Ouwe snoepert

Laten we hem Thomas noemen. Hij is ver over de tachtig en ligt het liefst in bed. Niet zo verwonderlijk want hij loopt slecht. Alles gaat schuifelend en zijn handen zijn continue op zoek naar houvast. Voor het eten moet hij zijn bed uit. Dat zint hem niet maar de verpleging is onverbiddelijk: bewegen is goed voor hem. En daarom staat hij minimaal drie maal per dag op om de onheilsweg naar het tafeltje met stoel te maken. Het spannendste moment is de oversteek van bed naar stoel. Dat is een halve meter zonder steun en die wordt met ware doodsverachting genomen.

Het is niet dat hij alleen slecht loopt. Hij is ook nauwelijks te verstaan. Oorspronkelijk komt hij uit Polen en heeft nooit de taal van dit land goed geleerd. Dat, en het feit dat hij zacht praat en belabberd articuleert, geeft natuurlijk problemen. De conversatie met artsen en verplegend personeel is tijdrovend, moeizaam en oorverdovend. De onhebbelijkheid om hard te gaan praten tegen iemand die je niet goed verstaat, is blijkbaar niemand vreemd.

Hij krijgt geen bezoek. De telefoon gebruikt hij om contact te houden met zijn zaakwaarnemer. In al die tijd dat we samen op de kamer liggen komt deze man één keer langs. Hij blijft, met zijn jas aan, bij het voeteneinde staan en is ronduit kortaf. Blijkbaar is dit bezoek een verplichting die zijn normale ritme verstoort. Omdat dit mij niet aangaat, verlaat ik de kamer en zoek mijn heil elders. Als ik terugkom zit Thomas op de rand van het bed en oogt tevreden.

Ik heb hem eenmaal kwaad gezien. Furieus zelfs. De dame van de thuiszorg is er beduusd van. Zij wil praten over een verpleeghuis waar hij, als man alleen zonder familie of verwanten, toch veel beter op zijn plek is. Een goede verzorging, eten hoeft hij niet zelf klaar te maken en er is voldoende aanspraak met andere bewoners.
Hoe ze het in haar hoofd haalt! Denkt ze nu werkelijk dat hij al zijn zuurverdiende spaarcentjes weg geeft aan iets als een verzorgingshuis? Hij woont al zo lang in zijn kleine appartement en de Poolse poetsvrouw komt elke dag langs. Die kost al meer dan genoeg. Als het lopen niet beter wordt kan hij altijd nog een elektrische scooter kopen en dat is niet zo duur als de rest van je leven in zo’n tehuis. Met een wegwerpgebaar stuurt hij haar weg en ligt zeker een half uur, pruttelend van kwaadheid, na te hijgen.

Hij is overtuigd katholiek. De zondagse mis, die via de tv wordt verzonden, volgt hij zittend in zijn bed. Hij prevelt alles mee wat een rechtgeaard gelovige dient mee te prevelen en wacht vol ongeduld op de hostie die door de nonnen in het ziekenhuis worden gebracht.

Tijdens één van de momenten dat ik de tijd en het geduld op kan brengen en hij besluit om wat duidelijker te praten, vraag ik hem of hij ooit getrouwd is geweest. Dat is hij niet. Kinderen heeft hij ook niet en uit zijn lichaamstaal begrijp ik dat er een geheim is.
‘Ben je homo?’ vraag  ik.
Het duurt even maar dan wordt mijn vermoeden bevestigd.
‘Dat weten ze hier niet!’ zegt hij dan. ‘Vertel het ze alsjeblieft ook niet!’
‘Ik houd mijn mond wel maar wat is er mis met homo zijn?’
‘Niet goed, niet goed,’ zegt hij hoofdschuddend.

Wat volgt is een verhaal van een verscheurt mens. Hij haat het om homo te zijn en kan zich mateloos ergeren aan mannen die elkaar in het openbaar kussen of hand in hand lopen. Dat hoort niet. Dat is onnatuurlijk en bovendien veroordeelt de kerk het ook.
‘Maar Thomas, wat is er mis als je voor een andere man warme gevoelens hebt? Dat is toch mooi?’
De verwarring is van zijn gezicht te lezen en het blijkt de worsteling van zijn leven te zijn. Schaamte en verlangen. Zeker weten dat jouw geaardheid fout is en toch, naar diezelfde geaardheid, hunkeren naar geborgenheid, aandacht en liefde. Hoe moeilijk kan een mens het zichzelf maken? Hoe triest kan jouw lot zijn?

Zo af en toe had hij een vriend. Opgedoken in een club in Nederland. Daar kennen ze hem niet en ‘Jullie hebben goede clubs.’ Zijn relaties waren van korte duur. Alles moest in het geheim. Van samen naar buiten of ergens heen, kon geen sprake zijn. Er zijn weinig partners die dat waarderen. Dat maakt dat de duur van zo’n relatie vaak beperkt is.

Zijn bekentenis maakt in ieder geval duidelijk waarom hij zo te spreken is over Andreas. Elke dag, na het avondeten, worden zijn voeten en kuiten ingesmeerd met een zalf. Hij geniet zichtbaar als Andreas dat doet en een verpleegster krijgt nooit zo een welgemeend bedankje als deze verpleger.

De dag dat Thomas naar huis mag. ’s Avonds is hij al begonnen met inpakken en er ligt, in de ruimte naast zijn bed, een onwaarschijnlijke stapel bagage. Als de taxichauffeur komt, krabt deze, bij het zien van de vracht, achter op zijn hoofd en vraagt dan of er iets van een kar is. Daarin wordt voorzien en Thomas in rolstoel met één weekendtas op schoot, wordt de gang ingereden. De chauffeur volgt, zorgelijk kijkend, met de kar.

Een half uur later komt Katrine, één van de verpleegsters, de kamer in en zoekt in de kasten van Thomas naar iets.
‘Is hij wat vergeten?’ vraag ik.
‘Hij denkt dat zijn huissleutel hier nog ligt. Ze staan in de regen voor een dichte deur en hij kan zijn sleutel niet vinden.’
‘O, die zit vast en zeker in één van die tassen of koffers.’
‘Mm, dat denk ik ook. Hier ligt ’ie in ieder geval niet. We gaan hem wel bellen dat hij nog maar eens goed moet zoeken.’
‘Laat Andreas hem bellen.’
‘O ja! Goed idee. Dat zal die ouwe snoepert vast plezier doen,’ grijnst ze met een knipoog om dan op zoek te gaan naar de gelukkige.

 

© peter gortworst / apr. 2020
foto: salzburg.info

 

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s