’t Is altijd ik -3-

‘Weet jij wanneer het dit jaar luilak is?’
‘Luilak? Wat is dat?’
‘Dat is altijd de zaterdag voor Pinksteren, maar ik weet niet op welke dag het dit jaar valt.’
‘Uh ….. even kijken …… Pinksteren valt op 24 en 25 mei.’
‘Dan valt luilak op 23 mei.’
‘Fijn. Nu moet je nog vertellen wat luilak is en of dat iets te maken heeft met het altijd overal de schuld van krijgen.’
‘Het is de enige dag in het jaar dat de jeugd ’s morgens vroeg ongelimiteerd op straat lawaai mag maken. De gedachte daarachter is de goegemeente te laten weten dat we niet lui zijn en daarom begonnen we al om vijf uur. Dat lawaai maken deden we met trommelen op grote conservenblikken en emmers, een verzameling blikjes achter je fiets meeslepen, belletje trekken, op ramen bonken of toeteren op zelfgemaakte toeters. Als het maar lawaai maakte.’
‘En dat was leuk?’
‘Hartstikke leuk. Je kon wraak nemen op mensen die je niet graag mocht. De tandarts bijvoorbeeld. Daar bonkten we op de ramen en lieten dan een glasplaat die we vooraf al apart hadden gezet, op straat vallen. Wij verstopten ons natuurlijk en keken dan hoe de man de deur uitstormde en de ramen van zijn huis ging controleren. Die was dan tenminste wakker. Bij ons in het Zaantje wisten we natuurlijk waar de Verkades woonden, de familie Duyvis, Heijn, Kakes en Waagmeester. Die kregen allemaal hun portie herrie. De dominee was ook altijd de klos, maar die liet ons eerst een tijdje lawaai maken en kwam dan naar buiten met luilakbollen. Het was best een toffe gozer.’
‘Wat zijn luilakbollen?’
‘Warme krentenbollen met stroop.’
‘En waarom ging het voor jou mis?’
‘Het kattenkwaad ging gedurende de jaren over in vandalisme. Er werden fikies gestookt en vernielingen aangericht. De politie moest regelmatig optreden en de brandweer kreeg het druk. Ik haalde toen zelf geen kattenkwaad meer uit, maar ging wel kijken. Ik liep ’s morgens vroeg naar het centrum toen een hele groep jongens mijn kant op rende. Ze werden achternagezeten door de Juten met de lange lat. Ik wist niets beters te doen dan een steeg inrennen en mij verstoppen achter een poort in de schutting. Eén van de Juten had dat gezien en sleepte mij mee naar het bureau. Daar heb ik, samen met 12 andere jongens, tot een uur of 11 vastgezeten. Ik zou hebben meegedaan met het gooien van rotte eieren naar de politieauto’s en de ramen van het bureau. Na een donderpreek van de hoofdcommissaris mochten mijn ouders mij ophalen. Thuis dus weer een preek, terwijl ik werkelijk niets fout had gedaan.’
‘Ze geloofden je niet?’
‘De politie liegt niet.’
‘Ah, zo …. Weet je wat mij opvalt? Het zijn allemaal voorbeelden uit het verleden. Is het nu ook nog zo?’
‘Het is nooit opgehouden en ik denk dat het ook altijd zo blijft. Vorige week overkwam het me weer. Ik werk als vrijwilliger in de voetbalkantine en op maandagavond is het altijd grote schoonmaak. Adjar en zijn vrouw Gade zijn de uitbaters van de kantine. Ze komen uit Syrië en proberen een bestaan op te bouwen. Lieve mensen, maar Adjar is een stresskip. Als het druk is, gaat hij Arabisch praten en doen de vrijwilligers het niet snel meer goed. Gade neemt hem dan even apart en daarna kan je met Adjar weer een half uurtje prettig samenwerken. Nu staan er in de keuken vier frituren. Dat is wel nodig, want er wordt wat afgevreten in een voetbalkantine. Die avond zegt Adjar tegen mij dat de derde frituur schoongemaakt moet worden. De opvangbak staat er al onder. Ik loop naar de frituur, draai de kraan open en ga een emmer met sop halen. Als ik terugkom, staat de vloer blank. Niet met water, maar met frituurolie. Ik draai snel de kraan dicht, maar dat was nutteloos. Alle olie lag al op de vloer en natuurlijk ook onder de andere frituren. Adjar in alle staten. Hij trekt het deurtje van de tweede frituur open en wijst naar de opvangbak. ‘Deze jij moet schoonmaken!’ zegt hij pissig. ‘Dat is de tweede en jij zei dat ik de derde moest schoonmaken.’ Hij was het niet met mij eens. ‘Dit is derde.’ Ik was vergeten, of hij was vergeten dat wij van links naar rechts tellen en in alle drukte telde hij gewoontegetrouw van rechts naar links.’
‘Maar dan was het toch niet jouw fout?’
‘Dat doet er niet toe als je de naam al hebt.’
‘Is er nog meer dan?’
‘Ik ben tweemaal bij het veld weggestuurd, omdat ik te dicht bij een paar vaders stond die te luidruchtig commentaar op de scheids gaven en hun lieve zoontjes aanmoedigden. Ik had geen woord gezegd, maar ik zou er wel bijhoren. Dat doet je naam geen goed.’
‘Dus …..’
‘Ik ga voortaan daar staan waar geen mensen zijn en wat denk je? Eén van die scheidsrechters komt na de wedstrijd naar mij toe en zegt: ‘Mooi dat je er wat van geleerd hebt.’
‘Het zit je niet mee.’
‘Dat denk ik al een hele tijd.’
‘Volgende week meer?’
‘Ja, laten we dat maar doen.’

Onbekend's avatar

About petergortworst

Schrijver van boeken en verhalen.
Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie