Kaviaar en luxe koekjes

Er heerst chaos in haar hoofd. Eigenlijk zou ze helemaal niet moeten werken maar je kan je collega’s niet zomaar in de steek laten. Haar man ligt thuis in bed met een griepje en voelt, net als alle andere mannen, zijn einde naderen. Dochterlief gaat morgen voor een week met school naar Berlijn en heeft natuurlijk nog niets ingepakt en van zichzelf weet ze dat ze te moe is en het liefst 24 uur zou willen slapen. Er wordt op het raam van de deur getikt. Opa Zwikker heeft zijn sigaar op en wil weer naar binnen geduwd worden. Roken kan hij als een schoorsteen maar zelf die rolstoel naar binnen rijden is te veel gevraagd. Ze duwt hem de recreatiezaal in en ziet nog net dat mevrouw Cornelissen haar kopje koffie met één maaibeweging van de tafel veegt. Consternatie alom en als zij op haar knieën zit om de scherven op te rapen schiet het haar te binnen dat zij achter opa Zwikker de deur waarschijnlijk niet heeft dichtgetrokken. Ze laat de scherven de scherven en haast zich naar de deur. Gelukkig. Die is dicht. Je moet er toch niet aan denken dat van jouw patiënten er eentje vandoor gaat.

Als je een vrij man in een gesloten afdeling zet maak je hem niet gelukkig. Hij weet best dat hij manisch is maar de medicijnen doen hun werk. Het is niet verwonderlijk dat hij als een gevangene, vele malen per dag een rondje maakt langs alle deuren die naar de buitenwereld leiden. Altijd met zijn jas aan want je kan niet weten. Misschien is er één deur niet op slot en kan hij de vrije wijde wereld in. Deze dag is zijn geluksdag. De deur van de recreatiezaal staat op een kier. Hij stapt naar buiten en sluit, met een zachte klik, de deur. Niemand ziet hem gaan.

Het is ongeveer twee uur. Alle papieren die voor de maandafsluiting nodig zijn liggen klaar. Het is niet zijn favoriete tak van sport maar wat moet dat moet. Dan gaat zijn telefoon. ‘Verpleeghuis’ staat er in zijn scherm.
‘Met Anneke Simons. Wij hebben van uw vader geen melding gekregen dat hij door u is opgehaald. U kent toch de spelregels? Dit is voor ons heel verwarrend en veroorzaak onnodige onrust.’
Hij weet even niet wat hij moet zeggen. Natuurlijk kent hij de regels en tot nu toe heeft hij zich daar keurig aan gehouden.
‘Ik heb mijn vader niet opgehaald.’
‘Waar is uw vader dan?’
‘Ik hoop bij u….’
‘O….. ik bel u straks terug.’
‘Nee! Wacht! Wat is er aan de hand?’
‘Uw vader was niet bij het middageten en is ook niet op zijn kamer. We zijn er vanuit gegaan dat u hem heeft opgehaald maar er blijkt geen melding van te zijn. Uh…. Uh…. ik denk dat hij weg is.’
‘En nu?’
‘We gaan hem zoeken en melden zijn verdwijning bij de politie. Die kennen het klappen van de zweep dus die gaan naar hem uitkijken.’
‘Het is dus niet de eerste keer dat er iemand wordt vermist?’
Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Daarover kan ik geen mededelingen doen,’ zegt Anneke, ‘Ik bel u straks terug.’

Hij staart naar de papieren op zijn bureau. Dat wordt vanmiddag dus niks. Als hij alles bij elkaar pakt en in de kast legt, voelt hij zijn hart kloppen. Wat moet hij doen? Wat kan hij doen? Als een gek rond gaan rijden in de hoop hem te zien? Een man die altijd zijn eigen plan getrokken heeft is onvoorspelbaar in zijn gedrag. Er schiet van alles door zijn hoofd. Zijn vader is gek genoeg om terug te gaan naar zijn geboortestad Kampen. Misschien gaat hij naar de begraafplaats waar zijn moeder ligt en die hij node mist. Misschien gaat hij zoeken naar zijn oude school die al jaren geleden is afgebroken. Hij weet het niet en besluit om niets te doen. Afwachten is waarschijnlijk het beste. Hij belt zijn vrouw en ook zij denkt dat iets anders doen, zinloos is.

Na bijna twee uur gaat zijn telefoon. Een onbekend nummer. Hij neemt op en noemt zijn naam.
‘Met je vader. Ik sta in Haarlem en je moet mij komen halen.’
Voor hij iets kan zeggen wordt het gesprek beëindigd.
Oké. Wat nu? Naar Haarlem rijden? Hij belt die Anneke en vertelt wat er is gebeurt. Zo te horen is ze blij met het teken van leven en ze gaat het doorgeven aan de politie in Haarlem. Nee, meer dan dat kunnen ze niet doen.
Hij besluit om zelf de politie in Haarlem te bellen. Ja, ze weten er al van en als hij vraagt om hem, wanneer ze hem vinden, mee te nemen naar het bureau zodat hij weet waar hij is, maken ze bezwaar. Als hij niet vrijwillig mee gaat kunnen ze hem niet dwingen, klinkt het. Dat begrijpt hij maar hij kan ze overtuigen dat dit de beste manier is om hem te pakken te krijgen.

De uren gaan voorbij zonder enig teken van leven. Noch het verpleeghuis, noch de politie, noch zijn vader laat van zich horen. Dan, ’s avonds om 10 uur, gaat de telefoon.
‘Ja, met je vader. Waar blijf je?’
‘Papa! Ik weet niet waar je bent?’
‘Ik zit in een café en ze laten mij niet gaan!’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb geen geld!’
‘Goed. Hoe heet dat café?’
Hij hoort zijn vader vragen naar de naam.
‘Luister papa. Ik vraag aan de politie of ze jou daar ophalen. Ga met ze mee en dan kom ik naar het bureau. Dan neem ik je mee naar huis.’
Als hij zeker is dat zijn vader het heeft begrepen hangt hij op. Dan belt hij de politie in Haarlem en vertelt waar zijn vader is. Ze gaan hem halen maar wanneer hij weigert, kunnen ze niets doen. Die angst heeft hij niet. Zijn vader kan ook heel gehoorzaam zijn.

Hij stapt in zijn auto en rijdt naar Haarlem. Onderweg belt hij het verpleeghuis. Op de vraag wat hij in ’s hemelsnaam in die stad moet en hoe hij daar is gekomen zonder geld op zak te hebben, weet ook hij het antwoord niet? Het belangrijkste is dat hij terecht is.  Op het moment dat hij op het Rottepolderplein de afslag neemt belt de politie. Ze hebben hem en hij zit veilig in een cel.

Op het bureau willen ze natuurlijk van de hoed en de rand weten. Hij vertelt wat over zijn vader en waarom hij op die, normaal gesloten, afdeling zit. Dan vertellen ze hem dat hij in dat café een uitsmijter met een kop koffie heeft gegeten en dat de uitbater hem niet wilde laten gaan zonder geld te zien. Gelukkig hebben ze hem kunnen overtuigen dat hij te maken heeft met een ongevaarlijke gestoorde en dat hij naar die centen kan fluiten. Dat de man niet blij was moge duidelijk zijn.

Dan gaan ze hem uit zijn cel halen en vader verschijnt met een brede grijns op zijn gezicht en een boodschappentas die er behoorlijk gevuld uitziet. Ze nemen afscheid met welgemeende dankbetuigingen en als ze wegrijden vraagt hij:
‘Wat zit er in die tas?’
‘Boodschappen. Ik moest toch eten?’
‘En heb jij daarvoor betaalt?’
Zijn vader zwijgt en hij vraagt niet verder. Wie veel vraagt krijgt veel antwoorden en het beste is om in dit geval zo weinig mogelijk te weten.
‘Waar breng je mij naartoe?’
‘Naar je kamer natuurlijk.’
‘Dat wil ik niet. Ik wil bij jou wonen.’
‘Dat gaat niet pa. Als je bij mij woont kan ik je elke dag gaan zoeken. Voor ik het weet zit je op Schiermonnikoog of in Maastricht.’
‘Ja, dat kan maar zo.’

De rest van de reis zegt hij niets meer. Waarschijnlijk is hij teleurgesteld in het einddoel van zijn reis. In het verpleeghuis staan ze hem al op te wachten. Gelukkig doen ze heel vriendelijk en leiden ze de verloren zoon naar zijn kamer. Als hij vraagt hoe het mogelijk is dat zijn vader is ontsnapt, blijven ze het antwoord schuldig. Niemand heeft iets gezien en alle deuren waren dicht maar een nader onderzoek volgt nog. Dit willen ze niet nogmaals meemaken.

Thuis kijkt hij in de boodschappentas. Het is een gebruikte tas en hij zit vol met werkelijk lekkere dingen. Boterkoekreepjes, kletskoppen, koffie, een potje kaviaar, verpakte zoute haring, een kwart liter slagroom, een pot met augurken, een bos radijs en speklappen. Alle vragen die opkomen over het hoe en wat van deze lekkernijen zijn niet meer te beantwoorden. Eén ding is duidelijk: zijn vader weet wat lekker is.

 

 

¢ peter gortworst / maart 2020
foto: Proost & toast   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Kaviaar en luxe koekjes

  1. Manuela zegt:

    Heerlijk verhaal weer. Geniet er elke keer weer van.
    2 correcties in een paar zinnen:

    In de zin beginnende met Consternatie is het woord de teveel.

    Hij weet het niet en het besluit om niets te doen.
    In deze zin staat het woord het er teveel.

    Like

  2. Wat een prachtig verhaal weer. Heel mooi beschreven. En ik denk dat het zo maar eens op waarheid gebaseerd kan zijn.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s