Besluiteloos

Nog niet zo heel lang geleden had ik een gedachtewisseling met een bekende over het gedrag van dieren. De vraag was of dieren, bij alles wat ze doen, een doel hebben. Zijn ze altijd bezig met overleven en voortplanten of doen ze ook zo maar iets omdat ze er gewoon zin in hebben? En zou dat gedrag dan ingegeven worden door instinct of kunnen ze er echt over nadenken.

We kwamen op deze vraag door een houtduif die op een lantaarnpaal zat. Hij zat al een tijdje stil om zich heen te kijken toen hij plotseling een rondje door de straat vloog en weer op dezelfde paal ging zitten. Dit herhaalde zich verschillende malen maar de gevlogen rondjes waren niet hetzelfde. Het was geen baltsvlucht en er waren ook geen andere houtduiven die hij misschien moest verjagen.  Ogenschijnlijk vloog hij ‘zomaar’ een rondje. Waarom doet hij dit? Gewoon omdat hij er zin in heeft of is het een instinct wat zegt dat hij dit moet doen?

Ik weet dat je op moet passen met het invullen van menselijk gedrag bij dieren maar wat wij m.i met dieren gemeen hebben is ‘resultaatgedrag’. Wij vertonen en onderhouden vaak gedrag omdat het ons iets oplevert. Een hond gaat doodliggen of geeft een poot omdat iets lekkers of aandacht de beloning is. Bij ons kan het een goed gevoel zijn of een schouderklopje maar ook macht of aanzien. Wie een documentaire bekijkt over een wolvenfamilie leert veel over wolven maar ook over zichzelf.

We kwamen er niet uit. Want wat als je andere menselijke zaken gaat noemen zoals irritatie, pesten, neerslachtigheid of opgewektheid? Een enkele keer kan je misschien zeggen dat je het weet getuige de volgende anekdote over een fazantenhaan:

 

Het is nog vroeg en ik rij met een plezierige snelheid door een mooi stukje Drenthe. Ik ben net een stil dorpje gepasseerd en de weg voert nu door stukjes bos en langs heidevelden. Plukken nevel hangen laag over het land en de zon is een grote oranje bol aan de oostelijke hemel. Het zal niet lang duren en dan heeft zij kracht genoeg om deze ochtendnevel op te lossen. Het wordt vast een mooie dag.

De optocht komt van rechts. Vanuit een paar struiken lopen twee fazantenhennen achter elkaar de weg over. Een mooie haan loopt daar achter. Hij wordt gevolgd door nog twee hennen. Ze vullen precies mijn weghelft. Ik trap op de rem, weet dat ik nooit op tijd voor deze optocht kan stoppen en sla met mijn hand op de claxon. De eerste twee hennen schieten naar links, de laatste twee naar rechts en ik zie de haan twijfelen. Welke kant gaat hij op? Wie van de dames moet hij volgen? Hij kijkt om, kijkt vooruit en blijft besluiteloos midden op de weg staan. Een doffe klap en een wolk van veren. In mijn spiegel zie ik hem over de weg rollen en midden op de rijbaan tot stilstand komen.

Voorzichtig stuur ik de berm in en stap uit. Ik loop terug om de haan van de weg te halen. Hij is echt wel dood. Uit de snavel komt wat bloed en de ogen zijn half dicht. Ik leg hem een stuk van de weg af op een open stukje heide. Een smakelijk en gemakkelijk hapje voor een eventuele vos of buizerd.

Van de hennen geen spoor. In één wrede klap vier weduwen. Besluiteloosheid kan dus ook dodelijk zijn.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.standaard.be / http://www.tremele.nl

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Mollen

“Deze is heel effectief,” zegt de winkeljongen en houdt een kokerachtig, draadstalen voorwerp omhoog. Hij zit op zijn knieën en voor hem ligt een assortiment mollenklemmen. De dame, gekleed in een outfit die uitsluitend verkrijgbaar is bij een zeer select aantal zaken die ‘het buitenlevengevoel’ met exorbitante kleding en dito prijzen verheerlijken, bekijkt aandachtig het metalen kunststukje. “Hoe werkt dat dan?” “Nou, je zet de klem op scherp en dan graaf je de molshoop een beetje af en steek je de val in de gang die omhoog komt. Als de mol dan nieuwe grond naar boven duwt vangt deze val hem.” Ze kijkt zwijgend naar de val in de hand van de jongen en wiebelt een beetje heen en weer op haar exclusieve laarzen. “En is de mol dan ….  uh, dood?” Ze durfde het bijna niet te vragen maar eigenlijk weet ze het antwoord wel. “Als het goed is wel,” antwoord de jongen monter, “en anders moet hij nog even een tik krijgen.”

Ze moet er niet aan denken. Zo’n beestje wat nog leeft en dan nog doodgemaakt moet worden. Olaf, haar man, doet zoiets zeker niet dus het zal wel weer op haar bordje terecht komen. “Er zijn toch ook van die elektronische dingen die de mollen gewoon verjagen?” Voordat de jongen op de grond kan antwoorden klinkt er een harde stem achter haar die zegt: “Moet je niet nemen. Die werken niet. Als ze al wat doen gaan die beesten een stukje verop zitten en als je een grote tuin hebt krijg je alleen maar meer hopen.” Ze draait zich om en bekijkt de man van de stem. Zonder twijfel een agrariër. Blauwe overall, echte klompen en een oud legerpetje op een hoofd dat is getekend door een lang en echt ‘buitenleven’. Op zijn winkelkar liggen vier grote zakken kippenvoer. Dit is iemand uit de praktijk. Dit is iemand met verstand van zaken die haar vast wel kan helpen.

“U heeft er ervaring mee, hoor ik. Welke kan ik het beste nemen?” De man parkeert zijn kar midden in het pad en bukt zich over de verzameling. Dan pakt hij er twee op en na een korte blik op beide laat hij een glimmend zwart gelakt exemplaar weer vallen. Met een rood hoofd komt hij weer overeind. “Deze moet je hebben. Kijk, je knijpt deze handels naar elkaar toe, laat dit pennetje er tussen door komen en haakt dat achter dit lipje. Dan zoek je de gang van de mol, zet de klem in de gang en dek het af met oude bladeren of gras. Elke dag twee keer kijken of de klem uit elkaar staat en als dat zo is heb je hem.” Als demonstratie spant hij de klem en als hij voorzichtig tussen de scharen het lipje indrukt, klapt de klem dicht. “Zo gaat dat.” Bijna trots houdt hij de klem omhoog. Ze is onder de indruk. “Is de mol dan meteen dood?” wil ze weten. “Tja, als ik ze vind zijn ze dood. Als je lijf zo in elkaar gedrukt wordt leef je niet lang meer maar of ze nou meteen dood zijn…… “ Hij staart een tijdje zorgelijk naar de klem.

Heeft zij hem nu aan het denken gezet over het humaan doden van dieren? De buitenmensen hier gaan heel anders met dieren om dan zij gewend is. Hier zijn boerderijhonden die nooit in huis komen, katten die geen eten krijgen omdat ze muizen moeten vangen en kippen die in de pan verdwijnen als ze te weinig eieren leggen. Ze heeft het er wel eens met Olaf over gehad. Volgens hem zijn dieren hier gebruiksvoorwerpen. Ze moeten doen waarvoor ze zijn aangeschaft en als ze het niet meer doen moet je ze vervangen. Hier houden ze geen beesten om te vertroetelen. Een band opbouwen met een dier zoals wij dat kennen is hier niet gebruikelijk. Ze kan dat niet begrijpen. Het is een denkwereld die zo ver van haar wereld verwijderd is dat een beetje inleven al een onmogelijk opgave blijkt. En is deze man nu onbedoeld door haar op andere gedachten aan het komen?

Net als ze met enige trots vast wil stellen dat haar normen vruchtbare grond vinden klaart het gezicht van de agrariër op. “Het kan sneller! Kijk hier! Deze randen van de klem moet je onder een hoek slijpen en als de mol er dan tussen komt wordt hij in tweeën geknipt. Nou, sneller krijg je een beest niet dood!” Ze kan een gevoel van walging amper onderdrukken. Een dood dier in een klem uit de grond trekken is geen prettig idee. Een verminkt lijkje in de koele aarde zien liggen is nog minder. Het is alsof de agrariër haar gedachten kan lezen: “Als ze doorgeknipt zijn laat je hem gewoon liggen. Gang dichtscheppen en klaar is Kees!” Triomfantelijk kijkt hij om zich heen. Dat hij er niet eerder opgekomen was! Een idee uit duizenden! “Nou dame, succes ermee. De goede raad is gratis!” Trots als een pauw loopt hij met zijn kar naar de kassa. Zo voelt verbijstering dus, denkt ze.

De winkeljongen zit nog steeds op zijn knieën. In zijn hand heeft hij de allerbeste mollenklem die er bestaat. “Als u het wilt, slijpen wij die hoek er wel even voor u aan, mevrouw.” “Nee, laat maar. Ik wil iets hebben wat de mol alleen maar vangt. Ze hoeven van mij niet dood.” De jongen kijkt haar even aan en komt dan overeind. “Ik snap het.” Dan buigt zich naar haar toe en bijna fluisterend zegt hij: “Ik mag het van mijn baas niet zeggen maar mijn vader is precies zo. Die wil ook geen dieren dood maken. Die koopt bij de supermarkt van die harde blokjes voor in de wc-pot. Hij hakt ze in kleine stukken en in elke molshoop laat hij een paar van die stukjes vallen. Mollen houden niet van die lucht en verdwijnen dan naar een andere plek. Is dat een idee?” “Als dat echt werkt is het een geweldig idee! Dank je wel!”

Buiten loopt de agrariër. Hij heeft net de kar teruggezet en ziet haar uit de winkel komen. “Mevrouw!” roept hij, “Nog één vraagje! Wat krijg je als je een mol kruist met een olifant?” Voordat ze iets heeft kunnen zeggen loopt hij met zijn armen wijduit van haar weg en roept ondertussen: “Zulke gaten in de tuin!” Zijn bulderende lach rolt over het parkeerterrein en of ze wil of niet, ze lacht met hem mee als een echte agrariër met kiespijn.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.countrylifestyle.nl / http://www.onlineveilingmeester.nl / http://www.tuinadvies.nl / http://www.piepvandaag.nl

…als je het verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar vanuit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

V

We zijn druk bezig met ons verplichte uurtje rust. Wim, die naast de praatzieke Irma ligt, doet alsof hij slaapt. Omdat de stroom van nutteloze wetenswaardigheden betreffende bekende Nederlanders mijn kant op kan komen, vermijd ik daarom ook elk oogcontact. Cas die bij het raam ligt, concentreert zich op de beursberichten in het NRC. Hij is onze opa. Zonder twijfel de oudste van alle patiënten op onze zaal.

Het heeft even geduurd voordat we hem durfden tutoyeren. Het is een ontzettend nette man waar je onbewust beleefd tegen doet. Hij heeft waarschijnlijk een mooi houten bureau op een assurantie- of verzekeringskantoor waar hij, door plichtsbesef, ijver en accuratesse, een zeer gewaardeerde medewerker is.  Hij zal zelden gebruik maken van zijn rekenmachine omdat het sneller met hoofdrekenen kan. Nooit zal hij genoegen nemen met een offerte waarop een globaal bedrag genoemd wordt omdat hij gewend is om zaken tot op de cent nauwkeurig te berekenen.

Het is zo’n lieve opa die zijn kleinkinderen leert schaken en liever verhaaltjes voorleest dan wilde spelletjes doet. Hij zal van zijn kleinkinderen willen weten wat ze op school leren en heeft niets met computergames of voetbalplaatjes.

Het is een monter, klein en mager mannetje met een vriendelijk, open gezicht. Hij doet ook vriendelijk. Is behulpzaam en meelevend maar heeft helaas de verkeerde vrouw getrouwd. Dat merkten wij toen Cas, hangend tussen twee verpleegsters, naar zijn bed werd gebracht. Zijn vrouw volgde met een koffertje. Ze had een norse uitdrukking op haar gezicht en keurde ons geen blik waardig. Zij trok zelf de gele gordijnen om het bed dicht. We keken elkaar aan en we wisten genoeg: voor die moet je oppassen!

Het klinkt misschien een beetje paradoxaal maar Cas geniet van zijn ziekenhuisopname.

Bij het intakegesprek had de zuster gevraagd naar zijn eetgewoonten. Toen Cas hoorde dat er ook havermoutpap als ontbijt was, veerde Cas op. Zijn vrouw vindt dat een slecht ontbijt en sinds zijn trouwen heeft hij dat niet meer gehad. Nu lepelt hij elke morgen zijn dubbele portie havermoutpap naar binnen waarna hij zich gelukzalig op zijn rug draait. De man geniet.

Slagroomsoesjes. Wie er mee begonnen is weten we niet meer. Feit is dat er elke dag slagroomsoesjes zijn en iedereen op zaal is daaraan verslaafd. Partners in crime zijn de bezoekers. Met een wonderbaarlijke vanzelfsprekendheid worden de doosjes in de koelkast gelegd en wel in zulke hoeveelheden dat, zonder angst voor een tekort, ook de zusters en die twee broeders mogen delen uit de voorraad. Alleen de vrouw van Cas doet niet mee. Die neemt plastic bakjes met fruit mee. Voor Cas natuurlijk. De soesjes worden door haar zo misprijzend bekeken dat we soms bang zijn dat de room ter plekke zuur geworden is.

Toen Cas  op een gegeven moment meende dat het zijn beurt was om toch minstens één dosis soesjes te doneren belde hij zijn vrouw. Hij stelde de vraag en keek toen stom en verbaasd in de hoorn. Wij begrepen dat van die kant niet aan onze behoeften zou worden voldaan. We hadden medelijden met Cas en door een paar extra soesjes te voeren probeerden we dat tot uitdrukking te brengen. Hij begreep het en kon onze goede daad wel waarderen. Het lukte hem wel om die avond twintig euro van zijn vrouw af te troggelen. Hij moest toch, tijdens zijn therapeutische wandelingen, iets van een kopje koffie of een rolletje pepermunt kunnen kopen in de ziekenhuiswinkel? De volgende dag hadden we bij de thee een kroket. Geen idee hoe hij deze vorstelijke uitgave aan pepermunt zou verklaren naar zijn vrouw. Zelf scheen hij er niet mee te zitten.

Eigenlijk is dat helemaal niet nodig geweest. Na ieder bezoek van zijn vrouw gaan de bakjes met verse ananas, sinaasappel, kiwi of appel de zaal rond. Het aandeel van Cas in ons welbevinden is groot genoeg.

Zoals al geschreven: Cas geniet van zijn opname. Hij was het ziekenhuis ingegaan met het idee dat het een tijd van kommer en kwel zou worden. Voor een deel is dat natuurlijk ook zo. Je ligt er niet voor een paar zweetvoeten en een ziekenthuis zal het nooit worden. Maar het plezier dat je op een zaal met elkaar kan hebben, zeker na een geslaagde operatie, is nieuw voor hem.

Wij weten dat de zuster die ’s avonds laat met de medicijnenkar haar ronde maakt, ook een paar glaasjes met jonge jenever bij zich heeft. Er zijn nu eenmaal patiënten die niet kunnen slapen voordat ze hun borreltje hebben gehad. In ruil voor een paar soesje lukt het om drie glaasjes te bemachtigen. Eén voor Wim, één voor mij en één voor Cas die even ligt te slapen. Zodra de zuster weg is maakten we Cas wakker en geven hem zijn glaasje. Ik denk niet dat zijn vrouw ooit deze gelukzalige glimlach op zijn gezicht heeft gezien. Half liggend in bed en  met de ogen dicht, neemt hij kleine nipjes. Hij vertelt dat het lang geleden is dat hij dit heeft gedronken. Aan het effect dat dit ene, inmiddels lege glaasje geeft, kunnen wij dat ook wel vermoeden. Hij is giechelend aan het praten geslagen. Overmoedig deelt hij ons mee dat, zodra hij thuis is, er een fles jonge jenever komt. Het zwaarste dat hij mag drinken is een glaasje rode port maar vanaf nu wordt dat helemaal anders. En hij zal zelf wel zijn havermoutpap gaan koken. Hij is oud en wijs genoeg om zelf te beslissen wat goed voor hem is en waar hij van wil genieten. Daar heeft hij zijn vrouw niet voor nodig. Wat denkt ze wel! In de wetenschap dat morgen alles weer ontnuchterend normaal zal zijn, geven we hem helemaal gelijk en zijn het zelfs hartgrondig met hem eens.

De dokter is langs geweest. Cas heeft te horen gekregen dat hij morgen naar huis mag. Hij ligt op zijn bed en staart naar het plafond. Na enige tijd zucht hij diep en belt dan zijn vrouw. We horen dat hij afspreekt hoe laat ze hem komt halen. Na dit korte gesprek gaat hij weer liggen. Net als we denken dat hij in slaap is gevallen, komt hij overeind. In zichzelf mompelend loopt hij naar zijn kast. Hij doet zijn pyjamajasje uit en trek een overhemd aan. Hij moet zijn adem inhouden om de knoopjes rond zijn buik dicht te krijgen. We zijn bang dat de knoopjes als rijpe zaden wegschieten zodra hij de adem weer loslaat. Zo ver laat Cas het niet komen en trekt het overhemd weer uit. De pyjamabroek gaat uit en met zijn witte spillebenen stapt Cas in zijn nette broek. De rits vormt een perfecte ‘V’ maar de kans dat deze ooit sluit is nihil. Het is bijna symbolisch. Cas heeft de ‘V’ van vrijheid bereikt maar zal deze weer kwijtraken zodra hij thuis is. Hij heeft als een ontsnapte teckel geroken aan de vrijheid, is achter lekkere geuren, konijnen en opdwarrelende bladeren gegaan maar zal weer terug moeten naar de status van brave schoothond. De ‘V’ van vrijheid is blijkbaar ook de ‘V’ van verloren en zal nog heel lang de ‘V’ van verlangen zijn.

Cas pakt de telefoon en belt zijn vrouw. “Je moet even bij de buurman langs en een overhemd en broek van hem lenen. Ik pas alleen mijn sokken nog,” laat hij weten.

Met een overhemd waarvan de manchetten over zijn handen schuiven en een te grote slobberbroek neemt Cas de volgende dag afscheid. Zijn vrouw staat ongeduldig bij de deur te wachten. Cas neemt zijn tijd. Iedereen krijgt een hand, wordt bedankt en waar nodig heeft hij ook nog een paar mooie woorden. Bij de deur zwaait hij nog even. Zijn vrouw knikt glimlachend naar ons. Een glimlach voor ons? Dju, daar zijn we wel even stil van.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.bakedlouies.com / http://www.about-tea.de / http://www.dachshundklub.de

….als je het verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Sanne

“Siem! Siem!” roept zijn vrouw van boven.
“Ja, ik ben er al!” roept hij terug en komt uit zijn hoekplaatsje van de bank.
Terwijl hij de trap op loopt vraagt ze:
“Breng jij Sanne verder naar bed? Ze is al gewassen en heeft haar pyjama aan. Tanden poetsen moet nog wel.”

Hun jongste dochter, een nakomertje, staat naast haar moeder boven aan de trap en roept: “Pappa doen!”
Hij grijnst naar haar en zegt:
“Kom maar, we doen het wel samen.”
Hij neemt haar mee naar de wastafel op haar kamer, pakt de tandenborstel, maakt hem nat en doet er een beetje tandpasta op.

Hij draait zich naar haar toe en zegt:
“Doe maar open.”
Sanne kijkt echter de andere kant op en zegt zeer beslist: “Niet Pappa doen! Sanne doen!”
Hij wacht even maar ze lijkt niet van gedachten te veranderen.
“Goed, Sanne doen,” en geeft haar de tandenborstel.
Ze steekt hem in haar mond, beweegt de borstel even heen en weer en begint er dan op te kauwen. En dikke druppel wit vocht loopt over haar kin naar beneden. Voor het op haar pyjama kan vallen heeft hij het met de handdoek opgevangen.
“Moet Pappa verder helpen?” vraagt hij.
Ze zegt niets maar houdt haar hoofd, met de borstel in haar mond, een beetje omhoog als teken dat het wel mag. Hij poetst zorgvuldig het gebit en geeft haar de plastic beker met spoelwater. Ze laat een grote slok in haar mond lopen en zet dan de beker naast de wasbak. Hij is net te laat. Met een klap landt de beker op de grond en hij voelt zijn rechter sok nat worden. Terwijl hij zich bukt om de beker op te rapen sproeit zij met kracht de grote slok naar buiten en hij weet dat de spiegel het doelwit is.
“Sanne stout” zegt ze en kijkt met voldoening naar de spiegel waarop witte straaltjes naar beneden lopen.
“Sanne klein beetje stout” zegt hij en doet een vergeefse poging de spiegel met de handdoek schoon te maken.
“Geeft niet. Kom maar, Sanne gaat slapen.”

Hij pakt haar hand en brengt haar naar bed.
“Knuf ook!” zegt Sanne en pakt het knuffelkonijn van de stoel.
Ze kruipt onder het dekbed, legt Knuf tegen de zijkant van haar hals en knikt haar hoofd daar overheen.

“Gaan we een liedje zingen of moet pappa een verhaaltje vertellen?”
Ze denkt even na en zegt:
“Manenschijn!”
Ze zingen samen het liedje met alle bijbehorende gebaren. Daarna is de grote paddenstoel met witte stippen aan de beurt en tot slot vier coupletten van de poppenkraam.

Hij buigt zich over haar heen en legt zijn wang tegen de hare. Hij ruikt de geur van shampoo. Gewoontegetrouw zoent hij haar op beide wangen, voorhoofd en het puntje van haar neus.
“Welterusten lieve Sanne.”
Ze kijkt hem nadenkend aan en zegt zachtjes:
“Mamma huilen”
Hij weet het en zegt:
“Mamma is een beetje verdrietig. Sanne gaat nu slapen en pappa gaat mamma helpen. Is dat goed?”
“Ja, Sanne slapen” zegt ze en het klinkt tevreden.

Hij staat op en loopt naar de deur. Voor hij het licht uitdraait kijkt hij nog even naar zijn dochter: een beginnende puber met het verstand van een driejarige. Haar laatste nacht thuis.

© Peter Gortworst 

afbeeldingen: http://www.pixabay.com / http://www.koopkeus.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 8 reacties

Kinderogen

Het einde van het jaar nadert. Velen zoeken de gezelligheid en de sfeer in het centrum van de stad. Om in de juiste stemming te komen is consumeren van bratwurst en glühwein en het slenteren langs de kraampjes met kilo’s zoetigheid, noten en zoute pretzels, schijnbaar het beste medicijn.

Het is zo druk dat zelfs het, bij weinig mensen bekende parkeerterrein achter de kerk, vol staat. Op zoek naar een andere parkeerplek kom ik langs het verzorgingshuis waar mijn oude buurvrouw woont. In een vlaag van goede wil en mooie gedachten besluit ik haar een bezoek te brengen. De ervaring heeft mij geleerd dat bewoners van dit soort instellingen regelmatig intern verhuizen en ik meld mij daarom bij de receptie. Daar word ik verwezen naar de gesloten afdeling. Dit belooft niet veel goeds.

Ze is tot in de wijde omgeving bekend. Wanneer men vraagt waar je woont, zijn de woorden “Het huis naast Johanna Berendzen” genoeg. Dankzij een zeer arbeidzaam leven kent ze en wordt ze gekend door veel mensen. Ze is al 84 als ik haar buurman wordt. Ze staat altijd vroeg op en is druk met haar immense tuin, haar huis, de kerk, het bezoeken en rijden van vriendinnen met haar auto en het in de gaten houden van alle mensen in de straat. Als ik, uit overwegingen van privacy, drie meter schutting tussen mijn en haar erf zet zijn de klachten die de verschillende buren over mij te horen krijgen, niet van de lucht. Ze kan niets meer zien.

Het is een vrouw met eigenaardigheden. Daar zijn inderdaad aardige bij maar ook een paar mindere. Discussies gaat ze niet aan. Takken van een boom die over haar tuin groeien, moeten weg evenals een klimop die haar garagedeur belaagd. Hulp bij kleine technische gebreken in en om het huis wordt als vanzelfsprekend ervaren. De mol die het waagt haar gazon te ondergraven komt natuurlijk uit mijn tuin en ik heb er maar voor te zorgen dat het opgelost wordt. Onkruid wat aan de rand van haar tuin groeit, komt ook bij mij vandaan en het uitgetrokken groen gooit ze zonder schaamte over het hekje. Katten worden met alles wat voorhanden is bekogeld en elke hondendrol op straat komt uit mijn hond. Dat het beest uit pure aangeboren discretie gewoon is om alleen maar in de dekking van struiken zijn behoefte te doen, is baarlijke onzin en wordt dus niet geloofd. Ik maak mij hier niet al te druk om. Een rug met tefalbekleding doet wonderen.

Soms spreekt ze over haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen. Heel af en toe komen die ook bij haar op bezoek. Groot is de schrik als ze vertelt dat haar schoonzoon aan een hartfalen is overleden en groot de verbazing over de manier waarop ze het meedeelt: emotieloos, koud bijna. Dat is een klein jaar later iets anders. Haar dochter, alleen thuis, is onwel geworden. Ze valt door de ruit van een tussendeur en bloedt letterlijk leeg. Ze staat heel even te huilen.

Natúúrlijk was dat maar heel even. In haar lange leven heeft ze al zoveel gehuild. Haar dochter was van een man die niemand kende. Niemand, behalve Johanna en haar ouders, heeft ooit geweten wie de vader van haar dochter was. Johanna’s vader had beslist dat het kind niet in zijn huis kwam. Hij was een vooraanstaand man met tal van maarschappelijke en kerkelijke functies. In die jaren en in dit land van orde en netheid was dat onbestaanbaar. En wat moest Johanna? Ze had geen geld en waar moest ze heen als jonge ongehuwde moeder? Het kind werd bij een pleeggezin ondergebracht en sporadisch kon en mocht Johanna haar dochter zien. Johanna is gaan werken. Veel en hard. Talloos moeten de avonden en nachten zijn geweest waarin ze alleen met zichzelf was. Onnoembaar het aantal tranen die gevloeid moeten zijn. Ze is altijd alleen gebleven. In weerwil van alles trots, sterk en onverzettelijk maar de relatie met haar dochter was altijd moeizaam.

Als bij een krachtmens de ontreddering, de zwakheid en hulpeloosheid dat iets als dementie met zich meedraagt, toeslaat, is dat fysiek zichtbaar. De statige, trotse, sterke Johanna is verschrompeld tot een zielig hoopje mens in een rolstoel. Voorovergebogen, haar kin op de borst en met haar handen in haar schoot, zit ze in een hoekje van de recreatiezaal. Ik pak een stoel en ga schuin tegenover haar zitten. Dan leg ik mijn hand op haar schouder. “Dag Johanna”, zeg ik. Ze schrikt een beetje en kijkt voor het eerst op. Ik kijk in de oude ogen van een kind.

Ik noem mijn naam maar ze herkent mij niet. Bijna plichtmatig grijnst ze even en zakt dan weer met haar hoofd naar beneden. Ik probeer contact met haar te krijgen maar dat lukt niet. Blijven heeft geen zin. Ik ga staan, aai even over haar kromme rug en hoop dat ze geestelijk terug is naar de tijd dat alles nog goed was. De tijd van geliefd zijn, zorgeloosheid, zonneschijn en speelsheid. De tijd van dromen over een mooie toekomst en een wereld die aan je voeten ligt. “Dag meisje”, zeg ik maar ze reageert niet.

 

© peter gortworst / jan. 2015

foto’s: http://www.ticketspy.nl / http://www.godschrift.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 9 reacties

Ekster en de domheid -2-

Er zijn een aantal jaren voorbij gegaan in het bos. Ekster is niet meer gezien en dus zijn de leefomstandigheden niet zoals ze eens waren. Opvallend hoe snel men went aan goede tijden en hoe slecht men aarden kan als het eens iets minder gaat. Dat heeft slechts zijdelings iets van doen met de komst van de Alpenkraaien. Natuurlijk, er was wel wat gewenning nodig van beide kanten maar toegegeven, het is ze gelukt om in goede harmonie naast elkaar te wonen. Niet met elkaar. Dat is nog te veel gevraagd voor de meesten. Toen er eens een jonge blom van de Bonte Kraaien het aanlegde met zo’n roodgesnavelde Alpenkraai spraken de meesten er schande van. Hoewel de Bonte Kraaien het met hun partnerkeuze niet zo nauw nemen, ging zelfs hun dit te ver. Het zijn toch buitenlanders met een heel andere cultuur. Toen bleek dat de kuikens van dit vreemde stel roze snavels hadden die notabene fier rechtop stonden en er een opvallend verwijfd bont kraagje in de nek zat, was het bos te klein en in een donkere nacht is het gezinnetje met onbestemde bestemming vertrokken. Er wordt gefluisterd dat ze in een ver land bij Paradijsvogel zijn ingetrokken maar niemand die dat zeker weet.

Vlaamse Gaai had er natuurlijk zijn mening over klaar maar zijn volgelingen zijn niet meer zo talrijk. Helaas is het aantal omgekeerd evenredig aan het fanatisme. Menigeen stoort zich zo langzamerhand aan hem maar wat moet je? Hij is er nu eenmaal en er valt met hem en zijn kornuiten best te leven als je hun geringe aantal in gedachten houdt. Bovendien kom je met negeren en doen alsof ze er niet toe doen, een heel eind.

Nee, het gaat gewoon iets minder in het bos omdat iedereen het gevoel heeft te moeten overleven. Er is te veel dreiging van buiten, steeds meer familieleden voelen zich niet meer veilig, er vinden opvallend vaak lelijke ongelukken plaats en, niet geheel onbelangrijk voor vogels in het algemeen, lijkt het wel steeds vaker en steeds harder te waaien. Vlaamse Gaai meent dat het komt doordat ze met teveel zijn. Hij wijst zijn toehoorders er op dat ze zelf de wind maken door even met zijn vleugels te wapperen. Een paar losse blaadje dwarrelden op en alsof ze het nog nooit zelf hebben ontdekt joelen zijn toehoorders bij het zien van deze natuurkundige logica. “Hier in ons eigen bos ging dat nog. Maar sinds die Alpenkraaien er zijn is het alleen maar erger geworden. We zijn hier al met te veel en die stormen betekenen dat er in landen, hier niet zo heel ver vandaan, miljoenen zijn die ook fladderen en daarmee ons de stormen leveren. Wat denken jullie als al die fladderaars hier naar toe komen? Er blijft geen boom overeind staan!”, betoogt hij. Menigeen vindt dat onzin maar ja, er zit ook wel iets in en je weet niet zeker of er toch niet iets van waar kan zijn.

Wat node gemist wordt is visie. Niemand weet wat er met de samenleving van deze familie Kraai moet gebeuren. Niet op korte termijn en al helemaal niet op lange termijn. De zorgen van alledag kosten zoveel energie dat het nadenken over een langetermijnvisie wel twee bruggen te ver is. Eén van de oude Roeken, die de tijd nog heeft meegemaakt dat het bos in opbouw was, is met Raaf gaan praten. Die heeft net zijn Eksternest verkocht.

Hij had het nest van Ekster gekregen maar het is hem te bewerkelijk. Het dak boven zijn nest is vervallen en omdat hij geen ervaring met daken boven nesten heeft was hij blij het te kunnen verkopen aan een gezinnetje van de Alpenkraaien. Die kunnen het makkelijk betalen. Zij verdienen goed met het verkopen van lekkere hapjes uit zuidelijke streken. Zij slijten hun waren op plaatsen waar men zich verpoost. Het is even wennen voor de traditionele eters maar zoals zo vaak neemt de jeugd het voortouw en nu hoort het lekkers er helemaal bij. Het is zelfs zo gewoon geworden dat een avondje stappen niet af is zonder een zuidelijk hapje halen bij de Alpenkraai.

Roek en Raaf spreken lang en vaak met elkaar. Uiteraard in het geheim want de takken hebben oren. Soms, als het echt lastig en moeilijk wordt, komt Ekster er bij zitten en samen ontwikkelen ze een langetermijnvisie. Het moet een duidelijk verhaal worden. Het moet aanwijsbaar voordeel hebben voor iedereen. Niemand mag er op achteruit gaan maar al pratend en nadenkend komen ze tot de conclusie dat niet alleen de visie een lange termijn kent maar dat ook de voordelen pas na lange tijd zichtbaar zullen worden. Ze ontkomen niet aan de woorden ‘zuur’ en ‘zoet’. Alles hangt af van de presentatie. Hoe kan je de anderen overtuigen van jouw visie. Wat zeg je wel, wat zeg je niet en welke woorden kies je en niet geheel onbelangrijk, wie gaat dat doen? Ekster ziet het niet zitten. Hij blijft liever uit het zicht maar wil wel, wanneer nodig, zijn raad geven. Door zijn connecties met de mensenwereld is hij daar uitermate geschikt voor. Raaf kan het niet. Zijn positie moet onafhankelijkheid blijven uitstralen dus beiden kijken naar Roek. Die grapt dat ze van nature al de broek aanhebben en als ze uitgelachen zijn komt hij op de proppen met een jonge neef. Welbespraakt, vrijgezel en een innemende persoonlijkheid met een aanstekelijke lach die in deze sombere tijden goed van pas kan komen. Nog even komt de vraag op tafel of ze Vlaamse Gaai vooraf zullen vertellen wat de plannen zijn maar na ampel beraad vinden ze dat niet nodig.

De vergadering wordt matig bezocht. Het lijkt wel of men er niet meer zo in gelooft. De aankondiging was wervend genoeg maar ook hier eisen de dagelijkse zorgen hun tol. “Ze doen maar. Ze hebben toch geen oog meer voor de gewone Kraai”, hoor je vaak zeggen. Vlaamse Gaai met zijn kornuiten de Kauwtjes zijn er natuurlijk wel. Demonstratief zijn zij helemaal rechts, daar waar de distelstruiken beginnen, gaan zitten. Zo kunnen ze alles goed overzien en zitten ze niet onopgemerkt tussen al die anderen. Een beetje apartheid kan geen kwaad toch?

Raaf heet iedereen hartelijk welkom op deze belangrijke vergadering en geeft graag het woord aan Neef Roek. De Kauwtjes en Vlaamse Gaai kijken elkaar aan. Wat moet Neef Roek daar? Wie denkt hij wel dat hij is? En net als Vlaamse Gaai het hoogste woord wil gaan voeren over deze nepvergadering landt er een vreemde vogel precies op het kleine stukje gras tussen Vlaamse Gaai en Neef Roek. Zwaar hijgend blijft de vreemde vogel doodstil zitten. Een paar Kauwtjes gaan beschermend om Vlaamse Gaai zitten en niet zonder reden. Die vreemde vogel is gemaskerd. Hij is grijs en wit met hier en daar wat zwart maar dat masker en die donkere ogen maken hem verdacht. Wie is dit? Waar komt hij zo plotseling vandaan en waarom is hij hier? Twee Zwarte Kraaien lopen voorzichtig naar deze vreemdeling toe. Die opent zijn ogen en glimlacht even voorzichtig. “We hebben het gehaald,” zegt hij dan nauwelijks hoorbaar. De Zwarte Kraaien kijken elkaar verbaasd aan en vragen dan: “Wie hebben wat gehaald?” maar voordat de vreemdeling kan antwoorden valt het antwoord al letterlijk uit de lucht. Een grote zwerm van diezelfde vreemdelingen landt op het grasveldje en in de omliggende bomen. Allemaal grijswit, allemaal gemaskerd en allemaal uitgeput. “Het bos! Het bos is gehaald. We moesten vluchten”, zegt de vreemdeling tegen de Zwarte Kraaien, “ons land staat in brand en daar is niets meer. Geen bomen, geen eten, niets! Alles is weg! Maar sta mij toe mij even voor te stellen. Ik ben Klapekster, aangenaam kennis met u te maken.”

Raaf en Neef Roek kijken elkaar aan. Een half woord is hier genoeg. Dit zijn geen boeven. Dit zijn stakkers die verzorgd moeten worden en wel snel. De vergadering kan wel wachten en met een zelden vertoonde kordaatheid worden bed, bad en brood geregeld. Alleen Vlaamse Gaai onttrekt zich aan het ledigen van de nood. Hij heeft zich met zijn kornuiten teruggetrokken en beraadt zich.

 

©peter gortworst / nov 2015

foto’s: http://www.pbase.com / http://www.ilovenoord.nl / http://www.natuurinbeeld.net / http://www.vogelsindekempen.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Spreeuwen en een jan van gent

Camperduin,  zaterdag 7 oktober 1970, 5.00 uur.

Vogeltrekweekend van de CJN.

Robert heeft ons wakker gemaakt. Aan de balken van het dak branden twee armzalige peertjes. Ik kijk om mij heen. Mijn medevogelaars verrijzen uit het stro. Slapen in een slaapzak op het losse stro is verrassend comfortabel als je een potdichte stofneus voor lief neemt. We wassen ons met koud water. Een gewone boerenschuur is niet van veel gemakken voorzien. Ik ga aan de lange eettafel zitten. Het duurt even voordat iedereen er is. Monter aan het ontbijt zitten na een hele gezellige avond en korte nacht is niet voor iedereen weggelegd.

Henk zit naast mij. Hij komt uit Alkmaar en we kennen elkaar al een aantal jaren. Ik zou het prettig vinden als wij samen op één post kwamen te zitten. Hij weet jaloersmakend veel van vogels af en met hem op excursie gaan is een feest. Bij het kleinste toontje weet hij welk vogeltje daar zit en veel van mijn kennis heb ik aan hem te danken. “Het is wel koud maar de wind is gunstig en het is droog”, vertelt hij mij, “Als dat straks ook zo is, kan het een mooie teldag worden.”

De kookploeg komt met de gamel. Havermoutpap, heet en nauwelijks vloeibaar. Het blijft als de Mount Everest in mijn mestin liggen. Een beter ontbijt bestaat er niet.

De leiding vertelt hoe de verdeling is. Eén post komt halverwege de Hondsbossche zeewering, één bij de basaltbergen aan het begin van de dijk en één post op het hoge duin. We worden verdeelt en gelukkig zit ik met Henk, Robert, Dick en Ans bij de basaltbergen. Om half zeven gaat de telling beginnen en de mensen die halverwege de dijk zitten stappen al op de fiets. Wij wachten nog even omdat het maar een klein stukje lopen is.

De post bij de basaltbergen is een gewilde post. De blokken basalt die daar liggen worden gebruikt om de dijk te herstellen. De hoeveelheid blokken scheelt nog wel eens. Soms ligt er bijna niets maar nu liggen ze daar huizenhoog en je bent even bezig als je er omheen wilt lopen. Wanneer de wind, zoals vandaag, vanuit zee komt weet je zeker dat de trekvogels aan de binnenkant van de dijk vliegen en kan je dus ook aan de luwzijde van de berg blokken gaan zitten om te tellen.

 

We gaan op weg. Camperduin is geen badplaats van internationale allure en in het enige hotel is alles donker. Bij de basaltbergen aangekomen begint het wachten. Het is koud en met onze handen in de zakken kijken we naar het oosten. Daar wordt het langzaam licht. Vanuit het binnendijkse land horen we het te-piet te-piet te-piet van een paar scholeksters. Verder hoor je alleen de branding ruisen. Om half zeven schrijft Dick de tijd in zijn boekje. Na vijf minuten doet hij dat weer en na weer vijf minuten opnieuw. Er is nog geen vogel voorbij gekomen. Een paar minuten voor zeven komt er een groepje kramsvogels voorbij. Kort daarna twee kauwtjes en een houtduif. Dan weer niets. Een groep spreeuwen vliegt langs en we tellen er 75. Ze zijn nog niet uit het zicht verdwenen of daar komt de volgende groep spreeuwen. Een langgerekte sliert die we schatten op 300 vogels. Het houdt niet op. De ene grote groep volgt na de andere. Als het zo doorgaat komen we in de duizenden en we besluiten dat Ans en Robert alleen maar de spreeuwen gaan tellen. Henk en ik neem alle andere soorten voor onze rekening. Dick schrijft zijn vingers nog blauwer dan ze door de kou al zijn. Robert en Ans geven ongelooflijke aantallen door terwijl wij slechts af en toe iets roepen van: “Graspieper tien, Kneu vijf, nog twintig gras, drie roeken”

“Ik moet even,” zegt Henk en hij verdwijnt naar de andere kant van de berg. Het tellen gaat door en als Henk terug komt kijkt hij naar de vele voorbij trekkende spreeuwen. “Hou maar op”, zegt hij dan, “De hele spreeuwentelling kan in de prullenbak.” Verbazing en onbegrip. Hoezo de telling in de prullenbak? “Simpel, ik sta daar en terwijl ik bezig ben kijk ik wat om mij heen en zie ik achter mij spreeuwen naar het noorden vliegen. Let maar op, hele groepen vliegen een rondje, of misschien wel meerdere rondjes, om deze bergen heen!” “En die tellen we dan twee of meer keren,” steunt Ans. “Maar waarom doen ze dat?” vraagt Robert zich af. We weten het niet maar als wij niet zo lekker in de luwte waren gaan zitten, hadden we het kunnen zien.

“Wat nu?” vraagt Dick. We besluiten geen spreeuwen meer te tellen en ons alleen te richten op de overige soorten. Langzamerhand krijgen we het koud. Ans is gaan schrijven omdat Dick geen streepje meer op papier krijgt. Met een waterige neus en zijn handen diep in de zakken staat hij over het binnendijkse land te staren. We zijn teleurgesteld door de foute telling en bijzaken als een koude wind, worden dan hoofdzaken. We tellen tot de afgesproken tijd en gaan dan naar de boerderij.

Het duurt even voor wij er de humor van inzien. Goed, de telling is naar de filistijnen, het vroege opstaan was voor niets maar het verhaal is mooi. Een groot wetenschappelijk belang zit er niet aan vast dus kunnen we er uiteindelijk wel om lachen. De warme chocolademelk doet ons goed en de bijzondere waarnemingen worden gedeeld. Eén van de mensen die halverwege de dijk zaten, heeft af toe over zee gekeken en ontdekte dat daar behoorlijk wat activiteit was. Het plan wordt geboren om na het eten voor de liefhebbers zeetrek te gaan bekijken.

We liggen met zijn zessen op onze buik tegen de dijk. De verrekijker voor de ogen en de ellebogen op de grond. Het is inderdaad behoorlijk druk. Er vliegen veel zwarte zee-eenden voorbij en we weten dat we ze niet eens allemaal zien. Als ze in een golfdal vliegen zijn ze voorbij voordat dat je er erg in hebt. Bergeenden, wintertalingen en toppereenden vliegen wat hoger en zijn makkelijker te bekijken. “Jan van gent,” hoor ik Henk zeggen en bijna op hetzelfde moment komt deze vogel bij mij in beeld. Nog nooit heb ik deze in het wild gezien en met groot genoegen zie ik dat het plaatje klopt. Een grote, licht gekleurde vogel met duidelijk zichtbare, donkere vleugeltoppen. Hij vliegt net boven de horizon en je ziet hem gebruik maken van de wind. Ik kijk hem na tot hij in de verte verdwenen is en voel mij gelukkig en bevoorrecht. Henk ligt naast mij door zijn kijker te turen en uit pure verrukking geef ik een stomp tegen zijn schouder. Hij grijnst naar mij en zegt: “Mooi hé?”

We blijven tot het te donker is om nog iets te zien. Pas als we op de fiets stappen voel ik hoe koud het is. In de boerderij begin ik te klappertanden en zelfs een bord warme macaroni met ham en kaas helpt niet. Ik ga in mijn slaapzak bij de kachel zitten en langzamerhand kom ik weer op temperatuur. Het zou best kunnen dat ik morgen flink verkouden ben maar nu kan mij dat even niets schelen. Die spreeuwen en die jan van gent….. Mooi hé!?

 

© peter gortworst / dec 2014

foto’s: http://www.groensalland.nl / http://www.aorta.nu / http://www.dutchbirding.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , | 1 reactie

NOW !!

In Engeland zijn de voetpaden die dwars door weilanden gaan, de leukste. Ook hier, aan de noordkant van de Brecon Beacons in Wales, liggen talloze mogelijkheden voor het maken van mooie wandelingen. Wij, vader, moeder, twee dochters en een zoon, kiezen geen wandeling maar een gebied waar we willen lopen. Het geeft de meeste kans op avontuurlijke tochten. Soms ontkom je er niet aan en loopt de wandelroute door dorpen of over verharde wegen. Zo ook deze.

wales

We kunnen niet anders. We moeten dit doodstille dorpje in. Links en rechts van de weg wat eenzame huizen. Verderop staat een huis met een ommuurde tuin schijnbaar midden op de weg. De twee rijstroken splitsen zich, buigen om het huis heen en komen dan weer bij elkaar. Op de muur een bordje met een pijl naar rechts en de woorden ‘publiek toilet’. De dames weten zeker dat dit een bezienswaardigheid van formaat is en laten de heren achter.

Leunend tegen de tuinmuur horen deze heren achter hen een deur dicht slaan en als zij omkijken, staat daar een oude, zeer kromme man met wandelstok. “Moi” zegt de man en via een smal tuinpad komt hij naar ons toe. Hij is niet nieuwsgierig maar wil wel weten waar wij vandaan komen, waar we verblijven en hoe lang, wat we al gezien hebben aan bezienswaardigheden, welke wandeling we gedaan hebben en wat we vinden van zijn land. Bereidwillig geven we de goede antwoorden en loven zijn engelenland de hemel in.

De dames zijn ondertussen klaar met hun bezichtiging en hun komst doet de man zichtbaar goed. Hij lacht vriendelijk een stel bruine tanden bloot en vraagt op bijna samenzweerderige toon of wij de kerk willen zien. Dat willen wij maar nergens zien wij een kerk. “Follow me” zegt hij en via een smal paadje tussen de bomen door komen wij bij een kleine kerk met een heuse toren. Veel hoger dan de omringende bomen is deze niet. Zonder deze man zouden wij in onwetendheid doorgelopen zijn.

Aa_stbartschurch_sealand_flintshire_wales

Via de torendeur laat hij ons binnen. Tot onze verrassing hangen daar de touwen die de acht klokken kunnen laten luiden. Wie had kunnen denken dat er in deze kleine toren acht klokken hun plaats vinden? Onze gids maakt daar echter geen woorden aan vuil en gaat ons voor. In de kerkruimte laat hij, bijna ongeïnteresseerd van alles zien. Het gaat niet in sneltreinvaart maar wel zo snel dat wij beginnen te vermoeden dat hij spijt heeft van zijn aanbod. Als laatste trekt hij achter in de kerk een zwaar, donkerrood gordijn opzij en onthult een wand vol met foto’s.

Nu wordt de werkelijke reden van zijn aanbod duidelijk. Op alle foto’s staat onze gids en op alle foto’s in gezelschap van een lokale, regionale of landelijke bekendheid. Op de foto’s links is het nog een jonge vent. Naar rechts wordt hij steeds een beetje ouder en krommer. Hij heeft nu zeeën van tijd en vertelt honderuit. Alleen bij de grote foto van hem met Tom Jones zwijgt hij plechtig. Het beeld spreekt voor zich. Alles wat je bij deze foto van hem, samen met deze wereldberoemde godheid zegt, is te veel en dat weet hij.

tomjones-1976--a

We hebben het, na zeker zeventig foto’s wel gezien. We nemen afscheid. Mijn jongste dochter vraagt of ze een foto van hem mag maken. Dat vindt hij een goed idee en direct neemt deze deskundige de regie in handen. Mijn dochter wordt duidelijk gemaakt waar ze moet staan. Nadrukkelijk zegt hij te wachten tot hij het sein geeft. Zorgvuldig kiest hij zijn plaats. Dan verstopt hij zijn stok achter zijn been. Richt zich, bijna hoorbaar krakend, met zichtbare moeite op tot hij kaarsrecht staat, tovert een grijns op zijn gezicht en met ingehouden adem piept hij “NOW”. De camera klikt en de gids zakt met een diepe zucht weer terug in zijn oude, kromme stand.

Nee, we hoeven de foto niet op te sturen. Een foto aan zijn wand waar hij alleen op staat zou blijk geven van een hoge eigendunk en daar komen maar praatjes van. Een foto samen met ons is ook niet nodig. Wij constateren met enige spijt dat onze bekendheid niet groot genoeg is. Toch een gemiste kans voor deze beminnelijke grijsaard. Zijn foto, jaren later, op het wereldwijde web had zijn ego beslist goed gedaan.

 

© peter gortworst

foto’s: http://www.visitwales.com / en.wikipedia.org / http://www.hellomagazine.com

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Eén van die dagen

Ze wordt uit zichzelf wakker. Staart even naar het plafond en realiseert zich dat er iets niet klopt. Uit zichzelf wakker worden is een zeldzaamheid die alleen tijdens een vakantie voorkomt. Ze draait haar hoofd en kijkt naar de knipperde cijfers op haar wekker. 00.00 leest ze.  00,00Met een schok bedenkt zij dat de wekker nog van slag is. In een poging tot zelfredzaamheid had ze gisteravond een schemerlampje gerepareerd. Een vrouw alleen moet soms toch wat. Iets was nu niet goed gegaan. Toen ze het lampje inschakelde was de aardlekschakelaar uitgevallen. Die schakelaar weer in de goede stand zetten was geen probleem voor haar. Dat had ze al vaker moeten doen maar dit keer was ze dus vergeten alle klokken weer goed te zetten.

Een hevige ongerustheid maakte zich van haar meester. Hoe laat is het nu werkelijk? Ze schiet haar kamerjas aan en rent de trap af naar beneden want in de keuken hangt een klok op batterijen. De kans om ook maar één tel op de klok te kijken wordt haar ontnomen doordat ze met haar blote voet op iets glibberigs stapt. Haar rechterbeen schiet ongecontroleerd onder haar vandaan en ze beland, schuivend over het linoleum, tegen de kleine keukentafel. Het ontbijtbordje, bestek en het glas voor de jus d’orange, wat ze elke avond klaar zet, vallen naast haar op de grond. Het glas blijft wonderlijk genoeg heel. Het bordje niet.

bord

Ze krabbelt overeind en ziet dat het half negen is. Ze had dus al een half uur op haar werk moeten zijn. Het glibberige onder haar voet behoort bij de maaginhoud van haar kat. Ze wast haar voet in het aanrecht en veegt met een stuk keukenrol de vloer schoon. Dan raapt zij de scherven van het bord bij elkaar en haast zich naar boven. Tijd om te douchen is er niet. Ze maakt zich minimaal op, creëert een noodkapsel, schiet in de kleren en haast zich weer naar beneden. Wil ze niet voor de middagpauze flauw vallen van de honger, zal ze toch wat moeten eten.

In de keuken staat haar kat klagelijk te bedelen. Ze doet het kastje naast de afzuigkap open om de  doos met kattenbrokjes te pakken maar bedenkt dan dat er nog een half blikje voer in de koelkast staat. Dat blikje voer gaat sneller en ze bukt zich om dit uit de koelkast te pakken. Als ze omhoog komt knalt ze met haar hoofd tegen het nog openstaande kastdeurtje. Met één hand op haar hoofd en met de ander steunend op het aanrecht blijft ze even stil staan. Het lukt haar maar net om opkomende tranen van pijn en een dreigende reddeloosheid tegen te houden. Voorzichtig voelt ze op haar hoofd. Geen bloed. Wel pijn. Met een lepel schept ze het blikje voer leeg in het voerbakje en zet het onder de kleine eettafel. Dat ging goed.

melk

Er is geen tijd voor een kopje thee. Ze pakt twee boterhammen uit de zak. Legt ze naast elkaar op de snijplank, belegt ze met ham en snijdt ze in hapklare stukken. Ze kauwt ongeduldig en bedenkt dat het met een slok melk sneller gaat. Ze neemt het pak uit de koelkast en zet de kartonnen tuit aan haar mond. Er zit meer in dan ze dacht en een golf melk loopt over haar bovenlip, langs haar wangen en over haar kleren. Ze bukt zich razendsnel en kijkt verbijsterd naar de melk op de vloer en op haar kleren. Een woedende kreet vult de keuken. Met keukenrol veegt zij de vloer schoon, pakt een plastic zakje waar ze de rest van de boterhammen in doet en propt dit in haar handtas. Ze rent weer naar boven. Gooit haar kleren in een hoek en terwijl ze bezig is om andere aan te trekken hoort zij beneden iets vallen. Met moeite dwingt ze zichzelf om af te maken waar ze mee bezig is. Als er iets stuk gevallen is, valt daar toch niets meer aan te doen.

Als ze weer beneden komt ziet ze de kat met het lege blik voer over zijn kop, achteruit lopend door de keuken schuifelen. Dat was dus wat ze hoorde. Ze moet zich beheersen om het blik niet met een ruk los te trekken. Met de achterkant van een lepel en veel protesten van de kat komt hij los. Ze gooit het blikje in de afvalbak en de kat buiten. Het is van dat miezerige najaarsweer wat regenkleding noodzakelijk maakt. Gehaast schiet ze in de regenbroek en jas. Het koortje van de capuchon trekt ze strak onder haar kin en loopt naar het fietsenschuurtje. Het had haar niet verrast als er nu een band leeg had gestaan maar gelukkig, niet alles zit tegen. Ze racet naar haar werk, negeert voor deze keer en op hoop van zegen, het rode stoplicht bij de Schrijverslaan en met een vuurrood hoofd komt ze tot stilstand in het fietsenhok.

vrouw op fiets

Pas als ze haar fiets op slot zet, ziet zij dat er geen andere fietsen staan. Heel langzaam begint er bij haar iets te dagen. Ze leunt tegen de muur en zakt langzaam op haar hurken. Ze weet niet of ze moet lachen of huilen als de werkelijkheid tot haar doordringt: het is zaterdag.

Ze stapt weer op haar fiets en gaat naar huis. Na een lange en warme douche kruipt ze in bed. Dit is één van die dagen en vandaag moet er niets meer.

 

© Peter Gortworst / sept. 2014

foto’s: http://www.genius.com /www.upcoming.nl / http://www.isomobolleke.nl  /www.glamourandhighfashion.blogspot.com

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 9 reacties

18 krt

“Jij moet naar de expeditie. Sjef is daar aan het laden en kan wel wat hulp gebruiken. Morgen moet je met hem mee naar Friesland. Je regelt het maar met hem dat hij je op komt halen of dat je naar zijn huis gaat.”
Dàt is een mooie mededeling van mijn werkmeester. Sjef is de vrachtwagenchauffeur en samen met hem een dagje op de vrachtwagen is een hele prettige afwisseling. Even uit het dagelijkse ritme. Even weg uit die fabriekshal, het stof, de herrie en het troosteloze uitzicht door de vieze ramen op een andere fabriek.

vrachtwagen

Sjef loopt als een dragonder, praat hard en vloekt als een bootsman in bijna elke zin. Hij is zo sterk als een beer, heeft een kop met kort geschoren, vuurrood haar en kan de schuinste moppen vertellen. Sommigen zijn zo schuin dat ik ze, als jonge knul, niet eens snap.

We moeten drie machines laden. Het laatste wat ik wil is deze Ontzagwekkende tegen mij in het harnas jagen. Ik doe dus precies wat hij zegt. Af en toe gromt hij maar gelukkig blijkt dat van tevredenheid te getuigen. We sjorren de machines vast, gooien de dekzeilen er overheen en we spreken af dat ik de volgende morgen om kwart voor zeven bij zijn huis zal zijn.

Hij woont in het langgerekte dorp Assendelft. Het adres ‘Dorpsstraat’ heeft een idioot hoog nummer met vier cijfers. Waar zijn ze begonnen met tellen? Bij het station van Krommenie of bij het Noordzeekanaal? Dom! Ik had dat gisteren natuurlijk even moeten vragen. Om te voorkomen dat ik op de fiets het hele dorp door moet kan het beste de weg langs de watertoren genomen worden. Die kruist ongeveer halverwege de Dorpsstaat. Dat scheelt toch minstens een half dorp.

Assendelft_Foto_Pascal_Fielmich

Te laat komen is geen optie en ruim op tijd constateer ik dat de huisnummers in richting van het kanaal, oplopen. De kleine huizen liggen wat verder van elkaar maar na enige tijd zie ik de vrachtwagen al langs de kant van de weg staan en is ook het huisje gevonden.

Sjef heeft mij blijkbaar zien komen. Als ik mijn broodtrommeltje uit de fietstas pak, gaat de deur al open.
“Je bent verdomme veel te vroeg!” fluistert de spierbundel, “Kom eerst maar koffie drinken.”

Aan de keukentafel zit een mollige, kleine, vriendelijke vrouw en een duidelijk geestelijk en lichamelijk gehandicapt meisje.
“Dit is mijn vrouw en dit is Annie, onze dochter,” zegt Sjef.

Ik voel mij verward. Deels doordat ik niet gerekend had op een gehandicapt meisje maar meer door het gedrag van Sjef. Waar is de vloekende en onbehouwen dragonder gebleven? Hij is naast het meisje gaan zitten en voert haar geduldig met die grote kolenschoppen kleine hapjes brood met hagelslag. Hij praat zacht en lief en heeft al vier zinnen gezegd zonder in één daarvan te vloeken. Als de boterham op is, staat hij op.
“Zullen we?” vraagt hij.
“Ja, we zullen,” zeg ik.
Hij neemt het hoofd van zijn vrouw tussen zijn handen en alleen haar neus en mond komen daar nog tussenuit. Ze krijgt een dikke zoen. Dan tilt hij Annie uit haar stoel en drukt haar voorzichtig tegen zijn borstkas. Hij knuffelt het kind dat met rare, piepende en krijsende geluiden daar blijkbaar toch van geniet.

afsluitdijk-crop

We zijn onderweg en Sjef is weer de oude Sjef. Met geen woord praat hij over zijn vrouw of dochter. Met dikke verhalen en schuine moppen rijden we naar Friesland. Op de Afsluitdijk maakt hij een onverwachte slinger omdat hij zo vreselijk moet lachen als hij vertelt over die automobilist die hem al een tijdje dwars had gezeten. Toen hij bij het stoplicht uit zijn cabine was gestapt om even verhaal te halen bij die waailap was deze zo bang geworden dat hij gas gaf en vluchtte. De roodlichtcamera flitste twee keer en Sjef deed het bijna in zijn broek van het lachen.

We draaien het terrein van de klant op. Sjef zoekt zijn papieren bij elkaar, gooit de deur open en verdwijnt achterwaarts in de diepte. Er gaan twee seconden voorbij en met een serie vreselijke vloeken schiet Sjef weer omhoog. Met één hand gooit hij de papieren op het dashboard en met de andere trekt hij de deur met een daverende klap dicht. Het vloeken wordt niet minder als hij het raampje een stukje opendraait.
“Haal goddomme die hond weg!! Er gebeurd hier verdomme helemaal niks als jij die rothond niet meeneemt!!”
Blijkbaar probeert daar beneden iemand weerwoord te geven.
“Het kan mij verdomme niet schelen of dat rotbeest lief is!” buldert Sjef. “Als jij je machines wil hebben zorg je er maar voor dat het veilig is! Ben je nu helemaal van Lotje getikt om dat beest los rond te laten lopen? Wat denk je verdomme wel?!”
Demonstratief draait hij het raampje dicht. De discussie is voor hem gesloten en zachtjes vloekend wacht hij op wat er gaat gebeuren.

valse-hond

Vanaf mijn plaats in de hoge cabine kan ik niets zien van een blijkbaar monsterlijke hond en zijn baas. Hij komt voor mij pas in zicht als hij zich naar het kantoorgedeelte begeeft. Een grijze man met een grijze stofjas.  Onder zijn arm een klein wit hondje waarvan de korte pootjes mee wiebelen  in de cadans van zijn pas. Als hij verdwenen is gromt Sjef tevreden. Hij gooit de deur open, kijkt mij aan en zegt, bijna met dezelfde stem als vanmorgen bij hem thuis:
“Ik heb het niet zo met honden.”
Dan laat hij even een stilte vallen, zucht diep en vraagt zacht:
“Zullen we?”
“Ja,” zeg ik, “We zullen.”

Ik snap zijn vrouw. Op zo’n vloekende, onbehouwen dragonder met zo’n klein maar 18 karaats gouden hartje, kan je alleen maar verliefd worden.

© Peter Gortworst / juli 2014

foto’s: http://www.kleyntrucks.nl / http://www.pascalfielmich.nl /www.speld.nl / http://www.dedoornenburger.nl

.

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Die letzte Kneipe

Met de hele groep zijn we, ter lering en vermaak, een dagje naar Bremerhaven. Een Duitse havenstad aan de Noorzee en aan de monding van de Weser en de Geeste. We bezoeken de niet al te grote dierentuin ‘Zoo am Meer’ en maken een rondvaart door de haven. Daar horen, en zien wij het bovendien met eigen ogen, dat dit een vissersplaats van formaat is. Ook is het de haven waar de in Duitsland gemaakte auto’s verscheept worden en de importauto’s aan land worden gebracht. Enorme schepen vervoeren duizenden automobielen en de terreinen waar deze tijdelijk geparkeerd worden, zijn onafzienbaar.

bremerhaven

Bremerhaven is rond 1950 groot geworden door een rederij met de naam ‘Norddeutscher Lloyd’. Deze maatschappij onderhield een veerdienst met New York. Niet alleen zijn er na de tweede wereldoorlog vanuit Nederland veel mensen geëmigreerd naar b.v. Canada, Australië en Nieuw Zeeland. Ook ongeveer zeven miljoen Duitsers emigreerden in die tijd naar Amerika, Argentinië en Brazilië. Verreweg de meesten gingen hier scheep.

Dat is dan ook de reden dat hier het Deutsches Auswandererhaus staat. Je kunt in dit museum op indringende wijze kennis nemen van alles wat deze emigranten meemaakten. Ze vertrokken uit een kapot land waar gebrek was aan alles en waar men met alle macht bezig was aan de wederopbouw. Ze vertrokken naar een land wat ze niet kenden. Dat deze ‘Nieuwe Wereld’ echt bestaat was waarschijnlijk de enige zekerheid die ze hadden. Maar hoe ze daar ontvangen zouden worden, hoe je contact maakt en werk vindt als je de taal niet spreekt en of je daar werkelijk een bestaan kan opbouwen waren grote onzekerheden waar vooralsnog mee geleefd moest worden.

Als je het niet weet is het bijna onvindbaar. Ergens verstopt tussen enorme grauwe loodsen, langs kilometers hekwerk, parkeerterreinen en insteekhavens bevindt zich hier een eetgelegenheid met een uitstekende keuken. Het heet ‘Treff Kaiserhafen’ en volgens een bord wat aan de dakrand hangt is het ‘Die letzte Kneipe vor New York’.

letzte kneipe

Het heeft de onbedoelde status van museum. Aan de buitenkant zie je het er niet van af. Het oogt armoedig en nodigt niet echt uit tot een bezoek. Een laag houten gebouw met asfaltpapier op het dak. De tijd heeft er elke keer een uitbouwtje bij gemaakt. Twee grote ankers en een oude roestige scheepsmotor die plompverloren voor het gebouwtje zijn gestald geven de indruk dat wij hier van doen hebben met een handelsbedrijf in oude metalen. De toegang is een stalen stuurhut waar de bak- en stuurboordlichten nog aan zitten. Tegen de gevel is het achtersteven van een oude 17e eeuwse boot geschroefd.

Eenmaal binnen ontdek je dat alles hier te maken heeft met schepen en zeevaart. De wanden hangen vol met alles wat je op een schip kan vinden. Van oude boegbeelden tot complete stuurinrichtingen en van een koperen patrijspoort tot een heuse scheepsradio. Hoe langer je om je heen kijkt hoe meer je ziet. Als je al op het eten moet wachten, is dat beslist geen straf.

inter.letzte kneipe

In deze letzte Kneipe is men, afgaande op de hoeveelheid voorgeschoteld eten, nog steeds van mening dat de gasten weldra scheep zullen gaan richting New York. Aan een dergelijke reis moet je goed gevoed beginnen. Het valt niet mee om het geserveerde lunchgerecht soldaat te maken.

Een paar tafeltjes bij ons vandaan zijn twee dames gaan zitten. De ene is een oude dame. Klein van stuk en een broos voorkomen. De uitdrukking ‘grijze muis’ schiet door mijn hoofd. Ze draagt een zichtbaar oude deux pièces met een onbestemde, vale, lichtcrème kleur. Haar eigen huidskleur komt daar aardig mee overeen. Het weinige grijze haar heeft nog sporen van een permanentje.

De andere dame schatten we begin vijftig. Zij heeft een, zoals dat zo mooi omschreven kan worden, gezet postuur. Het haar is gitzwart geverfd en staat als de helm van een Engelse bobby boven op haar hoofd. Ze is zwaar opgemaakt, draagt een bloemetjesjurk in zes kleuren rozerood met een brede, zwarte ceintuur en de eveneens zwarte, kniehoge laarzen maken het plaatje compleet. We vermoeden dat het een dochter is die haar moeder, voor een mooi middagje uit, heeft meegenomen.

Ze bestellen iets te drinken. De dochter neemt een sapje en de moeder een groot glas bier. Terwijl de dochter de kaart bestudeert drinkt de oude vrouw in één keer het glas bier bijna helemaal leeg. Net als de dochter zich naar haar toe buigt om iets aan te wijzen op de kaart, laat moeders een voor iedereen duidelijk hoorbare boer. De dochter schrikt zichtbaar en kijkt schichtig om zich heen, klaar om iedereen die er iets van zegt, direct haar verontschuldigingen aan te bieden. Het is niet nodig.

glas-duits-beiers-bier-18124334

In afwachting van hun maaltijd zegt de dochter af en toe iets tegen haar moeder maar die zit stil voor zich uit te kijken en reageert niet. Zodra het eten op tafel wordt gezet verandert de houding van de oude vrouw. Ze wordt beweeglijk en schuift het bord met een nieuw groot glas bier, meer naar het midden van de tafel. Dan buigt zij zich voorover en met de mond ongeveer op gelijke hoogte van het bord wordt de maaltijd, bijna letterlijk, naar binnen geschoven. De dochter gaat verzitten en voorkomt zo al te veel nieuwsgierige of afkeurende blikken. Ook ons is het zicht ontnomen maar als een nieuwe knetterende boer achter de rozerode jurk opklinkt, concluderen wij dat de maaltijd en het bier genuttigd zijn.

Als de serveerster heeft afgerekend staan beide dames op. Net op tijd kan de dochter haar moeder opvangen. De twee grote glazen bier eisen hun tol. Zwaar leunend op haar dochter gaat ze naar buiten.

Gezien haar leeftijd is het niet onwaarschijnlijk dat zij, over niet al te lange tijd haar grote reis gaat maken. Ook aan die reis moet je goed gevoed beginnen. Het zal niet New York zijn. Ze gaat naar een ‘Nieuwe Wereld’ die nog niemand kent en waarvan niemand zeker weet of die wel echt bestaat. Haar enige zekerheid is weten dat zij op reis zal gaan. Hoe je wordt ontvangen, welke taal er wordt gesproken en hoe je bestaan eruit ziet, kan niemand je vertellen. Je nu daarop voorbereiden door te gaan eten in deze letzte Kneipe is daarom zo gek nog niet.

 

© peter gortworst / aug. 2014

foto’s: http://www.actualidadmotor.com / http://www.funky-photography.com / http://www.artflakes.com / http://www.nl.dreamstime.com

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 5 reacties

NEE !

ja-nee

Het clubje kent elkaar nu een paar weken. Een bont gezelschap van 10 mensen die één ding gemeen hebben: gebrek aan assertiviteit. Dat gebrek ervaart ieder op zijn of haar eigen manier.

Henk is graag op tijd thuis om te genieten van zijn vrouw en hun kleine tweeling. Helaas, te vaak naar zijn zin vraagt de baas of er overgewerkt kan worden. Henk vraagt zich af of dat wel nodig of terecht is maar ‘nee’ zeggen durft hij niet.

Josje weet dat ze een allemansvriendje is die overal ‘ja’ op zegt. Toch zou ze graag zelf wel eens de beslissing willen nemen om een avond niet met haar vriendinnen uit te gaan maar die confrontatie durft ze niet aan.

Els die op het kinderdagverblijf altijd de vervelende klusjes op moet knappen en dit, ter wille van de lieve vrede, dan ook maar doet.

Klaas die al drie maal gepasseerd is bij een promotie en, ondanks het gemopper van zijn vrouw, dit maar laat gebeuren.

De kleine Irene die als actief lid van haar kerk voor zo veel vrijwilligerswerk gevraagd wordt dat het ten koste gaat van haar familiebanden.

Vanavond wordt het spannend. Ze gaan echt leren om ‘nee’ te zeggen en een enkeling is zelfs nu al zenuwachtig. De cursusleider legt het even uit. Je stelt aan degene die naast je zit een vraag. En het enige antwoord dat je mag geven is ‘nee’. Hoe simpel kan het zijn en hoe inventief zijn mensen. Henk vraagt Klaas of hij de koffiekan even door kan geven en ja, Klaas doet dat gewoon even. De goodlooking Richard vraagt Els of hij haar een zoen op haar wang mag geven en met enige spijt moet ze ‘nee’ zeggen.

De sessie verloopt vlot totdat het de beurt van Irene is.  “Zeg Irene,” vraagt Josje, “Ik hoef niets te verzinnen omdat het echt waar is wat ik je wil vragen. Volgende week heb ik geen auto en nu kom jij toch langs mijn huis. Zou je mij even op willen pikken?” Irene gaat helemaal in de fout. Natuurlijk wil ze dat doen. Kleine moeite toch? “Weet je nog wat je moet zeggen Irene?” vraagt de cursusleider. Irene kijkt betrapt. “Maar dat kan ik toch best even doen?” “Wat hadden we afgesproken om te antwoorden?” vraagt de leider. Irene hakkelt, zucht en kleurt. Op verzoek stelt Josje nogmaals de vraag en de kleine Irene gaat van pure wanhoop staan. “Nee,” zegt ze dan en geen mens gelooft haar.

Arme Irene, Josje, Richard, Klaas, Henk en Els. Goede mensen die leven in een respectloze wereld. Een wereld waarin ze, soms door onwetendheid maar vaker door het eigenbelang van de ander, misbruikt worden. Is het niet raar dat deze, veelal zachtaardige mensen die niet met de vuist op tafel slaan, zich niet laten gelden, geen natuurlijk overwicht hebben zich moeten transformeren tot iets wat ze niet zijn? Is het in deze wereld, waar schijnbaar het recht van de sterkste regeert, niet de taak van de sterksten om te zorgen dat het hen, die zich er niet op voorstaan tot de sterksten te behoren, goed gaat? Dat er rekening met hen gehouden wordt, dat ze gehoord en gezien worden? ‘Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden’ kraaien de haantjes en dat is helemaal waar als je daarin ook betrekt dat jij verantwoordelijk bent en rekening houdt met de mensen om je heen door hun grenzen en wensen te respecteren.

Irene fluistert net iets te hard tegen Josje: “Kwart over zeven hè?”

 

©peter gortworst / nov 2015

illustratie: http://www.anker-kompas.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , | 2 reacties

Spelbrekers

Dertien leden telt het seniorenteam van Eernsterzwaag. Goedwillende en goedmoedige 45-plussers die er nog aardigheid in hebben om zaterdags een balletje te trappen. Ze kennen elkaar al jaren want Eernsterzwaag is een klein en overzichtelijk dorp met honkvaste bewoners. Een aantal van hen werkt in de stad maar daar naar toe verhuizen komt niet in hun hoofden op. Weg uit je dorp? Geen sprake van.

Ze zaten als kleine jongens samen op hun dorpsschool en werden, net als hun vriendjes, lid van hun eigen Eernsterzwaagse Voetbal Club. Ze groeiden samen op, gingen gezamenlijk in de stad naar school, zochten hun werk en hun vrouw in de directe omgeving en dat voetballen op zaterdag bleef. Het hoort bij het leven als de pastoor bij de kerk en als Teun de kroegbaas bij zijn café. Nu is een pastoor belangrijk en soms nuttig maar Teun met zijn kroeg overtreft dat ruimschoots. Waar kan je beter een wedstrijd evalueren dan in je eigen kroeg? Alle tactische missers en hopeloos verknoeide kansen in de gespeelde wedstrijd worden bespreek-, draag- en verwerkbaar bij een goed glas bier.

bottle-310313_640

De besprekingen werpen hun vruchten af: Nog één wedstrijd en dan staan ze bovenaan. Ze moeten hem wel winnen en Teun, die als een echte kroegbaas overal verstand van heeft, weet wel hoe je dat doet: “Voor elk doelpunt wat jullie maken sla ik een vat bier aan en dan geen flesjes maar echte biertjes van de tap!” De mededeling wordt met gejuich ontvangen en gespannen wacht men op berichten die duidelijkheid kunnen geven over hoe de mogelijke tegenstanders vandaag hebben gespeeld. Het kan het wat verder gelegen Veenlanderhuizen zijn maar voor hetzelfde geld is het Hoogbergerveen en dat zou het mooiste zijn. Dan wordt het een echte streekderby die ze hier, op hun eigen veld moeten spelen en beter kan je het niet hebben. Bovendien kunnen die Hoogbergers wel een lesje gebruiken. Ze hebben het daar hoog in de bol met hun HFC. ‘Hoogbergerveensche Footbal Club’ noemen ze zichzelf. Op z’n Engels! Nou, zeg nu zelf. Met zo’n naam spoor je niet.

Klaas van Piet de boer wilt even bellen. Hij kent daar wel iemand. Teun schuift de telefoon over de bar naar hem toe en even later weten ze het. EVC moet tegen HFC!

bier-im-glas_318-9993

Als een stel jonge honden stormt het HFC seniorenteam de kantine in. Zo’n mooie wedstrijd met dikke cijfers winnen is een feestje waard. Harry, de pachter van de kantine heeft het er druk mee. Hier schenkt men standaard nog mooie glazen bier uit de tap en dat wordt door de leden zeer gewaardeerd.

Hoogbergerveen ligt dicht bij de stad en zo rustig als het in Eernsterzwaag is, zo druk en levendig is het hier. Er zijn de laatste jaren veel mensen uit de stad naar dit dorp gekomen. Ze brachten hun stadse manieren mee, bouwden hun huizen en zorgden voor een redelijk welvarende middenstand. Zo heeft de kleine supermarkt net de vergunningen rond voor een verdubbeling van het winkeloppervlak.

Het seniorenteam bestaat hier uit louter import. Gaandeweg hebben de oorspronkelijke senioren uit het oude dorp plaats gemaakt voor die stadse heren. Toen het bestuur van het HFC, na diverse signalen, concludeerde dat dit een ongewenste ontwikkeling was, bleek er weinig meer aan gedaan te kunnen worden. Twee seniorenteams was geen optie en dus speelden de veelal dikbuikige, zich op dunne, witte beentjes voortbewegende, stadse senioren hun competitie. Niet onverdienstelijk zoals nu blijkt. Ze moeten nog één wedstrijd winnen en dan staan ze bovenaan.

Door al het geroezemoes heen klinkt plotseling de telefoon van Olaf. Hij zondert zich een beetje af en komt even later glunderend weer bij zijn team staan. “Jongens luister,” zegt hij, “Dat was Piet van EVC. Eernsterzwaag heeft zich ook geplaatst dus we moeten volgende week uit en natuurlijk gaan wij van ze winnen.” Gejuich stijgt op. Die boerenpummels kunnen ze hebben. Dit is een gelopen race. “En!” roept Olaf, “Wij moeten Harry eens lief aankijken want zij krijgen voor elk doelpunt wat ze dan maken een vat bier!” Een heel team kijkt nu naar Harry. “Dat kan ik ook,” zegt hij grootmoedig en een donderende kreet die iets weg heeft van ‘Hoera!” is zijn deel.

voetbal

Een gezonde opwinding heeft zich in de week voor de wedstrijd, meester gemaakt in beide dorpen. Het is ook niet zomaar iets: kampioen kunnen worden! Normaal heeft slechts een enkeling interesse in het doen en laten van hun seniorenteam maar zoals altijd heeft succes vele vrienden. De clubleiding van EVC heeft al laten weten dat alle kaartjes zijn uitverkocht en dat er zelfs een afvaardiging van de KNVB aanwezig zal zijn. Zowel HFC als EVC hebben een extra training gehouden. In de kroeg en in de kantine zijn tactische besprekingen gehouden, is er aan teambuilding gedaan en alvast geproost op de komende winst.

Het uur van de waarheid breekt aan. Onder gejuich van de toeschouwers betreden de spelers het veld. De verwachtingen zijn hoog. Het zal, hoe het ook uitpakt, een zwaar bevochten overwinning worden.  De lokale persfotograaf maakt van elk team een mooie foto. De spelers geven elkaar een hand en stellen zich dan op. De scheids kijkt op zijn klokje en fluit af.

Voor wie het nog niet wist: senioren gaan anders met elkaar om dan jonge honden. Ze houden er niet van om een tegenstander onderuit te schoppen. Ze hebben respect voor elkaars gezondheid en zien gemaakte foutjes al snel over het hoofd. Natuurlijk is het jammer als jouw keeper ruim over de bal duikt, niet op tijd in de goede hoek kan zijn of te korte armen heeft. En als je tegenstander over zijn eigen benen struikelt in jouw strafschopgebied is dat natuurlijk knullig. Dat hij daar een strafschop voor krijgt klopt natuurlijk niet maar waarom zou je protesteren als je weet dat de scheids toch altijd gelijk heeft? Je loopt even naar zo’n gevallen man toe, helpt hem weer op de been en wenst hem succes met de penalty. Zo ga je met elkaar om en de sfeer blijft prettig omdat je weet dat dit soort dingen gewoon gebeuren. Vandaag is dat niet anders.

voetballer

Het spel golft mooi heen en weer totdat er, na een kleine twintig minuten, enige consternatie bij de zijlijn ontstaat. Er wordt geschreeuwd, aan jassen getrokken tot er plotseling twee mannen het veld op rennen en de scheids belagen. Het zijn Teun en Harry die eisen dat de wedstrijd bij de stand 13-14 gestaakt dient te worden.

Bah! Spelbrekers!

 

© peter gortworst / juni 2015

foto’s:www.de.freepik.com / http://www.pixabay.com / http://www.animaatjes.nl / http://www.muurmode.nl / http://www.nl.dreamstime.com

…als je het de moeite waard vindt dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Aanhangsel

Ze hoort de wekker, het protesterende gekreun van Gerard en ze weet dat het verschrikkelijke weekend is gekomen. Twee en een halve dag Anja. Niet ‘moeder’ of ‘oma’, nee, haar schoonmoeder wil Anja genoemd worden. Twee of driemaal per jaar verwaardigt zij zich een bezoek aan haar zoon, schoondochter en de kinderen te brengen. Zij weet niet en kan zich niet indenken wat voor chaotische gedachten en taferelen dit bezoek teweeg brengt. Zou zij dat wel weten of kunnen dan deed ze het toch. Zij ziet zichzelf als de matriarchaat van de familie en ontleent daar het recht aan om op gezette tijden de gezinnen van haar kinderen te bezoeken en, waar nodig, bij te sturen. Hoedt u voor hooggeplaatste leidinggevenden die wensen aangesproken te worden als ‘gewoon’ Tom of Inge.  Als het puntje bij het paaltje komt is er van dat amicale gedoe niets over en de kans dat er misbruik wordt gemaakt van alle persoonlijke vertelsels, is levensgroot. Met een gezonde, afstandelijke beleefdheid is niets mis en misschien is dat ook de reden waarom zij dat ‘Anja’ zo slecht uit haar mond krijgt.

timmerwerkplaats

Stress, zorgen en ander geestelijk ongemak kan lichamelijke ongeriefelijkheden met zich meebrengen. Dat wat zich tussen de oren afspeelt, vindt zijn weerslag in krampende spieren, spontaan werkende darmen of een plots veel kleinere blaas. Het blijft bij haar tussen de oren: een volledig in bedrijf zijnde timmerwerkplaats compleet met jankende machines. Ook wel omschreven als een knallende koppijn.

De vrijdagochtend valt, ondanks die pijn in het hoofd nog mee. Ze doet, zoals altijd, de administratie van hun eigen aannemersbedrijf. Tussen de middag komt Gerard gewoon naar huis en is het samen eten bijna gezellig. Bijna, want ook Gerard ziet tegen het bezoek van zijn moeder op. Het hangt als een naderend noodweer boven hun hoofd. Hij belooft op tijd thuis te zijn zodat ze met de Mercedes haar schoonmoeder van het station kan halen. Haar eigen autootje is natuurlijk te min. De middag besteedt ze aan het schoonmaken van het huis en het klaarmaken van de logeerkamer.

Het gaat fout op het moment dat haar twee dochters uit school komen. Zij balen van het feit dat de zaterdagavond nu al naar de Filistijnen is. Anja verwacht, onuitgesproken maar onmiskenbaar, een compleet, gezellig bij elkaar vertoevend gezin. Twee kleindochters die een zaterdagavond rondhangen in de uitgaansgelegenheden van de stad, past niet in haar beeld van hoe het hoort. Dus heeft zij, voor de lieve vrede, haar dochters min of meer bevolen zich op te offeren en thuis te blijven. Hun protesten kan zij beter hebben dan die van haar schoonmoeder maar nu hebben zij een plan. Ze zullen thuis zijn maar willen graag een paar vriendinnen uitnodigen met wie zij de avond op hun kamers doorbrengen. Ze begrijpt hun wens maar ziet als een berg op tegen het kleine beetje extra werk dat dit kost. Ze kunnen het daar morgen ook nog over hebben maar de dochters menen dat enige zekerheid nu nodig is. Hun vriendinnen wachten op antwoord. Ze schiet, geholpen door de timmerwerkplaats tussen de oren, uit haar slof. Haar keiharde ‘nu niet’ levert kwade koppen, boze uitroepen en knallende deuren op. De timmerlui zetten er nog een tandje bij.

Wil ze op tijd op het station zijn dan moet ze om kwart voor vijf weg. Anja verwacht een schoondochter die al staat te wachten en geen verward mens dat gehaast aan komt rennen omdat ze eigenlijk te laat is. Gerard weet dat ook en schuldbewust heeft hij laten weten vijf minuten later te zijn. Als hij er eindelijk is rent ze naar buiten, ploft in de Mercedes en scheurt in vliegende vaart naar het station. Goddank, een vrij insteekhaventje en op het moment dat de trein het station binnen zou moeten lopen gooit ze het portier achter zich dicht. De trein heeft zeven minuten vertraging. Ze kan op adem komen en zich herpakken als de ideale schoondochter.

koffer

Op het moment dat passagiers uitstappen klinkt haar telefoon. Het is Gerard die een verhaal begint over de politie en een aanhanger. Ze begrijpt het even niet, ziet Anja op haar afkomen en raakt lichtelijk in paniek. Ze vraagt Gerard even te wachten en probeert iets aardigs tegen Anja te zeggen inclusief twee luchtkussen naast haar oren. Ze keert terug naar Gerard. Die kreeg een telefoontje van een politieagent. Hoe hij het in zijn hoofd haalt om zijn auto met aanhanger zo te parkeren dat er geen mens meer door kan. Ze weet van geen aanhanger tot Gerard haar duidelijk maakt dat het voertuig nog achter de auto hing en nu blijkbaar de straat blokkeert. Zonder iets te zeggen drukt ze hem weg, grijpt de rolkoffer met genoeg inhoud voor drie weken Noordpool bij het hengsel en rent in gestrekte draf het station uit.

De politieman is zo vrij geweest de aanhanger maar even af te koppelen en kan niet begrijpen dat iemand onderweg kan zijn zonder te merken dat er een tandemasser achter de auto hangt. Hij is van mening dat je het toch minstens zou moeten zien als je uitstapt. Die mening deelt zij niet. Weerwoord zal echter geen zin hebben want hoe groot is de kans dat hij een Anja als schoonmoeder heeft? Gelaten ondergaat zij de woorden van deze dienaar der wet en de toeterende verwijten van het verkeer wat weer op gang komt.

tandem29

De aanhanger is weer aangekoppeld. De koffer staat op de achterbank en Anja zit naast haar. Die heeft de hele tijd niets gezegd. Ze is als een vorstin in de auto gaan zitten en heeft in die hoedanigheid het geploeter van de onderdanen aanschouwd. Auto plus aanhanger komen in beweging en Anja kucht even. De inleiding tot een preek weet ze uit ervaring. Ze is haar voor. “Luister Anja, leuk dat je er bent maar je moet even twee dingen weten. Ik moet morgen met Gerard voor een groot deel van de dag de stad in omdat hij en ik nieuwe kleren nodig hebben en de meiden hebben morgenavond de huiskamer nodig voor een feest met vrienden. Wij gaan dan lekker vroeg, knus met z’n tweetje in bed liggen en van jou wordt verwacht dat je je vermaakt in de logeerkamer. Onze tijd in de weekenden is beperkt en het leven gaat ook hier gewoon door. Duidelijk?” Het duurt even maar dan klinkt er een “tù, tù, tù”

Hoe het opgevat moet worden zal haar (gort)worst zijn. Ze stopt even bij de supermarkt om twee kratten bier in de aanhanger te laden. “Voor morgenavond,” zegt ze tegen Anja, “Die meiden zuipen als bootwerkers.”

4372-kratje_bier

© peter gortworst / okt 2015

foto’s: http://www.antiqbook.com / http://www.aanhangwagens-paardentrailers.nl / http://www.omroepzeeland.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Modderman

Ze twijfelt. Haar jongens zullen het vast geweldig vinden om een dagje met opa te gaan roeien maar hoe zal opa zich houden? Ze kent hem. Zijn plannen vinden meer grond in zijn jeugdig enthousiasme, overmoed en wat hij graag wilt dan in wat hij nog kan. Hij doet er alles aan om maar niet op een 60-plusser te lijken en dit is één van die pogingen. En moet zij nu die ene zijn die hem dat verbiedt?
“Nou, vooruit. De jongens kunnen zwemmen en ik neem aan dat je oud en wijs genoeg bent.”

hippert zaandam

Opa wil geen motor.
“Roeien is goed voor je.”
De riemen worden in de boot gelegd en met een: “Alstublieft en succes ermee,” is de man van Hippert de botenverhuurder er klaar mee.

Opa kijkt naar zijn twee kleinzonen. Koos, bijna dertien en daarmee de oudste, kijkt zorgelijk naar de boot.
“Kan jij dat wel, opa?”
“Opa kan alles,” stelt deze hem gerust.
Koos kijkt naar broertje Kees. Die heeft de koelbox neergezet en is, in afwachting van wat komen gaat, op het deksel gaan zitten. De zorgen van Koos deelt hij niet: er staat iets spannends te gebeuren en dat bevalt hem.
“Kom,” zegt opa, “klim er maar in. Koos, jij achterin. Kees, jij voorin.”
Onwennig stappen ze in en als opa met de koelbox en een rugzak ook instapt, houden ze zich goed aan de zijkanten van de wiebelende boot vast. Hij zet af tegen de steiger. Zodra de boot ruimte heeft legt hij de roeispanen over de dollen en met een paar slagen roeit hij naar het midden van de vaart. Hij geniet.
“Het is net als fietsen. Je verleert het nooit!” zegt hij tegen de jongens die met groeiend ontzag voor opa, hun eerste nautische ervaring beleven.

Ze moeten onder een lage brug door en komen op de brede Wetering.
“Zo,” zegt opa, “nu gaan jullie samen roeien.”
Geduldig legt hij uit hoe dat gaat, hoe je rechtdoor kunt blijven varen en wat te doen als je uit koers raakt. Natuurlijk wil het eerst niet lukken. Met plonzende riemen, een koers van 360 graden rond en twee rode koppen krijgen ze het in de gaten. De jassen gaan uit en worden voorin gelegd. Geholpen door een straf windje en de aanwijzingen van de kapitein, glijdt de boot over het water. Als ze een stuk gevaren hebben wordt Kees moe en opa neemt het weer over.

oostzijderveld18nov122

Het Oostzijderveld is een gebied met langgerekte smalle weilanden omgeven door sloten. Het water staat hoog en het is een eldorado voor weidevogels. Opa vaart langzaam door de sloten en vertelt over de vogels die ze zien. De jongens wisten niet dat er zo veel soorten vogels waren. Ze zijn oprecht verbaasd over zijn kennis en het enthousiasme van de man werkt aanstekelijk. Als ze langs een rietkraag varen stopt opa plotseling de boot. Op het randje van het weiland, verstopt tussen het riet, ligt een nest met vijf eendeneieren.
“Waar is de moeder?” vraagt Kees.
“Die heeft ons vast horen komen en heeft zich verstopt. Als wij weg gaan komt ze terug. Als ze er tien of twaalf heeft gelegd gaat ze broeden. Van deze eieren nemen we er drie mee. Dat kan best. Thuis gaan we ze koken en met een bruine boterham smaakt dat heerlijk.”
Drie eieren worden voorzichtig tussen de jassen gelegd.

zwaan

“Kijk opa!” roept Kees vanaf de voorplecht, “een zwaan!”
Opa draait zich om en ziet een knobbelzwaan met de vleugels hoog opgetrokken in volle vaart op zich afzwemmen. “Donders! Die heeft daar vast een nest. We moeten hier weg!” De jongens kijken verschrikt naar opa. Een zwaan die aanvalt? Ze weten niet wat te denken maar de angst slaat toe. Opa probeert achteruit te roeien maar dat lukt niet goed. De zwaan komt snel dichterbij en het mateloze vertrouwen van de jongens in hun kapitein brokkelt met elke mislukte slag af. Opa gaat staan en gebruikt een riem als duwstok. Zigzaggend door de smalle sloot varen ze achteruit en tot opluchting van de complete bemanning staakt de zwaan de achtervolging.

Ze komen weer op de Wetering en met een ferme duw geeft opa het laatste zetje. De riem zuigt zich vast in de modder en het hout glijdt uit zijn handen. Als een baken blijft de riem schuin omhoog staan terwijl de boot zachtjes uitdrijft.
“Dat heb ik weer,” verzucht opa.
“De riem!” roept Koos verschrikt, “Opa, daar staat de riem!”
“Ja, dat weet ik ook wel. Gaan jullie maar met je handen roeien. Ik gebruik de andere spaan wel.”
Twee jongenshandjes geven weinig stuwkracht. Een grote man die tegen de wind in met één roeispaan vooruit wil komen, kan dat niet winnen.
“We gaan wel naar de kant, ga maar samen achterin zitten.”
Met de boeg omhoog vaart de boot langzaam, dwars op de wind, naar de kant. Door een beetje in de blubber te duwen lukt het om de boot met de neus bijna op het droge te krijgen. Opa stapt uit en trekt de boot een stukje verder het weiland op. De riem staat drie weilanden terug in het water.
“Kijk daar, tussen dit weiland en het volgende zit een dam met een hek. Daar klim ik wel overheen en de laatste sloot is niet zo breed. Daar kan ik er wel overheen springen.” “Daar staan koeien,” merkt Koos op.
“Dat zijn jonge koeien. Die doen niks. Blijven jullie hier maar wachten.”

eendennest

De jongens zitten op de rand van de boot en kijken opa na.
“Ik heb dorst,” zegt Kees en samen nemen ze een blikje drinken uit de koeltas.
Met het blikje in de hand gaan ze weer zitten en zien opa over het volgende weiland rennen. Zes pinken zitten hem achterna. Rechtdoor is de Wetering. Linksaf de sloot. Opa slaat linksaf en met een forse sprong waagt hij de oversteek. In een fontein van opspattend water verdwijnt hij uit het zicht.
“Mooi bommetje,” zegt Kees zachtjes.
Het duurt maar even en dan zien de jongens een natte en bemodderde opa op handen en knieën de kant opkruipen. Hij banjert met grote stappen richting roeispaan, plonst het water in en trekt de riem los. Op de terugweg zwaait hij met de riem naar de pinken. Die doen of ze hem niet zien. Ze zijn tevreden met het behaalde resultaat en zoiets is maar één keer leuk. De jongens weten niet hoe ze moeten kijken als opa bij de boot komt. Hij is boos maar als hij die onzekere smoeltjes ziet barst hij in lachen uit.
“Als jullie zo blijven kijken gooi ik jullie ook het water in!”
Dat helpt.
“Opa, je stinkt,” lacht Kees.
“Ja, je bent een moddermannetje. Er zit ook modder in je haar,” helpt Koos.
“We gaan terug. Ga maar achterin zitten. Ik duw wel af.”
Met een forse duw schuift de boot van de kant en met een snoekduik landt opa op de vloer. Drie eendeneieren bezwijken onder dit geweld en een rotte geur maakt duidelijk dat het nest al geruime tijd verlaten was. De jasjes worden buitenboord gespoeld maar die geur blijft.

oostzijderveld18nov121

“Mamma zal wel blij zijn als ze ons weer ziet,” probeert opa.
“Ja, tot ze ons ruikt,” merkt Koos gevat op.
Opa lacht maar de gang langs de botenverhuurder en de fietstocht naar huis baren hem zorgen.
“Misschien gaan mamma en pappa de volgende keer wel mee,” oppert Kees, “Die vinden het vast ook leuk.” Modderman roeit naar huis. De laatste opmerking vergoed veel.

 

© peter gortworst
foto’s: http://www.beeldbank-nh.nl / http://www.esteie.nl / http://www.thuisinbrabant.nl / http://www.whotalking.com

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 3 reacties