NOW !!

In Engeland zijn de voetpaden die dwars door weilanden gaan, de leukste. Ook hier, aan de noordkant van de Brecon Beacons in Wales, liggen talloze mogelijkheden voor het maken van mooie wandelingen. Wij, vader, moeder, twee dochters en een zoon, kiezen geen wandeling maar een gebied waar we willen lopen. Het geeft de meeste kans op avontuurlijke tochten. Soms ontkom je er niet aan en loopt de wandelroute door dorpen of over verharde wegen. Zo ook deze.

wales

We kunnen niet anders. We moeten dit doodstille dorpje in. Links en rechts van de weg wat eenzame huizen. Verderop staat een huis met een ommuurde tuin schijnbaar midden op de weg. De twee rijstroken splitsen zich, buigen om het huis heen en komen dan weer bij elkaar. Op de muur een bordje met een pijl naar rechts en de woorden ‘publiek toilet’. De dames weten zeker dat dit een bezienswaardigheid van formaat is en laten de heren achter.

Leunend tegen de tuinmuur horen deze heren achter hen een deur dicht slaan en als zij omkijken, staat daar een oude, zeer kromme man met wandelstok. “Moi” zegt de man en via een smal tuinpad komt hij naar ons toe. Hij is niet nieuwsgierig maar wil wel weten waar wij vandaan komen, waar we verblijven en hoe lang, wat we al gezien hebben aan bezienswaardigheden, welke wandeling we gedaan hebben en wat we vinden van zijn land. Bereidwillig geven we de goede antwoorden en loven zijn engelenland de hemel in.

De dames zijn ondertussen klaar met hun bezichtiging en hun komst doet de man zichtbaar goed. Hij lacht vriendelijk een stel bruine tanden bloot en vraagt op bijna samenzweerderige toon of wij de kerk willen zien. Dat willen wij maar nergens zien wij een kerk. “Follow me” zegt hij en via een smal paadje tussen de bomen door komen wij bij een kleine kerk met een heuse toren. Veel hoger dan de omringende bomen is deze niet. Zonder deze man zouden wij in onwetendheid doorgelopen zijn.

Aa_stbartschurch_sealand_flintshire_wales

Via de torendeur laat hij ons binnen. Tot onze verrassing hangen daar de touwen die de acht klokken kunnen laten luiden. Wie had kunnen denken dat er in deze kleine toren acht klokken hun plaats vinden? Onze gids maakt daar echter geen woorden aan vuil en gaat ons voor. In de kerkruimte laat hij, bijna ongeïnteresseerd van alles zien. Het gaat niet in sneltreinvaart maar wel zo snel dat wij beginnen te vermoeden dat hij spijt heeft van zijn aanbod. Als laatste trekt hij achter in de kerk een zwaar, donkerrood gordijn opzij en onthult een wand vol met foto’s.

Nu wordt de werkelijke reden van zijn aanbod duidelijk. Op alle foto’s staat onze gids en op alle foto’s in gezelschap van een lokale, regionale of landelijke bekendheid. Op de foto’s links is het nog een jonge vent. Naar rechts wordt hij steeds een beetje ouder en krommer. Hij heeft nu zeeën van tijd en vertelt honderuit. Alleen bij de grote foto van hem met Tom Jones zwijgt hij plechtig. Het beeld spreekt voor zich. Alles wat je bij deze foto van hem, samen met deze wereldberoemde godheid zegt, is te veel en dat weet hij.

tomjones-1976--a

We hebben het, na zeker zeventig foto’s wel gezien. We nemen afscheid. Mijn jongste dochter vraagt of ze een foto van hem mag maken. Dat vindt hij een goed idee en direct neemt deze deskundige de regie in handen. Mijn dochter wordt duidelijk gemaakt waar ze moet staan. Nadrukkelijk zegt hij te wachten tot hij het sein geeft. Zorgvuldig kiest hij zijn plaats. Dan verstopt hij zijn stok achter zijn been. Richt zich, bijna hoorbaar krakend, met zichtbare moeite op tot hij kaarsrecht staat, tovert een grijns op zijn gezicht en met ingehouden adem piept hij “NOW”. De camera klikt en de gids zakt met een diepe zucht weer terug in zijn oude, kromme stand.

Nee, we hoeven de foto niet op te sturen. Een foto aan zijn wand waar hij alleen op staat zou blijk geven van een hoge eigendunk en daar komen maar praatjes van. Een foto samen met ons is ook niet nodig. Wij constateren met enige spijt dat onze bekendheid niet groot genoeg is. Toch een gemiste kans voor deze beminnelijke grijsaard. Zijn foto, jaren later, op het wereldwijde web had zijn ego beslist goed gedaan.

 

© peter gortworst

foto’s: http://www.visitwales.com / en.wikipedia.org / http://www.hellomagazine.com

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Eén van die dagen

Ze wordt uit zichzelf wakker. Staart even naar het plafond en realiseert zich dat er iets niet klopt. Uit zichzelf wakker worden is een zeldzaamheid die alleen tijdens een vakantie voorkomt. Ze draait haar hoofd en kijkt naar de knipperde cijfers op haar wekker. 00.00 leest ze.  00,00Met een schok bedenkt zij dat de wekker nog van slag is. In een poging tot zelfredzaamheid had ze gisteravond een schemerlampje gerepareerd. Een vrouw alleen moet soms toch wat. Iets was nu niet goed gegaan. Toen ze het lampje inschakelde was de aardlekschakelaar uitgevallen. Die schakelaar weer in de goede stand zetten was geen probleem voor haar. Dat had ze al vaker moeten doen maar dit keer was ze dus vergeten alle klokken weer goed te zetten.

Een hevige ongerustheid maakte zich van haar meester. Hoe laat is het nu werkelijk? Ze schiet haar kamerjas aan en rent de trap af naar beneden want in de keuken hangt een klok op batterijen. De kans om ook maar één tel op de klok te kijken wordt haar ontnomen doordat ze met haar blote voet op iets glibberigs stapt. Haar rechterbeen schiet ongecontroleerd onder haar vandaan en ze beland, schuivend over het linoleum, tegen de kleine keukentafel. Het ontbijtbordje, bestek en het glas voor de jus d’orange, wat ze elke avond klaar zet, vallen naast haar op de grond. Het glas blijft wonderlijk genoeg heel. Het bordje niet.

bord

Ze krabbelt overeind en ziet dat het half negen is. Ze had dus al een half uur op haar werk moeten zijn. Het glibberige onder haar voet behoort bij de maaginhoud van haar kat. Ze wast haar voet in het aanrecht en veegt met een stuk keukenrol de vloer schoon. Dan raapt zij de scherven van het bord bij elkaar en haast zich naar boven. Tijd om te douchen is er niet. Ze maakt zich minimaal op, creëert een noodkapsel, schiet in de kleren en haast zich weer naar beneden. Wil ze niet voor de middagpauze flauw vallen van de honger, zal ze toch wat moeten eten.

In de keuken staat haar kat klagelijk te bedelen. Ze doet het kastje naast de afzuigkap open om de  doos met kattenbrokjes te pakken maar bedenkt dan dat er nog een half blikje voer in de koelkast staat. Dat blikje voer gaat sneller en ze bukt zich om dit uit de koelkast te pakken. Als ze omhoog komt knalt ze met haar hoofd tegen het nog openstaande kastdeurtje. Met één hand op haar hoofd en met de ander steunend op het aanrecht blijft ze even stil staan. Het lukt haar maar net om opkomende tranen van pijn en een dreigende reddeloosheid tegen te houden. Voorzichtig voelt ze op haar hoofd. Geen bloed. Wel pijn. Met een lepel schept ze het blikje voer leeg in het voerbakje en zet het onder de kleine eettafel. Dat ging goed.

melk

Er is geen tijd voor een kopje thee. Ze pakt twee boterhammen uit de zak. Legt ze naast elkaar op de snijplank, belegt ze met ham en snijdt ze in hapklare stukken. Ze kauwt ongeduldig en bedenkt dat het met een slok melk sneller gaat. Ze neemt het pak uit de koelkast en zet de kartonnen tuit aan haar mond. Er zit meer in dan ze dacht en een golf melk loopt over haar bovenlip, langs haar wangen en over haar kleren. Ze bukt zich razendsnel en kijkt verbijsterd naar de melk op de vloer en op haar kleren. Een woedende kreet vult de keuken. Met keukenrol veegt zij de vloer schoon, pakt een plastic zakje waar ze de rest van de boterhammen in doet en propt dit in haar handtas. Ze rent weer naar boven. Gooit haar kleren in een hoek en terwijl ze bezig is om andere aan te trekken hoort zij beneden iets vallen. Met moeite dwingt ze zichzelf om af te maken waar ze mee bezig is. Als er iets stuk gevallen is, valt daar toch niets meer aan te doen.

Als ze weer beneden komt ziet ze de kat met het lege blik voer over zijn kop, achteruit lopend door de keuken schuifelen. Dat was dus wat ze hoorde. Ze moet zich beheersen om het blik niet met een ruk los te trekken. Met de achterkant van een lepel en veel protesten van de kat komt hij los. Ze gooit het blikje in de afvalbak en de kat buiten. Het is van dat miezerige najaarsweer wat regenkleding noodzakelijk maakt. Gehaast schiet ze in de regenbroek en jas. Het koortje van de capuchon trekt ze strak onder haar kin en loopt naar het fietsenschuurtje. Het had haar niet verrast als er nu een band leeg had gestaan maar gelukkig, niet alles zit tegen. Ze racet naar haar werk, negeert voor deze keer en op hoop van zegen, het rode stoplicht bij de Schrijverslaan en met een vuurrood hoofd komt ze tot stilstand in het fietsenhok.

vrouw op fiets

Pas als ze haar fiets op slot zet, ziet zij dat er geen andere fietsen staan. Heel langzaam begint er bij haar iets te dagen. Ze leunt tegen de muur en zakt langzaam op haar hurken. Ze weet niet of ze moet lachen of huilen als de werkelijkheid tot haar doordringt: het is zaterdag.

Ze stapt weer op haar fiets en gaat naar huis. Na een lange en warme douche kruipt ze in bed. Dit is één van die dagen en vandaag moet er niets meer.

 

© Peter Gortworst / sept. 2014

foto’s: http://www.genius.com /www.upcoming.nl / http://www.isomobolleke.nl  /www.glamourandhighfashion.blogspot.com

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 9 reacties

18 krt

“Jij moet naar de expeditie. Sjef is daar aan het laden en kan wel wat hulp gebruiken. Morgen moet je met hem mee naar Friesland. Je regelt het maar met hem dat hij je op komt halen of dat je naar zijn huis gaat.”
Dàt is een mooie mededeling van mijn werkmeester. Sjef is de vrachtwagenchauffeur en samen met hem een dagje op de vrachtwagen is een hele prettige afwisseling. Even uit het dagelijkse ritme. Even weg uit die fabriekshal, het stof, de herrie en het troosteloze uitzicht door de vieze ramen op een andere fabriek.

vrachtwagen

Sjef loopt als een dragonder, praat hard en vloekt als een bootsman in bijna elke zin. Hij is zo sterk als een beer, heeft een kop met kort geschoren, vuurrood haar en kan de schuinste moppen vertellen. Sommigen zijn zo schuin dat ik ze, als jonge knul, niet eens snap.

We moeten drie machines laden. Het laatste wat ik wil is deze Ontzagwekkende tegen mij in het harnas jagen. Ik doe dus precies wat hij zegt. Af en toe gromt hij maar gelukkig blijkt dat van tevredenheid te getuigen. We sjorren de machines vast, gooien de dekzeilen er overheen en we spreken af dat ik de volgende morgen om kwart voor zeven bij zijn huis zal zijn.

Hij woont in het langgerekte dorp Assendelft. Het adres ‘Dorpsstraat’ heeft een idioot hoog nummer met vier cijfers. Waar zijn ze begonnen met tellen? Bij het station van Krommenie of bij het Noordzeekanaal? Dom! Ik had dat gisteren natuurlijk even moeten vragen. Om te voorkomen dat ik op de fiets het hele dorp door moet kan het beste de weg langs de watertoren genomen worden. Die kruist ongeveer halverwege de Dorpsstaat. Dat scheelt toch minstens een half dorp.

Assendelft_Foto_Pascal_Fielmich

Te laat komen is geen optie en ruim op tijd constateer ik dat de huisnummers in richting van het kanaal, oplopen. De kleine huizen liggen wat verder van elkaar maar na enige tijd zie ik de vrachtwagen al langs de kant van de weg staan en is ook het huisje gevonden.

Sjef heeft mij blijkbaar zien komen. Als ik mijn broodtrommeltje uit de fietstas pak, gaat de deur al open.
“Je bent verdomme veel te vroeg!” fluistert de spierbundel, “Kom eerst maar koffie drinken.”

Aan de keukentafel zit een mollige, kleine, vriendelijke vrouw en een duidelijk geestelijk en lichamelijk gehandicapt meisje.
“Dit is mijn vrouw en dit is Annie, onze dochter,” zegt Sjef.

Ik voel mij verward. Deels doordat ik niet gerekend had op een gehandicapt meisje maar meer door het gedrag van Sjef. Waar is de vloekende en onbehouwen dragonder gebleven? Hij is naast het meisje gaan zitten en voert haar geduldig met die grote kolenschoppen kleine hapjes brood met hagelslag. Hij praat zacht en lief en heeft al vier zinnen gezegd zonder in één daarvan te vloeken. Als de boterham op is, staat hij op.
“Zullen we?” vraagt hij.
“Ja, we zullen,” zeg ik.
Hij neemt het hoofd van zijn vrouw tussen zijn handen en alleen haar neus en mond komen daar nog tussenuit. Ze krijgt een dikke zoen. Dan tilt hij Annie uit haar stoel en drukt haar voorzichtig tegen zijn borstkas. Hij knuffelt het kind dat met rare, piepende en krijsende geluiden daar blijkbaar toch van geniet.

afsluitdijk-crop

We zijn onderweg en Sjef is weer de oude Sjef. Met geen woord praat hij over zijn vrouw of dochter. Met dikke verhalen en schuine moppen rijden we naar Friesland. Op de Afsluitdijk maakt hij een onverwachte slinger omdat hij zo vreselijk moet lachen als hij vertelt over die automobilist die hem al een tijdje dwars had gezeten. Toen hij bij het stoplicht uit zijn cabine was gestapt om even verhaal te halen bij die waailap was deze zo bang geworden dat hij gas gaf en vluchtte. De roodlichtcamera flitste twee keer en Sjef deed het bijna in zijn broek van het lachen.

We draaien het terrein van de klant op. Sjef zoekt zijn papieren bij elkaar, gooit de deur open en verdwijnt achterwaarts in de diepte. Er gaan twee seconden voorbij en met een serie vreselijke vloeken schiet Sjef weer omhoog. Met één hand gooit hij de papieren op het dashboard en met de andere trekt hij de deur met een daverende klap dicht. Het vloeken wordt niet minder als hij het raampje een stukje opendraait.
“Haal goddomme die hond weg!! Er gebeurd hier verdomme helemaal niks als jij die rothond niet meeneemt!!”
Blijkbaar probeert daar beneden iemand weerwoord te geven.
“Het kan mij verdomme niet schelen of dat rotbeest lief is!” buldert Sjef. “Als jij je machines wil hebben zorg je er maar voor dat het veilig is! Ben je nu helemaal van Lotje getikt om dat beest los rond te laten lopen? Wat denk je verdomme wel?!”
Demonstratief draait hij het raampje dicht. De discussie is voor hem gesloten en zachtjes vloekend wacht hij op wat er gaat gebeuren.

valse-hond

Vanaf mijn plaats in de hoge cabine kan ik niets zien van een blijkbaar monsterlijke hond en zijn baas. Hij komt voor mij pas in zicht als hij zich naar het kantoorgedeelte begeeft. Een grijze man met een grijze stofjas.  Onder zijn arm een klein wit hondje waarvan de korte pootjes mee wiebelen  in de cadans van zijn pas. Als hij verdwenen is gromt Sjef tevreden. Hij gooit de deur open, kijkt mij aan en zegt, bijna met dezelfde stem als vanmorgen bij hem thuis:
“Ik heb het niet zo met honden.”
Dan laat hij even een stilte vallen, zucht diep en vraagt zacht:
“Zullen we?”
“Ja,” zeg ik, “We zullen.”

Ik snap zijn vrouw. Op zo’n vloekende, onbehouwen dragonder met zo’n klein maar 18 karaats gouden hartje, kan je alleen maar verliefd worden.

© Peter Gortworst / juli 2014

foto’s: http://www.kleyntrucks.nl / http://www.pascalfielmich.nl /www.speld.nl / http://www.dedoornenburger.nl

.

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Die letzte Kneipe

Met de hele groep zijn we, ter lering en vermaak, een dagje naar Bremerhaven. Een Duitse havenstad aan de Noorzee en aan de monding van de Weser en de Geeste. We bezoeken de niet al te grote dierentuin ‘Zoo am Meer’ en maken een rondvaart door de haven. Daar horen, en zien wij het bovendien met eigen ogen, dat dit een vissersplaats van formaat is. Ook is het de haven waar de in Duitsland gemaakte auto’s verscheept worden en de importauto’s aan land worden gebracht. Enorme schepen vervoeren duizenden automobielen en de terreinen waar deze tijdelijk geparkeerd worden, zijn onafzienbaar.

bremerhaven

Bremerhaven is rond 1950 groot geworden door een rederij met de naam ‘Norddeutscher Lloyd’. Deze maatschappij onderhield een veerdienst met New York. Niet alleen zijn er na de tweede wereldoorlog vanuit Nederland veel mensen geëmigreerd naar b.v. Canada, Australië en Nieuw Zeeland. Ook ongeveer zeven miljoen Duitsers emigreerden in die tijd naar Amerika, Argentinië en Brazilië. Verreweg de meesten gingen hier scheep.

Dat is dan ook de reden dat hier het Deutsches Auswandererhaus staat. Je kunt in dit museum op indringende wijze kennis nemen van alles wat deze emigranten meemaakten. Ze vertrokken uit een kapot land waar gebrek was aan alles en waar men met alle macht bezig was aan de wederopbouw. Ze vertrokken naar een land wat ze niet kenden. Dat deze ‘Nieuwe Wereld’ echt bestaat was waarschijnlijk de enige zekerheid die ze hadden. Maar hoe ze daar ontvangen zouden worden, hoe je contact maakt en werk vindt als je de taal niet spreekt en of je daar werkelijk een bestaan kan opbouwen waren grote onzekerheden waar vooralsnog mee geleefd moest worden.

Als je het niet weet is het bijna onvindbaar. Ergens verstopt tussen enorme grauwe loodsen, langs kilometers hekwerk, parkeerterreinen en insteekhavens bevindt zich hier een eetgelegenheid met een uitstekende keuken. Het heet ‘Treff Kaiserhafen’ en volgens een bord wat aan de dakrand hangt is het ‘Die letzte Kneipe vor New York’.

letzte kneipe

Het heeft de onbedoelde status van museum. Aan de buitenkant zie je het er niet van af. Het oogt armoedig en nodigt niet echt uit tot een bezoek. Een laag houten gebouw met asfaltpapier op het dak. De tijd heeft er elke keer een uitbouwtje bij gemaakt. Twee grote ankers en een oude roestige scheepsmotor die plompverloren voor het gebouwtje zijn gestald geven de indruk dat wij hier van doen hebben met een handelsbedrijf in oude metalen. De toegang is een stalen stuurhut waar de bak- en stuurboordlichten nog aan zitten. Tegen de gevel is het achtersteven van een oude 17e eeuwse boot geschroefd.

Eenmaal binnen ontdek je dat alles hier te maken heeft met schepen en zeevaart. De wanden hangen vol met alles wat je op een schip kan vinden. Van oude boegbeelden tot complete stuurinrichtingen en van een koperen patrijspoort tot een heuse scheepsradio. Hoe langer je om je heen kijkt hoe meer je ziet. Als je al op het eten moet wachten, is dat beslist geen straf.

inter.letzte kneipe

In deze letzte Kneipe is men, afgaande op de hoeveelheid voorgeschoteld eten, nog steeds van mening dat de gasten weldra scheep zullen gaan richting New York. Aan een dergelijke reis moet je goed gevoed beginnen. Het valt niet mee om het geserveerde lunchgerecht soldaat te maken.

Een paar tafeltjes bij ons vandaan zijn twee dames gaan zitten. De ene is een oude dame. Klein van stuk en een broos voorkomen. De uitdrukking ‘grijze muis’ schiet door mijn hoofd. Ze draagt een zichtbaar oude deux pièces met een onbestemde, vale, lichtcrème kleur. Haar eigen huidskleur komt daar aardig mee overeen. Het weinige grijze haar heeft nog sporen van een permanentje.

De andere dame schatten we begin vijftig. Zij heeft een, zoals dat zo mooi omschreven kan worden, gezet postuur. Het haar is gitzwart geverfd en staat als de helm van een Engelse bobby boven op haar hoofd. Ze is zwaar opgemaakt, draagt een bloemetjesjurk in zes kleuren rozerood met een brede, zwarte ceintuur en de eveneens zwarte, kniehoge laarzen maken het plaatje compleet. We vermoeden dat het een dochter is die haar moeder, voor een mooi middagje uit, heeft meegenomen.

Ze bestellen iets te drinken. De dochter neemt een sapje en de moeder een groot glas bier. Terwijl de dochter de kaart bestudeert drinkt de oude vrouw in één keer het glas bier bijna helemaal leeg. Net als de dochter zich naar haar toe buigt om iets aan te wijzen op de kaart, laat moeders een voor iedereen duidelijk hoorbare boer. De dochter schrikt zichtbaar en kijkt schichtig om zich heen, klaar om iedereen die er iets van zegt, direct haar verontschuldigingen aan te bieden. Het is niet nodig.

glas-duits-beiers-bier-18124334

In afwachting van hun maaltijd zegt de dochter af en toe iets tegen haar moeder maar die zit stil voor zich uit te kijken en reageert niet. Zodra het eten op tafel wordt gezet verandert de houding van de oude vrouw. Ze wordt beweeglijk en schuift het bord met een nieuw groot glas bier, meer naar het midden van de tafel. Dan buigt zij zich voorover en met de mond ongeveer op gelijke hoogte van het bord wordt de maaltijd, bijna letterlijk, naar binnen geschoven. De dochter gaat verzitten en voorkomt zo al te veel nieuwsgierige of afkeurende blikken. Ook ons is het zicht ontnomen maar als een nieuwe knetterende boer achter de rozerode jurk opklinkt, concluderen wij dat de maaltijd en het bier genuttigd zijn.

Als de serveerster heeft afgerekend staan beide dames op. Net op tijd kan de dochter haar moeder opvangen. De twee grote glazen bier eisen hun tol. Zwaar leunend op haar dochter gaat ze naar buiten.

Gezien haar leeftijd is het niet onwaarschijnlijk dat zij, over niet al te lange tijd haar grote reis gaat maken. Ook aan die reis moet je goed gevoed beginnen. Het zal niet New York zijn. Ze gaat naar een ‘Nieuwe Wereld’ die nog niemand kent en waarvan niemand zeker weet of die wel echt bestaat. Haar enige zekerheid is weten dat zij op reis zal gaan. Hoe je wordt ontvangen, welke taal er wordt gesproken en hoe je bestaan eruit ziet, kan niemand je vertellen. Je nu daarop voorbereiden door te gaan eten in deze letzte Kneipe is daarom zo gek nog niet.

 

© peter gortworst / aug. 2014

foto’s: http://www.actualidadmotor.com / http://www.funky-photography.com / http://www.artflakes.com / http://www.nl.dreamstime.com

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 5 reacties

NEE !

ja-nee

Het clubje kent elkaar nu een paar weken. Een bont gezelschap van 10 mensen die één ding gemeen hebben: gebrek aan assertiviteit. Dat gebrek ervaart ieder op zijn of haar eigen manier.

Henk is graag op tijd thuis om te genieten van zijn vrouw en hun kleine tweeling. Helaas, te vaak naar zijn zin vraagt de baas of er overgewerkt kan worden. Henk vraagt zich af of dat wel nodig of terecht is maar ‘nee’ zeggen durft hij niet.

Josje weet dat ze een allemansvriendje is die overal ‘ja’ op zegt. Toch zou ze graag zelf wel eens de beslissing willen nemen om een avond niet met haar vriendinnen uit te gaan maar die confrontatie durft ze niet aan.

Els die op het kinderdagverblijf altijd de vervelende klusjes op moet knappen en dit, ter wille van de lieve vrede, dan ook maar doet.

Klaas die al drie maal gepasseerd is bij een promotie en, ondanks het gemopper van zijn vrouw, dit maar laat gebeuren.

De kleine Irene die als actief lid van haar kerk voor zo veel vrijwilligerswerk gevraagd wordt dat het ten koste gaat van haar familiebanden.

Vanavond wordt het spannend. Ze gaan echt leren om ‘nee’ te zeggen en een enkeling is zelfs nu al zenuwachtig. De cursusleider legt het even uit. Je stelt aan degene die naast je zit een vraag. En het enige antwoord dat je mag geven is ‘nee’. Hoe simpel kan het zijn en hoe inventief zijn mensen. Henk vraagt Klaas of hij de koffiekan even door kan geven en ja, Klaas doet dat gewoon even. De goodlooking Richard vraagt Els of hij haar een zoen op haar wang mag geven en met enige spijt moet ze ‘nee’ zeggen.

De sessie verloopt vlot totdat het de beurt van Irene is.  “Zeg Irene,” vraagt Josje, “Ik hoef niets te verzinnen omdat het echt waar is wat ik je wil vragen. Volgende week heb ik geen auto en nu kom jij toch langs mijn huis. Zou je mij even op willen pikken?” Irene gaat helemaal in de fout. Natuurlijk wil ze dat doen. Kleine moeite toch? “Weet je nog wat je moet zeggen Irene?” vraagt de cursusleider. Irene kijkt betrapt. “Maar dat kan ik toch best even doen?” “Wat hadden we afgesproken om te antwoorden?” vraagt de leider. Irene hakkelt, zucht en kleurt. Op verzoek stelt Josje nogmaals de vraag en de kleine Irene gaat van pure wanhoop staan. “Nee,” zegt ze dan en geen mens gelooft haar.

Arme Irene, Josje, Richard, Klaas, Henk en Els. Goede mensen die leven in een respectloze wereld. Een wereld waarin ze, soms door onwetendheid maar vaker door het eigenbelang van de ander, misbruikt worden. Is het niet raar dat deze, veelal zachtaardige mensen die niet met de vuist op tafel slaan, zich niet laten gelden, geen natuurlijk overwicht hebben zich moeten transformeren tot iets wat ze niet zijn? Is het in deze wereld, waar schijnbaar het recht van de sterkste regeert, niet de taak van de sterksten om te zorgen dat het hen, die zich er niet op voorstaan tot de sterksten te behoren, goed gaat? Dat er rekening met hen gehouden wordt, dat ze gehoord en gezien worden? ‘Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden’ kraaien de haantjes en dat is helemaal waar als je daarin ook betrekt dat jij verantwoordelijk bent en rekening houdt met de mensen om je heen door hun grenzen en wensen te respecteren.

Irene fluistert net iets te hard tegen Josje: “Kwart over zeven hè?”

 

©peter gortworst / nov 2015

illustratie: http://www.anker-kompas.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , | 2 reacties

Spelbrekers

Dertien leden telt het seniorenteam van Eernsterzwaag. Goedwillende en goedmoedige 45-plussers die er nog aardigheid in hebben om zaterdags een balletje te trappen. Ze kennen elkaar al jaren want Eernsterzwaag is een klein en overzichtelijk dorp met honkvaste bewoners. Een aantal van hen werkt in de stad maar daar naar toe verhuizen komt niet in hun hoofden op. Weg uit je dorp? Geen sprake van.

Ze zaten als kleine jongens samen op hun dorpsschool en werden, net als hun vriendjes, lid van hun eigen Eernsterzwaagse Voetbal Club. Ze groeiden samen op, gingen gezamenlijk in de stad naar school, zochten hun werk en hun vrouw in de directe omgeving en dat voetballen op zaterdag bleef. Het hoort bij het leven als de pastoor bij de kerk en als Teun de kroegbaas bij zijn café. Nu is een pastoor belangrijk en soms nuttig maar Teun met zijn kroeg overtreft dat ruimschoots. Waar kan je beter een wedstrijd evalueren dan in je eigen kroeg? Alle tactische missers en hopeloos verknoeide kansen in de gespeelde wedstrijd worden bespreek-, draag- en verwerkbaar bij een goed glas bier.

bottle-310313_640

De besprekingen werpen hun vruchten af: Nog één wedstrijd en dan staan ze bovenaan. Ze moeten hem wel winnen en Teun, die als een echte kroegbaas overal verstand van heeft, weet wel hoe je dat doet: “Voor elk doelpunt wat jullie maken sla ik een vat bier aan en dan geen flesjes maar echte biertjes van de tap!” De mededeling wordt met gejuich ontvangen en gespannen wacht men op berichten die duidelijkheid kunnen geven over hoe de mogelijke tegenstanders vandaag hebben gespeeld. Het kan het wat verder gelegen Veenlanderhuizen zijn maar voor hetzelfde geld is het Hoogbergerveen en dat zou het mooiste zijn. Dan wordt het een echte streekderby die ze hier, op hun eigen veld moeten spelen en beter kan je het niet hebben. Bovendien kunnen die Hoogbergers wel een lesje gebruiken. Ze hebben het daar hoog in de bol met hun HFC. ‘Hoogbergerveensche Footbal Club’ noemen ze zichzelf. Op z’n Engels! Nou, zeg nu zelf. Met zo’n naam spoor je niet.

Klaas van Piet de boer wilt even bellen. Hij kent daar wel iemand. Teun schuift de telefoon over de bar naar hem toe en even later weten ze het. EVC moet tegen HFC!

bier-im-glas_318-9993

Als een stel jonge honden stormt het HFC seniorenteam de kantine in. Zo’n mooie wedstrijd met dikke cijfers winnen is een feestje waard. Harry, de pachter van de kantine heeft het er druk mee. Hier schenkt men standaard nog mooie glazen bier uit de tap en dat wordt door de leden zeer gewaardeerd.

Hoogbergerveen ligt dicht bij de stad en zo rustig als het in Eernsterzwaag is, zo druk en levendig is het hier. Er zijn de laatste jaren veel mensen uit de stad naar dit dorp gekomen. Ze brachten hun stadse manieren mee, bouwden hun huizen en zorgden voor een redelijk welvarende middenstand. Zo heeft de kleine supermarkt net de vergunningen rond voor een verdubbeling van het winkeloppervlak.

Het seniorenteam bestaat hier uit louter import. Gaandeweg hebben de oorspronkelijke senioren uit het oude dorp plaats gemaakt voor die stadse heren. Toen het bestuur van het HFC, na diverse signalen, concludeerde dat dit een ongewenste ontwikkeling was, bleek er weinig meer aan gedaan te kunnen worden. Twee seniorenteams was geen optie en dus speelden de veelal dikbuikige, zich op dunne, witte beentjes voortbewegende, stadse senioren hun competitie. Niet onverdienstelijk zoals nu blijkt. Ze moeten nog één wedstrijd winnen en dan staan ze bovenaan.

Door al het geroezemoes heen klinkt plotseling de telefoon van Olaf. Hij zondert zich een beetje af en komt even later glunderend weer bij zijn team staan. “Jongens luister,” zegt hij, “Dat was Piet van EVC. Eernsterzwaag heeft zich ook geplaatst dus we moeten volgende week uit en natuurlijk gaan wij van ze winnen.” Gejuich stijgt op. Die boerenpummels kunnen ze hebben. Dit is een gelopen race. “En!” roept Olaf, “Wij moeten Harry eens lief aankijken want zij krijgen voor elk doelpunt wat ze dan maken een vat bier!” Een heel team kijkt nu naar Harry. “Dat kan ik ook,” zegt hij grootmoedig en een donderende kreet die iets weg heeft van ‘Hoera!” is zijn deel.

voetbal

Een gezonde opwinding heeft zich in de week voor de wedstrijd, meester gemaakt in beide dorpen. Het is ook niet zomaar iets: kampioen kunnen worden! Normaal heeft slechts een enkeling interesse in het doen en laten van hun seniorenteam maar zoals altijd heeft succes vele vrienden. De clubleiding van EVC heeft al laten weten dat alle kaartjes zijn uitverkocht en dat er zelfs een afvaardiging van de KNVB aanwezig zal zijn. Zowel HFC als EVC hebben een extra training gehouden. In de kroeg en in de kantine zijn tactische besprekingen gehouden, is er aan teambuilding gedaan en alvast geproost op de komende winst.

Het uur van de waarheid breekt aan. Onder gejuich van de toeschouwers betreden de spelers het veld. De verwachtingen zijn hoog. Het zal, hoe het ook uitpakt, een zwaar bevochten overwinning worden.  De lokale persfotograaf maakt van elk team een mooie foto. De spelers geven elkaar een hand en stellen zich dan op. De scheids kijkt op zijn klokje en fluit af.

Voor wie het nog niet wist: senioren gaan anders met elkaar om dan jonge honden. Ze houden er niet van om een tegenstander onderuit te schoppen. Ze hebben respect voor elkaars gezondheid en zien gemaakte foutjes al snel over het hoofd. Natuurlijk is het jammer als jouw keeper ruim over de bal duikt, niet op tijd in de goede hoek kan zijn of te korte armen heeft. En als je tegenstander over zijn eigen benen struikelt in jouw strafschopgebied is dat natuurlijk knullig. Dat hij daar een strafschop voor krijgt klopt natuurlijk niet maar waarom zou je protesteren als je weet dat de scheids toch altijd gelijk heeft? Je loopt even naar zo’n gevallen man toe, helpt hem weer op de been en wenst hem succes met de penalty. Zo ga je met elkaar om en de sfeer blijft prettig omdat je weet dat dit soort dingen gewoon gebeuren. Vandaag is dat niet anders.

voetballer

Het spel golft mooi heen en weer totdat er, na een kleine twintig minuten, enige consternatie bij de zijlijn ontstaat. Er wordt geschreeuwd, aan jassen getrokken tot er plotseling twee mannen het veld op rennen en de scheids belagen. Het zijn Teun en Harry die eisen dat de wedstrijd bij de stand 13-14 gestaakt dient te worden.

Bah! Spelbrekers!

 

© peter gortworst / juni 2015

foto’s:www.de.freepik.com / http://www.pixabay.com / http://www.animaatjes.nl / http://www.muurmode.nl / http://www.nl.dreamstime.com

…als je het de moeite waard vindt dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Aanhangsel

Ze hoort de wekker, het protesterende gekreun van Gerard en ze weet dat het verschrikkelijke weekend is gekomen. Twee en een halve dag Anja. Niet ‘moeder’ of ‘oma’, nee, haar schoonmoeder wil Anja genoemd worden. Twee of driemaal per jaar verwaardigt zij zich een bezoek aan haar zoon, schoondochter en de kinderen te brengen. Zij weet niet en kan zich niet indenken wat voor chaotische gedachten en taferelen dit bezoek teweeg brengt. Zou zij dat wel weten of kunnen dan deed ze het toch. Zij ziet zichzelf als de matriarchaat van de familie en ontleent daar het recht aan om op gezette tijden de gezinnen van haar kinderen te bezoeken en, waar nodig, bij te sturen. Hoedt u voor hooggeplaatste leidinggevenden die wensen aangesproken te worden als ‘gewoon’ Tom of Inge.  Als het puntje bij het paaltje komt is er van dat amicale gedoe niets over en de kans dat er misbruik wordt gemaakt van alle persoonlijke vertelsels, is levensgroot. Met een gezonde, afstandelijke beleefdheid is niets mis en misschien is dat ook de reden waarom zij dat ‘Anja’ zo slecht uit haar mond krijgt.

timmerwerkplaats

Stress, zorgen en ander geestelijk ongemak kan lichamelijke ongeriefelijkheden met zich meebrengen. Dat wat zich tussen de oren afspeelt, vindt zijn weerslag in krampende spieren, spontaan werkende darmen of een plots veel kleinere blaas. Het blijft bij haar tussen de oren: een volledig in bedrijf zijnde timmerwerkplaats compleet met jankende machines. Ook wel omschreven als een knallende koppijn.

De vrijdagochtend valt, ondanks die pijn in het hoofd nog mee. Ze doet, zoals altijd, de administratie van hun eigen aannemersbedrijf. Tussen de middag komt Gerard gewoon naar huis en is het samen eten bijna gezellig. Bijna, want ook Gerard ziet tegen het bezoek van zijn moeder op. Het hangt als een naderend noodweer boven hun hoofd. Hij belooft op tijd thuis te zijn zodat ze met de Mercedes haar schoonmoeder van het station kan halen. Haar eigen autootje is natuurlijk te min. De middag besteedt ze aan het schoonmaken van het huis en het klaarmaken van de logeerkamer.

Het gaat fout op het moment dat haar twee dochters uit school komen. Zij balen van het feit dat de zaterdagavond nu al naar de Filistijnen is. Anja verwacht, onuitgesproken maar onmiskenbaar, een compleet, gezellig bij elkaar vertoevend gezin. Twee kleindochters die een zaterdagavond rondhangen in de uitgaansgelegenheden van de stad, past niet in haar beeld van hoe het hoort. Dus heeft zij, voor de lieve vrede, haar dochters min of meer bevolen zich op te offeren en thuis te blijven. Hun protesten kan zij beter hebben dan die van haar schoonmoeder maar nu hebben zij een plan. Ze zullen thuis zijn maar willen graag een paar vriendinnen uitnodigen met wie zij de avond op hun kamers doorbrengen. Ze begrijpt hun wens maar ziet als een berg op tegen het kleine beetje extra werk dat dit kost. Ze kunnen het daar morgen ook nog over hebben maar de dochters menen dat enige zekerheid nu nodig is. Hun vriendinnen wachten op antwoord. Ze schiet, geholpen door de timmerwerkplaats tussen de oren, uit haar slof. Haar keiharde ‘nu niet’ levert kwade koppen, boze uitroepen en knallende deuren op. De timmerlui zetten er nog een tandje bij.

Wil ze op tijd op het station zijn dan moet ze om kwart voor vijf weg. Anja verwacht een schoondochter die al staat te wachten en geen verward mens dat gehaast aan komt rennen omdat ze eigenlijk te laat is. Gerard weet dat ook en schuldbewust heeft hij laten weten vijf minuten later te zijn. Als hij er eindelijk is rent ze naar buiten, ploft in de Mercedes en scheurt in vliegende vaart naar het station. Goddank, een vrij insteekhaventje en op het moment dat de trein het station binnen zou moeten lopen gooit ze het portier achter zich dicht. De trein heeft zeven minuten vertraging. Ze kan op adem komen en zich herpakken als de ideale schoondochter.

koffer

Op het moment dat passagiers uitstappen klinkt haar telefoon. Het is Gerard die een verhaal begint over de politie en een aanhanger. Ze begrijpt het even niet, ziet Anja op haar afkomen en raakt lichtelijk in paniek. Ze vraagt Gerard even te wachten en probeert iets aardigs tegen Anja te zeggen inclusief twee luchtkussen naast haar oren. Ze keert terug naar Gerard. Die kreeg een telefoontje van een politieagent. Hoe hij het in zijn hoofd haalt om zijn auto met aanhanger zo te parkeren dat er geen mens meer door kan. Ze weet van geen aanhanger tot Gerard haar duidelijk maakt dat het voertuig nog achter de auto hing en nu blijkbaar de straat blokkeert. Zonder iets te zeggen drukt ze hem weg, grijpt de rolkoffer met genoeg inhoud voor drie weken Noordpool bij het hengsel en rent in gestrekte draf het station uit.

De politieman is zo vrij geweest de aanhanger maar even af te koppelen en kan niet begrijpen dat iemand onderweg kan zijn zonder te merken dat er een tandemasser achter de auto hangt. Hij is van mening dat je het toch minstens zou moeten zien als je uitstapt. Die mening deelt zij niet. Weerwoord zal echter geen zin hebben want hoe groot is de kans dat hij een Anja als schoonmoeder heeft? Gelaten ondergaat zij de woorden van deze dienaar der wet en de toeterende verwijten van het verkeer wat weer op gang komt.

tandem29

De aanhanger is weer aangekoppeld. De koffer staat op de achterbank en Anja zit naast haar. Die heeft de hele tijd niets gezegd. Ze is als een vorstin in de auto gaan zitten en heeft in die hoedanigheid het geploeter van de onderdanen aanschouwd. Auto plus aanhanger komen in beweging en Anja kucht even. De inleiding tot een preek weet ze uit ervaring. Ze is haar voor. “Luister Anja, leuk dat je er bent maar je moet even twee dingen weten. Ik moet morgen met Gerard voor een groot deel van de dag de stad in omdat hij en ik nieuwe kleren nodig hebben en de meiden hebben morgenavond de huiskamer nodig voor een feest met vrienden. Wij gaan dan lekker vroeg, knus met z’n tweetje in bed liggen en van jou wordt verwacht dat je je vermaakt in de logeerkamer. Onze tijd in de weekenden is beperkt en het leven gaat ook hier gewoon door. Duidelijk?” Het duurt even maar dan klinkt er een “tù, tù, tù”

Hoe het opgevat moet worden zal haar (gort)worst zijn. Ze stopt even bij de supermarkt om twee kratten bier in de aanhanger te laden. “Voor morgenavond,” zegt ze tegen Anja, “Die meiden zuipen als bootwerkers.”

4372-kratje_bier

© peter gortworst / okt 2015

foto’s: http://www.antiqbook.com / http://www.aanhangwagens-paardentrailers.nl / http://www.omroepzeeland.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Modderman

Ze twijfelt. Haar jongens zullen het vast geweldig vinden om een dagje met opa te gaan roeien maar hoe zal opa zich houden? Ze kent hem. Zijn plannen vinden meer grond in zijn jeugdig enthousiasme, overmoed en wat hij graag wilt dan in wat hij nog kan. Hij doet er alles aan om maar niet op een 60-plusser te lijken en dit is één van die pogingen. En moet zij nu die ene zijn die hem dat verbiedt?
“Nou, vooruit. De jongens kunnen zwemmen en ik neem aan dat je oud en wijs genoeg bent.”

hippert zaandam

Opa wil geen motor.
“Roeien is goed voor je.”
De riemen worden in de boot gelegd en met een: “Alstublieft en succes ermee,” is de man van Hippert de botenverhuurder er klaar mee.

Opa kijkt naar zijn twee kleinzonen. Koos, bijna dertien en daarmee de oudste, kijkt zorgelijk naar de boot.
“Kan jij dat wel, opa?”
“Opa kan alles,” stelt deze hem gerust.
Koos kijkt naar broertje Kees. Die heeft de koelbox neergezet en is, in afwachting van wat komen gaat, op het deksel gaan zitten. De zorgen van Koos deelt hij niet: er staat iets spannends te gebeuren en dat bevalt hem.
“Kom,” zegt opa, “klim er maar in. Koos, jij achterin. Kees, jij voorin.”
Onwennig stappen ze in en als opa met de koelbox en een rugzak ook instapt, houden ze zich goed aan de zijkanten van de wiebelende boot vast. Hij zet af tegen de steiger. Zodra de boot ruimte heeft legt hij de roeispanen over de dollen en met een paar slagen roeit hij naar het midden van de vaart. Hij geniet.
“Het is net als fietsen. Je verleert het nooit!” zegt hij tegen de jongens die met groeiend ontzag voor opa, hun eerste nautische ervaring beleven.

Ze moeten onder een lage brug door en komen op de brede Wetering.
“Zo,” zegt opa, “nu gaan jullie samen roeien.”
Geduldig legt hij uit hoe dat gaat, hoe je rechtdoor kunt blijven varen en wat te doen als je uit koers raakt. Natuurlijk wil het eerst niet lukken. Met plonzende riemen, een koers van 360 graden rond en twee rode koppen krijgen ze het in de gaten. De jassen gaan uit en worden voorin gelegd. Geholpen door een straf windje en de aanwijzingen van de kapitein, glijdt de boot over het water. Als ze een stuk gevaren hebben wordt Kees moe en opa neemt het weer over.

oostzijderveld18nov122

Het Oostzijderveld is een gebied met langgerekte smalle weilanden omgeven door sloten. Het water staat hoog en het is een eldorado voor weidevogels. Opa vaart langzaam door de sloten en vertelt over de vogels die ze zien. De jongens wisten niet dat er zo veel soorten vogels waren. Ze zijn oprecht verbaasd over zijn kennis en het enthousiasme van de man werkt aanstekelijk. Als ze langs een rietkraag varen stopt opa plotseling de boot. Op het randje van het weiland, verstopt tussen het riet, ligt een nest met vijf eendeneieren.
“Waar is de moeder?” vraagt Kees.
“Die heeft ons vast horen komen en heeft zich verstopt. Als wij weg gaan komt ze terug. Als ze er tien of twaalf heeft gelegd gaat ze broeden. Van deze eieren nemen we er drie mee. Dat kan best. Thuis gaan we ze koken en met een bruine boterham smaakt dat heerlijk.”
Drie eieren worden voorzichtig tussen de jassen gelegd.

zwaan

“Kijk opa!” roept Kees vanaf de voorplecht, “een zwaan!”
Opa draait zich om en ziet een knobbelzwaan met de vleugels hoog opgetrokken in volle vaart op zich afzwemmen. “Donders! Die heeft daar vast een nest. We moeten hier weg!” De jongens kijken verschrikt naar opa. Een zwaan die aanvalt? Ze weten niet wat te denken maar de angst slaat toe. Opa probeert achteruit te roeien maar dat lukt niet goed. De zwaan komt snel dichterbij en het mateloze vertrouwen van de jongens in hun kapitein brokkelt met elke mislukte slag af. Opa gaat staan en gebruikt een riem als duwstok. Zigzaggend door de smalle sloot varen ze achteruit en tot opluchting van de complete bemanning staakt de zwaan de achtervolging.

Ze komen weer op de Wetering en met een ferme duw geeft opa het laatste zetje. De riem zuigt zich vast in de modder en het hout glijdt uit zijn handen. Als een baken blijft de riem schuin omhoog staan terwijl de boot zachtjes uitdrijft.
“Dat heb ik weer,” verzucht opa.
“De riem!” roept Koos verschrikt, “Opa, daar staat de riem!”
“Ja, dat weet ik ook wel. Gaan jullie maar met je handen roeien. Ik gebruik de andere spaan wel.”
Twee jongenshandjes geven weinig stuwkracht. Een grote man die tegen de wind in met één roeispaan vooruit wil komen, kan dat niet winnen.
“We gaan wel naar de kant, ga maar samen achterin zitten.”
Met de boeg omhoog vaart de boot langzaam, dwars op de wind, naar de kant. Door een beetje in de blubber te duwen lukt het om de boot met de neus bijna op het droge te krijgen. Opa stapt uit en trekt de boot een stukje verder het weiland op. De riem staat drie weilanden terug in het water.
“Kijk daar, tussen dit weiland en het volgende zit een dam met een hek. Daar klim ik wel overheen en de laatste sloot is niet zo breed. Daar kan ik er wel overheen springen.” “Daar staan koeien,” merkt Koos op.
“Dat zijn jonge koeien. Die doen niks. Blijven jullie hier maar wachten.”

eendennest

De jongens zitten op de rand van de boot en kijken opa na.
“Ik heb dorst,” zegt Kees en samen nemen ze een blikje drinken uit de koeltas.
Met het blikje in de hand gaan ze weer zitten en zien opa over het volgende weiland rennen. Zes pinken zitten hem achterna. Rechtdoor is de Wetering. Linksaf de sloot. Opa slaat linksaf en met een forse sprong waagt hij de oversteek. In een fontein van opspattend water verdwijnt hij uit het zicht.
“Mooi bommetje,” zegt Kees zachtjes.
Het duurt maar even en dan zien de jongens een natte en bemodderde opa op handen en knieën de kant opkruipen. Hij banjert met grote stappen richting roeispaan, plonst het water in en trekt de riem los. Op de terugweg zwaait hij met de riem naar de pinken. Die doen of ze hem niet zien. Ze zijn tevreden met het behaalde resultaat en zoiets is maar één keer leuk. De jongens weten niet hoe ze moeten kijken als opa bij de boot komt. Hij is boos maar als hij die onzekere smoeltjes ziet barst hij in lachen uit.
“Als jullie zo blijven kijken gooi ik jullie ook het water in!”
Dat helpt.
“Opa, je stinkt,” lacht Kees.
“Ja, je bent een moddermannetje. Er zit ook modder in je haar,” helpt Koos.
“We gaan terug. Ga maar achterin zitten. Ik duw wel af.”
Met een forse duw schuift de boot van de kant en met een snoekduik landt opa op de vloer. Drie eendeneieren bezwijken onder dit geweld en een rotte geur maakt duidelijk dat het nest al geruime tijd verlaten was. De jasjes worden buitenboord gespoeld maar die geur blijft.

oostzijderveld18nov121

“Mamma zal wel blij zijn als ze ons weer ziet,” probeert opa.
“Ja, tot ze ons ruikt,” merkt Koos gevat op.
Opa lacht maar de gang langs de botenverhuurder en de fietstocht naar huis baren hem zorgen.
“Misschien gaan mamma en pappa de volgende keer wel mee,” oppert Kees, “Die vinden het vast ook leuk.” Modderman roeit naar huis. De laatste opmerking vergoed veel.

 

© peter gortworst
foto’s: http://www.beeldbank-nh.nl / http://www.esteie.nl / http://www.thuisinbrabant.nl / http://www.whotalking.com

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Ekster en de domheid.

Deze dag is een bijzondere dag. Raaf heeft iedereen gevraagd om naar het bos te komen omdat er iets belangrijks gaat gebeuren. Dat gebeurt niet alle dagen dus iedereen van de familie Kraai heeft een afvaardiging gestuurd. Raaf zit op een plek waar allen hem goed kunnen zien en horen en begint te vertellen. Over kraaien die ver weg, in een ander land leven en die daar niet meer kunnen wonen. Ze heten Alpenkraai en ze zijn hun leven daar niet meer zeker. Hun jongen worden gegrepen door Gieren en deze rovers maken zelfs de nesten van de Alpenkraai kapot en eten hun jongen op. Er waren altijd al Gieren maar nooit zo veel dat ze er last van hadden. Veilig vliegen is er niet meer bij en zelfs het eten is zo karig dat men al spreekt over verhongeren. Ze zijn dus op de vlucht geslagen en een deel van hen komt naar ons bos. De twee Kauwtjes, die altijd wel geluid maken tijdens dit soort bijeenkomsten, zijn er stil van. Goh, vluchten omdat het te gevaarlijk is. Dat is nogal wat. Ook de anderen zijn onder de indruk. Als Ekster zegt dat ze welkom zijn en dat ze natuurlijk geholpen moeten worden, zegt hij wat ze eigenlijk allemaal wel denken.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Raaf

Raaf belooft om iedereen op de hoogte te houden en de geachte afgevaardigden vertrekken om verder te gaan met dat wat dagelijks moet gebeuren. Vlaamse Gaai niet. Die gaat bij Raaf zitten en vraagt hoeveel Alpenkraaien er wel niet komen. Daar heeft Raaf geen idee van maar het zouden er zomaar 100 kunnen zijn. Daar schrikt Vlaamse Gaai van. Zouden zo veel van die Kraaien geen problemen kunnen geven? Kunnen wij ze wel verstaan? Waar moeten ze dan wonen? Gaan ze ooit weer terug? Zou het kunnen dat ze onze eieren pikken want ja, wat weten we eigenlijk van hen af? En wat als zo’n jonge Alpenkraai zijn oog laat vallen op één van onze struise Bonte Kraaien?

Raaf weet geen antwoorden. Hij heeft zijn hart laten spreken en nooit nagedacht over alle vragen die Vlaamse Gaai nu stelt. Hij zal zijn best doen om antwoorden te krijgen.

Vlaamse Gaai zit ondertussen niet stil. Eerst gaat hij naar een stil stukje van het bos om goed na te denken. Hij wil niet dat zijn mooie leventje wordt verstoort door Kraaien die hij niet kent. Zo als het nu gaat in het bos is het goed en dat mag niet veranderen. Als hij klaar is met denken, heeft hij zichzelf benoemd tot ‘Leider Van Het Tegengeluid’ en zoekt de andere Vlaamse Gaaien op. Hij vertelt dat er een heleboel, wel honderden Alpenkraaien komen en het is niet zeker dat ze ooit weer weggaan. Ze geven natuurlijk overlast, pikken de mooiste nestplaatsen in, hebben andere gewoonten, een taal die niet te verstaan is en ja, wie weet hoe gemeen of vals ze zijn. Over dat ze het aan kunnen leggen met andere lieftallige kraaien hier in het bos en wat daar voor kraaien uit geboren worden, wil hij het niet hebben maar hij stipt het toch maar even aan.

gaai

Alle Vlaamse Gaaien krijgen de opdracht om op pad te gaan. Onder het mom van eerlijke voorlichting worden alle Kraaien in het bos met aangedikte verhalen op de hoogte gebracht van de ramp die hen te wachten staat. Het is geen wonder dat de eerstvolgende bijeenkomst die Raaf houdt, door veel meer Kraaien bezocht wordt dan hij voor mogelijk had gehouden. Hij neemt het woord maar wordt vrijwel direct overstemt door de 35 Kauwtjes. Luidkeels laten ze weten dat een overstroming van het bos door een golf Alpenkraaien onacceptabel is. Ze zeggen zelf al moeite te hebben geschikte nestplaatsen te vinden en hoe zal dat zijn als die vreemdelingen hier komen wonen? De Roeken, ook in grote getale aanwezig, vrezen dat de Alpenkraaien hoog in de bomen van hun kolonie gaan nestelen zodat zij slachtoffer zullen worden van alles wat over de rand van het nest gekiept wordt. De Bonte en de Zwarte Kraai die ervaring hebben met onderlinge liefdes, menen dat het zo’n vaart niet zal lopen maar vragen zich af of het niet beter is de Alpenkraai wat dichter bij huis te laten blijven. Dit is natuurlijk een heel ander land, een ander klimaat, andere gewoonten en ander eten. Ze begrijpen heel goed de nood van deze soortgenoten maar om alles en iedereen nu maar hier naar toe te halen is onwenselijk en misschien ook niet nodig.

Raaf weet het even niet meer en verwachtingsvol kijkt hij naar Ekster. Dat is zijn stille kracht achter de schermen en misschien kan hij iets verstandigs zeggen. Naar Ekster luisteren ze wel. Hij kent zelfs een Arie Ekster die bij de mensen woont. Ekster weet wat er van hem verwacht wordt en vertelt iets over de Alpenkraai. Hoe hoog hun nood is en dat er voor hen geen keuze is. Ze moeten daar weg. Hij vertelt dat het slimme vogels zijn die iets kunnen bijdragen aan de welvaart in het bos. Dat ze niet van plan zijn te blijven maar zo snel mogelijk terug willen naar hun eigen land en dat het aantal wat komt, slechts een schijntje is van alle vogels die al in dit bos wonen.

Hij wil nog veel meer vertellen maar de Kauwtjes, aangevoerd door de Vlaamse Gaaien beginnen te roepen dat hij er niets van weet. Ze roepen dat zij het volk zijn en dat er naar hen geluisterd moet worden.

Ekster, die iedereen altijd laat weten waar de beste voerplekjes zijn, die het beste kan beoordelen of een tak sterk genoeg is voor een nest, die de Vlaamse Gaai helpt herinneren waar hij zijn eikels heeft verstopt, die, bij twijfel, laat weten of je iets wel of niet kan eten en in welke schoorsteen je beter geen nest kan bouwen komt niet meer aan het woord. Ze weten best dat Ekster een hele belangrijke vogel in het bos is en wat hij allemaal doet is lovenswaardig maar dat telt nu niet. Ze willen geen Alpenkraaien in hun buurt en als hij zo nodig die beesten wil huisvesten in zijn luxe overdekte nest is dat prima zolang het daar maar bij blijft. Weet Ekster trouwens wel dat Alpenkraaien rode poten hebben en een rode snavel die een beetje naar beneden buigt? Zoiets wil je toch niet in een boom tegenkomen?

De vergadering ontspoort. Iedereen schreeuwt door elkaar en als Raaf besluit om naar zijn eigen stille plekje in het bos te gaan en de boel de boel te laten, ziet hij dat Ekster ook vertrokken is. Dat hij het bos voorgoed achter zich gelaten heeft, blijkt pas later.

Ekster wordt node gemist in het bos. Regelmatig valt er een nest uit de boom waarbij de jongen jammerlijk omkomen. Een niet onbelangrijk aantal Kauwtjes zijn gestikt in de rook van de schoorsteen waarin zij meenden een nest te kunnen bouwen. Vlaamse Gaai komt, zwaar verzwakt, nauwelijks de winter door omdat hij geen idee heeft waar zijn eikels verstopt zijn en vorige week is een verliefd stelletje van de Zwarte en Bonte Kraai lelijk aan hun einde gekomen omdat ze iets gegeten hebben wat ze beter niet hadden kunnen doen. Een plaatsvervanger voor Ekster vinden lukt ze niet. Vlaamse Gaai heeft het, toen hij weer enigszins op krachten gekomen was, wel geprobeerd. Overal liet hij zijn witte kuif met zwarte streepjes zien. Hij wist precies te vertellen hoe het allemaal niet moest maar hoe het dan wel zou kunnen wist hij ook niet. Uiteindelijk is een delegatie op zoek gegaan naar Ekster in de hoop hem over te kunnen halen terug te keren naar het bos.

ekster_kop_erik_v_asten

Tevergeefs. Ekster meent dat in een bos waar de domheid regeert geen plaats is voor verstandige vogels. Hij heeft eens een boer aan een dood paard zien trekken en geconcludeerd dat dit een zinloze bezigheid is. Daar moeten de geachte leden van de delegatie maar eens goed over nadenken. Dat doen ze op de terugweg dan ook maar het levert geen heldere inzichten op zodat de mededeling aan het thuisfront beperkt blijft tot een ‘Hij komt niet terug’.

Het moge duidelijk zijn dat het bestaan in het bos kommervol genoemd moet worden. Er is nog een kleine fanatieke groep van enkele Kauwtjes die, onder leiding van Vlaamse Gaai, af en toe roepen dat zij het volk zijn. Het clubje roept dat in de woestijn van eigenbelang, onverdraagzaamheid en gebrek aan elementaire naastenliefde. De enige plek waar zij thuis is en zo lang zij zich niet laten overtuigen dat er een ander land is waar deze kenmerken niet voorkomen en het een land is van gelukkige vogels, blijven ze daar. Helaas……

© peter gortworst / 0kt 2015

foto’s: http://www.hei-heg-hoogeind.dse.nl / http://www.haagsebeemden.nl / http://www.raafprojecten.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 4 reacties

Joop en Josje

Even denkt hij dat de vrouw met het graf van Josje bezig is. Als hij wat dichterbij komt ziet hij dat ze bloembollen plant op het graf wat daarnaast ligt. Daar ligt een man, weet hij, die een dag eerder dan Josje gestorven is. Met een ‘goedenmiddag’ begroet hij de vrouw. Dan bukt hij zich om een verwelkte roos van het graf te pakken en legt er een verse, rode roos voor in de plaats.

begraafplaats_tolsteeg_utrecht_14-04-2007 028

De vrouw staakt haar tuinderswerk en komt overeind. “Zal ik even weg gaan?” vraagt ze. Hij kijkt haar een beetje verwonderd aan. “Waarom dat?” wil hij weten. “Nou, ik praat altijd tegen Joop en als u ook wat wil vertellen tegen …..” Ze leest even snel de naam op de steen. “Was Josje uw vrouw?” Hij knikt. “Als u ook wat tegen uw vrouw wil zeggen ga ik wel even op een afstandje staan. Dat praat voor u toch wat makkelijker, niet?” “Ik zeg hier nooit wat. Wat zou ik moeten zeggen? Dat heeft toch geen enkele zin?” Ze kijkt hem even aan. Dan wend ze haar blik naar het graf van haar man en zegt:  “Ik vertel Joop hoe het met mij gaat, hoe het met de kinderen en kleinkinderen is, ik praat over de hond en over de bende in de straat nu ze een nieuw riool aan het leggen zijn…..ik vertel gewoon van alles.”

Ze is even stil en hij wacht op wat komen gaat. “Joop heeft zó gevochten tegen zijn ziekte. Hij wilde zó graag wat langer blijven leven zodat hij zijn kleinkinderen nog zag opgroeien en ze hem, als ze wat ouder waren, nog konden herinneren. En dan de hond…. Dat was zijn beste vriend en die mist hem volgens mij ook nog elke dag. Ik heb hem een keer meegenomen maar hij werd hier helemaal gek! Hij draaide maar rond met de staart tussen de poten en jankte het uit! Het was alsof hij het wist, dat arme dier. Toen Joop gestorven was en het huis uitgedragen werd, moest ik hem opsluiten in de bijkeuken. Hij vloog bijna de begrafenisondernemer aan. Hij had er net zo moeilijk mee als ik en we missen hem nog elke dag. Mijn Joop was een vechter en hij wilde tot het laatst toe bij alles betrokken blijven. Daarom denk ik dat hij het wel fijn vindt om te horen hoe alles gaat.”

Ze zwijgt en kijkt, blijkbaar bevangen door de herinnering, naar het graf. “Josje heeft ook geknokt,” zegt hij zacht, “Tot ze aanvaarde dat ze het niet winnen kon. We hebben kort daarna afscheid van haar moeten nemen en toen is ze gaan slapen om nooit meer wakker te worden.”

rode_roos

Er valt een stilte en samen zijn ze bezig met hun eigen verdriet en herinneringen. “Gelooft u?” vraagt ze na een tijdje. Hij schudt even zachtjes zijn hoofd en zegt dan: “Als u bedoeld of ik in een hiernamaals geloof met een eeuwig leven waar je ziel dan heen zou gaan en zo, dan is het antwoord ‘nee’. Maar ik geloof wel in het bestaan van Josje’s ziel. Die zie ik namelijk terug in wat zij nagelaten heeft. In de kinderen en de kleinkinderen. In alle vrienden en vriendinnen die zij had en die zij op één of andere manier geraakt heeft. In al het goede dat zij voor anderen heeft gedaan en in alles wat ze voor mij is geweest en nog is. Dáár vind ik Josje terug en dát is voor mij haar ziel.”

De vrouw vist een papieren zakdoekje uit haar zak en friemelt er mee in haar handen. “Ik weet niet wat ik geloven moet”, zegt ze dan, “Toen ik de hond hier mee naar toe nam en dat beest zo bang werd, ben ik ook bang geworden. Ik kan wel flink doen en zeggen dat ik denk dat Joop het fijn vindt om op de hoogte gehouden te worden maar ik wilde graag dat ik het, net zo flink, ook echt geloof. Tegen wie of wat praat ik? Misschien praat ik mijn eigen angst wel weg. Ik weet best dat de Joop die hier ligt mijn Joop niet meer is. Dit is, wat ze zo netjes noemen, het stoffelijk overschot en als iemands ziel echt naar de hemel is gegaan dan……dan sta ik hier toch in het niets te kletsen? Dan is hier toch niets meer! Dan is het meer voor mijzelf, meer om mijn eigen verdriet, mijn eigen gemis….Maar, dat is toch niet verkeerd?”

Hij ziet tranen opwellen in haar ogen. Met het zakdoekje veegt ze deze voorzichtig weg. “Nee,” zegt hij, “Daar is helemaal niets mis mee. Iedereen verwerkt verdriet op zijn of haar eigen manier. Niemand kan en mag jou vertellen wat je moet doen of laten en hoe lang je daarmee bezig bent. Het is iets waar je zelf klaar mee moet komen en misschien is het ultieme doel van je leven wel een manier te vinden hoe jij verdriet een plaats geeft. En als het een plaats heeft, kan je verder.” Ze knikt nadenkend haar hoofd en als ze wat wil gaan zeggen legt hij zijn vinger op zijn mond. “Wacht even,” zegt hij, “Als ik nou even help met die bollen. Zullen we dan daarna ergens een bak koffie drinken met een plak cake en verder praten? Lijkt mij wel toepasselijk na een bezoek aan het kerkhof.” Ze schiet in de lach  en samen drukken ze de laatste bollen in de grond. “Ik heet overigens Sjoerd”, zegt hij. Ze glimlacht naar hem. “Een Fries dus?” Hij knikt. “Leuk, ik heet Japke.”

koffie_met_plakje_cake

© peter gortworst / sept 2014

foto’s: http://www.begraafplaats.org / http://www.consumentenbond.nl / http://www.posters-kopen.nl

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Schilderachtige armoede

Als schrijver van verhaaltjes ben je altijd gespitst op bijzondere gebeurtenissen, opvallende uitspraken, of terloops vertelde verhalen tijdens talloze ontmoetingen met wildvreemde mensen. Ze zijn mijn bron van veel schrijfseltjes. Ik bezit een klein rood notitieboekje waarin regelmatig losse krabbels geschreven worden. Onderwerpen, ideeën of andere bouwsteentjes voor een verhaal.

DSCI0025

Soms blijven ze daarin staan en nooit komt er een streep doorheen als teken dat ik het in een verhaal gebruikt heb. Ik kan het niet toepassen omdat ik er geen verhaal bij kan maken. Het kan zijn dat het te veel op zichzelf staat, te mager is of nergens toepasbaar maar toch te uniek om het als onbruikbaar weg te doen. Het blijft in mijn notitieboekje staan en langzaam verwordt het een steen des aanstoots

Zo was ik, nu bijna vier jaar terug, vroeg in de zomer op vakantie in Frankrijk. De rit voerde door de Morvan en bovenop een markante hoogte zou een subliem uitzichtpunt zijn. Ik had de auto op het parkeerterreintje gezet en de paar honderd meter naar het hoogste punt gelopen. Het uitzicht was inderdaad indrukwekkend.

Plotseling staat er naast mij een man die ik al op het parkeerterrein had gezien. Hij kwam aanrijden in een dure cabrio, droeg een crèmekleurige pet die op het hoofd van een rechtschapen agrariër de vlag op de spreekwoordelijke modderschuit zou zijn en droeg een polo met een duur merkje op de linkerborst. Nu kon ik ook zien dat hij een geruite broek aanhad en glimmende zwart-witte leren schoenen. “Inderdaad zeg. Een riant uitzicht,” meende hij te moeten opmerken. Ik beaamde dat en het duurde maar even en we raakten aan de praat. morvanWe bespraken de schoonheid van het landschap, de mentaliteit van de Fransen, de karige middelen van bestaan in deze streek en de vele karakteristieke maar in kennelijke staat van ontbinding verkerende huisjes die je onderweg ziet. “Ja, zegt hij, maar armoede is wel altijd schilderachtig.”

Onthouden!! Het schiet als een bliksemflits door mijn hoofd. Wat een opmerking! Wie had nu verwacht dat je hier, zomaar, zo een mooie zin in je schoot geworpen krijgt? Even later loop ik terug naar de auto en schrijf de zin direct in mijn boekje. Een juweeltje. Hier kan ik vast wel wat mee.

We zijn nu dus bijna vier jaar verder en de zin staat ongebruikt in mijn boekje. Elke keer als ik daarin blader kom ik die zin weer tegen en ik kan er niets mee. “Armoede is altijd schilderachtig” Hoe verzin je het! Ik pak een potlood en streep de zin door. Ik ben er klaar mee. Onbruikbaar. Geen verhaal van te maken. Weg ermee.

DSCI0027

© peter gortworst / mei 2014

foto: eigen foto’s / tourisme.parcdumorvan.org

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Charles Ives: Unanswered Question

Het is al enige tijd geleden dat ik terloops iets opving over een bijzonder muziekstuk. Het zou gaan over een trompet die zeven maal dezelfde vraag stelt en elke keer een ander antwoord krijgt van de houtblazers.

Het schrijvertje in mij, altijd gespitst op onderwerpen, heeft zich met dat motief vaak bezig gehouden. Geen idee van wie dat muziekstuk was of hoe het klinkt maar als thema zou het een prachtig onderwerp kunnen zijn om in een verhaal te gebruiken.

Helaas, ik kwam er niet verder mee. De invulling kreeg ik niet voor elkaar. Wat voor vraag zou ik op papier moeten zetten? Niet iets simpels zoals het vragen naar de bekende weg. Het zou toch een vraag van enige betekenis moeten zijn. Een vraag met inhoud. Iets waar lezers zich in zouden herkennen of die toch minstens herkenbaar voorkomt. En wie of wat gaat die vraag dan aan wie stellen? Iets? Eén mens? Een bevolkingsgroep of een heel volk? Wie geeft er antwoorden en met welke antwoorden komen ze? Hoe wordt het einde van het verhaal? Komt er een antwoord of meerdere antwoorden en zo ja, wat is dat antwoord dan? Kortom, ik liep vast maar loslaten deed het mij niet. Alles draaide om de vraag. Als ik die weet en goed kan formuleren, dan komen de antwoorden ook wel.

ives_01 (1)

Vandaag hoorde ik het stuk op de radio. Het heet ‘The unanswered question’ en is gecomponeerd door Charles Ives. Deze Amerikaan schreef het in 1906 maar het werd pas gepubliceerd in 1940. Ives heeft het niet stil op de plank laten liggen nadat hij het geschreven had. Tussen 1930 en 1935 heeft hij zich bijvoorbeeld bezig gehouden met de orkestversie van het stuk en op 11 mei 1946 ging het uiteindelijk in première.

Als ik er in het verleden al niet zo mee bezig was geweest, had ik het geluid waarschijnlijk weggedraaid. Tussen stukken muziek van Mozart en Bach valt dit aardig uit de toon. Het ligt niet echt gemakkelijk in het oor. De basis wordt gevormd door de strijkers die met weinig volume lange noten spelen en waarin weinig afwisseling zit. Het hele stuk door blijven zij zo spelen en reageren niet op wat de trompet of de houtblazers doen. Dan komt daar, atonaal, de vraag van de trompet. De eerste keer duurt het even voordat de houtblazers op de vraag reageren. Maar elke keer dat de trompet de vraag stelt, komen de antwoorden sneller. Als de vraag voor de zesde keer klinkt, reageren zij al voordat de vraag helemaal gesteld is. Mocht het eerste antwoord op de vraag nog redelijk ‘normaal’ klinken, naarmate het stuk vordert worden de antwoorden schriller en krijgen steeds meer volume. Na het zesde antwoord neemt het volume van de strijkers af en klinkt nog één maal de vraag van de trompet. De strijkers verdwijnen langzaam tot ze amper hoorbaar zijn en dan is het stuk afgelopen. De vraag blijft onbeantwoord.

Wat ik in dit stuk hoor kan ik nooit in woorden vangen. In welke taal ik ook zou kunnen schrijven, de taal van de muziek overtreft, zoals altijd, de geschreven of gesproken taal. In mijn beleving herken ik in de lange noten van de strijkers het dagelijkse leven wat voort kabbelt en geen echte schokkende hoogte- of dieptepunten kent. Dan staat er iemand op en stelt dè vraag. Dè vraag? Ja, volgens mij wel.

Het is de vraag van de jonge aanstaande vader die zijn vrouw aan de telefoon heeft op het moment dat zij tussen twee vrachtwagens in de file wordt doodgedrukt. De vraag van die jonge Palestijn die weet dat zijn beste vriend dood onder het puin ligt van zijn huis. De vraag van de moeder die net gehoord heeft dat haar prachtige kinderen mogelijk drager zijn van een dodelijk gen. De vraag van het jonge Nigeriaanse meisje wat opgesloten zit in een Haags peeskamertje. De vraag van elke patiënt die te horen krijgt dat er geen behandeling meer mogelijk is. De vraag van allen die getuige zijn van een onthoofding, van allen die vermoord worden door een ideologie, van allen die verdreven worden van hun geboortegrond en die maar moeilijk plaats vinden in de herbergen van het vreemde nieuwe land, van allen die sterven door gebrek aan voedsel, water of hulp.

Waarom! Dàt is de vraag die al dezen stellen. Het ‘waarom’ wordt gefluisterd, geschreeuwd, in tranen, in woede of in ongrijpbare verbijstering. En wie heeft de antwoorden? Wie durft zich daar aan te wagen?

Er worden antwoorden gegeven. Harmonieuze antwoorden die wel troost kunnen bieden maar geen antwoord op de vraag. Antwoorden die verwijzen naar een logisch gevolg van actie en reactie, naar diepere zingeving, een later te ontdekken weten dat het ‘ergens’ goed voor is geweest, Gods ondoorgrondelijke wegen worden van stal gehaald en met een ‘later zal je ten volle kennen’ of ‘je wordt er een sterker/beter mens van’ klinken alle antwoorden uiteindelijk net zo spottend en schril als in het muziekstuk.

t_houtblazers

Ives componeerde geen antwoord. Het stuk, het leven, gaat door en de onbeantwoorde vraag blijft tot het einde, tot ons einde onbeantwoord.

Als de laatste tonen geklonken hebben blijf ik zitten met een gevoel van onbehagen. Ontredderd zelfs. Geconfronteerd met iets wat je eigenlijk niet wil. Het voelt niet goed  om met een mond vol tanden te staan. Al je levenservaring, al je kennis, je dogma’s, je mensenkennis helpt je niet. Met alles wat je zegt, loop je zelfs de kans om een schrille houtblazer te worden die met luide dissonanten de vragensteller overschreeuwd.

Erkennen dat je het ook niet weet en je mond te houden is vaak nog het beste. Misschien zou je een trompet aan de mond moeten zetten, naast de vragensteller gaan staan en samen de grote vraag naar het waarom de wereld in toeteren. Dat levert geen antwoord op maar je laat wel weten dat de ander niet alleen staat.

Wie ben ik om iets over het werk van een groot componist te zeggen? Toch, en ik schrijf het aarzelend en in alle bescheidenheid, zou ik het mooi gevonden hebben als daarom minstens twee trompetten de vraag voor de laatste keer hadden gespeeld.

ives

© peter gortworst / okt 2014

foto’s: http://www.wallpaper222.com / http://www.musicologie.org / http://www.bladmuziekplus.nl

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Bakbokking

Ik sta onder de luifel van de viskraam en wacht geduldig op mijn beurt. Een oudere man, waarschijnlijk de baas, staat haringen schoon te maken. De klanten worden geholpen door een vriendelijke, frisse jonge dame. In de gekoelde vitrine liggen de meest gangbare vissoorten: een schaal met zoute haringen, gerookte makrelen in twee verschillende maten, vacuüm verpakte gerookte zalm, tong- en scholfilet, twee bosjes sprot en één blauwe plastic bak met twee kilo mosselen. Naar de potten met zure haring kijk ik niet. Mijn eetlust is mij dierbaar. Die sprot en mosselen verbazen mij enigszins. Die zie je niet vaak liggen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Wie is er dan?” vraagt de dame en na even om mij heen gekeken te hebben blijkt het mijn beurt te zijn. “Heeft u ook bakbokking?” vraag ik. “Bákbokking?” zegt ze en kijkt mij aan alsof ik een kilo Belgische bonbons heb besteld. “Ja, bakbokking,” zeg ik en ondertussen breek ik mij het hoofd over wat ik zal nemen als ze dit niet hebben. Ze kijkt een beetje vragend naar de baas. Die heeft zijn mesje neergelegd en terwijl hij omstandig zijn handen schoon veegt aan een handdoek, kijkt hij mij strak aan. Dan knikt hij naar mij en zegt tegen de dame dat ze maar verder moet gaan met de andere klanten. Hij verdwijnt door een deur naar buiten en staat twee tellen later bij mij.
“U wilt echt een bakbokking?” vraagt hij.
Als ik dat bevestig mompelt hij iets van “Een momentje,” en verdwijnt in de grote bus die naast de viswagen staat. Als hij weer naar buiten komt heeft hij een glimlach op zijn gezicht en een mooie, lichtgerookte haring in zijn hand. Trots laat hij de vis zien.
“Is het geen mooie?”
“Hij is prachtig,” beaam ik.
“Meneer is een kenner. Als u even heeft, ga ik hem nu voor u klaarmaken,” en met de haring in zijn hand verdwijnt hij weer in de viswagen.

Ik ben achter de wachtende mensen bij een hoge, ronde tafel gaan staan en zie de baas met zorgvuldigheid mijn vis bereiden voor de doop in de hete olie. Af en toe gaat zijn blik naar mij en het lijkt wel alsof zijn glimlach steeds breder wordt. Dan verdwijnt de vis, al ware het een zuigeling in het eerste badje, met een vloeiende beweging in de hete olie. Eigenlijk moet een bakbokking in de koekenpan maar je kan niet alles hebben. Hij kijkt om en steekt zijn duim naar mij omhoog.
“Nog eventjes!” roept hij.
“Prima!” antwoord ik met ook mijn duim omhoog.

Terwijl hij wacht kan er wel even een reclame tussendoor. Klik op de bijgaande link en je kan zomaar een goed en spannend boek aan jezelf cadeau geven. 

http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-glimlachende-dode 

bakbokkingDe vis is klaar en wordt met beleid op een kartonnen schaaltje gelegd. Ik loop naar voren maar dat is niet de bedoeling. Met een : “Ik kom hen wel even brengen,” stuurt hij mij terug naar de hoge tafel. Mijn gastheer dient daar zijn volmaakte gerecht op. Naast het kartonnetje met de vis legt hij een, in driehoek gevouwen, papieren servet en daarop het tafelzilver in de vorm van een wit plastic vorkje en mes.
“Alstublieft en eet smakelijk,” zegt de gastheer en blijft in gespannen afwachting staan tot ik mijn eerste hap neem. Opgelaten schuif ik met mijn vingers het eerste stukje vis van het velletje. Hij knikt goedkeurend. De vis smaakt uitstekend en ik lik letterlijk mijn vingers er bij af.
“Weet u,” zegt hij, “ik sta hier nu bijna een jaar en nog nooit heeft iemand hier een bakbokking besteld. Eet u dit wel vaker?”
“Ja, maar het is niet overal te krijgen. Een heleboel mensen kennen dit niet en ik heb zelfs een vishandelaar gehad die aan mij vroeg wat dat was!”
“Ja, zo erg is het tegenwoordig. Ik heb er altijd twee in de wagen liggen omdat je nooit weet of er toch niet iemand komt die het wil hebben. U bent dus de eerste. Smaakt het?”
“Het is heerlijk!” antwoord ik naar waarheid.

De vis is op en bereidwillig ontfermt mijn gastheer zich over het afval.
“Mag ik u vragen hoe u een haring eet?” vraagt hij als hij weer bij mijn tafel staat.
“Altijd aan het staartje en nieuwe haring zonder ui.”
Hij knikt instemmend.
“Hier willen ze hem graag in stukjes met een augurkje.”
Als ik een beetje misprijzend kijk zegt hij:
“Ja, ik weet het. Maar de klant is koning hè. Ze willen tegenwoordig alleen maar kibbeling, haring, soms een lekkerbekje en af en toe een makreel. Armoede is het. Ze weten niet meer wat lekker is.”
Dat ben ik deels met hem eens en zeg:
“Mijn moeder bakte vroeger zelf de schol. Het hele huis rook drie dagen naar gebakken vis maar het was heerlijk eten. Ik heb van haar een kookboek gekregen en daar staat een recept in van erwtensoep. Twee dagen van te voren moet je daaraan beginnen maar het resultaat is een goddelijke soep waar je lepel rechtop in blijft staan.”
De ogen van mijn gastheer beginnen te glimmen.

snert-roggebrood-en-spek

Het duurt maar even en de beschrijvingen van de erwtensoep met of zonder varkenspoot, draadjesvlees, bloedworst, paardenbiefstuk, echte volle melk, karnemelk zonder suiker en stukgekookte spruitjes gaan over tafel. Met een gretigheid waar een pornozender jaloers op zou zijn, halen we herinneringen op aan toen. We krijgen een opgewonden blos op onze wangen en we verhalen de tijd dat de melkboer nog langs de deur kwam, schillenboeren die altijd een oud paard voor hun wagen hadden staan, de voddeman en de scharensliep met die wonderlijke kar.

Dan verbreekt de dame vanuit de viswagen de betovering. De haringen zijn op en zij kan niet alles alleen doen en is dat ook niet van plan. Met spijt constateren wij dat de hedendaagse werkelijkheid ons tot de orde roept. Nee, van betalen wil hij niets weten. Het was een groot genoegen en een eer om mij te ontmoeten. In de wetenschap dat we zomaar een vriend voor het leven hebben gevonden, slaan we elkaar onbeholpen op de schouder en nemen zo afscheid van elkaar.

Update 11 mei 2022.
Bovenstaande tekst wordt veel gelezen en ik ben nieuwsgierig naar het waarom. Het is een gegeven dat bakbokking op steeds minder plaatsen te verkrijgen is. “Er is geen vraag naar” wordt mij meermaals te kennen gegeven. Ik pest de vishandelaren door bij elk bezoek dat ik breng, naar bakbokking te vragen ook al kom ik voor wat anders. Hoezo geen vraag naar? Dit zal ze leren!
Graag hoor/lees ik van jullie de ervaringen. Waar is deze vis nog te krijgen en bevelen jullie dit verkooppunt aan?
Alvast bedankt voor de bijdrage.

Het recept van de erwtensoep? Klik hier:
https://petergortworst.com/2016/01/13/erwtensoep-van-toen/

Er bestaat ook leesvoer! Interesse in mijn boeken? Bezoek jouw boekwinkel of bestel via onderstaande links.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode

© peter gortworst / sept. 2014

foto’s: http://www.hilversumhappens.wordpress.com / http://www.vishandelvathorst.nl / http://www.postwagen.nl

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 23 reacties

Kiezen

We zijn moe van het slenteren. Moe van het kijken naar oude gevels, een majestueuze kerk, een oud raadhuis en een waag. Het is een prachtige stad, smalle winkelstraatjes en een ontspannen sfeer maar nu willen we even rust. Op de Markt met alle terrassen zullen we dat niet vinden. Langs de rivier wel. We ontdekken een klein parkje en de verwachting dat er ook wel een bankje zal zijn blijkt juist: er staat één bankje en daarop zit een man. Onderuit gezakt en met de handen in de nek. Hij staart voor zich uit en schrikt zichtbaar als wij vragen of wij er even bij mogen komen zitten. Dat mag. Hij schiet rechtop en schuift naar de zijkant van de bank. Met zijn rug enigszins naar ons toe gedraaid slaat hij zijn benen over elkaar en begint een sjekkie te draaien. Wij halen onze lunchpakketjes uit de rugzak en genieten.

merel03

Op het grasveld voor ons zijn twee merels geland. Een mannetje met in zijn kielzog een jong. Het jong heeft alleen maar aandacht voor pa en die heeft alleen maar aandacht voor wat zich in of net onder het gras bevindt. Plotseling begint hij verwoedt in het gras te pikken en trekt iets groots naar boven. Het is geen worm maar wat het wel is kunnen we niet goed zien. Het jong komt dichterbij en met afhangende en trillende vleugels gaat het staan bedelen. Pa pikt en trekt aan zijn vangst en voert kleine stukjes aan zijn jong. “Mooi hè?” zeg ik tegen mijn vrouw. “Ja,” zegt ze, “maar ik eet liever brood.”

“Die heeft het maar makkelijk,” zegt de man naast ons. Het klinkt verongelijkt. Hij heeft blijkbaar ook naar de merel zitten kijken. “Dat lijkt mij niet,” antwoord ik, “als wij daar boven dat gras gaan hangen vinden wij niks.” “Dat bedoel ik niet. Die ouwe vogel hoeft dat jong alleen maar voer te geven en al doende leert dat jong het ook. Hij hoeft verder niets aan een opvoeding te doen. Dat jong wordt een doodgewone merel. Iets anders kan niet. Het is als een merel gekomen en een merel wordt het.”

Ik voel dat deze man meer wil zeggen. Een gedachte als deze vertel je niet zomaar. Wat ik moet vragen of zeggen luistert nauw. Het is als een beginnetje van een rol plakband: als je te hard trekt gaat het kapot. Terwijl ik nog nadenk vraagt mijn vrouw zich hardop af: “Zou een merelouder, net als mensen, ook trots op zijn jong kunnen zijn? Of zich zorgen maken?”

De juiste snaar is geraakt. De man draait zich naar de rivier en met zijn ellebogen op zijn knieën begint hij te praten. “Weet je, ik heb ooit deze tekst geleerd: ‘Alles wat ontstaan is ontkomt niet aan zijn naam. De mens heet mens. Dat is bekend.’ Die merel blijft een gewone merel, een olifant een gewone olifant maar bij ons is het maar afwachten of het een mens wordt zoals een mens bedoeld is.”

Er valt even een stilte. Dan vraagt mijn vrouw, die tussen de zinnen door kan luisteren, zacht: “Wat is er gebeurd?” Hij draait een nieuw sjekkie, steekt hem aan en kijkt zwijgend naar de rivier. Dan vertelt hij: “Ongeveer vijftien jaar geleden ontdekte mijn vrouw bij toeval dat onze dochter aan de drugs was. Ze betrapte haar in haar kamer met een spuit in haar arm. Het bleek dat ze al een jaar of drie daarvoor begonnen was. Eerst een jointje en gaandeweg werd het heftiger, zwaarder en intenser tot uiteindelijk de heroïnespuit haar leven bepaalde. Nou ja, haar leven…., haar dubbelleven.

We hadden het kunnen weten maar zoals zo vaak vallen pas achteraf de puzzelstukjes op hun plaats. Haar eetgewoontes waren veranderd, haar emoties gingen soms van het ene naar het andere uiterste, altijd geld te kort en altijd de hort op. Toch deed ze het op school goed en ze ging na haar studie gewoon werken. Als je niet beter wist kon je het niet aan haar merken.

Marihuana cigarette with two cannabis leafs isolated Keywords: abuse;addict;addiction;cannabis;cigarette;close-up;detail;drug;green;habit;hashish;illegal;isolated;joint;legalize;marijuana;natural;nature;object;plant;smoke;smoking;white;white background;sativa;smoker;thc;weed;addictive

We hebben van alles geprobeerd. Psychologen, psychiaters, hulpverleners in alle soorten en maten, huisarrest, geen geld meer geven, dreigen, schelden, op haar inpraten, afkickklinieken, PAAZ-afdelingen in ziekenhuizen, verzin het en wij hebben het gedaan. Soms met succes dachten wij. Alleen leer je in al die jaren dat succes tijdelijk is. Het gaat even goed en dan kan je weer opnieuw beginnen. Onze wereld was ingestort en langzamerhand kom je er achter dat ook de toekomst niet meer overeind staat. Toch blijf je hopen. Je kunt niet anders. Vijftien jaar lang ben je bezig met een dochter die al lang en breed voor zichzelf zou moeten zorgen. Er waren geleerde heren die ons vertelden dat de verslaving vanzelf zou verdwijnen als ze ouder werd. Nou, mooi niet! Je dochter is een junk en dat blijft zo.

De spanning van je omgeving en je familie komt er ook nog bij. Ik woon in een klein dorp. Een orthodox dorp. Toen het net ontdekt was ben ik met de dominee gaan praten. Volkomen nutteloos. Gemeenplaatsen kreeg ik op mijn bordje. Elk huisje heeft zijn kruisje, we moeten beproevingen doorstaan en veel bidden zou wel eens kunnen helpen. Geen daadwerkelijke steun, geen begrip en geen vermogen om zich in onze situatie te verplaatsen. Ik luisterde niet naar een mens maar naar een pratende Bijbel. Meer niet! Ik ben nooit meer naar de kerk gegaan en had dus van de weeromstuit ook bijna geen sociale contacten meer. Ze veroordelen je niet hoor, maar ze vragen zich wel af of jouw opvoeding niet heel ‘anders’ is geweest. Hun kinderen doen zo iets namelijk niet! Ze laten je alleen en dat voelt ook echt zo. Ik had mensen om mij heen nodig maar ze waren er niet.

Kerkgangers op zondag ochtend lopen naar de ingang van de protestantse st Maartenskerk in Oosterend op Texel voor de gereformeerde dienst. Voor serie over nederlandse identiteit. FOTO: BRAM BUDEL

Vorig jaar is ze naar een kliniek geweest die zo goed moest zijn dat ze nog net geen garantie op een goede afloop gaven. In de tijd dat ze daar was heb ik haar woninkje opgeknapt. Alles in mooie lichte kleuren geschilderd, nieuwe meubeltjes en een mooie vloer. Het zag er piekfijn uit en ze was er ook hartstikke blij mee. En ze was clean. Vrolijk was ze en vol met plannen. We begonnen al ‘zou het dan toch’ te denken maar zoals zo vaak is het weer fout gegaan. Vorige week belde ze ons vanuit het ziekenhuis. Opgenomen met een zware infectie. Waarschijnlijk een vervuilde naald gebruikt. Afgelopen dinsdag vonden de zusters haar in de douche. Gestorven aan een overdosis. Twee zogenaamde neven hadden het spul voor haar meegenomen. Het ziekenhuis kon er ook niets aan doen. Ik begrijp dat wel. Het was haar keuze en al hadden ze het toen kunnen voorkomen, vroeg of laat zou het doek toch wel gevallen zijn. Morgen is de crematie. Dan nog wat afhandelen met de notaris en dan zien we wel. Ik weet nog niet hoe de toekomst zal zijn en hoe die zal voelen.”

Zijn sjekkie heeft zichzelf opgerookt en met twee vingers schiet hij het weg. We kijken hem aan en hij beantwoordt onze blikken. Dan zucht hij diep, slaat zijn ogen neer en zegt: “En dàt bedoel ik nu met kiezen! Een mens kan kiezen. Beesten niet. Die worden wat ze zijn. Soms kan je niet meer kiezen of valt er niets meer te kiezen. De keuzes van onze dochter werden bepaald door haar verslaving. Onze keuzes door haar. Een mens moet mens zijn. Geen slaaf van wie of wat dan ook.” Hij is steeds harder gaan praten en de laatste woorden knallen er uit:  “Vrij moet je zijn! Onafhankelijk! En gelukkig! Godverdòmme!!”

Met grote passen loopt hij over het grasveldje naar het water en blijft daar staan. Mijn vrouw gaat naar hem toe. Ze staat voor hem en slaat dan haar armen om hem heen. Zelfs van een afstand zie je dat zijn lijf, wat strak staat van de kwaadheid, zich ontspant. Hij buigt zijn hoofd en legt een hand op de rug van mijn vrouw. Zo blijven ze staan. Dan maakt hij zich los maar zij houdt zijn handen vast. Ze praat tegen hem en ik zie zijn gebogen hoofd knikken. Een vader die zijn dochter al jaren kwijt was en die haar en zijn strijd voorgoed verloren heeft.

silhouette-man-walking

Ze laat zijn handen los. Hij draait zich om loopt weg. Nog even zwaait hij naar mij. Ik zwaai terug. “Morgen wordt ze gecremeerd en wij zullen er bij zijn,” zegt mijn vrouw als ze weer naast mij op het bankje is gaan zitten, “Dat is wel het minste wat we voor hem kunnen doen.”

© peter gortworst

Foto’s: florafauna.middendelftland.net / http://www.publicdomainpictures.net / vorige.nrc.nl     / thejointblog.com

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 9 reacties

Paard

Nog nooit had zij paard gereden en nu was de mogelijkheid zomaar daar! Toen ze de baas vroeg of zij op het paard mocht, had hij haar even van top tot teen bekeken. Hij vond het goed als ze maar voorzichtig deed. Haar keuze om vanmorgen geen rokje maar een broek aan te doen, pakte onverwacht goed uit. Het moest blijkbaar zo zijn. Dit was een buitenkansje.

horse-head-828261_640Het beest is groter dan ze dacht. Ze kan nooit zo hoog springen maar gelukkig zit het zadel goed vast. Ze hijst zich, met een voet in de stijgbeugel, naar boven. Met moeite schuift ze haar rechterbeen over de rug van het paard naar de andere kant en tot haar eigen verbazing zit ze met haar gezicht de goede kant op. Net als ze constateert dat dit meer geluk dan wijsheid is, komt het beest in beweging en slaat gelijk rechtsaf.

Daar had zij niet op gerekend. Heeft zij iets gedaan of gezegd waardoor dit beest in beweging komt? Haar rechtervoet zit nog niet in de beugel, de teugels heeft zij nog niet goed vast en het enige wat ze kan doen voordat ze achterover valt, is zich met een schok naar voren laten vallen. Het lukt niet helemaal. Ze ligt nu op haar buik maar te veel op de linkerkant van het paard. Haar rechtervoet moet in de beugel. Ze maait met het beugelloze been zoekend heen en weer maar vindt het ijzer niet. Haar vingers klemmen zich om de rand van het zadel. Het kost veel kracht maar het lukt haar om zich weer op te trekken tot zij met haar buik midden op de rug van het paard ligt. De achterkant van het zadel drukt in haar buik. Dat voelt niet prettig. Het doet zelfs een beetje zeer.

stijgbeugel

Als zij recht naar beneden kijkt ziet zij niet alleen de grond onder zich voorbij gaan maar ook de beugel hangen. Het lukt haar om de punt van haar schoen door de opening te steken. Nu hoeft zij alleen nog maar een stukje naar voren te schuiven en overeind te komen. De teugels liggen voor haar op de nek van het paard. Ze laat het zadel los en grijpt naar de teugels. Als ze er aan trekt om naar voren te kunnen schuiven stopt het beest misschien ook wel. Ze trekt. Het paard maakt geen aanstalten om te stoppen en ze schuift maar een klein stukje naar voren. De band van haar broek blijft achter het zadel hangen. Ze kromt de rug naar voren. Met een snelle beweging drukt ze hem rond en trekt tegelijkertijd hard aan de teugels. Het lukt. Ze schiet naar voren, glijd over het gladde zadel en komt tot stilstand op de nek van het paard.

tweedehandszadels480

Veel tijd om na te denken over het resultaat van deze actie heeft ze niet. Ze weet nog net haar armen en benen om de nek te slaan. Dit kan het paard nooit houden, denkt ze. Ik ben te zwaar. Hij zal stoppen en mij, met de kop naar beneden, van zijn nek laten glijden. Wat een afgang!

Het paard stopt niet, laat zijn kop niet zakken en langzaam glijdt ze naar de zijkant van de hals. Er is niets wat deze beweging kan stoppen en nu hangt ze onder de nek en kijkt tegen de hals. Ze probeert haar benen zo om de hals te slaan dat ze haar voeten in elkaar kan laten haken maar de nek is te groot. Ze voelt haar krachten verminderen en ze ziet met schrik de grond vlak onder haar voorbij gaan. Als ze loslaat zal ze onder het grote en zware beest terecht komen. Het lukt niet om haar benen op hun plaats te houden en met een doffe plof raken haar voeten de grond. Eén schoen blijft ergens achter haken en die is ze kwijt. Ze schreeuwt het uit van angst want ook in haar armen vloeit de kracht weg en het is een kwestie van seconden voordat zij helemaal los moet laten.

De baas heeft met stijgende verbazing naar de capriolen van de vrouw op het paard gekeken maar nu vindt hij het welletjes: hier moet een eind aan komen. Hij luidt de bel en zet de draaimolen stil.

© peter gortworst

foto’s: pixabay.com / cvsruitersport.nl / trendsnl.com

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , | 6 reacties