De zwangere man -8-

Eén van de komende dagen verwacht ik een telefoontje. Nee, niet van een verzekeringsmannetje of een dame van een telefoonaanbieder met een niet te versmaden aanbod wat uiteindelijk veel geld kost maar van een trouwe fan die zich zorgen maakt. ‘Hey Peter! Wat is het stil bij jou. Waar blijft je boek?’, zal ze vragen. Ik begrijp de vraag. Het is inderdaad stil maar ik kan haar gerust stellen: het boek is klaar. Alle suggesties, verbeteringen en fouten zijn verwerkt en nu kan ik met een gerust hart zeggen: Klaar.
Nu is dat niet helemaal waar. Elke keer dat ik stukken tekst herlees ontdek ik woorden of zinnen die eigenlijk anders moeten zijn. Voor mij geen onbekend verschijnsel. Bij het schrijven en herlezen van mijn verhaaltjes op dit blog gaat het net zo. Misschien moet ik mij er maar bij neerleggen dat iets als een boek of verhaaltje nooit ‘af’ zal zijn.

En zo ben ik in de volgende fase gestapt. Drukken en uitgeven. Ik dacht een bedrijf gevonden te hebben maar bij navraag op FB bleek het allemaal niet zo eenvoudig. Elke drukker wil wel voor je werken. Dat is het probleem niet. De vraag is tegen welke prijs ze dat doen? En wat bieden ze dan voor die prijs? En wat zijn dan jouw opbrengsten? En hoeveel boeken moet je verkopen om toch minstens uit de kosten te komen? En waar is mijn boek dan te koop? En en en…. Zo veel vragen, zoveel mogelijkheden, zoveel onzekerheden. Dan komen er nog vragen waar ik nog niet eens over nagedacht heb. Welk genre is het? Hoeveel denk je er van te verkopen? Genre? Geen idee. Iets tussen een roman en een thriller in. Hoeveel? Ook geen idee. Misschien 50? Of 100? 1000?

Ik kreeg onverwacht hulp van Anika Redhed. Mocht je ooit een goed reisboek zoeken dan moet je bij haar zijn. https://www.anikaredhed.com/
Dank zij haar waardevolle en onbaatzuchtige hulp kan ik verder.

Ik hoop dat mijn boek in september helemaal klaar is voor de verkoop. De zomermaanden lijken mij geen goede periode om een boek te lanceren. Bijkomend voordeel is dat er voor mij nog wat tijd is om de zaken goed op een rijtje te krijgen. Dus lieve lezers, ga gerust op vakantie. Ik ben nog wel even bezig.

Iets heel anders. Zoals jullie misschien weten ben ik ook taalcoach in Emmen. Mijn studente is een Syrische vrouw. Ze kan al goed Nederlands en schrijft alsof ze het al jaren gedaan heeft. Eén van de problemen is de woordvolgorde in de zinnen. Om dat te verbeteren geef ik haar in stukjes geknipte zinnen. Zo was er een zin: Door de storm waaien de pannen van het dak. Wat zij te zien krijgt is waaien pannen storm dak door.  Ze zit er een tijdje naar te kijken en zegt vervolgens dat ze het niet weet. Wat heeft koken met storm of dak te maken? Leve Google afbeeldingen want in de hele omtrek was er geen pannendak te vinden.

Tja, een mens maakt wat mee.

© peter gortworst / juli 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , | 2 reacties

Deskundig

Er moet een nieuwe spoorbrug over het kanaal komen. De oude brug heeft zijn leven er op zitten. Hij is te oud, ligt op de verkeerde plek en maakt een hels kabaal als er treinen overheen rijden. Het nieuwe tracé komt meer naar het noorden te liggen. De afstand tussen de nieuwe woonwijk en de spoorlijn wordt aanmerkelijk vergroot zodat de bewoners geen last meer hebben van de herrie. Een architect heeft de nieuwe brug ontworpen. Alle berekeningen met in acht neming van de veiligheidsmarges zijn gedaan en het rijk heeft groen licht gegeven. Er kan gebouwd worden.

Niemand heeft rekening gehouden met de mening en opstelling van het bedrijf dat de staalconstructie gaat bouwen. De technici van dat bedrijf vragen zich af of het staal werkelijk zo dik moet zijn. Zijn al die dwarsverbindingen en al die schragen wel nodig en de hoogte van die overspanning? Als die twee meter lager is kunnen we die hele brug in de hal bouwen en niet buiten. Met die naderende winter kan je toch beter binnen werken? ‘De ontwerper van deze brug zal vast wel deskundig zijn maar dat zijn wij ook!’ zeggen de bruggenbouwers.

Ik moest aan dit voorbeeld denken toen ik de afgelopen week een zeer onfris stuk debat in de Tweede Kamer volgde. Er was een debat aangevraagd door een man (ik weiger zijn naam te noemen omdat ik dat te veel eer vind) die er genoegen in schept om grote woorden te gebruiken en zich er niet voor schaamt om mensen op persoonlijke titel te beledigen. Bij mij heb je op voorhand afgedaan als je op een dergelijke manier je punt duidelijk wil maken of je gelijk wilt halen. Verbaal geweld nadert dan lichamelijk geweld en toont jouw zwakte. Maar goed, deze ‘volksvertegenwoordiger’ meende te moeten zeggen dat er naar deskundigen geluisterd moet worden maar dat ze zelf ook deskundig zijn. Ik moest even mijn broek weer omhoog sjorren.

Deze uitspraak roept vragen op en verklaart het één en ander:

Waarom zou je in de toekomst nog deskundigen raadplegen? Als je meent zelf een deskundige te zijn, bespaar je heel veel uitgaven aan al die bureau’s. De mensen die daar werken rekenen meestal aardige bedragen voor hun werk.

Stel dat je wel die jongens en meisjes contracteert en luistert naar de resultaten van hun onderzoek maar hun verhaal past jouw niet. Is het dan verstandig om aan jouw ‘deskundigheid’ de voorkeur te geven?

Stel dat er vier van die onderzoekbureau’s hetzelfde zeggen maar een vijfde heeft een andere mening. Laat nu die mening in jouw straatje van pas komen! Hoe heerlijk is het dan dit vijfde bureau de hemel in te prijzen, hun waarheid als enige waarheid te zien en geen gelegenheid onbenut laten om deze onderzoeksresultaten voor het voetlicht te houden. Het moet toch een fantastisch gevoel geven als je, bij het afserveren van jouw bureau, met gespeelde verontwaardiging kan roepen dat we een nepparlement hebben, we aan kartelvorming doen of hard in de microfoon kan blaten dat de regering een gevaarlijke organisatie is?

Of het nu gaat om het bestrijden van Covid 19, wel of niet vaccineren, Syrië-gangers wel of niet terughalen, 100 of 130 op de snelweg of CO2 uitstoot: je hebt mensen nodig die er verstand van hebben. Dat zijn niet de mensen die in de Tweede Kamer zitten. Het enige dat zij kunnen doen is luisteren naar de deskundigen en hun beleid (als ze dat al hebben) daar op aanpassen. Hun eigen interpretatie van de werkelijkheid is vaak al tenenkrommend dus de hemel beware ons als ze zichzelf tot een beter wetende deskundige gaan benoemen of de resultaten van één onbekend bureau als zaligmakend te zien. De deur voor de vreemdste complottheorieën wordt dan ( en is) wagenwijd open gezet.

Los van dit al en misschien klink ik als een oude man die niet meer weet hoe het in de tegenwoordige tijd aan toe gaat maar ik vraag mij af waarom er niet met respect en waardigheid met elkaar wordt omgegaan. Is het gebrek een aan taalvaardigheid, opvoeding, fatsoensnormen of is het gewoon een tekort aan verstand? Schooljongetjes zijn het die meteen gaan slaan als ze het met woorden niet meer afkunnen.

Mijn huisarts is een deskundige man. Ik luister heel goed naar hem en het werkt: ik leef nog. Ik denk dat de genoemde ‘volksvertegenwoordiger’ niet naar zijn huisarts luistert. Ook hier zal hij zichzelf tot deskundige opgeworpen hebben en dat verklaart een hoop.

© peter gortworst / juli 2021

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 3 reacties

Pro life or death

Ik weet niet zo goed hoe ik deze ‘oprisping’ moet beginnen. Het liefste zou ik je meenemen in de gangen van mijn gedachten maar als je zelf nog niet weet hoe die lopen, wordt het lastig. Ik waag een poging:

Stel, jij bent Anneke en je gaat met je beste vriendin, Myra, een avondje stappen. Dat hebben jullie best verdient. De examens zijn achter de rug, jullie zijn geslaagd en in september wacht het leven als student in Groningen. Het is een zwoele, zachte zomeravond en op het terras is het gezellig. Jullie raken aan de praat met twee jongens. Zij nodigen jullie uit om bij hen op het dakterras verder te borrelen. Ach, jullie zijn met z’n tweeën dus wat kan er gebeuren? Het terras is mooi, de sfeer is goed en de drankjes zijn lekker.
Wat er precies fout is gegaan weet je niet. Het laatste wat je weet, is dat je scheef in je stoel wegzakt en het bewustzijn verliest. Jullie worden wakker als de eerste vogels beginnen te zingen. Je ligt op de koude tegels van het terras. De koele morgenlucht laat jullie rillen en het enige wat nu telt is wegwezen. Thuis merk je dat je geen slip meer draagt en een angstig vermoeden neemt de overhand. Tegen je ouders zeg je niets. Je schaamt je kapot als je hen hier iets over zou moeten zeggen. Hun ‘wees voorzichtig’ zit als een mantra in je hoofd.
Na bijna twee maanden is het vermoeden waarheid geworden. Je bent zwanger en wat nu?

Stel, jij bent Karin en al vier jaar getrouwd met Jaap. Jullie hebben het goed. Een leuk huis, fantastische ouders, goede banen en een massa vrienden. Er slechts één ding dat aan dit grote geluk ontbreekt: een kind. Volgens de arts is er biologisch niets mis maar het lukt domweg niet. Tot er drie maanden geleden iets van een vermoeden ontstond. De zelftest en de arts maakten van het vermoeden werkelijkheid. Je bent zwanger! Grote vreugde! Bij jullie, bij de wederzijdse ouders en bij al jullie goede vrienden. Plannen worden gemaakt want er moet natuurlijk een kinderkamer komen, er worden jongens- en meisjesnamen verzonnen omdat jullie vooraf het geslacht niet willen weten. Jullie houden wel van verrassingen dus laat deze ook maar komen.
Verrassingen zijn niet altijd leuk. Als Karin ’s morgens uit bed stapt, weet ze het: Het is niet goed met het kind. In het ziekenhuis bevestigen ze haar angstige vermoedens: een miskraam.

Het zou zomaar kunnen dat deze twee vrouwen elkaar in de hal van het ziekenhuis gepasseerd zijn. Anneke die verlost wordt van iets dat ze absoluut niet wilde. Iets dat ze ziet als een demon, iets waar ze met afschuw aan denkt. Karin die haar kind verliest. Een verlies dat leidt tot een rouwproces. Een rouwproces dat ook nog eens door velen niet begrepen wordt.
Er sterven twee kinderen in de dop. De ene geliefd, de andere gehaat. De ene meer dan welkom, de ander had nooit mogen bestaan. De ene was een kind, de ander een bloedprop.

Gisteren las ik dat president Biden, als het aan de Amerikaanse bisschoppen ligt, niet meer welkom is om tijdens de eucharistie de hostie in ontvangst te nemen. Hij zou niet ‘pro-life’ zijn. Het is dit nieuwtje dat mij aan het denken zette. Laat ik het wegens de leesbaarheid en lengte van dit epistel maar niet hebben over de uitspraak en aanmatigheid van die bisschoppen maar ik denk dat zij fundamenteel fout zitten. Ik vermoed dat zij, en zij niet alleen, iedereen die niet voor ‘pro-life’ is, automatisch tot ‘pro-death’ verklaren. Dat is, een enkeling daargelaten, niemand. Tussen deze twee uitersten zitten vele grijstinten maar zoals zo vaak worden standpunten verabsoluteerd en is het zoeken naar nuances een onbegonnen, zinloze bezigheid.
Het gaat er bij mij niet in dat alle vrouwen die een abortus laten plegen, dit lichtvoetig doen. Zo van ‘shit, weer zwanger, nou ja, geeft niet, ik laat het wel even weghalen’. Ik denk dat het voor iedere vrouw een besluit is wat voorafgegaan wordt door vele overwegingen. Want wat als je hoort dat jouw kind zwaar gehandicapt ter wereld zal komen? Wat als jouw voorbehoedsmiddel je niet heeft behoed? Wat als, zoals Anneke, je het slachtoffer bent van een verkrachting?

Ik weet dat er door die ‘pro-life’ beweging geprobeerd wordt om vrouwen te bewegen het kind geboren te laten worden om het dan ter adoptie aan te bieden. Je vraagt naar mijn mening nogal wat van die vrouw. Alsof een zwangerschap en een geboorte van een kind dat je helemaal niet wil, zo eenvoudig, zo draaglijk is.

Ik ben er een groot voorstander van dat de vrouw zelf beslist. Niemand zou haar de maat mogen nemen. Niemand, ook de kerk(en) niet, mag haar ongevraagd een richting opsturen die zij niet wil. Dat zij kan kiezen is een groot goed en haar keuze zal gerespecteerd dienen te worden. Vrouwen kunnen, misschien nog wel beter dan mannen, keuzes maken. Ze zijn er in ieder geval mans genoeg voor.

©peter gortworst / jun. 21

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , | 5 reacties

De zwangere man -7-

Zelfs een 65plusser kan als een kind zo blij zijn. Mijn boek is terug met de laatste (?) correcties. Ik hoef deze nu alleen nog maar even te verwerken. ….Fout! Mooi niet! Waren het alleen maar die verkeerde deetjes en teetjes. Dan was deze ronde een makkie. Het zijn er overigens minder dan verwacht. Dat is niet mijn verdienste maar de eer gaat naar een eerdere proeflezeres. Naast alle kritische op- en aanmerkingen nam zij “terloops” ook al deetjes en teetjes mee.

Nee, de laatste correctrice heeft mij opgezadeld met een vraag waar ik even geen antwoord op heb. Wacht, ik praat je even bij: Het is haar opgevallen dat iedereen in het boek ongeveer hetzelfde praat. Dan val ik even stil omdat dit iets is waar ik nog nooit aan gedacht heb. Hoe laat je personen in een boek hun eigen taal spreken. Hoe beschrijf je iemand met een donkere donkerbruine stem? Je kan hem wel introduceren met zo’n stem maar je kan niet bij elke keer dat hij iets in het boek zegt, de lezer herinneren aan de klank van deze stem. Iemand die stottert is makkelijk, maakt hoofdstukken langer maar leest niet echt prettig. Mag je van je lezers verwachten dat ze zich gedurende het hele boek weten te herinneren dat Sofie een zwoele stem heeft? Een oproep op Facebook leverde niet echt gebruiksklare reacties op. Iemand schreef dat wanneer ik mijn personages echt zou kennen, dit probleem zichzelf oplost. Ik heb mijn personages zelf bedacht en zou ze dus als geen ander moeten kennen. Opgelost heeft dit dus niets.

Dan zijn er nog andere dingen:

Een gevalletje van herschrijven: Aan het eind van het boek worden zaken te snel afgehandeld/opgelost. Daar kan aan gewerkt worden.

Een zelfverzonnen woord roept irritaties op. Dat moet natuurlijk niet. Gewoon even een wat normaler woord bedenken en dit dan overal in het boek vervangen.

Een Fiat 500 die op onverklaarbare wijze een Fiat 600 wordt. Curieus natuurlijk maar niet de bedoeling.

Waarom kunnen ze in Italië als ontbijt niet gewoon boterhammen met kaas of ham eten? Gelukkig is er Google.

Er klopt een tijdlijn niet. Winter en lente lopen door elkaar en dit is niet eenvoudig op te lossen. Mensen dragen bijvoorbeeld andere kleren en zitten niet in het verkeerde jaargetijde met een korte broek op een bankje in de zon. Dat wordt dus herschrijven.

Komma’s! Wanneer wel en wanneer niet? Een eenduidige regel is er blijkbaar niet. ‘Je hoort, als je hardop leest, zelf waar een pauze valt en daar moet dan een komma’ las ik. De praktijk is lastiger dan deze theorie. Vertellen hoe je hard kan schaatsen, levert niet direct een rondje 34,2 op.

Er is dus nog werk te doen. Leuk? Ja. Vooral omdat dank zij (Nee, pap! Aan elkaar!) dankzij alle gekregen hulp het een nog beter boek wordt. Een boek waar we met z’n allen trots op kunnen zijn. Amen.

© peter gortworst / jun 21

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Mijn andere ik

Ik ben een vrouw die best tevreden is over zichzelf en haar leven. Niet met een gouden lepel in mijn mond geboren maar met een ‘Gero no-rost’. Zo’n lepeltje van dertien in een dozijn maar ook daarmee kom je een eind. Het kost wat meer moeite maar uiteindelijk lukt het om te bereiken wat je wilt.

Het belangrijkste is om een doel voor ogen te hebben. Dat doel krijg ik pas op de huishoudschool. Leren is voor mij een bezoeking. Bovendien ben ik niet zo heel erg begaafd dus de spinazieacademie is een logische keuze na de lagere school. Ik heb een broertje dood aan alle theoretische vakken en van de praktijklessen is koken het enige vak waar ik plezier aan beleef. Naaien, lakens verstellen of strijken? Vreselijk vind ik dat. De eerste kookles weet ik nog heel goed. Een witte boterham roosteren, daarop gebakken ontbijtspek en een spiegelei als bekroning van de creatie. Mijn ei laat ik bakken op het spek en ik ben de enige die peper en zout gebruikt. De lerares is enthousiast en gaandeweg is zij het die mij stimuleert om met bakken en koken meer te gaan doen. Ik slaag met vijfjes en zesje maar de negen plus voor bakken en koken maakt duidelijk waar de liefde ligt.

Ik ga als keukenhulp aan de slag in de keuken van een bejaardentehuis. Die had je toen nog. Je weet wel, zo’n gebouw met wel tachtig gelijke kamertjes. In elk kamertje een bejaarde. Meer vrouwen dan mannen als bewoners en bijna altijd een kanariepiet in een kooitje op de eettafel. Daar leer je hoe je niet moet koken. Nu is het gelukkig anders maar toen was het bar en boos. Grote kookketels met stukgekookte groente, aardappels waarvan meer dan de helft gepureerd wordt, rijen vette karbonades in enorme braadsleden met een overdaad aan jus. Eigen initiatief kan je wel vergeten. Er is per persoon een bedrag beschikbaar en daar moet je het als kok mee doen. De eerste tekenen van de ‘opwarmkeuken’ waren toen al zichtbaar. Ik was er snel mee klaar. Dit was niet wat ik mij van het leven als kok had voorgesteld.

Toen ik hoorde dat ze bij de IJzeren Bel van Cor de Haas een keukenhulp vroegen, ben ik daar binnengestapt. Cor ziet het met mij wel zitten en ik ben daar gaan werken. Als jongste lid van de brigade begin je onderaan. Afwassen, vloeren schrobben, zakken vol met aardappelen schillen, bestek poetsen en glazen laten stralen. Langzamerhand krijg ik meer te doen en werk ik mijn weg omhoog als kok. Ik leef voor mijn vak. Tijd voor vriendjes is er niet en het laatste wat ik wil is trouwen om vervolgens thuis te zitten. Moeder zijn en de huisvrouw spelen is niets voor mij.
Ja, en dan merk je dat Cor er niet zo veel zin meer in heeft. De kwaliteit loopt terug, de sfeer wordt anders en twee van de vier koks worden ontslagen. Voor mij het moment om met hem te gaan praten en zie: ik ben nu eigenaar van de IJzeren Bel en de chef-kok in de keuken. Ik heb personeel en een mannetje wat de boekhouding doet. Het gaat mij goed. Tot gisteren. Mijn ‘best tevreden over mijzelf en mijn leven’ is met een simpele druk op de knop voorgoed verleden tijd.

Plotseling ben ik wel getrouwd en heb drie kinderen om mij heen en de vierde zit nog in mijn buik. Mijn man werkt bij een bank en is heel goed met cijfertjes. Water koken vindt hij moeilijk en een ei bakken is een operatie op zich. Dat ik met mijn talenten niet uit de voeten kan is niet zijn zorg. Hij meent dat mijn tijd wel weer komt als de kinderen zelfstandiger zijn. Ik moet mij als een goede moeder voor ‘zijn’ kinderen gedragen en verder wordt er niets meer van mij verwacht dan dat ik verstandig met het huishoudgeld om ga en de woning schoon en leefbaar houdt. Dit is een heel ander leven dan ik vooraf dacht en bovendien weet ik het doel van deze verandering niet. In mijn vorige leven was ik aardig op weg om een kookprogramma op de tv te doen en nu kan ik de afstandsbediening vast houden als manlief naar bed is. Ik begrijp het niet. Hoe kan iemand met een hoofdrol in het boek zomaar aan de kant geschoven worden. Deze ideeën van de schrijver kan ik niet volgen. Dat je delen van je boek herschrijft snap ik maar om mij als een slome, nietszeggende grijze muis te degraderen gaat mij te ver. Zou het niet in het grote brein van mijn schepper opkomen dat je zo niet met je creaties omgaat? Voor mij hoeft het zo niet meer. Ik wordt nu net zo lief helemaal weggeschreven. Zo moeilijk is dat niet. Een akelige ziekte, een noodlottig ongeval of moord; keuzes genoeg lijkt mij. Alles beter dan later beschreven worden als een levenslustige oma die flensjes voor haar kleinkinderen bakt.

© peter gortworst / mei 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

De zwangere man -6-

De zwangere man  -6-

Het mei zonnetje schijnt weldadig en verwarmt mijn gestel en gemoed. Ik zit op het terrasje en om mij heen zoemen de bijtjes, wespjes, hommeltjes, vliegjes en meer van dat kleine grut. De zwarte roodstaart bekijkt vanaf de rand van het garage dak de woestenij die men normaal tuin noemt en de merel laat enigszins vermoeid zijn bekende riedel horen. Hij was er vanmorgen al vroeg bij dus wie zal hem iets kwalijk nemen. Twee kauwtjes scharrelen in het gras. Ze zijn op zoek naar de resten van twee kale broodkapjes die ik gisteren, in een vlaag van gulheid, aan de vogelen des hemels geofferd heb. Een kapje met roomboter, oude kaas en mittelscharfe mosterd is een gebakje dus waardoor deze daad van offervaardigheid is ontstaan, weet ik even niet. Uit het huis komt een flard van rabarbergeur. Er staat een grote pan op het spreekwoordelijke vuur en het wachten is op gaarheid. Ergens in de omgeving is een boer zijn privéverzameling mest aan het uitrijden en ook flarden van die geur bereiken mijn neus.

Al die geluiden, al die geuren en al die ziendingen komen via voor mij onverklaarbare banen, terecht in mijn hersenpan. Daar raken ze snaren die denkprocessen in werking stellen en het resultaat mag er zijn. Nee, geen oplossing maar wel een richting. Het boek, want naast al het andere is mijn geest daar veelvuldig mee bezig, is nog niet klaar maar aan vervolgstappen kan wel gedacht worden. Ik hoop en neem, misschien tegen beter weten in, aan dat de langste tijd van wachten achter de rug is. Nog even en dan kunnen de laatste correcties gecorrigeerd, de laatste stukken herschreven en de laatste onlogische handelingen verbeterd worden. ‘Het boek is klaar’. Wat een prachtige zin is dat nu al.

Af en toe, nou ja, meer toe dan af, droom ik. Het nieuws dat mijn boek klaar is, heeft zich razendsnel verspreidt. Ik droom dat de aanbiedingen van de 4500 uitgeverijen die Nederland rijk is, mij brieven sturen, mijn mailbox vol laten lopen of hun charmantste dames naar mijn voordeur sturen met de vraag of ze alstublieft in het kwadraat mijn boek mogen uitgeven. Verveeld leg ik de ongeopende brieven op de stapel, markeer ik mailtjes als spam en geef al die dames een chocolaatje om ze vervolgens van de stoep te jagen. Zolang er geen getal van minimaal 4 nullen genoemd wordt ben ik niet thuis. Natuurlijk weet ik dat dromen bedrog zijn maar met de gedachte spelen is leuk.

Maar goed, die richting. Uitgeven via een reguliere uitgeverij lijkt mij geen goed plan. Ik wil niet hebben dat zij zich gaan bemoeien met mijn tekst. Nee, een redacteur die het op fouten gaat controleren is ook niet nodig en nee, ik kan zeker geen half jaar of meer wachten tot het eindelijk uitgegeven wordt. Op een echte baby moet je negen maanden wachten maar als het eenmaal komt is er geen houden meer aan. Het laat zich niet nog een maand in de wachtstand zetten en zo is het ook met mijn boek. Straks is het klaar en dan moet het verder.

Over dat ‘verder’ smeed ik allerhande plannetjes. Natuurlijk bekendheid geven via Facebook en aanverwante media, een eigen website maar ook een signeersessie in Meppel. Daar heb ik lang gewoond en velen zullen mij nog kennen. Via een persbericht mij aankondigen en dan een middagje mooie dingen schrijven in het boek. Hier in Georgsdorf gaat dat niet. In de eerste plaats is hier geen boekwinkel en spreekt men of Duits of plat. Er wonen wel Nederlanders maar dat zijn er, vrees ik, te weinig. Overigens, mocht u als lezer nog suggesties hebben dan hoor ik die graag.

Ik ga er vanuit dat het boek niet zichzelf verkoopt. Zo een hoge pet heb ik niet op. Ik zie mijzelf niet op de buis voor een diepzinnig gesprek over het boek of het schrijverschap. Een recensie in een landelijke krant is waarschijnlijk ook een brug te ver. Het zal afhangen van creatieve en/of ludieke acties. Die verzin ik als ik op het kleine terras zit en al de geuren, geluiden en ziendingen hun werk laat doen.

© peter gortworst / mei 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

De oude kastanje

Bohdan is een tevreden man. Hij heeft zichzelf wat rust gegund en is voor zijn boerderij op het bankje gaan zitten. De lentezon schijnt op zijn gezicht en met de ogen dicht geniet hij van de warmte. De hele dag is hij bezig geweest het grasland te maaien. Het is voor de eerste maal dit jaar en hij hoopt dat er nog vele maaidagen volgen. Als het morgen weer zo’n zonnige, warme dag wordt, kan hij overmorgen het gras van het land halen om er een deel van in te kuilen. Het andere deel krijgen de koeien.
Gefladder laat hem opkijken. Twee houtduiven slaan met hun vleugels naar elkaar. Een derde loopt op een afstandje wat heen en weer en doet als of dat geruzie haar niet aangaat. O, hij weet zeker dat het een vrouwtje is. Waarom zouden die twee vechtersbazen anders ruzie maken? Lenteliefde doet niet alleen bij mensen rare dingen. Eén van de twee strijders geeft het op en vliegt de oude kastanjeboom in.

Onwillekeurig voelt hij naar de kastanje zijn broekzak. Hij is er nog en zal het nog een lange zomer moeten volhouden. Elke herfst zoekt hij de twee grootste kastanjes. Eén bewaart hij een jaar lang in zijn broekzak. De ander legt hij in de linnenkast als reserve. Het is zijn aardeleiding, de connectie met zijn verleden. Zijn overgrootvader heeft deze kastanjeboom geplant. Zijn opa heeft er, net als zijn vader, een hart ingesneden en de initialen van hem en zijn vrouw met een pijl door dat hart met elkaar verbonden. Zijn vader deed hetzelfde en toen hij zijn Anna trouwde, was hij aan de beurt. Een simpele symbolische handeling met een diepe lading en die kastanje in zijn broekzak helpt hem om zich dat elke dag te herinneren. Nog even en dan zal de boom weer bloeien met roomwitte kaarsen. Een kerstboom in de lente.
Meisjesgelach roept hem terug in de werkelijkheid. Zijn dochters Yulia en Alina zijn blijkbaar klaar met hun huiswerk. Hij staat op en gaat de stal in. Voor het eten kan hij nog mooi de vier koeien melken.

Net als hij de uier wast van de tweede koe trekt een diep motorgebrom zijn aandacht. Hij loopt naar buiten en ziet een zwaar legervoertuig zijn net gemaaide land oprijden. Op dat voertuig een vierkante constructie met aan één kant wel vierenzestig gaten. Hij vermoedt dat het een raketinstallatie is maar wat moet dat ding op zijn land? Uit een tweede wagen klimmen een aantal soldaten. Er klinken bevelen en de wagen met de raketten wordt opgesteld. Dan maken drie mannen zich los van de groep en komen op zijn boerderij af. Hij wacht ze op.

‘Wie ben jij?’ vraagt de middelste man.
‘Bohdan. En wie ben jij?’
‘Ik ben de kapitein van deze groep. Ben jij de eigenaar van deze boerderij?’
‘Ja…?’
‘Mooi. Die boom moet weg. Die staat in mijn schutsveld.’
‘Welke boom? Die kastanje?’
‘Ja.’
‘Dat zie je verkeerd. Jij bent in zijn schutsveld gaan staan. Rij honderd meter verder. Daar is een stuk land wat niet gebruikt wordt en waar geen bomen zijn die jou in de weg staan.’
‘Wie ben jij om mij bevelen te geven? Daar staat mijn geschut en daar blijft het ook staan. Vergeet je soms dat wij een oorlog aan het voeren zijn? Wij zijn jouw vrijheid aan het bevechten en het omzagen van die boom is toch wel één van minste offers die je kan brengen.’
Op dat moment komt Anna met Yulia kijken wat er aan de hand is. Ze blijven bij de staldeur staan.
‘Wie zijn dat?’ wil de kapitein weten.
‘Mijn vrouw en één van mijn dochters.’
‘Hm,’ zegt de kapitein maar Bohdan ontgaat de knipoog die de twee anderen elkaar geven niet.
‘Nou?’ vraagt de kapitein, ‘Gaat die boom om of niet?’
‘Ik denk niet dat de oorlog gewonnen gaat worden door het omzagen van een boom. Maar goed, ik zal er over nadenken en morgenvroeg laat ik het je weten.’

Bohdan gaat verder met melken en schuift daarna aan tafel. Als zijn bord leeg is zegt hij:
‘Jullie moeten een tijdje ergens anders gaan wonen. Doe kleren in een koffer met wat je verder nodig denkt te hebben. Neem de auto en rij naar mijn broer in Debaltseve. Blijf daar totdat ik laat weten dat het hier weer veilig is.’
‘En jij papa? Wat doe jij?’
‘Ik blijf hier. Er zal toch iemand moeten zijn die de koeien melkt en de andere dieren eten en drinken geeft.’
Het is al donker als de oude auto met gedoofde lichten het erf afrijdt.

Bohdan is vroeger wakker dan normaal. Buiten begint het voorzichtig licht te worden en hij weet niets beter te doen dan brood te snijden en koffie te zetten. Hij eet bedachtzaam en vraagt zich af hoe laat hij zijn broer zal bellen. Hij wil weten of zijn meiden goed aangekomen zijn. Donkere schaduwen passeren het keukenraam en even later staat er een hele groep soldaten in zijn keuken. Een aantal van hen doorzoeken het huis en komen even later terug.
‘Waar is je vrouw!? Waar zijn je dochters!?’ schreeuwen ze.
‘Weg.’
‘Weg!? Waar zijn ze naar toe?’
‘Op familiebezoek.’
Er wordt gevloekt en geschreeuwd. Dan komt de kapitein naar voren.
‘Hoe zit het met die boom?’ wil hij weten.
‘Die blijft staan.’
‘Neem hem mee,’ commandeert hij.

Ze voeren Bohdan naar buiten en laten hem los als ze bij de oude kastanjeboom zijn. Tegen de stam staat een bijl. De kapitein gaat naast hem staan en zegt:
‘Je weet wat er te doen staat. Het is of hakken of we schieten je neer.’
Bohdan pakt de bijl en voor iemand weet wat er gebeurt, klieft het ijzer door het borstbeen van de kapitein en boort zich in het hart. Even is het ijzingwekkend stil en net als Bohdan zich afvraagt waarom het zo lang duurt, vallen achter hem de schoten. Stervend valt hij naast het lijk van de kapitein.

Die middag hakken de soldaten zelf de boom om. Ze doen het niet goed. De boom valt op de boerderij en beneemt zo hun tijdelijk maar comfortabel onderkomen. Het lijk van Bohdan slepen ze naar binnen en steken dan de boerderij aan. Het vuur brandde de hele nacht maar het onderste deel van de dikke stam wordt bewaard. Het hout is te nat en voorkomt dat vier harten met pijlen en initialen voorgoed in de vergetelheid verdwijnen.

© peter gortworst / april 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Moeielijke woorden

In deze tijd van wachten op de correcties blijft er tijd over voor iets anders. Zo kom ik eindelijk toe aan het lezen van bijdragen die collega-schrijvers posten in de verschillende groepen.

Het klinkt waarschijnlijk aanmatigend maar er zijn bijdragen die ik na twee zinnen al wegklik. Het gebruikte Nederlands is van zo’n belabberd laag niveau dat ik mij daar niet aan wil ergeren. Nu weet ik best dat ik geen verhaaltje kan schrijven zonder fouten te maken maar op een schaal van 1 tot 10 denk ik op een 7 te zitten. ‘Een voldoende,’ zou meester Meekma vroeger op school zeggen terwijl het zuinige mondje liet blijken dat hij meer verwacht had. (Nee, geen trauma)

Nu ik er over nadenk moet ik constateren dat mijn (on)vaardigheid met taal niet is ontstaan op de scholen die ik bezocht. Begrippen als onderwerp, gezegde, lidwoorden, meewerkend voorwerp of bijvoeglijk naamwoord leerde ik op de lagere school. Voor veel van mijn klasgenootjes was een ‘opstel’ schrijven een bezoeking. Ik vond het altijd leuk om te doen en leefde mij daar helemaal op uit. Van Nederlandse les op de ULO kan ik mij weinig herinneren. Van de Franse les wel maar dat komt meer door de leraar en de chronische wanorde in zijn klas. Op de technische scholen die ik daarna doorliep was Nederlands duidelijk ondergeschikt aan alle technische vakken. Praktijklessen, technisch tekenen en mechanica waren vakken waar je mee kon scoren. Nederlands, Duits en Engels niet.

Ik heb dus ook nooit boeken moeten lezen. Uittreksels maken was iets vreselijks waar vrienden die op de HBS zaten, mee te maken hadden. Niet dat ik niet las. Ik was een gedreven bezoeker van de bibliotheek en sjouwde wekelijks heen en weer met boeken. Stukjes schrijven voor de schoolkrant en het clubblaadje, notulist zijn, bijdragen schrijven voor een kerkblad zijn dingen die ik later met plezier deed. En fouten maken. Ik weet nog dat ik, als 15-jarige, in een clubblad heel hardnekkig ‘invertariseren’ schreef. Ik heb daar net zo vaak commentaar op gekregen als het aantal malen dat het woord in de tekst stond. (Ja, wel een trauma) Mijn taalvaardigheid is door bewuste maar meestal onbewuste omgang met de taal ontstaan. Dat ik daar een leven lang over gedaan heb is natuurlijk bijzaak.

Nu kom ik in teksten en commentaren woorden tegen die ik niet of onvoldoende ken en ik vraag mij af of dat erg is. Ik denk te weten wat een palindroom en een contaminatie is. Maar wat te verzinnen bij woorden als metonymia, sequentie van de handelingen, absurdisme, epifoor of close third person perspective? Opzoeken! Ik hoor het u zeggen en dat heb ik gedaan. Ik koos het woord semantiek maar wordt je hier wijzer van?

semantiek

Etym: Gr. sèmantikos = betekenend < sèma = teken; vandaar teken- en betekenisleer.    

In de taalkunde is semantiek (of betekenisleer) de studie van de betekenis van woorden en van hogere eenheden als woordgroepen en zinnen. De conceptuele (denotatieve, referentiële) betekenis is hierbij slechts één van de betekenistypes die onderscheiden worden in de analyse, naast o.m.: connotatieve betekenis, stilistische betekenis (verg. ‘morgen’ met ‘ochtendgloren’), en grammaticale betekenis (d.i. het potentieel van taalelementen om in bepaalde morfologische en syntactische verbanden te functioneren). Velen zien overigens de beschrijving van taalbetekenis als het moeilijkste onderdeel van de linguïstiek. Notoire probleemgebieden zijn de manier waarop de semantische component in de gehele taalbeschrijving moet worden geïntegreerd (verhouding t.o.v. syntaxis en morfologie), en de onvaste grens tussen semantiek en pragmatiek: is het wel mogelijk betekenis te beschrijven los van de communicatieve situatie waarin zij telkens tot stand komt?

Als zelfs mijn spellingscontrole deze tekst met rood en blauw lardeert, wat moet ik dan?
Laat ik het maar simpel houden. Ik kan mijn prakje opwarmen in de magnetron zonder te weten hoe die precies mijn eten zo warm krijgt dat ik mijn mond verbrand. Ik kan met mijn auto naar mijn meisje rijden zonder te weten hoe dat nu precies gaat met zo’n differentieel. Zo kan ik ook mijn stukjes schrijven zonder kennis van syntaxis, semantiek of epifoor.

Misschien mist u daardoor iets. Dat zij dan maar zo…..

© peter gortworst / april 2021

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

De zwangere man -5-

Wachten duurt altijd lang vooral als je niets te doen hebt. Ik loop echter, in afwachting van de laatste correcties, beslist niet alle dagen met mijn ziel onder de arm. Het wachten zou daarom niet erg moeten zijn maar dat klopt niet. De VierRussen belemmeren mij in mijn toch al beperkte bewegingsvrijheid. Als ik voor mijn typisch Hollandse boodschappen (o.a. brinta, ossenworst, rosbief, satésaus, rivella, vla en draadjesvlees) even de grens over ga, laat het Duitse Gesundheidsambt mij via een berichtje weten dat ik mij aan de voorschriften moet houden. Ergens op bezoek gaan kan je wel vergeten. Kinderen wel gesproken maar zien is een heel ander verhaal. Enfin, u kent dat. Afgelopen weekend trouwens ontdekt dat er ook nog een doodgewone verkoudheid bestaat.

Maar goed, in afwachting van die laatste correcties een lumineus idee gekregen. Ik ben geen neerlandicus dus ik verkeer met talloze andere Nederlanders in de groep die niet weet wanneer je dat en wanneer je wat moet gebruiken. Het kind wat of het kind dat? Het dak van het huis wat of dat net gerenoveerd was? “Even” geleerd hoe het ook al weer was en dan: Leve de tekstverwerker!

In het zoekvenster het woordje dat gezet en ziet, de gele markeringen spatten bijna van het scherm af. Hier en daar een pagina met enkel geel vlekje op het scherm maar op andere pagina’s zat waarschijnlijk een nest. Nu waak ik er voor om dezelfde woorden niet te vaak te gebruiken en zeker niet twee maal in één zin. Toch ontdek je zo dat jouw kritische blik soms niet kritisch genoeg is. Oei! Uh uh… scherpzinnig genoeg is. Vol goede moed aan pagina 1 begonnen en al snel verval je in het herschrijven van zinnen, synoniemen zoeken of domweg schrappen. Natuurlijk hoeft niet elk datje weg maar als er een nest zit kunnen er best wat eieren uit. Opmerkelijk genoeg worden woorden als omdat, zodat, doordat, voordat en update ook geel gekleurd. Het is dus soms minder erg dan het lijkt maar desondanks kost het tijd. Veel tijd zelfs en dan moet ik natuurlijk ook nog laten zoeken naar wat. Het lumineuze idee verliest ietwat aan glans maar ik hoop dat de tekst dan tenminste beter wordt.

Ik vroeg mij af of het verstandig is de titel van je boek te registreren. Dat blijkt niet nodig. Bovendien is het weinig zinvol. Sommige titels komen tientallen malen voor. Ik denk dat de titel in combinatie met je naam genoeg moet zijn. Als je aan kan tonen dat jouw titel op een bepaalde datum tot leven is gekomen is dat voldoende. Maar voor alle zekerheid dus bij deze: Mijn boek heeft als titel ‘De vergelding’ en het is nu 26 maart 2021. Hoe simpel kunnen sommige zaken zijn.

Natuurlijk weet ik best dat ik een hele aardige, soms zelfs lieve en een bijna altijd sociale man ben. Ik ben er zo eentje die je liever niet kwetst. Het is om die reden dat ik mijn proeflezers nadrukkelijk gevraagd heb mij niet te sparen met mogelijke kritiek. Ik dacht daar best tegen te kunnen en dat is ook zo. Wel heb ik mij na elke mail met kritische noten een week lang met prikkeltjeswater en Duits brood, opgesloten op zolder alwaar ik mij op gezette tijden kastijdde met een Spaans riet. Het werkte zo louterend dat ik mij na die week als herboren voelde en de kritische noten in mijn verhaal kon verwerken. Gelukkig meenden allen dat het een goed en spannend boek was. Dat gaf en geeft deze goede man moed.

De flaptekst is af. Nou, mooi niet. Die hele tekst luistert behoorlijk nauw. Met wat vang je de lezer? Een korte en bondige tekst of een beetje uitgebreider zonder te veel uit de doeken te doen. Met kort en bondig dacht ik aan ‘Dit is een goed boek en moet je gelezen hebben’. De tekst ‘Dit boek gaat over …… jahaaa. Zelf ontdekken’ stond lange tijd bovenaan mijn lijstje maar voldeed toch niet. Te veel a-tjes. Nu denk ik dat de volgende tekst beter is maar ik sta wagenwijd open voor uw opmerking en suggesties.

Als Anja de ogen van haar gestorven vader sluit, zweert ze wraak. Het grote onrecht hem aangedaan, kan niet onbestraft blijven. De dader vermoorden is haar te min en te gemakkelijk. Er zijn betere manieren om hem te laten lijden en te vernederen. Het hoeft ook niet nu te gebeuren. Het vuur van de wraak kan een leven lang branden. Onvoorziene gebeurtenissen helpen Anja. Dat het daarmee een grotere omvang krijgt dan voorzien, deert haar niet. Zij heeft slechts één doel voor ogen: vergelding en ten langen leste lukt haar dat. Het bereikte doel wordt duur betaald en bovendien blijkt dat vergelding geen winnaars kent.

Zo. U bent weer een beetje bijgepraat. Doe er uw voordeel mee.

© peter gortworst / mrt 2021

Geplaatst in De zwangere man | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De goede daad,

Even een voorafje:
Eén van mijn gewaarde lezers maakte mij er op attent dat het er in verpleeghuizen niet aan toe gaat zoals in dit verhaal beschreven.. Gelukkig, zou ik zeggen. Mijn verhaal is gebaseerd op een bestaande gebeurtenis die meer dan 40 jaar geleden heeft plaats gevonden. Bij lange na dus niet actueel, niet berustend op de hedendaagse werkelijkheid maar wel te mooi om het niet te verhalen.

Een goede daad doen, is ook een egoïstische daad’ zei een vrouw ooit tegen hem. Hij had haar nadenkend aangekeken en was het niet met haar eens. Het is afhankelijk van de intentie, meende hij. Als je het alleen doet om er zelf een goed gevoel aan over te houden, klopt het. Als je primaire doel is de ander te helpen, is het goede gevoel voor jezelf een leuke bijkomstigheid. Ze was het niet met hem eens. Het egoïstische deel is per definitie aanwezig en hij concludeerde dat ze daarmee meer van zichzelf bloot gaf dan goed voor haar was.

Helaas is zijn mening aan verandering onderhevig. Zonder het zijn broers en zussen te vertellen regelt hij een nieuw gebit voor zijn moeder. Het is een hele opgave om de zwaar demente vrouw bij de tandtechnicus op de stoel te krijgen. Haar meenemen uit de gesloten afdeling van het verpleeghuis is al een dingetje. De voormalige zakenvrouw die het altijd voor het zeggen had, luistert niet naar alle verzoeken van de technicus. Het kost veel praatwerk en geduld maar uiteindelijk is de hele operatie succesvol verlopen. Zijn moeder zit er weer mooi bij en dat vervult hem met trots. Daar had hij bij moeten laten. Een goede daad hang je niet aan de grote klok maar het egoïsme waar ooit die vrouw over gesproken had, speelt hem parten. Hij hunkert naar iets van erkenning, een schouderklopje, een ‘goed gedaan Martin’. Die hang naar erkenning wordt ook nog eens versterkt door de hoogte van de rekening. Als hij vooraf met de broers en zussen hierover gesproken had, waren de kosten verdeeld. Nu kan hij daar niet meer mee aankomen. Daarvoor kent hij zijn familie te goed.

Marijke, zijn jongste zus, woont in dezelfde stad en hij besluit om haar te bezoeken. Als zij het weet is het binnen de kortste keren ook bij de anderen bekend.
Ik heb geregeld dat moeder een nieuw gebit heeft,’ zegt hij als het goede moment daar is.
‘Waarom?’ vraagt Marijke.
‘Omdat het nodig was. Dat oude gebit rammelde in haar mond. Daarmee een beetje normaal eten ging niet meer.’
‘Vonden de zusters dat?’
‘Nee, dat vond ik zelf.’
‘Nou, dat zal je een lieve duit gekost hebben.’
‘Ja…’
Meer komt er niet. Het voelt als één cijfertje mis hebben op je staatslot, net te laat zijn voor een uniek aanbod, ontdekken dat de antieke ets een vervalsing is of voor je neus zien dat het laatste pak wc-papier niet in jouw maar in een andere winkelwagen komt te liggen. Zonder iets te laten merken verlaat hij het huis van Marijke.

Twee weken later, als zijn frustratie enigszins gezakt is, gaat hij opnieuw bij zijn moeder op bezoek. Hij vindt haar in een stoel naast een andere dame en beiden zijn druk bezig met hun monologen. Hij pakt er een stoel bij en gaat tegenover zijn moeder zitten.
‘Dag mijnheer,’ zegt ze, ‘Kan ik iets voor u doen?’
Hij ziet het direct. In haar mond huist een oud, versleten gebitje wat voor geen meter past.
‘Mama! Waar zijn je tanden?’
Met een vlot gebaar haalt ze de complete prothese uit haar mond en bekijkt het aandachtig. Ze keurt het blijkbaar goed want met dezelfde snelheid verdwijnt het weer in haar mond. Martin schiet uit zijn stoel en gaat op zoek naar een zuster.
‘Waar is het gebit van mijn moeder,’ vraagt hij iets luider dan zijn bedoeling was.
‘Hoe bedoelt u?’
‘Ik heb twee weken geleden een nagelnieuw gebit voor mijn moeder gekocht en nu zit ze daar met een gebitje wat beslist niet van haar is. Waar is haar eigen gebit?’
‘Tja, ik zou het niet weten. Waarschijnlijk in de mond van een andere bewoner.’
Even staat hij met zijn mond vol tanden.
‘Huh?’ stamelt hij, ’Dat kan toch niet? Iedereen heeft toch een eigen gebit?
‘In principe wel maar zo werkt dat hier niet. Als een prothese irriteert halen ze het eruit en als ze na verloop van tijd merken dat er geen tanden in hun mond zitten, gaan ze op zoek. Vinden ze ergens een gebitje dan wordt dat gewoon ingedaan. Met brillen gaat dat net zo.’
Hij kijkt haar verbluft aan.
‘Dat hoort toch niet zo?’
‘Nee, maar er valt weinig aan te doen. Wij gaan er in ieder geval niet op letten. Er is meer te doen dan tandjes passen.’

Drie maanden later is moeder zachtjes heengegaan. Hij heeft de zusters dringend verzocht er voor te zorgen dat het nieuwe gebitje in haar mond zit en nu staat hij met Marijke naast de kist. Ze kijken naar hun moeder.
‘Heeft ze de nieuwe tanden in?’ vraagt Marijke.
‘Ja.’ zegt hij glashard maar honderd procent zeker is hij niet.
‘Jammer dat je er niets van ziet,’ grinnikt ze.
Hij kijkt haar een beetje verbolgen aan. Ze slaat haar arm om hem heen en zegt dan:
‘Kom op joh. Iedereen doet wel eens gek maar het was wel lief dat je het hebt gedaan. Ze is er vast heel blij mee geweest.’

© peter gortworst / mrt 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 1 reactie