De zuchtende barman

Wanneer je als cursusleider bijna alleen maar in de grote steden van de randstad werkzaam bent, is een klus van vier dagen in Maastricht een welkome afwisseling. Ze heeft de bureaumedewerkster gevraagd een klein, knus hotel te boeken in een dorp net buiten de stad. De standaard hotels met snelle streberige zakenlui en jolige werklieden, kunnen haar even gestolen worden. Ze heeft uitgekeken naar de rust van het platteland met ’s avonds een wandeling door de omgeving. Even geen hectiek en het nuttige met het aangename verenigen.

De cursusdag is ten einde en ze rijdt de stad uit, op weg naar haar overnachtingsadres. ‘Hotel Café Restaurant’ staat er op de gevel en verwachtingsvol druk ze de koperen deurklink naar beneden. De ruimte wordt overheerst door een enorme bar. De koperen reling is dof en de barkrukken staan schots en scheef. Op de donkerbruine tafeltjes liggen roodbonte plastic zeiltjes. De stoelen, dezelfde die ze kent uit tijd dat ze nog thuis woonde en in dezelfde donkerbruine kleur, staan ordelijk gerangschikt rondom de tafels. Dat dan weer wel. De planken vloer is bruin. De wanden zijn crèmekleurig gestukt en het balken plafond is voor het gemak met dezelfde verf behandeld als de vloer. Aan de wanden hangen koperen schemerlampjes met rode kapjes. Het licht wat ze uitstralen is meer bedoeld om hun aanwezigheid te tonen dan hun omgeving te verlichten. Al met al maakt het een sombere indruk die nog versterkt wordt door de man achter de bar. Hij is op leeftijd en zijn gezicht straalt een zorgelijk bestaan uit. Dan ontdekt ze in de hoek van de bar een gast. Diep gebogen zit hij op zijn kruk. De kin rust net niet op de bar. Voor hem een groot glas bier en zolang het daar beneden in dat glas helder geel is en de hemel schuimend wit, is het leven goed. Ze noemt haar naam en de barman vertelt dat ze kamer drie heeft. Die is boven en de sleutel zit in de deur. Hij zucht zo diep na deze mededeling dat ze zich afvraagt welke lichamelijke inspanning deze zucht rechtvaardigt.

Als je het aardig zegt is de kamer gedateerd maar het ruikt fris en het is schoon. Het bed ligt lekker maar de tv is een onmogelijk klein ding wat te ver van het bed aan de muur hangt. Ze zoekt de afstandsbediening en ontdekt dan dat zo iets moderns hier niet van toepassing is. Handbediening en meer dan zes kanalen zijn er niet. Het douchen is een genot, ze trekt makkelijke kleren aan en gaat naar beneden om wat te eten.

Zodra ze zit komt de barman met de kaart. Er staan niet veel gerechten op maar het is gevarieerd. Ze besteld een witte wijn, een uiensoepje en medaillons van varkenshaas. Met een diepe zucht hoort hij haar aan en vertrekt richting keuken.
In de hoek van de bar wordt enig gestommel hoorbaar. De onderkant van het glas is niet meer helder geel en de schuimend blonde hemel vertoont lelijke gaten. De dame achter de bar en waarschijnlijk de wederhelft van de barman, tapt een nieuw glas en de rust keert weder.

Het eten is goed en het smaakt haar. Gedurende haar maaltijd is het langzaam drukker geworden. Bij de bar staan een aantal mannen met elkaar te praten en twee andere tafeltjes zijn bezet door twee stelletjes. Ze is klaar en veegt haar mond af met een servet. Zodra ze het servet op de tafel legt wordt het rumoeriger. Blijkbaar heeft men uit beleefdheid gewacht met wat luider praten tot zij klaar was. Ze glimlacht, staat op en loopt naar buiten.
Een korte wandeling zal haar goed doen.

Zonder Google Maps zou ze in deze vreemde omgeving reddeloos verloren zijn. Als zij in een warenhuis een andere uitgang neemt dan die waar ze binnengekomen is, heeft ze geen idee waar ze zich bevindt. Zo iemand kan niet zonder deze app op haar telefoon en vol vertrouwen in dit stukje techniek loopt ze het dorp uit. De zon daalt richting horizon en het is aangenaam koel. De heuvels bieden mooie vergezichten en ze is blij dat ze geen hotel in de stad genomen heeft. Een duidelijk bejaarde man op een fiets komt haar tegemoet. Hij houdt de trappers stil als hij haar passeert en steekt hij zijn hand op. ‘Haije’,  zegt hij. ‘Hoi,’ zegt ze. Nog geen minuut later komt hij haar achterop. Weer zegt hij ‘Haije’ en weer zegt zij ‘Hoi’. Verschillende malen kijkt hij daarna achterom. Een gevaarlijke bezigheid want hij slingert op die momenten vervaarlijk. Dan slaat hij rechtsaf het erf van een kleine boerderij op. Het zou haar niet verbazen wanneer hij, samen met zijn vrouw, haar vanachter de gordijnen staat te bespieden. Wie is dat en wat moet die hier?
Ze kruipt in bed. Morgen om half acht is het ontbijt klaar en moe van de lange dag slaapt ze in.

Ze wordt wakker omdat ze een vliegtuig hoort. Even weet ze niet waar ze is. Het geluid wordt steeds harder en harder. Met schrik bedenkt ze dat het ding misschien wel neerstort maar laat het dan niet op dit hotel zijn. Dan vliegt het met donderend geraas over het hotel. De ramen rinkelen en verstijft van angst ligt ze in bed. Ze kijkt op haar horloge. Zes uur! Ze staat op en drinkt een glas water. Net als ze besloten heeft om verstandig te zijn door nog een uurtje te gaan slapen, komt er een tweede vliegtuig aan. Slapen kan ze wel vergeten. Ze neemt een douche, pakt haar boek en gaat op bed liggen lezen. Tegen half acht gaat ze naar beneden. De ontbijttafel is al gedekt.

Volgens de barman is de wind ongunstig. Bij deze wind liggen ze precies in de aanvliegroute van Maastricht Airport. Hij heeft het over de randen van de nacht en ze begrijpt dat het randje om zes uur begint of eindigt als je uitgaat van de nachtelijke slaap. Met een diepe zucht laat hij weten dat dit donderende geweld niet goed is voor de constructie van zijn gebouw en dat ambtelijke molens in Nederland en Duitsland verdomd langzaam draaien. Volgens hem wachten ze net zo lang met ingrijpen tot het niet meer nodig is omdat zijn hotel in elkaar is gestort.

De tweede cursusdag is achter de rug. Ze heeft weer makkelijke kleren aangetrokken en wacht aan haar tafeltje tot de barman met de kaart komt. De barman komt wel maar de kaart niet. Ze kan kiezen uit een karbonade of een eigengemaakte gehaktbal. Daar komen dan spinazie en gekookte aardappelen bij. Ze neemt de karbonade.
In de hoek van de bar zit de man met zijn bierglas. Ze vraagt zich af of hij er weer zit of nog steeds. Toch eens vragen. Ook nu wordt het tijdens haar maaltijd langzaam voller. Er zijn er meer dan gisteren maar de stemmen klinken gedempt. Dan krijgt ze idee. Ze is klaar en veegt haar mond af met het servet maar in plaats van het neer te leggen, laat ze het van dertig centimeter hoogte vallen. De ridders van het toernooi spelen het spel van de bevallige jonkvrouw perfect mee. Zodra het servet de tafel raakt gaat het volume vier standjes omhoog. Voor haar avondwandeling kiest ze een andere route. Ook een mooie en zonder bejaarde op de fiets.

De wind is blijkbaar gedraaid. Ze wordt wakker van haar wekker en heeft geen vliegtuig gehoord. Dat heeft ook effect op de barman. Hij zucht nog steeds maar minder diep. Hij vraagt of het haar stoort als hij, terwijl ze eet, de vloer gaat dweilen. Nee, dat stoort haar niet. Ze vindt het zelfs leuk om naar mensen te kijken die werken. Uit zijn diepe zucht maakt ze op dat de humor niet begrepen wordt.

’s Avonds zit ze voor de laatste maal aan haar tafeltje. De barman komt met een dampend bord naar haar toe. Een gehaktbal, rode kool en gebakken aardappelen. Met een ‘Astublief, eet smakelijk’ loopt hij weg. Ze eet dus met de pot mee en is dat nu gemakzucht of iets van erbij horen. Eén ding is zeker: de zuchtende barman weet hoe een gehaktbal moet smaken. Aan de bar is het rustig. De man met zijn bierglas is er weer of nog en verderop aan de bar zitten drie mannen die normaal met elkaar praten. Veel kan ze er niet van verstaan maar het klinkt gezellig. Ze maakt geen wandeling maar gaat bij een kapelletje op een bankje zitten. Naarmate het donkerder wordt vallen de geluiden langzaam weg. Een zanglijster en een merel bieden met hun gezang nog tegen elkaar op tot ze beiden er plotseling de brui aangeven. Het concours eindigt onbeslist.

De wind is weer ongunstig. Klokslag zes ligt ze weer schuddend in bed. Ze gaat douchen, doet haar nette pakje aan, pakt haar koffertje in en gaat naar beneden. De barman laat weten dat ze te vroeg is. Er is wel koffie maar het ontbijt is nog niet klaar. Ze kan wachten en neemt de kans waar om hem te vragen naar de klant met zijn bier op ooghoogte. Het blijkt dat hij hier elke avond zit. Het is een triest geval. Een man alleen en niets om handen. Dit is zijn tweede huis. Ze moet even wachten tot er weer een vliegtuig de voegen uit de stenen heeft gevlogen maar dan vraagt ze waarom hij altijd zo zucht. Hij kijkt haar verbaasd aan en weet zich van de prins geen kwaad. Zuchten? Hij? Ongelovig kijkt ze hem aan. Dat kan hij niet menen. Is er nooit iemand geweest die gevraagd heeft waarom hij zoveel zucht? Nee, niet dat hij zich kan herinneren en het is haar beurt om maar eens diep te zuchten.

Na het ontbijt betaalt ze de rekening. Een belachelijk laag bedrag dat ze cash voldoet. Als hij vraagt of alles naar wens was kan ze dat alleen maar bevestigen. Met een diepe zucht zegt hij ‘Mooi. Dan wens ik u een goede thuisreis en wie weet, tot ziens.’
Bewust of niet. De diepe zucht doet toch een beetje afbreuk aan die mooie wens.

 

© peter gortworst / juli 2020
afbeelding: catenacycling.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

Koninklijk in Groningen

Dit is het derde en laatste verhaal van een serie. Als je de vorige nog niet gelezen hebt kan je dat beter eerst doen. Dit zijn de links:

Ontheemden

Weerzien

Ze staat met haar auto een paar minuten te laat voor zijn woning. Hij opent de deur en laat haar binnen.
‘Sorry dat ik te laat ben,’ zegt ze schuldbewust.
‘Te laat? Hoe kom je daar nu bij? Je bent er nu toch? Ik ben blij dat je mijn huis gevonden hebt.’
‘Vindt je het niet erg?’
‘Nee, natuurlijk niet. Wil je koffie?’
‘Graag,’ en terwijl hij in de keuken de koffie inschenkt, kijkt ze rond in zijn huiskamer. Op een kastje staan wat foto’s. Ze bekijkt ze één voor één.
Met twee kopjes komt hij de kamer binnen.
‘Dat zijn al mijn kinderen en kleinkinderen,’ zegt hij als ze met een groepsfoto in haar handen staat.
‘En dat was mijn vrouw.’
Ze bestudeert de foto aandachtig.
‘Ze ziet er lief uit.’
‘Dat was ze ook. Het was er een uit duizenden.’
Ze kijkt om zich heen en vraagt dan:
‘Woon je hier helemaal alleen?’
‘Ja…?’
‘En maak je hier alles zelf schoon? En kook je ook voor jezelf?’
‘Ja…? Hoezo? Vindt je dat bijzonder?’
‘Eigenlijk wel ja. Kunnen meer Nederlandse mannen dat?’
‘Ik denk het wel. Niet alle maar als ze alleen komen te staan zullen ze wel moeten.’
Ze neemt kleine slokjes koffie en hij ziet haar denken.
‘Nou, waar gaan we heen?’ vraagt ze dan.
Hij pakt zijn mobieltje. Vooraf heeft hij op Google-maps zijn geboortedorp al opgezocht en de route bekeken. Hij laat het haar zien.
‘Het is een heel eind maar we maken een stop voor de koffie.’

Ze zijn onderweg en ze laat hem rijden. Zij heeft meer ervaring met autorijden in den Haag dan op de grote weg en bovendien kan ze dan om zich heen kijken. Als ze een stop gemaakt hebben bij het monument op de Afsluitdijk en hij alles vertelt wat hij weet over de Waddenzee, het IJsselmeer met de palingvangst en de vele oude vissersdorpen, begint het hem op te vallen dat alles nieuw voor haar is.
‘Zeg mij,’ vraagt hij, ‘Hoe vaak en hoe ver ben jij uit den Haag geweest?’
‘Een paar keer.’
‘Hè!? Een paar keer?’
‘Ja, mijn man was van mening dat we in den Haag alles hadden wat nodig was. Het Scheveningse strand voor de deur en Madurodam als favoriete uitje met de kleine meid. Hij was het liefste thuis. Soms mocht ik naar mijn zus. Die woont ook in den Haag maar hij vond het beter als ik ook thuis was.’
‘Mocht?’
‘Ja…..’
Hij kijkt even opzij. Met een uitdrukkingsloos gezicht staart ze voor zich uit.
‘Het was niet goed,’ zegt ze na een lange stilte.
‘Nee, dat lijkt mij ook niet.’
Zijn gevoel zegt te stoppen met dit onderwerp. Zonder twijfel zal het later nog ter sprake komen maar nu is het niet het goede moment.

Ze komen aan in zijn geboortedorp. Bij de kerk parkeert hij de auto en samen lopen ze door de smalle straatjes. Op de plek waar zijn schooltje stond staan nieuwe huizen. Dat voelt als een teleurstelling maar met een opgewonden blosje op de wangen vertelt hij hoe het vroeger was, wat ze beleefden en wie waar woonde. Zij ziet een man op leeftijd terug gaan in de tijd en geniet. Bij een huis wat onbereikbaar is gemaakt door hekken, staat hij stil. Het huis staat leeg en dikke houten palen stutten de voorgevel. De linkerkant van het dak is ingestort. Meer dan een bouwval is het niet. Achter hen is een bewoner aan het werk in zijn tuintje.
‘Moi,’ zegt de tuinder.
Ja, moi, antwoord hij.
Dan wijst hij naar de bouwval en zegt:
‘Dei is goud toutoakelt’
‘Nee, dat hoese het betere tieden kend. Nog ain beving en’t stort hailendoal in mekoar.’
‘Ik heb doar woont. Mien olheer was schoulmaster.’
‘O, moar dan kin ik die wel. Doe bist, noa dien trouwn, weggoan noar ‘t westn. Hou ist der mit?’
Dan realiseert hij zich dat zij er geen woord van kan verstaan en met een korte uitleg van wat er net gezegd is, gaat hij verder in het Nederlands. Ze is aangenaam verrast dat hij haar bij het gesprek wil houden.
De tuinder wil weten hoe het hem vergaan is. In grote lijnen verhaald hij zijn leven. Als de tuinder hoort dat Mieke is overleden spijt hem dat. Mieke was de dochter van de timmerman en een lief kind. Menige jongen was knap jaloers toen hij met haar verkering kreeg.
Met een laatste blik op zijn oude woning zoeken ze de auto weer op. Hij wil haar voor vandaag nog één ding laten zien en rijdt naar het noorden. Ze maakt een opmerking over de weidsheid van het land. Hij grinnikt en zegt, in de hoop dat ze de liedjes van Jacques Brel niet kent, dat de enige bergen hier de kerken zijn. Ze moet er om lachen.

Hij parkeert de auto aan de voet van de dijk en neemt haar mee naar boven.
‘Hou je maar aan mij vast. Ik heb drie benen.’
Ze kijken uit over de Waddenzee. De wind is fris en hij gaat zo staan dat ze in zijn luwte staat. Ze huivert. Deels door de wind en deels omdat ze onder de indruk is van de oneindigheid in dit landschap. Land, water en lucht. Meer is het niet maar dit weinige is een voor haar ongekende schoonheid.
‘Vind je het mooi?’
‘Ik wist niet dat dit bestond. Ik vind het prachtig.’
‘Mooi,’ zegt hij en zijn oude Groninger hart klopt vol trots.

Het hotel is klein en gemoedelijk. De receptie wordt bemand door de eigenaar. Een grote kerel met een ontzagwekkende snor. Ze krijgen de sleutel van kamer 2. Het blijkt een ruime kamer te zijn met twee bedden die op afstand van elkaar worden gehouden door een nachtkastje. De badkamer is comfortabel en modern. Het raam biedt uitzicht op de kerktoren die, volgens Snorremans, tot ’s avonds zeven uur met de luidklok de tijd laat horen. Tot de volgende morgen zeven uur is hij dan stil wegens klagende bewoners. Ze kunnen ’s nachts van de herrie niet slapen.
‘Het is de import die klaagt mijnheer. Onze eigen mensen weten niet beter maar die nieuwe….. nee….’
Zijn gezicht verraad een innerlijke afschuw van formidabele omvang.
Hij legt zijn weekendtas op bed. Zij een kleine koffer.
“Zullen we eerst wat gaan eten.’ vraagt hij.
‘Ja, ik heb best wel honger.’

Ze nemen een tafeltje in de hoek, bij het raam. Onopvallend kijkt hij naar haar als ze de menukaart leest. Hij voelt zich gelukkig. Aan tafel zitten met een prinses, een exotische prinses zelfs, is iets wat hij een maand geleden niet had kunnen dromen. Hij voelt zich koninklijk en de koning te rijk. Na enig overleg bestellen ze beiden hetzelfde. De rode wijn smaakt uitstekend en het gesprek gaat over van alles en niets. Dan vraagt ze plotseling:
‘Heb jij je vrouw vaak geslagen?’
Zijn mond zakt open van verbazing. Duizend gedachten flitsen door zijn hoofd. Hier zit meer achter en dat vraagt de behoedzaamheid van een hengelaar die zijn vis op het droge moet krijgen.
‘Ik heb haar nooit geslagen. Een man doet dat niet of beter gezegd, zou dat niet mogen doen. Een man die zijn vrouw slaat is een zwakkeling, een mispunt, een, een…..’
Hij weet even geen woord waaruit zijn afschuw moet blijken.
‘Waarom vraag je dat?’ wil hij weten.
Ze haalt even haar schouders op en heeft spijt van de vraag die ze hem gesteld heeft. Ze had kunnen weten dat hij niet is zoals haar eigen man was. Deze man behandeld haar met een respect die ze nog nooit ervaren heeft. Het zijn niet alleen de deuren die hij voor haar open houdt, het is niet de bezorgdheid die hij toonde op de dijk, het is niet de aandacht die hij voor haar had toen hij met die oude bekende in dat rare taaltje stond te praten en het zijn niet de oprechte vragen en antwoorden die hij stelt en geeft. Het plaatje is groter. Het is weten geliefd te zijn zoals je bent. Als ze ergens haar hart kan luchten is het nu, bij deze man. Ze heeft hem nog niet vertelt dat hij niet de enige was die gewacht heeft op die bank van de boulevard. Eén keer heeft ze hem daar zien zitten maar de durf om op hem toe te stappen ontbrak. Nu zit hij tegenover haar en ze voelt zich meer op haar gemak dan ze vooraf voor mogelijk heeft gehouden.

Ze vertelt en hij luistert. De grote lijnen van haar verhaal kent hij inmiddels. Nu vertelt ze uitvoeriger en met meer details. Over het vooropgezette plan om haar naar Nederland te laten komen. Haar man en de man van haar zus kenden elkaar en toen die zwager vertelde dat een leuke en gedienstige Filipijnse vrouw een zegen is voor elke man, was het plan geboren. Een huishoudster, een sexslaafje en een moeder van je kind ineen. Beter kan je het als man niet voor elkaar hebben. Voor hun trouwen was hij de voorkomendheid zelve maar zodra alle papieren in orde waren en de gang naar het stadhuis achter de rug, veranderde alles. Ze was gevangene in haar eigen huis en wist niet beter. Haar zus leefde een soortgelijk leven dus blijkbaar was dat normaal. Net zo normaal als de klappen die ze kreeg. Ze weet nog dat ze buiten westen werd geslagen toen haar kleine meid een paar woordjes in haar eigen taal zei. Ze had dat in het geheim haar geleerd. Uitzinnig van kwaadheid was hij geweest toen hij dat hoorde en dat heeft ze aan den lijve ervaren. Een vlek in een broek die er niet uitging, aardappelen die te zout waren, een aanrecht wat niet schoon en opgeruimd was, haar menstruatie op momenten dat hij weer wilde of de abortus die ze moest ondergaan omdat hij één kind mooi genoeg vond; altijd was er wel een reden om te slaan, te kleineren of vernederen. Haar dochter ziet ze nauwelijks. Het is een vaderskindje dat het nog nooit heeft gezegd maar wel liet blijken dat de hartaanval van haar vader, deels haar schuld moet zijn. Ze schaamt zich bovendien voor die domme moeder die niets weet van het leven en die nergens over kan meepraten. Je vrienden en vriendinnen mee naar huis nemen kan ze daardoor wel vergeten. Wat zullen ze wel niet denken?

Hij hoort haar aan, zijn grote hart bloedt en er staan tranen in zijn ogen. Hij wil iets doen, haar troosten, haar omarmen, haar laten weten dat ze beter verdiend maar hij weet niet hoe. Een tafel met rode wijn, varkenshaas en gebakken aardappelen staat in de weg. Mooie volzinnen met diepe betekenissen ontbreken.
‘Hier schrik ik toch weer van. Het is erger dan ik al wist. Ik ben blij dat je het mij vertelt,’ zegt hij zacht.
‘Je bent de enige die dit alles nu weet. Zeg eens eerlijk, vindt je mij een slechte vrouw?’
Hij kijkt haar diep in die mooie donkerbruine ogen en zegt:
‘Nee, natuurlijk niet. Je bent een prinses die een slechte kikker heeft gekust. Jouw prins was een stinkende draak uit de onderwereld maar je bent nog steeds die prinses. Niet voor mij. Je hebt moed getoond door mij deelgenoot te maken van jouw bestaan. Daarmee ben je voor mij een koningin geworden.’
Ze slaat haar ogen neer en een traan loopt langs haar wang omlaag. Gedienstig vist hij opnieuw een papieren zakdoekje uit zijn zak. Deze keer niet voor hemzelf maar voor haar. Een koning doet dat voor een koningin.

Een beetje onwennig staan ze in de kamer.
‘Getal onder de tien,’ zegt hij.
‘Drie!’
‘Goed. Jij mag eerst in de badkamer.’
Geduldig wacht hij tot ze klaar is. De deur gaat open en in een lange nachtjapon komt ze binnen. Haar gezicht ziet er anders uit en onderzoekend bekijkt hij haar.
‘Niet zo kijken,’ zegt ze, ‘Ik heb geen make up op.’
Ze zegt het bloedserieus en hij vermoedt dat ze in haar vorige leven met make up in bed moest liggen.
‘Dat zie ik en het bevalt mij uitstekend. Je bent er nog mooier op geworden.’
Getroffen zwijgt ze. Weer zo’n onverwachte opmerking die haar diep raakt.
Het is zijn beurt en in een heuse flanellen pyjama komt hij de badkamer uit. Jasje en lange broek. Lichtblauwe strepen van boven tot beneden. Zo goed en zo kwaad als het gaat draait hij, met zijn stok als middelpunt, een pirouette.
‘Tataaa!!’
Ze schiet in de lach.
‘Kom eens hier,’ zegt ze.
Als hij voor haar staat, draait ze hem om. Er hangt een label aan zijn kraag en met een korte ruk verwijdert ze deze.
‘Nieuw?’
‘Ja,’ bekent hij. ‘Normaal slaap ik alleen in mijn onderbroek maar dat leek mij niet zo gepast.’
‘Dat heb je dus voor mij gedaan?’
‘Ja, en vindt je hem mooi?’
‘Hij is prachtig.’

Het licht is uit en ze luisteren naar elkaars ademhaling. Beiden laten de dag aan zich voorbijgaan en als eerste vertrekt hij naar dromenland. Wanneer hij ’s morgens wakker wordt ligt zij naast hem. Haar hand ligt op zijn borst en haar hoofd op zijn schouder. Hij draait zijn hoofd een beetje en steekt zijn neus in haar zwarte haren. Dan streelt hij haar arm met die prachtige donkere huid en een diep gevoel van geluk gaat als een trilling door zijn lijf. Hij blijft stil liggen tot ze wakker wordt.
‘Goedemorgen,’ zegt ze.
‘O, zeker,’ antwoord hij.
Ze rekt zich uit en draait zich op haar rug. Met een glimlach staart ze naar het plafond.
‘Weet je nog wat je zei toen wij elkaar voor het eerst spraken?’ vraagt hij.
‘Dat van dat verleden en de toekomst?’
‘Ja, dat. Je zei toen “Hier heb je geen verleden en in het verleden wat je had, zit geen toekomst.” Denk je niet dat wij, ieder met ons verleden, samen wel een toekomst kunnen hebben?’
Ze kijkt hem aan.
‘Ja,’ zegt ze, ‘Met jou wel.’

Snorremans bekijkt het stel aan de ontbijttafel en wat hij ziet, maakt hem vrolijk. Er is niet veel mensenkennis voor nodig om het geluk tussen deze twee mensen te zien. Als hij op hen toestapt en vraagt of alles naar wens is, blijkt dat zo te zijn. Dan zegt hij:
‘Het gaat mij niet aan maar ik denk dat jullie wat te vieren hebben. Jullie stralen als een lentezon boven een korenveld. Gefeliciteerd met wat het ook zijn mag maar ik zou het een eer vinden als jullie over één jaar hier terugkomen om dit weekend opnieuw te vieren.’
Ze kijken blij verrast. Dan zegt hij:
‘Ik vind dat een wonderschoon idee. Schrijf maar in je boek dat volgend jaar deze koning en koningin hier hun opwachting weer komen maken.’
‘Natuurlijk Sire, het is mij een eer,’ zegt Snorremans en buigt diep. Een goed gastheer weet hoe het hoort.

 

© peter gortworst/juni 2020

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Weerzien

 

Dit is een vervolg van het verhaal ‘ontheemden’. Misschien is het handig om dat eerst nog even te lezen voor je hier verder gaat. De link:

https://petergortworst.com/2017/08/30/ontheemden/

 

Toeval is een raar iets. Zo kan het gebeuren dat je toevallig iemand ontmoet waarmee je een gezamenlijke ervaring kan delen. Ogenschijnlijk een wereld van verschil en toch bijna alles gemeenschappelijk. Dat was ook bij hem het geval. Dat die ontmoeting, toen, bij hem meer heeft los gemaakt dan hij voor mogelijk houdt, is dan weer geen toeval. Het kleurt al lange tijd zijn dagen. Het is zelfs zo erg dat het ritje met de tram naar de boulevard, wat hij ongeveer twee maal per maand maakt, een frequentie krijgt van drie maal per week. Hij wil haar zo graag nog een keer zien en met haar praten. Natuurlijk, het is een mooie donkere vrouw maar er is meer, veel meer dan dat. Het is niet alleen haar oogopslag of haar stem. Het is de verbinding met haar die, dieper dan hij menselijkerwijze voor mogelijk houdt, met haar voelt. Het verlangen in haar stem is ook zijn verlangen. Haar verdriet is zijn verdriet en haar uitzichtloosheid het zijne. Hij weet nu, na bijna drie jaar, de gevoelens nog op te roepen en het verlangen om haar weer te zien, is onverminderd groot. Talloze malen is hij op hun bank gaan zitten in de hoop haar daar weer te zien.

De tram stopt bij het Kurhaus. Hij stapt uit en loopt rechts van het Kurhaus naar de boulevard. Daar slaat hij linksaf. Het is een stukje lopen maar dan komt hij bij hun bank. Misschien wel de enige waar het uitzicht het minst verpest wordt door de strandtenten. Dan blijft hij stokstijf staan. Er zit een donkere vrouw met diepzwart haar.  Is ze het nu wel of niet? Bijna struikelend over zijn stok haast hij zich vooruit en als hij buiten adem voor haar staat, kijkt ze hem aan.
‘Groningen?’ zegt ze.
Hij knikt.
‘Filipijnen?’
Ze glimlacht en met een uitnodigend gebaar vraagt ze hem om naast haar te komen zitten. Vadertje tijd maakt, in het algemeen, mooie herinneringen mooier en de slechte minder slecht. Hier had de tijd beter zijn best moeten doen. Ze is vele malen mooier dan hij zich kan herinneren. Haar lach is stralender dan een winterse zon in de sneeuw, haar ogen zwarter dan de donkerste nacht, haar tanden als stralende witte parels en haar glimlach maakt hem net zo verlegen als die keer dat hij moeders vertelde dat hij verliefd was op zijn kleuterjuf. Hij kijkt naar de mooie bruine huid op haar onderarm en kan met enige moeite de nijging onderdrukken om haar huid te strelen.
‘Ik heb je gemist,’ zegt hij.
‘Waarom?’
Er komt geen antwoord. Wat zal ze wel niet denken als hij haar alles vertelt?
‘Ben je hier vaker geweest?’ vraagt ze.
Hij knikt.
‘Hoe vaak? Elke dag? Elke week?’
‘Als het mooi weer was twee, drie keer per week.’
‘Al die jaren?’
Hij knikt weer. Ze is even stil en vraagt dan:
‘Voor mij?’
‘Ja…’
Ze wendt haar hoofd af en staart naar de horizon. Zo onopvallend mogelijk vist ze een zakdoekje uit haar tas. Het is lang, heel lang geleden dat er iemand was die dit voor haar over had en het raakt haar diep. Ze dept haar vochtig geworden ogen.
‘Dat is lief,’ zegt ze en weet direct dat ze met dit understatement zichzelf en hem te kort doet.

Men moet niet proberen om twee levens in één uur aan elkaar te vertellen. Het maakt bovendien dorstig zodat ze besluiten verder te gaan aan een tafeltje bij één van de vele gelegenheden op de boulevard. Op weg daarheen geeft ze hem een arm. Hij loopt als op vleugels gedragen.
Ze bevragen elkaar. Ze vertellen en praten. Zij is oprecht verbaasd dat er blijkbaar een gewone lieve man bestaat. Die niet doet alsof maar werkelijk geïnteresseerd is en wijze dingen broodnuchter kan zeggen. Hij hoort met ontzetting haar levensverhaal. Zijn conclusie dat zij gewoon de huishoudelijke hulp van haar man was die bovendien, als het hem uitkwam, geneukt kon worden, vervult hem met verdriet en onbegrip. In zijn grote, troostende hart is plaats genoeg en zonder dat het gezegd is, weet ze dat. Die grote en grofgebouwde man die aan geen enkel schoonheidsideaal voldoet, krijgt iets warms, iets vertrouwds. Niet alleen liefde maakt blind. Vertrouwen, je gewaardeerd en geaccepteerd weten, doen dat ook.

Tijd gaat snel als je het goed hebt. Buiten is het al donker en samen lopen ze naar de tramhalte. Zij moet straks overstappen en ze beloven elkaar te bellen. Ze staat op en net als hij haar een hand wil geven, bukt zij zich en geeft hem een zoen op zijn wang. Ze zwaait hem gedag als ze uitstapt en hij weet niet beters te doen dan terug te zwaaien. Die avond wast hij zijn gezicht niet.

Ze bellen elkaar dagelijks. Soms praten ze over koetjes en kalfjes. Soms over zaken die met gevoel en emoties te maken hebben. De ene keer zijn ze met vijf minuten klaar en een andere keer kan het een uur duren. Dan, op een mooie vrijdag, durft hij eindelijk een vraag te stellen waar hij al een week mee rondloopt.
‘Ik wil je wat vragen,’ zegt hij.
‘O…, nou, shoot!’
‘Ik wil je meenemen naar Groningen. Ik wil je laten zien waar mijn jeugd ligt, hoe weids en mooi het landschap is, je de zee laten zien zonder strandtenten, je de wind laten voelen en ruiken zonder dat het verpest is met frituurluchtjes of parfum van zonnebrandcrème.’
‘Joh, wat een verrassing. Wat leuk!’
Hij is enigszins overdonderd. Zonder al te veel hoop heeft hij de vraag gesteld en zich bij voorbaat al neergelegd bij een afwijzing.
‘Is dat niet ver rijden?’ vraagt ze dan.
‘Ja, maar ik ga een auto huren. Dan kunnen we vroeg weg.’
‘Waarom? Ik heb toch een auto?’
‘Oh?’
‘Is het misschien een idee om gewoon op tijd weg te gaan en daar ergens een hotelletje te boeken waar ze twee aparte bedden op een kamer hebben? Dan hoeven we ons niet te haasten. Ik ben nog nooit in Groningen geweest dus ik moet er wel van genieten. We maken er gewoon een leuk uitje van. Is dat wat?’
Hij probeert een antwoord te geven maar meer dan wat stamelende geluiden komen niet uit zijn mond.
‘Kan jij daar een hotelletje regelen?’ vraagt ze dan.
Dat moet hem wel lukken. Dat zal zeker lukken! Door zijn hoofd schieten de plaatsen in het noorden van Groningen. Waar is het leuk? Waar zou er een goed hotel zijn?
‘Natuurlijk kan ik dat. Ik ga dat regelen. Ik vind vast wel iets moois.
‘Fijn. En wanneer gaan we?’
‘Volgende week vrijdag?’
‘Ja. Is goed. Ik kijk er nu al naar uit.’

 

© peter gortworst / juni 2020
foto: de.foursquare.com

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

De kudde

In een tijd die niemand zich nog kan heugen en in een land hier ver vandaan, waar de weiden weldadig groen zijn en de bossen donker en boosaardig, woont een grote schaapskudde. De kudde is zo groot dat één schaapsherder met zijn hond het alleen niet aankan. Als de kudde naar een andere weide moet en hij van achteren de schapen naar voren jaagt, staan ze vooraan nog stil. En als hij, tussen de dieren doorlopend, eindelijk bij de voorste aankomt om deze aan te moedigen, zijn de achterste alweer vergeten dat ze opgejaagd werden. Er is niemand die de herder wil helpen en daarom heeft hij, ten einde raad, de kudde gevraagd zichzelf te weiden.

De schapen hebben er eerst geen oren naar. Het is nogal niet wat om zelf te beslissen waar ze kunnen grazen. Het aangename leven van geleid worden en zich geen zorgen maken over wat er moet gaan gebeuren, geven ze niet zomaar op. Waarom verzint die man nu zoiets? Het ging toch al tijden goed? Maar als de herder ze er fijntjes op wijst dat hun aantal gedurende de jaren vele malen groter is geworden en dat nu juist dàt de problemen geeft, begint er enig besef te dagen. Ze hadden zelf ook wel door dat hun aantal de spuigaten uitloopt. Vroeger kon je nog aan een lam vragen van wie hij of zij er eentje was, maar als je dat nu doet, schiet je er geen steek mee op: geen idee wie de ouders van dit schaap zijn. Vroeger liet je de kop zakken en was daar sappig groen gras. Nu moet je, zeker als je in het midden van de kudde staat, echt je best doen om wat te kunnen grazen. Voor je het weet, hebben de buren het al opgegeten. Als de herder dan ook nog belooft dat ze zelf de schapenscheerders mogen uitkiezen, is het pleit beslecht. De jaarlijkse scheerbeurt is voor velen een bezoeking. De lompe, onbehouwen scheerders zijn hen een doorn in het oog en een nagel aan hun doodskist. De goede zijn zeldzaam, maar juist hen willen ze dan gaan vragen. Ze kiezen een bestuur van vijf schapen en één ram en beloven dat ze heel goed naar hen zullen luisteren.
Het leven is weer op orde. Het bestuur bestuurt en de schapen zijn gehoor- en volgzaam. Planmatig grazen ze de weiden en de scheerbeurt was dit jaar een ongekend genoegen.

Dan, op een vroege morgen als de eerste zonnestralen de dauwdruppels op hun wollen vacht als sterretjes laten glinsteren, ontdekken ze dat ze ‘s nachts bezoek hebben gekregen. Midden in de kudde hebben een paar herten de nacht doorgebracht. Een beetje verwonderd kijken ze deze dieren aan. Ze hebben zelf toch een slaapplek dus wat moeten ze hier? Ze zullen toch ook nog niet van hun gras gaan eten! De herten begrijpen de blikken en vertrekken stilletjes. Niemand spreekt een woord.

De volgende nacht zijn ze er weer. Een lam wordt naar het bestuur gestuurd en zie daar, er wordt kordaat gereageerd. De ram stapt op de herten af en vraagt naar de bedoeling van deze logeerpartij. De herten vertellen dat er sinds kort een wolf in het bos woont en dat zij lijfelijk voorzien in het dagelijkse levensonderhoud van dit monster. De bescherming van de schaapskudde houdt hen vooralsnog in leven en voorkomt dat hun aantal tot een minimum beperkt wordt. Daar schrikt de ram van. Overdonderd door de nood van deze dieren laat hij de herten grootmoedig weten dat zij welkom zijn, mits zij zich onthouden van het gras. De herten zijn hem innig dankbaar. Opgetogen over zijn besluit laat onze ram de kudde weten hoe de vork in de steel steekt, maar de reacties zetten hem met vier poten terug op aarde.

Wat eet de wolf als er geen herten meer in het bos zijn? Denkt de ram nu werkelijk dat het monster daar op een houtje zal gaan bijten? Heeft de ram wel eens aan de mogelijkheid gedacht dat de wolf de schaapjes uit hun eigen geliefde kudde zou kunnen opeten? Het moet toch niet gekker worden! Zo brengt die ram zijn eigen volk naar de slachtbank.

Het bestuur trekt zich in vergadering terug en na vele uren is men er uit. De ram zal het bos ingaan om met de wolf te spreken. De inzet zal het vertrek van dit monster zijn en mocht dat niet lukken, dan is er nog een voorstel tot wijziging in het dieet. De grazige weiden zijn immers vergeven van woelmuizen? Hen opeten geeft een win-winsituatie. De wolf komt niet van de honger om en de schapen struikelen niet meer in alle gangen die deze diertjes maken. Met goede moed trekt de ram het bos in.

Het duurt enige dagen, maar dan is de conclusie gerechtvaardigd dat deze operatie niet zo’n goed idee was. De ram komt niet terug en men vreest niet meer het ergste. Het is het ergste. Een behoorlijk aantal lammeren zal het moeten doen zonder vader en het bestuur zit met de handen in de wol. De reacties uit de kudde zijn niet mals. Een heleboel achteraf wetenschappers, maar ook veel complotdenkers. Wie zegt ons dat de herder daar niet achter zit? Hij was het toch die opmerkingen maakte over ons grote aantal? Wie weet mist hij zijn machtspositie en probeert hij dit zelfstandige volk weer onder de duim te krijgen. Enigen onder ons hadden hem horen klagen over de kosten van de scheerbeurt. Goede scheerders kosten nu eenmaal meer geld en wellicht heeft hem dat opgebroken. Het bestuur moet maar eens bij hem op bezoek en hem stevig aan de tand voelen.

Met lood in de schoenen staan ze bij de herder voor de deur. Deze laat hen binnen en vraagt waarom de ram er niet bij is. Zorgelijk deelt men mee dat er een vermoeden van overlijden bestaat en dat dit tevens één van de redenen van hun bezoek is. De herder hoort het hele verhaal aan en vraagt of de herten er ’s nachts nog zijn. Die zijn er nog. Er is hen immers beloofd dat ze daar mogen blijven. Hen wegsturen en zo ten prooi laten vallen is niet ethisch, toch? Daar is de herder het mee eens en op de vraag of de wolf al kuddeleden op zijn menu heeft staan, wordt schoorvoetend bevestigend geantwoord. De herder belooft het bestuur een groot elektrisch hek te gaan plaatsen. Zo groot dat de hele kudde, inclusief de herten, daar veilig de nacht kan doorbrengen.

Het hek is er gekomen en dankzij dit stukje techniek leeft de kudde met hun gasten wat langer en gelukkiger. Helaas menen sommigen kuddeleden dat ze zo in hun vrijheid worden beperkt. Ze zijn vrije schapen die zich niet door een hogere macht laten knechten en daarom kiezen zij er voor om buiten de omheining de nacht door te brengen. Dat hun aantal nacht na nacht afneemt, moge duidelijk zijn.
Vrijheid is niet kosteloos. Dat blijkt maar weer.

 

© peter gortworst / juni 2020
foto: natuurmonumenten.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Kwajongens

Voor wie Zaandam kent is deze tekst misschien een feest van herkenning. Hopelijk beleeft ieder ander er toch plezier aan.

 

Het zal de leeftijd en de nadering van Luilak zijn die bij mij herinneringen oproepen. Eénmaal per jaar mocht je geoorloofd kattenkwaad uithalen en dat deden wij dan ook. Niet dat we de andere dagen van het jaar brave en oppassende jongetjes waren. Verre van dat. Wat moeten jongetjes die nog geen weet hadden van computerspelletjes of 24/7 tv anders? Als je thuis geen verplichtingen had en de school gesloten, speelde je, met of zonder vriendjes, op straat. Waar kan je beter spelen dan in het centrum van een stad. Er was altijd wel wat te doen. Ik zal mijn beminde lezers in deze tekst een paar voorbeelden geven van wat wij zoal deden. Ik hoop dat mijn biecht geen consequenties heeft. Als het al niet onschuldig was dan is het wel verjaart.

Wij woonden in de Westzijde tegenover Bischoff. Rechts naast ons was de bakkerij van Grauwelman. Eén van zijn zonen was een fanatiek liefhebber van de postduivensport. Regelmatig deed hij mee aan wedstrijden. De duiven werden dan gelost in Lyon of andere Franse steden die heel ver buitenland klonken. Degene wiens duif het eerste thuis kwam, kon bijvoorbeeld een koelkast winnen. In die dagen een prijs van formaat. De thuiskomst was altijd op zondag. De dag dat wij twee keer naar de kerk in de Stationsstraat moesten. Half tien en vijf uur. In de uren daartussen kon en mocht je niet veel doen. Je had nette en goede kleren aan dus dat was oppassen geblazen. In de tuin zitten, met de rug tegen de schutting van Grauwelman kon wel. En net als de zoon van Grauwelman, zaten wij te wachten. Als de duivenmelker een duif meende te zien rammelde hij met het voerblik en floot zijn karakteristieke lokfluitje. Nu hadden zijn duiven de gewoonte ontwikkeld om eerst op het dak van het magazijn van Bischoff te landen. Dat was bij ons aan de linkerkant. Vandaar maakten ze een zeilvlucht naar beneden om te landen op hun hok. Spannende momenten waren dat. Voor de duivenmelker maar ook voor ons. Timing was belangrijk. Zodra de duif de landing inzette en onze tuin kruiste, klapte je op het goede moment in je handen. Duif met een haakse bocht weg, wij op de vlucht richting huis en een buurman die vloekend over de schutting vloog. Heel spannend allemaal.

Af en toe had Grauwelman bezoek van zijn vader. De man was al aardig op leeftijd en niet geheel fit meer. Wat hij nog wel graag deed was met zijn hengeltje op de beun zitten en proberen wat vis te vangen. Hij was niet de enige die het dobbertje in de gaten hield. Wij deden dat ook en zodra er beweging kwam gooiden wij een flinke steen met een boogje richting dobber. Zijn kleinzoon had het vloeken vast van hem geleerd. Wederom moesten wij vluchten om het vege lijf redden.

Een klassieker: Portemonnee aan een touwtje en je verstoppen in de etalagegangen van Bischoff. Opa Hogendijk, die boven Kaasschieter woonde, zette zijn stoel voor het raam om mee te kunnen genieten.
Deze opa kon het goed vinden met de hond, een boxer, van de familie Negrijn. Hun brasserie lag inverdan en op het pleintje daarvoor speelde opa vaak met de hond. Tot de boxer een keer zijn oranje gummi dop van de stok aftrok en uiteraard weigerde deze los te laten. Opa had die stok echt nodig en heeft daar een, voor zijn leeftijd, bovenmatige lichamelijke inspanning moeten leveren. Spelen met de hond bleef hij doen maar de stok werd angstvallig uit het zicht van de hond gehouden.

Wonen aan de Zaan gaat niet zonder spelen op de Zaan. Wij hadden een oude zinken badkuip die ideaal bleek om in te kunnen varen. Het gaatje in de bodem hadden wij vakkundig dichtgestopt met wat teer. Je moest er op je knieën in gaan zitten. Alleen zo kon je het ronde ding in evenwicht houden. Nadeel was wel dat je regelmatig naar de kant moest om de bloedsomloop in je benen de kans te geven zich te herstellen. Met een plank als peddel hebben we aan deze badkuip veel plezier beleefd. Het mooiste was een flinke sleper die uit de sluis kwam en flinke golven maakte. Nog mooier was achter een schip aanvaren. Het schroefwater maakte lange golven waar de neus van de ‘boot’ mooi in kon duiken. Niet iedereen zag de lol in van deze nautische capriolen. Af en toe werden wij via de luidsprekers vanuit het brugwachtershuis op de Beatrixbrug gemaand te verdwijnen en ook van veel schippers kregen wij dergelijke bevelen. Met de wijsheid van nu vraag je je af hoe dom we wel niet bezig waren. Het was beslist gevaarlijk.

Vlotten bouwen was ook een favoriete bezigheid. De steiger van IJzerhandel Huisman bood daarvoor alle materialen. Wij konden via het erf van Grauwelman, Negrijn en fotograaf de Jong bij die steiger komen. Pallets genoeg en in het afval vonden wij spijkers te kust en te keur. De kromme sloegen we recht. Zo hebben wij een keer een vlot gebouwd wat genoeg draagkracht had om ons beiden te dragen. De bovenkant lag dan wel gelijk aan de waterlijn maar het hield. Een nadeel was dat je moest blijven staan. Mensen op afstand moeten in ons beslist twee jonge Zaanse jezusjes gezien hebben die op het water van de Zaan konden lopen. Met lange planken als peddels voeren we het pontje van het Ruyterveer voorbij. Dat de schipper een beetje gas gaf omdat het pontje los kwam van de kade konden wij niet weten. Het schroefwater trok eerst het vlot een halve meter naar beneden om het vervolgens schuin omhoog te drukken. Toen waren wij al aan het zwemmen. De schipper heeft ons nog aan boord gehesen en zo konden wij, heel hard lopend en een spoor van water achter ons latend door de Westzijde naar huis. Moeders was niet blij. Nog meer vieze was en wat zullen de mensen wel niet denken.

Dempen waren een ideaal speelgebied. Voorheen open riolen die dichtgegooid waren. Het huisje achter in de tuin werd vervangen door een echt toilet in of aan de woning en de gedempte riolen kregen de status van een achterom. Er waren er drie. Eén tussen de Zeemanstraat en de Stationsstraat. Daar kwam je door langs de personeelsingang van de Typhoon te lopen. Eén was er tussen de Stationsstraat en de Herengracht. De ingang was aan het einde van de steeg tussen Bischoff en het Doopsgezinde weeshuis. Deze demp liep helemaal door tot de Herenstraat. De laatste kon je bereiken via het Wijnkanspad. Je kwam dan halverwege de Hoopsteeg uit en de demp liep daarna verder. Of het dan op de Vaartkade eindigde weet ik niet meer.
Nu waren er aan de Herengracht een paar huizen die nog een wc aan de demp hadden. Een wc met daaronder het houten tonnetje. Wij staken een plank onder het tonnetje. Onder de plank, dichtbij het tonnetje, een klos of baksteen. En dan wachten. Wachten tot er eindelijk iemand gebruik ging maken van deze sanitaire voorziening. Als wij zeker wisten dat de man of vrouw goed zat, sprongen wij op het uiteinde van de plank. Het tonnetje vloog omhoog en het gevloek of geschreeuw was onze beloning.

Tussen het Wijnkanspad en de Botenmakerstraat lag een brandweerkazerne. Wanneer er, naar het geluid te oordelen ergens brand was, pakten wij onze fiets en gingen bij de kazerne kijken wat er op het bord stond. Daar werd voor de laatkomers opgeschreven waar de uitruk naar toe aan het rijden was. Ook voor ons was dat makkelijk. Je hoefde dan niet als een gek achter de brandweerwagen aan te sjezen.

Op een gegeven moment besloten de winkeliers in de Westzijde dat het wel mooi zou zijn om in de tijd voor kerst de straat op te fleuren met echte kerstbomen en elektrische lampjes. Wie de bomen regelde weet ik niet. Wel weet ik dat de familie Pootjes ( ja, die van Edison ) de lampjes kon leveren. Het was een feestelijk gezicht tot er een paar belhamels op het idee kwamen lampjes los te draaien. Niet één maar zo veel mogelijk. Per boom twee strengen met lichtjes geeft dan een hoop werk voor de hersteltroepen. Ze kwamen klagen bij onze vader maar die wist zeker dat zijn jongens dat nooit zouden doen. De volgende avond deden we het weer maar toen lagen de gebroeders Pootje in een hinderlaag. Wij konden bij ons de steeg nog invluchten. Voor onze vader viel er niet veel meer te ontkennen. ‘Niet meer doen’ was de wijze raad die hij ons gaf.

Ja, en dan luilak. Herrie maken met een omgekeerd conservenblik op de bagagedrager, touwtje via de zijkant van de wielnaaf en een spijker om het touwtje strak aan te draaien. Halve knijpers met elastiek op het doosje van de schoenensmeer en via de spaken laten ratelen. In alle vroegte krentenbollen halen bij de Zeeuw. Van twee, naar binnen draaiende deuren in een portiek, de deurknoppen met een oude binnenband van de fiets aan elkaar binden. Speld in de deurbel en aan de overkant van de straat wachten op de dingen die gingen gebeuren. Dat deden we ook als we ergens op een ruit bonsden en vervolgens een oud raam op de straat lieten vallen. Allemaal redelijk onschuldig maar helaas werd toen al langzamerhand het feest verpest door vandalisme en bijbehorende  politieoptredens.

Nu ik dit zo schrijf komen er natuurlijk veel meer herinneringen boven. TV kijken bij Wastora, met ouwejaar genieten van het vuurwerk bij Kota Radja, sinteremaarten lopen en bij Aspa de mooiste dingen krijgen, stripboeken lezen in de doorgang van Simon de Wit, rolschaatsen in de etalagegangen van Bischoff, op de dakkapel van ons huis liggen en de Westzijde van boven bekijken, gebakje bietsen bij de banketbakker van de Zeeuw, in de vakantietijd de bel luiden van melkboer Zwikker en aan het einde van de week er een paar daalders aan over houden, lopen op de bevroren Zaan en er een pesthekel aan hebben als het ijs stukgevaren werd, elke week het koper poetsen omdat de Zaan een tijdlang een giftig dampend en meurend water was. Gierende buikpijn van gejatte maar nog niet rijpe peren. Langs de deur met een gehuurde handkar om oud papier op te halen. Afleveren op het Rustenburg en met een paar klinkende guldens naar huis.

Zoals gezegd: het zal de leeftijd zijn en de nadering van luilak. Mooie herinneringen maar luilak en pinksterdrie zijn niet meer en dat is toch wel jammer.

 

©peter gortworst / mei 2020
foto: smeerling-antiek.nl     

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Zwartwit

Het einde van een warme zomerse dag. De grote groene speelweide bij het water ligt er verlaten bij. Het gras ademt de vochtige avondlucht met volle teugen in. Het moet zich herstellen van de spelende kinderen, de zonaanbidders op hun king-size badhanddoeken en de aluminium poten van de stoeltjes. Op een enkele plek gaat dat niet lukken. Daar is het gras verbrandt door onverlaten die meenden dat een wegwerpbarbecue geen kwaad kon.

Op die weide scharrelen twee figuren rond. Beiden speuren de grond af op zoek naar dat wat de bezoekers vandaag misschien vergeten of verloren zijn. Het zal een lucratieve bezigheid zijn want waarom zou je het doen als het niets oplevert. De ene is donker van kleur. Dat is een understatement. Hij is gewoon pikzwart. De ander niet. Die is het tegenovergestelde. Spierwit maar met een beetje grijs. Al rondscharrelend komen ze bij elkaar in de buurt.

‘Al wat gevonden?’ vraagt de witte.
‘Nee,’ antwoord de zwarte, ‘Niks bijzonders in ieder geval.’
Met een driftige tik schuift hij een leeg blikje opzij omdat je nooit kan weten of er toch niet iets onder ligt. Weer niks.
‘Er zijn wel eens betere dagen geweest,’ meent de witte.
‘Ja, maar de ene dag is de andere niet.’
‘Dat klopt.’
Geen van beide weet naderhand te zeggen hoe het moment ontstaan is. Voelden ze samen de diepere lading die in deze paar woorden schuilt? Eén ding weten ze wel: hier is het begonnen.

Het is zo’n moment, zo’n zeldzaam moment dat bedachtzaamheid, gelardeerd met gedachten over het bestaan in het algemeen en het doel van hun beider aanwezigheid op die plaats en dat uur, hen laat staren naar de ondergaande zon. Deze kust de horizon en wekt daarmee de filosofische gedachten, die zich daarachter bevinden en worden zo, alsof je ze echt kan zien, hanteerbaar voor deze zwarte en witte. Twee zielen, één gedachte. Het had zo mooi kunnen zijn.

‘Hoe is het eigenlijk om zo zwart te zijn?’ vraagt de witte na een korte, weldadige stilte.
Hij hoort hoe de ander even zijn adem inhoudt en heeft al spijt van zijn vraag.
‘Sorry,’ zegt hij dan, ‘Maar ik moest het even vragen. Ik loop er al zo lang mee. Hoe het is om wit te zijn weet ik maar zo mooi zwart als jij, daar kan ik mij geen voorstelling van maken. Weet je, eigenlijk ben ik een beetje jaloers. Wit is gewoon wit maar zwart lijkt altijd wel dieper zwart te zijn. Het glimt soms zo mooi en af en toe lijkt er wel donkerblauw of diepgroen doorheen te komen.’
‘Ik ben blij met de verduidelijking van je vraag,’ antwoordt de zwarte, ‘Ik was even bang dat er weer van die rare en nare opmerkingen zouden komen.’
‘O nee!’ zegt de witte geschrokken. ‘Dat is absoluut niet de bedoeling. Ik zal niet zeggen dat ik vrij ben van vooroordelen maar probeer mij telkens weer te corrigeren als ik het toch doe. Geloof mij, ik heb niets kwaads in de zin.’
De zwarte kijkt hem even aan maar weet toch niet goed wat te denken.
‘Zeg eens eerlijk,’ vraagt hij, ‘Ben ik nu je excuustruus? Praat je nu met mij om jezelf een goed gevoel te geven?’
De witte moet even slikken. Zijn eerste reactie is een glasharde ontkenning maar hij kan die nog net binnen houden. Dit gezamenlijke moment is kostbaar en zeldzaam en dat maakt hem stil. Een ontkenning zou het kapot maken. Alles zou weer zijn zoals het was en juist dat wil hij voorkomen. Het verbaast hem niet dat hij een lichte vorm van verdriet voelt. Bij hem zie je dat er aan de buitenkant niet van af maar het is een gevoelig wezen.

‘Laat mij even hardop denken,’ zegt hij zachtjes, ‘Misschien kan je het vergelijken met iets goed doen voor een ander. De ontvanger is blij en krijgt een goed gevoel maar de gever ook. Deels omdat zijn gift goed terecht komt. Deels omdat hij bij machte is om te geven en misschi…’
‘Stop!’ zegt de zwarte met een lichte stemverheffing, ‘Ik weet wat je gaat zeggen. Het maakt hem trots op zichzelf en bevestigt hem in zijn macht over de ander. Kijk wat ik kan en jij moet nu dankbaar zijn. En voor je een conclusie trekt: dit heeft niets met zwart of wit te maken. Het is van altijd en overal.’
De witte zegt even niets. Het gesprek gaat een kant uit die hij niet wilt maar zoals zo vaak zitten er meer kanten aan een zaak. Slecht zelden is iets zwart of wit. Dan zegt hij:
‘Je hebt gelijk. Helaas komt dat ook voor maar dat wilde ik niet zeggen. Er is een spreekwoord dat zegt “wie goed doet, goed ontmoet”. Er is een kans dat, vroeg of laat, de gever de ontvanger wordt. Niet iedereen kan dan daar mee om gaan. Iets goed geven is een kunst maar iets goed ontvangen ook. Blijdschap, afhankelijkheid en trots schuren in veel gevallen beetje. Maar ik wil even terug naar het begin van ons gesprek. Jij had het over een excuustruus. In mijn ogen ben je dat niet. Ik wilde een gewoon gesprek met je voeren en je iets vragen wat mij al tijden bezig houdt.’
‘En een gewoon gesprek begin je met te vragen hoe het is om zwart te zijn? Waarom begin je niet over de troep die hier ligt? Of over het weer? Snap jij nu zelf niet dat het lariekoek is wat je zegt? Vraag je dat ook aan een gele of een bruine of aan een geelbruine? En zullen we het even niet hebben over de onrust die ontstaat wanneer ik, als zwarte, in jouw witte wijkje kom?
De witte zwijgt. Hij meent dat zijn goede wil niet wordt begrepen en vermoedt sterk dat deze zwarte iets duidelijk wil maken wat hij niet begrijpt. De zwarte heeft voor de zoveelste keer ervaren dat er nog werelden te winnen zijn.

Het moment is stuk en beiden weten dat.
‘Je woont zeker bij al die andere witten daar bij de zee?’ vraagt de zwarte.
De witte knikt zachtjes.
‘En jij?’
‘In de stad. Dat park bij het station.’
De witte wil niet de eerste zijn die vertrekt. Het geeft misschien een verkeerde indruk, Daarom zegt hij:
‘Laten we maar op huis aangaan. Het is al te donker om hier nog goed te kunnen zoeken.’
‘Ja.’ zegt de zwarte kraai. Hij vliegt op en zet koers naar zijn kolonie in het park. De zilvermeeuw kijkt hem even na, neemt een korte aanloop en vliegt dan naar zijn wijkje in de duinen met allemaal witten. Twee vogels die met een ongemakkelijk gevoel blijven zitten.

 

 

© peter gortworst / mei 2020
afbeelding:  Campusblog.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De schoen op het nachtkastje

Ze is jong, beschikt over een bovenmatige slimheid en heeft een figuur waar menig mannenhart sneller van gaat kloppen. Gelukkig is niet iedereen perfect. Zij ook niet. Bij tijd en wijlen is zij een chaoot van het zuiverste water. Vaak gaat het goed maar er zijn van die momenten. Op de regel dat vrouwen de kunst van multitasking beheersen, is zij de spreekwoordelijke uitzondering. Dat weet zij van zichzelf heel goed. Daarom heeft zij zich, gedurende haar nog korte bestaan, handigheidjes aangeleerd. Zo staan er naast de kookplaat vier eierwekkers. Als ze alleen aardappelen, vlees en groente moet bereiden gaat dat nog maar met een extra pannetje voor bijvoorbeeld een saus, heeft ze de wekkers echt nodig. Gebruikt ze deze niet dan kan je er op wachten dat er iets aanbrandt. Ze is ook goed met het schrijven en plakken van notitiebriefjes en zonder agenda zou haar leven een opeenstapeling zijn van gemiste afspraken en vergeten verjaardagen.

De briefjes vullen een belangrijk deel van de spiegel in haar slaapkamer. Op het bed ligt haar koffer en één voor één trekt ze een briefje van de spiegel. ‘Rode topje’ leest ze en uit haar kledingkast haalt ze dat topje en doet het in de koffer. ‘Zwarte bikini’ staat er op de volgende. Met een warm en tevreden gevoel vult ze zo met briefje-kledingstuk-inpakken haar koffer.

Het is best een mooi gebaar van Betty, haar vriendin, om te vragen of zij voor tien dagen haar gezelschap wil houden op Tenerife. Zij zit daar minimaal een half jaar voor haar werk en dan kan je na een paar weken het thuisfront al aardig missen. Het is niet voor niets dat zij hagelslag, Engelse drop en stroopwafels mee moet nemen. Betty kijkt er naar uit dat ze weer gewoon in het Nederlands kan kletsen. Het Spaans gaat haar goed af maar de leukste grapjes maak je toch in je eigen taal.

Ze gaat vroeg naar bed. Vannacht om twee uur gaat de wekker. Ze drinkt het laatste restje jus d’orange en schakelt de koelkast uit. Die heeft de komende tien dagen ook vakantie. Als ze net in bed ligt schiet het door haar hoofd dat ze haar paspoort niet mag vergeten. Die heeft ze standaard verstopt achter het schilderij wat ze nog van haar oma heeft gekregen. Zichzelf kennende past ze één van haar handigheidjes toe: ze legt haar schoen op het nachtkastje. Dat doet ze vaker en als herinneringen oproepmiddel werkt het uitstekend.

Precies om twee uur gaat de wekker. De toch nog korte nacht is zij niet gewoon en half overeind komend zoekt zij, maaiend met haar arm, het klokje. Dan ploft ze terug en bedenkt wie het in zijn hoofd heeft gehaald vliegtuigen op zo een onchristelijk vroeg tijdstip te laten vertrekken. Ze bedenkt wat er nu gaat gebeuren en hoe leuk het zal zijn dat Betty haar straks op zal staan wachten. Met een schok komt ze overeind en constateert dat ze bijna een half uur heeft liggen dagdromen. Een licht gevoel van paniek maakt zich over haar meester. Gehaast kleed ze zich aan, pakt de koffer en haar handtas en spoed zich via het trappenhuis naar buiten. In de auto start zij de navigatie. Deze moet haar brengen naar het adres waar ze haar auto tien dagen kan parkeren. Er is bijna geen verkeer op de weg en als je de flits van de camera die de te hoge snelheid vastlegt niet meetelt, verloopt de rit voorspoedig.

De man van het parkeerbedrijf staat al op haar te wachten. Als zij zich wil verontschuldigen blijkt dat niet nodig. Er is tijd genoeg en wanneer hij haar in zijn bedrijfsauto naar de luchthaven vervoert, komt zij een beetje tot rust. Het kaartje met zijn telefoonnummer heeft ze in haar tas gestopt en ze geniet van de rit. Het is een mooie heldere nacht en ze ziet dat het in het oosten al langzaam licht wordt.

In de hal van de luchthaven blijkt dat er nog genoeg tijd is voor een kop koffie en een broodje. De smaak van de koffie is onevenredig met de prijs die zij daarvoor betaalt. Als ze het toch maar weggewerkt heeft, opent ze haar tas en vist daar de tickets uit. Dan voelt ze een koude rilling opkomen. Het begint bij haar voeten, kruipt langzaam omhoog en nestelt zich uiteindelijk tussen haar schouderbladen. Paspoort! Waar is haar paspoort? Ze probeert na te denken. Heeft ze het nu wel of niet achter dat schilderij vandaan gehaald? Heeft ze vanmorgen de schoen op het nachtkastje niet gezien of lag dat ding er helemaal niet? Ze zoekt wel drie keer haar handtas na en doet dat ook met de koffer. Het resultaat is hetzelfde: geen paspoort.

Het eerste wat ze doet is Betty bellen. Die valt bijna om van het lachen. Ze had het kunnen verwachten en kom op meid, je komt gewoon een weekje later. Dat gaat ze ter plekke organiseren. Ze boekt haar vlucht om maar dat gaat niet zonder kosten. Meer dan ze redelijk vindt. Ook de man van de parkeerplaats wil geld zien. Prima dat ze volgende week weer komt maar dat heen en weer rijden gaat niet zonder wederdienst in de vorm van geld.

Zodra ze thuis komt, kijkt ze achter het schilderij. Het paspoort lijkt haar wel aan te grijnzen en voor ze het vergeet plakt ze een briefje op de spiegel. ‘Paspoort’ staat daar dik onderstreept. Dan kijkt ze in de slaapkamer naar de schoen. Die ligt naast het nachtkastje en langzaam begint er een vermoeden te groeien dat het wel eens haar eigen schuld kan zijn. Ze trekt de deur van de koelkast open en staart in een donkere, lege ruimte. Met een diepe zucht gaat ze aan haar tafeltje zitten en begint aan een boodschappenlijstje. Wil ze volgende week halen dan zal er gegeten moeten worden. Troostvoer. Heel veel troostvoer.

 

 

 

© peter gortworst / mei 2020
foto: verhuis.de

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Ze is samen

 

Hier, in dit bos, bekend vanaf haar jeugd, loopt ze met een murw geslagen lijf en onrustige geest. Het is vroeg in de ochtend en de koude nevel wordt doorboord met lichte banen zonlicht. De frisse boslucht snuift ze met diepe teugen op in haar longen. Hier plukten ze bosbessen, maakten hutten, speelden verstoppertje en liepen speurtochten. Alles was goed. Het bestaan overzichtelijk en vredig. Het leven lachte de kinderen toe en de wereld lag aan hun voeten. Misschien zijn dat wel de redenen geweest om nu terug te komen. Zoeken naar iets wat houvast kan geven, een gevoel wat je misschien weer oproepen kan. Het leven lacht niet meer naar haar en alles wat aan de voeten ligt, zijn scherven van wat hij grijpen en gooien kan.

Hij, de mooie, de vriendelijke, de zorgzame mijnheer die voor de buitenwereld de schone schijn ophoudt. Voor iedereen maar niet voor haar. Zij mag het doen met zijn kleinerende opmerkingen, zijn eisen, zijn veel te losse handjes, zijn claims en buien van ongecontroleerde woede. O, ze weet best dat zij nog geen kinderen wilden, maar is het haar schuld dat ze nu zwanger is nadat hij haar, voor de zoveelste keer, verkracht heeft?

O ja, ze hebben haar gewaarschuwd. Gevraagd naar het waarom, hulp aangeboden en goede raad gegeven. Ze weet alleen maar dat zij hem lief heeft. Het is toch ook de man die lief kan zijn? Die haar laat voelen een vrouw te zijn, die nederig en vol schuldbesef haar overlaadt met liefde en cadeautjes. Die elke keer weer oprecht belooft dat het nooit meer zal gebeuren?

Zijn moordende stompen in de buik kan ze afweren. Ze moet haar kind verdedigen. Het gaat ten koste van slagen in haar gezicht. Ze probeert in een hoekje te kruipen en laat hem zijn gang gaan. Verweren roept nog meer woede op. Nooit gedacht dat ze dit zou moeten leren. Hij schopt, stompt, slaat, trekt haar aan haar haren door de kamer en schreeuwt dat ze dat kind weg moet laten halen. Vreemd dat je tijdens zo’n marteling een groot besluit kan nemen. Ze gaat bij hem weg. Als hij op een dag thuiskomt van zijn werk, zal zij er niet meer zijn.

Niet meer! Nu niet meer! Ze zal alle uitgestoken handen zoeken die ze grijpen kan. Wèg bij deze tirannieke leugenaar. Ze kiest niet meer voor haarzelf alleen. Ze is nu samen en kiest daarom ook voor het kind wat ze draagt.

De zonnestralen verlichten de ochtendnevel en in brede banen zijn ze door het bladerdak zichtbaar. En zoals de warmte van de zon de koude ochtendnevel langzaam verdrijft, zo zal het ook in haar leven gaan. Opstaan zal ze en zich door het volle zonlicht en de warmte laten koesteren. Ze kiest een nieuw leven wat haar weer toe kan lachen. Een leven met een spelend kind aan haar voeten. Haar eigen kind dat alles zal leren over het leven en de liefde en naar wie de wereld lacht.

 

© peter gortworst mei/2020
afb: Pinterest.com

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Meneer van der Eik

Het is precies zes jaar, twee maanden en achttien dagen later. Meneer van der Eik weet dat heel zeker omdat hij de dagen telt. Daar heeft hij alle tijd voor. Zijn enige taak is er ‘zijn’. Door er te ‘zijn’ maakt hij de lucht schoon, vangt hij met zijn bladeren stof, geeft hij onderdak aan vogels en insecten en levert hij voer voor de wilde zwijnen, de gaaien en de eekhoorns. Als je dat al meer dan tweehonderd jaar doet is dat er ‘zijn’ niet zo’n aandacht vragende bezigheid dus heeft hij tijd om de dagen te tellen. Hij telt vanaf het moment dat ze afscheid heeft genomen. Hij weet nog precies hoe dat ging en hoe dat voelde. Na zestig jaar leunde ze weer tegen zijn stam en kon hij eindelijk haar naam weer roepen. ‘Mijn Nootje!’ had hij juichend gedacht en ze hadden uren met elkaar door gebracht. Het was een dag om nooit te vergeten en hij heeft er wel drie zomers plezier van gehad. Hij niet alleen maar ook alle dieren. Hij produceerde meer eikeltjes dan vele jaren daarvoor en het bevestigde hem in zijn wetenschap dat aandacht geven een mooi iets is. Blijde verrassingen doen dat ook maar die houden het minder lang vol. Dat heeft wat met zielenroerselen te maken maar daar weet hij net niet genoeg van.

De jonge knul loopt voorop. In zijn hand een mobieltje waar hij voortdurend op kijkt. Hij stopt als zijn neus bijna de stam raakt. De anderen stoppen ook. Drie wat oudere mannen met dito vrouwen en acht jongeren die ongetwijfeld hun kinderen zijn, staan bij zijn stam. Ze kijken omhoog. Ze kijken om zich heen en als ze zien dat er geen andere oude eiken in de buurt staan, stellen ze vast dat dit meneer van der Eik moet zijn. Ze gaan in een kring zitten. Uit een rieten mand komen lange dunne glazen en uit een koeltas champagne. Met een plof gaat de eerste fles open en worden de glazen gevuld. Dan toasten ze met elkaar op hun moeder en oma die toch maar mooi zo een fantastisch geheim had. Het duurt maar even en dan komen de verhalen, de anekdotes en de herinneringen van alle goede en slechte tijden. Soms schateren ze het uit om dan weer overmant te worden door verdriet. Rouwen is nu eenmaal een complex gebeuren en zeker als je het goed wil doen. De tweede fles wordt open gemaakt en de ouderen tikken met het volle glas tegen de stam. Meneer van der Eik heeft geen idee wat ze zeggen maar het zal vast goed bedoeld zijn.

Een plechtig moment voel je soms aankomen. Ook meneer van der Eik voelt dat. Er wordt een houten kistje open gemaakt en daaruit haalt één van de kinderen een soort vaas met een deksel. Als het deksel er af is, ziet meneer van der Eik dat er een witgrijze as in zit. ‘Mijn Nootje’ weet hij.  Ieder van de ouderen en ieder van de kinderen strooit een beetje as rondom zijn stam. Het komt precies uit. Als ze rond zijn, is de vaas leeg. Een mooie toevalligheid.

Het doet meneer van der Eik meer dan hij zeggen kan. Hij is diep onder de indruk en hij niet alleen. De wind houdt zich zo stil dat er geen blad ritselt, geen takje kraakt, geen vogel zingt en geen insect zoemt. Het is alsof alles en iedereen weet dat dit een uitzonderlijk moment is. Dan begint de zanglijster, die in de jeneverbes woont, te zingen. Hij zit in het topje van zijn struik en zijn zang klinkt als een ‘last post’. Als meneer van der Eik het zou kunnen, had hij op dat moment een traan gelaten.

De nazaten van zijn Nootje pakken alles weer in. Als ze weglopen en bij het pad zijn, gaan ze op een rij staan en buigen diep. Voor Nootje en voor meneer van de Eik. Hij zou wel willen bedanken en terug willen buigen maar voor een boom van bijna driehonderd jaar is dat laatste geen goed idee.

Er valt veel na te denken. Nootje is terug. Mooi dat haar kinderen dat gedaan hebben. Onwil en laatste wil zijn toch twee verschillende dingen. Hij vraagt zich af wat er gebeurt als regen de as in de grond laat trekken en zijn wortels bereikt. Toch heeft hij niet veel hoop op iets bijzonders of iets magisch. Als je zo oud geworden bent, weet je dat dood het einde is. Het grote vergeten kan even duren maar uiteindelijk is het moment daar en ben je de bloem op het veld die vertrapt wordt. Niemand bekommert zich om haar en niemand kent haar plaats nog. Toch doet de wetenschap dat de laatste resten van zijn Nootje bij hem zijn, hem goed. Ze was haar hele leven in zijn hart verankert en wat hier vandaag is gedaan, onderstreept dat alleen maar. Op zijn beurt haalt hij alle herinneringen aan haar op en het maakt hem blij en droevig tegelijk. Nootje voelde zich bevoorrecht hem te kennen en hij hoopt dat het haar duidelijk was dat hij zich ook zo voelde. Er zijn immers niet veel bomen die de kans krijgen om met iemand als Nootje te denken.

De volgende morgen is de jongeman die de vorige dag met zijn mobieltje bijna tegen hem aan botste, terug. Hij gaat met zijn rug tegen de stam zitten en meneer van der Eik hoort hem denken. Zoals mensen vaak intuïtief aanvoelen of een ander enige vorm van sympathie krijgt of heeft bij een eerste kennismaking, heeft meneer van der Eik dat ook. Zonder dat er nog veel heen en weer gedacht is, weet hij dat deze jongen niet deugt.

‘Hoe heet jij?’
‘Ik ben Donald. De oudste kleinzoon van oma.’
‘En wat kom je doen?’
‘Ik wil dat jij mij leert hoe ik met dieren kan denken.’
‘….Jij?’
‘Ja, jij. Tegen wie zou ik het anders moeten hebben?’ zegt Donald korzelig.
O, dat hatelijke toontje. Hoe anders is dit. Hoe veel mooier was het met zijn Nootje die hem zijn titel gaf en die hij met trots draagt. Hij vraagt:
‘Waarom wilt ú dat leren?’
‘Omdat ik daar veel geld mee kan verdienen. Mijn oma was zo stom om er niets mee te doen. Ze had wereldberoemd kunnen worden en er bakken met geld aan over kunnen houden. Helaas diende ze alleen maar als dierenarts terwijl er zo veel meer uit te halen was. Zeg nou zelf: dat is toch eeuwig zonde?’
Meneer van der Eik is er even stil van.
‘Hoe weet ú dat wij met elkaar kunnen denken?’ vraagt hij dan.
‘Dat heb ik gisteren ontdekt toen ik je even aanraakte.’
Meneer van der Eik weet daar niets van. In alle emoties is dat hem blijkbaar ontgaan. Niets menselijks is een boom vreemd.
‘Weten úw ouders dat ú hier bent?’
‘Nee. Die zijn met z’n allen een dagje naar Giethoorn. Ik had daar geen zin in maar vooral geeft mij dit de kans om van jou even te horen hoe ik met dieren kan denken.’
‘Stel dat ik het ú leer. Wat wilt ú dan met deze gave doen? Wordt ú misschien ook dierenarts?’
‘Hou eens op met dat ge-ú!’ En nee zeg. Alsjeblieft! Geen dierenarts. Jaren leren, werken bij nacht en ontij, regelmatig in de stront staan en amper wat verdienen. Doe mij een lol! Nee, ik wil dan een soort van paardenfluisteraar worden. In de oliestaten hebben ze toppaarden en daar een beetje werken verdient heel goed. En natuurlijk op tv met shows. Moet je eens kijken wat die hondentrainers op tv verdienen en in wat voor huizen ze wonen. Zo iets wil ik ook wel.’
‘Hm. Wat zal ú het dan jammer vinden dat ik het ú niet leer.’
‘Wat?! Waarom niet?’

Meneer van der Eik zegt even niets. Hij moet nadenken. Hij heeft het Nootje geleerd omdat hij wist dat zij het niet voor eigen gewin ging gebruiken. De wereld van Nootje werd oneindig groter toen zij met dieren kon denken en deze wereld werd voor iedereen beter. Al denkend met dieren werd zij zich bewust dat er niet een aparte mensenwereld en een aparte dierenwereld is. Voor Nootje was er maar één wereld en in die wereld was zij een verbindende factor. Ze heeft gedaan waar ze goed in was: zich in dienst stellen van. En juist dat is iets waar deze jonge man geen kaas van heeft gegeten en het met grote zekerheid ook nooit zal doen. Dat is voor hem een wereld waar hij geen vermoeden van heeft en wanneer wel, hij het waarschijnlijk ook nog zal afwijzen. Trekken aan een dood paard en in weerwil van alles moet hij een beetje lachen om de woordspeling.
‘Nou?’ vraagt de jonge man ongeduldig.
‘Daarom niet.’ antwoord meneer van der Eik en het zijn de laatste woorden die hij tegen hem denkt.

Donald zit nog zeker een half uur te proberen om met meneer van der Eik te denken. Dan staat hij op en loopt weg. Even later is hij terug met een polsdikke stam van zeker twee meter lengte op zijn schouder. Als hij bij de stam van meneer van der Eik staat, zwaait hij met een reuzenslag en met de uitroep ‘stomme kutboom!’  het hout tegen de stam. Dat had hij beter niet kunnen doen. De schokgolf in het stuk hout verplaatst zich naar zijn handen en armen en kermend van de pijn zakt hij door de knieën. Gebogen en met de handen tussen de dijen loopt hij weg.

Meneer van der Eik kijkt hem na.
‘Juist,’ zegt hij, ‘Daarom dus.’

 

 

Het eerste verhaal ‘Het meisje en meneer van der Eik’ vindt u hier:
https://petergortworst.com/2019/12/11/het-meisje-en-meneer-van-der-eik/

 

© peter gortworst / apr. 2020
afbeelding: http://www.pinterest.co.kr

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Adoratie

Hij is bang dat er dit jaar niet op winst gerekend kan worden. Zijn zege van vorig jaar wordt, door de vrijheidsbeperkingen die nu gelden, vast niet geprolongeerd. Eigenlijk wel jammer. Hij had graag nog een keer gewonnen maar tegen een vrijbuiter als zijn zoon kan hij niet op. In de eerste plaats heeft hij een beroep waarbij ‘buiten zijn’ behoort tot zijn vak en in de tweede plaats woont hij in een stad die notabene ook nog in een vogelrijk gebied ligt. Misschien dat hij het wint met een boerenzwaluw maar dat telt niet. De eerste gierzwaluw zien. Dàt telt. Jaren achtereen wint die dekselse jongen het. Tot vorig jaar. Toen mocht hij het verlossende berichtje sturen en er met de zege vandoor gaan. Er zit niets aan vast. Het gaat gewoon om de eer maar ook die kan zwaar wegen.

Het is al twee dagen heerlijk voorjaarsweer. Dat is gunstig omdat juist dit soort dagen de kans aanmerkelijk vergroten. Hoe weten die zwaluwen dat het hier zo warm en zonnig is en er dus voldoende voedsel door de lucht vliegt? Hebben ze een ingebouwde weerradar die elke radar van een meteorologische dienst overtreft en die ze zegt dat het daar nu goed toeven is? Hij weet het niet.  Dat is niet erg omdat er zo veel is van deze vogel wat men nog niet weet. Het is niet voor niets dat veel vogelliefhebbers de gierzwaluw als ‘hun’ vogel beschouwen. Razendsnel, mysterieus en altijd in de lucht. Een beestje wat nog immer niet alleen tot zijn verbeelding spreekt maar voor hem wel herinneringen oproept uit het verleden.

Als jonge knul was hij lid van een natuurclub. Toen heeft hij ze allemaal leren kennen. De huis-, de boeren-, de gier- en de oeverzwaluw. Allemaal zomergasten maar geen van deze kan het zomerse gevoel zo oproepen als de gierzwaluw. De zomeravonden in de tuin of op een terrasje in de stad en dan een krijsend groepje gierzwaluwen hoog in de lucht of cirkelend rond de toren. Vliegende sikkeltjes die elke keer een gevoel van sensatie geven. En elk jaar, wanneer deze vogel plotseling, van de ene op de andere dag, ergens in augustus verdwenen is, vult het hem met weemoed en een vreemd soort verlangen.

Lang was de huiszwaluw zijn favoriete vogel. Dat kwam voornamelijk omdat er elk jaar in de lange dorpsstraat de nesten werden geteld. Kunstig gemetselde halve bollen onder goten of overhangende daken. Dat was leuk werk. De bewoners van al die vrijstaande huizen wisten dat ze eenmaal per jaar langskwamen om het aantal nesten van de huiszwaluw te tellen. Enkelen waren zo trots als een pauw als er meer nesten gemaakt waren dan het jaar daarvoor. Nu hij er over nadenkt, vraagt hij zich af wat er met al die gegevens is gedaan. Waarschijnlijk verloren gegaan in de brei van onderzoeksresultaten. Gegevens die onontbeerlijk zijn om te kunnen zien hoe het deze zwaluw vergaat en bij toe of afname naar mogelijke oorzaken te zoeken. Gegevens die verzamelt worden door amateurs. Vrijwilligers die uit pure liefde voor deze beestjes belangeloos hun tijd en kunde in dienst stellen van tal van projecten. Zonder hen is er geen gedegen onderzoek mogelijk maar wat er uit zijn gegevens toen is gedistilleerd, weet hij niet.

De gierzwaluw was er toen natuurlijk ook maar waar waren de nesten? Onbekend maakt onbemind tot er iemand komt die je vertelt hoe mysterieus dit vogeltje is. Die met feitjes komt en je laat inzien dat het een bijzonder diertje is. Dan ga je met andere ogen kijken en wil je meer weten. Inmiddels weet hij meer. Veel meer zelfs maar toch blijven er raadsels die wellicht in de toekomst opgelost worden. Wat blijft zijn de herinneringen aan de avondvluchten die deze vogels maken en hem terugbrengen naar de tuin van zijn ouderlijk huis. Liggend op zijn rug volgt hij ze als ze hoog in de lucht rondcirkelen. Hij telt er vijf en plotseling zijn het er zeven. Even later vier. Waar blijven ze zo snel en waar komen die anderen zo plotseling vandaan? Herinneringen aan warme zomeravonden met achter elkaar aan jagende en krijsende gierzwaluwen. Met onvoorstelbare snelheid scheren ze tussen de daken en straten door. Een beeld dat hoort bij de zomer.

En nu? Hij zit op zijn terras. De zon schijnt, de lucht is strak blauw en het is warm. Hij luistert en kijkt voortdurend omhoog. Als ze er zijn, kan hij ze niet missen.
Dan geeft zijn mobieltje een seintje. Een appje van zijn zoon. ‘Drie stuks gezien en gehoord boven de stad. Heb ik gewonnen?’
Met een gevoel van jammer appt hij hem een felicitatie terug. Welgemeend want de gezamenlijke adoratie is dat wat werkelijk telt.

 

© peter gortworst / apr. 2020

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 1 reactie

Een sprookje

Er was eens een land, niet zo heel ver hier vandaan, waar mensen wonen die trots en zeer temperamentvol zijn. Het land wordt geleidt door een koning die daar een niet te benijden baan aan heeft. In zijn wapen staat de spreuk: ‘Wat niet kan heeft nog nooit gekund’ en al zijn onderdanen houden hem daaraan. Er gaat geen raadsvergadering voorbij zonder dat er met stemverheffing en vuistslagen op tafels, wordt gesproken maar het mooie is dat men zo tot prachtige besluiten komt die het land ten goede komen. De koning heeft het niet alleen voor het zeggen maar zijn raadslieden ook niet. Hun beider trots wordt vaak geweld aangedaan maar de redelijkheid wint het en de eigen trots zet men dan opzij. Het maakt plaats voor een gezamenlijke trots en dat is mooi. Alle inwoners zijn dan ook zeer tevreden met hun koning, het land en elkaar.

In dat land woont een mooie jongen die hevig verliefd is op een engel. Ze is niet een echte engel maar hij weet zeker te weten van wel. Gelukkig laat ze zich dat graag aanleunen. Ze weet best dat haar neus te groot is en een beetje scheef staat maar dat ziet hij niet. Net zo min ziet hij dat haar ene borst een beetje groter is dan de andere en bovendien ook nog hangt. De mooie jongen maakt haar mooier dan zij is. Daar is alle ruimte voor en dit verschijnsel zie je wel vaker bij mensen die verliefd zijn.

Op een dag vraagt hij haar ten huwelijk en zegt zij ‘ja’. Ze vragen de koning om toestemming en als deze positief gereageerd heeft, vieren ze hun bruiloft op bescheiden wijze. Ze gaan in een klein huisje wonen. Hij zorgt goed voor haar en zij voor hem. Samen zorgen ze voor de kippetjes, de konijnen en de geit. Het duurt niet lang voordat er een klein meisje wordt geboren. Ze noemen haar Melek en hoe klein ze dan ook mag zijn, ze is temperamentvol en trots. Als haar moeder haar de borst geeft maar ze wil niet meer, dan gooit ze haar hoofd in haar nek en schudt met de weinige zwarte haren die ze heeft. De vroedvrouw heeft dit nog nooit bij een kind gezien maar ze is van mening dat het geen kwaad kan. Ze is er stiekem zelfs blij mee. Dit is een echte inwoner van het land en ze laat de nieuwbakken vader en moeder weten dat ze trots mogen zijn op dit kind.

Melek groeit voorspoedig op maar niet zonder gebruiksaanwijzing. Haar iets verbieden gaat niet zonder te vertellen waarom iets niet mag. Ook doet ze niet zomaar iets wat haar vader of moeder vraagt. Voor ze het weten gooit ze haar hoofd in haar nek en schudt ze met de inmiddels lange zwarte haren. Voor wie haar niet kent is dat soms een onaangenaam gebeuren. Voor haar ouders niet. Die weten inmiddels niet beter.
Ze is verstandig en slim. Wie, zoals zij, veel vraagt, krijgt vele antwoorden en daar doet ze haar voordeel mee. Het is niet verwonderlijk dat ze gaat studeren en daar ontmoet zij een jongen waarmee ze het aardig kan vinden. Toen hij een keer, in alle onwetendheid, haar opdracht gaf een pizza te gaan halen omdat hij honger had, gooide ze haar hoofd in haar nek en schudde met haar lange zwarte haren. Vanaf dat moment wist hij.

Het stadium van elkaar aardig vinden zijn ze voorbij. Melek heeft al vaak gevraagd wie en hoe zijn ouders zijn maar daarover heeft hij nooit iets gezegd. Dat vindt ze raar want over haar ouders vertelt ze alles. En nu? Ze willen naar elkaars ouders om de ander voor te stellen maar nog immer zegt hij niets over de zijne.
‘Je zal het wel zien, ’ heeft hij haar vertelt en dat zint haar allerminst.
‘Weten ze wel dat ik besta?’
‘Ja, en ze willen je graag ontmoeten. Zullen we morgen gaan?’

Ze stappen op de fiets en komen bij een monumentaal gebouw. Het is duidelijk de achterkant van iets groots. Bij een geopende poort staat een bestelbus van een groenteboer. Kisten met verschillende soorten groente en een grote zak met aardappelen worden naar binnen gereden. Hij stapt af en zegt:
‘Kom en je kan beter je fiets meenemen. Voor je het weet is dat ding gejat.’
Via iets wat duidelijk een magazijn is, komen ze op een binnenplaats. Daar zet hij zijn fiets tegen de zijkant van een grote witte marmeren trap.
‘Waar zijn we?’ vraagt ze.
‘Bij de achterkant van het paleis,’ zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht.
Ze weet even niet wat ze moet denken en al helemaal niet wat ze moet zeggen. Hij ziet haar vertwijfeling en als hij zijn armen om haar heen slaat zegt hij:
‘Ik ben, wat jullie noemen, de jonge prins. Mijn opa is de koning.’

De koning en zijn zoon zijn in hun nopjes met dit meisje waarmee de jonge prins is thuisgekomen. Ze mogen haar zo graag dat ze haar af en toe plagen. Zo kan het gebeuren dat de koning haar zegt dat ze meer spruitjes moet eten en dan lachen ze als ze haar hoofd in haar nek gooit en met haar lange zwarte haren schudt. Eerst werd ze daarom alleen maar boos maar nu kan ze er ook om lachen. Niet van harte maar toch.

Met alle pracht en praal die een koninklijk huwelijk nu eenmaal met zich meebrengt zijn ze getrouwd. Ze voelt zich als prinses helemaal op haar gemak. Haar schoonvader heeft besloten dat zij de raadsvergadering bij mag wonen en haar verfrissende ideeën zijn een verademing voor dit college van oude gedienden. De koning waardeert haar als geen ander en als hij het besluit moet nemen om wel of niet af te treden en haar schoonvader koning te laten worden, vraagt hij haar om raad.
‘Ik zou het doen,’ heeft ze gezegd, ‘Dan heb je tijd om met je achterkleinkind te spelen.’
De koning kijkt haar verbluft aan.
‘Ben je zwanger?’
Als ze dat, met een glimlach op haar gezicht, bevestigd, neemt hij haar in zijn armen.
‘Wat fijn! Maar pas op! Je moet nu wel voorzichtig met jezelf zijn!’
Ze gooit prompt haar hoofd in haar nek en schudt met haar lange zwarte haren. Samen moeten ze er om lachen.

‘Nu persen!’ commandeert de vroedvrouw en voor het eerst in haar leven gooit ze niet haar hoofd in haar nek en schudt ze niet met haar lange zwarte haren. De pijn is nauwelijks te dragen en ze vervloekt iedereen die in deze paleiskamer bij haar bed staat. Dan is plotseling het kind daar. Trots houdt de vroedvrouw haar omhoog.
‘Kijk eens,’ zegt ze, ‘Het is een meisje!’
‘Layla. Layla zal ze heten,’ zegt de moeder.
Als de vroedvrouw het kind op de borst van de moeder wil leggen ziet zij dat er iets niet goed is. De moeder bloedt heviger dan zij ooit gezien heeft. Het lukt haar niet om het bloeden te stelpen en met spoed belt ze een ambulance.

De Dood staat aan de rand van haar bed.
‘Melek, ik kom je halen,’ zegt hij, ‘Je moet met mij mee.’
Ze probeert haar hoofd in haar nek te gooien en te schudden met haar lange zwarte haren maar het lukt niet.
‘Waarom?’ vraagt ze hem.
‘Omdat het je tijd is. Meer niet.’
Wat niet kan heeft nog nooit gekund. Opstaan uit de dood valt daar ook onder en daarom strekt ze haar hand uit naar de Dood en gaat met hem mee.

Iedereen in de kamer ziet haar sterven met die uitgestoken hand en niemand weet de betekenis daarvan. Over één ding zijn ze het eens: het is een verdrietig maar mooi gebaar.

De kraamzuster geeft Layla de fles. De speen schiet uit haar mond en ze probeert deze opnieuw in haar mondje te stoppen. Dan gooit Layla haar hoofdje in haar nek en schudt met dat kleine kale kopje. De oude koning die geen moment van zijn achterkleinkind wil missen, ziet dat en begint verdrietig te lachen. Die komt er wel, weet hij.

 

 

peter gortworst / apr. 2020
afbeelding: rtlnieuws.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Ouwe snoepert

Laten we hem Thomas noemen. Hij is ver over de tachtig en ligt het liefst in bed. Niet zo verwonderlijk want hij loopt slecht. Alles gaat schuifelend en zijn handen zijn continue op zoek naar houvast. Voor het eten moet hij zijn bed uit. Dat zint hem niet maar de verpleging is onverbiddelijk: bewegen is goed voor hem. En daarom staat hij minimaal drie maal per dag op om de onheilsweg naar het tafeltje met stoel te maken. Het spannendste moment is de oversteek van bed naar stoel. Dat is een halve meter zonder steun en die wordt met ware doodsverachting genomen.

Het is niet dat hij alleen slecht loopt. Hij is ook nauwelijks te verstaan. Oorspronkelijk komt hij uit Polen en heeft nooit de taal van dit land goed geleerd. Dat, en het feit dat hij zacht praat en belabberd articuleert, geeft natuurlijk problemen. De conversatie met artsen en verplegend personeel is tijdrovend, moeizaam en oorverdovend. De onhebbelijkheid om hard te gaan praten tegen iemand die je niet goed verstaat, is blijkbaar niemand vreemd.

Hij krijgt geen bezoek. De telefoon gebruikt hij om contact te houden met zijn zaakwaarnemer. In al die tijd dat we samen op de kamer liggen komt deze man één keer langs. Hij blijft, met zijn jas aan, bij het voeteneinde staan en is ronduit kortaf. Blijkbaar is dit bezoek een verplichting die zijn normale ritme verstoort. Omdat dit mij niet aangaat, verlaat ik de kamer en zoek mijn heil elders. Als ik terugkom zit Thomas op de rand van het bed en oogt tevreden.

Ik heb hem eenmaal kwaad gezien. Furieus zelfs. De dame van de thuiszorg is er beduusd van. Zij wil praten over een verpleeghuis waar hij, als man alleen zonder familie of verwanten, toch veel beter op zijn plek is. Een goede verzorging, eten hoeft hij niet zelf klaar te maken en er is voldoende aanspraak met andere bewoners.
Hoe ze het in haar hoofd haalt! Denkt ze nu werkelijk dat hij al zijn zuurverdiende spaarcentjes weg geeft aan iets als een verzorgingshuis? Hij woont al zo lang in zijn kleine appartement en de Poolse poetsvrouw komt elke dag langs. Die kost al meer dan genoeg. Als het lopen niet beter wordt kan hij altijd nog een elektrische scooter kopen en dat is niet zo duur als de rest van je leven in zo’n tehuis. Met een wegwerpgebaar stuurt hij haar weg en ligt zeker een half uur, pruttelend van kwaadheid, na te hijgen.

Hij is overtuigd katholiek. De zondagse mis, die via de tv wordt verzonden, volgt hij zittend in zijn bed. Hij prevelt alles mee wat een rechtgeaard gelovige dient mee te prevelen en wacht vol ongeduld op de hostie die door de nonnen in het ziekenhuis worden gebracht.

Tijdens één van de momenten dat ik de tijd en het geduld op kan brengen en hij besluit om wat duidelijker te praten, vraag ik hem of hij ooit getrouwd is geweest. Dat is hij niet. Kinderen heeft hij ook niet en uit zijn lichaamstaal begrijp ik dat er een geheim is.
‘Ben je homo?’ vraag  ik.
Het duurt even maar dan wordt mijn vermoeden bevestigd.
‘Dat weten ze hier niet!’ zegt hij dan. ‘Vertel het ze alsjeblieft ook niet!’
‘Ik houd mijn mond wel maar wat is er mis met homo zijn?’
‘Niet goed, niet goed,’ zegt hij hoofdschuddend.

Wat volgt is een verhaal van een verscheurt mens. Hij haat het om homo te zijn en kan zich mateloos ergeren aan mannen die elkaar in het openbaar kussen of hand in hand lopen. Dat hoort niet. Dat is onnatuurlijk en bovendien veroordeelt de kerk het ook.
‘Maar Thomas, wat is er mis als je voor een andere man warme gevoelens hebt? Dat is toch mooi?’
De verwarring is van zijn gezicht te lezen en het blijkt de worsteling van zijn leven te zijn. Schaamte en verlangen. Zeker weten dat jouw geaardheid fout is en toch, naar diezelfde geaardheid, hunkeren naar geborgenheid, aandacht en liefde. Hoe moeilijk kan een mens het zichzelf maken? Hoe triest kan jouw lot zijn?

Zo af en toe had hij een vriend. Opgedoken in een club in Nederland. Daar kennen ze hem niet en ‘Jullie hebben goede clubs.’ Zijn relaties waren van korte duur. Alles moest in het geheim. Van samen naar buiten of ergens heen, kon geen sprake zijn. Er zijn weinig partners die dat waarderen. Dat maakt dat de duur van zo’n relatie vaak beperkt is.

Zijn bekentenis maakt in ieder geval duidelijk waarom hij zo te spreken is over Andreas. Elke dag, na het avondeten, worden zijn voeten en kuiten ingesmeerd met een zalf. Hij geniet zichtbaar als Andreas dat doet en een verpleegster krijgt nooit zo een welgemeend bedankje als deze verpleger.

De dag dat Thomas naar huis mag. ’s Avonds is hij al begonnen met inpakken en er ligt, in de ruimte naast zijn bed, een onwaarschijnlijke stapel bagage. Als de taxichauffeur komt, krabt deze, bij het zien van de vracht, achter op zijn hoofd en vraagt dan of er iets van een kar is. Daarin wordt voorzien en Thomas in rolstoel met één weekendtas op schoot, wordt de gang ingereden. De chauffeur volgt, zorgelijk kijkend, met de kar.

Een half uur later komt Katrine, één van de verpleegsters, de kamer in en zoekt in de kasten van Thomas naar iets.
‘Is hij wat vergeten?’ vraag ik.
‘Hij denkt dat zijn huissleutel hier nog ligt. Ze staan in de regen voor een dichte deur en hij kan zijn sleutel niet vinden.’
‘O, die zit vast en zeker in één van die tassen of koffers.’
‘Mm, dat denk ik ook. Hier ligt ’ie in ieder geval niet. We gaan hem wel bellen dat hij nog maar eens goed moet zoeken.’
‘Laat Andreas hem bellen.’
‘O ja! Goed idee. Dat zal die ouwe snoepert vast plezier doen,’ grijnst ze met een knipoog om dan op zoek te gaan naar de gelukkige.

 

© peter gortworst / apr. 2020
foto: salzburg.info

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

Urbi et orbi

Wat ik nu ga schrijven zal zonder twijfel schuren met het geloof en wetenschap. Dat is niet erg omdat ik geen wetenschappelijk of theologisch doel heb met dit stukje tekst. Het is meer een ‘van-mij-af-schrijven stukje’. Laat ik vooraf duidelijk zijn: ik zal de laatste proberen te zijn die een ander veroordeeld. Een ieder moet vooral denken en geloven wat hij/zij wil en zeker als je daarbij gelukkig bent.

Het stukje gaat zo:

Toen de mensheid begon te ontstaan en men leerde het vuur te temmen, gereedschappen leerde maken en gebruiken, onderkomens vervaardigden en ontdekte hoe men voedsel kon verbouwen, was er veel onbekend. Waarom zijn er hemellichamen? Waarom wordt het dag en nacht? Waarom zijn er seizoenen? Waarom zijn er zo veel dieren? Waarom verpest de natuur soms ons bestaan? Waarom is er een aantrekkingskracht tussen mensen die je anders laat zijn dan normaal? Waarom worden we ouder, ziek en gaan we dood? Hele excentiële vragen voor de mensen van toen en waarschijnlijk ook nog voor de mensen van nu. Er moet natuurlijk voor alles een verklaring zijn en wat niet verklaarbaar is schreef en schrijft men toe aan een hogere macht. Een god en overal waar mensen ontstonden werd en wordt een god gecreëerd. Zo zit de mens nu eenmaal in elkaar. Het onverklaarbare moet verklaarbaar worden gemaakt en de verhalen vonden hun oorsprong. Het Bijbelse scheppingsverhaal is één van de vele voorbeelden. Jammer is alleen dat de gemaakte god niet als een maatje, een vriend of een goede macht wordt neergezet. Waarom hebben de uitvinders van de goden er iets van gemaakt (een persoon zelfs) wat je moet aanbidden, wat zowel boze als goede macht heeft, die je laat weten wat wel en niet mag. Gij zult dit. Gij zult dat. Geboden, verboden, zonde, straf en dreiging. Er is wel iets als genade maar alleen als je dit doet en dat geloofd. En kijk, we hebben ook een hemel bedacht en als je goed je best doet…. Fijn die ontwikkeling, of beter verminking, van iets waar we onze onverklaarbare zaken bij onder konden brengen. Het loon van vragen blijken dogma’s te zijn. Door mensen verzonnen dingen die je voor waar aan moet nemen.

Ik ben van mening dat Macht hier alles mee van doen heeft. Het iets te zeggen willen hebben over een ander is van alle tijden. Je ziet het overal. Op het werk, in gezinnen, tussen echtparen, tussen en in volken. Overheersing door geld en/of religie. Ik ben meer, ik ben beter dan jij want….

En nu zijn we aangekomen in een tijd van verklaarbare zaken die toch de mensheid op een zeldzame manier raken. Isolatie, verwarring, onzekerheid en angst. Wat staat ons nog te wachten? Hoeveel worden er nog ziek? Hoeveel mensen gaan er dood? De gevolgen zijn nu al enorm. Er sterven mensen waarvan men niet op een gewenste manier afscheid kan nemen. Hoe ziet de wereldeconomie er uit als dit achter de rug is? Hoe ziet mijn economie er straks uit? Blijven al mijn geliefden gezond en heb ik straks nog wel werk en inkomen?

En terwijl het ergste misschien nog moet komen staat er in Rome op het Sint Pietersplein een breekbaar manneke onder een afdak. Het plein is leeg. Het regent en donkere wolken hangen boven de stad. Het symbool van de kerkelijke macht, van vaak liefdeloze daden, van kindermisbruik en alles waarvan je hen zou kunnen beschuldigen, staat daar en bid om een zegen voor de stad en de wereld. Ik geef hem ruimhartig het voordeel van de twijfel. Ik denk werkelijk dat hij ten diepste meent wat hij doet en zegt en ik weet dat veel mensen hoop en moed uit zijn optreden putten en dat is mooi. De kern van zijn verhaal is dat de mensen op het schip, wat ten onder dreigt te gaan, de slapende Jezus wakker maken en hem vragen hen bij te staan in hun vermoedelijke ondergang. Volgens het verhaal legt Jezus de golven en de wind stil en komt alles weer goed.

Je hoeft geen Jezus te zijn om anderen bij te staan in deze tijd waarin voor velen elk denkbare vorm van ondergang mogelijk is. Voor elkaar zorgen, omzien naar elkaar is meer dan ooit nodig en zo menselijk als de mens waarschijnlijk ooit ontstaan of zoals je wilt, bedoeld is. Maar misschien wordt het, door het nu te doen en hopelijk ook na deze hele toestand, toch iets goddelijks. Ook dat is mooi.

© peter gortworst / mrt 2020
foto: America Magazine

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Donker

De dollen van de roeiboot had hij die middag opnieuw dik in het vet gezet. Onder geen beding mogen die geluid maken. Het is nu een uur of negen en al goed donker. Zo geluidloos mogelijk stapt hij in de roeiboot. Dan duwt hij af en vaart weg. Het eerste stuk langs de fabrieken. Daar is weinig kans dat men hem ziet. Alle lichten die daar, voor de uitbraak van het virus, branden, zijn al lang uit. Kapot gemaakt, gesaboteerd of gewoon stuk. De vraag naar chocolade, koekjes of beschuit is geminimaliseerd. De distributie levert niet meer dan de meest basale voedingsmiddelen. Al het andere is verboden en dus staan de meeste fabrieken stil. Het ergste wat kan gebeuren, is dat een iets te fanatieke bewaker hem ziet maar die kans is zo klein dat hij dat risico wel kan nemen. Als de wand van fabrieken stopt en overgaat in de nieuwe huizen die daar aan het water gebouwd zijn, steekt hij over. Niet dat er vanuit de huizen gevaar te verwachten is. De rolluiken die de regering van nationale eenheid voor elke woning verplicht heeft gesteld, zijn allemaal vanaf acht uur dicht. Ook dat is plicht. Het braak liggende land aan de  andere kant is veiliger. Daar is riet gaan groeien en dat biedt meer bescherming. Als de eerste brug in het zicht komt, verstopt hij zich met de boot tussen het riet. De lantaarnpalen op de brug branden nog. Hij weet dat die om tien uur uitgaan en dat dan ook de controlepost op de brug de bomen sluit en de brug open zet. Niemand kan dan nog naar de andere kant. Ze lopen dan nog één ronde, schijnen met hun schijnwerpers over het water en gaan vervolgens weg. Als het donker en stil geworden is roeit hij vlak langs de kant naar de brug. Hij neemt niet de brede doorgang maar een kleinere aan de walkant en roeit niet gelijk door. Onder de brug wacht hij of er een geluid van boven komt. Niemand mag hem betrappen want op deze illegale activiteit staat, naast een lang verhoor en bezoek aan zijn ouderlijk huis, een behoorlijke gevangenisstraf. Allen al het feit dat hij op dit uur buiten is zonder geldige reden is al grond genoeg. Het zou zo maar kunnen dat ze hem aan gaan zien voor één van de Vrijen en als dat zo is kan het nauwelijks erger worden.

Het blijft stil en nog steeds langs de kant varend komt hij bij de spoorbrug. Die staat tegenwoordig standaard open voor het scheepvaartverkeer. Veel scheepvaartverkeer is er niet meer maar toch bleek het goedkoper om deze brug, voor de zeldzame keer dat er een trein rijdt, deze dan daarvoor toegankelijk te maken. Sinds de economie ingestort is door waanzinnige besluiten van de regering, rijden er nog nauwelijks treinen. Er wordt zelfs gezegd dat er op de snelweg een groene waas zichtbaar is van plantjes die door het asfalt heen groeien en het gekke is dat niemand daar verbaasd over is. Het land is het land niet meer. Toen het virus kwam volgde het ene verbod na het andere en nu weet niemand of het virus er nog is, hoeveel mensen er aan zijn gestorven of hoe lang dit alles gaat duren. Internet is er niet meer. Telefoon kan alleen nog via het vaste net en elk gesprek wordt onderbroken door een mededeling dat de regering meeluistert. De tv en de radio zijn ook aan banden gelegd en om de haverklap worden er toespraken uitgezonden van de minister-president die het volk vertelt dat ze moedig moeten zijn en zich aan de regels dienen te houden.

De houten voetgangersbrug wordt al jaren niet meer gebruikt en hij passeert deze zonder problemen. Dan komt hij op het grote water. Recht oversteken is hem te gevaarlijk en hij blijft dus langs de kant varen. Plotseling knipt er aan de andere kant van het grote water een schijnwerper aan. Onmiskenbaar de patrouilleboot van de politie. Met twee slagen van de spanen bereikt hij het kleine dijkje. Hij springt uit de boot en trekt deze tegen de kant omhoog. Met de spanen gaat hij aan de andere kant van het dijkje liggen en wacht af. Het geronk van de politieboot komt steeds dichterbij en het schijnsel van het zoeklicht aait over het water en de walkant. Hij hoort de schroef van de boot achteruit slaan als ze de roeiboot op de kant ontdekken. Stemmen klinken en langdurig blijft de schijnwerper de roeiboot belichten. Dan varen ze door en hij weet dat er op de terugweg een goede kans is dat hij ze weer tegenkomt.

Met enige moeite vindt hij de smalle sloot die naar de boerderij van Sinkeldam voert. De kleine vissteiger die Sinkeldam daar heeft gebouwd, is snel gevonden. Zacht fluit hij het herkenningsdeuntje. Het wordt beantwoord en dan verschijnt Aart, de zoon van de boer, op de steiger.
‘Is het goed gegaan?’ fluistert Aart vragend.
‘Ja maar ik moest eenmaal schuilen voor de verdomde politieboot. Heb je alles?’
‘Meer dan dat! Ik heb natuurlijk je varkensvlees, de boter, kaas en drie broden. Is dat genoeg voor de komende dagen?’
‘Wel als we niet meer vluchtelingen gaan bergen. Wat zit er in die kist?’
‘Geloof het of niet maar daar zit een zender in. Mijn vader kent een oude man die nog weet hoe je zoiets maakt. Je mag hem alleen gebruiken als het heel belangrijk is of in uiterste nood. Iedereen die een zender heeft van deze man kan je horen en jij kan iedereen beluisteren. Er zit een papier in waarop staat hoe het werkt, wanneer je mag zenden en hoe je een antenne maakt. Als je hem niet gebruikt, verstop hem dan. Het is zo illegaal als de pest en als ze jou er mee pakken heb je echt een probleem.’
‘Tjonge,’ zegt hij omdat het hem even aan woorden ontbreekt.
‘De Vrijen hebben er ondertussen ook een paar en het was vanavond behoorlijk druk met codeberichten. Het zou mij niet verbazen als er wat staat te gebeuren.’
‘Hoe is het verder?’ vraagt hij.
‘Ja, moeilijk. Morgen komen ze het vee tellen en dan is er nog weinig ruimte om wat te doen. We moeten nu al zo vaak nee verkopen aan al die mensen die aan de deur komen. Soms best wel zielig maar we kunnen gewoon niet iedereen van eten voorzien. Het wordt tijd dat er iets gaat gebeuren. Je kan dit land toch niet eeuwig op slot houden? Misschien moeten de Zweden maar weer brood gaan droppen’

Zacht fluisterend praten ze nog zeker een kwartier met elkaar. Dan keert hij de boot en begint aan de terugreis.

Hij volgt dezelfde tactiek. Dicht langs de kant varend en gebruik makend van de natuurlijke dekking. Zodra hij de laatste brug gepasseerd is, steekt hij de vaarweg over. Met een helse lichtflits en een enorme dreun ziet hij het brugdek van de laatste brug in het water donderen. Om hem heen plonsen brokstukken in het water. Met stomheid geslagen staart hij in het donker naar wat eens een brug had moeten zijn. Hij kan weinig  zien en als de golven, die ontstaan zijn door de vallende brug, zijn roeiboot laten schommelen, realiseert hij zich dat het beter is om er als een haas vandoor te gaan.  ‘De Vrijen hebben de brug opgeblazen!’ schiet het door zijn hoofd en hij voelt zich plaatsvervangend trots.

Het zoeklicht van de politieboot vangt hem als hij bijna aan de overkant is. De kleine lichtflitsen die uit de mond van het machinegeweer komen ziet hij nog. De knallen die daarbij horen, niet meer. Nooit meer.

 

© peter gortworst / maart 2020
afbeelding: exto.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Kaviaar en luxe koekjes

Er heerst chaos in haar hoofd. Eigenlijk zou ze helemaal niet moeten werken maar je kan je collega’s niet zomaar in de steek laten. Haar man ligt thuis in bed met een griepje en voelt, net als alle andere mannen, zijn einde naderen. Dochterlief gaat morgen voor een week met school naar Berlijn en heeft natuurlijk nog niets ingepakt en van zichzelf weet ze dat ze te moe is en het liefst 24 uur zou willen slapen. Er wordt op het raam van de deur getikt. Opa Zwikker heeft zijn sigaar op en wil weer naar binnen geduwd worden. Roken kan hij als een schoorsteen maar zelf die rolstoel naar binnen rijden is te veel gevraagd. Ze duwt hem de recreatiezaal in en ziet nog net dat mevrouw Cornelissen haar kopje koffie met één maaibeweging van de tafel veegt. Consternatie alom en als zij op haar knieën zit om de scherven op te rapen schiet het haar te binnen dat zij achter opa Zwikker de deur waarschijnlijk niet heeft dichtgetrokken. Ze laat de scherven de scherven en haast zich naar de deur. Gelukkig. Die is dicht. Je moet er toch niet aan denken dat van jouw patiënten er eentje vandoor gaat.

Als je een vrij man in een gesloten afdeling zet maak je hem niet gelukkig. Hij weet best dat hij manisch is maar de medicijnen doen hun werk. Het is niet verwonderlijk dat hij als een gevangene, vele malen per dag een rondje maakt langs alle deuren die naar de buitenwereld leiden. Altijd met zijn jas aan want je kan niet weten. Misschien is er één deur niet op slot en kan hij de vrije wijde wereld in. Deze dag is zijn geluksdag. De deur van de recreatiezaal staat op een kier. Hij stapt naar buiten en sluit, met een zachte klik, de deur. Niemand ziet hem gaan.

Het is ongeveer twee uur. Alle papieren die voor de maandafsluiting nodig zijn liggen klaar. Het is niet zijn favoriete tak van sport maar wat moet dat moet. Dan gaat zijn telefoon. ‘Verpleeghuis’ staat er in zijn scherm.
‘Met Anneke Simons. Wij hebben van uw vader geen melding gekregen dat hij door u is opgehaald. U kent toch de spelregels? Dit is voor ons heel verwarrend en veroorzaak onnodige onrust.’
Hij weet even niet wat hij moet zeggen. Natuurlijk kent hij de regels en tot nu toe heeft hij zich daar keurig aan gehouden.
‘Ik heb mijn vader niet opgehaald.’
‘Waar is uw vader dan?’
‘Ik hoop bij u….’
‘O….. ik bel u straks terug.’
‘Nee! Wacht! Wat is er aan de hand?’
‘Uw vader was niet bij het middageten en is ook niet op zijn kamer. We zijn er vanuit gegaan dat u hem heeft opgehaald maar er blijkt geen melding van te zijn. Uh…. Uh…. ik denk dat hij weg is.’
‘En nu?’
‘We gaan hem zoeken en melden zijn verdwijning bij de politie. Die kennen het klappen van de zweep dus die gaan naar hem uitkijken.’
‘Het is dus niet de eerste keer dat er iemand wordt vermist?’
Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Daarover kan ik geen mededelingen doen,’ zegt Anneke, ‘Ik bel u straks terug.’

Hij staart naar de papieren op zijn bureau. Dat wordt vanmiddag dus niks. Als hij alles bij elkaar pakt en in de kast legt, voelt hij zijn hart kloppen. Wat moet hij doen? Wat kan hij doen? Als een gek rond gaan rijden in de hoop hem te zien? Een man die altijd zijn eigen plan getrokken heeft is onvoorspelbaar in zijn gedrag. Er schiet van alles door zijn hoofd. Zijn vader is gek genoeg om terug te gaan naar zijn geboortestad Kampen. Misschien gaat hij naar de begraafplaats waar zijn moeder ligt en die hij node mist. Misschien gaat hij zoeken naar zijn oude school die al jaren geleden is afgebroken. Hij weet het niet en besluit om niets te doen. Afwachten is waarschijnlijk het beste. Hij belt zijn vrouw en ook zij denkt dat iets anders doen, zinloos is.

Na bijna twee uur gaat zijn telefoon. Een onbekend nummer. Hij neemt op en noemt zijn naam.
‘Met je vader. Ik sta in Haarlem en je moet mij komen halen.’
Voor hij iets kan zeggen wordt het gesprek beëindigd.
Oké. Wat nu? Naar Haarlem rijden? Hij belt die Anneke en vertelt wat er is gebeurt. Zo te horen is ze blij met het teken van leven en ze gaat het doorgeven aan de politie in Haarlem. Nee, meer dan dat kunnen ze niet doen.
Hij besluit om zelf de politie in Haarlem te bellen. Ja, ze weten er al van en als hij vraagt om hem, wanneer ze hem vinden, mee te nemen naar het bureau zodat hij weet waar hij is, maken ze bezwaar. Als hij niet vrijwillig mee gaat kunnen ze hem niet dwingen, klinkt het. Dat begrijpt hij maar hij kan ze overtuigen dat dit de beste manier is om hem te pakken te krijgen.

De uren gaan voorbij zonder enig teken van leven. Noch het verpleeghuis, noch de politie, noch zijn vader laat van zich horen. Dan, ’s avonds om 10 uur, gaat de telefoon.
‘Ja, met je vader. Waar blijf je?’
‘Papa! Ik weet niet waar je bent?’
‘Ik zit in een café en ze laten mij niet gaan!’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb geen geld!’
‘Goed. Hoe heet dat café?’
Hij hoort zijn vader vragen naar de naam.
‘Luister papa. Ik vraag aan de politie of ze jou daar ophalen. Ga met ze mee en dan kom ik naar het bureau. Dan neem ik je mee naar huis.’
Als hij zeker is dat zijn vader het heeft begrepen hangt hij op. Dan belt hij de politie in Haarlem en vertelt waar zijn vader is. Ze gaan hem halen maar wanneer hij weigert, kunnen ze niets doen. Die angst heeft hij niet. Zijn vader kan ook heel gehoorzaam zijn.

Hij stapt in zijn auto en rijdt naar Haarlem. Onderweg belt hij het verpleeghuis. Op de vraag wat hij in ’s hemelsnaam in die stad moet en hoe hij daar is gekomen zonder geld op zak te hebben, weet ook hij het antwoord niet? Het belangrijkste is dat hij terecht is.  Op het moment dat hij op het Rottepolderplein de afslag neemt belt de politie. Ze hebben hem en hij zit veilig in een cel.

Op het bureau willen ze natuurlijk van de hoed en de rand weten. Hij vertelt wat over zijn vader en waarom hij op die, normaal gesloten, afdeling zit. Dan vertellen ze hem dat hij in dat café een uitsmijter met een kop koffie heeft gegeten en dat de uitbater hem niet wilde laten gaan zonder geld te zien. Gelukkig hebben ze hem kunnen overtuigen dat hij te maken heeft met een ongevaarlijke gestoorde en dat hij naar die centen kan fluiten. Dat de man niet blij was moge duidelijk zijn.

Dan gaan ze hem uit zijn cel halen en vader verschijnt met een brede grijns op zijn gezicht en een boodschappentas die er behoorlijk gevuld uitziet. Ze nemen afscheid met welgemeende dankbetuigingen en als ze wegrijden vraagt hij:
‘Wat zit er in die tas?’
‘Boodschappen. Ik moest toch eten?’
‘En heb jij daarvoor betaalt?’
Zijn vader zwijgt en hij vraagt niet verder. Wie veel vraagt krijgt veel antwoorden en het beste is om in dit geval zo weinig mogelijk te weten.
‘Waar breng je mij naartoe?’
‘Naar je kamer natuurlijk.’
‘Dat wil ik niet. Ik wil bij jou wonen.’
‘Dat gaat niet pa. Als je bij mij woont kan ik je elke dag gaan zoeken. Voor ik het weet zit je op Schiermonnikoog of in Maastricht.’
‘Ja, dat kan maar zo.’

De rest van de reis zegt hij niets meer. Waarschijnlijk is hij teleurgesteld in het einddoel van zijn reis. In het verpleeghuis staan ze hem al op te wachten. Gelukkig doen ze heel vriendelijk en leiden ze de verloren zoon naar zijn kamer. Als hij vraagt hoe het mogelijk is dat zijn vader is ontsnapt, blijven ze het antwoord schuldig. Niemand heeft iets gezien en alle deuren waren dicht maar een nader onderzoek volgt nog. Dit willen ze niet nogmaals meemaken.

Thuis kijkt hij in de boodschappentas. Het is een gebruikte tas en hij zit vol met werkelijk lekkere dingen. Boterkoekreepjes, kletskoppen, koffie, een potje kaviaar, verpakte zoute haring, een kwart liter slagroom, een pot met augurken, een bos radijs en speklappen. Alle vragen die opkomen over het hoe en wat van deze lekkernijen zijn niet meer te beantwoorden. Eén ding is duidelijk: zijn vader weet wat lekker is.

 

 

¢ peter gortworst / maart 2020
foto: Proost & toast   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 3 reacties