Ze staat op een kratje voor de vitrine met de worsten. Hij kan er niet bij.
‘Kan je mij die boerenleverworst even aangeven?’ vraagt hij.
Ze draait haar hoofd en kijkt hem even aan. Hij ziet een prachtig, slank en zeer donker gezicht met parelwitte tanden en ogen waarin werelden verborgen liggen. Ze wijst naar een worst.
‘Deze?’
‘Eentje hoger.’
‘Deze dan?’
‘Nee, die daar links van ligt.’
Ze geeft hem de worst.
‘Uiteindelijk komen we er wel,’ zegt hij, ‘Dankjewel.’
Ze glimlacht breeduit. Haar hele gezicht doet mee. Zijn hart vergeet een slag en een lichte bibber trekt door zijn zevenenzeventig jaar oude knieën. Wat aarzelend loopt hij weg en probeert zich te herinneren welke boodschappen er nog meer gehaald moeten worden.
Ze zit bij de kassa en herkent hem. Weer die glimlach. Ze vist de worst tussen de boodschappen vandaan en vraagt:
‘Is dit echt de goede?’
Hij grijnst terug.
‘Wat nou als ik nee zeg?’
‘Dan ga ik hem even voor u omruilen.’
‘Dat hoeft niet hoor. Het is de goede.’
Hij betaalt met zijn pas.
‘Wilt u de bon mee?’
‘Ja graag.’
Er is nog geen andere klant die de boodschappen op de band heeft gezet.
‘Ik moet je even wat vertellen,’ zegt hij aarzelend, ‘Begrijp mij niet verkeerd. Ik bedoel niets raars, maar je hebt een prachtige glimlach. Als ik koning van Nederland word, neem ik jou voor een vorstelijk salaris in dienst en het enige wat je dan moet doen, is eenmaal per dag even naar mij glimlachen.’
‘Waarom?’
‘Omdat iedereen die jou ziet glimlachen daar heel gelukkig van wordt.’
Ze vouwt haar armen over elkaar en leunt op het kassablad.
‘Wanneer gaat dat gebeuren? Moet ik mijn baan hier al opzeggen?’
‘Nee, doe dat maar niet. Willem Alexander zit er nog wel een tijdje. Ik ben nu bijna tachtig en als hij vertrekt, ben ik al over de honderd.’
‘Dat gaat hem niet worden,’ concludeert ze, ‘Weet u wat? Elke keer als ik u hier zie, ga ik even naar u glimlachen.’
‘Top! Tot de volgende keer dan!’
Thuis ruimt hij de boodschappen op.
‘Weet je,’ zegt hij tegen zijn vrouw, ‘In de supermarkt werkt een meisje met een prachtige glimlach. Zo mooi, zo open. Bijna uitnodigend. Ik werd er helemaal blij van.’
‘Zo? En waarom moest ze naar jou glimlachen?’
‘Ze stond voor de worsten en ik kon er niet bij. Toen heeft ze die mij met een glimlach aangegeven.’
‘Hm. En hoe heet ze?’
‘Hoe ze heet? Dat weet ik toch niet?’
‘Had ze geen naamkaartje op?’
‘Geen idee. Niet op gelet, denk ik.’
‘Hoe zag ze eruit?’
‘Donker, bijna zwart.’
‘Ah! Die kleine dikke met die grote kont!’
‘Geen idee …..’ zegt hij naar waarheid, ‘Ik heb daar geen oog voor gehad.’
Ze is even stil en kijkt hem nadenkend aan.
‘Wat is er mis met mijn glimlach?’
Een unheimisch gevoel bekruipt hem. Een antwoord als ‘met jouw glimlach is niets mis’ zal hem niet helpen. Dat is te mager, nietszeggend bijna. Hier moeten woorden op een goudweegschaaltje gewogen worden.
‘Waarom zou een Rolls-Royce zich meten met een Ferrari?’ vraagt hij.
Ze knikt langzaam haar hoofd.
‘Ik neem aan dat ik de Rolls ben?’
‘Uiteraard.’
‘Oké, oké …. En niet om het een of ander; vrijdag doe ik de boodschappen.