Nu er toch iets van ‘winter’ blijkt te bestaan is het volgende artikel misschien wel passend:
Ik ben in het gelukkige bezit van een kookboek. Bijna 400 pagina’s dik en er staan heel veel recepten in. Achterin een lang hoofdstuk met de titel: “enige grepen uit de algemene kooktechniek”. Dat is een leerzaam hoofdstuk. Ik wist bijvoorbeeld niet dat fijn griesmeel een kooktijd heeft van 5 minuten maar dat je voor grof griesmeel het dubbele moet rekenen. Boekweitegrutjes ( zo schrijven ze het echt) vragen zelfs 15 minuten! Ook nieuw is de wetenschap dat je vis, waarvan het vel niet eetbaar is, moet stropen en uiteraard moet je de buikholte tot op de graad schoonmaken en de kieuwen verwijderen. De vishandelaar kan dat ook doen maar je dient de vis dan echter nauwkeurig na te zien.
Het boek is van kort na de oorlog. De schrijfsters vermelden in hun ‘ten geleide’ dat zij geen rekening hebben gehouden met de distributie omdat, naar zij hopen, dit in de toekomst niet nodig zal zijn. Ze noemen zelfs room en slagroom en zolang deze nog niet verkrijgbaar zijn, kan men ongezoete, gecondenseerde melk gebruiken.
Het boek ademt een tijdgeest. Als er boter gebruikt moet worden, is dat echte boter. Melk is nimmer halfvol. Zout en suiker worden rijkelijk toegediend. In een recept van Zuring (wie kent dat nog?) wordt gerept over 6 gram zout, 20gram boter en 60 gram suiker. Dit wordt toegevoegd aan de gekookte groente en dan wordt het kookvocht nog gebonden met 10 gram aardappelmeel. Zuring a la crème!
Kooktijden zijn niet meer van deze tijd. ‘Al roerend 20 minuten koken’ staat er doodleuk. Rijst gaar laten worden in een hooikist: 1 uur. Kooktijd rode kool: 35 minuten! Ongekende tijden in het leven van nu. We doen het nu met een kooktijd van 8 minuten voor de rijst. Hebben steaks a la minute en zelfs een kant-en-klaar stoomgerecht wat voor 7,5 minuut de magnetron ingaat, duurt ons al te lang.
Toch gebruik ik het boek. Niet elke dag maar wel voor speciale gelegenheden. Wat je vroeger als een vanzelfsprekend gerecht op tafel zette, is nu een bijzonderheid en dat maakt het gebruik van dit boek leuk. Voor de vaste afnemers van ‘mijn’ erwtensoep valt het afscheid van de zomer minder zwaar als ik ze beloof om hen, bij de eerste vorst, een pan soep te doneren.
Bij deze de letterlijke tekst van het recept. Let op de hoeveelheden: een grote pan ( 5 liter) is echt nodig.
0,5 kg groene erwten of spliterwten
1,5 liter water
1 mergpijp (laat ik altijd weg)
0,5 kg knieschijf van het varken of 300 gram spek (ik gebruik speklapjes)
1,5 liter water
0,5 kg aardappelen
1 kg prei
1 selderijknol
2 bosjes selderij
0,5 liter melk
20 gram zout
Peterselie
De erwten wassen en met 1,5 liter water 12 à 24 uur laten weken.(vooruit denken dus!!) De mergpijp, het vlees of het spek opzetten met 1,5 liter water en ongeveer 1 uur zachtjes voorkoken. De geweekte erwten met het weekwater er aan toevoegen en gaar koken (ongeveer 1 uur)
Uit eigen ervaring: Nu moet je oppassen dat de soep niet aanbrandt. Het beste is om de warmtebron te temperen. De erwten worden ook gaar als ze net tegen de kook aan zijn. Zeer regelmatig met een spatel goed over de bodem van de pan roeren, is beslist nodig.
De geschilde en in stukken gesneden aardappelen en de schoongemaakte, gewassen en gesneden groenten ongeveer 20 minuten laten meekoken. De mergpijp en het vlees of het spek uit de pan nemen, de merg uit het bot halen en in de soep doen. Het grootste gedeelte van het vocht afschenken maar bewaren. De massa fijn stampen (staafmixer gaat ook) en al roerende langzaam verdunnen met de erwtenbouillon en de melk. Het zout toevoegen. De soep ongeveer 10 minuten laten doorkoken. Op het laatst de peterselie fijn snijden en door de soep roeren. Het vlees of het spek bij de soep geven, desgewenst ook enige sneden brood.
Mijn variatie op dit recept: De speklapjes snij ik in kleine stukjes en voeg ik weer toe als de staafmixer zijn werk heeft gedaan. Bij het laatste doorkoken doe ik er, in plakjes gesneden, (grove) rookworst bij.

Eet smakelijk en mocht er animo zijn voor een recept van waterbaars, gestoofde kabeljauwstaart, patrijs met zuurkool, meiknolletjes, schorseneren of een trommelkoek, dan laat u dat maar weten.
© Peter Gortworst
foto: http://www.smulweb.nl
Voer voor de lange winteravonden: een goed boek!
Bezoek jouw boekwinkel of bestel via onderstaande links.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Bewoonde-huid

Een beetje waardering voor wat we doen is toch niet teveel gevraagd? Als u eens wist hoe veel goed men kan doen door zijn of haar waardering te laten blijken! Het is niet elke dag nodig, hoeft niet te pas en te onpas maar zo af en toe moet dat toch kunnen? Een beetje bewondering is trouwens ook wel goed.


Eén van zijn over elkaar geslagen armen wijst in de richting van zijn gezicht. Tussen de vingers van de hand klemt hij een dikke sigaar en met regelmaat neemt hij daar een paar trekjes van.
Sjaak kijkt angstig naar Ton en probeert, gebarend met kleine handbewegingen Ton te laten verdwijnen. Als dit niet lukt zegt Sjaak: “Deze mijnheer heeft interesse in onze nieuwe bus en ik ben zo vrij geweest om alvast wat informatie te geven. Misschien wilt u het overnemen?” Ton doet een stapje achteruit maar voordat hij iets kan zeggen bemoeit Koos zich er mee: “Deze jongen doet het prima. U bent hier niet nodig.” Ton loopt terug naar zijn kantoortje en de deur wordt met een klap dichtgetrokken.






Waar zelfs toegestaan wordt dat in de politiek met veel meer dan neerbuigende taal over jouw volk wordt gesproken. Het gaat er niet meer om of ‘wij’ er mee begonnen zijn of dat ‘zij’ de oorzaak zijn. Die ‘de kip of het ei’ discussie moeten we achter ons laten. Het is fout zoals het nu gaat.” Weer slaat ze met haar hand op de tafel: “Het is heel erg fout!”




“En is de mol dan …. uh, dood?” Ze durfde het bijna niet te vragen maar eigenlijk weet ze het antwoord wel. “Als het goed is wel,” antwoord de jongen monter, “en anders moet hij nog even een tik krijgen.”
“U heeft er ervaring mee, hoor ik. Welke kan ik het beste nemen?” De man parkeert zijn kar midden in het pad en bukt zich over de verzameling. Dan pakt hij er twee op en na een korte blik op beide laat hij een glimmend zwart gelakt exemplaar weer vallen. Met een rood hoofd komt hij weer overeind. “Deze moet je hebben. Kijk, je knijpt deze handels naar elkaar toe, laat dit pennetje er tussen door komen en haakt dat achter dit lipje. Dan zoek je de gang van de mol, zet de klem in de gang en dek het af met oude bladeren of gras. Elke dag twee keer kijken of de klem uit elkaar staat en als dat zo is heb je hem.” Als demonstratie spant hij de klem en als hij voorzichtig tussen de scharen het lipje indrukt, klapt de klem dicht. “Zo gaat dat.” Bijna trots houdt hij de klem omhoog. Ze is onder de indruk. “Is de mol dan meteen dood?” wil ze weten. “Tja, als ik ze vind zijn ze dood. Als je lijf zo in elkaar gedrukt wordt leef je niet lang meer maar of ze nou meteen dood zijn…… “ Hij staart een tijdje zorgelijk naar de klem.


Het zwaarste dat hij mag drinken is een glaasje rode port maar vanaf nu wordt dat helemaal anders. En hij zal zelf wel zijn havermoutpap gaan koken. Hij is oud en wijs genoeg om zelf te beslissen wat goed voor hem is en waar hij van wil genieten. Daar heeft hij zijn vrouw niet voor nodig. Wat denkt ze wel! In de wetenschap dat morgen alles weer ontnuchterend normaal zal zijn, geven we hem helemaal gelijk en zijn het zelfs hartgrondig met hem eens.
Hij draait zich naar haar toe en zegt:



Hij had het nest van Ekster gekregen maar het is hem te bewerkelijk. Het dak boven zijn nest is vervallen en omdat hij geen ervaring met daken boven nesten heeft was hij blij het te kunnen verkopen aan een gezinnetje van de Alpenkraaien. Die kunnen het makkelijk betalen. Zij verdienen goed met het verkopen van lekkere hapjes uit zuidelijke streken. Zij slijten hun waren op plaatsen waar men zich verpoost. Het is even wennen voor de traditionele eters maar zoals zo vaak neemt de jeugd het voortouw en nu hoort het lekkers er helemaal bij. Het is zelfs zo gewoon geworden dat een avondje stappen niet af is zonder een zuidelijk hapje halen bij de Alpenkraai.

We gaan op weg. Camperduin is geen badplaats van internationale allure en in het enige hotel is alles donker. Bij de basaltbergen aangekomen begint het wachten. Het is koud en met onze handen in de zakken kijken we naar het oosten. Daar wordt het langzaam licht. Vanuit het binnendijkse land horen we het te-piet te-piet te-piet van een paar scholeksters. Verder hoor je alleen de branding ruisen. Om half zeven schrijft Dick de tijd in zijn boekje. Na vijf minuten doet hij dat weer en na weer vijf minuten opnieuw. Er is nog geen vogel voorbij gekomen. Een paar minuten voor zeven komt er een groepje kramsvogels voorbij. Kort daarna twee kauwtjes en een houtduif. Dan weer niets. Een groep spreeuwen vliegt langs en we tellen er 75. Ze zijn nog niet uit het zicht verdwenen of daar komt de volgende groep spreeuwen. Een langgerekte sliert die we schatten op 300 vogels. Het houdt niet op. De ene grote groep volgt na de andere. Als het zo doorgaat komen we in de duizenden en we besluiten dat Ans en Robert alleen maar de spreeuwen gaan tellen. Henk en ik neem alle andere soorten voor onze rekening. Dick schrijft zijn vingers nog blauwer dan ze door de kou al zijn. Robert en Ans geven ongelooflijke aantallen door terwijl wij slechts af en toe iets roepen van: “Graspieper tien, Kneu vijf, nog twintig gras, drie roeken”



