De eerste kus

 

“Wim! Wat ben ik blij dat ik je zie!” Met een gezicht waar de gespeelde opluchting van af straalt, loopt de magazijnmeester op hem af. “Ik heb nog twee doosjes die naar Meppel moeten. Er is niemand anders die het kan doen en de klant zit er om te springen! Voor jou is het maar een klein stukje omrijden als je naar huis gaat. Ze staan al bij de achterdeur. Je hoeft ze alleen maar af te geven dus het is zo klaar.”

Wie of wat bepaalt dat dit soort gebeurtenissen altijd plaats vinden op momenten dat het je niet uitkomt? Elke andere dag was goed geweest maar deze dag beslist niet. Vandaag is het 17 juni en dertien jaar geleden was dit de dag dat Wim zijn vrouw voor het eerst kuste. Ze hadden zich toen al voorgenomen om dat elk jaar te gaan vieren. Daarom staat er straks bij thuiskomst een heerlijk diner klaar. Hij zal zich gaan douchen en net als zijn vrouw, zijn mooiste pyjama aantrekken omdat ze toen, ook in pyjama, elkaar hun eerste kus gaven. Meer dan ‘goede bekenden van elkaar’ waren ze destijds niet en samen waren ze bij een feest van wederzijdse vrienden uitgenodigd. Het zou laat worden en blijven slapen was geen enkel probleem. Wat al lang in de lucht hing, gebeurde die avond. Achteraf besefte hij dat hun vrienden het geluk moedwillig een beetje hadden gestuurd. Ze zijn hen daar nu nog dankbaar voor. Samen hebben ze het goed en deze dag vieren ze daarom met volle overgave.

Een intiem dinertje en een uiterst intieme avond wachtten hem maar dat vertel je niet aan een magazijnmeester die met twee doosjes in zijn maag zit. Deze ziet hem aarzelen. “Je doet het toch wel hé? Ik heb echt niemand anders en ze moeten er beslist heen!” “Ja, ik doe het wel even,” bromt Wim nors. Hij weet dat het aan niemand anders is gevraagd en zij weten dat ‘nee’ zeggen voor hem altijd moeilijk is. Geïrriteerd haalt hij zijn jas van de kapstok. Snel naar huis is alles wat hij wil.

Hij draait de snelweg op en stopt bij het eerste pompstation. Bij alle pompen staan auto’s. Hij parkeert achter een busje waar niemand meer bij staat. De bestuurder is waarschijnlijk al aan het afrekenen en zal zo wel komen. Op de achterklep van het busje staat: ‘Ton de Groot voor al uw bouwwerkzaamheden.’ Het wachten duurt lang. Te lang. Hij leunt naar rechts en kan, net langs het busje kijkend, de kassa van het tankstation zien. Daar staat niemand af te rekenen. Vloekend en mopperend rijdt hij achteruit en kan bij een andere pomp met één auto aansluiten. De bestuurder doet net zijn gordel om en maakt aanstalten om weg te rijden.

Na het tanken loopt hij naar binnen. Bij een tafel staan twee mannen met het logo van ‘Ton de Groot’ op hun rug. Zo te zien en te horen is al hun aandacht gericht op het meisje van de belegde broodjes. “Zeggen jullie er niets van als ze hun auto bij de pomp laten staan en hier gaan eten?” vraagt hij aan de jongeman die hem helpt. “Nee, dat doen we niet. U kon toch tanken?” Op zo veel domme logica had hij niet gerekend. Zijn sprakeloosheid vindt meer grond in de verbijstering dan in de wijsheid. Wat weerhoud zo’n jongen ervan om er wél iets van te zeggen? Is het angst, onverschilligheid of is het beleid? Die jongen zou het toch gewoon kunnen vragen aan die gasten of zou dit te naïef gedacht zijn? Hij weet het niet. Hij weet het al lange tijd niet meer. Tegenwoordig is niets meer vanzelfsprekend. “Wim, jongen. Als je denkt dat vroeger alles beter was ben je echt oud aan het worden,” zegt hij tegen zichzelf maar hij is zich er van bewust dat, als het om omgangsvormen gaat, de waarheid aan zijn kant staat.

Achter het busje is een ander busje gaan staan. Hij kan het niet laten. Net voorbij de deur van het station zet hij zijn auto stil en loopt twee passen naar binnen. “Is dat busje van ‘Ton de Groot’ van jullie?” vraagt hij met harde stem aan de logodragers. Ze draaien zich naar hem toe met een vragend: “Ja?” “Dat busje wat er nu achter staat kon blijkbaar niet op tijd stoppen,” deelt hij mee. Het duurt maar even voordat ze met grote passen naar buiten lopen. Hij wacht het verloop van de gebeurtenissen niet af en rijdt weg met het gevoel een goede daad gedaan te hebben.

De dagelijkse file tussen Zwolle en Meppel is kort. Na de afslag ‘Dalfsen’ rijdt het weer maar echt tempo maken kan hij niet. Hij belt zijn vrouw om te vertellen ze hem hooguit drie kwartier later thuis kan verwachten. “Dan zet ik het vlees nog niet op. Doe maar rustig aan. We hebben geen haast,” zegt ze.

 

In Meppel heeft hij geluk. Hij had er al rekening mee gehouden dat er in het centrum, op de Prinsengracht, geen parkeerplek te vinden zou zijn maar precies voor de deur van de klant kan hij zijn auto kwijt. Met de doosjes in beide handen loopt hij naar binnen. Een paar klanten staan te wachten tot ze geholpen worden en het duurt even voordat hij de aandacht van een verkoopster kan trekken. “Ik moet hier twee doosjes afleveren,” zegt hij als één van de dames een moment aandacht aan hem schenkt. “Een momentje geduld alstublieft. Ik help eerst deze klant verder en dan kom ik bij u.” Het liefst zou hij vol ongeduld heen en weer lopen maar hij dwingt zichzelf om doodstil te blijven staan. Eindelijk komt de verkoopster op hem af en vraagt: “Waar is het voor?”  “Jullie hebben dit besteld en het moest beslist vandaag nog afgeleverd worden,” antwoord hij. Zij weet er niets van maar de baas ongetwijfeld wel. Ze gaat hem wel halen. Met een “Hij komt er zo aan!” komt ze zonder baas terug en richt zich op de volgende klant. Wachten duurt altijd lang en na een kleine eeuwigheid is daar dan toch de baas. Hij controleert de inhoud en tekent de ontvangstbon af.

Haastig loopt Wim de winkel uit en kijkt vervolgens tegen de rug van een man in uniform. Onmiskenbaar een parkeerwachter. Het verontrustende is dat hij, staand voor zijn auto, aan het schrijven is. Wim gaat naast hem staan en vraagt; “Schrijft u een bon voor deze auto?” “Uw auto?” vraagt de ambtenaar al schrijvend. “Ja, en ik ben aan het lossen. Ik lever net twee doosjes in deze winkel af. Kijk hier, de afleveringsbon: is net door de klant afgetekend.” Terwijl hij rustig door gaat met schrijven zegt hij: “Ik sta hier al een tijdje en ik heb u niet heen en weer zien lopen. Er staat geen klep open en er branden geen knipperlichten. Uit niets kan ik opmaken dat u aan het laden en lossen bent dus mijn conclusie is simpel: er staat hier een auto geparkeerd zonder geldig kaartje achter de ruit”.

Wim voelt zijn hoofd rood worden. Een zeldzaam fenomeen dat alleen optreedt als hij echt kwaad is. Na een magazijnmeester, het busje van Ton met bijbehorende pompbediende en de drukte op de weg is dit net even te veel van het goede. Wim weet dat hij op moet passen. Van deze ambtenaar kan hij niet winnen en als hij niet op zijn woorden let, bestaat er een grote kans dat hem belediging in de schoenen geschoven wordt. “Niet alleen uw conclusie is simpel,” zegt hij bijna elk woord staccato uitsprekend, “u gaat er van uit dat iedereen een leugenaar is. Met een beetje moeite kunt u mijn verhaal controleren maar dat doet u niet. U houdt het liever simpel. Dat past waarschijnlijk het best bij u. Simpel werk voor een simpele ziel!” Met zijn rooie kop stapt hij in de auto en met piepende banden scheurt hij weg. De parkeerwachter kijkt hem even na en gaat dan verder met zijn ronde. Al of niet een simpele ziel zijn is niet belangrijk. Eelt op je ziel hebben. Daar gaat het om.

Aan de rand van Meppel stopt Wim op de carpoolplaats. Hij springt uit de auto en stuitert een tijdje rond. Als je zo kwaad bent is het niet verstandig om verder te rijden. Langzaam zakt de boosheid en als hij tot rust is gekomen, stapt hij weer in en rijdt naar huis.

 

Via de achterdeur loopt hij zijn huis in en treft zijn vrouw in de keuken. De geuren van het eten en zijn vrouw zijn onweerstaanbaar. Ze heeft zich al omgekleed en draagt een pyjama die nieuw en spannend is. Ze omhelst hem en zegt: “Fijn dat je er bent, het eten is bijna klaar. Er is nog genoeg tijd om je te douchen en om te kleden.” Ze drukt zich even tegen hem aan en geeft dan haar eerste kus.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.pinterest.com / http://www.regiomeppel.nl / http://www.omroepzeeland.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Vooral niet lachen.

In dit mooie land waar men de Hollanders ‘unbefangen’ vindt, ‘komisch’ als ze Duits praten en men oprecht medelijden met ons heeft omdat wij er voetballend even niets van bakken, kan men op zondagmorgen bij tal van bakkers de meest fantastische ontbijtjes krijgen. Vers gebakken broodjes, Hollandse (!) kaas, ham, gekookte eieren of roerei met spek, aardbeienjam, echt sinaasappelsap en ja, zelfs lekkere koffie. Af en toe trakteer ik mijzelf op een dergelijk ontbijt en zo ook deze zonnige morgen.

Het is nog rustig op het terras. Schuin achter mij zit een echtpaar en twee tafeltjes verder een stel met twee forse Rottweilers. Dat het Nederlanders zijn is zonneklaar. De honden laten duidelijk zien dat de tafelmanieren anders zijn dan normaal. Hoewel de man regelmatig op luide toon bevelen snauwt als ‘Zit!’ en ‘Nu ga je af!’ komen de honden elke keer weer in de benen om te bedelen. Waarom zou je hier niets krijgen en thuis wel?  “Het zijn ook net kinderen,” zegt de man achter mij tegen de hondenman. ‘Nee,” zegt deze, “het zijn hónden en ze hebben maar te luisteren. Met kinderen kan je nog praten en overleggen. Bij honden gaat dat niet. Dan moet je, als ranghoogste, consequent en duidelijk zijn.” “Ik weet er alles van,” zegt de man achter mij.

De hondenman staat op en loopt met de twee koffiekopjes naar binnen. Het tweede kopje is gratis en dat laat je niet lopen. Bijna stiekem scheurt de vrouw een plakje kaas doormidden en voert dat snel aan de honden. Die voelen feilloos aan dat deze inconsequente daad snel tot het verleden dient te behoren en in een oogwenk is de kaas verdwenen. Dan voltrekt zich het noodlot. Er passeert een mooie donkerbruine boxer met aan de riem een man. De Rottweilers schieten met imposant gegrom en geblaf naar voren. Het bevallige tafeltje wat trots en fier het complete ontbijt gedragen heeft en waar de twee hondenriemen aan vast zijn gemaakt, doet geen enkele poging om rechtop te blijven staan. Geluid van brekend aardewerk en glas verstoort deze zonnige zondagmorgen.

Op dat moment komt de hondenman terug. In elke hand een kopje koffie aan het oortje. Niet echt een pose die stoere ranghoogste uitstraalt en van doortastend ingrijpen komt dus ook niets terecht. Het is de vrouw die de honden terug trekt en het tafeltje rechtop zet. De man parkeert zijn twee kopjes, maakt de honden los en ziet in de betonnen voet van de parasol een betere aanlegplaats. “Zit en blijf!” sist de man tegen de zondaars. De vrouw zamelt ondertussen de scherven van de borden, schoteltjes, etagère en glazen in om vervolgens met een lepeltje de aardbeienjam van de vloer te schapen. “Hoe kan dat nou?” hoor ik de man vragen. Ze antwoordt hem wel maar ze praat te zacht om iets te kunnen verstaan. Een medewerkster komt met een sopje. Er wordt gepoetst, er klinken verontschuldigingen en even later is de zondagse rust weer terug.

 

De koffie is op en de hondenman gaat staan. Hij heeft een ei gepeld en breekt het doormidden. De honden zijn al weer in de benen en ja hoor, ze krijgen ieder de helft. Dan vertrekken ze. Ik draai mij om naar het echtpaar achter mij. Wij kijken elkaar aan en met een vette knipoog weten we het. Niet lachen. Vooral niet lachen.

 

©peter gortworst / juni 2016

foto’s: http://www.bedandbreakfast.eu / http://www.onyxgoldrottweilers.com

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 7 reacties

Weg uit het veen

Dit is het laatste verhaal uit een serie. Mocht je de voorgaande verhalen (nog) niet gelezen hebben, dan is het beter om dat eerst te doen.

  1. http://www.petergortworst.com/2016/05/06/de-goeroe-in-het-veen/

2. http://www.petergortworst.com/2016/05/13/de-goeroe-uit-het-veen/

3. http://www.petergortworst.com/2016/05/20/het-veen-zonder-de-goeroe/

4. http://www.petergortworst.com/2016/05/27/bekentenissen-in-het-veen/

 

Pieter komt, op verzoek van Mannes naar het café. Een dag later dan de bedoeling was omdat de ongekende regenbuien van gisteren niet uitnodigden voor een bezoek aan het dorp. Hij vindt Mannes in een hoekje op het terras met Biek aan zijn zijde. Terwijl hij naar hen toeloopt realiseert hij zich plotseling dat hij, samen met deze twee mannen, de enigen zijn die werkelijk weten hoe de pastoor zo kreupel is geworden. Het gevoel dat dit geheim hem geeft, valt lastig te omschrijven. Het is een mix van trots, verantwoordelijk zijn en kameraadschap.

Biek verontschuldigt zich voor het feit dat hij niet alles over Mannes heeft vertelt. Per slot van rekening wist hij niet wie Pieter was en bovendien zag hij het ook niet als zijn taak om meer dan hij weet over Mannes aan een onbekende uit de doeken te doen. Pieter snapt dat best en geeft hem groot gelijk. Biek staat op om deze twee vrienden alleen te laten en op de vraag of er koffie moet komen, knikken de beide heren instemmend.

“Ben jij, nu je iets meer van mij weet, niet nieuwsgierig waarom ik naar Lourdes en Rome ben geweest?” vraagt Mannes. “Ja,” zegt Pieter, “en ik neem zomaar aan dat je mij dat gaat vertellen.” Mannes grijnst en knikt maar zegt niets, roert in zijn koffie en met vier slokken is het op. “Het is nooit te laat om te zijn wat je had kunnen zijn.” zegt hij dan. “Dat is geen wijsheid van mij maar van ene meneer Eliot. Alleen gaat het voor mij niet op. Mijn thuissituatie en het misbruik, of beter gezegd het machtsmisbruik van de pastoor hebben mij gemaakt tot wat ik nu ben. Ik weet niet of ik op mannen of op vrouwen zou vallen en denken aan intimiteit kan ik alleen met walging. Ik zal nooit worden wat ik had kunnen zijn: een lieve partner of een geweldige vader. Mijn dromen over de liefde die er tussen twee mensen kan zijn, blijven dromen en als ik de literatuur wat over slachtoffers van misbruik is geschreven moet geloven, kan ik maar beter geen vader worden. Tot voor kort dacht ik dat mijn leven mislukt was. Op de aloude vraag ‘waartoe zijn wij op aarde?’ kon ik geen enkel zinvol antwoord geven en dat vulde mij met boosheid, verdriet, schuld en wraakgevoelens. Ik was nog steeds slachtoffer en wat ik ook deed aan goede daden en adviezen, wat overigens typerend voor slachtoffers schijnt te zijn, het hielp niet om mij uit die toestand te krijgen. Ik wist heel goed hoe ik zou kunnen veranderen. Ik heb, volgens mij alles wat over slachtoffers van misbruik is geschreven, wel gelezen maar de theorie is anders dan de praktijk. Neem alleen al het vergeven van je dader. Leuk om te weten maar zinloos als je dader overleden is.”

“Als hij nog geleefd zou hebben, had je het dan wel gedaan,” vraagt Pieter. Mannes haalt zijn schouders op. “Ik weet het niet. Ik kan niet zo veel met ‘wat als’ vragen. Er is toch geen zinnig antwoord te geven op vragen zoals ‘wat als mijn ouders iets meer liefde voor elkaar en mij hadden getoond, wat als ik niet zo’n boekenwurm was, wat als die pastoor een herder was geweest en geen wolf, wat als mijn ouders niet waren verongelukt……’ Ik heb bij het graf van mijn dader gestaan en het deed mij weinig. Nou ja, een gevoel van opluchting met een beetje ‘Zo, net goed vuile viezerik.”

“Waarom Lourdes en Rome?” vraagt Pieter. “Om te zien wat ik dacht en met een klein beetje hoop dat het niet waar zou zijn wat ik dacht. Ik hoopte te zien dat de kerk niet een bolwerk van macht is, geen commercieel instituut, geen wereldlijke staat maar een toonbeeld van omzien naar elkaar, onbaatzuchtige liefde en mededogen. Helaas, dat is niet zo. In weinig tot niets straalt zij dit uit. In Lourdes ben je een rekenfactor in de bezoekersaantallen en in Rome vraag je je af waar de tekst ‘zij deelden alles en hadden alles gemeenschappelijk’ gebleven is. Het grote, wereldomvattende voorbeeld dat de kerk zou moeten zijn vindt je soms alleen nog terug in het klein: een pastoor die wel deugt of een kerkganger die de boodschap van naastenliefde wel begrepen heeft. Daar vind je soms de piketpaaltjes van hoe het zou kunnen zijn. Maar verder draait het alleen om de macht hebben én over lijfsbehoud. Bij een dergelijke kerk wil ik niet horen.”

“Hoe ga jij nu verder?” vraagt Pieter. Mannes gaat staan. “Kom,” zegt hij, “ik ga je wat laten zien.” Ze lopen door een paar straatjes en staan dan voor een gebouw wat overduidelijk een school moet zijn geweest. “Dit is mijn oude school,” zegt Mannes. “Staat sinds vorig jaar leeg.  Er wonen te weinig kinderen in het dorp om er een christelijke, een katholieke en een neutrale school op na te houden. Ik heb het gekocht.” Pieter staart Mannes verbluft aan. “Wat moet je met een school?” “Verbouwen natuurlijk,” grijnst Mannes. “Van Biek heb ik het adres gekregen van zijn hulpverlener. Ik ga met hem aan mijzelf werken. Noem het verbouwen. Mij geschikt maken voor de toekomst en dat ga ik met deze school ook doen. Er komt een bibliotheek in en al mijn boeken kunnen ze krijgen, er komt een keuken en een ontmoetingsruimte. Biek gaat drie keer in de week voor kostprijs maaltijden maken voor iedereen die wil komen eten, er komt een kinderopvang in, een ouderensoos, meditatieruimte, een muzieklokaal met instrumenten speciaal voor kinderen en achterop het schoolplein wordt een klein theater gebouwd. Het wordt, hopelijk, ideaal voor try-outs van bekende artiesten maar ook voor de artiesten in het dorp. Wat denk je er van?” Pieter weet even niet wat hij moet denken en al helemaal niet wat hij moet zeggen. “Je bouwt dit voor het dorp?” “Ja,” zegt Mannes, “iedereen is welkom. Er wordt een stichting opgericht die het gaat beheren. Alles wordt lokaal ingekocht en er wordt gekookt met lokale producten. Het moet echt door het dorp en van het dorp worden.” “Ik ben toe aan een borrel,” verzucht Pieter.

Terug bij Biek op het terras praten ze verder. “Jij vroeg je tijdens onze eerste ontmoeting af of ik een les of een zegen voor je zou zijn. Wat ben ik?” vraagt Pieter op een gegeven moment. “Je bent én een les én een zegen. Toen jij zo sullig aan de andere kant van de sloot stond kwam je mooi op tijd. Door jou moest ik mijn situatie onder ogen gaan zien en als je iets aan een ander vertelt of het opschrijft wordt je gedwongen je gedachten te ordenen. Dat schept duidelijkheid. Jij hebt iets goeds in je. Dat voel ik en door gewoon naar mij te luisteren heb jij mij meer geholpen dat je denken kan. Je oordeelde niet, je wist het niet beter en je liet mij in mijn waarde. Houd dat vast want in deze tijd van alles maar moeten kunnen zeggen is dit een groot goed. Tja, en nu? Ik weet nu dat ik een berg moet gaan beklimmen en mijn verwachting is dat ik straks van het uitzicht mag genieten. Het zal tijd en tranen kosten. Tijd heb ik en tranen verdunnen het verdriet. Dat weet ik van Biek. Hij is al even op weg en wie weet zitten we straks samen boven op de top. Ik zal nooit worden wat ik had kunnen zijn maar als ik straks mijzelf goed genoeg vind en een tevredenheid voel over wie en wat ik dan ben, dan is mijn leven toch nog zinvol”

 

Pieter staat op en Mannes volgt zijn voorbeeld. Dan omhelst Pieter hem. “Blijf ik je zien? vraagt Mannes. “Ja natuurlijk,” zegt Pieter, “je bent een doodgewone zonderling maar naar jou luisteren is een eer en een genoegen en als er hoop is voor deze wereld ligt die in kleine gebaren van menselijkheid. Op wereldschaal stelt jouw plan niet veel voor maar voor het dorp is het enorm en ben je een zegen. Je bent een mooi mens, Mannes.” “Dank je wel. Wijs gesproken, Pieter. Het ga je goed.”

 

©peter gortworst / juni 2016

foto: eigen opname

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Bekentenissen in het veen

Dit is een deel van een vijfdelige serie verhalen. Ik raad u aan om terwille van de leesbaarheid, ook de voorgaande en volgende te lezen.

Door zijn verrekijker ziet Pieter Mannes komen. Hij loopt een beetje krom onder zijn rugzak. Snel schiet Pieter de blokhut in en zet een pannetje water op het brandertje. Doet drie schepjes koffie in het filter en zet het op de thermoskan. Een kleine gift voor Mannes maar ook eigenbelang. Gokken wanneer de laatste slok nog zonder drab kan, is niet zijn ding. Het water kookt en voorzichtig giet hij het op de koffie. Als hij weer naar buiten loopt, is Mannes vlakbij en zwaait. “Heb je op mij gewacht?” roept de man met de rugzak. “Ja, en ik heb koffie.”

Mannes laat de rugzak van zijn schouders glijden en kijkt Pieter met pretoogjes aan. “Hoe is het?” vraagt hij. “Goed. Heel goed zelfs. Je blokhut staat er nog en de koffie is zo klaar. Moet nog één keer water opgieten.” Mannes loopt mee naar binnen en ziet het filter en de thermoskan. “Joh! Ja, zo kan het ook. Dat ik daar niet opgekomen ben.” Pieter zet twee meegebrachte tuinstoeltjes buiten en in stilte nemen ze hun eerste slok. “Hoe was het?” vraagt Pieter na een tijdje. Mannes antwoord niet direct.

“Het was verhelderend, zinvol en mooi. Ik weet waar ik voorgoed afstand van heb genomen, waar mijn gemis zit en wat mijn valkuilen zijn,” zegt hij dan. Pieter trekt zijn wenkbrauwen op. “Fijn voor je maar ik zou niet weten waar je het over hebt.” “Ga ik je vertellen,” zegt Mannes, “maar ik wil eerst weten wat je over mij te weten bent gekomen.”

Pieter vertelt hem alles wat hij weet. Dat de dorpelingen hem missen en denken dat hij hen koud laat, dikt hij een beetje aan. Over de gevonden rouwadvertentie zegt hij niets. “Hoe vond je Biek?” vraagt Mannes. “Aardige vent. Heel open en ik denk dat hij jou nog wel het beste kent maar zelfs hij begrijpt jouw vertrek niet.” “Nee, hij heeft het verleden op een andere manier verwerkt.” “Het verleden? Wat voor verleden?” “Eerst nog een bak koffie,” zegt Mannes.

Met de mok tussen zijn handen begint Mannes te vertellen. Bedacht- en langzaam vertelt hij vanaf het begin. Over zijn vader en moeder die elkaar ‘man’ en ‘vrouw’ noemen, die hij nooit heeft kunnen betrappen op enige vorm van liefde en die ook hem dit niet tonen. Thuis is koud en zakelijk. Geld verdienen en steeds meer geld verdienen is belangrijk net als behoren bij het clubje ‘belangrijke’ personen zoals de dokter, de directeur van de melkfabriek, de notaris en de pastoor. Zodra hij had leren lezen werd dit zijn vlucht. Boeken geven hem andere, mooie en liefdevolle werelden en hoe meer hij leest hoe groter zijn verlangen daarnaar wordt en hoe duidelijker zijn situatie. Hij droomt zijn dromen en heeft een keer met zijn moeder daarover gesproken en gevraagd waarom het bij hen zo anders gaat. Bot heeft ze hem afgewezen. Dat was geen taal voor een man. In het zweet des aanschijns zal je je brood verdienen. Daar gaat het om. Dat is je doel en als je dat niet doet moet jij eens opletten wat er met al die boeken gaat gebeuren.

De pastoor heeft het wel door. “Lees jij veel?” had hij Mannes gevraagd en vol vuur vertelt Mannes zijn dromen. “Kom jij woensdagmiddag dan maar eens een mooi boek bij mij voorlezen,” heeft hij gezegd. Het is het begin van een leven wat bol staat van verwarring, schaamte en pijn. De dromen over liefde zijn niet de dromen van de pastoor. Zijn dromen brengt hij liever met deze jongen in praktijk. In Mannes dromen komt geen dwang, dreigement en geheim voor en toch heeft hij daar vanaf dat moment mee te maken. Mannes verandert. Hij weet dat hij thuis met dit verhaal niet aan moet komen. De pastoor en zijn ouders zijn de bekende handen op één buik. Hij zoekt een uitweg maar die is er niet. Zijn leven is een hel geworden, een aan alles en vooral aan zichzelf twijfelend bestaan. Hij gaat mensen kijken om telkens weer bevestigingen te krijgen dat zijn dromen over liefde en geluk toch echt waar zijn. Hij kan genieten als er mensen hand in hand lopen, dicht tegen elkaar aanzitten op een terras of elkaar in het openbaar zoenen. Ouders die hun kinderen aanmoedigen op het voetbalveld. Spelende kinderen die nog geen weet hebben van al het ongeluk dat hen kan overkomen en opgaan in hun spel. Daarom raakt het beeld van de onbekende soldaat in Berlijn hem zo. In die moeder met haar dode zoon in haar armen zag hij zichzelf. Ook hij is een moegestreden en dode soldaat maar er was geen moeder die hem in zijn armen nam.

De dood van zijn ouders doet hem weinig. De begrafenis zou een formaliteit zijn ware het niet dat de pastoor hen prijzend bijna letterlijk richting hemel stuurt. De onrust die zijn woorden in de kerk brengt, lijkt hij niet te begrijpen. Mannes wel. Zijn ouders waren absoluut niet geliefd. Als werkgever eiste zijn vader, op het wrede af, veel van zijn knechten en de beloning voor dat harde werken was karig. De bakker en de kruidenier moesten altijd lang op hun geld wachten en de aannemer kon een tijd zijn hoofd nog maar net boven water houden nadat zijn vader hem weigerde te betalen omdat hij zogenaamd een inferieure stal had gebouwd.

Toen is het idee ontstaan en hoe langer Mannes er over nadenkt hoe beter het wordt.

Mannes verkoopt de boerderij voor een eerlijke prijs en is begonnen om afstand te nemen van zijn ouders. Geld heeft hij genoeg en waar zijn ouders van gruwden doet Mannes. Hij geeft het weg. Waar hij kan helpen doet hij dat. Is het niet met geld dan is het met woorden en het doet hem goed. Door zich druk te maken over anderen hoeft hij niet aan zichzelf te denken. Al zijn onrust en twijfels leest hij met het ene boek na het andere weg tot er op een donkere winteravond aangebeld wordt en de pastoor op de stoep staat. Mannes laat hem binnen. Het orgel is in slechte staat en daar Mannes een aanzienlijk bedrag op de bank heeft staan en zijn vader altijd zeer vrijgevig was, lijkt het hem billijk dat een forse bijdrage op zijn plaats is. Met geen woord rept de man over wat hij Mannes heeft aangedaan. Voelt blijkbaar niets van de spanning die de hartslag van Mannes omhoog jaagt. Niets over een verplicht geheim en een donker verleden. Mannes zegt niet veel. Hij wil het orgel zelf wel eens zien en zo spreken ze af dat ze elkaar morgenavond in de kerk treffen. Het idee van Mannes zal eindelijk ten uitvoer worden gebracht.

“Heeft u enig besef van wat u mij hebt aangedaan?” vraagt Mannes als ze samen onder aan de orgeltrap staan. De pastoor lacht hem uit. Het is al zo lang geleden en kom op zeg, Mannes had er toch ook van genoten? Met één vuistslag vloert Mannes de pastoor. Dan loopt hij naar het altaar, trekt de paaskaars uit de standaard en neemt het zware koperen ding mee naar de pastoor. Die komt langzaam bij. Mannes wacht geduldig en op het moment dat de pastoor iets wil gaan zeggen slaat hij met de standaard op de rechterknie van de pastoor. Hij gilt het uit en Mannes slaat nog een keer. “Wees blij dat ik je niet doodt. Je zal je leven lang weten wat je mij hebt aangedaan en ik hoop voor jou dat God je vergeeft. Het is per slot van rekening zijn vak. Ik kan dat niet. Dit is mijn manier om met je af te rekenen.” Mannes slaat weer met de standaard op de knie en weer en weer.

“Sla hem dood,” zegt een zachte stem achter hem. Verschrikt draait Mannes zich om en kijkt in het lijkwitte gezicht van Biek. “Heeft hij jou ook…..?” stamelt Mannes. Biek knikt. “Geef mij dat ding.” Mannes geeft Biek de standaard. “Hij mag niet dood. Ik wil hem alleen nooit meer zien knielen.” Biek haalt uit en verbrijzelt alle botten in de knie die nog niet kapot waren. Ze zetten de standaard terug en lopen de kerk uit. Als ze in het café zitten en al pratend bij elkaar van alles herkennen, komt de ziekenwagen uit de stad met blauwe zwaailichten voorbij. De pastoor is blijkbaar gevonden. Het onderbeen kunnen de artsen nog net behouden maar lopen is er niet meer bij. Dat de val van een trap zo’n grote schade kan geven geloven ze amper maar de patiënt is zeer stellig in zijn beschrijving van de toedracht.

“Waarom heb je de overlijdensadvertentie van die pastoor bewaard?” vraagt Pieter. Verrast kijk Mannes hem aan. “Heb je die gevonden?” “Hij viel uit je schrift met wijze woorden.” “Het is, nee, het wás een nog niet afgemaakt stuk in mijn leven. Is het goed dat ik je binnenkort daarover vertel? Ik ben moe van de reis en ik moet hier, en in het dorp de komende dagen nog veel doen.” “Waar kan ik je vinden?” “Kom maar naar het dorp. Kan ik je gelijk wat laten zien.”

©peter gortworst / mei 2016

foto’s: http://www.gelukenliefde.nl / http://www.pghillegom.nl 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Het veen zonder de goeroe

Mocht dit je eerste bezoek aan mijn blog zijn en dus ook de eerste keer dat je iets over deze goeroe verneemt, dan raad ik je aan, om onduidelijkheid en vraagtekens te voorkomen, eerst de twee eerder geplaatste afleveringen te lezen

http://www.petergortworst.com/2016/05/06/de-goeroe-in-het-veen       http://www.petergortworst.com/2016/05/13/de-goeroe-uit-het-veen

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

Mannes is vertrokken en met grote regelmaat bezoekt Pieter de blokhut. Bij de eerste keer had Pieter bedacht dat hij in het vervolg zijn verrekijker mee moest nemen. Er zitten veel vogels die je, rustig zittend in de rookstoel, uitstekend kan zien. Wandelend zie je niet. Ze houden zich dan stil of vliegen gewoon weg voordat jij ze in de gaten hebt. De wulp had hij al wel gehoord en gezien. Die trekt zich niet zo veel van mensen aan. Zo ook de torenvalk. Maar de klapekster en de roodborsttapuit zijn vogels die zich niet zo snel vertonen. De zure grond en het gebrek aan bomen maakt van het veen een landschap voor specialisten en specialisten zijn nu eenmaal zeldzaam. Pieter geniet van de rust, de stilte en de duisternis. In stille bewondering wacht hij, rillend in zijn stoel, de opkomst van de zon af en maakt aan den lijve mee hoe het veen ontwaakt. De witte waterdamp die opstijgt uit de talloze poelen en slootjes wordt verdreven door de steeds warmer wordende zon. De vogels zijn dan al klaar met hun concert. Hij snapt heel goed dat Mannes hier is gaan wonen. Je één voelen met de omgeving is hier een koud kunstje.

 

Mannes heeft een vooruitziende blik. Pieter is op zoek gegaan in het dorp waar Mannes geboren en getogen is. Het kan nog net een dorp genoemd worden. Er is de laatste jaren veel nieuwbouw bijgekomen. Steeds meer mensen trekken weg uit de stad en verkiezen de rust en de ruimte van het dorp. Er zijn wat winkels zoals een supermarkt, een bakkerij waar Pieter de vorige week iets lekkers voor bij de koffie heeft gehaald, een fietsenwinkel, een bloemenzaak, een kapper en een café-restaurant. Alles mooi bij elkaar aan de achterkant van de kerk. Pieter komt er al snel achter dat Mannes een bekende van velen is en dat zij veel van Mannes weten. Biek, de eigenaar van het café-restaurant, blijkt een jeugdvriend van hem te zijn. Ze hebben dezelfde leeftijd en samen op school gezeten. Vrienden waren ze en voorbestemd om hun vader op te volgen. Hij als eigenaar van het café-restaurant. Mannes als herenboer. Zijn vader had veel land, veel koeien en veel personeel en slechts één kind. Ze kregen niet veel tijd om samen dingen te ondernemen. Al vroeg werd er van hen verwacht dat ze meehielpen in het bedrijf. Er is altijd wel wat te doen en al doende leert men. Wel waren ze samen misdienaar geweest en ze hadden samen op voetbal gezeten. Meer gezamenlijk vertier was er niet. Wat Biek nog heel goed weet is dat Mannes, vanaf het moment dat hij lezen had geleerd, elk boek wat hij te pakken kon krijgen van kaft tot kaft las. Op school sloeg de meester hem bij het hardop lezen over. Mannes las zo snel dat de hele klas geen idee meer had op welke bladzijde ze waren.

Ze groeiden uit elkaar. Ouder geworden gingen ze elk naar een andere school en toen is, volgens Biek, zijn jeugdvriend ‘raar’ gaan doen. Hij kon uren op een stoepje in de Dorpsstraat zitten of op het terras van zijn café en alleen maar naar mensen kijken. In de zomer zat hij soms bij de sluis waar de kinderen van het dorp zwommen, ’s zondags bij de kerk waar hij iedereen die naar binnen ging observeerde of hij stond bij het voetbalveld waar hij niet de wedstrijd volgde maar de toeschouwers. Niemand wist waarom hij dat deed en als je hem er naar vroeg kreeg je geen antwoord. Er waren mensen die hem ‘eng’ vonden maar hij deed niets wat niet mocht. Toen hij net twintig was geworden, gebeurde het ondenkbare. Zijn vader en zijn moeder zijn samen in de gierput gevonden. Niemand die ooit zal weten hoe het gegaan is. Lag zijn vader er in en heeft zij hem willen redden of was het andersom? Toen Mannes ’s avonds uit de stad terug kwam lagen zijn beide ouders al opgebaard, was hij plotseling een weeskind en stinkend rijk.

Kort daarna heeft Mannes alles verkocht. Hij liet aan de rand van het dorp een klein huisje bouwen, las het ene boek na het andere en zat uren lang mensen te kijken. Hij had geld genoeg dus werken hoefde hij niet meer. Een publiek geheim was de hulp die hij gaf. Mensen in deze streek van het land hebben het niet breed en als er een gezin in moeilijkheden kwam was daar Mannes die een mud kolen in het kolenhok liet storten, de slager of de kruidenier opdracht gaf om eten te bezorgen of de rekening van de dokter betaalde. Hoe ‘raar’ Mannes ook was er viel best met hem te praten. Hij kon best wijze dingen zeggen. Menigeen uit dit dorp heeft aan zijn keukentafel gezeten en niet alleen voor materiele bijstand. Ze gingen liever naar Mannes dan naar de pastoor. Nu kon dat al snel want de pastoor was, door een lelijke val in de kerk, kreupel geworden en kon alleen nog maar in een rolstoel rijden. De mis opdragen en de biecht afnemen was er niet meer bij dus dan win je het al snel. Wat wel opgevallen is, en zeker in een katholiek dorp als dit, dat Mannes, na de dood van zijn ouders, nooit meer in de kerk is geweest. Zelfs niet met de begrafenis van de pastoor die toch een huisvriend van zijn ouders genoemd mocht worden. Zo warm als hij is voor iedereen zo koud schijnt dit hem te laten. Meisjes ook. Onbegrijpelijk toch? Een knappe jonge vent die aan elke vinger wel tien meisjes zou kunnen krijgen. Nooit heeft iemand hem met een meisje zien lopen en nu? Nu laat ook ons doen en laten hem  koud. Misschien heeft hij genoeg van de mensen in dit dorp. Waarom zou je anders zo ver weg in het veen gaan wonen? Toch jammer want waar moeten we nu heen als we wijze raad willen of wat willen bepraten? Zo af en toe is hij een paar dagen in zijn huisje. Dan maait hij het gras en rommelt wat rond. Als je hem dan aanspreekt wil hij niets zeggen. We moeten maar naar het veen komen maar we weten niet eens waar hij in het veen zit! “Zoekt en gij zult vinden, ” zegt hij dan.

De eerste kaart die Pieter krijgt toont de grot van Lourdes. ‘Vreselijk is dit. Met mij gaat het goed’ heeft Mannes achterop geschreven. De volgende kaart komt uit Rome. Een ondeugende kaart. Een zwoel kijkende non met een split in haar habijt die onbetamelijk veel bloot been laat zien. ‘Zo zou ik ze graag zien. Groet, Mannes’ staat er bij. Het duurt een week voordat de volgende kaart komt. Dit maal uit Zwitserland. ‘Thunersee met de alpen op de achtergrond. Het is hier mooi’ staat er als aanvulling. De laatste kaart is uit Berlijn. Een foto van een beeld. ‘Graf van de onbekende soldaat. Volgende week kom ik thuis.’

 

Pieter neemt de kaarten mee naar de blokhut. Bij elkaar aan de wand geprikt zal dat de boel een beetje opfleuren. De punaises is hij vergeten en daarom stopt hij ze zolang in het lege schrift van Mannes. Het schrift glijdt uit zijn handen en valt open op de vloer. Als hij het op wil rapen blijft er op de grond een krantenknipsel liggen. Het is de rouwadvertentie van de oude pastoor.

 

 

©peter gortworst / mei 2016

foto roodborsttapuit http://www.wageningenur.nl

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

De goeroe uit het veen

 

Er is geen dag voorbij gegaan zonder dat Pieter aan Mannes heeft gedacht. Een paar van de gedachten waren niet zo mooi geweest. Hij had Mannes ’s maandags een opgeblazen praatjesmaker gevonden maar op dinsdag dacht hij er al heel anders over en had hij zich zelf verontschuldigd. Hij wist immers niet hoe iemand een goeroe wordt? Word je zo geboren of is het een talent wat je gaandeweg in je leven ontwikkelt en er plotseling uitbarst? Kunnen mensen dat dan aan je zien en worden ze daarom volgeling of aanhanger of heeft het niets met eigen verdiensten te maken en is het een titel die anderen jou schenken? Na lang nadenken was hij tot de conclusie gekomen dat je alleen goeroe kan zijn als anderen dat erkennen. En die erkenning komt als jouw woorden en je levenswijze daartoe aanleiding geven. Je moet natuurlijk wel iets te bieden hebben. De haan in het kippenhok kan wel kraaien dat hij de baas is, hij zal het ook moeten laten zien. Mannes kraait wel maar er zijn geen kippen. Organisatorisch klopt het dus niet helemaal. Vol van zijn eigen wijsheid is Pieter nu op weg naar Mannes om hem hiervan deelgenoot te maken.

Al van verre ziet hij Mannes, voorover gebogen in zijn rookstoel, aan de rand van zijn heuvel naar de grond kijken. Als hij dichterbij komt ziet hij dat de zelfverklaarde goeroe in een kleine poel tuurt. “Ssst,” zegt hij, “Anders schrik hij.” “Wie?” “De kikker. Kijk, hij zit daar. Zijn kop steek net naast die gele stengels boven het water uit.” Samen staren ze naar het beestje en het beestje staart terug. “Weet je dat dit zijn hele wereld is?” zegt Mannes, “Hij weet niets van alle sloten, alle poelen, alle mooie en gevaarlijke plekken in het veen en ik lijk op hem. Ik weet best dat ik niet de hele wereld over hoef te reizen om te zien dat de hemel overal blauw is maar er is toch meer te zien dan alleen een blauwe hemel? Misschien is hij wel gelukkig in zijn poeltje. Ik bepaal zijn geluk niet. Maar ik ben niet gelukkig meer op mijn zandbult met blokhut in het veen.” Hij zwijgt en richt zich dan op. Met de ogen tot spleetjes dichtgeknepen, staart hij naar de horizon. “Zo, nu weet je het,” zegt hij dan zacht. “Het geluk loopt nu eenmaal wel eens de andere kant op dan je principes. Dat blijk maar weer.” Pieter voelt dat dit een bekentenis van formaat is, zwijgt even en volgt eerbiedig het gedrag van de bekennende goeroe door ook naar de horizon te staren.  Hij is iets eerder op aarde terug. “Ik heb wat lekkers meegenomen voor bij de koffie,” “Mooi,” zegt de ook terugkerende Mannes, “Dan gaan we dat maar eerst doen.”

In de blokhut hangen lange vellen papier aan de muren. Pieter ziet dat het de achterkant van behang is en bovenaan staat op elk papier een met viltstift geschreven woord. ‘Eerlijkheid’ ‘Gevoel’ ‘Mensen’ ‘Geluk’ ‘Dingen’ zijn een paar van de woorden. “Mijn ultieme poging,” zegt Mannes als hij ziet dat Pieter om zich heen kijkt en alle woorden leest. “Maar de wijsheid om daaronder diepe gedachten te schrijven, ontbreekt. De poging is dus mislukt”  Pieter schiet in de lach en het gezicht van Mannes trekt richting onweer. “Is dat leuk?” “Nee, daar lach ik niet om. Ik kocht dit lekkers voor bij de koffie in jouw dorp en heb even aan wat mensen gevraagd of ze jou ook kennen. Dat blijkt zo te zijn en ze begrijpen je niet. Ze vragen zich af waarom een lieve, warme man die zo veel belangstelling heeft voor alles en iedereen, zich afzondert in het veen. Ik heb hen vertelt dat ik vorige week jou ontmoet heb en wat jij hier in het veen doet. Ze weten niet eens wat een goeroe is, Mannes! Ze missen gewoon een leuke vent waarmee ze een geintje konden maken, die dingen zo verdomd mooi kan zeggen, waar ze altijd bij terecht konden en die bij hen hoort. Eén vrouw heeft je deze week zien lopen met rollen behang dus die dacht dat jij hier de boel wat aan het opknappen bent en daarom schoot ik in de lach.”

Met zijn rug naar hem toe staat Mannes te wachten tot het water boven het brandertje kookt. Hij zegt niets en wrijft met de mouw van zijn trui over zijn gezicht. Het water kookt en als hij zich omdraait ziet Pieter tranen in zijn ogen. Hij schenkt het water in de twee mokken en met zijn kont leunend tegen het tafeltje slaat hij zijn ogen op naar Pieter. “Het probleem is niet dat mensen dingen niet weten maar dat ze zoveel dingen weten die niet waar zijn,” zegt hij, “Ze kennen mij inderdaad zoals jij beschrijft maar dat is niet wie ik helemaal ben. Ook ik heb mijn donkere kant en die zit mij behoorlijk dwars. Een beetje geluk en blijdschap brengen is iets wat ik graag doe maar het is vooral mijn medicijn tegen mijn ziekte die verdriet en berouw genoemd wordt. Ik wil je daar niets over zeggen. Nog niet. Dat kost tijd omdat ik je nog niet ken. Ik weet nog niet of jij in mijn leven bent gekomen als een les of als een zegening. Eerlijk gezegd hoop ik op les én zegening.”

Pieter kijkt vol van gedachten naar de bodem van zijn mok. Zijn laatste slok koffie was er één te veel en zijn tong speelt met de pitjes van de gemalen koffie.  “Heeft jouw ‘ziekte’ iets te maken met jouw vertrek naar het veen en nu, met je vertrek uit het veen?” Mannes knikt langzaam met zijn hoofd. “Een mens moet niet te veel geduwd worden door anderen of door omstandigheden. Gebeurt dat wel dan gaat hij alle kanten uit en dat ondervind ik nu aan den lijve. Ik weet dat je andere mensen niet kan veranderen. Je kan ze hoogstens de weg wijzen en zo te merken ben ik nu zelf aan de beurt. Ik zal echter zelf mij mijn eigen weg moeten wijzen.” “Kan ik je daar niet bij helpen?” “Nee, nog niet. Misschien in de toekomst.” “Je gaat er van uit dat wij elkaar weer zien?” “Ja,” zegt Mannes, “Dat weet ik zeker. Wanneer weet ik niet want ik ga weg en ik weet nog niet hoe lang ik weg zal blijven. Het kan een week zijn maar ook een maand of een jaar. Kom, we gaan naar buiten. Kan je mooi die pitjes in je mond wegspugen.”

Mannes neemt hem mee naar een dikke berk. “Kijk, achter dit vogelhuisje hang ik de sleutel van de blokhut. Kom zo vaak als je wilt, geniet hier van de stilte en laat je gedachten de vrije loop. Ik laat je wel weten hoe het mij vergaat en als ik terug ben merk je dat vanzelf wel. Nu moet je weg want ik moet nog veel doen. Ik gok dat je in het dorp navraag naar mij gaat doen. Geloof niet alles wat ze zeggen. Onderzoek alles maar behoud het goede. En nu wegwezen.”

 

Ze hebben elkaar omhelsd en diep in de ogen gekeken. Pieter heeft iets gestameld van ‘goed voor jezelf zorgen’ en is op weg terug naar zijn auto. Hij heeft geroken aan het geheim van een man die hij graag mag en nog veel beter wil leren kennen. Nieuwsgierigheid en bezorgdheid strijden om voorrang. Het laatste woord is hier nog niet over gesproken.

 

©peter gortworst / mei 2016

foto: wwwboschfoto.nl

Met dank aan: Paulus, Midas Dekkers, Pantsjatantra, de Chinezen, moeder Theresa, Galileo, Ward Ruyslinck, onbekenden  

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Help Lin aan een hulphond

Rob Alberts's avatarBlogger uit Amsterdam-ZuidOost

Jaren terug ontmoette ik bij Groesbeek mijn eerste hulphond. Weekend wandelend van Arnhem via Nijmegen naar Venlo was Groesbeek ons overnachtingsadres. Het landschap rondom Arnhem en Nijmegen is divers. Vlak polderland en steile stuwwal hellingen afgewisseld met de meanderende Rijn en Waal geven een mooie wandeling voor de geoefende wandelaar. Maar ook de wielrenner kan in deze omgeving mooi uit de voeten.

Op het terras bij onze overnachtingsplek werden wij begroet door een speelse jonge hond. De hond werd op dat moment getraind in kleine opdrachten. Het openen van een deur, het oprapen van een gevallen lepel, het werd allemaal met speels gemak voor een lekkernij uitgevoerd. Al met al een genot om naar te kijken. Uiteindelijk leert een hulphond wel 70 vaardigheden.

Onze fikse wandeling zat goed in mijn benen. Gezond moe verlangde ik naar een stevige maaltijd en mijn bed. Maar naar de ondergaande zon turend werd ik…

View original post 123 woorden meer

Geplaatst in van alles... | 2 reacties

De goeroe in het veen

Als je nergens naar toe moet, kan je ook niet verdwalen. Een motto waar deze avontuurlijke wandelaar zich graag van bedient. Het wordt natuurlijk anders als de zon zich donkerrood naar de horizon laat zakken en je op pad bent in een moerasgebied waar je de weg niet kent. Dan wordt de wandeling avontuurlijker dan gedacht. Zelfs meer dan hem lief is. Hij kent de gevaren van het veen. Een schijnbaar begaanbaar pad kan een verraderlijke valkuil zijn. Voor je het weet zak je in de modder weg en met een beetje geluk wordt je na een paar honderd jaar gevonden als een gemummificeerd veenlijk. Het dijkje waar hij nu op loopt oogt veilig maar het loopt dwars op de richting van waar zijn auto staat. Een brede sloot belet hem de goede kant op te lopen. Terug wandelen is geen optie. Tegen de tijd dat hij het stuk veen bereikt waar hij, springend van graspol naar graspol, overgestoken is, zal het donker zijn. Gesteld dat hij die plek weer zou vinden dan is de eerste sprong waarschijnlijk de sprong naar het hiernamaals.

Het schemert al flink als er eindelijk een afslag komt. Een smaller dijkje loopt de goede kant op. Het buigt zelfs een beetje naar rechts af en dat is precies de richting die hij graag ziet. Een stuk verderop staan, op een kleine heuvel, een aantal berken in een groepje bijeen. De witte stammen die als pilaren uit het onderliggende struikgewas opstijgen, tekenen mooi af in de schemer. Vlak voor hij de bomen bereikt loopt het dijkje dood. Een sloot, te breed om overheen te springen, belet hem de weg. Hij laat zich op de grond zakken en overdenkt zijn mogelijkheden. Helaas zijn de mogelijkheden op en de moeilijkheden zijn de sloot en de vallende duisternis.

Net als hij tot de conclusie gekomen is dat hier overnachten de enige optie is ziet hij een lampje gaan branden in het struikgewas onder de berken. “He! Hallo! Hallooooo,” roept hij naar het lampje. “Jo!” roept een mannenstem terug. “Wie is daar?” Zelfs in deze omstandigheden vindt hij het een onnozele vraag en te onbelangrijk om te beantwoorden. “Ik sta aan de andere kant van de sloot en kan niet verder!” roept hij daarom terug. “Ik kom eraan,” klinkt het uit het struikgewas. Even later verschijnt er een man en bij de sloot gekomen vraagt hij: “Hoe kom jij daar?” “Ja, lopend natuurlijk en ik ben de weg een beetje kwijt.” “Weet je wel waar je vandaan komt?” Terwijl hij met zijn arm ongeveer de richting aangeeft zegt hij: “Ik denk van die kant.” “Doe je niet goed,” zegt de man, “De goede wandelaar weet waar hij heen gaat en de beste weet niet waar hij vandaan komt. Blijf staan. Ik kom je halen.” Hij loopt een meter of twintig langs de sloot en loopt er dan, tot verbijstering van de wandelaar, overheen. Met grote stappen, van graspol naar graspol, komt hij achter de wandelaar uit op het dijkje. “Nou, volg mij maar. Ga op precies dezelfde pollen staan als ik. Als je er naast stapt kom je niet bij mij binnen. Ik heb geen zin in een meurende gast.” Alles gaat goed tot de sloot. “En nu?” vraagt de wandelaar. “Gewoon oversteken. Stille wateren hebben diepe gronden maar soms ligt er een plank.” Met grote stappen steekt hij over en schuifelend over de plank die net onder het water ligt, volgt de wandelaar hem.

Tussen de struiken staat een kleine blokhut. De man doet de deur open en trekt zijn laarzen uit. “Schoenen uit en kom binnen,” bromt hij. Het interieur is sober. Een oude rookstoel, een brandende olielamp, een tafeltje, een kastje, een bed met slaapzak, een koelkastje en in de hoek een stapel bontgekleurde kussens die nog allemaal in plastic verpakt zijn. “Zo,” zegt de man, “Ik zal mij even voorstellen. Ik heet Mannes en ik ben de goeroe uit het veen. Met wie heb ik het genoegen?” De wandelaar stelt zichzelf voor als Pieter. Mannes haalt twee kussens uit het plastic en legt ze bovenop elkaar op de grond. “Ga zitten en wil je koffie?” vraagt Mannes en als Pieter instemmend knikt haalt de gastheer een gasbrandertje uit het kastje, schenkt uit een jerrycan water in een pannetje en brengt dat aan de kook. In twee mokken schept hij een maatbekertje gemalen koffie en giet het kokende water er bij. “Melk en suiker heb ik niet. Tussen je tanden doordrinken en op tijd stoppen. Wil je wat eten? Ik heb alleen brood” Pieter laat weten best wel trek te hebben. “Dacht ik al,” zegt Mannes, “Per slot van rekening is samen eten olie voor de vriendschap dus voor een kennismaking voldoet het zeker.”

Terwijl buiten het donker bezit neemt van het veen zitten de twee mannen in de blokhut. Mannes op zijn rookstoel en Pieter op de twee kussens. De conversatie beperkt zich eerst tot wat algemeenheden maar Pieter brandt één vraag op de lippen en als het even stil valt, vraagt hij: “Je stelde jezelf voor als de goeroe uit het veen. Hoe ben je dat geworden en waarom?” “Dat is een heel verhaal,” zegt Mannes, “Maar we hebben de tijd, toch? De dag is nog niet om en er is niets meer waard dan de dag van vandaag. Ik ben opgegroeid in een kleine stad hier niet ver vandaan. Ik was altijd gek op twee dingen: lezen en mensen kijken en heb daardoor veel geleerd. Eén van de dingen die ik leerde was dat er, dankzij het onderwijs, er minder analfabeten zijn maar meer idioten. Als je veel geleerd hebt, na veel zwoegen en hard werken een titel hebt behaald en je met succes je een plaats hebt verworven op de maatschappelijke ladder, wil dat nog niet zeggen dat je een prettig mens bent. Het gevoel en het verstand zijn buren. Ze groeten elkaar, brengen elkaar een beleefdheidsverzoek maar vrienden zullen ze zelden worden. Je kan dus hartstikke intelligent zijn maar te stom om naar je gevoel te luisteren. En daar liep ik in die kleine stad tegenaan. Oude vrienden met een dr of ing voor hun naam waren niet meer de jongens die ik van vroeger kende. Het waren berekenende mannen geworden die mij maar een rare snoeshaan vonden. Ze vonden mij wel slim, sommigen noemden mij zelfs wijs, maar ik was geen man die ze nodig hadden in hun eigen netwerk. Bovendien zei ik altijd wat ik zelf vond en niet wat zij wilden horen. Dat valt niet altijd goed.

Ik was voor hen onbruikbaar tot het fout ging. Eén van die oude vrienden lag, zonder dat hij het aan zag komen, in een scheiding en die komt naar mij toe om te praten. Een andere verliest een kind en zit vervolgens bij mij aan de keukentafel. Een oude vriendin wil ook komen praten maar op een geheime plaats want ze is nog getrouwd en heeft nu heel warme gevoelens voor een andere vrouw op kantoor. Het ging maar door en door. Iedereen vond mij een wijs man die het zo goed kon zeggen en waar ze echt iets aan hadden. Nou, en toen was ik het zat. Als ze echt zo nodig met mij willen praten, laten ze er dan ook maar wat moeite voor doen. Ik wilde rust en geen keuken waar om de haverklap iemand aan de tafel schoof. Daarom heb ik hier deze blokhut gebouwd. Alles met de kruiwagen hier naar toe gesleept en nu houd ik hier, sinds een jaar,  audiëntie.” “En?” vraagt Pieter, “Komen ze? Komt hier sowieso wel eens iemand?”

Mannes is even stil en zucht dan diep. “Nee, ze komen niet. Je bent de eerste. Ik had gehoopt dat ze kwamen. Misschien wel een hele groep. Vandaar ook die kussens maar er komt niemand. Ondankbare tweevoeters. Waarschijnlijk de beste definitie van de mens. Misschien maar goed ook dat ze niet komen want het lukt mij maar niet om wijze spreuken op papier te krijgen”. Hij gaat staan en vist uit het kastje een schrift met harde kaft. “Kijk, er staat nog geen spreuk of wijs woord in. Het lukt mij gewoon niet en wat zou je dan moeten zeggen als hier wel een groepje bewonderaars zou zitten? De twijfel heeft bij mij toegeslagen en dat is wreder dan de ergste waarheid. En opgeven wil ik nog niet omdat ik niet weet hoe dicht ik bij mijn doel ben.”

“Heb je wel eens gevraagd waarom die mensen niet komen? Ik kan mij voorstellen dat de weg hier naar toe een belemmering is,” vraagt Pieter. Mannes staart zwijgend in het vlammetje van de olielamp en zegt dan: “Weet je, mensen struikelen eerder over een molshoop dan over een berg. Als ze echt willen weten, als ze echt willen vragen dan zouden ze wel komen. Ik ga dit hele spul niet verhuizen naar een plek waar ze met de auto tot bij de voordeur kunnen komen. Mensen gaan heus niet hoger springen als je de lat wat lager legt. Ik moet er nog maar eens goed over nadenken. Zullen we trouwens maar eens gaan slapen? Neem jij het bed maar. Ik slaap wel in deze stoel.”

 

De volgende morgen nemen ze afscheid. “Pieter,” zegt Mannes, “Het kost mij een week om na te denken over hoe het verder moet. Wil jij volgende week terugkomen om te horen wat ik bedacht heb?” Dat wil Pieter best. Hij voelt zich zelfs bevoorrecht. Hoe vaak maak je van zo dichtbij de ontwikkeling van een goeroe mee?

“Tot volgende week?” vraagt Mannes. “Tot volgende week,” zegt Pieter en loopt de weg die Mannes hem gewezen heeft.

 

©peter gortworst / mei 2016

foto’s: eigen maaksel

met dank aan Lin Yutang, H.Thoreau, Confucius, Fred Smulders, Goethe, Felix Timmermans, Molière, Fjodor Dostojevski, Ernst Marcus, Jan Greshoff en onbekenden.

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , | 2 reacties

De derde pinksterdag

Er zijn in Nederland een paar plaatsen waar men een derde pinksterdag kent. Het ontstaan en de invulling van deze dag is sterk plaatsgebonden en de traditie speelt een belangrijke rol.

Op het (toen nog) eiland Walcheren bestond al lange tijd de gewoonte van boerenknechten om op derde pinksterdag met paarden bezig te zijn. Hier heeft scheepswerf de Schelde, als grootste werkgever, handig op ingespeeld. Men bepaalde dat deze dag de eerste echte vakantiedag voor het personeel werd en voor de instandhouding van het feest was dit een goede zaak. Tot op de dag van vandaag worden in een aantal plaatsen op derde pinksterdag, de wedstrijden in het ringrijden gehouden.

Op Schiermonnikoog kent men ook een derde pinksterdag. Het feest heet daar ‘Kallemooifeest’. Vanaf zaterdag tot de dinsdagavond is het feest. De best kraaiende haan van het eiland wordt ‘gestolen’ en in een afgedekte korf, boven in een paal gehangen. Met genoeg voer om de dagen door te komen, blijft hij daar vanaf de zaterdagavond hangen. Zit de haan in de boom, dan wordt er een rondedans om de “kallemooi” gemaakt. Daar mogen geen dames bij aanwezig zijn. Er wordt ‘kallemooibitter’ gedronken en na afloop wordt de Pinksterkermis geopend met een bal. Dan komen ook de vrouwen. De mannen moeten kraaien, de vrouwen tokkelen. Een feest met veel dans en muziek wat zijn afloop kent op de avond van de derde pinksterdag. De haan wordt naar beneden gehaald en teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar; het einde van het kallemooifeest.

Helaas ziet men in de Zaanstreek de viering van deze derde pinksterdag sterk afnemen. Opvallend omdat de Zaanse derde pinksterdag landelijk toch een redelijk bekend gegeven is. Vroeger waren nagenoeg alle bedrijven gesloten. Nu sluiten alleen de vaak kleine, echte Zaanse bedrijven deze dag hun deuren. Op basisscholen krijgen de kinderen nog vrij maar het onderwijzend personeel kan zich vermaken met een studiedag. Het ‘bokkie’, de armelui’s koe die de vele grasveldjes bij de huizen kort moest houden, wordt al lang niet meer gekocht. Ook het, middels een kroegentocht per fiets,  kopen van een plaatsvervangend ‘bokkie’ in de vorm van schuimend gerstenat, wordt bijna niet meer gedaan.

Volgens de overlevering viert men op deze dag de overwinning van de Zaankanters op de Spanjaarden. In 1574 wilde Alva via de Zaanstreek, Noord Holland bezetten maar zijn leger werd verslagen door de manschappen van Diederik Sonoy. Het verhaal gaat dat dit op tweede pinksterdag gebeurde. De overwinning moest uiteraard gevierd worden en daarom zou er een derde pinksterdag in het leven geroepen zijn. Historisch gezien lijkt mij dit niet helemaal juist. De slag vond plaats op een bepaalde datum en kenmerkend voor Pasen en Pinksteren is het ontbreken van een vaste datum. De stand van de maan bepaald elk jaar de data van deze feesten en dus herdenken wij de slag bij die Zaanse Schans ieder jaar op een andere datum. Het sterke vermoeden bestaat dat er voor het kiezen van deze mogelijkheid andere gronden bestaan.

Even tussendoor:  In Venhuizen kent men, opvallend genoeg, ook een derde pinksterdag. En ook daar is de motivatie om deze dag te vieren, de overwinning op de Spanjaarden. Men is daar alleen in 1960 mee begonnen. Vermoedelijk spelen ook hier andere motieven dan de traditie een rol. Ik schrijf bewust ‘ook’ en ik hoop u duidelijk te maken waarom.

In de Zaanstreek (en dus ook Venhuizen) doet men alsof. De derde pinksterdag is een extra feestdag die bij het pinksterfeest is gekomen. Zeer waarschijnlijk is dat niet zo. Het lijkt er eerder op dat men er geen dag af heeft gedaan en de veemarkt in Purmerend kan daar een rol in hebben gespeeld. We zullen iets verder terug in de tijd moeten en ons verdiepen in de kerkelijke historie. Pinksteren is van oorsprong toch een kerkelijk feest.

Terwijl u zich klaarmaakt voor de reis naar het verleden, kan ik er een bescheiden reclame tussendoor plaatsen: 

Voorbeeld van afbeelding
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

In de middeleeuwen was Pinksteren, naast Kerstmis en Pasen een groot kerkelijk feest. Pinksteren was de jaarlijkse afsluiting van de grote christelijke feesten en de geboorte van de kerk. Het Concilie van Elvira bepaalde dat het feest maar liefst 8 dagen moest duren. Alle arbeid was in die dagen verboden maar gedurende de jaren die volgden, constateerde men dat in deze Heilige Geestweek te veel geestrijk vocht en daarbij gepaard gaande onchristelijke praktijken, de heilige sfeer danig verpesten. In 813 besloot de (katholieke) kerk dat het daarom wel wat minder kon: drie pinksterdagen waren mooi genoeg. Dat heeft men iets meer dan 800 jaar volgehouden. Toen waren de Nederlanden overwegend protestant geworden en besloot in 1618  de (protestante) Synode van Dordrecht dat het pinksterfeest met twee dagen ook wel gevierd was. Deze uitspraak gold alleen voor het toenmalige Nederland. In Duitsland componeerde J.S. Bach, geboren in 1685, nog twee cantates voor de derde pinksterdag (BWV 175 en 184) en in het Luxemburgse Echternach houdt men, sinds de middeleeuwen, op de dinsdag na Pinksteren nog steeds de Springprocessie.

Men kan dus vaststellen dat de Zaankanters toen ze de Spanjaarden over de kling joegen, net als de rest van Nederland, al een derde pinksterdag hadden. De traditie om een ‘bokkie’ te kopen kan toen niet ontstaan zijn. De veemarkt in Purmerend dateert immers van ongeveer 1600 dus veel eerder kon men daar niet terecht. Ik vermoed dat vanaf het ontstaan van de veemarkt het bezoek vanuit de Zaanstreek een jaarlijkse gewoonte is geworden. Toen was er nog een derde pinksterdag dus dat viel mooi te combineren. Tot 1618 dus. De derde pinksterdag was, dankzij het besluit van de synode, er niet meer.

Nu kan een kerkelijke vergadering veel beslissen maar het moet wel passen met de dagelijkse werkelijkheid. De geit is echt nodig en als je inmiddels gewoon bent om op derde pinksterdag naar de veemarkt te gaan, wil je dat graag blijven doen.

Natuurlijk, de overwinning op de Spanjaarden was een gebeurtenis van formaat. Misschien heeft men dat in het begin helemaal niet jaarlijks gevierd en is deze winnende slag van stal gehaald toen die synode met het onzalige besluit kwam om de derde pinksterdag te laten vallen. Wanneer kan er dan een bokkie worden gekocht? Misschien heeft de Zaanse bevolking daarom besloten om toch een derde pinksterdag te blijven vieren met verwijzing naar die slag. Dat de herdenkingsdatum jaarlijks niet klopt met de dag van de veldslag bij de Zaanse Schans, heeft men waarschijnlijk voor lief genomen.
Feit is dat men in de Zaanstreek gemeend heeft een krijgshaftige gegeven als gedenkwaardig feit te moeten gaan zien. Toevallig op de derde pinksterdag het herdenken meer dan waard. Wat denkt zo’n synode nu wel? De Zaanse invulling van deze dag heeft een uiterst legitieme reden waar gehoor aan te gegeven moet worden. Dat men deze herdenking goed kan combineren met een bezoekje aan de veemarkt, die er dus inmiddels al zo’n 18 jaar bestond, is dan een prettige toevalligheid, nietwaar?

Zo kan het gegaan zijn. Nu is een synode, en zeker toen, een gezaghebbend kerkelijke vergadering en daar tegenin gaan door vast te houden aan de derde pinksterdag, moet toch enige correspondentie opgeleverd hebben. Helaas heb ik geen bronnen gevonden die iets zouden kunnen zeggen over de reactie van het stadsbestuur of de Zaanse kerken.

De Zaanstreek heeft ongeveer 350 jaar immaterieel erfgoed behouden. Beslist jammer om vast te moeten stellen dat het zijn langste tijd heeft gehad.

©peter gortworst

foto’s: http://www.pixabay.com / http://www.rodi.nl

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Blind + hond

Het is een parkje van niks. Eigenlijk is het een groot, ovaalvormig grasveld omzoomt door heel veel struiken en een behoorlijk aantal bomen. Waar het gras ophoudt en het struikgewas begint ligt een voetpad. Het is het enige voetpad als je de vier ingangen, twee aan de korte zijden en twee aan de lange, niet meetelt. Precies in het midden van dat grasveld staat het monument. Een metershoge, vierkantige pilaar op een sokkel. Niemand weet of het iets voor moet stellen en waarom het daar ooit is neergezet. Het ding is er gewoon en je hoeft ook niet alles te weten. Alle bankjes aan de rand van het grasveld kijken uit op dat ding. Het zou best kunnen dat de bankjes het bestaan van die pilaar rechtvaardigen. Waar zou je anders naar moeten kijken als je op zo’n bankje zit en waar zou je anders over kunnen praten als een gesprek even stil valt? Het is een soort materiële symbiose. Bankjes en ding hebben elkaar nodig.

Sjokkers kijken gaat ook heel goed. Het is ongelooflijk hoeveel mensen, veelal in schreeuwend kleurige outfit, daar rondjes “rennen” om dat grasveld. Er worden zelfs met regelmaat weddenschappen afgesloten door de plaatselijke jeugd. Ze pikken er één sjokker uit en wedden na hoeveel rondjes deze de pijp aan Maarten geeft. Ze lopen zelfs mee als het fout dreigt te gaan en moedigen de hijgende sporter aan. “Kom op opa, nog twee rondjes! Zie je die meid met dat zwarte jack? Die gaat mij tongen als je het nog twee rondjes volhoudt. Dat gun je mij wel hé?”

De mensen van de groenvoorziening zijn al meer dan een week aan het werk. Struiken en bomen worden gesnoeid en onbedoeld gewas verwijdert. De hakselaar die ergens tussen de struiken is geplaatst, draait meestal met irritant veel lawaai op volle toeren en spuit dan een straal vermalen groen in de opvangkar. Nu is het even stil. De trekhaak van die kar zit op buikhoogte en steekt uit de struiken, half over het voetpad. Voor de veiligheid heeft iemand daar zijn fel gele hesje overheen gehangen. De trekker staat op het grasveld. Je kunt er dus wel langs.

Ik loop mijn dagelijkse rondje en zoals bijna elke dag komt de blinde man met zijn hond mij tegemoet. Hij zwaait een rood-witte stok met aan het einde een soort balletje, heen en weer. Het balletje tikt over de grond. Heldere tikken op het gravel van het pad. Doffe plofjes van de aarde waar de struiken staan. Zijn hond houdt hij vast met een beugel.

Eigenlijk is het een fantastisch gegeven. Je kunt niets meer zien en je geeft je lot in handen van een hond. Een blindengeleidehond moet veel leren en een blinde moet leren hoe om te gaan met zo’n hond. Je zal signalen en commando’s moeten kennen maar het moeilijkste lijkt het mij om je hond blind te gaan vertrouwen. Het succes van de meeste relaties staat of valt daarmee en dat zal dus voor deze verbintenis niet anders zijn. Toch verbaas ik mij elke keer weer over de combinatie. Waarom een hond én een stok? Het is voor mij iets van autorijden met je gordel om en een dik kussen op het stuur.

Tussen mij en de blinde steekt de trekhaak van de kar half over het pad. Ik houd de pas even in. We kunnen er niet tegelijk langs. Ik wil ook wel zien hoe de hond zijn baas naar rechts zal leiden om de trekhaak te ontwijken. De hond doet dat niet en terwijl het balletje onder de trekhaak door maait, loopt de blinde er met zijn buik tegenaan. “Oepf” zegt de man en slaat dubbel over de ijzeren stang. De hond is losgelaten en die blijft stokstijf staan. De man vouwt zich weer rechtop. Hij betast even de stang. “Gaat het?” vraag ik als ik bij hem kom. “Nou, niet echt. Wat is dit voor ding?” “De trekhaak van een kar die ze hier in de struiken hebben gezet.” “Daar hebben ze dus goed over nagedacht”, zegt hij sarcastisch. “Heej, heej, heej,” zegt hij dan. De hond komt naar hem toe en loopt met zijn kop tegen het been van de man. Die zoekt de beugel en als alles weer klopt vraagt hij: “Zijn er nog meer van dit soort obstakels waar ik rekening mee moet houden?” Ik zeg hem dat die er niet zijn maar als ik hem vraag of zijn hond die niet moet zien en hem daar eventueel voor moet waarschuwen, schiet hij in de lach. “Heej is hartstikke blind. Die ziet geen poot voor de ogen. Ik ben de slimste van ons twee en daarom laat ik hem uit. Ik moet dat niet te hard zeggen want hij denkt nog steeds dat hij mij leidt.” Ik vraag of het wel een echte blindengeleidehond is en ja, het wàs een hele echte.

“Tja, jammer dat hij ook blind geworden is maar ik doe hem niet weg. Ze hebben mij ook niet ingeruild of een spuitje gegeven toen ik blind werd. Hij mag zijn dagen bij ons slijten en zolang dat goed gaat is er niets aan de hand.” “Wel apart, een blinde met een blinde blindengeleidehond,” meen ik gevat op te moeten merken. “Nee, het is een blinde met een blinde geleidehond. Geen n en een spatie. Dan klopt het. Sta ik zo goed om verder te kunnen lopen?” “Wel als je aan deze kant van de trekhaak komt staan.” Ik leidt hem om de trekhaak heen en zet hem met de neus de goede kant op. Het balletje tikt en met een “Heej, vooruit” zet het span zich weer in beweging. “Bedankt en tot ziens, “ zegt de man en zonder er bij na te denken zegt ik “Ja, tot kijk.”

 

©peter gortworst

afbeelding: http://www.hetgeheugenvannederland.nl

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , | 4 reacties

Nergens aankomen

 

“Het gaat niet helemaal goed ? Wat bedoel je?”
Ze kijkt haar oude buurman bezorgd aan. Die staat een beetje bedremmeld op haar stoep met een roze overhemd in zijn hand.
“Is er iets met je vrouw?”
“Nee, die is naar Rome. Met een vriendin. Zo’n groepsreis maar ik wilde niet mee. En nu gaat er in huis van alles mis.”
Een oude man alleen in huis en bovendien een onhandige man. Zo’n man die er een halve dag over doet om een schilderijtje op te hangen.
“Kom even binnen,” zegt ze, “Een bak koffie doet wonderen.”

“Nou, vertel,” zegt ze als ze aan de keukentafel zitten. “Wat gaat er niet goed?”
“Het begon met de vaatwasmachine. Ik had hem aangezet en toen ik weer in de keuken moest wezen kwam er allemaal schuim uit. Ik moest door het schuim lopen om de machine af te zetten. Ik snap dat niet want ik had het bakje niet eens helemaal met afwasmiddel gevuld.
En ik begrijp ook niet waarom de magnetron het niet meer doet. Annie heeft vier pannetjes in de koelkast gezet die ik alleen maar op hoefde te warmen. Ik weet hoe de magnetron aan gaat. Eerst ging het goed maar toen kwamen er allemaal bliksemschichten. Die had ik nog nooit gezien. Het was wel een mooi gezicht maar nu doet hij niets meer. Ik ben bang dat hij kapot is.
Hoeveel zeep moet er eigenlijk in een wasmachine?”
“Meestal een kwart van het maatbekertje.”
Hij kijkt nadenkend voor zich uit.
“Misschien is het daarom wel misgegaan. Ik heb in elk vakje een heel maatbekertje gedaan. Misschien was hij ook niet vol genoeg. De twee wasmanden waren half leeg. Kijk, zo kwam mijn overhemd er uit.”
Demonstratief houdt hij het roze overhemd omhoog.
“Hoe heet heb je gewassen?” wil ze weten.
“Gewoon, kookwas.”
Een beetje aarzelend kijkt hij haar aan.
“Dat is toch goed?”
Ze schud zachtjes haar hoofd.

“Is er nog meer?”
Hij knikt voorzichtig.
“In de badkamer bleek dat de stofzuiger niet goed tegen water kan en nu heb ik boven geen licht meer. Ik kan niet ontdekken welke stop kapot is en of de stofzuiger het nog doet weet ik ook niet. Ik durf hem beneden niet in een stopcontact te doen. Straks heb ik helemaal geen stroom meer. De ketel doet het volgens mij ook niet meer want het wordt steeds kouder in huis.”

“Moest je dat allemaal doen van je vrouw? Dat wassen en stofzuigen en zo?”
“Nee, ik wilde haar verrassen met een opgeruimd huis maar dat gaat, denk ik, niet lukken.”
“In ieder geval niet op de manier die jij in gedachten had. Weet je wat? Ga naar huis en kom nergens meer aan. Thomas komt zo thuis en dan zullen we samen eens kijken wat we nog kunnen redden”

“Dat is mooi. Weet hij ook hoe je een rookmelder stil krijgt? Het pannetje wat ik op het gas zette om op te warmen, is helemaal zwart geworden en sindsdien doet de rookmelder het. Hij ligt nu in de keukenla maar je hoort het toch.”

 

©peter gortworst / april 2016

foto: http://www.dumpert.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 11 reacties

Goddelijk brood

Het duurt hem allemaal veel te lang. Er staan wel zeven studenten die, stuk voor stuk, maar één of twee broodjes willen hebben en die ook, stuk voor stuk, die broodjes moeten afrekenen. Veel keus heeft hij echter niet. Dit is de allerbeste bakker en voor vanavond wil hij het allerbeste brood dus staat hij wiebelend van het ene been op het andere zijn beurt af te wachten. Je zal het altijd zien. Elke vrijdag is het rustig op kantoor en zou je ongestraft een uurtje eerder weg kunnen en uitgerekend vandaag kon dat niet.

Pure, verse broccolisoep met een paar uitgebakken spekjes, dit goddelijk lekkere brood en zelfgemaakte kruidenboter wordt het voorgerecht. Gelukkig heeft hij het meeste van het diner al klaar maar je kan de nieuwe grote liefde van je leven natuurlijk geen oud brood voorzetten. Gisteravond heeft hij de tafel al gedekt. Hagelwitte borden op een donkerrood tafellaken, glimmend gepoetst bestek, gepolitoerde glazen en een klein vaasje voor een biedermeier bloemstukje. Dat moet hij zo ook nog ophalen bij de bloemist die bij hem om de hoek zit. Ze houdt van rood en hij hoopt dat het rood in het boeket overeenkomt met het rood van het tafellaken. Met voldoening heeft hij geconstateerd dat de kleur van de kaarsen in ieder geval klopt.

Zeven jaar was hij alleen en nu is daar Marietje. In niets lijkt zij op de vrouw die toen bij hem is weggegaan. Niet wat uiterlijk betreft maar vooral niet als het op persoonlijkheid aankomt. Hij weet best dat er enige voorzichtigheid geboden is want hoe goed en hoe lang kent hij Marietje nu? Eerst via de chatbox van de datingsite, toen mailtjes en telefoongesprekken en twee weken terug zagen ze elkaar voor het eerst. Op neutraal terrein natuurlijk. Waar hij op hoopte gebeurde: als een blok viel hij voor haar en zij voor hem. De klik was oorverdovend, de gesprekken chaotisch want beiden wilden zo veel vertellen en vragen, de blikken zeiden meer dan in duizend boeken geschreven kon worden en de afscheidskussen van een oneindige innigheid. En na vier bezoekjes op dat neutrale terrein gaat het gebeuren: straks komt ze voor het eerst in zijn huis. De volgende fase in hun kennismaking en zo voorzichtig en aftastend ze bij hun eerste contacten waren zo overrompelend is het verlangen nu om bij elkaar te zijn.

Veel slaap heeft hij zich de laatste dagen niet gegund. Hij kan Marietje natuurlijk niet ontvangen in een huis waar de wc nog niet behangen is, de stofzuiger een luizenleventje leidt, het plakkerige aanrecht vol staat, zijn vuile was in file voor de wasmachine ligt en rondom zijn bed het een bibliotheek is van boeken. Volgens afspraak belt hij elke avond om half elf met Marietje. Als zij dan zegt dat hij lekker moet gaan slapen, stemt hij daarmee in maar zodra er is opgehangen, keert hij terug naar zijn behangtafel want de wc moet en zal af. Tot diep in de nacht is hij aan het poetsen, strijken, opruimen en behangen. Het geeft hem een permanent gevoel van haast. Dat is voor even soms wel goed maar nu, bij de bakker van het goddelijke brood wordt het hem bijna te veel.

Eindelijk is hij aan de beurt, plaatst zijn bestelling, betaalt en haast zich de winkel uit. Nu alleen het boeketje nog en dan kan hij aan de soep gaan beginnen. Hij heeft nog ruim een uur en dat moet genoeg zijn. Lijn 7 stopt aan de overkant van de straat. Hij trekt een sprintje om die nog net te kunnen halen. Banden gieren en de klap klinkt dof. Hij vliegt door de lucht en als een rauw ei raakt zijn hoofd het asfalt. Het laatste wat hem overkomt heeft hij niet aan zien komen.

 

©peter gortworst / apr.2016

afbeelding: http://www.pixabay.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 8 reacties

Kamerdebat

Laat ik maar met de deur in huis vallen. Een Kamerdebat over de gebeurtenissen in Brussel, de uitwijzing door Turkije van iemand die later een terrorist blijkt te zijn en afspraken over uitgezette mensen door Turkije ontaard wederom in miereneukerij en ‘stel dat’ en ‘wat als’ onzin.

Ik zou, alleen al door een schijnbaar gebrekkig geheugen, volkomen ongeschikt zijn als minister. Soms weet ik absoluut niet meer wat ik gisteren gedaan heb en als u mij zou vragen wat ik twee maanden geleden, in een gesprekje met een klant hoorde over wat zij die dag voor maaltijd klaar zouden gaan maken, moet ik u het antwoord door een verstandverbijsterende geheugenstoornis schuldig blijven.

Een minister moet dat blijkbaar allemaal wel weten en hoe makkelijk is het om daar dan onvolkomenheden in te ontdekken.

Met ‘wat als’ redeneringen kan je ook zo makkelijk scoren. Als je het een beetje handig kan vertellen waren er helemaal geen aanslagen in Brussel geweest. Als de minister maar dit had gedaan, als er maar een telefoongesprekje was gevoerd, als iemand maar even in die mailbox had gekeken dan…. Achteraf kijk je een koe in de kont luidt het gezegde en dat is maar al te waar.

Nu wordt van der Steur aangevallen op het feit dat al geruime tijd voor dit alles speelde, er geen afspraken met de Turken waren over het melden van uitgezette vreemdelingen. Er was staande praktijk maar er stond niets op papier. De Kamer wist dit en verwijt nu de minister dat er dus nog steeds geen afspraken op papier staan. Had de Kamer zelf niet tussendoor even kunnen informeren of er al een beetje schot zat in het maken van die afspraken?

Is het misschien een beetje naïef van mij om te denken dat de conclusie van de Kamer zou moeten zijn dat niet alles gegaan is zoals het wenselijk was maar dat ze nu vooral bezig zouden moeten zijn om het beter te gaan doen? Ik weet best dat de Kamer de regering controleert maar met de belangen die nu gediend moeten worden zou de Kamer zich toch wat constructiever op kunnen stellen? Ik koop als burger niet veel voor gelijkhebberij, partijpolitieke spelletjes of belangen. Ik wil dat mensen die aan de knoppen kunnen draaien dat ook werkelijk doen. Wat heb ik er aan als het Haagse aquarium er schoon en helder uitziet maar al het Nederlandse binnenwater een troebel zooitje is?

Geachte volksvertegenwoordigers, de belangen zijn groot. Doe mij een plezier, denk en doe dan ook groot(s).

 

© peter gortworst / mrt 2016

P.S. Is de gelijkenis tussen van der Steur en één van de Muppets u ook opgevallen?

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

ouwe mannen en ouwehoeren

Als ik het mij goed herinner begint het met een aanbod van Gerrit om de plastic beker van Jurgen nog een keer met fris, sprankelend water te vullen. Het was zwaar en zweettrekkend werk geweest en de vochtbalans moet natuurlijk in balans blijven. Maar Jurgen heeft genoeg gehad en ongevraagd deelt hij mee dat hij al zo veel water naar binnen geslokt heeft dat het vocht er ongebruikt weer uit zal komen.

Blijkbaar is deze opmerking voor de drie heren van 65+ de geheime code om hun wel en wee betreffende drinken en plassen met elkaar te delen. Binnen de kortste keren doen bekentenissen over het aantal keren dat ’s nachts de wc bezocht moet worden, de ronde. Die nachtelijke uitstapjes zijn natuurlijk uitermate vervelend maar het daarna niet meer in slaap kunnen komen is nog veel slimmer. Wakker blijven liggen en ten langen leste wéér moeten, overtreft menige nachtmerrie. Na het avondeten niet meer drinken is een oplossing maar tijdens een feestje of bij een avond met gezellig bezoek, is dat een schier onmogelijke opgave. Met gemengde gevoelens kruipt men dan ’s avonds in bed.

De prostaat blijkt ook een dankbaar gespreksonderwerp. Mattias meent dat hij, vanwege zijn enorme buik, wel plaats heeft voor 10 prostaten en hij begrijpt daarom niet waarom zijn bezoeken aan het, voor hem te kleine kamertje, steeds langer gaan duren. Gerrit heeft een keer, op aanraden van zijn vrouw, homeopathische pilletjes geslikt. Op dringend verzoek van zijn vrouw is hij daarmee ook weer gestopt. De bijwerking was zo’n overmatige ontwikkeling van gassen dat hij een riant inkomen kon genereren als hij in Slochteren op het net aangesloten zou worden.

Dan komt natuurlijk, onder heimelijk gegrinnik en met enigszins rode koppen, het door een arts laten onderzoeken van de prostaat aan de orde. Ik zal u de details besparen. Het moet wel netjes blijven.

 

Ik sta erbij en hoor het met verbazing aan. Dat drie ouwe kerels zo kunnen ouwehoeren. Plotseling valt het de drie op dat ik nog geen enkele bijdrage aan de conversatie heb geleverd. Verwachtingsvol kijken ze mij aan en met een mengeling van trots en sorry-jongens-gevoel deel ik mee dat ik ’s avonds in bed kruip, mijn ogen dicht doe en gewoon in slaap val om ’s morgens gewekt te worden door de wekker. Ik weet niet hoe ik hun gemompel moet beoordelen maar in een poging tot troost en er ook een beetje bij willen horen, deel ik mee dat ik, na zo’n lange nacht met alleen maar slaap, dan wel heel erg nodig moet…….

©peter gortworst / mrt 2016

foto: http://www.kadokoopjes.nl 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Een mooie lentedag

 Vandaag gaat het gebeuren dus zijn ze er allemaal. Henk op zijn oude Fongers was er als eerste. Jaap en Walter kwamen even later samen aanfietsen en toen ook Bas en Ronald gearriveerd waren, was het hele spul weer compleet. “Ik heb de voorman gesproken”, zei Henk, “het blijft zeker twee dagen droog dus vandaag gaat het gebeuren”. De voorjaarszon scheen in een kolossale bouwput waar de afgelopen weken graafmachines, heimachines, een kraan, bouwvakkers en betonvlechters druk aan het werk waren geweest. Vandaag wordt de eerste vloer, de keldervloer, gestort van wat straks het nieuwe stadhuis moet worden.

Als het weer het even toelaat zijn Henk, Jaap, Walter, Bas en Ronald van de partij. Voor rechtgeaarde AOW’ers zonder verdere verplichtingen is dit een uitgelezen kans om elkaar te spreken en anderen te zien werken. In hun werkzame leven waren ze collega’s in de deurenfabriek. Toen ging de één na de ander met pensioen. Henk als eerste en Bas als laatste. Toen deze jongeling zich de eerste dag bij zijn collega’s voegde zei hij: “Zo jongens, nu kom ik ook een dwarse streep kweken”. “Wat bedoel je?” vroegen ze hem. “Jullie leunen al zo lang tegen de stang van de fiets dat jullie naast een rechte, ook een dwarse streep op de kont hebben zitten”. Ze konden er wel om lachen. “Die houden we er in”, hadden ze gezegd en dat was ook zo.

De eerste betonwagens gieten hun vracht in een aanvoerbak. Via een pomp en een lange mast wordt het naar de verste hoek van de vloer gepompt. “Dat wordt een dikke vloer,” merkt Robert op. “Zeker twintig centimeter,” denkt Walter, “daar zijn ze nog wel even zoet mee.” De ene na de andere wagen loost zijn vracht en het pompen gaat aan één stuk door. “Het moet vandaag klaar. Stoppen kunnen ze niet,” zegt Robert. Bas had meer spektakel verwacht. Eigenlijk valt het hem tegen en daarom vraagt hij: “Gaan we daar de hele dag naar kijken?” Een onduidelijk gemompel is zijn deel. “Ik heb zin om een stukje te fietsen,” vervolgt hij, “Is er iemand die met mij mee gaat?” “Waar wil je dan heen?” vraagt Jaap die het hier ook wel gezien heeft. “Stukje Zomerdijk en dan binnendoor over de Lozedijk naar Wanneperveen, dan de Veneweg en weer terug via de Nieuwedijk. Mooi rondje en niet te ver. Lijkt dat wat?”

“Ja,” zegt Jaap, “ik ga mee en ben ik de enige?” Hij is de enige en samen met Bas stapt hij op. Via de Kaapbruggen rijden ze al spoedig op de Zomerdijk. Kort na de nieuw aangelegde Olde Staphorster Haven zetten ze de fietsen aan de kant en gaan op het bankje zitten. Voor hen ligt een stukje natuurgebied wat zorgvuldig ongerept wordt gehouden. “Kijk die kievit eens draaien,” zegt Bas, “die heeft daar vast een nest.” Ze volgen enige tijd de vogel die werkelijk zijn best doet om te laten weten dat dit zijn territorium is. “Ik hoor een wulp,” zegt Jaap. Samen turen ze in de richting waar het geluid vandaan kwam maar ze zien de vogel niet. Ze zien wel een tureluur en een paartje meerkoeten die met plantenresten in de snavel hun drijvend nest maken. “Mooi hé,” zegt Bas, “straks is hier alles weer geel van de paardenbloemen.” “Wat is dat gele daar dan?” vraagt Jaap terwijl hij naar een bos gele bloemen wijst. “Dat is raapzaad,” weet Bas, “en dat gele daarachter zijn doodgewone boterbloemen.” Jaap interesseert zich niet zo voor bloemetjes en boompjes en hij oppert om weer verder te rijden.

Genietend van het warme voorjaarszonnetje rijden ze verder. Bij Doosje slaan ze rechtsaf de Lozedijk op. Hoog boven hen miauwt een buizerd en als Jaap omhoog kijkt stuurt hij bijna van de weg af. “Dat ging maar net goed,” zegt Bas geschrokken, “Je zult die moddersloot maar inrijden.”

 

Ze blijven even staan bij het weiland naast een boerderij. De boer maakt net het hek open voor een stel koeien die, naar hun uitgelaten gedrag te zien, voor het eerst weer uit de stal mogen. Ze weten niet wat ze moeten doen. Of van het verse gras eten of gekke sprongen maken. Ze doen het afwisselend. De boer zwaait naar Bas en Jaap en roept iets. Ze verstaan het niet goed maar het klinkt als “Lekker weertje”. Ze zwaaien terug, steken hun duim omhoog en stappen weer op. “Verderop, daar rechts achter die bomen, ligt een klein meertje.” weet Bas, “We kunnen wel even gaan kijken of er nog wat leuks te zien is.” “Hoe kom je daar dan? Is er een brug of zo?” vraagt Jaap. “Er ligt een betonnen plaat over de sloot. Daar kan je overheen.”

Jaap ziet de plaat als eerste. Hij trap even iets harder om Bas voor te zijn en stuurt dan de berm in, richting betonnen plaat.

De vloer in de bouwput mag dan zeker twintig centimeter dik worden, deze plaat doet er niet veel voor onder. Helaas voor Jaap is dat, door het hoge gras, niet goed te zien. Zijn voorwiel komt abrupt tot stilstand tegen de betonnen plaat. De achterkant van de fiets komt omhoog en zo ook Jaap. Met grote tegenwoordigheid van geest weet hij zijn rechterbeen te strekken om bij de landing te voorkomen dat hij al te lelijk valt. Het been mist de oever ruim en de betonnen plaat maar net. Jaap kan niet anders dan zijn been achterna gaan en verdwijnt met een schorre schreeuw en grote plons voor Bas uit het zicht. Die schrikt, laat zijn fiets vallen en rent het bruggetje op om Jaap te gaan redden. Snuivend en vloekend is Jaap boven komen drijven en in een vieze walm van modder en rottende plantenresten, reikt hij zijn armen uit naar de oevergewassen. Bas helpt hem op het droge. “Gadverdegadverredamme! Heb ik dat weer!” “Doet het ergens pijn? Heb je je zeer gedaan?” wil Bas weten. Jaap denkt twee seconden na, zegt van niet en begint dan weer vanuit zijn natte tenen te vloeken en te mopperen. Plotseling graait hij met zijn hand in zijn broekzak en trekt er een telefoon en een blikje sigaren uit. Als hij naar de display van de telefoon kijkt is deze voor de helft gevuld met slootwater. “Kijk hier eens! Die kan ik wel weggooien. Er zit allemaal water in!” Bas bekijkt het apparaat. “Je hebt een Nokia met zeezicht. Hoe is het met de sigaren?” Jaap tilt het deksel op en houdt het blikje een beetje scheef. Er loopt een bruin straaltje water uit wat zich op het betonnen bruggetje mengt met zijn eigen druipwater. Reden genoeg voor Jaap om een nieuwe serie krachttermen te lanceren. Bas bekijkt het voorwiel van de fiets. Daar mankeert niets aan en daarom vraagt hij: “Zullen we maar op huis aan gaan?”

Op weg naar huis wordt het waterspoor steeds minder. De stank niet en Bas heeft sterk de indruk dat Jaap steeds meer gaat stinken. Bas gaat een stukje achter Jaap rijden en als deze verwonderd achterom kijkt roept Bas: “Je stinkt!” Een nieuwe serie krachttermen rolt over het weidelandschap dat zich weldadig koestert in de voorjaarszon.  “Is je vrouw thuis?” roept Bas als het voorin weer stil is geworden. Het blijft stil en Bas concludeert dat Jaap zich zorgen maakt over de reactie van zijn vrouw.

Op de Knopperslaan slaat Jaap, zonder één woord te zeggen linksaf, richting huis. Bas gaat rechtdoor en als hij langs de bouwput komt staan al zijn maten daar nog. “Schiet het al een beetje op?” vraagt hij. Dat blijkt het geval te zijn en met dit mooie weer zal het ook wel snel drogen. Op de vraag waar Jaap gebleven is antwoordt Bas dat hij naar huis moest om droge, schone kleren aan te trekken maar over de duik in de sloot zegt hij niets. “Ja, een ongeluk zit in een klein hoekje. Het kan je zomaar gebeuren,” meent Walter. Een instemmend gemompel is zijn deel. Ieder vreest de kleine ongelukjes en de ongemakken die het ouder worden met zich mee kan brengen. Ronald redt de situatie door op te merken dat het een prachtige voorjaarsdag is. “Die pakken ze ons niet meer af! En nu ga ik naar huis om even lekker in de tuin te zitten. Kan ik mooi de tulpen zien groeien. Morgen weer?” “Ja,” zeggen de anderen met gedwongen opgewektheid, “morgen weer.”

©peter gortworst

foto’s: www. kikkerije.nl / http://www.wildebloemen.info / www. I1.nl

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie