Donker

De dollen van de roeiboot had hij die middag opnieuw dik in het vet gezet. Onder geen beding mogen die geluid maken. Het is nu een uur of negen en al goed donker. Zo geluidloos mogelijk stapt hij in de roeiboot. Dan duwt hij af en vaart weg. Het eerste stuk langs de fabrieken. Daar is weinig kans dat men hem ziet. Alle lichten die daar, voor de uitbraak van het virus, branden, zijn al lang uit. Kapot gemaakt, gesaboteerd of gewoon stuk. De vraag naar chocolade, koekjes of beschuit is geminimaliseerd. De distributie levert niet meer dan de meest basale voedingsmiddelen. Al het andere is verboden en dus staan de meeste fabrieken stil. Het ergste wat kan gebeuren, is dat een iets te fanatieke bewaker hem ziet maar die kans is zo klein dat hij dat risico wel kan nemen. Als de wand van fabrieken stopt en overgaat in de nieuwe huizen die daar aan het water gebouwd zijn, steekt hij over. Niet dat er vanuit de huizen gevaar te verwachten is. De rolluiken die de regering van nationale eenheid voor elke woning verplicht heeft gesteld, zijn allemaal vanaf acht uur dicht. Ook dat is plicht. Het braak liggende land aan de  andere kant is veiliger. Daar is riet gaan groeien en dat biedt meer bescherming. Als de eerste brug in het zicht komt, verstopt hij zich met de boot tussen het riet. De lantaarnpalen op de brug branden nog. Hij weet dat die om tien uur uitgaan en dat dan ook de controlepost op de brug de bomen sluit en de brug open zet. Niemand kan dan nog naar de andere kant. Ze lopen dan nog één ronde, schijnen met hun schijnwerpers over het water en gaan vervolgens weg. Als het donker en stil geworden is roeit hij vlak langs de kant naar de brug. Hij neemt niet de brede doorgang maar een kleinere aan de walkant en roeit niet gelijk door. Onder de brug wacht hij of er een geluid van boven komt. Niemand mag hem betrappen want op deze illegale activiteit staat, naast een lang verhoor en bezoek aan zijn ouderlijk huis, een behoorlijke gevangenisstraf. Allen al het feit dat hij op dit uur buiten is zonder geldige reden is al grond genoeg. Het zou zo maar kunnen dat ze hem aan gaan zien voor één van de Vrijen en als dat zo is kan het nauwelijks erger worden.

Het blijft stil en nog steeds langs de kant varend komt hij bij de spoorbrug. Die staat tegenwoordig standaard open voor het scheepvaartverkeer. Veel scheepvaartverkeer is er niet meer maar toch bleek het goedkoper om deze brug, voor de zeldzame keer dat er een trein rijdt, deze dan daarvoor toegankelijk te maken. Sinds de economie ingestort is door waanzinnige besluiten van de regering, rijden er nog nauwelijks treinen. Er wordt zelfs gezegd dat er op de snelweg een groene waas zichtbaar is van plantjes die door het asfalt heen groeien en het gekke is dat niemand daar verbaasd over is. Het land is het land niet meer. Toen het virus kwam volgde het ene verbod na het andere en nu weet niemand of het virus er nog is, hoeveel mensen er aan zijn gestorven of hoe lang dit alles gaat duren. Internet is er niet meer. Telefoon kan alleen nog via het vaste net en elk gesprek wordt onderbroken door een mededeling dat de regering meeluistert. De tv en de radio zijn ook aan banden gelegd en om de haverklap worden er toespraken uitgezonden van de minister-president die het volk vertelt dat ze moedig moeten zijn en zich aan de regels dienen te houden.

De houten voetgangersbrug wordt al jaren niet meer gebruikt en hij passeert deze zonder problemen. Dan komt hij op het grote water. Recht oversteken is hem te gevaarlijk en hij blijft dus langs de kant varen. Plotseling knipt er aan de andere kant van het grote water een schijnwerper aan. Onmiskenbaar de patrouilleboot van de politie. Met twee slagen van de spanen bereikt hij het kleine dijkje. Hij springt uit de boot en trekt deze tegen de kant omhoog. Met de spanen gaat hij aan de andere kant van het dijkje liggen en wacht af. Het geronk van de politieboot komt steeds dichterbij en het schijnsel van het zoeklicht aait over het water en de walkant. Hij hoort de schroef van de boot achteruit slaan als ze de roeiboot op de kant ontdekken. Stemmen klinken en langdurig blijft de schijnwerper de roeiboot belichten. Dan varen ze door en hij weet dat er op de terugweg een goede kans is dat hij ze weer tegenkomt.

Met enige moeite vindt hij de smalle sloot die naar de boerderij van Sinkeldam voert. De kleine vissteiger die Sinkeldam daar heeft gebouwd, is snel gevonden. Zacht fluit hij het herkenningsdeuntje. Het wordt beantwoord en dan verschijnt Aart, de zoon van de boer, op de steiger.
‘Is het goed gegaan?’ fluistert Aart vragend.
‘Ja maar ik moest eenmaal schuilen voor de verdomde politieboot. Heb je alles?’
‘Meer dan dat! Ik heb natuurlijk je varkensvlees, de boter, kaas en drie broden. Is dat genoeg voor de komende dagen?’
‘Wel als we niet meer vluchtelingen gaan bergen. Wat zit er in die kist?’
‘Geloof het of niet maar daar zit een zender in. Mijn vader kent een oude man die nog weet hoe je zoiets maakt. Je mag hem alleen gebruiken als het heel belangrijk is of in uiterste nood. Iedereen die een zender heeft van deze man kan je horen en jij kan iedereen beluisteren. Er zit een papier in waarop staat hoe het werkt, wanneer je mag zenden en hoe je een antenne maakt. Als je hem niet gebruikt, verstop hem dan. Het is zo illegaal als de pest en als ze jou er mee pakken heb je echt een probleem.’
‘Tjonge,’ zegt hij omdat het hem even aan woorden ontbreekt.
‘De Vrijen hebben er ondertussen ook een paar en het was vanavond behoorlijk druk met codeberichten. Het zou mij niet verbazen als er wat staat te gebeuren.’
‘Hoe is het verder?’ vraagt hij.
‘Ja, moeilijk. Morgen komen ze het vee tellen en dan is er nog weinig ruimte om wat te doen. We moeten nu al zo vaak nee verkopen aan al die mensen die aan de deur komen. Soms best wel zielig maar we kunnen gewoon niet iedereen van eten voorzien. Het wordt tijd dat er iets gaat gebeuren. Je kan dit land toch niet eeuwig op slot houden? Misschien moeten de Zweden maar weer brood gaan droppen’

Zacht fluisterend praten ze nog zeker een kwartier met elkaar. Dan keert hij de boot en begint aan de terugreis.

Hij volgt dezelfde tactiek. Dicht langs de kant varend en gebruik makend van de natuurlijke dekking. Zodra hij de laatste brug gepasseerd is, steekt hij de vaarweg over. Met een helse lichtflits en een enorme dreun ziet hij het brugdek van de laatste brug in het water donderen. Om hem heen plonsen brokstukken in het water. Met stomheid geslagen staart hij in het donker naar wat eens een brug had moeten zijn. Hij kan weinig  zien en als de golven, die ontstaan zijn door de vallende brug, zijn roeiboot laten schommelen, realiseert hij zich dat het beter is om er als een haas vandoor te gaan.  ‘De Vrijen hebben de brug opgeblazen!’ schiet het door zijn hoofd en hij voelt zich plaatsvervangend trots.

Het zoeklicht van de politieboot vangt hem als hij bijna aan de overkant is. De kleine lichtflitsen die uit de mond van het machinegeweer komen ziet hij nog. De knallen die daarbij horen, niet meer. Nooit meer.

 

© peter gortworst / maart 2020
afbeelding: exto.nl

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Donker

  1. Je roept een heel onheilspellend gevoel op. Knap! Nu maar hopen dat het geen werkelijkheid wordt.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s