O, shit…..

“Laat mij raden. Ik ben de eerste engelbewaarder die u ziet. Klopt dat? En? Lijk ik een beetje op wat u vooraf bedacht heeft? U denkt dat wij echt bedacht zijn. Dan is dit toch wel een verrassing, niet? Waar mijn vleugels zijn? Haha, ja dat denken jullie hè? Nee, je ziet het: geen vleugels. Het is ook niet handig om handen en vleugels te hebben.

Wat wij doen? Tja, laat ik zeggen dat wij, met beperkte middelen proberen erger te voorkomen. Een enge ziekte kunnen wij niet verhelpen maar we kunnen wel een hint geven zodat er een dokter bezocht gaat worden. Als iemand er over denkt om zichzelf van het leven te beroven, zoeken wij in de omgeving naar goede zielen die misschien iets kunnen doen. Gaat helaas vaak mis. Als we als engelbewaarders onder elkaar zijn, zeggen we wel eens “Als de hemel naar beneden valt zijn ze daar allemaal blauw.” Daar zouden wij bijvoorbeeld niets tegen kunnen doen. Een natuurramp is voor ons niet te behappen maar we kunnen wel voorkomen dat iemand struikelt en lelijk valt. Heb jij nooit gedacht ‘Oei, dat ging maar net goed’? Meestal is dat dan onze verdienste.

Nee, we zitten niet hele dagen op de schouder van onze klant. Als ze bijvoorbeeld slapen is het niet nodig om daar bij te zijn. Dan zoeken we elkaar op en dat zijn vaak gezellige uurtjes. Ik sprak laatst nog een collega. Die zit met dertien anderen in één huis. Vader. Moeder en twaalf kinderen. Dolle boel daar.

Neem nu die sukkel waar ik al zestig jaar voor moet zorgen. Die is alleen dus af en toe ga ik even de hort op. Zo spannend is deze klant niet. Hij is nu met zijn auto onderweg en hij heeft nog nooit een ongeluk gehad. Niet mijn verdienste hoor. Hij is gewoon voorzichtig en ik kan dus gewoon even wat anders doen. Met jou kletsen bijvoorbeeld. Mag eigenlijk niet maar het is wel gezellig toch?

Toch is mijn sukkeltje zo af en toe een ongeleid projectiel. Iets meer nadenken voordat hij iets doet kan geen kwaad. Ik weet het. IJdele hoop. Hij is gewoon zo en nu zeggen jullie dat verstand met de jaren komt maar bij hem komen wel de jaren maar niet het verstand. O, ik heb mijn handen vol gehad aan hem. Als jochie voer hij in een badkuip tussen de varende vrachtschepen door. Levensgevaarlijk natuurlijk. Of die keer dat hij in een hoge boom wilde klimmen waarvan ik wist dat er heel veel rotte takken in zaten. Ik heb hem op twee meter hoogte op zo’n tak laten staan. Die brak en hij viel plat op zijn rug. Adem halen kon hij even vergeten en dan leer je snel hoor. Of die keer dat hij te veel gedronken had en in een duinpannetje in slaap viel. Heb ik hem een beetje uit de wind gehouden. Niet te veel want hij moest natuurlijk wel goed ziek worden. Ook zo’n uitstekend leermoment. O, en fikkie stoken. Was hij gek op. Man, man, man, ik heb toch wat vlammetjes uit staan blazen. Mijn beste move was het fietsstuur overnemen in Limburg. Hij vond dat een afdaling op een fiets met slechte remmen wel kon. Toen hij in de gaten kreeg dat het niet goed zou gaan was het eigenlijk al te laat. Het is dat ik hem een rul zandpad op kon sturen anders had hij met zijn stomme kop in Slenaken via een blinde muur in de Gulp gelegen.

Vraagje: Jij denkt zeker ook dat er geen cupidootjes bestaan? Nou, die zijn er wel degelijk. Mijn sukkel was er al vroeg bij. Als ik zo’n pijl-en-boog-fladderaartje aan zie komen ga ik meestal even wat aan de kant. Ik heb een keer, per ongeluk, een voltreffer gehad en dat voel je echt wel. Bij ons heeft zo’n pijl geen effect maar bij mijn sukkel was het de eerste keer goed raak. Hadden ze samen bedacht om de vloer van het schuurtje te gebruiken voor een gezamenlijke ontmaagding. Condoom? Nooit van gehoord. Dus als je dan een half blik met terpentine van de werkbank duwt is de pret snel over en erger voorkomen. Nee, meestal ben ik er niet bij als dat soort intieme dingen gebeuren. Ik vind dat zo’n gedoe en zolang hij het gewoon op een veilige plaats doet ben ik echt niet nodig.

Maar hoe kom jij hier eigenlijk?

………..Hoezo dikke mist en de vierde auto in een enorme kettingbotsing?……….

O, shit….”

 

©peter gortworst / mrt 2016

foto: http://www.pinterest.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Katharina Wilhelmina Schweickhardt

 

Een brief die geschreven zou kunnen zijn….

De brief is verzegeld met haar signet. Een erfstuk van haar grootvader. Hij herkent de gestileerde ‘S’ die een duidelijke afdruk heeft achtergelaten in het schellak. Ze was er niet alleen aan gehecht maar het gegeven dat dit een oud en uniek zegel was uit háár familie, maakte het bijzonder. Zij had een eigen zegel en ze gebruikte dat alleen voor zeer speciale brieven.

Aan mijn man Willem Bilderdijk. Openen na mijn dood.

staat er onder het zegel geschreven. Hij verbreekt het en vouwt de brief open:

 

Lieve Willem,

 Het is, als ik dit vastleg, 15 december 1829. Ik heb getwijfeld of ik deze brief wel zou schrijven. Ik heb toch besloten om het te doen omdat ik niet weet hoe het mij zal vergaan. Nu kan ik het nog. Mijn verstand en lichaam laten het nog toe, maar ik weet dat over niet al te lange tijd, de dood op mij wacht. Bijna dagelijks voel ik mijn krachten afnemen.

Ik maak me ook zorgen om jou. Je hebt dan wel de leeftijd van de zeer sterken bereikt maar zo sterk ben je niet meer. Niet alleen je lichamelijk kracht vermindert maar ook bestaat het vermoeden dat jouw geestelijke kracht afneemt. Het wordt bijna dagelijks, door wat je doet of laat, versterkt.

 Je schrijft al geruime tijd niet veel meer. De bezoekjes van voormalige leerlingen, vakgenoten en notabelen zijn zeldzaam geworden. Goed dat er enkele vrienden over zijn die ons nog regelmatig bezoeken. We wonen hier nu twee jaar en jij doet niet veel meer dan af en toe wat schrijven, mij verzorgen, lezen in de Bijbel en de boeken van Jacob Cats.

Je bent somber geworden. Je teruggetrokken in je eigen wereld. Geloof mij als ik zeg dat ik het begrijp. Ons leven was niet gemakkelijk. De valse start is misschien wel de opmaat geweest van hoe ons gezamenlijke bestaan is verlopen. Lang heb ik geloofd dat al het onrecht ons aangedaan, al de gestorven kinderen, het eeuwige geldtekort en al de gemiste kansen hun oorsprong vonden in die valse start.

We hebben elkaar getrouwd met een onwettig huwelijk. Ik had naar mijn zuivere geweten moeten luisteren toen ik je leerde kennen maar de overrompelende en intense liefde die wij voor elkaar voelden, overstemde dat. Dat we Julius Willem in dat verre Berlijn hebben laten dopen onder onze valse namen is iets waar ik nu nog versteld van sta ‘meneer van Teisterbant!’  Het was niet fraai en zeker niet naar de wil van God. Samen wisten we zeker, dat God ons heeft gestraft voor ons handelen. We zijn zwaar gestraft en het enige wat ons, soms zelfs letterlijk, op de been hield was de Bijbeltekst dat God een mens nooit zo zwaar beproefd dat hij het niet meer kan dragen. We noemden dat ‘genade’ en die ‘onverdiende genade’  hadden we te danken aan de kruisdood van Jezus.

 

Mijn lief, ik geloof dat niet meer. Je weet dat ik drie jaar geleden, tijdens mijn zware ziekte, anders over geloven ben gaan nadenken en dat was niet mijn eigen verdienste. Het is mij aangereikt maar ik heb wat schroom om het een openbaring te noemen. Er zal vast gezegd zijn dat iemand, die zo dicht bij de dood is geweest, geestelijk een tik heeft gekregen. Een enkeling zal erkennen dat het een openbaring is geweest.

De goede God straft de mens en mensheid niet. Ook ons niet. Wat wij hebben ervaren als straf heeft andere oorzaken. Jij kan niet met geld kan omgaan en ik had daar geen zeggenschap over. Dat verklaart veel van de financiële zorgen. De gemiste kansen op interessante, invloedrijke en goede aanstellingen zijn te wijten aan jouw vermogen om op foute momenten lompe opmerkingen te plaatsen. Veel kennis is geen garantie voor goede omgangsvormen. Je bent niet altijd een prettig mens om mee om te gaan of mee te leven. Jouw halsstarrig vasthouden aan ‘God Nederland en Oranje’ heeft zich ook vaak tegen je gekeerd.

Zeg mij hoe het mogelijk is dat Jezus voor onze zonden gestorven is terwijl wij daar nog dagelijks onder gebukt gaan. Heeft Jezus het niet goed gedaan? Kijk om je heen! Mensen die een goddeloos leven leiden, gaat het vaak beter dan godvruchtige mensen. Wij krijgen ons loon na de dood. Wordt dat gezegd in de hoop dát het zo is of is het een verklaring die geboren is vanuit onze onwetendheid?

Ik weet nu dat God de mensen wil helpen om waarlijk mens te zijn. Ik heb sinds mijn openbaring gevoeld dat er ruimte om mij heen is. Ik kan adem halen en het verstikkende zondebesef, de krampachtige leefwijze in de ‘vreze des Heeren’ en nooit weten of je het wel goed doet, bestaat niet meer voor mij. Ik heb een liefde gevoeld die zo groot en zo onbaatzuchtig is dat zelfs onze liefde er bij in het niet valt. Onze liefde is een aardse liefde. Ik veroordeel die niet maar er spelen in aardse liefdes altijd andere belangen en verwachtingen mee. Bij ons was dat niet anders. Paulus schrijft over leven in raadselen en zien in een spiegel. Volgens hem is ons leven onvolkomen en later zullen wij volkomen kennen. Alle vragen worden dan beantwoord en het eerste wat ik ga vragen is waarom, op Lodewijk na, al onze kinderen zijn gestorven. God heeft het niet gedaan maar als iemand antwoord heeft op de vraag naar het waarom, is Hij het. Ik vind het jammer dat ik in onze gesprekken, je niet kon overtuigen van mijn geloof. Ook onze eigen predikant houdt vast aan dat, wat door de vaderen is geleerd en gaat gebukt onder het besef dat de mens slecht is en niet goed kán doen. Het is anders en ik gun je van ganser harte om ook bevrijd te worden van de last die jouw geloof je oplegt.

 

Ik ben je dankbaar voor alle goede zorgen. Het was, ondanks alles, fijn om met je ‘getrouwd’ te zijn. Mijn dood moet voor jou wrang zijn. Hij, die bijna zijn hele leven eigenlijk het liefste dood zou willen zijn, moet zijn 20 jaar jongere vrouw begraven. Misschien troost het je te weten dat ik niet bang ben voor de dood. Ik kijk er zelfs naar uit. Voel je om mij niet verdrietig. We zien elkaar weer maar hoe en in welk gedaante weet alleen de goede God.

 Groet onze zoon Lodewijk en zeg hem dat ik zielsveel van hem houd.

 Dag mijn lieve man.

Een laatste groet van jouw Katharina

 

Hij laat de brief zakken. Tijdens het lezen wisselden de emoties en gevoelens zich af. Hij voelde zich aangevallen en boos, glimlachte toen ze hem ‘meneer Teisterbant’ noemde en bespeurde zelfs jaloezie toen hij het gedeelte over haar nieuwe geloof las. Nu voelt hij alleen maar verdriet en gemis. Ze had gelijk. Zielsveel hielden ze van elkaar en gelukkig had hij haar nog laten weten dat het hem niet goed was gegaan, als zij er niet was geweest. In de laatste gesprekken die ze samen hadden, voelde hij dat ze hem ontsteeg. Het was alsof zij al op weg was en misschien was het geen toeval dat zij op paaszondag in zijn armen stierf. De Kerk viert de opstanding van Christus. Zij vierde haar eigen opstanding. Niet haar dood.

Hij pakt zijn Bijbel. Hij wil lezen met de ogen van zijn vrouw wat er staat over dat volkomen kennen. Hij is en blijft een wetenschapper die nu eenmaal alles wil weten.

 

©peter gortworst

foto: http://www.dbnl.org

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Mijn vader heeft een naam.

 

Veel van de ouderen die in een kring om het monument staan, kunnen zich de gebeurtenis nog als de dag van gisteren voor de geest halen. In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, is een ongeval met vijf doden een slag die allen raakt. Het was bijna vanzelfsprekend dat het voorstel om een monument op te richten, als herinnering aan die rampzalige dag, breed gedragen werd. Veertig jaren zijn voorbij gegaan en vandaag is het eindelijk zo ver. Het ‘Eigenlijk zouden we…’ is nu realiteit geworden. Er is gul gegeven. Het monument is klaar en betaald.

Hij kijkt de kring rond. De burgemeester die het monument zal onthullen, staat lachend te praten met de wethouder. Hij vindt dat niet gepast. Stoort zich er zelfs aan. Het is niet het moment om te lachen. Eén van de vijf mannen was zijn vader en straks, na de onthulling, mag hij de vijf namen noemen. Voor alle zekerheid heeft hij ze op een briefje geschreven maar eigenlijk is dat overbodig. Hij kan de namen dromen. Naast hem, op een campingstoeltje, zit zijn moeder. Hij legt zijn hand even op haar schouder, buigt zich voorover en vraagt of het gaat. Ze knikt en wacht met strakke lippen de gebeurtenissen af.

 

Vanaf het moment dat de volle omvang van de ramp duidelijk is, ligt er een dikke deken over het dorp. Alle vrolijkheid, al het plezier is weg. Het is de dag van het afscheid. De vijf kisten staan voor in de kerk. Hij zit met zijn moeder, zijn zusje en zijn broer voorin. Dat is bijzonder want hier zitten ’s zondags alleen de deftige heren met hun dames. Hij kijkt om en ziet dat de kerk helemaal vol is. Zelfs achterin, onder het orgel, staan mensen.

Als de dienst begint moet hij omhoog kijken om de dominee te zien. Hij weet dat je naar de dominee moet kijken als hij praat maar hij kan zijn ogen ook niet van de kist afhouden. Daar, die één na laatste kist, daar ligt zijn vader in, hebben ze gezegd. Het is niet in hem opgekomen om zelf te willen kijken en als het wel zo was dan zou zijn moeder het hem verboden zou hebben. Het is niet goed als een jongetje van zeven jaar zijn dode vader ziet.

 

Het was vaak verwarrend om de oudste zoon te zijn. Wel de verantwoordelijkheid als de oudste krijgen, het ook zo voelen maar niet mee kunnen beslissen. Moeder bepaalde hoe en wat. Streng, kortaf en zonder veel uit te leggen. Lichamelijk contact beperkte zich tot een draai om je oren en aan praten werd helemaal niet gedaan. Niet over gevoelens en zeker niet over zijn vader. Hij weet nog heel goed dat hij zijn moeder, jaren nadat het was gebeurd, vroeg om iets te vertellen over zijn vader. De summiere herinneringen van een kind waren hem niet genoeg. Hij had de behoefte gevoeld om meer te willen weten. Zijn er foto’s? Hoe was hij? Wat voor man was mijn vader? Ze heeft hem strak aangekeken met ogen die iets van boosheid in zich hadden en geen woord gezegd. Hij heeft nimmer geweten waar dit nooit praten over, dit dodelijke zwijgen vandaan kwam.

 

Het leven was hard maar je wist niet beter. Een te karig pensioen veroordeelde zijn moeder tot het aannemen van allerhande baantjes. Oom Rein, de buurman, heeft altijd zo goed als hij kon geholpen en zijn vrouw, tante Bep, zorgde voor hen als moeder aan het werk was. Het was, naar de maatstaven van nu, armoede en de diakenen van de kerk zaten niet voor niets regelmatig aan de keukentafel. Ze konden uiteindelijk alle drie doorleren en hij weet hoeveel offers daarvoor gebracht zijn.

 

De burgemeester was er niet toen het gebeurde en in zijn toespraak is dat te horen. Algemeenheden, holle frasen en obligate dankwoordjes. Dan onthult hij het monument, doet een paar passen achteruit en buigt diep. Goddank, niemand die het in zijn hoofd haalt om te applaudisseren.

Het is zijn beurt. Bij de microfoon gekomen wacht hij tot de vijf kinderen die een kaars op de sokkel zullen zetten, klaar zijn. Hij noemt de eerste naam en de eerste kaars wordt op de plaats gezet. Het is doodstil. Iedereen voelt de geladenheid van deze herdenking. De laatste naam is die van zijn vader en hij ziet zijn jongste dochter klaar staan. Ze gaat een kaars zetten bij het monument wat ook voor opa is. Een opa die ze niet kent en waar hij niets over kan vertellen.

“En als laatste, mijn vader, Leen Kloosterman.” Op het moment dat hij de naam noemt, dringt het tot hem door. Een steek in zijn maag laat hem bijna dubbelklappen. Hij grijpt de stang van de microfoon. De tranen lopen hem plotseling over de wangen en dan herpakt hij zichzelf. Vanuit een mengeling van trots, opluchting en bevrijding is het besef doorgedrongen: de naam van zijn vader is hardop uitgesproken. Voor het eerst sinds zijn begrafenis is zijn naam weer geroepen: voor iedereen hoorbaar, luid en duidelijk. Het zwijgen wat de doden doet vergeten, is verbroken. Zijn vader doet er toe en heeft een naam.

Hij kijkt naar zijn moeder. Ze is gaan staan en komt langzaam naar hem toe. Ze glimlacht met vochtige ogen en voor het eerst in hun leven omhelzen ze elkaar. Onhandig en onwennig maar met een belofte voor de toekomst.

 

©peter gortworst

foto: http://www.msn.com

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Kruisje

Hij is er met zijn kop nog niet helemaal bij. De slaap was onrustig geweest en verschillende malen onderbroken en dat is hij niet gewend. Het gebeurt niet vaak en een aanwijsbare oorzaak is er ook nu niet. Angstvallig probeert hij zich na zijn pensionering aan een dagritme te houden en dit soort nachten brengen het ritme in gevaar. Het zit hem nooit lekker als er een dag als los zand tussen zijn vingers door wegglipt. Hij is zich er terdege van bewust dat er voor hem niet zo veel dagen meer zijn. Als je 74 bent heb je de langste tijd op aarde wel gehad en daarom vult hij de dagen met dingen die belangrijk zijn. De tijd nemen om elke dag te poepen is er één van. In alle rust de natuur haar gang laten gaan en ondertussen de krant lezen is een dagelijks ritueel. Maar het ritueel is verstoord. Hij is de krant vergeten en net te laat om dat ding even op te halen.

In alle rust de natuur haar gang laten gaan als je zelf niets te doen hebt, valt niet mee. Hij zet zijn ellebogen op de knieën en legt zijn hoofd in de handen. Op het muurtje voor hem zitten lichtblauwe tegeltjes. Horizontaal 25 en verticaal 16. Hij probeert deze twee getallen te vermenigvuldigen maar komt er niet uit. Inspectie van de onderkant wasbakje leert hem dat daar ook wel eens een doekje overheen mag. Hij probeert het stopkraantje dicht te draaien maar het zit muurvast. Dan valt zijn oog op de verjaardagskalender. Februari heeft drie namen en achter twee daarvan, staat een kruisje. Leo staat op 2 februari. Zijn vriend en collega. Veel te vroeg gestorven aan uitgezaaide huidkanker. Dinie staat op de 21e. Gestorven aan ouderdom. Henkie op de 15e. Eén van zijn kleinzonen dus die kan nog wel even mee.

Hij weet het niet zeker meer maar volgens hem is zijn vrouw daarmee begonnen. Ze zette altijd al het geboortejaar bij een naam. Dat was makkelijk want dan kon je uitrekenen hoe oud iemand geworden was. Toen er steeds meer mensen uit hun kring dood gingen is zij ook het sterfjaar gaan noteren. Die gewoonte heeft hij overgenomen en achter de naam van zijn vrouw staat 2008 als sterfjaar. Door heel even vlug te gaan staan kan hij de kalender van het haakje wippen. Hij bladert tot hij augustus heeft gevonden en haar naam leest. Ze was nog maar 66 en lag ’s morgens zomaar dood in bed.

Pagina voor pagina slaat hij om en voor het eerst ziet hij hoeveel kruisjes er al staan. Hij weet het wel. Als je jong bent krijgt iedereen om je heen verkering. Vervolgens zijn er tal van verlovingen en trouwerijen. Dan een periode met heel veel zwangerschappen en kinderen en nu dus een fase met allemaal doden. Van de meesten weet hij de doodsoorzaak nog en gelukkig staat gewoon ouderdom op nummer 1. Verder een aantal die gestorven zijn aan kanker, Teun en Ellie die samen verongelukt zijn en van Jaap weet hij het niet zeker. Het zou best euthanasie geweest kunnen zijn maar zelfmoord sluit hij ook niet uit. Er werd nogal geheimzinnig over gedaan.

Eigenlijk is zo’n verjaardagskalender gedurende de jaren een mooi document geworden. Met voldoening constateert hij dat door een vergeten krant, hij de verjaardagskalender meer is gaan waarderen. Waar een slechte nacht al niet tot kan leiden.

De natuur is klaar met haar werk. Hij hangt de kalender weer aan het haakje en besluit om aan de keukentafel de krant te gaan lezen. De familieberichten zal hij overslaan. Vandaag al meer dan genoeg kruisjes gezien.

©peter gortworst / feb 2016

foto: http://www.schoolplaten.nl

Wil je meer van mij lezen? Een heel boek misschien?
Loop even binnen bij je boekhandel of bestel via
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode
 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 3 reacties

Stom wijf

Ze heeft het nachtlampje nog aan en zit half rechtop tegen haar kussen. Naast haar ligt Tom. Hij ligt op zijn zij en ze ziet alleen zijn steeds kaler wordende kruin. Hij snurkt en gewoontegetrouw geeft ze een stomp tegen zijn schouder. Ze weet dat hij nu een paar minuten stil is en normaal gebruikt ze die tijd om zelf in slaap te vallen. Soms lukt dat maar nu wil ze niet slapen. Ze moet nadenken.

De onrust, ontstaan door de onvrede, sluimert al een tijdje. Het zou best kunnen dat het te maken heeft met het vertrek van hun jongste zoon Tom junior. Hij heeft een leuk appartement gekocht in Utrecht en woont daar samen met Joost. Zij weet dat het een vlucht is. Weg van een vader die niet wil accepteren dat hij op mannen valt. Die het niet kan laten om opmerkingen te maken en die, toen hij vertelde dat hij in Utrecht ging wonen, alleen maar zei: “Ja, flikker maar op!” om vervolgens heel hard te lachen om zijn woordspeling.

Ze begrijpt Tom niet. Toen ze hem, jaren terug al, vroeg waarom hij zo liefdeloos tegen zijn eigen zoon was heeft hij haar alleen maar aangekeken. Boosaardig. Somber. Op haar vraag of hij teleurgesteld was kreeg ze geen antwoord maar hij kon het niet laten op te merken dat ze Junior niet als een mietje op had moeten voeden. Toen zij zich liet ontvallen dat zij hoopte dat Junior en Joost samen gelukkig zouden worden had hij alleen maar schamper gelachen. Hij wilde ook niet mee om het appartementje op te knappen en alle keren dat zij naar Junior en Joost ging, vond hij het nodig om nare opmerkingen te maken.

Tom, de linkse, ruim denkende idealist van vroeger is, naarmate zijn carrière zich ontwikkelt steeds rechtser geworden. Was eerst de VVD zijn partij, tegenwoordig is Geert zijn man. Zijn schimpscheuten tijdens het dagelijkse ritueel van  ‘Journaal kijken’ kunnen haar onaangenaam treffen. Zijn opmerkingen over dat verdronken jongetje op de waterlijn maakten haar werkelijk boos en toen zij er een opmerking over maakte kreeg ze zijn dooddoener voor de zoveelste keer om de oren: “Mens, wat weet jij er nu helemaal van? Ik ga het je ook niet uitleggen. Je snapt er toch niets van.”

Nee, ze had niet veel geleerd vroeger. Ze had zich bekommert om de kinderen, zorg gedragen voor het huis en het eten. Zorg gedragen voor Tom die elke dag een schoon en gestreken overhemd wilde en specifieke eisen had voor zijn lunchpakket. Die kwaad kon worden als er ’s avonds geen biertje in de koelkast lag. Die zelf bepaalde welke representatieve auto er gekocht werd die zij vervolgens schoon moest houden. Maar nu de kinderen het huis uit zijn is de onvrede en de onrust begonnen. De toekomst met Tom boezemt haar angst in. Alleen voor Tom en het huis zorgen, af en toe op bezoek bij de kinderen….. is dat alles of is er meer? Ze weet best dat zij zich weggecijferd heeft omwille van Tom en de kinderen. Het is nu eenmaal haar aard en het was haar eigen keuze maar daarom nog geen vanzelfsprekendheid. Het maakte haar gelukkig om te zien dat het Tom en de kinderen goed ging. Maar nu? Is het juist nu niet tijd om opnieuw keuzes te maken?

Als Tom aan het einde van de middag thuis komt hangt er geen etenslucht in het huis. De tafel is niet gedekt. Er ligt wel een briefje:

“Ik ben weg en ik weet niet of en wanneer ik terug kom. Ik ben onderweg naar Griekenland of Turkije. De vluchtelingen daar kunnen mijn hulp vast wel goed gebruiken. Jij weet dat ik goed kan zorgen en dat ga ik nu daar doen. Als ik aangekomen ben laat ik je het wel weten. Er staat eten in de koelkast. Vanaf morgen moet je het dus zelf klaarmaken maar dat kan je vast wel leren. Er liggen drie gestreken overhemden op het bed. Ik heb de helft van ons spaargeld op mijn rekening gezet dus maak je over mij geen zorgen. Je hoort nog van mij. Liefs.”

Hij ploft op de stoel en herleest en herleest het briefje. Met een mompelend ‘Godverdomme, stom wijf!’ drukt hij zijn opkomend gevoel van bewondering weg.

 

©peter gortworst / feb 2016

foto: nl.dreamstime.com

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Lentegras

En eindelijk is het dan zo ver. Alles en iedereen heeft op deze dagen gewacht. Krokussen, hyacinten en narcissen staan in volle bloei en de eerste bomen krijgen een groene waas van beginnend blad. In de parkvijver baltsen de eenden en een meerkoet zwemt met nestmateriaal in zijn snavel naar zijn stekje in het riet. Het is lente.

Op één van de bankjes bij de speelweide zit een ouder echtpaar. Zij heeft haar jas uit gedaan en geniet met blote armen van de warme voorjaarszon. Hij heeft zijn jas nog aan. “Nou Ans, zo warm is het nou ook nog niet,” heeft hij gezegd. “Voor je het weet loop je weer te snotteren.”

Op het gras voor hen zit een jong stelletje in kleermakerszit tegenover elkaar. Beiden hebben een smartphone in hun hand. “Wacht even,” hoort het echtpaar de jongen zeggen. Snel bewegen zijn vingers zich over het apparaat en kijkt dan naar het meisje. Ook zij maakt enkele bewegingen met haar vingers, leest en schiet in de lach. “Nu ik!” roept zij en met vlugge vingerbewegingen gaat zij over het scherm van haar smartphone. “Ja, duh!” zegt de jongen als hij haar tekst leest en het antwoord wordt al weer geschreven.

De man van het echtpaar zit het aan te kijken. “Snap jij dat nou?” vraagt hij aan Ans, “Ze zitten bijna met hun neuzen tegen elkaar aan en toch praten ze samen met zo’n telefoon. Is dat een spelletje of is dat tegenwoordig normaal?” “Ja Jaap, dat is tegenwoordig normaal,” weet Ans, “Onze kleinkinderen doen dat ook.” “Nooit niks van gemerkt,” bromt Jaap die niet weet dat zijn vrouw hun kinderen en kleinkinderen duidelijk heeft gemaakt dat opa Jaap en moderne techniek geen goede combinatie is. “Hij begrijpt het niet meer. De techniek is hem te snel gegaan en als hij daarmee geconfronteerd wordt gaat hij zich gedragen als een narrige brombeer. Doe het maar niet als je op bezoek bent” zei ze tegen hen. Het is tot nu toe goed gegaan. Niemand wil opa als narrige brombeer zien dus thuis heeft Jaap ‘nooit niks’ gemerkt.

Het jonge stel communiceert nog steeds via die ‘moderne techniek’ en blijkbaar is het laatste berichtje van de jongen een voltreffer. Zij leest, zegt “Ah, dat is lief” en geeft een kusje op het scherm. Hij buigt zich voorover en zij doet hetzelfde. Ze zoenen elkaar en het zoenen wordt gestaag inniger. Dan rollen ze om en liggend in het groene gras gaan ze verder. Zij legt één arm om zijn nek en met de hand van de andere aait ze over zijn achterwerk.

“Ja hoor. Moet dan nou?” moppert Jaap. “Je hoeft toch niet te kijken?” merkt Ans op, “Er zijn genoeg andere dingen te zien als je er niet tegen kan.” Hij zwijgt en gaat demonstratief een beetje schuin zitten.

De jongen is gaan staan en loopt naar een bankje. Het meisje heeft zich op de buik gedraaid en met haar hoofd in haar handen kijkt ze de jongen na. Die neemt een aanloopje, springt op het bankje en gaat op de rugleuning zitten. De boosaardige, sombere blik van opa Jaap ziet hij niet. Hij pakt zijn smartphone en stuurt een berichtje naar het meisje. Haar apparaat laat een boemboemmuziekje horen. Ze kijkt op het scherm en schud haar hoofd. Ze draait zich op haar rug en trekt haar knieën op. Weer stuurt de jongen een berichtje en de enige reactie die hij nu krijgt is een opgestoken middelvinger.

“Dat had jij me moeten flikken,” zegt Jaap. “Toen wij jong waren bestond dat gebaar nog niet eens,” zegt ze en iets zachter voegt zij daar aan toe: “Jammer genoeg.” Geschokt hapt hij naar adem. Hij wil boos reageren maar ze is hem voor. “Zit je er nou nog steeds naar te kijken?” Hij voelt zich betrapt en houdt zijn mond.

De jongen is opgestaan en loopt naar de rand van de speelweide. Het meisje kijkt hem na maar als de jongen achterom kijkt draait ze snel haar hoofd weg. Tot zijn grote verontwaardiging ziet Jaap de jongen een paar narcissen plukken. “Wel potverdikkeme! Kijk dan wat dat tuig doet!” Hij gaat staan om “Hé, laat dat!,” te roepen maar Ans kent hem en trekt hem aan zijn jas terug op de bank. “Blijf zitten. Wacht nou maar even af.” Onwillig gaat Jaap op het uiterste randje van de bank zitten. Klaar om direct in de benen te komen en dat tuig flink de waarheid te zeggen.

Met drie bloemen achter zijn rug loopt de jongen naar het meisje. Ze weet wat hij heeft gedaan maar kijkt nu bewust de andere kant op. De jongen knielt en het meisje gaat zitten. Dan geeft hij haar de bloemen. Ze neemt ze aan en steekt haar neus in de trechter van een bloem. Dan zoent ze de jongen en al zoenend gaan ze liggen. Haar been legt ze over de benen van de jongen. “Gaan we weer,” zegt Jaap. Ans zegt niets maar kijkt met een kleine glimlach naar het prille lentegeluk. Het jonge stel gaat staan en met de armen om elkaar heen lopen ze weg. Hij draagt de bloemen.

 

Jaap en Ans kijken hen na. “Wat was dat mooi,” zegt Ans met een zucht,  “En zo romantisch…..” Jaap kijkt peinzend naar de veters in zijn schoenen en vraagt dan: “Maar zo iets deden wij vroeger toch ook? We hadden er alleen geen telefoon bij.” Hè?” zegt Ans, “Wat zullen we nu krijgen! Zo was jij helemaal niet. Dit hebben wij nooit gedaan. Ik kan mij niet herinneren dat wij samen ergens in het gras hebben gelegen.”

Jaap laat bewust even een stilte vallen. “O nee,” zegt hij dan, “Dat was met Leentje.”

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.nl.dreamstime.com / http://www.flower-direct.nl / http://www.ideboda.nl

 

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Gewoon, een geel bloemetje….

Maandagmorgen, buiten is het grijs, de ene regenbui volgt de andere op, een harde wind laat de auto schudden en ik sta links in de dagelijkse file.  Over de vluchtstrook rijdt een takelwagen. Het kan dus wel even gaan duren. Ik zet de motor uit, leg mijn handen in de schoot, zet mijn voeten op de mat en kijk een beetje om mij heen. Rechts de grote wielen van een vrachtwagen, links de middenberm. Een gedeukt blikje, een plastic zak, gras en een klein geel bloemetje.

Waarom schiet mij, uit een ver verleden, een tekst door het hoofd? De letterlijke tekst ben ik kwijt maar het kwam er op neer dat een mens is als bloem in het veld. Als de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

Wat bezielt dat bloemetje? Het is nog geen lente en de middenberm van een autoweg is nu niet de meest geschikte plaats om hommels of bijtjes te ontvangen. Wat een pech om juist daar je wortels te hebben. Misschien moet er binnenkort weer gestrooid worden en zout is niet iets waar je goed tegen kan. Voor je het weet ben je kapot en vruchteloos ten onder gegaan. Zal de enkeling die weet van jouw bestaan, je missen? Ik ben bang dat de tekst waar is: niemand kent jouw plaats meer.

Maar met mensen is dat toch anders? In de vaste overtuiging dat je pas echt dood bent als je niet meer genoemd wordt, schrijven wij namen op talloze monumenten. Of het nu gaat om het WTC in New York, gedenkboeken van overleden gemeenteleden in verschillende kerken, het visserijmonument op Urk, necrologieën, bermmonumentjes langs vele wegen, een monument naar aanleiding van een vliegtuigramp, hardop gelezen namen van weggevoerden uit Westerbork…. opdat wij niet vergeten.

Zolang je genoemd wordt ben je niet vergeten. Hoe kwetsbaar je als bloem ook was, men kent jouw plaats nog. Maar hoe zit dat met al die verdronken mensen in de Middellandse zee? Een hier gestorven man zonder papieren omdat hij illegaal in ons land verbleef? De doden die omkomen bij de zoveelste bomaanslag? De kinderen die omkomen van de honger of zomaar spoorloos verdwijnen? De dakloze die in de vrieskou sterft?

Worden hun namen nog genoemd? Zij zijn toch ook gekend? Komt hun naam op een monument of in een herinneringsboek opdat wij niet vergeten?

Er staan heel veel gewone gele bloemetjes in middenbermen die zowel kwetsbaar als kostbaar zijn. Ze sterven en niemand kent hun plaats meer.

 

Het verkeer komt weer op gang. Ongeveer 3 meter na hectometerpaaltje 103,2 L staat een gewoon geel bloemetje. De volgende keer even kijken als ik er aan denk……

 

© peter gortworst / feb 2016

foto: http://www.wildebloemen.info

 

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Het opfriscongres

“Help! Een writer’s block”

“Gevaarlijke routine!”

“Nieuwe artistieke uitdaging?”

Deze wervende teksten hadden mijn aandacht getrokken toen ik de kleurrijke folder van het “opfriscongres voor beginnende schrijvers” las.

Aanmelden was niet nodig en verwachtingsvol betreed ik nu de zaal. Samen met drie andere congresgangers had ik meer animo verwacht. De verwachtingen zijn er nog wel maar hoe zal deze dag verlopen? Het zou best een persoonlijk karakter kunnen krijgen: opgaan in een massa van vier congresgangers valt niet mee.

 

De voorzitter van dit congres is een jonge man. Hij heeft de uitstraling van een ambitieuze vastgoedverkoper en blijkt een praktisch mens te zijn. Als hij drie tafels aan elkaar schuift vraagt hij of wij daar willen gaan zitten.

“Ik zal mij eerst even voorstellen,” zegt de voorzitter. Hij vertelt dat zijn naam Dirk-Jan Dirkzwager is en zijn functie is een Engelse term die zeer indrukwekkend klinkt maar mij verder niets zegt.

“De opkomst valt wat tegen. Wij, als vernieuwende en onderscheidende uitgeverij, dachten er goed aan te doen om dit congres te organiseren en, afgaande op het aantal ontvangen vragen en opmerkingen, waren onze verwachtingen hoog gespannen. Wij zullen binnen onze organisatie moeten evalueren waarom de opkomst zo teleurstellend is en wij ontkomen er niet aan om ons kritische vragen te stellen over het stukje zingeving en stimulans dat wij beogen.” Hij kijkt ons indringend aan. Geen van ons voelt zich gestimuleerd  om een zinvol stukje duit in zijn organisatorische zakje te doen. Wel voel ik een lichte bewondering. Dat je zulke lange zinnen zomaar uit je hoofd kan uitspreken!

“Ja,” zegt hij, “we gaan het even anders doen. De bedoeling was dat ik met een powerpointpresentatie de drie onderwerpen, het writer’s block, de routine en de nieuwe uitdagingen plenair zou behandelen met ruimte voor vragen en opmerkingen gevolgd door de lunch. U begrijpt dat daar nu niets van terecht kan komen. Ik stel voor het klein te houden en laten wij maar eens beginnen om elkaar even te vertellen wie wij zijn en wat onze schrijfervaring is. Ik begin met mijn buurvrouw aan mijn rechterhand.”

Met een elegant gebaartje wijst hij zijn buurvrouw aan. Een lange magere vrouw van ongeveer vijftig jaar kijkt ons met een vlugge oogopslag even aan en vertelt dan dat zij Dinie heet. Zij schrijft alleen maar gedichten over engelen, goede geesten en positieve gedachten. Als wij vragen of dat niet erg moeilijk is beaamt zij dat en het moeilijkste is nog om gedichten te laten rijmen. “Daar komt de routine om de hoek kijken,” meent de voorzitter, “En een nieuwe uitdaging kan een ander rijmschema of onderwerp zijn.” Een kleine paniek wordt zichtbaar in de ogen van Dinie en onbedoeld geeft zij invulling aan de vraag of nieuwe uitdagingen ook gevaarlijk kunnen zijn voor je artistieke carrière.

Dat valt Dirk-Jan niet op en onverdroten gaat hij verder naar de volgende. “En u bent….?” Hij kijkt naar mij. Ik noem mijn naam en vertel dat ik een onregelmatige producent ben van verhaaltjes die meestal over mensen gaan. “Ik heb wel vaak een idee maar dat moet eerst broeden. Als ik daar klaar mee ben, kan ik gaan schrijven en dan blijkt het vaak toch anders te gaan dan ik dacht. Een verhaal achterelkaar door schrijven lukt niet en elke keer als ik het herlees verbeter ik weer zinnen of woorden. Maar leuk vind ik het wel en het meeste plezie……”  “Vind jij mensen ook zo mooi?” onderbreekt Dinie mij. Als ik wil antwoorden grijpt de voorzitter in. “Sorry, dit is een rondje kennismaken. Over het schrijven zelf gaan we het nog hebben. Wie is de volgende?”

De man naast mij blijkt Arthur te heten en hij schrijft ook verhaaltjes over mensen maar met dit verschil dat hij schrijft over mensen die bij hem in de winkel komen. Omdat het een zaak is waar elektrische dingen worden verkocht, komt er in elk verhaal wel een wasmachine, televisie, dvd speler, krultang of strijkijzer voor. Trots laat hij ons weten dat er met regelmaat stukjes van zijn hand worden gepubliceerd in het personeelsblad en met enige jaloezie horen wij dat aan.

De laatste deelnemer is Beatrijs. Een jonge vrouw die elke avond, voor het slapen gaan, een verhaaltje verzint voor haar twee schatten van kinderen en deze verhaaltjes daarna op schrift zet. Ze heeft al een schriftje vol en is er van overtuigd dat een zekere Annie M.G. ze prachtig gevonden zou hebben.

Terwijl Arthur onze koffiekopjes vult, legt Dirk-Jan drie dartpijltjes op tafel. Hij prikt een paar pagina’s van een krant tegen een houten plaat van het podium. “Het is tijd voor onze eerste opdracht,” deelt hij monter mee. “We gaan een kort verhaaltje schrijven. Ieder van ons gooit drie pijltjes naar de kranten en de drie woorden die je raakt, zijn de woorden die het onderwerp vormen voor je verhaal.

Dinie gooit als eerste en blijkbaar is het goed raak. Samen met Dirk-Jan schrijft zij drie woorden op. Mijn beurt. Ik gooi en gespannen ga ik kijken:

Ivoren; Pas; Het.

Ik ga aan één van de vele lege tafels zitten en staar naar mijn woorden. Het bloed stijgt langzaam naar mijn hoofd. Met deze woorden kan ik nog geen titel maken. `Het ivoren pas` ´Pas het ivoren` zijn nog het meest logisch maar kunnen domweg niet. De bloeddruk in mijn hoofd wordt achter mijn ogen voelbaar. Als ik naar de woorden staar beginnen ze te trillen. Een verhaal. Een verhaal waar deze woorden in voorkomen. ´Ivoren´ heeft te maken met olifanten of orgeltoetsen. ´Pas` een tijdsaanduiding? Een uitdrukking in een spelletje? Een doorgang in de bergen? Hannibal!? Trok die niet met olifanten door de Alpen? Het woordje ‘Het’ kan ik altijd wel kwijt in een verhaal maar die andere twee? Ik ga rechtop zitten, adem diep en kijk om mij heen. De anderen zitten gebogen over hun werk. Zij wel. Dirk-Jan kijkt mijn kant op en ik voel mij een betrapte schooljongen.

Wat heb ik geleerd? Inhoud! Ik moet nadenken over de inhoud. Wordt het satire of cynisch? Het moet in ieder geval duidelijk zijn. Niet eentonig. Schrijf ik het in de bedrijvende vorm of de lijdende vorm? Ik moet zinnen schrijven waar variatie in zit, niet te lang en niet leeg. Hoe zat dat ook alweer met pleonasme en tautologie? Die formule om te kijken of het goed leesbaar is, hoe was die ook al weer? En dan het uiterlijk van mijn verhaalfiguur en wat voor perspectief…… Maar wèlk verhaal!? Ik hèb geen verhaal!!

Ik weet het niet meer. De dunne lijntjes op mijn werkblad zijn nu ook gaan trillen. Als ik mijn naam linksboven op het papier wil zetten trilt mijn pen een boodschap in morse door de zaal. Ik heb drie woorden maar geen verhaal en het ‘block’ dat ik voel beperkt zich niet tot een ‘writers’. Aan mijn kleine beetje routine heb ik niets en deze nieuwe uitdaging heeft een catastrofale invloed op mijn artistiek. Ergens in mij knakt er iets en als ik mij een beetje ken, zal dit ook aan de buitenkant zichtbaar zijn.

Ik ga staan. Leg mijn pen keurig naast het lege werkblad. Ik verlaat de zaal en iedereen ziet mij gaan. Ze kunnen niets meer voor mij doen. Een gebroken man gaat de grote buitenwereld en een onzekere toekomst in. Artistiek geknakt, een laatbloeiende maar veelbelovende korenhalm voortijdig gebroken, geblockt, geen carrière, geen verhaal……

The writer just left the building.

© peter gortworst

foto’s: http://www.opus.nl / http://www.erikhatch.org / http://www.futuredocsblog.com

 

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Zebra(pad)

Soms kan je door een simpel nieuwsbericht aardig in de war raken. Zo lees ik dat een zebra niets heeft aan zijn zwart-witte vacht als het op camouflage aankomt. Het maakt voor leeuwen en hyena’s geen fluit uit of ze wel of geen gestreept uiterlijk hebben. Sterker nog: pas op 50 meter afstand worden de strepen voor hen zichtbaar maar dan kunnen ze hun, soms vruchteloos vluchtende diner ook al ruiken. De wetenschappelijke theorie dat deze dieren door hun bontje minder goed zichtbaar zouden zijn is door Canadese onderzoekers om zeep geholpen.

Geen bericht waar je in verwarring van zou kunnen raken ware het niet dat mijn gedachten een link maakten met een zebrapad. Dat is geen nieuw soort amfibie maar een voetgangersoversteekplaats. Men wordt geacht, wanneer men de straat over wil steken, dit bij voorkeur te doen via een dergelijke oversteekplaats. De kans dat daadwerkelijk de overkant wordt gehaald zou vele malen groter moeten zijn dan de kans om bij Petrus op schoot terecht te komen. Maar als de oude wetenschappelijke theorie waar zou zijn geweest begrijp ik niet dat men ooit een oversteekplaats heeft gemaakt die in de vrije wildbaan als camouflerend werd gezien. Als voetganger zou je je knap ongemakkelijk moeten voelen. Werkelijk gezien worden door de aanstormende DKW’s, Simca’s en Wartburgers zal vaker te danken zijn geweest aan de oranje knipperbollen of wakkere klaar-overs.

De vleeseters zien een zebra net zo goed als een springbok, gnoe of gazelle en die zwart-witte tekening dus op 50 meter afstand. Voor het gemak ga ik er maar even van uit dat de gemiddelde automobilist in de stad iets verder kijkt dan die 50 meter en dat betekent dus dat voetgangers, gelijk de gnoe, springbok of gazelle gewoon gezien kunnen worden. In tweede instantie zal, wanneer de gemiddelde automobilist op de bewuste 50 meter is genaderd, hij hopelijk de zebra zien liggen.  Gelukkig hebben wij gezamenlijk de afspraak gemaakt dat voetgangers op een dergelijk stuk weg voorrang hebben. Het is aan deze afspraak te danken dat wij, meestal, ongeschonden de overkant bereiken. Voor mij was de gedachte aan deze afspraak bevrijdend: het maakte een einde aan mijn verwarring.

Heeft het zebrapad dan nog een ander nut dan een zichtbare herinnering aan een gemaakte afspraak? De Canadese onderzoekers vroegen zich af waarom zebra’s dan, ondanks de wegvallende wetenschap, toch een zwart-witte vacht hadden. Het blijkt dat ze, dankzij die vacht minder aantrekkelijk zijn voor verschillende stekende insecten. Daar ligt ons bescheiden voordeel. Het zebrapad als veilige vluchthaven wanneer u belaagt wordt door wesp of mug. We mogen de wetenschap wel dankbaar zijn.

 

©peter gortworst / jan 2016

foto: http://www.refdag.nl

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…        

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Earth’s woes

Meestal zijn mensen niet zo scheutig met mededelingen over hun lichamelijke of geestelijke welzijn. De ‘inner circle’ wordt, meestal slechts dan wanneer de noodzaak daartoe bestaat, op de hoogte gehouden maar volslagen onbekenden krijgen niets te horen. Voor hen geldt het snel gegeven antwoord “prima” op de vraag “Hoe maakt u het?” of variaties daarop zoals “Hoe is het?”

Oppervlakkigheid, luchtigheid en beleefdheidsfrasen vieren hier hoogtij. Voor je het weet ben je een hypochonder, zeurpiet of iemand die altijd wat te klagen moet hebben en, uitzonderingen daar gelaten, dat is niet iets wat je graag wilt. Het zou ook onverwachte effecten hebben. Neem alleen maar de duur van een gesprek. Ons maatschappelijk verkeer zou danig ontwricht raken als mensen serieus gaan vertellen hoe het werkelijk met hen gaat en dan ook nog een luisterend oor vinden. Obers die bij de klant even aan tafel gaan zitten om te horen dat de vrouw, die een kopje koffie met een gebakje wilde nuttigen, zich grote zorgen maakt over haar dochter. Een automonteur die een kwartier extra tijd op de rekening van de klant zet omdat het verhaal over de verschoven rugwervels gedeeld moest worden. De rechter die op het prevelend “Hoe maakt U het?” van de verdachte, deze deelgenoot maakt van de zorgen die hij heeft over de werkdruk en de vrees dat de, door de rechterlijke macht genomen veroordelingen, daardoor mogelijk minder zorgvuldig tot stand gekomen zijn.

Onze maatschappij is hier niet (meer) op ingericht en ja, je mag je afvragen of we daarmee gelukkig moeten zijn.

Ons welzijn delen wij met hen die dicht bij ons staan en hoe dichter bij, hoe gedetailleerder de mededelingen worden. Het is daarom opvallend dat er plaatsen en momenten zijn waar deze schroom of de terughoudendheid weg valt. Zonder zichtbare moeite worden er aan mensen die je amper kent en misschien nooit meer ziet, mededelingen gedaan over zichtbare en onzichtbare kwalen en worden zorgen en diepe gedachten gedeeld over ‘hoe straks’, relaties en levensverwachtingen. Eén van die plaatsen is de plek waar de min of meer mobiele patiënten van een ziekenhuis mogen roken.

 

Zo is daar Arthur. Een grote, forse man op leeftijd. Hij is in zijn eigen rolstoel naar het ziekenhuis gekomen. Zijn rechter onderbeen was hij al kwijt en nu is de houten broodplank met de punt op zijn linkervoet gevallen. “….en ik heb suiker, dus dan weet je het wel….” laat hij veelbetekenend weten. Ferdinand heeft nog één long en nu is er iets met zijn darmen zodat hij een kunstmatige uitgang heeft gekregen. De slonzige en lange Manfred stond op een keukenstoel en is ongelukkig gevallen. Een gecompliceerde breuk in de bovenarm was het resultaat en verdorie, wat is het nu lastig om een shagje te draaien. Bij Netty, een broodmagere jonge vrouw, moeten de medicijnen bijgesteld worden. Ze bleef maar afvallen en dat was niet de bedoeling.

“En dan wil je werken en dat mag je en kan je niet. Anderen kunnen dat wel en die willen niet,” zegt Ferdinand: “Ik ben toch nog veel te jong om de rest van mijn leven een invalide te zijn?” Netty valt hem bij: “Ik ben in mijn hele leven maar drie maanden werkeloos geweest en nu heeft mijn baas laten weten dat er voor mij geen plaats meer is in het bedrijf. Maar hij is nog niet met mij klaar! Volgens mij kan dat niet zomaar!” “Ik had mij mijn pensioen ook anders voorgesteld,” doet Arthur een duit in het zakje. “Mijn huis heb ik zelf jarenlang lopen verbouwen, is helemaal afbetaald en nu moet ik het verkopen. Wie houdt er nu bij verbouwen rekening met iets van rolstoelvriendelijkheid?”

De zon is doorgebroken en ik besluit het groepje te verlaten en een kleine wandeling te maken door de tuin van het ziekenhuis. Op een bankje zit een mooie jonge vrouw. Zij lacht mij vriendelijk toe en door een klein stukje opzij te schuiven laat zij mij uitnodigend weten om even naast haar te gaan zitten. We raken aan de praat en het blijkt dat zij morgen onder het mes gaat.

“Ik ben drager van het BRCA-gen en morgen halen ze de eierstokken weg. Dat maakt mij het dominosteentje wat uit de rij wordt gehaald en zo de val van de rest voorkomt. Nee, dat is geen makkelijke beslissing. Het heeft mij jaren gekost om tot dit besluit te komen maar nu weet ik het zeker. Wat moet ik, als ik ooit een dochter gekregen zou hebben, tegen haar zeggen? Sorry, ik wilde gewoon graag een kind maar de kans dat je kanker krijgt is heel groot en jouw dochters kunnen het ook krijgen? Denk je dat ze mij dankbaar zal zijn?

Ik heb besloten de lijn van mij en die van het gen door te knippen. Ik plant mij niet voort en dat gen dus ook niet. Opoffering? Ja, zo zie jij het misschien. Voor mij is het een voorkomen van een heleboel ellende. Weet je, er zijn genoeg stellen die kinderen willen en waarbij het heel moeilijk gaat. Die al of niet met kunstgrepen blijven proberen en blijven hopen. Bij mij is het duidelijk: het kan niet meer. Punt! En ben ik daarom ‘minder vrouw’? Hangt het af van het vermogen om kinderen te krijgen of je een volwaardige vrouw bent? Wat een onzin! O, er zullen vast nog wel momenten komen dat het niet hebben van kinderen pijn zal doen maar dat is het resultaat van mijn eigen keuze.

Bijkomend voordeel is dat ik minder kans heb om kanker te krijgen. Goddank heb ik een man die helemaal achter mij staat. Adoptie? Misschien maar dat is nu nog net een brug te ver. Hoezo ‘je bent bijzonder’? Kijk om je heen. Zie jij hier, of waar dan ook, één gewoon mens rondlopen? Iedereen wordt door het leven geraakt. Is het niet door je eigen leven dan is het wel door het leven van een ander.”

 

Ik mocht de volgende dag naar huis en nam afscheid van mensen die ik waarschijnlijk nooit meer zal zien. Thuis zocht ik het slotkoraal op van een Bachcantate. Oude woorden die een nieuwe, andere lading gekregen hebben.

 

Subdue us by Thy goodness

Awake us by Thy grace

that men whose hearts are weary

may life anew embrace.

And though earth’s woes be near us

Thy Spirit still shall cheer us.

All praise and thanks to Thee.

 

(J.S. Bach, uit BWV 22)

 

© peter gortworst / aug 2014

….mocht je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vinden, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Klusje van niks

Natuurlijk, veiligheid voor alles. Maar soms…..

 

Noordelijk van waar ik nu bijna ben, ligt niet veel Nederland meer. Onderweg naar een groot, nieuw bedrijf voor een klusje van niks. Mijn collega, die hier normaal de wegen onveilig maakt, is op vakantie en daarom is op deze warme en zonnige dag mij de eer te beurt gevallen hem te vervangen.

Een slagboom. Ik druk op de knop om mij te melden. “Goedemiddag. De bewaking. Wat kan ik voor u doen?” “Ja, de monteur voor het bedrijfsrestaurant……” Normaal is deze mededeling genoeg. Storingen in de keuken zijn prioriteit 1. Stel je toch eens voor dat het bedrijfsrestaurant niet dat klaar kan maken wat jij het liefste hebt. Hier gaat het echter niet normaal. “Moment alstublieft,” hoor ik en vervolgens gebeurt er niets. Ik wacht, half uit het raampje hangend op wat er nog gezegd gaat worden. De slagboom blijft dwars liggen en de speaker zwijgt stil. Wordt ik nu geobserveerd door camera’s? Willen ze mij betrappen op een schichtig om mij heen kijken met een verdachte blik, neuspeuteren of nog erger: voorbereidende handelingen die kunnen duiden op een aanslag? Ik druk maar weer eens op de knop. Nu willen ze mijn naam weten en nadat ik deze genoemd heb gaat de slagboom open. “Komt u verder,” klinkt het vrolijk. Iemand met zo’n naam kan blijkbaar niet gevaarlijk zijn.

Ik twijfel even of ik mijn koffer met gereedschap mee zal nemen. Het onderdeeltje wat gemonteerd moet worden is een slangetje van 5 cm lang en ribbeltjes in het midden. Net als een rietje in een flesje. De bedoeling is dat ik beide uiteinden over een pijpje schuif. Meer niet. Kan er zo bij en in principe heb ik geen gereedschap nodig maar ja, je weet nooit dus toch maar mee.

De balie is indrukwekkend. Achter de balie een meneer van de beveiliging en een dame op leeftijd. Ik zeg wat ik kom doen en noem de naam van mijn contactpersoon. Ze knikt. “Dat is de kok. Bent u hier al eerder geweest?” vraagt ze. Ik antwoord naar eer en geweten “Nee” en zie de schouders van de dame in de treurstand schieten. Alsof het haar persoonlijk raakt. Ze zucht even en zegt: “Dit gaat even duren. Ik wil graag uw veiligheidspaspoort en u mag de film gaan bekijken. Hier heeft u een vragenlijst die u, na het zien van de film, moet invullen. Loopt u maar even mee.” Mijn koffer met gereedschap laat ik staan. Die man van de bewaking zal wel te vertrouwen zijn.

Een kamertje, een stoel, een tafeltje en een groot beeldscherm voor mij alleen. Ze heeft de film gestart en ik leer veel over wat niet mag en wat beslist moet. Hoe ik een uiterst verdacht persoon kan herkennen en hoe de leidinggevenden hiervan in kennis te stellen, hoe gevaarlijke situaties te herkennen en melden, welke bevelen van mannetjes in hesjes ik moet opvolgen, hoe de verplichte looppaden op het terrein er uitzien, welke geluidssignalen belangrijk zijn en dat ik mij ten allen tijde vooraf moet vergewissen waar de noodwegen en verzamelplaatsen zijn.

Na ruim een half uur is de film afgelopen. Ik vul de vragenlijst in en meld mij weer bij de balie. Hoera! Geslaagd! Met een behoorlijke vlek van een stempel in mijn paspoort ben ik voorlopig welkom. Nu is het nog wachten op iemand van de beveiliging die mij naar de keuken zal brengen.

Het duurt even maar dan komt er een jongeman aanlopen in bewakingsuniform. Hij voert een geheimzinnig fluisterend gesprek met de andere meneer van de bewaking en af en toe kijken ze naar mij. Dat voelt ongemakkelijk maar uiteindelijk komt de jongeman, vriendelijk glimlachend, op mij af. “U wilt naar de keuken?” vraagt hij en voor mij kwalificeert hij zich daarmee voor het genootschap ‘wij stellen onbenullige vragen’. Ik knik slechts en volg hem. De keuken van het bedrijfsrestaurant blijk één verdieping hoger, recht boven de balie. Geen gevaarlijke installaties, zich verdacht ophoudende personen, verplichte looppaden, helm of beschermende kleding.

De jongeman wijst mij de kok en met een “U redt zich verder wel,” wil hij weer vertrekken. Dat kan ik nog net voorkomen. Ik leg kort uit dat ik meer werk heb aan het schrijven van mijn bon dan aan het repareren van het apparaat en dat hij maar even moet wachten tot deze vijf minuten durende operatie achter de rug is. Met het dreigement dat ik niet van plan ben te wachten op zijn komst om mij één trap naar beneden te begeleiden haal ik hem over. Zie daar. De redelijkheid wint het weer eens.

Het slangetje wordt over de pijpjes geschoven, de kok tekent mijn bon af, we lopen samen de trap af met de verplichte één hand aan de leuning en met een welgemeend “Tot ziens!” nemen we afscheid. De slagboom gaat vanzelf omhoog en na bijna anderhalf uur rijd ik het terrein af. Toch jammer dat het een garantieklusje van niks was.

 

© peter gortworst / jan. 2016

Foto’s: http://www.bedrijvenuitalmere.nl / http://www.gelukadvies.nl / pers.archief

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Erwtensoep van toen

Nu er toch iets van ‘winter’ blijkt te bestaan is het volgende artikel misschien wel passend:

Ik ben in het gelukkige bezit van een kookboek. Bijna 400 pagina’s dik en er staan heel veel recepten in. Achterin een lang hoofdstuk met de titel: “enige grepen uit de algemene kooktechniek”. Dat is een leerzaam hoofdstuk. Ik wist bijvoorbeeld niet dat fijn griesmeel een kooktijd heeft van 5 minuten maar dat je voor grof griesmeel het dubbele moet rekenen. Boekweitegrutjes ( zo schrijven ze het echt) vragen zelfs 15 minuten! Ook nieuw is de wetenschap dat je vis, waarvan het vel niet eetbaar is, moet stropen en uiteraard moet je de buikholte tot op de graad schoonmaken en de kieuwen verwijderen. De vishandelaar kan dat ook doen maar je dient de vis dan echter nauwkeurig na te zien.

Het boek is van kort na de oorlog. De schrijfsters vermelden in hun ‘ten geleide’ dat zij geen rekening hebben gehouden met de distributie omdat, naar zij hopen, dit in de toekomst niet nodig zal zijn. Ze noemen zelfs room en slagroom en zolang deze nog niet verkrijgbaar zijn, kan men ongezoete, gecondenseerde melk gebruiken.

Het boek ademt een tijdgeest. Als er boter gebruikt moet worden, is dat echte boter. Melk is nimmer halfvol. Zout en suiker worden rijkelijk toegediend. In een recept van Zuring (wie kent dat nog?) wordt gerept over 6 gram zout, 20gram boter en 60 gram suiker. Dit wordt toegevoegd aan de gekookte groente en dan wordt het kookvocht nog gebonden met 10 gram aardappelmeel. Zuring a la crème!

Kooktijden zijn niet meer van deze tijd. ‘Al roerend 20 minuten koken’ staat er doodleuk. Rijst gaar laten worden in een hooikist: 1 uur. Kooktijd rode kool: 35 minuten! Ongekende tijden in het leven van nu. We doen het nu met een kooktijd van 8 minuten voor de rijst. Hebben steaks a la minute en zelfs een kant-en-klaar stoomgerecht wat voor 7,5 minuut de magnetron ingaat, duurt ons al te lang.

Toch gebruik ik het boek. Niet elke dag maar wel voor speciale gelegenheden. Wat je vroeger als een vanzelfsprekend gerecht op tafel zette, is nu een bijzonderheid en dat maakt het gebruik van dit boek leuk. Voor de vaste afnemers van ‘mijn’ erwtensoep valt het afscheid van de zomer minder zwaar als ik ze beloof om hen, bij de eerste vorst, een pan soep te doneren.

Bij deze de letterlijke tekst van het recept. Let op de hoeveelheden: een grote pan ( 5 liter) is echt nodig.

0,5 kg groene erwten of spliterwten

1,5 liter water

1 mergpijp (laat ik altijd weg)

0,5 kg knieschijf van het varken of 300 gram spek (ik gebruik speklapjes)

1,5 liter water

0,5 kg aardappelen

1 kg prei

1 selderijknol

2 bosjes selderij

0,5 liter melk

20 gram zout

Peterselie

De erwten wassen en met 1,5 liter water 12 à 24 uur laten weken.(vooruit denken dus!!) De mergpijp, het vlees of het spek opzetten met 1,5 liter water en ongeveer 1 uur zachtjes voorkoken. De geweekte erwten met het weekwater er aan toevoegen en gaar koken (ongeveer 1 uur)

Uit eigen ervaring: Nu moet je oppassen dat de soep niet aanbrandt. Het beste is om de warmtebron te temperen. De erwten worden ook gaar als ze net tegen de kook aan zijn. Zeer regelmatig met een spatel goed over de bodem van de pan roeren, is beslist nodig.

De geschilde en in stukken gesneden aardappelen en de schoongemaakte, gewassen en gesneden groenten ongeveer 20 minuten laten meekoken. De mergpijp en het vlees of het spek uit de pan nemen, de merg uit het bot halen en in de soep doen. Het grootste gedeelte van het vocht afschenken maar bewaren. De massa fijn stampen (staafmixer gaat ook) en al roerende langzaam verdunnen met de erwtenbouillon en de melk. Het zout toevoegen. De soep ongeveer 10 minuten laten doorkoken. Op het laatst de peterselie fijn snijden en door de soep roeren. Het vlees of het spek bij de soep geven, desgewenst ook enige sneden brood.

Mijn variatie op dit recept: De speklapjes snij ik in kleine stukjes en voeg ik weer toe als de staafmixer zijn werk heeft gedaan. Bij het laatste doorkoken doe ik er, in plakjes gesneden, (grove) rookworst bij.

Eet smakelijk en mocht er animo zijn voor een recept van waterbaars, gestoofde kabeljauwstaart, patrijs met zuurkool, meiknolletjes, schorseneren of een trommelkoek, dan laat u dat maar weten.

© Peter Gortworst

foto: http://www.smulweb.nl

Voer voor de lange winteravonden: een goed boek!
Bezoek jouw boekwinkel of bestel via onderstaande links.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Bewoonde-huid

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , , , | 9 reacties

Moest het even kwijt….

“Laat vooraf één ding duidelijk zijn: wij zijn geen ‘stom scharminkel’. Wij zijn volmaakt! Niemand zal het zich kunnen permitteren om op- of aanmerkingen te maken over ons figuur om de simpele reden dat er niets op aan te merken is. Alle maten, alle verhoudingen en alle rondingen kloppen. Geen arm is te lang, geen buik te dik, geen bovenbeen heeft cellulitis, geen jeugdpuistjes en geen chagrijnig gezicht. Noem een lichamelijke onvolkomenheid en wij hebben het niet. Bovendien durf ik best te stellen dat de lichaamshoudingen die wij aannemen, onze perfectie alleen maar bevestigt. En probeer maar eens om heel lang, soms zelfs meer dan een volle maand, onbeweeglijk stil te staan. Wij kunnen het. Wij vinden het niet eentonig, wij gaan niet wiebelen, krijgen geen kramp of gaan ons vervelen. Wij zijn, en hopelijk is dat inmiddels ook voor u zonneklaar, perfect.

Ik merk dat u onder de indruk bent. Dat is ook de bedoeling. Het is voor iedereen wel eens goed om met vanzelfsprekendheden geconfronteerd te worden. Het verruimt en verdiept de blik. Het feit dat u na deze ontmoeting letterlijk iets verder kijkt dan de buitenkant, is voor ons pure winst. Als u eerlijk bent zal u moeten beamen dat men uitsluitend kijkt naar de kleding die wij aangemeten hebben gekregen. Dat begrijpen we wel en we realiseren ons terdege dat het niet om ons gaat maar om de boodschap die wij, bijna letterlijk, moet uitdragen. Maar toch…..

Weet u, de kapitein van een supertanker is blij en trots als men onder de indruk is van zijn schip. Als hij afmeert en men kijkt bewonderend naar de grootte van de schroef, de hoogte van het schip en de dikte van de kabels waarmee het aan de kade ligt, dan geniet hij. Maar denkt u niet dat hij, als de man die met een dergelijk gevaarte kan lezen en schrijven, ook niet eens bewonderend aangestaard wil worden? Hij heeft zijn trots en die hebben wij ook!

Een beetje waardering voor wat we doen is toch niet teveel gevraagd? Als u eens wist hoe veel goed men kan doen door zijn of haar waardering te laten blijken! Het is niet elke dag nodig, hoeft niet te pas en te onpas maar zo af en toe moet dat toch kunnen? Een beetje bewondering is trouwens ook wel goed.

Ja, ik hoor het u zeggen: “Zo had ik er nog niet tegenaan gekeken.” Dat is de goede opmerking in deze context. U kijkt wel maar ziet niet en dat is precies de bedoeling van onze makers. Het gaat niet om ons maar om wat we dragen. Wij zijn slechts een pop en worden, zo anoniem als mogelijk is, ten toon gesteld. Onze gezichten zijn onopvallend. ‘Nietszeggend’ zou ik bijna zeggen. Sommigen van ons hebben geen gezicht. Als ze geluk hebben zijn ze voorzien van een hoofd wat sterk doet denken aan een ei. De echt ongelukkigen onder ons zijn slechts een romp op een stalen buis. Geen hoofd, armen en benen. Hoeveel onderwaardering kan een pop verdragen?

Vroeger stelden we wat voor. De mannen hadden allemaal een stoere kop met een daadkrachtige kaakvorm en staalblauwe ogen. Mooie gekamde haren in een woest aantrekkelijke kuif en altijd een houding die daadkracht uitstraalde. De vrouwen waren echte dames. Stuk voor stuk met een goddelijk figuur. Toen keken de mannelijke klanten nog met plezier naar een etalage met dameskleding. Niemand kan tegenwoordig zo bevallig staan als de dames van toen en geloof me als ik zeg dat we dit vreselijk missen. Het enige wat toen afbreuk aan ons deed waren de naden in onze huid. Daar zaten de scharnieren en de lelijkste naad zat in de hals. Gelukkig hebben ze dat weten te verhelpen want bij enkelen van ons zaten de handjes wel heel erg los

Weet u wat nog een verschil is met vroeger? Als we toen andere kleding kregen werd het etalageraam afgeplakt. De etaleur kon, zonder dat er op zijn vingers werd gekeken, de etalage opnieuw inrichten en wij stonden niet voor Jan en Alleman naakt achter het raam. Nu is dat wel even anders. We hebben niets te verbergen en schamen ons niet voor ons figuur maar toch voelt het wat ongemakkelijk. Als je van iemand houdt doe je dat niet en misschien zit daar wel de essentie. Hoe kan het anders gebeuren dat één van ons als vogelverschrikker te werk is gesteld? Waarom is een collega van de lingerieafdeling verkocht aan die nieuwe bar in het centrum waar ze in een zeer bevallige doch nette houding boven de tap hangt? Het is toch volkomen absurd dat we als een idioot uitgedost, her en der in tuinen worden gezet omdat daar iemand vijftig blijkt te zijn geworden! Weet u dat we zelfs te koop worden gezet op Markplaats? Dat doe je toch niet! Dit is zo overduidelijk een gebrek aan respect en misschien moet ik wel zeggen dat het ronduit liefdeloos is.

Ik heb me wel eens afgevraagd of het te maken heeft met jaloezie. Wij zijn een klein schroefje in de motor die ‘Verkoop’ heet en als een klant iets heeft gekocht zijn wij ook blij. Maar, waarom wordt er met de vinger naar ons gewezen als blijkt dat een gekochte broek niet zo mooi valt als bij ons omdat de klant een joekert van een kont heeft?  Als wij een strak truitje showen wil dat toch niet zeggen dat de dame met een behoorlijke boezem dat ook kan dragen? Al die frustraties komen uiteindelijk op ons bordje terecht. Wij, de volmaakten, moeten het ontgelden omdat wij volmaakt zijn. Hoe krom kan het in het leven zijn! Nee, wij zijn anonieme creaties maar met dit soort zaken weten ze ons te vinden! Dan is die ‘stomme pop’ de oorzaak van hun miskoop. Ik vraag me af wie hier nu stom is.”

Ik had de etalagepop ondersteboven gelopen en weer rechtop gezet. Het ding stond midden in het pad en omvallen was onvermijdelijk geweest. “Stom scharminkel!” had ik gezegd en dat was dus verkeerd gevallen. Blijkbaar was het ding nu klaar met de preek en ik schoof het voorzichtig naar de zijkant van het pad. “Bedankt dat je even wilde luisteren,” zei het ding. Zonder iets te zeggen liep ik door. Als ik in een drukke winkel tegen een etalagepop ga praten, verklaren ze me voor gek en ik gun ze de lol niet als het waar zou blijken te zijn.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.winkelmaterialen-kopen.nl / http://www.beeldbank.zeelandseaports.com / http://www.tweedehands.nl / http://www.zaken.tweedehands.net

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Laat ons een ezel maken…

De eerste auto’s leken op koetsen met een hulpmotor. De eerste motorfietsen op een fiets met hulpmotor en de eerste robot-ezels op ezels met een hulpmotor. Zie daar de ontwikkeling en het vernuft van de menselijke geest.

Nu kan ik mij bij de ontwikkeling van de auto nog wel wat voorstellen om iets te maken van een koets met een motor in plaats van een paard. Veel voorbeelden van hoe het anders zou kunnen waren er niet. In een koets passen een aantal mensen en als je die gemotoriseerd van plaats A naar plaats B kan transporteren is dat een hele prestatie. Dat de auto anno nu, nog steeds vier wielen heeft en een bakje waarin je kan zitten, is eigenlijk merkwaardig. We hebben voortgeborduurd op wat we kennen. We stoppen er meer techniek in, meer knopjes, meer comfort, meer luxe en veiligheid maar het blijft dat bakje met die vier wielen. Ik vraag mij af of dit nu de meest slimme manier van vervoer is en zonder twijfel ben ik daarin niet de enige. Er zullen, ergens veilig verstopt, vast wel technici bezig zijn om nieuwe vormen van vervoer te verzinnen. En als die er dan eindelijk komt zal het grootste probleem van de introductie de weerzin tegen het nieuwe zijn. We kennen de auto met vier wielen, de infrastructuur is daarop ingericht, wij zijn er op ingericht en iets wat misschien over het aardoppervlak zweeft en waarbij je zelf niets hoeft te doen, kan ons (nog) niet bekoren.

Zouden de hoge piefen van de Amerikaanse Marine dat ook gedacht hebben toen ze opdracht gaven voor het bedenken van een pakezel? Die hebben vast een keer bij elkaar gezeten toen er iemand op het idee kwam om een soort gemotoriseerde pakezel te maken voor onze jongens en meisjes in het veld. Het woord ‘ezel’ is blijkbaar blijven hangen en met een tunnelvisie van honderden mijlen is men daarop doorgegaan. En in een tijd waarin er wagentjes over de meest onherbergzame oppervlakten van planeten rijden, er voertuigen zijn die zonder moeite in het meest ruwe terrein vooruit komen, er dingen zijn die zowel rijden als varen, de gemiddelde motor minder lawaai produceert dan een grasmaaier, elektrisch voortbewegen steeds gangbaarder wordt, drones in de speelgoedwinkel te koop zijn, bestellen deze heren een gemotoriseerde pakezel.

Als ze 32 miljoen dollar en 2,5 jaar verder zijn hebben ze een pakezel die niet voldoet. De motor maakt te veel herrie en is dus voor de vijand makkelijk te lokaliseren, reparaties zijn moeilijk en inzetten bij patrouilles wil ook niet echt lukken. Dan wordt er nog eens 10 miljoen tegenaan gesmeten om de motor stiller te krijgen en het beest/apparaat minder kwetsbaar voor kogels te maken.

De plannen zijn in de ijskast gezet en dat is maar goed ook. Ik zou mij als soldaat met zo’n ding in de ploeg zeer ongemakkelijk voelen. Je loopt toch compleet voor gek met een dergelijke ezel achter je aan? Het ergste lijkt mij nog de wetenschap dat je daar met dat ding in je kielzog loopt omdat jouw superieuren zelf van die stomme, ongemotoriseerde ezels zijn.

©peter gortworst/jan. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Sigarenrook

“Het is verdorie toch niet te geloven! Het hele weekend koud en nat en op de dag dat je moet werken wordt het warm en schijnt de zon.” Met een ontevreden gezicht kijkt Ton door één van de grote ramen naar buiten. Sjaak die net achter hem langs loopt met een stapel folders van de nieuwe bestelbus, hoort hem wel maar zegt niets. In de paar maanden dat hij hier, als jongste verkoper werkt, moppert Ton elke dag minstens drie keer en altijd is er één mopperbui voor hem. Is het niet een fout geknoopte stropdas dan betreft het wel een vlekje op een wagen in de showroom wat over het hoofd is gezien. Op zijn eerste werkdag deelde Ton hem mee dat het nog 23 maandan zou duren voordat hij met pensioen kon gaan. Inmiddels zijn dat er 20 en zo langzamerhand kijkt hij, net als Ton, naar dat moment uit. De naweeën van de economische malaise zijn in de cijfers nog duidelijk zichtbaar en heeft de werksfeer nog niet verbetert.

“Hoeveel offertes moeten er gemaakt worden?” roept Ton als hij naar het kantoortje loopt. “Twee. Ze liggen in het bakje!” roept Sjaak terug. Als hij even later het kantoortje inloopt zit Ton naar de papieren te staren. “Weer een nutteloze bezigheid. Deze klanten zijn net als zzp’ers begonnen. Die willen wel een nieuwe bus maar ze kunnen het nooit betalen. Ze hebben een air alsof ze een multinational leiden maar hun bank bepaald wat ze mogen uitgeven en dat is niet veel. Maar goed, veel anders is er voor mij ook niet te doen.” Hij zucht dramatisch diep en trekt het toetsenbord naar zich toe. Sjaak gelooft het wel en gaat met een poetsdoek de showroom in.

Hoe lang hij daar al staat weet Sjaak niet. Hij is zo geconcentreerd aan het poetsen dat de man, die buiten een stukje van het grote raam af naar hun nieuwste model staat te kijken, hem niet opgevallen is. ‘Een ouwe zwerver’ is het eerste wat Sjaak denkt. De man heeft een grijze haardos die in woeste krullen alle richtingen uitgaan. Een grijze baard van zeker drie dagen bedekt het oude en getekende gezicht. Hij draagt een gekreukt colbert met grijsblauwe ruitjes. Zijn donkergele overhemd staat gespannen om een omvangrijke buik. De drie bovenste knoopjes zijn los en onthullen een oerwoud van grijze borstharen. Ook zijn donkergroene broek is gekreukt en niet vlekvrij. Op de knieën zitten slijtplekken. Een paar pantoffels die wonderwel passen bij zijn colbert, complementeren zijn verschijning. Eén van zijn over elkaar geslagen armen wijst in de richting van zijn gezicht. Tussen de vingers van de hand klemt hij een dikke sigaar en met regelmaat neemt hij daar een paar trekjes van.

 

Hij loopt niet heen en weer. Hij staat daar en kijkt alleen maar. Als Sjaak als groet zijn hand opsteekt knikt hij even met zijn hoofd en loopt dan naar de ingang. ‘Heb ik dat?’ denkt Sjaak geschrokken, ‘Wat moet die man hier?’ Toch zegt Sjaak vriendelijk “Goedemorgen” als de man binnenkomt. De man knikt weer even en loopt dan rechtstreeks naar hun nieuwste bus. Puffend aan zijn sigaar loopt hij langzaam om de bus heen, trekt de achterklep open, bekijkt de passagierstoel en gaat tot slot even achter het stuur zitten. Dan wordt de wervende tekst op het reclamebordje bestudeert. Sjaak staat in grote twijfel. Wat moet deze zwerver hier? Er mag hier helemaal niet gerookt worden maar moet hij er nu wat van zeggen? Als de man hem naar de technische gegevens vraagt weet hij niet of serieuze antwoorden wel zin hebben. Hij vreest de mopperbui van Ton als deze man straks weg is en de stank van de sigarenrook in de showroom hangt. “We moeten even praten,” zegt de man en iets in de manier waarop hij dat zegt, maakt Sjaak alert.

Ze gaan aan een tafel zitten. De man stelt zich voor als Koos Zijlstra en als hij zijn stoel aanschuift kijkt hij zoekend om zich heen. Sjaak begrijpt dat de komst van een asbak gewenst is. “Ik pak even een asbak en wilt u ook een kopje koffie?” Dat wil mijnheer Zijlstra wel. Zodra de asbak en koffie op tafel staan vraagt de man: “Kost die bus?” “De uitvoering die hier staat zit net onder de 31000 euro.”  Koos Zijlstra zegt even niets en rolt zijn sigaar tussen de vingers. Hij neemt een paar behoorlijke trekken en als rooksignalen stijgen de wolken op. “Als ik de lange uitvoering wil met een dubbele cabine, een trekhaak, een goede radio en een handsfree ding om te kunnen bellen, wat kost hij dan?” “Dan zitten we al snel op de 35000 euro,” weet Sjaak.

“Allemachtig! Wat meurt het hier!” Met grote passen komt Ton uit zijn kantoortje. In de hoek met de meeste blauwe walm ontwaart hij Sjaak. Met een gezicht dat op donder en bliksem staat beent hij zijn kant op en op het laatste moment ziet hij de klant. Hij houdt even in en als Koos Zijlstra gaat staan om Ton een hand te geven monstert deze hem van top tot teen. De uitdrukking op zijn gezicht spreekt boekdelen en bij het zien van de pantoffels is het boek blijkbaar uit: de uitgestoken hand wordt niet beantwoord. Mijlenver verheven boven deze zonderling zegt Ton: “Wij hebben liever niet dat u hier rookt.” Koos gaat weer zitten, kijkt niet meer naar Ton maar zegt wel: “Daarmee laat u mij de keus om wel of niet te roken.” en demonstratief laat hij een paar rookwolkjes opstijgen.

Sjaak kijkt angstig naar Ton en probeert, gebarend met kleine handbewegingen Ton te laten verdwijnen. Als dit niet lukt zegt Sjaak: “Deze mijnheer heeft interesse in onze nieuwe bus en ik ben zo vrij geweest om alvast wat informatie te geven. Misschien wilt u het overnemen?” Ton doet een stapje achteruit maar voordat hij iets kan zeggen bemoeit Koos zich er mee: “Deze jongen doet het prima. U bent hier niet nodig.” Ton loopt terug naar zijn kantoortje en de deur wordt met een klap dichtgetrokken.

Koos grijnst naar Sjaak. “Die is weg. Luister, we hadden het over 35000 euro voor de bus. Wat kost het als ik er gelijk zeven bestel?” “Zeven bussen?” stamelt Sjaak. “Ja, zeven stuks in één keer. Hoeveel gaat mij dat kosten als ik ze bij aflevering gelijk betaal?” Sjaak weet niet goed wat te doen. Moet hij toch Ton vragen om dit over te nemen? Maar dit is een buitenkansje die hij niet wil laten lopen. De provisie kan hij goed gebruiken. Hij pakt zijn rekenmachine en begint te rekenen. “Ik neem even de globale cijfers,” laat hij Koos weten, “de cijfertjes achter de komma komen later wel.” Hij schrikt als hij ziet dat de bussen bijna 250.000 euro gaan kosten. Dat is wel heel veel geld. “Normaal geven we een korting van 8%. Als u bij aflevering in één keer betaald kan ik wat extra korting geven en de importeur kan ook nog wel iets doen. Een totale korting van 10% lijkt mij redelijk.” “Ja,” zegt Koos, “dat lijkt mij ook. Laten we een paar dingen op papier zetten.”

Zo onopvallend mogelijk kijkt Ton naar de tafel waar Sjaak en die man zitten. Ze zijn al een tijd druk in de weer met papieren, folders en een rekenmachine. Hij ziet dat de man opstaat en naar buiten loopt. Aan de overkant van de straat staat een hele dikke Mercedes. Tot zijn verbazing blijkt deze van die man te zijn. De kofferbak gaat schijnbaar vanzelf open en de man haalt er een tasje uit. Als hij weer aan de tafel zit opent hij het tasje en er komt een dik pak bankbiljetten uit. Het spijt Ton dat hij niet goed kan zien hoeveel geld de man aan het neertellen is maar aan de tijd te beoordelen zal het een flink bedrag zijn.

Sjaak neemt afscheid van Koos en loopt naar het kantoortje. Zwijgend en vragend kijkt Ton hem aan. “Jij moet toch de orderbevestigingen maken?” vraagt Sjaak. Als Ton knikt legt hij een paar papieren op zijn bureau en uit zijn zak haalt hij een dik pak geld. “Die man was Koos Zijlstra van Zijlstra Bouw. Zijn bedrijf heeft een mega order in de wacht gesleept. Iets met renovatie en nieuwbouw van een hele Rotterdamse wijk. Hij heeft voor zijn personeel zeven bussen gekocht. Die moeten straks elke dag op en neer naar Rotterdam. Vandaar…. Alle specificaties en afgesproken prijzen staan daar genoteerd. Het geld is een aanbetaling van 20.000 euro. Als iets niet duidelijk is vraag je maar. Ik ga nu eerst even lunchen.”

Ton weet niets te zeggen. Hij staart naar het geld en alsof Sjaak zijn gedachten kan lezen zegt deze: “In het vakje ‘handtekening van de verkoper’ staat mijn naam. Ik heb zo groot geschreven dat er geen andere naam bij kan.” Dan neemt hij zijn jas uit de kast en als hij de deur naar de showroom opent om naar buiten te lopen, steekt hij zijn neus omhoog. “Wat is de walm van sigaren toch een lekkere lucht,” hoort Ton hem nog net zeggen.

©peter gortworst

Foto’s: http://www.stof.skynetblogs.be / http://www.skproducts.nl / http://www.nationalebeeldbank.nl

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties