Het meisje en meneer van der Eik

Ze heeft vooraf goed op de kaart gekeken en opgeschreven hoe ze rijden moet. Netjes en overzichtelijk onder elkaar. Niet dat ze snel verdwaald maar je weet maar nooit en in zestig jaar kan er veel veranderen. Op de snelweg ziet ze dat het dorp, haar geboortedorp, al op het blauwe bord van de ANWB staan. Nog een paar kilometers en dan is zij er.

Hij heeft haar meer lief dan hij durft te zeggen. Zijn eerste kind en een kind naar zijn hart. Onbevangen, open, het hart op de tong en een durfal. Een robbedoes van het zuiverste water met ongekende kwaliteiten. Heeft hij moeite om de koeien op stal te krijgen dan vraagt hij haar te helpen. Een kind van zes en er is geen koe die niet naar haar luistert. De hond doet alles voor haar en het varken gaat al op haar zij liggen als ze het kot instapt: er wordt weer gekroeld. Dat ze van dieren houdt is wel duidelijk. De kleine boerderij is haar wereld maar er is meer dan dit. Dat weet ze en dan vraagt ze. Vaak weet hij de vragen te beantwoorden maar net zo vaak niet. Soms zijn het kinderlijke vragen maar voor hetzelfde geld vraagt ze iets waar hij geen antwoord op heeft. Waarom gaat een mens wel naar de hemel en een koe niet? Met wie trouwden Kaïn en Abel als zij de kinderen van de eerste mensen op aarde waren? Als de ruimte steeds groter wordt, in wát wordt het dan steeds groter? Vragen die niet alleen hem maar ook zijn vrouw af en toe tot wanhoop drijven. Vragen die komen op momenten dat hij het niet verwacht. Als zij op zijn schoot zit en de trekker stuurt bijvoorbeeld. Hoe kan je dan in een paar zinnen vertellen hoe het komt dat er seizoenen zijn? En dan de alles overtreffende vraag: Waarom?

De kerk is er nog. De bakker niet. Natuurlijk had ze verwacht dat er veranderingen hadden plaatsgevonden en de nieuwe huizen aan de rand van het dorp hebben aan die verwachtingen voldaan. Maar ook de bestrating. Geen klinkerweg meer maar asfalt. Voorbij de kerk moet ze rechtsaf en vroeger ging daar de klinkerbestrating over in een onverharde weg. Het huis van opoe Buntsma was het laatste huis wat nog aan de klinkerweg lag. Opoe is al jaren dood en het huis is herbouwd. Ze is er voorbij gereden zonder het te herkennen. Nog twee kilometer en dan zou daar de oprit naar hun oude boerderij moeten zijn.
Drie verticale vlaggen staan rechts van de oprit. Links een groot bord met de naam van het vakantiepark. Het weiland waar de pinken graasden en waar de overbuurman zijn knol mocht laten weiden is een grote parkeerplaats geworden en de boerderij is verbouwd. ‘Receptie’ ziet zij op het bord staan en een rood-witte slagboom belet haar, als ze dat al zou willen, de weg.
Ze heeft de auto in de berm gezet en kijkt. Niet voor de eerste keer valt de kneuterigheid van dit land haar op. Alles is afgebakend, ordelijk en klein. Ook hier. Het is kleiner dan wat zij zich herinnert. Volwassenen hebben dat wel vaker maar bij haar komt het sterker binnen. De weidsheid van het Canadese land maakt dat je groot gaat denken. Daar is ze volwassen geworden, getrouwd, kinderen gekregen en weduwe geworden. Haar wens om nog eenmaal haar geboorteland te zien, het dorp met de kleine huisjes en het boerderijtje van haar ouders waar ze zoveel mooie herinneringen aan heeft, is mogelijk gemaakt door haar kinderen. Ze is hen daar innig dankbaar voor en geniet met volle teugen van de tijd in haar geboorteland. Het Rijksmuseum heeft ze al gezien. De Zaanse Schans ook maar het Achterhuis, Den Haag en Madurodam staan nog op haar lijstje. Vandaag niet. Vandaag is ze hier en natuurlijk voor meneer van der Eik.

Dat zal je altijd zien. Als die dekselse meid nodig is om iets te doen is ze er niet. Ze zal wel weer in het bos zijn en op laatste moment binnen komen rennen. Wie dekt er nu de tafel en prikt er in de aardappelen? Zij moet helpen met melken en hoe graag ze het ook zou willen, koken en melken gaat niet samen.
‘Ga het bos in en zoek je zus!’ commandeert ze haar broertje.
Gehoorzaam vertrekt het ventje. Het gaat haar niet snel genoeg.
‘Rennen!’ roept ze hem toe en de klompjes klikklakken over het erf.

‘Wat is er in het bos te doen?’ vraagt haar vader als ze aan het eten zijn. ‘Je bent er de laatste tijd zo vaak en zo lang.’
Ze zwijgt en slaat haar ogen neer.
‘Nou?’
Even flitst er een gedachte door zijn hoofd. Ze zal toch geen vriendje hebben? Ze is nog maar negen!
‘Ze zat bij een boom met twee konijnen en een hertje,’ klikt het broertje.
Een klein grommend geluid ontsnapt uit haar keel. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich.
Haar vader zegt niets. Zolang het geen vriendje is maakt het hem niet uit.
‘Leuk,’ zegt moeder maar meer wil zij er ook niet over kwijt. Er zijn belangrijker dingen.

Het begint op te vallen. Zij en dieren hebben iets met elkaar. Ze weet ook niet hoe dat komt en al helemaal niet hoe bijzonder het is. Het is begonnen toen ze op een mooie dag het bos ingelopen was. Bij de grote eik is ze tegen de stam gaan zitten en de boom begint tegen haar te praten. Niet echt maar ze hoort in haar hoofd zijn stem en ze antwoordt door terug te denken. Dat gaat zo vanzelf dat het haar niet eens verwondert. Het is gewoon zo. ‘Mijn Nootje’ noemt hij haar. Hij leert haar dat zij, door te denken, ook kan praten.
‘Het hoeft niet altijd met herrie of wat jullie spraak noemen,’ zegt de boom. ‘Ik wordt soms horendol van al mijn bladeren als de wind er te hard doorheen waait,’ vertrouwt hij haar toe.

Hoe vaker ze bij de boom komt hoe meer ze leert over dat denken. Ze begroet hem altijd met ‘Dag meneer van der Eik’ en dan weet ze dat hij een beetje moet glimlachen. Meneer van der Eik is al heel oud. Meer dan 250 jaar en als je zelf negen bent is dat een niet te bevatten getal. Het grote voordeel is dat hij veel heeft meegemaakt en veel weet. Al die kennis probeert hij in dit meisje te stoppen want tot nu toe is zij de enige die de gave van zo kunnen denken heeft. Talloze mensen hebben tegen zijn stam gezeten maar nog nooit was er één die hem kon verstaan. Hij prijst de dag dat zij kwam. Ze maakt hem gelukkiger dan hij al was en vol ongeduld wacht hij elke dag op haar komst. Zelfs als je meer dan 250 bent kan een dag soms lang duren. Hij vertelt haar dan zij ook met dieren kan denken en om dat te bewijzen heeft hij een konijn gevraagd te komen als zij er ook is. Het begin was niet makkelijk weet ze nog. Het gaat met horten en stoten, denkfoutjes en misverstandjes maar al doende leert ze. Genoeg dieren om mee te oefenen en zo kan het gebeuren dat de waakhond die altijd aan de ketting ligt, haar denkt ook wel eens lekker te willen rennen. Ze maakt hem los en ze gaan samen het weiland in. De hond weet van gekkigheid niet hoe hard hij rennen moet, hoe snel hij kan wenden en keren en hoe ver hij springen kan. Hij rent en blaft de adem uit zijn lijf en als vader komt kijken wat er aan de hand is, weet hij niet wat hij ziet. Die hond moet vals en waaks zijn en zeker een meisje van negen zou op moeten passen voor zo’n hond. Hij verstopt zich een beetje en ziet dan dat zijn dochter de hond meeneemt naar het erf. Het beest loopt als een eendenkuiken achter de moeder aan. Dan legt ze hem weer aan de ketting. Alles zonder één woord te zeggen. Hij weet niets anders te bedenken dan ‘bijzonder’.
‘Hoe is het?’ denkt ze de volgende dag tegen de hond.
‘Spierpijn,’ moppert het beest, ‘Maar graag nog een keer als ik weer een beetje normaal kan lopen.’
‘Doen we,’ belooft ze.

Het denken met dieren geeft ook problemen en ze vraagt meneer van der Eik om raad.
‘De muizen zijn bang voor de kat, het varken weet dat ze dood gemaakt gaat worden en dat maakt haar verdrietig en de koeien willen weten waar hun kinderen zijn,’ denkt ze.
Meneer van der Eik heeft niet direct een antwoord.
‘Ik heb in mijn leven al miljoenen kleine eikeltjes geproduceerd,’ denkt hij, ‘Soms konden er een paar groeien maar die werden dan meegenomen omdat er iets van leer gelooid moest worden. Heel veel eikeltjes zijn opgegeten door de eekhoorns, de wilde zwijnen of ze zijn verstopt door de gaaien. Ik heb daar geen verdriet van. Zo gaat het nu eenmaal. Muizen zijn voedsel voor katten, slangen, vossen of uilen. Varkens zijn voedsel voor de mensen en koeien gaan nu eenmaal het huis uit. Net als mensen. Soms zijn ze zelf het voer en soms geven ze de mensen voer. Wie dat ooit bedacht heeft, als het al bedacht is, weet ik niet. Ik weet wel dat het al mijn hele leven zo is’.
Het antwoord bevalt haar niet maar als meneer van der Eik geen beter antwoord heeft, komt het misschien nog wel.

Via het vakantiepark kan ze het bos niet in. Ze rijdt een klein stukje door omdat daar een pad was dat het bos inloopt. Het pad is er nog maar de slagboom is nieuw. Ze zet de auto in de berm. Als ze uitstapt twijfelt ze of ze haar rollator of alleen haar stok mee zal nemen. Het wordt de stok. Meneer van der Eik mag niet weten dat er iets als een rollator is.

Ze herkent het bos niet. Alles is natuurlijk zestig jaar ouder geworden en kijk naar jezelf: jij bent ook niet meer dezelfde. Nieuw is wel alle rotzooi die ze ziet liggen. Overal liggen papiertjes, blikjes of flesjes. Dat was vroeger toch wel anders, mompelt ze in zichzelf.

Meneer van der Eik is er nog. Majestueus staat hij daar. Ook zestig jaar ouder maar dat is hem niet aan te zien. Met moeite gaat ze zitten en leunt met haar rug tegen zijn stam.
‘Dag meneer van der Eik,’ denkt ze.
Verbeeld zij het zich of ging er werkelijk een schokje door de boom?
‘Mijn Nootje!’ juicht meneer van der Eik, ‘Je bent terug!’
‘Ja en hoe is het met u?’
‘Ik heb op je gewacht. Je vertelde toen dat je met je ouders weg ging naar dat verre Canada en dat het heel lang kon duren voor je terug kwam. Ik ben zo blij dat je er weer bent! Je bent echt terug gekomen. O wat fijn. Wat een mooie dag!’
‘Ik ben terug gekomen om u te zien en om u te bedanken. Ik heb mijn hele leven plezier gehad van wat u mij geleerd heeft.’
‘O vertel, vertel!’

Ze begint bij het begin. De bootreis naar hun nieuwe land, de eerste jaren van bittere armoede, het kleine boerderijtje wat ze konden huren en hoe het hen langzaam beter ging. Haar vader vertrouwde haar blindelings als zij vertelde welke koe hij wel en welke hij niet moest kopen. Het vele werk wat, naast haar opleiding, gedaan moest worden,
‘Wat heb je geleerd?’ denkt meneer van der Eik.
‘Ik ben dierenarts geworden, samen met mijn man.’
‘Dom van mij. Ik had het kunnen weten.’
‘Als ik u niet had leren kennen, was ik het misschien niet geworden. U heeft mij geleerd om met dieren te denken en u kunt zich voorstellen wat voor een voordeel dat is geweest. Er kwamen mensen met hun dieren uit heel Canada maar ook uit Amerika. O, ik zou u oneindig verhalen kunnen vertellen van wat de dieren en de eigenaren mij zeiden. Vaak een wereld van verschil.’
‘Weten ze dat je met dieren denkt?’
‘Nee, niemand. Mijn man wist het niet en mijn kinderen weten het ook niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik keek wel uit. Voor je het weet ben je een heks en gaan ze over je schrijven of godbetert kom je op tv. Ik heb het alleen mijn vader vertelt toen hij dood lag te gaan maar hij wist het al. Hij was er trots op dat hij het zelf had ontdekt maar hij heeft ook zijn mond gehouden.’

Tijd gaat snel voorbij als je het goed hebt met elkaar. Het is al bijna donker als ze moeizaam opstaat.
‘Ik ga weg,’ denkt ze.
‘Ja, het is tijd. Kom je nog een keer terug?’
‘Als ik dood ben. Ik heb voor mijn kinderen alles opgeschreven zodat ze weten wie u bent en wat mijn grote geheim is geweest. Ik wil dat ze mijn as hier, om u heen uitstrooien. De coördinaten en de omschrijving staan ook op papier. Ik kom dus terug maar of wij dan nog met elkaar kunnen denken weet ik niet’.
‘Tja, daar heb ik ook nooit over nagedacht maar het is mooi dat je bij mij wilt zijn. Ik zal op je wachten maar maak alsjeblieft geen haast.’
Ze spreidt haar armen uit en drukt zich tegen de oude stam.
‘Dag lieve meneer van der Eik.’
‘Dag Mijn Nootje,’ en met bovennatuurlijk kracht laat hij zijn bladeren even ritselen.

 

 

 

© peter gortworst / dec 2019
afbeelding www, pinterest.co.kr

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

6 reacties op Het meisje en meneer van der Eik

  1. Wat schrijf je toch mooi!

    Geliked door 1 persoon

  2. Dank je (zei hij lichtjes blozend)

    Like

  3. Mies Huibers zegt:

    Peter, dank je. Wat een schitterend verhaal en wat prachtig verteld.

    Geliked door 1 persoon

  4. En wat een mooi compliment. Jij ook bedankt, Mies.

    Geliked door 1 persoon

  5. Wilma Phillipson zegt:

    Peter, wat een prachtig verhaal heb je daar geschreven.

    Geliked door 2 people

  6. Ellie Schmitz zegt:

    Ontroerend en heel mooi verhaal, Peter! Heb genoten en alsof ik erbij was, zo goed geschreven.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s