Onze vader is strenggelovig. Elke dag na het avondeten pakt hij de bijbel en leest ons daaruit voor. Niet zomaar een willekeurige tekst. Negen van de tien keer zijn dat ‘stichtelijke’ woorden. Wij, zijn vier zonen, vertalen dat in ‘je mag een hoop dingen niet en vooral dingen die leuk zijn’. Op zondag een ijsje kopen bijvoorbeeld. De dag des Heeren is een rustdag en naar de kermis of knutselen aan brommers is daarom verboden. Als op een bloedhete zondag de groenten in de moestuin staan te verpieteren, gaat mijn vader klokslag twaalf uur ’s nachts de tuin besproeien. Dan is het maandag en dan mag het. Dat de sla dan al het loodje heeft gelegd, moet de wil van God zijn. Hij is selectief in de teksten die hij leest. Waar hij nooit een letter uit voorleest, is het ‘Hooglied’. Met de teksten die daarin staan, kan hij niet overweg. Een vrouw die benen heeft als ceders van de Libanon, waar borsten als kalfjes, als de tweeling van een gazelle die tussen de lelies weidt, worden beschreven, is hem te veel van het goede. Op onze vraag waarom dit soort teksten in de Bijbel staan, bleef hij het antwoord schuldig. Hij mompelde iets als symbolische poëzie maar wist dat dit geen antwoord was. Eenmaal, op Moederdag, heeft hij zich gewaagd aan de lofzang op de moeder. Dat staat, ik dacht, in de spreuken van Salomo. Het leek hem wel passend op deze dag. Toen hij de woorden: ‘Haar zonen staan op en prijzen haar gelukkig’ las, deden wij dat spontaan. Mijn moeder barstte in lachen uit en mijn vader keek verstoord op. Hij zag er de humor niet van in. Ik denk dat de nuchterheid en de humor van mijn moeder hem met beide benen op de grond houden. Hij ziet zichzelf graag als de heer des huizes, het hoofd van het gezin. Feit is dat mijn moeder het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Kom bij haar niet aan met ‘onderdanigheid’ of ‘zwijgend luisteren naar de man’.
We hebben ons wel eens afgevraagd waar zijn geloofsbeleving vandaan komt. Zijn vader en moeder, Jaap en Dora, zijn wel gelovig, maar niet zo fanatiek als onze vader. Ik zou ze liever ‘mild’ noemen. Bijbelverhalen nemen ze met een korreltje zout, de gang naar de kerk is, zeker als het prachtig fietsweer is, geen verplichting en tijdens zo’n zondagse fietstocht laten ze zich een kopje koffie met wat lekkers op een terras goed smaken. We komen graag bij opa Jaap en oma Dora. Naar hun huis is het maar tien minuten fietsen. Daar is het altijd gezellig en hoeven we geen ‘u‘ te zeggen. Soms praten we over thuis. Ze weten niet waarom mijn vader zo zwaar op de hand is geworden. Dat het er al vroeg in zat, was wel duidelijk. Als kind was hij al te serieus, stelde moeilijke vragen en had weinig gevoel voor humor.
‘Er is iets ingestopt wat wij niet wisten’ vertelde opa Jaap.
Op de vraag wie dat dan wel geweest was, gaf hij geen antwoord.
Na het lezen gaat hij ons voor in het gebed om zijn God met problemen op te zadelen waar hij zelf geen raad mee weet. Steevast bidt hij voor de vreemdeling die omwille van zijn geloof vervolgd wordt. Dat er ook andere soorten vluchtelingen zijn, ‘vergeet’ hij gewoonlijk. Natuurlijk bidt hij voor het zielenheil van zijn vier zoons. Wij horen dat beleefd aan, maar hebben, in gezamenlijk overleg, besloten hier geen gehoor aan te geven. Het ‘geloof der vaderen’ is aan ons niet besteed. Het kan niet anders dan dat onze vader dat weet en dat zal hem pijn doen. Onze moeder vroeg eens of wij niet wat toegeeflijker konden zijn. Onze vader het gevoel geven dat zijn opvoeding toch een beetje grond heeft. Het leek ons geen goed idee. Hij zou beslist merken dat we hem in de maling namen. Iets wat onecht is, houdt zelden stand. Elk huis heeft nu eenmaal zijn kruis. Ons huis heeft er vier.
Het gebed van mijn vader kent nog een zeer regelmatig terugkomend onderdeel: mevrouw de Waal. Waarom zij genoemd wordt, is ons een raadsel. Ze woont schuin achter ons, altijd in het zwart gekleed en het is een kreng van een mens. Als wij op het stukje land tegenover haar huis aan het voetballen zijn, stuurt ze ons weg, omdat ze bang is voor haar ramen. Nog nooit hebben wij haar zien lachen of vriendelijk gezien. Een ontevreden trek op haar gezicht maakt haar lelijk en toen mijn oudste broer haar eens een heks noemde, sloeg mijn vader hem op de kop. Het gaf geen pas om mensen zo te beledigen. Nee, kom niet aan mevrouw de Waal, want dan kom je aan mijn vader. Hij doet alles voor haar. Van onderhoud aan haar woning en tuin tot het sjouwen van de wekelijkse boodschappen. Ze hoeft maar te kikken en mijn vader staat al in de houding. Toen we eens aan moeder vroegen waarom hij aan dat mens zoveel aandacht en tijd besteed, kon ze dat niet zeggen.
‘Er is er maar één die daar antwoord op kan geven en dat is jullie vader,’ zei ze.
Dat was nu net het probleem. Mijn vader zei daar niets over. Hij werd zelfs boos toen we door bleven vragen.
De zomer loopt op zijn einde, het is zaterdagmiddag en mijn vader is bezig in de tuin van mevrouw de Waal. Mijn oudste broer en ik besluiten om mijn vader te gaan bespieden. Gewoon, voor de lol. Zachtjes sluipen we door de steeg die langs de tuin van mevrouw de Waal loopt. De ligusterheg is breed en ondoorzichtbaar.
‘Die goudsbloemen moet je afknippen’ horen we mevrouw de Waal commanderen.
‘Dat is goed, mama, en ik trek gelijk de afrikaantjes eruit.’