd als alle anderen om je heen kijken. Of een alarmtoontje fluiten als iemand met volle tassen door de detectiepoortjes bij C&A loopt. Of in een volle lift met je neus in de hoek gaan staan en half hard mompelen: ‘Je gaat niet dood, je gaat niet dood, je mag er zo weer uit, blijf rustig, blijf rustig.’
‘Dat vind jij leuk?’
‘Ja, jij niet?’
‘Nee, ik zie daar de humor niet van in. Je maakt mensen aan het schrikken. Doe jij dat echt?’
‘Hm hm. Wat zou jij doen als er een oude man om hulp vraagt als hij bij de laadstrook van de Ikea staat met een touwtje om zijn pols en de andere kant van het touwtje om een paal?’
‘Niks, denk ik.’
Ze is even stil en vraagt dan:                
‘Heb je dat gedaan?’
‘Hm hm.’
‘Belachelijk! Wat zullen de mensen er wel niet van gedacht hebben?! Dat doe je toch niet?’
‘Ja hoor, dat doe ik wel en het zal mij worst wezen wat ‘men’ er van vindt. Misschien hebben ze wat om over na te denken, misschien lachen ze zich een bult…… Af en toe moet een mens gewoon iets anders dan het enige normale doen, toch?’
‘Ze zeggen niet voor niets: Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ik vind het maar niks.’
‘Jammer. Ik ben droog. Zullen we zo verder?’

Hij kleed zich weer aan. De nog natte boxershort kleurt zijn broek donker. ‘Goddank is er niemand die het ziet’ denk ze.

Het valt haar op dat hij minder spraakzaam is geworden. Als ze bij haar huis komen zet hij de motor uit. Hij draait zich naar haar toe en zegt:
‘Dit wordt een definitief afscheid. Je bent een lieve meid maar niet wat ik zoek. Ik heb iemand nodig waarmee ik ook gek kan doen. Humor is voor mij levenssap. Ik moet elke dag minstens één keer kunnen lachen. Met jou gaat dat niet lukken, heb ik gemerkt. Je bent mij te serieus. Daar is niets mis mee. Die mensen moeten er ook zijn maar dat zijn niet de mensen waar ik mijn leven mee wil delen.’
Ze staart naar het ventilatieroostertje voor haar. Ze had de bui al zien hangen en ook bij haar waren er twijfels ontstaan.
‘Nou, dat komt dan goed uit,’ zegt ze flink, ‘ik ben niet op zoek naar iemand die zich als een idioot gedraagt en waar ik mij voor zou schamen. Aan mij is niets mis maar bij jou is dat niet zo zeker. Het ga je goed.’
Ze opent het portier en vlak voor ze deze met een daverend klap dicht gooit zegt ze nog even snel: ‘Puber!’

Hij start de auto en terwijl hij wegrijdt toetert en zwaait hij naar een vrouw die met een kinderwagen aan de andere kant van de straat loopt. Aarzelend zwaait ze terug. Wie van haar vrienden of kennissen was dat?

©peter gortworst / jan. 2017

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Cijfertjes

Dingen waar we ons zorgen over maken, schatten we groter is dan ze in werkelijkheid zijn. Dat schijnt een menselijke eigenschap te zijn. Een eigenschap die door ‘slimme’ verkopers handig wordt gebruikt:

“Weet u hoeveel inbraken er jaarlijks worden gepleegd? Wij hebben de beste beveiligingsinstallatie en onverwoestbaar hang- en sluitwerk.”

“Weet u wel hoeveel mensen er sterven aan darmkanker? Dit is het perfecte dieet om dat te voorkomen.”

“U heeft straks alleen een pensioentje en AOW? Daar gaat u het niet mee redden. Stort nu maandelijks een vast bedrag en wij zorgen er voor dat u er dan warmpjes bij zit.”

Dat inspelen op angst, mensen zich zorgen laten maken, wordt niet alleen in deze situaties gebruikt. Er zijn ook maatschappelijke en politieke groeperingen die daar dankbaar gebruik van maken. Met termen en uitlatingen als ‘tsunami’ ‘Nederland in de uitverkoop’ ‘We worden geïslamiseerd of gekoloniseerd’ ‘Duizenden staan aan de grens’ wakkeren ze de onrustgevoelens bij de bevolking aan.

Afgelopen week verschenen de resultaten van een internationale enquête die het Britse onderzoeksbureau Ipsos Mori onder 27000 mensen gehouden had. Daaronder waren 800 Nederlanders. Met enige verwondering constateer ik dat de cijfers, tot nu toe, niet voor enige ophef hebben gezorgd. Voor mij waren ze een openbaring.

Op de vraag hoe groot het percentage moslims in hun land is, denken de Nederlanders aan 19%. In werkelijkheid is het 3,6 – 6 %
Op de vraag hoeveel moslims er in 2020 zullen zijn, denkt men dat het 26% zal zijn. Diverse wetenschappelijke prognoses zijn echter veel behoudender. Zij komen op 6,9%
Ook in andere landen zijn deze verschillen opvallend. Zo denken de Fransen dat 1 op de 3 moslim is. In werkelijkheid is het 1 op de 13.

 

Goed kunnen goochelen is een kunst. Met cijfers goochelen kunnen we allemaal. Op deze enquête zal vast wel iets af te dingen zijn maar onverlet blijft er mijn frustratie over al die vage termen die gebruikt worden voor eigen gelijk en gewin. Ik koop daar niets voor en ben zeker niet één van die zogenaamde ‘miljoenen’ die pretendeert ‘het volk’te zijn. Natuurlijk weet ik best dat je de genoemde cijfers met verbazing leest als je in een buurt woont met veel ‘buitenlanders’. Ik zal ook de laatste zijn die ontkent dat er problemen bestaan maar het praat een stuk makkelijker als de gegevens kloppen.

Ik zou zo graag echte, harde, eerlijke en duidelijke cijfers willen hebben. Niet alleen voor mijn gemoedsrust maar misschien ook wel voor die van jou. Helaas is het winnen van stemmen niet gebaat bij een eerlijk, objectief verhaal. En met die wetenschap geef ik mijn gezonde verstand maar voorrang op mogelijke aangeprate onderbuikgevoelens.

 

©peter gortworst / dec.2016

afbeelding: http://www.clipartkid.com 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties