Eierbal

“Jij komt zeker overal?” vraagt de man die het gehakt aan het mengen is. Tot aan zijn ellebogen staat hij in een grote bak te kneden en te knijpen. “Nou nee, niet overal maar wel op erg veel verschillende plaatsen. Waar ze veel eten klaar maken staan dit soort machines dus ga maar na….” Ik geef hem de gelegenheid om even na te denken door mijn hoofd in de vaatwasmachine te steken. De thermostaat is stuk en de voeler verdwijnt altijd naar een plek waar je lastig bij kan komen.

Gehakt-nieuwsbrief

“Dan kom je vast wel eens beroemdheden tegen,” concludeert hij als ik weer aanspreekbaar ben. “Het is maar wat je beroemd noemt. Maxima? Rutte?” vraag ik. Dat blijkt iets te hoog gegrepen. Hij heeft het over BN’ers die je, meer dan je soms lief is, op de buis kan zien. Ik vertel hem dat ik eens, in Hilversum, Krijn Torringa heb ontmoet die niet erg blij met mij was. Ik was iets eerder op het enige parkeerplekje. Hij was boos uit zijn auto gestapt en meende dat ik maar moest vertrekken. Of ik wel wist wie hij was. Dat wist ik wel maar ik zei dat ik hem niet kende, dat het mij ook niet interesseerde en dat mijn auto bleef waar hij was. Het verhaal gaat enigszins de mist in als blijkt dat deze gehaktdraaier geen idee heeft wie Krijn was. De generatiekloof slaat op de vreemdste momenten toe.

“Ken je Bolle Teun? Die komt hier heel vaak. Hij is het nog niet maar het wordt een echte beroemdheid,” Ik beken dat ik nog nooit van Bolle Teun heb gehoord. Het blijkt de plaatselijke zanger van het enige echte levenslied te zijn. Hij wordt ook wel Teun Armstrong genoemd want deze virtuoos zingt niet alleen als Louis Armstrong, nee, hij speelt ook nog trompet en omdat deze muzikant met bolle wangen toetert, lag zijn bijnaam voor het oprapen. “Het is altijd mooi als er een beroemdheid vaste klant is,” meent de ondernemer.

De machine is aan het opwarmen. Het meeste gereedschap zit weer in mijn koffer en met een gekregen kopje koffie in de hand, kijk ik naar de gehaktdraaier. Die gooit net een onwaarschijnlijke hoeveelheid zout bij het gehakt. Hij heeft ook een sjekkie gedraaid en houdt deze tussen zijn lippen geklemd. Met zijn rechterhand (en arm) kneedt hij weer het gehakt. “Wat ga je daar van maken?” vraag ik. “Een gedeelte wordt gehaktballen en van de rest maak ik eierballen. Ken je die?” Ja, ik ken ze en dat doet hem zichtbaar genoegen. “Typisch iets voor het noorden,” zegt hij, “Ik maak ze zelf. Dat zijn de lekkerste. Beter dan die fabrieksrommel. Moet je er één hebben? Kan er zo eentje opwarmen hoor.” Ik bedank vriendelijk. Het zout en de hygiëne in dit etablissement stillen de trek op wonderbaarlijke wijze.

scotch-egg-1-of-1

“We zijn nog op de radio geweest met Bolle Teun.” meldt hij blijmoedig. Dat blijkt qua legitimiteit een discutabel en bovendien een zeer regionaal radiostation geweest te zijn. Bolle Teun mocht daar een lied zingen en op zijn toeter blazen en mijn ondernemer kreeg de gelegenheid te vertellen dat deze kunstenaar vaste klant in zijn eetgelegenheid is. “Ja, ik moet toch aan mijn zaak denken,” zegt hij, “Als je kan meeliften met zo’n man moet je dat natuurlijk doen. Kruiwagens staan niet voor het grijpen dus als er eentje staat moet je er voor gaan.”

De machine is op temperatuur gekomen en na enig testen het apparaat in orde bevonden te hebben, schroef ik de laatste beplating er weer tegenaan. Terwijl ik de bon schrijf vraag ik de man of een foto in de zaak van Bolle Teun die een forse hap uit één van zijn verrukkelijke eierballen neemt, geen goed idee zou zijn. Even trekt er een donkere schaduw over zijn gezicht. “Hij lust mijn eierballen niet. Mijn gehaktballen trouwens ook niet. Hij vindt ze niet te vreten, zegt hij.”

industrieel-antiek-kruiwagen-wheelbarrow-shop-display-b6z

Dat is nu jammer. Heb je een kruiwagen blijkt dat ding een lekke band te hebben.

© peter gortworst / sept 2015

foto’s: http://www.slagers.nl / luifabriek.nl / http://www.antiek-design-vintage.nl 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Llanghorse Lake

50492

Het is vroeg en bijna iedereen slaapt nog. Buiten bedekt een lage, dikke ochtendnevel het land als een geliefde: geduldig, verdraagzaam en alles verhullend. Geluiden klinken van ver en het zicht is wazig.

Bij de aanlegsteiger ga ik op een bankje zitten. Kippenvel op armen en benen en twee kraaien op het einde van de steiger. Veel verder kan ik niet kijken. Over de nevel heen zie ik de bergtoppen aan de overkant van het meer. De eerste zonnestralen verlichten de toppen.

Ik wil wachten. Ik wil meemaken hoe de zon de nevel verdrijft en het meer opnieuw geboren wordt. Ik wil voelen hoe haar stralen mij straks verwarmen.

De nevel is geen compacte grijswitte massa. Het beweegt in golven en wervelingen. Het wordt omhoog gestuwd en verdwijnt in het niets en uit het niets komt het terug om zich, in nieuwe wervelingen, te mengen met andere golven. In absolute stilte is de nevel aan het werk. Het grijze wordt steeds witter.

De rijzende zon laat de schaduwen op de berg dalen. Hoe hoger de zon komt hoe lager en dunner ook de nevel wordt. Wachtend laat ook ik mijn gedachten als wervelingen in het niets verdwijnen en vanuit het niets komen ze terug. Niet als nieuwe zorgen. Die blijven achter in het niets. Vanuit het niets komt tevredenheid en gelukzaligheid terug. Ik hoef er niets voor te doen. Het gaat vanzelf.

llangorse lake

Ik kan steeds verder over het meer kijken. Plotseling doemen uit de nevel twee zwanen op. Zij zwemmen mijn kant op maar als ze mij zien keren ze en argwanend achterom kijkend, verdwijnen ze weer in de mist. De bomen van het kleine eiland in het meer staken de hele tijd al boven de nevel uit. Nu zijn de contouren van het eiland zelf zichtbaar geworden. Rechts van het eiland ligt een bootje met een vissende man. Die heeft daar al die tijd gelegen en ik ben blij dat ik niet hardop in mijzelf praat.

De zon heeft mijn rug bereikt. Langzaam voel ik haar kracht toenemen. Alleen in de schaduw van de bomen hangt wat nevel maar verder kan je het hele meer overzien. Mijn kippenvel is verdwenen, de warme zon voelt weldadig. Ik voel mij herboren, opgelucht en gelukkig en mijn gedachten zijn geordend. Ik weet weer wat klaarheid betekent.

Een weinig spectaculaire belevenis in een vakantie maar de herinnering is mij dierbaar.

© peter gortworst / aug.2015

foto’s: http://www.padamsphoto.comhttp://www.roblloyd.org.uk

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 5 reacties

De beminde

“Ik trek het niet meer,” had Fred hem drie maanden geleden gezegd, “De liefde voor jou is verdwenen. Sorry, maar ik ga bij je weg.” Het had hem geraakt als een mokerslag maar nu moest hij voor zichzelf erkennen dat die mededeling niet echt als een verrassing kwam. Hij was altijd bang geweest dat dit zou gebeuren en toen was het verwachte plotseling gekomen. Was die angst de reden dat hij alle tekenen die het tegendeel bewezen, niet had willen zien? Zijn relatie met Fred was de enige en eerste relatie die hij ooit had. Toen hij Fred leerde kennen was zijn lange en eenzame strijd die hij had moeten voeren om te ontdekken wie en wat hij was, ten einde. Bij Fred leerde hij om van zichzelf te gaan houden. De ontdekking dat hij er mocht zijn was een hartverwarmende openbaring en hij leerde beminnen en bemind worden.

Acht jaar was Fred zijn grote liefde, zijn maatje, zijn wederhelft en zijn soulmate tot het zomaar voorbij was. Dankzij Fred had hij het aangedurfd om naar de toekomst te kijken en was het leven goed. Nu kon hij het doen met een: “Nee, er is geen ander en nee, er over praten heeft geen zin. Ik wil gewoon niet meer!” Hij heeft nog geholpen om de bezittingen van Fred in het gehuurde vrachtwagentje te zetten en zonder afscheidskus is zijn geliefde verdwenen. Hij voelde zich afgedankt en alleen. En nu, na een half jaar voelt hij dat nog steeds.

Drie weken verplichte vakantie. Zonder de afleiding die het dagelijkse werk hem geeft is hij hele dagen aan het piekeren. Om maar iets te doen ruimt hij zijn kledingkast opnieuw in. Onderin vindt hij een overhemd van Fred. Waarschijnlijk van het hangertje gegleden. Hij gaat er mee op bed zitten en ruikt eraan. De geur roept emoties op maar tot zijn eigen verbazing is het alleen maar kwaadheid. Het hemd wordt in stukken gescheurd en als een gek rent hij door het huis. Alles wat hem aan Fred herinnert gooit hij in een vuilniszak en pas als de zak in de vuilcontainer is verdwenen komt hij tot rust. Uitgeput gaat hij op bed liggen en besluit morgen weg te gaan. Een bezoekje aan zijn zus in Rotterdam zou kunnen maar dat vult maar één dag. Sinds de dood van hun ouders heeft hij weinig contact met haar. Bovendien heeft zij, ondanks alle gesprekken die in het verleden gevoerd zijn, moeite met zijn geaardheid. Met de vraag: “Wat is er toch met je gebeurd waardoor jij zo bent geworden?” liet zij blijken slecht te kunnen luisteren of haar vooroordelen niet op te willen geven. Ze zal hem vragen naar Fred en naar het waarom van deze scheiding en daar wil hij het nu niet over hebben.

Lavendelvelden-in-Frankrijk

Hij besluit om naar Frankrijk te gaan. Met een weekendtas vol kleren stapt hij in de auto en rijdt zuidwaarts. Hij gaat op de bonnefooi, neemt wegen die hem mooi lijken, slaapt in kleine hotelletjes en stopt bij elke plek die hem bezienswaardig voorkomt. De tijd is aan hem. Er is niemand die op hem wacht. Hij is alleen en kan doen en laten wat hij wil.

Voor deze kleine stad in het noorden van Frankrijk is de kathedraal monsterlijk groot. ‘Pompeus’ en ‘extravagant’ zijn woorden die hem te binnen schieten als hij op het kleine pleintje voor de kerk staat. De toppen van de beide torens zijn alleen goed te zien als je het hoofd in de nek legt. Een gebouw als dit zou in de vrije ruimte moeten staan en niet worden omgeven door allerlei oude huizen en smalle straatjes. Via een ingang aan de zijkant loopt hij naar binnen en hij weet wat hij vinden zal. Elke katholieke kerk heeft een altaar, kruiswegstaties, een orgel, biechtstoelen en beelden. Hij kent het nog vanuit zijn jeugd en heeft er goede herinneringen aan.

tours01

Hij hoopt echter iets anders te vinden. Dwalend door de grote ruimte zoekt hij naar aanwijzingen dat deze kerk een thuis is geweest voor generaties gelovigen die hier hun ziel en zaligheid in hebben gelegd en misschien ook wel vonden. Op een zijmuur hangt een plaquette waarop staat dat ene monsieur Dubois in de twintiger jaren een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd voor de restauratie van het orgel. Er hangen meer gedenkplaten van goede gevers maar dat zegt hem niets. Hij wordt wel geraakt door een klein koperen gedenkplaatje op een koorbank. Daar staat de naam van een vrouw die 40 jaar lang, als koorlid haar bijdrage aan de liturgie heeft gegeven. Deze beminde gelovige heeft iets gegeven wat groter is dan welke financiële bijdrage dan ook. Zij heeft al die jaren haar energie, haar tijd en haar liefde aan de kerk gegeven en wat hem betreft mag dit plaatje groter zijn dan welke andere gedenkplaat dan ook.

Hij gaat achter in de kerk, vlak bij het beeld van Maria zitten. Aan de voeten van Maria branden een aantal kaarsen. Hij kijkt om zich heen en als hij probeert te ontdekken welke voorstelling op een gebrandschilderd raam boven de zijdeur staat, ziet hij een vrouw door die deur binnen komen. Ze zal zo rond de vijftig zijn, draagt een jurkje met driekwart mouwen en met grote bloemen in onbestemd vaag roze en rood. Haar kapsel vergt weinig tot geen onderhoud en past, net als haar jurk in geen enkel modebeeld. Ze loopt, bijna schichtig maar gehaast op dunne slofjes, langs de muur naar het Mariabeeld. Het muntstuk dat ze in haar hand houdt valt hoorbaar in het busje en dan pakt ze een kaars. Ze vouwt haar handen om de kaars, buigt haar hoofd en beweegt haar lippen. Na een tijdje kijkt ze op naar het beeld en weer bewegen haar lippen. Dan slaat ze een kruis en steek de kaars aan. Ze zet hem nauwkeurig recht in een van de houders. Met een zichtbare diepe zucht kijkt ze naar het beeld en vist een wit zakdoekje onder een bh-bandje vandaan. Ze wrijft haar ogen droog, slaat weer een kruisje en net zo schichtig en gehaast als ze gekomen is, gaat ze weer.

Langzaam beseft hij getuige te zijn geweest van iets heel moois. In zijn ogen was die vrouw in een zonnestraal gevangen. Alle pracht en praal van deze ruimte viel door die vrouw in het niet. In deze kathedraal waar alles rijkdom en macht van de kerk ademt, waar kerkleiders de dienst uitmaken en waar schijnbaar ongestraft de meest elementaire rechten geschonden kunnen worden, laat deze vrouw hem zien waar het ten diepste om gaat. Dit is de kerk van haar voorouders. Haar kinderen zijn hier waarschijnlijk gedoopt, hier is zij getrouwd en vanuit deze kerk zal zij begraven worden. Net als al de dierbaren voor en na haar. Dit mag dan gewijde grond zijn, het is ook háár grond. In deze grond is zij geworteld en gegroeid. En in deze ruimte, op deze grond, ontmoeten twee vrouwen elkaar: zij en Maria. Dat wat haar beweegt, wat haar verdriet doet, waar ze zich zorgen over maakt deelt ze met een vrouw uit een ver verleden. Maar hier weet zij dat ze er mag zijn, hier wordt naar haar geluisterd want hier is zij gekend, dit is haar thuis en hier is er Eén waar zij onvoorwaardelijk in gelooft en ze weet dat die Ene haar bemint. Heeft een mens meer nodig dan te weten een beminde te zijn?

kaarsjes

Hij staart voor zich uit. Dan staat hij op en loopt langzaam naar het Mariabeeld. Hij kijkt naar de brandende kaarsen en het duurt even voordat hij omhoog kan kijken. Alles in hem twijfelt, aarzelt en spreekt tegen maar een diep verlangen overstemt dat. Hij vist een muntstuk uit zijn broekzak en gebruikt de kaars van de vrouw om zijn kaars aan te steken. Het kruisje slaan is nog niet verleerd en hij verlaat de kerk zonder nog om zich heen te kijken. Buiten schijnt uitbundig de zon en hij voelt direct de warmte. Natuurlijk voelt hij dat want ook hij is een beminde.

© peter gortworst / mrt. 2013

foto’s: http://www.wiki-vakantie.nl / http://www.frankrijkkenners.nl / http://www.gelderlander.nl

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Schipper naast ….

Alles is grijs en donker. De lucht, de hoge golven en de door de storm striemende regen is één naargeestig palet van grijstinten. Het uitzicht wat ik heb als de boot even op de top van een golf balanceert, belooft niet veel goeds. Daar waar de haven moet zijn, brandt het licht van de vuurtoren en soms kan ik even het rode en groene licht van de havenhoofden zien. Ik lig op koers maar de verraderlijke stroming, de wind en de golven maken het mij niet makkelijk. De rechterhand beroert voortdurend de gashandel om te voorkomen dat de motor doldraait als de schroef uit het water komt en dat zijn ook de momenten dat ik mij realiseer een speelbal van die golven te zijn. Het armetierige ruitenwissertje kan al het water van de zee en de regen amper aan.

SchipStorm2

De boot is te klein voor deze omstandigheden. Ik had hier helemaal niet moeten zijn. Niet voor de Atlantische kust van Ierland en al helemaal niet met die twee vrouwen en die vier kinderen in de kajuit. Geen idee wie het zijn en waarom ze daar in de kajuit zitten. Goddank heb ik nog niemand gehoord over zeeziekte. Ik heb mijzelf met een riem vastgebonden aan de stuurstoel maar hoe het hun daar beneden vergaat weet ik niet. Ze zullen wel als losse bagage heen en weer geslingerd worden in deze stampende en rollende schuit.

Weer kan ik op de top van een golf naar de haven kijken. Waar het wit is breken de golven op de pieren van de haven. Met donderend geweld lopen de golven zich stuk, spatten huizenhoog uit elkaar en ontnemen mij het zicht op de lichten die ik zo dringend nodig heb.

Dan gaat de deur van de kajuit open en één van de vrouwen, die met de donkerrode hoofddoek, komt naar buiten. In haar hand heeft zij een kom met een dikke brij. Is dat pap? Hoe komt zij in ‘s hemelsnaam aan die pap en wat moet ik daarmee? Ze houdt zich met haar vrije hand vast aan alles wat voorhanden is, glimlacht allerliefst naar mij en zet de kom op het instrumentenpaneel. “Weg!!” brul ik tegen haar. “Naar beneden! Ben je helemaal gek!” Ze schrik zichtbaar van mij, grijpt mis naar de leuning van het trapje en geholpen door het rollende schip tuimelt ze tegen de rechterkant van de stuurhut. Razendsnel gesp ik mijn riem los, zet de gashandel terug en haast mij naar haar toe. Als ik haar overeind wil helpen komt er een man uit de kajuit die haar naar beneden trekt. Op hetzelfde moment slaat een golf de zijruit van de stuurhut kapot. De storm staat vol op het gapende gat en giert door de stuurhut. Het deurtje van de kajuit slaat met een klap open. Een bruine labrador staat onder aan het trapje naar mij te blaffen. Het wordt mij teveel. Waar komen die man en die hond plotseling vandaan en we liggen dus dwars op de golven. Ik grijp het roer en geef vol gas. Eerst de boot op koers. Nu omslaan is niet denkbeeldig. Voor je het weet drijven we ondersteboven. De motor gromt en met moeite krijg ik de boot met de kop in de golven maar met elke golf die overkomt, stroomt er meer water de boot in. Het loopt vanuit de stuurhut de kajuit in en daar worden ze, wie het dan ook maar mogen zijn, knap onrustig van.

havenhoofd

Op de top van de volgende golf zie ik dat we lelijk uit de koers zijn geraakt. Ik zal een heel stuk naar links moeten varen om weer voor de haveningang te komen. Dan gaat er een alarm af. Waar is dat van?  Ik kijk op mijn instrumentenpaneel maar zie niets ongewoons. Het geluid komt ergens anders vandaan. Fijn om in dit soort omstandigheden op een schuit te zitten die je niet kent. Mijn God! Het zal toch niet uit de motorruimte komen!? Zonder motor en met een langzaam vollopend schip zijn we reddeloos verloren! Ik glij van mijn stoel en ga plat op mijn buik liggen om het motorluik te openen. Dan kruipt er iemand kreunend over mij heen en het alarm stopt.

“Je wekker ging af,” zegt een vrouwenstem naast mij, “Moet je er niet uit?”

© peter gortworst / sept. 2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Vieze man

“Hij staat er weer,” zegt de oude vrouw tegen haar man. “Is dat zo?” vraagt hij en moeizaam klimt hij uit zijn luie stoel. “Dat is dan al de tweede keer deze week.” Ze kijken samen uit het raam naar beneden. In het steegje, waardoor de kleine schuurtjes die achter de benedenwoningen staan bereikbaar zijn, staat een man. Net als de vorige keren, staat hij voor de struiken die het steegje scheiden van het schoolplein. Met zijn hand houdt hij voorzichtig wat takken opzij en met gebogen rug gluurt hij door de kleine opening. Het is speelkwartier en een kleine tachtig kinderen doen waarvoor het speelkwartier bedoelt is. Schijnbaar doelloos rondrennen, zitten, kletsen, spelletjes en rondhangen. De jongens bij de jongens en de meisjes bij de meisjes. Als er wat kinderen dichtbij komen laat hij de takken los en gaat op zijn hurken zitten.

schoolplein

“Waarom zou hij daar nu staan?” vraagt zij. “Tja, hoe moet ik dat weten. Misschien vindt hij het leuk om naar spelende kinderen te kijken.” Ze is even stil en staart met haar man naar die vreemdeling daar beneden. Dan schiet een verontrustende gedachte haar te binnen: “Maar dat hoeft toch niet zo stiekem?  Och heden, het zal toch niet zo’n peto…. zo’n uh, uh, kinderlokker zijn?” “Pedofiel bedoel je,” verbetert hij haar brommend, “Ja, dat zou zomaar kunnen.” “Maar moeten we dat niet melden dan?” Hij aarzelt even maar zijn burgerplicht wint het van het gedoe wat dit ongetwijfeld oplevert. “Ja, dat is beter van wel. Wacht, ik pak even pen en papier. Als jij zegt hoe hij er uit ziet schrijf ik het op. Dat is toch het eerste waar ze naar vragen.” Langzaam noteert hij de gegevens die zij opnoemt: kale kruin, grijs haar, zwart glimmend jasje, spijkerbroek. Over de leeftijd zijn ze het niet helemaal eens. Zij denkt 55 en hij 65 zodat ongeveer 60 ze wel een mooi compromis lijkt.

“Ze sturen zo een mannetje,” zegt hij als de hoorn van het toestel weer op zijn plaats ligt. Een lichte ongerustheid maakt zich van haar meester. Met gepaste haast brengt ze twee gebruikte koffiekopjes naar de keuken en met een stofdoek loopt ze de kamer rond om het voor niemand zichtbare stof te verwijderen. Ontzag voor de dienaren der wet uit zich soms op vreemde wijze.

Theo Draaisma is heel druk met bestuderen van het nieuwe dienstrooster en net als hij tot de ontdekking komt dat er, binnen afzienbare tijd, geen mogelijkheid is om een lang weekend met zijn vrouw te gaan varen, schuift de telefoniste hem een briefje onder de neus. “Twee oude mensen die regelmatig een man vanuit de bosjes naar een schoolplein zien kijken. Ik heb gezegd dat jij zo wel even langs komt. Waarschijnlijk praten ze makkelijker tegen een politieman in burger en op leeftijd” Ze kijkt hem met een glimlach aan en Theo weet niet goed hoe hij die laatste opmerking moet waarderen. Niet reageren is in dit soort gevallen het beste. Hij schuift het rooster in zijn bureaulade en gaat op weg.

“Wat doet de man als hij daar staat?” vraagt Theo als hij bij de twee melders zit. “Nou, niets …… hij staat daar alleen maar te kijken,” zegt de vrouw. “Doet hij iets met zijn handen? Maakt hij daar bepaalde bewegingen mee?” wil Theo weten. De man schiet overeind: “Ha! Je bedoelt dat hij zich af staat te trekken? Nee hoor, niks van dat al en zijn broek hangt ook niet op zijn knieën!” Theo kijkt even naar de vrouw. Die heeft haar hand voor haar mond geslagen en kijkt geschokt naar haar man. “Hendrik toch…..” zegt ze zacht. “Geeft niet, mevrouw, het is precies wat ik bedoelde en zo wordt het wel duidelijk toch?” Theo noteert alles wat hem belangwekkend voorkomt en spreekt met het echtpaar af dat ze bellen zodra de man er weer staat. Hij belooft dat er dan een wagen komt om de man op te halen.

politieauto

Twee dagen later is het al raak. De man is op heterdaad betrapt bij het kijken naar de spelende kinderen op het schoolplein en zit nu in een kamertje van het politiebureau. Theo gaat tegenover hem zitten. “Weet u waarom u hier bent?” De man schudt een beetje zijn hoofd, kijkt Theo aan en zegt dan zacht: “De agenten in de auto zeiden dat ik een vies mannetje ben die naar kleine kinderen gluurt maar dat ben ik niet.” Theo zucht. Op zijn blocnote schrijft hij KLOOTZAK 2x om niet te vergeten straks die dienders op het matje te roepen.

“Ik ga er nog niet van uit dat u dat bent,” zegt Theo, “Maar dan wil ik wel heel graag horen wat u daar doet of waarom u daar staat.” De man aarzelt en Theo ziet dat hij wel wil maar even niet kan. Hij wacht geduldig en dan zegt de man zacht: “Dat komt door mijn schoondochter…..mijn ex schoondochter……ze is gescheiden van mijn zoon en nu mag ik de kinderen niet meer zien. Ze hebben vreselijke ruzie met elkaar….en ik wil ze zo graag nog zien….. Er valt weer een stilte. De man bedenkt plotseling iets en Theo ziet hem schrikken. “Wordt dit bekent? Gaat mijn schoondochter dit te weten komen?” vraagt hij. “Nee,” zegt Theo, “Dit blijft onder ons. Hoe goed was u met uw kleinkinderen en hoeveel zijn het er?” “Twee,” zegt de man, “Twee meisjes en ze zitten samen op die school. Ik ben gek met ze en zij zijn….. waren… gek met mij. Ze maakten altijd mooie tekeningen voor opa en ik heb ze nog allemaal. Ik deed heel veel met die meiden. Voorlezen, samen tekeningen maken, liedjes van vroeger zingen, gekkigheid uithalen en zogenaamd stiekem geld in hun spaarpot doen….. dat is nu allemaal weg. Ik mis ze heel erg en daarom wil ik ze gewoon af en toe zien…..” Theo kijkt naar de man en voelt een diep medelijden opkomen. “En uw vrouw…..?” “Die heb ik niet meer. Ik ben al jaren alleen.”

Altijd-koffie-koffiebeker

Theo vraagt of hij hem blij kan maken met een kop koffie. Als hij naar de automaat loopt voelt hij een machteloosheid opkomen die niet te verbergen is. De prullenbak bij de automaat is de pineut. Met een geweldige schop en een knetterende vloek helpt Theo het ding naar de vervanging en terwijl de automaat de twee bekers koffie zet krijgt hij een geweldig idee.

In zijn eigen auto zet Theo de man thuis af en drukt hem nogmaals op het hart om niet in het steegje te gaan staan. “U krijgt of van mij, of van iemand anders nog bericht. Wacht het maar even af.” Hij geeft de man een hand en rijdt naar de oude mensen die de melding hebben gedaan. Daar doet hij het hele verhaal en gelukkig zijn deze twee oude mensen net zo ontdaan en begaan als hij. “’t Is toch godgeklaagd! Nou, zo lang er nog niets geregeld is kan hij hier wel komen hoor,” zegt de vrouw, “Vanuit hier kan hij het hele schoolplein zien.” “En ik heb ook nog wel wat voor hem,” zegt de man. Hij klimt uit zijn luie stoel en loopt naar een kast. “Kijk!” zegt hij, “Een mooie verrekijker!”

oude verrekijker

© peter gortworst / sept. 2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

De toekomst van Lidia

Het begon eigenlijk met Mark. Een levenslustige, jonge knul die van het leven geen probleem maakt. Gezegend met een goed stel hersens maar een chaoot eerste klas. Misschien daarom wel een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Neem nu bijvoorbeeld zijn baan als suppoost bij het museum. Hij was gescreend, getest, had zich een ongeluk geleerd over wat er aan kunst in ‘zijn’ museum aanwezig was en trots als een pauw aan zijn eerste dag begonnen. Na drie dagen actieve dienst, op staande voet ontslagen. Een museumbezoeker was door Mark quasi-streng vermaand om van de stukken af te blijven toen deze zijn arm over de schouder van zijn eigen vrouw legde. Zijn humor werd niet gewaardeerd. Als hij zelf slachtoffer is van een grap is, kan hij daar echter moeilijk mee omgaan. Zijn baantje als verkoper in een ijzerwarenhuis was, wat hem betrof, ten einde toen hij er achter kwam dat ze hem als practical joke een halve dag naar laagwaterspijkers hadden laten zoeken. Zonder één woord te zeggen verliet hij de zaak om nooit meer terug te komen.

11347-397-2911131403-spijkersoplaagwaterzoeken

Vaak zie je dat deze dartele figuren uiteindelijk iets gaan doen wat je niet verwacht. Je hoopt natuurlijk op iets moois maar met Mark weet ik het nog niet. De kans dat het de criminele kant op gaat is vrij groot. Ik heb nog geen verklaring voor het feit dat hij niet werkt en wel een snelle auto van een duur Duits merk bezit. Eigenlijk zou ik mij wat meer met hem bezig moeten houden maar hij sneeuwt een beetje onder. Dat komt door Lidia. Hoe zij en Mark elkaar hebben leren kennen weet ik nog niet. Ze is iets ouder dan Mark en als je haar zo ziet lopen dan is het een echt meisje. Reebruine ogen, donkerblond en een goddelijk figuur. Maar dat is de buitenkant. Als je haar wat beter kent, blijkt het een hartstikke stoere meid te zijn. Geboren in een klein gehucht in de Achterhoek, oudste dochter van een trotse varkensboer, niet te beroerd om daar de handen stevig uit de mouwen te steken en maar één doel voor ogen: kinderarts worden.

Nu kan je van alles verzinnen over een meisje uit de provincie die in de grote stad gaat wonen. Een leven wat ze niet kent, een mentaliteit die zo anders is dan wat ze gewoon is, alleen op een kamertje bij een hospita die haar op beklemmende wijze maar met goede bedoelingen, bemoedert. Ze stort zich op haar studie maar er valt veel meer te leren. Student zijn bijvoorbeeld, volwassen worden, nieuwe vrienden, vriendinnen en het leven in de grote stad leren kennen, de bijbaantjes, de feestjes, de verleidingen, de losse scharrels en de band met thuis. Allemaal dingen die een plaats moeten krijgen en waar je mee om moet leren gaan. Maar Lidia speelt het allemaal klaar. Het kleine kamertje wordt een flat die ze bewoond met twee andere meiden. De wekelijkse reis naar de Achterhoek wordt nu maandelijks gemaakt en als ze op de fiets door de stad vliegt doet ze dat als elke geboren stedeling: nonchalant en brutaal. En misschien heeft ze tijdens haar bijbaantje als serveerster, Mark wel leren kennen.

terras578

Zou ze wat naïef kunnen zijn als het om de liefde gaat? Of is zij één van de velen die als een kordaat en standvastig mens te boek staan maar in een hulpeloze stoethaspel verandert als het om de liefde gaat? Ik vind de match tussen haar en Mark eigenlijk geen goede. Ze lijkt wel ziende blind of zou het de liefde zijn die blind maakt? Ze zou zich toch moeten afvragen hoe hij aan zijn geld komt zonder duidelijke inkomstenbron of bluft hij haar af als het onderwerp ter sprake komt? Past een chaoot eerste klas wel bij een jonge vrouw die een duidelijk doel voor ogen en een gestructureerd leven heeft? Het zal mij niet verbazen als het, binnen niet al te lange tijd, vreselijk mis gaat tussen die twee.

Het rare is dat Lidia mij langzamerhand meer interesseert dan Mark en dat is volkomen terecht. Sterker nog: het moet. Ik zou graag willen dat het haar goed gaat, dat ze een deskundige en lieve kinderarts wordt die zich gesteund weet door een goed team van collega’s en een thuis heeft bij een vent die haar op handen draagt. Mark is daar niet geschikt voor maar Arnold bijvoorbeeld wel. Een aardige knul die er ook nog eens goed uitziet. Jaargenoot van Lidia, bescheiden, rustig, kundig en uitermate geschikt om samen met haar AIO in het ziekenhuis te worden. Dat biedt weer mogelijkheden maar waar en hoe introduceer ik hem in het verhaal?

typemachine

Het valt verdorie nog niet mee om een simpel doktersromannetje te schrijven.

© peter gortworst / feb.15

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Mijn liefste.

Ik heb er maar een krukje bij gepakt. Het wordt al licht en als ik naast je ga zitten kan ik je goed zien. Je hebt je ogen dicht. Die mooie ogen die naar mij kunnen kijken met lichtjes van verliefdheid. Goddank kunnen ze dat na al die jaren nog steeds. Twee weken terug, toen we na dat sneeuwballengevecht in het park op een bankje ploften en we met sneeuw in onze haren en een rode blos op de wangen elkaar aankeken, zag ik die lichtjes nog. Elke keer dat je mij zo aankijkt, smelt ik en voel ik mij diep gelukkig.

De eerste keer dat wij het met elkaar deden, vielen juist die lichtjes in jouw ogen mij op. Alles was anders, alles voelde anders, jij was anders. Jij lachte, maakte grapjes en dat was nieuw voor mij. Vrijen was voor mij een serieuze zaak. Het had te maken met presteren, je best doen, alles volgens het boekje. Voor jou was vrijen echt een feest en op een feest moet je van het begin tot het eind genieten. Je weet dat ik het moest leren en ik héb het geleerd. We kennen elkaar nu van binnen en van buiten. We spreken zonder woorden, voelen en vullen elkaar aan en kennen elke vierkante millimeter van onze lichamen en we weten wat we daar mee kunnen doen.

Bonbon0

We zijn ook zo gek als een deur. Kan jij je nog herinneren dat we een paar jaar terug in Antwerpen waren en dat we zo’n hele dure zaak inliepen waar ze bonbons verkochten? We hebben er twee uitgezocht en ze hoefde ze niet in te pakken, omdat we ze als een kroket uit de muur ter plekke opaten. Als ik nog aan het gezicht van die verkoopster denk…. Is er wel eens een dag voorbij gegaan dat we niet gelachen hebben?

Weet je wat ik ook zo mooi van je vind? Dat donkere moedervlekje op je linkerwang. Hoe vaak heb je daar die twee donkere haren niet uitgetrokken? Misschien wel net zo vaak als ik mij verbaasde over het feit dàt je ze eruit trok. Jij bent niet iemand van luchtjes, deodorant of gel in je haar. Puur natuur en geen toestanden aan je lijf en toch die twee haartjes die je er met een pincet uit trok. Dat je steeds grijzer wordt, kan je ook niets schelen en ik moet eerlijk toegeven dat het je goed staat. Je wordt mooi grijs.

Je hebt je mond een beetje open. Die zachte lippen die zo heerlijk kunnen zoenen en die je op elkaar knijpt tot een smalle streep als je echt boos bent. Weet je wel dat ik, toen wij elkaar nog niet zo lang kenden, wel eens bang was. Niet voor mijzelf. Jij zult mij geen haar krenken, maar jij kunt, als je echt boos bent, zo verschrikkelijk fanatiek zijn. Zoals laatst in de supermarkt. Jij wist zeker dat je met twintig euro had betaald en je kreeg maar voor tien euro terug. Je hebt vast wel gemerkt dat ik, toen je eiste dat ze de kas op gingen maken, even op een afstandje ben gaan staan. Het meisje achter de kassa was blij dat jij ongelijk had en royaal je verontschuldigingen aanbood. Zo ben je ook wel weer.

SONY DSC

Als je zo ligt zie ik het kuiltje in je keel. Daarin past een flinke slok bubbeltjeswijn. In je navel maar een klein beetje. Raar dat ik daar nu aan denk maar naast dat we gek zijn op elkaar doen we ook vaak zo heerlijk idioot. Mooi is dat. Je weet wanneer het menens is en wanneer je de puberale zorgenloosheid de boventoon kan laten voeren. Het tobberige van mij tegenover het laconieke van jou. Een perfecte match.

Wacht, ik leg je hand even zo dat ik hem goed kan zien. Je hebt mooie lange vingers. Pianohanden noemde mijn moeder ze altijd. Dat gaat voor jou niet op. Je hebt niets met muziek. Je kunt nog geen noot lezen en je zingt als een kraai, maar je handen zijn onbeschrijflijk mooi. De rimpeltjes horen er helemaal bij en de aders op de rug zijn blauwe bergbeekjes. Ze zijn sterk en soepel en je kunt er zo zalig mee kriebelen. Het valt mij nu pas op dat de trouwring aardig is versleten. Het motiefje is er nog wel maar het toont niet meer zo strak. Ik weet nog dat ik hem in het stadhuis voor de eerste keer om je vinger moest schuiven. Jouw handen waren een beetje dik geworden door de warmte en de stress en ik had ook de bibbers.  Het lukte niet echt maar gelukkig hadden we dat allebei.

Gouden Trouwringen met Diamant

Ik kan mij niet herinneren dat je hem ooit hebt afgedaan. O, ik heb de mijne wel eens van mijn vinger willen trekken en naar je kop willen gooien als we vreselijk ruzie hadden. Gelukkig heb ik dat nooit gedaan want voor je het weet is hij zoek en dan is de boot helemaal aan. Dat kunnen we trouwens wel goed hè? Ruzie maken. Weet je nog dat we in het begin veel vaker ruzie hadden dan de laatste jaren? Twee koppige koppen tegenover elkaar, dat ging wel eens hard tegen hard. Toch zijn we er altijd weer uitgekomen. Gelukkig wel want wat moet ik zonder jou?

Geef je hand eens, dan houd ik hem tegen mijn wang. Het voelt koud. Dat gaat sneller dan ik dacht. Toch wil ik nog van je genieten. Straks komt de begrafenisondernemer en die neemt je mee. Als ik je dan weerzie ben je niet meer degene die nu hier in ons bed ligt. Nu ben je nog mijn liefste. Straks lig je geschminkt in een kist en ben je echt dood. Nu kan ik je nog vasthouden, je strelen en van je genieten. Nu ben je nog bij mij. Nog wel…..

© peter gortworst

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Elgar’s zalving

Niet alleen de lange busreis naar het voormalige Oost Duitsland had haar tol van enkele koorleden geëist. De regelmatige plas- en rookpauzes waren zeer welkom geweest maar hadden ook de keelproblemen van Erik en Klaas veroorzaakt. Plotselinge overgangen van een benauwde, warme bus naar de vrieskou daarbuiten vergen nu eenmaal een sterk lijf of een goede sjaal.

mühlhausen

Ze hadden elkaar bij het wakker worden, horen kuchen en gehoopt dat warme koffie en Duitse broodjes hun problemen zouden verhelpen. De kelen bleven gevoelig en zwijgend zijn deze twee bassen nu op weg van hun gastadres naar de repetitie. Vanmorgen en vanmiddag oefenen, vanavond het concert en morgenochtend de cantate. Hoe gaat hun stem dat houden? Op halve kracht de generale zingen kan natuurlijk niet. Een slechte generale geeft weliswaar een prima uitvoering maar daar moet je het niet op aan laten komen en zeker niet uitlokken.

“Kruidenbitter”, zegt Klaas plotseling. “Helpt dat?” wil Erik weten. “Als een tierelier. Ik was in één nacht van een griep af waar ik al weken mee liep.” “Doen we samen één fles?” vraagt de altijd wat zuinige Erik. “Nee joh, we moeten die kleine flesjes hebben. Zit net een slok in. Helemaal leeg gieten in je mond en dan langzaam doorslikken. Je ogen knijp je dan vanzelf dicht, je kop wankelt even op je nek, je schouders zitten naast je oren en je krijgt een rilling tot in je hakken. Dan doe je het goed. Kom, even kijken waar dat te krijgen is.”

product-bottle-underberg

Met ieder een flesje in de broekzak staan ze naast elkaar. Het orgel, waar ooit Bach op speelde, zet het ‘Ave verum’ van Elgar in. Als de sopranen in maat 19 beginnen met ‘Cujus latus perforatum’ kijken ze elkaar aan. “Nu!” knikt Klaas en de flesjes worden uit de zak gehaald. Het bruine papiertje scheuren ze er af, het kleine dopje draaien ze los en gelijktijdig gieten ze, met het hoofd in de nek, de flesjes leeg. Ze slikken langzaam, knijpen de ogen vanzelf dicht, koppen wankelen even op nekken, schouders zitten naast oren en rillingen trekken tot in de hakken. Ze doen het goed.

Als een koor in een halve kring staat blijft een dergelijke inname niet onopgemerkt. ‘Esto nobis…’ zingen de sopranen zo vals en uit de maat dat de dirigent verstoord kijkt waar iedereen op dat moment naar kijkt: twee bassen met het flesje in de hand, bijkomend van de rilling die tot in de hakken ging. Hij slaat niet af maar laat doorzingen.

EdwardElgar

“En, heren, wat was dat?” wil hij daarna weten. “Drankje….”stamelt Erik. “Medicijn!” verbetert Klaas, “Voor de keel,” en wijst ten overvloede op het gekwelde lichaamsdeel. “Mannen van in de vijftig die zich gedragen als kwajongens die een nachtje van huis zijn,” zegt de dirigent en kijkend op zijn horloge: “Nog geen half tien en al aan de drank. Ik had jullie wijzer gedacht. Daar is het laatste woord nog niet over gesproken!” “Maar die kunnen we nu wel heel mooi zingen,” meent Klaas met een zojuist gezalfde stem en daar is geen woord van gelogen.

© peter gortworst / sept.2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Wraak

De wagen staat er wel maar de kans dat deze door paarden naar de kolonie van de jan van genten getrokken wordt, is nihil. Ontdaan van alle banken, tentdoek en materialen om de paarden in te spannen, is hij aan de zijkant van het parkeerterreintje op houten blokken gezet. Het toeristenseizoen is afgelopen en de enkeling die nu nog naar de vogels wil kijken moet te voet de zes kilometer naar de kolonie afleggen. Het weer nodigt daar niet echt voor uit. Het is winderig en regelmatig valt er een miezerige regen. Alles is grijs en grauw.

Teleurgesteld kijkt hij om zich heen. Behalve een paar mantel- en zilvermeeuwen die hem in de gaten houden is er niemand te zien. Deze trip was één van de dingen die hij beslist wilde doen. Een jan van gentenkolonie waar je zo dicht bij kan komen is uniek. De voorpret was dus voor niets.

the-nesting-colony-of

Hij loopt naar een informatiebord. Daar staat dat de wandeling over de kliffen ruim een uur kost. Over het strand, langs de kliffen is ook mogelijk maar dit kan alleen bij laag water en dicht langs de kliffen lopen wordt sterk ontraden: er wil wel eens een stuk klif naar beneden storten.

Nergens is een getijdentabel te vinden. Is het nu laag of hoogwater? Of zit het er ergens tussenin? Als het hoogwater wordt, blijft er dan genoeg ruimte over om te lopen? Hij besluit de gok te nemen en gaat op weg.

Het eerste stuk, vlak voordat de kliffen hoog beginnen te worden, bestaat het strand uit grote, grijze kiezels. Het loopt makkelijker dan hij dacht. Hoe hoger de kliffen aan zijn rechterhand worden hoe fijner de kiezels. Het lopen gaat zwaarder maar wat hem meer verontrust is de breedte van het strand. Verderop buigen de kliffen in een lange bocht af naar rechts en het strand is daar smal. De kleine kiezels zijn er nog maar liggen tussen grote stukken rots. Regelmatig moet hij over de rotsen klimmen om verder te kunnen. In de bocht ziet hij dat het water over een paar meter lengte al tot aan de voet van het klif komt. Daarna wordt het strand weer wat breder maar wat komt daarna? En als het hoogwater wordt en hij moet terug, hoe diep zal het hier dan zijn? Hij wacht tot een golf zich terugtrekt en sprint dan naar de overkant.

Een groep krijsende meeuwen trekt zijn aandacht. Ze zitten vlak bij elkaar op de rotsblokken, hangen in de lucht vlak boven de grond of zwemmen in het ondiepe water. Dichterbij komend ontdekt hij de oorzaak van deze luidruchtige samenscholing. Er ligt een zeeleeuw en volgens de meeuwen is hij dood of bijna dood. Aaseters kunnen vaak niet wachten tot het aas echt aas is geworden en ook nu zijn ze te vroeg. De zeeleeuw leeft nog ondanks een wond halverwege haar rug. Doordat de onderkant nog vast zit hangt een grote, dikke lap vlees, als een opengeslagen boek, langs haar zij. De lap is overwegend mooi roze maar de wond zelf is een vieze bloederige drab. Bloed, vermengt met vocht, heeft een breed spoor op de diepbruine vacht achtergelaten en de grijze kiezels onder haar donker gekleurd. Als het beest hem ziet probeert zij zich met haar voorvinnen op te richten. Dat lukt maar even en met een plof zakt zij terug op de kiezels. Ze blaast zwak in een poging hem angst aan te jagen.

Hij gaat voor haar zitten en vraagt zich af wat hij kan doen. Als hij een pistool had zou een schot door de kop het beest uit haar lijden verlossen. Hier liggen alleen maar stenen en om daarmee op de kop te gaan rammen staat hem tegen. Zou hij zo hard kunnen slaan dat het dier minstens bewusteloos wordt?

Het beweegt niet. Het kijkt hem alleen maar aan. Hij begint te praten: “Je moet niet bang zijn. Ik zal je niks doen. Ik zou je wel willen helpen maar ik weet even niet hoe. Het ziet er niet goed voor je uit maar ik zal je niet alleen laten. De meeuwen zullen je niet te pakken krijgen. Ik zorg dat ze uit de buurt blijven. Hoe is dat nou zo gekomen? Wie of wat heeft jou te pakken gehad? Wacht, ik kom even wat dichter bij je.” Op zijn knieën kruipt hij naar het dier toe. Een goede meter vanaf haar kop stopt hij.

groepsreis_nieuwzeeland_new_zealand_trek_7

De zeeleeuw heeft even haar kop opgetild en kijkt hem aan. Hij praat weer tegen het dier en het lijkt alsof dit haar rustiger maakt. Af en toe sluit het met een diepe zucht de ogen. Als hij op zijn buik gaat liggen en nog wat dichterbij komt kijkt zij hem alleen maar aan. Hij blijft zacht praten en strekt voorzichtig zijn hand uit. Voorzichtig aait hij de zeeleeuw over haar wang. Even trekt het de kop weg maar dan ruikt ze aan zijn hand. Ze accepteert de aanraking met een trillende zucht.

Hij vraagt zich af of het beest weet wat er gaat gebeuren. Dat beesten meer voelen en begrijpen dan men denkt weet hij uit ervaring. Stom toeval dat hij dit beest vindt. Als hij hier niet geweest was, waren de meeuwen al aan haar begonnen en was ze waarschijnlijk iets sneller dood gegaan.

Voorzichtig kruipt hij nog iets dichterbij en hoort haar ademhaling. Ze rochelt een beetje en het is onregelmatig. Hij bestudeert haar mooie kop, de neus met die wonderlijke klepjes en de lange snorharen. Zachtjes en langzaam aait hij over haar kop en nek. Ze laat het toe en hij begint weer tegen haar te praten. Hij betrapt zich erop dat het gewoon een beetje kletspraat is en verbetert het daarom. Stervensbegeleiding is een serieuze zaak. Je kunt het niet overdoen dus wat je zegt en doet, luistert nauw.

Al ruim een uur ligt hij naast haar en de ademhaling wordt steeds onregelmatiger. Plotseling schokt haar lichaam en geschrokken neemt hij zijn hand weg. Dan zucht ze diep. Het is stil en hij begrijpt dat dit haar laatste ademtocht was. Hij blijft liggen en legt zijn hand over haar nek. Waarom raakt de dood van dit onbekende dier hem? Is het de beroemde ‘aaibaarheidsfactor’ die je wel hebt met een kat, hond of zeeleeuw en niet met een reptiel of insect? Heeft het iets van doen met ‘dichterbij de mens staan’?

Hij gaat staan en de meeuwen die in de buurt op de rotsen zaten te wachten, vliegen op. De vogels gaan aan hun maal gaan beginnen zodra hij wegloopt. Hij gunt het ze niet en wil ook het gekrijs achter hem niet horen. Voor de laatste keer knielt hij neer, streelt de mooie kop en geeft een kus tussen haar ogen.

Na twee uur hard werken is de zeeleeuw onder een berg stenen begraven. Doodmoe van de emoties en lichamelijke inspanning loopt hij terug. De jan van genten zijn vergeten. Het water heeft zich teruggetrokken en zonder problemen bereikt hij de mistroostige parkeerplaats. Zijn auto is bedekt met een film van minuscule regendruppeltjes. Op het dak, de motorkap en voorruit zitten grote witte plakkaten met groenige slierten. Het wit op het dak en de motorkap loopt dun uit in onbestemde, waterige ronde vlekken. Vanaf de voorruit lopen dunne strepen met vaste stukjes viezigheid naar beneden en vormen een wittig beekje langs de ruitenwisser. Het stinkt zuur en naar vis.

De meeuwen hebben wraak genomen.

meeuwen-plaatje-009

© peter gortworst / jun. 2013

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Verloren

Als je nog net de rand van het afvoerputje kan grijpen voordat je voorgoed in het riool verdwijnt en je weet dat de volgende golf afvalwater dat alsnog voor elkaar krijgt, is het waarschijnlijk het juiste moment om je te beraden over hoe het nu verder moet. Als je geluk hebt is er een weldadig iemand die jou ziet hangen en je daadwerkelijk uit de put helpt maar als er niemand is zal je, wil je tenminste niet in de vergetelheid verdwijnen of in rook opgaan, het zelf moeten doen. Hij heeft geluk. Ans ziet hem hangen en tilt hem uit de put.

Hij kent Ans helemaal niet. Het is niet eens zijn type en bovendien is ze dom. Ze heeft niet alleen een kinderlijk gezicht, ze praat ook als een kind en stelt vragen als een kind. Een onbevangen en goudeerlijk kind maar wel een kind van dik in de twintig.

Hij is voor haar gevallen. Niet figuurlijk maar letterlijk. Drie man gooiden hem met kop en kont zijn stamkroeg uit en nu is de palm van zijn hand en zijn rechterknie geschaafd. Hij voelt de straaltjes bloed langs zijn vingertoppen en scheenbeen lopen. Vloekend en tierend ligt hij op straat tot hij ziet dat zij naast hem staat en naar hem kijkt. “Kusje er op?” snauwt hij maar daar reageert ze niet op. Uit haar handtas vist ze een pakje papieren zakdoekjes en zonder wat te vragen pakt ze zijn hand en veegt het bloed weg. Dan legt ze een schoon zakdoekje op de vele wondjes en zegt: “Met je andere hand vasthouden en we gaan daar even zitten.” Ze knikt naar de overkant waar een oud herenhuis staat met een grote deur. Voor de deur drie treden van Bentheimer Zandsteen. Als een mak schaap loopt hij achter haar aan.

Hij zit op de middelste trede en zij knielt voor hem neer. Ze rolt zijn broekspijp op en veegt het meeste bloed van zijn scheenbeen weg. Dan bekijkt ze zijn knie. “Die moeten we schoonspoelen en er moet jodium op.” Ongelovig kijkt hij haar aan en de boosheid welt weer in hem op. “Wie denk je verdomme wel dat je bent met je moeten? Jeanne d’Arc?” Hij gaat staan, loopt een paar passen bij haar vandaan en schreeuwt haar toe: “Je blijft met je poten van mij af! Je kent mij niet eens! Schoonspoelen! Jodium! Voor zo’n kutwondje?! Waar denk je dat vandaan te halen?” Ze zit nog steeds op haar knieën en kijkt hem met grote kinderogen aan. “Je moet niet tegen mij schreeuwen want dan wordt ik bang van je. Ik heet Ans” “Ik bepaal zelf wel tegen wie ik wil schreeuwen,” wil hij zeggen maar hij slikt op tijd zijn woorden in. Hij kijkt in bange kinderogen en in plaats van te schreeuwen kan hij alleen nog maar wat hakkelen. Op een kind, op dit kind kan je niet boos zijn. “Sorry,” mompelt hij. “Geeft niet,” zegt Ans, “Kom, we gaan.” “We gaan? Waarheen?” “Naar mijn huis, hier om de hoek.”

Het is een huisje van niks. Halletje met wc, kleine woonkamer met een open keuken, bijkeukentje en boven waarschijnlijk één slaapkamer onder het schuine dak. Hij zit op de bank. Ze heeft met lauwwarm water zijn knie schoongemaakt en de schaafwond voorzichtig met jodium behandeld. Nu is ze bezig koffie te maken en hij kijkt om zich heen. Veel plantjes, prulletjes, kussentjes, een paar foto’s aan het muurtje bij de trap en alles hartstikke schoon. Typisch een meidenhuisje. Beslist niet zijn stijl maar toch voelt hij zich op zijn gemak.

waxinelichtjes

Ze heeft een paar hartvormige kaarsjes in kleine potjes aangestoken en samen drinken ze de  koffie. Hij voelt dat ze naar hem kijkt. “Waarom ben je boos?” vraagt ze. “Ik ben niet boos hoor,” laat hij met een glimlach weten. “Nee, nu even niet…..” zegt ze. Hij kijkt haar aan en zwijgt. Ze heeft gelijk. Nu  is hij even niet boos maar wat moet hij? Moet hij haar vertellen dat hij boos is omdat zijn leven is mislukt? Over zijn vruchteloze pogingen om iets van werk te vinden in plaats van te leven van een uitkering en niet al te frisse bijverdiensten? Van alle mislukte relaties omdat zijn handen wat los zitten? Van zijn jeugd met een eeuwig dronken moeder en een vader die hem sloeg totdat hij hem hard en ongenadig terug sloeg? Van het tehuis waar hij opgevoed werd en weg liep. Van al die dagen in de gevangenis? Van alle foute vrienden die hij had, het leven op straat zonder dak boven je hoofd? Van zijn uitzichtloze bestaan waar hij maar niet uit kan komen?

Hij kijkt in de ogen van Ans, ziet het kind, en vertelt. De vlammetjes in de gekleurde potjes, een haakje in het plafond en een enkele keer haar ogen zijn de fysieke steunpunten bij zijn verhaal. Soms wordt hij boos als de herinnering hem aangrijpt en elke keer zegt Ans: “Niet doen. Het gaat juist zo goed.” Tijdens zijn verhaal onderbreekt ze hem met grote regelmaat. Veel is haar niet duidelijk en veel weet ze niet. Dat zijn de momenten dat hij beseft dat hij praat met een kind die blijkbaar voor het eerst kennis maakt met een wereld die ze niet kent. Het dwingt hem tot eerlijkheid en duidelijkheid en verhalend meent hij steeds meer van zichzelf te gaan begrijpen. Toch is het mooiste gevoel te weten dat hij wordt gehoord door iemand die hem niet op voorhand veroordeeld en het doet hem meer dan hij zeggen kan.

“Heb je nu wel een huis?” vraagt ze en hij vertelt dat hij sinds kort in een kleine flat woont. “Je moet nu naar huis, “ zegt ze, “Morgenavond om zes uur mag je hier mee-eten.” “Waarom doe je dit voor mij?” vraagt hij. “Weet ik niet…….gewoon……het moest, moet” zegt het kind.

Hij pakt een pilsje uit zijn koelkast en ziet bij de flessenopener een stompje kaars liggen. In de kamer maakt hij het flesje open, zet de kaars op de salontafel en steekt hem aan. Starend in het kleine vlammetje overdenkt hij de avond. Een rare avond, een mooie avond en, hij durft het bijna niet te denken, een hoopvolle avond. Morgenavond ziet hij haar weer en ze zal hem weer aanhoren want lang niet alles is gezegd. Hij zal weer vertellen, gehoord en misschien wel begrepen worden. Voor het eerst in lange tijd voelt hij iets van welbevinden en in die gelukzalige toestand dommelt hij in.

Een eigenschap van rook is de herkenbare lucht die overal doorheen dringt. De buurman boven heeft al in zijn flatje rondgekeken maar kan de oorzaak niet vinden. In zijn speurtocht is hij uitgekomen bij de onderliggende flat. Door het smalle raam naast de voordeur ziet hij dat de woning vol met rook staat. Hij belt 112 en geeft het adres door. Met een volmaakte karatetrap schopt hij het raam naast de deur in scherven. Er moet iemand gered worden. Op dit geschenk van zuurstof hebben de onverbrande gassen in de woning gewacht en binnen seconden is de woning een vuurzee.

flatbrand

Nog tijdens het blussen wordt hij gevonden. Als hij omhuld door een zwarte plastic zak in de lijkwagen wordt geschoven kan één omstander het niet laten: “Nou, daar is niet veel aan verloren gegaan.” Een enkeling knikt instemmend.

© peter gortworst / sept 2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 7 reacties

Boris

Ze is een half uurtje later dan gewoonlijk en daarom trapt ze stevig door. Het schemert reeds en manlief zit zich thuis al ongetwijfeld zorgen te maken. Zes jaar terug hadden ze een oude boerderij gekocht en na een flinke en langdurige verbouwing, is dit hun paleisje geworden. Afgelegen wonen heeft talloze voordelen maar overal ver van af zitten blijkt iets lastiger te zijn dan ze vooraf gedacht hadden.

Er komt een auto met een zware motor achter haar rijden. Ze stuurt wat meer naar de kant en de auto, een oude, vaal donkerrode bestelbus rijdt haar langzaam voorbij. Hij blijft voor haar rijden en onwillekeurig mindert ze wat vaart. Plotseling geeft hij gas en verdwijnt achter de volgende bocht. Door schade en schande heeft ze geleerd naar haar gevoel te luisteren en iets voelt nu niet goed. Ze twijfelt over wat ze gaat doen. Bij de picknickplaats die straks komt, heeft ze twee keuzes. Rechtdoor rijden en deze verlichte weg volgen, of rechtsaf slaan. Misschien is de laatste optie beter omdat het een smal fietspad is waar geen auto komen kan. Het loopt langs de weilanden, door een klein stukje bos en komt vlak naast hun boerderij uit. Als er al iets met die bestelbus aan de hand is kan deze haar, via dat fietspad, niet volgen.

De bus staat, gedeeltelijk verscholen achter de struiken, bij de picknickplaats. De neus wijst naar de weg. Ze ziet hem op het laatste moment en een onbestemde angst maakt zich van haar meester. De bocht naar het fietspad kan nog net gemaakt worden. Achter haar wordt de motor van de bus gestart maar omkijken doet ze niet. Met een bijna triomfantelijk gevoel gaat ze verder. Hier is ze veilig. Met een paar diepe zuchten brengt ze haar jachtige, snelle ademhaling op orde, gaat minder snel fietsen en realiseert zich terdege dat ze waarschijnlijk geluk heeft gehad.

schemerbos

Na een paar kilometer bereikt ze het bos. Een klein stukje verder versnelt ze even om het mulle karrespoor, dat het fietspad kruist, over te steken. De oude, vaal donkerrode bus staat op het karrespoor. Een man met zwarte kleren en donkere cap die die over de ogen getrokken is, staat er naast. “Stoppen jij! Stoppen!” roept hij en begint naar haar toe te rennen. Ze geeft een schreeuw en intuïtief stuurt ze van hem weg waardoor haar voorwiel dwars komt te staan in het rulle zand. Tuimelend over haar stuur komt ze met een klap, plat op haar rug terecht. Alle lucht slaat uit haar longen en even is ze van de wereld.

Grommen. Een diep donker grommen hoort ze vlak bij haar hoofd. Kriebelende haren tegen haar rechter wang. Iemand staat vlakbij te vloeken. Ze probeert adem te halen maar dat gaat niet en opnieuw is het bewustzijn even weg. Langzaam en letterlijk met horten en stoten, krijgt ze weer lucht. Ze doet haar ogen open en kijkt van onder af, tegen de brede borstkas aan van een zwarte Newfoundlander. Boris! Dat is haar Boris! De hond staat vlak naast haar hoofd. De agressie die hij nu uitstraalt heeft ze nog nooit zo gezien. De goedzak is een furie geworden die haar tot het uiterste zal verdedigen. Hem aanraken lukt haar niet: haar armen liggen krachteloos naast haar. Boris loopt een paar passen bij haar vandaan. De staart fier omhoog, nog steeds diep grommend en alleen maar gefixeerd op het gevaar. Een motor wordt gestart en zo te horen, rijdt de bus weg. Boris kijkt het ding na en draait zich dan naar haar toe. De staart hangt weer in een mooie boog en kwispelt zachtjes.

Hij gaat liggen en plant één van zijn brede voorpoten op haar arm. De vertrouwde goedzak is er weer. Geleidelijk voelt ze haar krachten terug komen. Op haar zij rollend, slaat ze een arm om hem heen en duwt haar hoofd in de zijkant van zijn nek. Ze huilt zacht en fluistert lieve woordjes. Hoe lang zij zo heeft  gelegen weet ze niet. Na een tijdje gaat Boris staan en wacht tot ze rechtop zit. Dan loopt hij weg in de richting van hun huis. De kop en de staart laag. “Boris!” roept ze. De hond draait zich om, kijkt even naar haar en loopt dan door. Het laatste wat ze in het schemerdonker ziet is die geweldige mooie, waggelende kont. Het verdriet dat ze voelde toen ze hem moesten laten inslapen is weer helemaal terug.

newf

De fiets is niet meer in orde. Het bijna dubbel gebogen voorwiel maakt duidelijk dat er geen meter mee gereden kan worden. Die moeten ze morgen maar ophalen. Het laatste stuk loopt ze naar huis en het geeft haar tijd om na te denken. Hoe kan ze dit het beste haar nuchtere, rationeel denkende man vertellen? Ze is niet meer bang. Het gevaar is weg en blijkbaar is Boris er om haar te beschermen.

Manlief reageert zoals verwacht: geschrokken, verontwaardigd, verdrietig, vol ongeloof en vol daadkracht. “We bellen de politie!” “Wat is het kenteken van die bus? Heb je er niet naar gekeken? Dat is toch het eerste wat je doet?” “Dat kan toch nooit Boris zijn geweest? Weet je het wel zeker?” “We moeten iets doen! Wie weet wat die gek nog meer van plan is?” “Zal ik voor alle zekerheid de dokter niet even bellen?”

Alle emoties vertalen zich in een grote lichamelijke vermoeidheid. Ze wil nu alleen nog maar slapen. Als er al iets zou moeten gebeuren kan dat morgen ook nog. Manlief zit te stuiteren van alles wat moest en zou en zij gaat naar bed. Ze kan er nu even niet mee zitten.

Ze wordt wakker en ontdekt dat manlief er al uit is. Het eerste wat ze zich herinnert van de vorige avond is niet het busje maar de actie van Boris. Het was een geweldige hond geweest. Hij was als pup gekomen en had zich ontwikkeld tot een stabiele, zelfverzekerde hond die zeer sociaal was en vooral van kinderen erg veel accepteerde. Vaak hadden ze hem hun ‘wandelende rustpunt’ genoemd. Hij oriënteerde zich vooral op haar. Hij was van mening dat zij de roedelleidster was. “Dat was en is eigenlijk ook zo” bedenkt ze met een glimlach.

Ze hoort het piepje van het tuinhek. Door het raam ziet ze dat manlief, sjouwend met haar fiets, de tuin in loopt. Hij zwaait als hij ontdekt dat ze vanuit het slaapkamerraam naar hem kijkt. In haar ochtendjas loopt ze naar hem toe. “Dat voorwiel is niks meer. Ik ga vanmiddag wel een andere halen” vertelt hij. “Hoe gaat het?” “Beter dan gisteravond” zegt ze. Hij kijkt haar onderzoekend aan en vraagt: “Zeg, hoe zeker ben jij dat gisteravond Boris je verdedigd heeft?” “Honderd procent.” antwoordt ze. “Jij twijfelt. Waar twijfel je aan? Of het echt is gebeurt? Of Boris er echt was?” “Je weet dat ik een man van feiten ben.” zegt manlief. “Toen ik je fiets ging halen zag ik bandensporen van een auto. Ik kon naast je fiets, in het zand de afdrukken zien waar je gelegen hebt. Maar ik zag niet één pootafdruk van wat voor hond dan ook!” Het klinkt bijna beschuldigend maar tot haar eigen verbazing gaat ze niet in de verdediging. Eerlijk gezegd maakt het haar niet uit wat hij vindt of denkt. Ze glimlacht naar hem en loopt naar het graf van Boris. Daar hurkt ze neer en peutert tussen de steentjes wat onkruid weg. Manlief komt zwijgend naast haar staan.

“Je weet dat ik er altijd zeker van ben geweest dat ik een engelbewaarder heb.”  zegt ze terwijl ze nog wat sprietjes de grond uit trekt. Ze komt omhoog en kijkt haar man aan. Haar ogen zijn vochtig en met enige moeite slikt ze haar tranen weg. Dan breekt er langzaam een glimlach door. “Dat weet ik nog steeds heel zeker en nu weet ik ook dat mijn engelbewaarder een huisdier heeft.”

© peter gortworst

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Maartje

Hij heeft het informatieblad met haar verhaal net gelezen. Een Noorse vrouw die verliefd werd op een Oostenrijker die als dienstplichtige in het Duitse leger diende. Haar relatie duurde maar even. Hij moest met zijn eenheid naar het oostfront en sneuvelde daar. Ze is naar Oostenrijk gegaan om zijn moeder bij te staan. Werd daar weer verliefd op een soldaat die in 1944 met zijn eenheid naar Normandië marcheerde en daar sneuvelde. Ze werd gevangen genomen door de russen en omdat ze geen papieren had zagen ze haar als spion. De Goelag werd haar reisdoel en kort na aankomst bleek ze zwanger te zijn. Ze had het kind niets te bieden. Geen warmte, geen kleding, geen voedsel en het stierf na acht maanden. Waar het begraven, of het begraven is weet ze niet. In 1953 komt ze terug in Noorwegen en er is niemand die haar welkom heet. Ze is nog steeds de spion en de moffenhoer.

En nu hangt hier haar foto. Het gezicht van een oude vrouw, met strijklicht mooi uitgelicht op een zwarte achtergrond, rechts op een lange horizontale foto. Hij is er bij gaan zitten en kan niets anders dan staren naar dat gezicht.

noorwegen 2014 323 (2)

Hij kan nog steeds de sfeer in het dorp niet beschrijven. Het was een mengeling van uitgelaten vreugde, verdriet, bezorgdheid en onzekerheid. Iedereen liep op straat en elke Canadees werd toegejuicht, op de schouders geklopt en de hand gedrukt. En plots was daar Maartje. Omringd door een grote groep mensen en hij zag haar zitten. In elkaar gedoken, huilend, bang en zo goed als kaal. “Moffenhoer!” riepen de mensen en hij begreep het niet. Maartje was de dochter van de oude bakker en ze was altijd een vrolijke en aardige vrouw. Ze vond hem een klein lief manneke en aaide vaak even over zijn steile haar. Hij vond haar lief zoals alleen een jongetje van acht een volwassene lief kan hebben.

Zijn moeder viste hem bij de groep mensen vandaan. “Dat is niets voor jou,” had ze gezegd en er is nooit meer over Maartje gesproken.

Hij staart naar de foto van een vrouw die net als Maartje was. Toen hij, wat ouder geworden, begreep wat een moffenhoer was, had hij zijn oordeel over haar geveld. Ze deugde niet. Als je met de vijand heult, is er geen plaats meer voor je. Wegwezen en je nooit meer laten zien. Maar nu, nu hij het verhaal gelezen heeft, is hij niet meer zo zeker van zijn standpunt. Deze vrouw heeft blijkbaar echt van die jongen gehouden. Zonder papieren onderneem je in oorlogstijd geen reis van Noorwegen naar Oostenrijk om de moeder van je gesneuvelde vriend te bezoeken en zelfs bij te staan. Maar hij leeft ook lang genoeg om te weten dat liefde rare dingen met mensen kan doen.

Langzaam dringt het besef bij hem door dat deze vrouw niet voor een systeem koos, niet voor een bezettende macht. Ze koos voor die ene jongen die er ook niet om gevraagd had om deel te worden van een regime. Die ver van huis, ver van zijn moeder iets moest doen wat plicht heet. Hier, in dat verre Noorwegen treft hij iemand die hem neemt zoals hij is. Geen wrede, bloeddorstige bezetter maar een gewone jongen. Zou ook Maartje dat gezien hebben in die Duitse soldaat? Natuurlijk wist zij hoe men dacht over relaties van Nederlandse meiden met Duitse soldaten maar blijkbaar was haar liefde voor hem zo groot dat zij de consequenties voor lief nam. Later hoorde hij dat de oude bakker wel wist dat zijn dochter verkering had met een Duitse soldaat maar hij wilde die jongen niet in zijn huis hebben. Wat zal hij als vader een strijd gevoerd hebben. Het geluk van je dochter en je weerzin tegen alles wat nazi is.

‘Pars pro toto !’ De term schiet hem door zijn hoofd. Zijn leven lang heeft hij elke Duitse soldaat gezien als vertegenwoordiger van die nazistaat. Nooit heeft hij zich gerealiseerd dat er talloze bij waren die gedwongen werden. Gedwongen door het systeem, de sociale druk of een heersende en opgelegde overtuiging.

Die gedachte is verwarrend. Aan de ene kant is hij blij dat een nieuwe zienswijze hem aangereikt wordt maar aan de andere kant voelt hij spijt. Bijna 80 en blijkbaar niet te oud om te leren maar wel te oud om met dit nieuwe inzicht veel te kunnen doen. Hij kan het zijn kinderen en kleinkinderen vertellen maar voor hen zal het niet dat effect hebben wat hij voelt. Zij hebben geen oorlog meegemaakt die je voor het leven tekent.  Ze zullen hem aanhoren en lief zeggen dat ze het fijn voor hem vinden. “Ik zal nog eens wijs sterven”, mompelt hij.

Hij gaat staan en loopt naar de foto. Hij buigt zich voorover en kijkt lang in de ogen van die onbekende vrouw. Dan kijkt hij even om zich heen en als hij ziet dat er niemand is, aait hij even met de rug van zijn vingers over haar wang en geeft er een kus op. “Het spijt mij en als je daar boven Maartje ziet, moet je haar van mij groeten”, zegt hij zachtjes en zonder om te kijken loopt hij naar buiten.

Daar schijnt de zon en een weldadig briesje aait, als ooit de hand van Maartje, zijn kale kop.

© peter gortworst

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Profiteur

Het heerlijke zonnetje, een riant uitzicht op het kruispunt en gewoon even lekker niets te doen hebben, maakt van het stenen muurtje voor het winkelcentrum een prima zitplaats om de tijd te verdrijven. Ik zit een paar minuten naar de zebra te kijken en verbaas mij over het verkeersgedrag van fietsers, automobilisten en voetgangers. Volgens mij heb je, als voetganger voorrang op een zebra maar hier blijkt het net zo makkelijk een opstapje naar het hiernamaals te zijn. Een meter van mij vandaan is een man komen staan die argwanend het muurtje in ogenschouw neemt. Veegt even met zijn hand over de stenen en gaat dan zitten. Ik kan hem geen ongelijk geven. Met een lichte zomerbroek moet je oppassen. Ik knik hem toe en hij knikt terug. “Zo is het wel vol te houden toch?” vraag ik hem. Dat is hij met mij eens. Het blijkt dat zijn vrouw ergens in het winkelcentrum iets moet kopen en hij heeft geen zin om mee te gaan. Hier zullen ze elkaar weer treffen. Hij steekt een filtersigaret op en kijkt om zich heen.

We kijken op als er een auto twee keer kort toetert. Een mooie rode cabriolet staat stil voor de zebra en de zeer donker gekleurde automobilist wuift met zijn hand naar een jonge vrouw met twee kleine kinderen die over wil steken. Ze steekt als bedankje haar hand op.

Rode Ferrari cabrio

“Weer zo’n buitenlander die met ons geld de blits maakt,” zegt de man naast mij. Ik kijk hem vragend aan. “Ja, dat is toch zo?” gaat hij verder, “Verdien jij genoeg om zo’n dure wagen te kunnen kopen? Dat komt hier naartoe en het enige wat ze kunnen is hun hand ophouden. En wij die profiteurs maar betalen!” Van pure boosheid wipt hij op en neer en slaat met zijn hand op zijn dijbeen. Dat gedrag ken ik. Mensen die hun hekel aan alles wat van buiten komt laten blijken, zijn altijd boos. Een genuanceerde verhandeling over waarom ze zo denken, is uiterst zeldzaam. Deze schuifelende, wippende man is daar geen uitzondering op.

“Ik ken die vent,” zeg ik, “Hij heeft mij handenvol met geld gekost en kon niet met z’n handen van mijn vrouw afblijven. En weet je? Iedereen vindt dat doodnormaal. Je kan er niets tegen doen.” “Hè?” zegt mijn buurman, “Dat kan toch niet? O, laat mij raden! Hij had natuurlijk een prima advocaat die zelfs zo’n flut taakstrafje wist weg te lullen!?”

“Nee, zo was het niet. Hij werkt hier in het ziekenhuis als gynaecoloog en mijn vrouw moest voor een onderzoek bij hem zijn. Niks bijzonders dus maar wel mijn eigen bijdrage in één keer weg.”

Ik kijk naar mijn buurman die mij, met de mond half open, strak aankijkt. Als hij gaat vragen of ik zit te liegen weet ik nog niet wat ik zal zeggen. “Ik ga eens even kijken waar mijn vrouw blijft,” zegt hij dan afgemeten. Hij gaat staan en loopt het winkelcentrum in. Jammer dat hij niet stil kon zitten. Zwart is vast niet zijn kleur en zo’n vlekkerige zwarte kont is geen gezicht.

© peter gortworst / aug.2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Whimpy

Ze zitten samen aan de keukentafel als het grijze hoofd van de buurvrouw langs het raam komt. Hij loopt naar de achterdeur om haar binnen te laten maar ze blijft buiten staan en met een ernstig gezicht zegt ze: “Kom, kom, o, het is heel erg!”

Midden op de straat staat nog een overbuurvrouw en een vrouw die hij niet kent. Aan hun voeten ligt Whimpy, hun kat. “Hij stak zo maar over! Ik kon er helemaal niets aan doen!” zegt de vreemde vrouw met tranen in haar ogen. De kat ligt op zijn rechterzij. Het bloed wat uit zijn bek en oren stroomde vormt een onregelmatige vlek op het asfalt. Over zijn welzijn bestaat geen enkele twijfel: hij is dood.

Hij vloekt zachtjes. Geen weldenkend mens rijdt bewust een kat dood en hij verwijt deze vrouw niets. Het is niet de eerste kat die door een auto wordt doodgereden maar dit is verdomme wel hun Whimpy.

Er komt een auto aan. Hij tilt Whimpy op en leg hem op de stoep bij het tuinmuurtje. De vrouwen zijn aan de overkant gaan staan. Net als hij wil vertellen dat zij er altijd al rekening mee hebben gehouden dat het een keer zou kunnen gebeuren, dat zij er echt niets aan kon doen en dat ze snappen dat zij geschrokken is komt zijn vrouw langs het huis naar voren gelopen. Het eerste wat zij ziet is de dode Whimpy. Ze schreeuwt een onduidelijke vloek en loopt met opgeheven armen weg. “O, wat is dit erg!” snikt de vreemde vrouw. Hij staat in tweestrijd. Moet hij naar zijn vrouw om haar te troosten of moet hij deze vrouw verder gerust stellen? Het probleem lost zich vanzelf op. Zijn vrouw komt weer naar voren en voegt zich bij hen. Ze zegt hetzelfde als hij had willen zeggen en in goed vertrouwen dat het wel goed komt neemt hij Whimpy alvast mee naar de achtertuin.

Hij legt zijn nog warme lijf voorzichtig op het gras en gaat op zijn knieën bij hem zitten. Hij was nog geen jaar toen hij hem bij zich in huis nam. Een vriendin had hem in een opwelling in huis gehaald en was zijn aanwezigheid na een paar dagen al beu. Zijn hond was gewend aan katten dus dat zou geen enkel probleem zijn. Tot zo ver klopte dat. De kat liet zich gelden tegenover de hond en dus was de kat de baas in huis. Zonder protest verliet de hond zijn mand als deze heerser die plek had uitgekozen voor zijn noodzakelijke rust. Dat is altijd zo gebleven. Whimpy was de baas en dat wist hij.

013

Ze waren echter ook broeders in het kwaad. De kat wist hoe de koelkast open gemaakt kon worden en beiden hebben zich een aantal keren tegoed gedaan aan de inhoud. Een flinke baksteen voor de deur loste dat probleem op. Eten is altijd heel belangrijk voor hem geweest. Als jonge kat kroop hij langs zijn broekspijpen omhoog op het moment dat hij de voerbakjes vulde. Heel grappig en aandoenlijk totdat hij een keer, hondsberoerd met een dikke griepkop en slechts gekleed in een onderbroek en T-shirt, bij het aanrecht staat.

Whimpy was, zeker in zijn jonge jaren, geen kat die hele dagen binnen wilde zijn. Daar kwam hij achter doordat mijnheer duidelijk liet merken het niet eens te zijn met zijn vrijheidsbeperking. Als hij aan het einde van de werkdag thuiskomt en er een complete kast met Cd’s van de muur geduwd is, planten van de vensterbank geschoven zijn, spullen die op het aanrecht stonden terug te vinden zijn op de keukenvloer en er een vaas met bloemen die op de tafel stond, omgekieperd is zodat de nog te betalen rekeningen eerst moeten drogen, dan is het zonneklaar dat deze heerser de mensheid iets duidelijk wil maken. Hij is hem, vanwege deze terroristische aanslagen op zijn bezittingen ‘Osama’ gaan noemen.

Zijn gedrag verbeterde toen hij, ten einde raad, besloot hem mee te nemen naar buiten. Dat beviel Osama wel. Hij struinde de hele buurt af, maakte ruzie met andere katten en als hij hem tegenkwam wanneer er met de honden een rondje gemaakt werd, liep hij mee. Als het heerschap weer naar binnen wilde, wachtte hij bij de buitendeur tot er iemand in of uit ging. Het bereiken van de vijfde verdieping was geen probleem: meestal nam hij de trap en een enkele keer nam hij, samen met andere bewoners, de lift. Als hij het niet meer wist of wanneer alles te lang duurde zette hij het op een miauwen. Dit was zo ongelooflijk hard dat je het wel moest horen. Het duurde niet lang voordat iedereen in de flat wist waar deze schreeuwlelijk thuis hoorde en met regelmaat werd hij, meestal met een knipoog, bij de deur afgeleverd.

Wat hij hoopte, gebeurde: de terrorist beterde zijn leven en kreeg een andere naam. De Osama werd een Whimpy.

005

“Hij is nog warm,” zegt hij en aait hem zachtjes over zijn rug. Zij gaat ook op het gras zitten. Er is bloed uit zijn oor en uit zijn bek gelopen maar verder ziet hij er onbeschadigd uit. “De andere katten zullen hem missen,” zeg hij. Ook over hen was hij de absolute baas. Na de verhuizing duurde het maar even of hij was de nieuwe heerser in een fors territorium. Slechts twee ander poezen werden gedoogd. Henry, een mooie rode kater en James, die wat uiterlijk betreft, als twee druppels water op hem leek. Twee jonge katten die door de buren waren geadopteerd. Hun aanwezigheid in onze tuin werd toegestaan maar regelmatig vond Whimpy het nodig zijn gezag te laten blijken en mepte Henry en/of James dan van zijn erf af.

Uit ervaring weten zij dat het goed is om dieren de kans te geven ‘afscheid’ te nemen van andere huisgenoten en daarom wordt de hond erbij gehaald. Die ruikt heel even maar toont verder geen belangstelling. Dat valt hen wat tegen. Ze kennen elkaar hun hele leven maar misschien is het te menselijk gedacht om wat meer reactie te verwachten.

“Zullen we hem maar gelijk begraven?” vraagt hij. Zij vindt dat goed en ze leggen Whimpy voorzichtig in een kartonnen doos. Ze weten een mooi plekje bij de hazelaar. Hij graaft een gat van een halve meter diep en legt met zorg de doos op de bodem van de kuil. “Wil jij hem verder begraven?” vraagt hij. Zij schept aarde op de doos en als ze het een beetje aan wil drukken ziet zij hem verschrikt reageren. “Het moet wel,” zeg ze, “we mogen niet de kans lopen dat hij vannacht door een of ander beest wordt opgegraven.” Als het klaar is staan ze even samen naast elkaar. Ieder met hun eigen gedachten en herinneringen.

“Ik ga even het bloed van de straat spoelen,” zegt hij. Ze lopen samen naar het huis. Hij vult een gieter en zij gaat naar binnen. Ze loopt de bureaukamer in. “Miauw,” zegt Whimpy en rekt zich uit op het kussen van de hond. Haar hart vergeet een slag en de adem stokt. Verbijstert kijkt ze naar Whimpy die zich op zijn rug draait en nogmaals mauwt. “Whimpy!” kan ze nog net zeggen. “Hoe…..?” Ze ploft op een stoel en langzaam dringt het besef door dat ze een andere kat hebben begraven. James! Ze hebben James van de buren begraven!

Het lukt hem niet om zonder emoties het bloed van de straat te spoelen. Dan hoort hij haar roepen en in de stem klinkt iets wat op een bijzonderheid duidt. Hij loopt naar haar toe en zij vertelt met gedempte stem wat er werkelijk gebeurt is. Ze kijken elkaar aan en weten niet of ze moeten lachen of huilen. Voor alle zekerheid gaan ze naar binnen om te kijken. De kat heeft zich alweer opgerold en ze weten het zeker: dit is Whimpy. “Wat doen we nu?” vraag zij. Daar hoeft hij niet lang over na te denken: “James opgraven en naar de buren brengen. Het is beter dat ze het weten.”

Met James in de doos en zo goed mogelijk ontdaan van aarde, komen ze bij de buren. Als het hele verhaal vertelt is zegt Frans dat hij het zich wel voor kan stellen. Zij hebben met regelmaat Whimpy binnengelaten en voer gegeven in de veronderstelling dat het James was. Je kon ze eigenlijk alleen uit elkaar houden als ze naast elkaar stonden. James was iets smaller, iets tengerder dan Whimpy.

Ze voelen zich ongemakkelijk. Ze hebben met de buren te doen. Uit een zeer recent verleden weten ze wat er in je om kan gaan als je met een dode kat in je handen staat. Aan de andere kant zijn ze blij dat het Whimpy niet is maar dat kan je niet laten merken. Ze wensen hen sterkte en gaan naar huis.

Met een kop sterke koffie zitten ze weer aan de keukentafel. “Dit verzin je toch niet?” zegt hij. “Nee,” zeg zij, “en het stomste is nog wel dat Whimpy één van zijn levens heeft verbruikt zonder het zelf te weten!”

P.S.

Op 24 juli 2015 heb ik Whimpy, wegens acuut nierfalen, moeten laten inslapen. Zie dit verhaaltje als een eerbetoon aan een bijzondere kat die 15 jaar deel van mijn leven was.

011

© peter gortworst

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , | 1 reactie

Vluchtelingen

Als je, door lange autoritten, veel tijd hebt om naar het nieuws te luisteren, heb je ook veel tijd om na te denken. En om maar met de deur in huis te vallen: ik weet het niet meer. De stroom berichtgeving over vluchtelingen die Europa binnenkomen is net zo groot als de stroom vluchtelingen zelf. En ja, ik maak mij ook zorgen. Zorgen over de vaak tendentieuze berichtgeving, over de acceptatie, over de vluchtelingen zelf, over hoe het zal gaan in de landen waaruit ze gevlucht zijn,

Als ik hoor dat er niet genoeg woningen zijn om hen te huisvesten en dat er Nederlanders zijn die daardoor langer op de wachtlijst staan, stel ik mij niet de vraag of dat wel terecht is. Ik vraag mij af of de woningbouwverenigingen, al jaren lang en misschien onder het kopje ‘marktwerking’, niet in de fout zijn gegaan met hun beleid. Het verkopen van huurhuizen en het te weinig bouwen van sociale woningen kan toch niet passen bij een vereniging die als doel heeft dat iedereen, dus ook de sociaal zwakke, een woning om te wonen heeft?  Dat er al een wachtlijst was, zou al een teken aan de wand moeten zijn geweest.

Ik vraag mij af hoeveel garen de PVV, de neonazi’s en meer van dat soort nationalistische groepen gaat spinnen bij de huidige ontwikkelingen. Zij beroepen zich op hun Joods/Christelijke samenleving die beschermd moet worden tegen alles wat lichtbruin, zwart of moslim is terwijl, als je de bijbel tenminste leest, er heel duidelijk wordt aangegeven hoe je om moet gaan met de vreemdeling die binnen je poorten is. Ons ‘humane’ asielbeleid kan zich niet eens een zwakke afspiegeling noemen van die gastvrijheid.

“Wij zijn voorstander van opvang in de regio en hebben daar best wel geld voor over” hoorde ik kort geleden een kamerlid zeggen. Weet hij niet dat er al heel erg veel opvang in de regio is maar dat het daar overvol is en de vluchtelingen in barre omstandigheden verkeren? Waar blijft dan het geld? Wees eerlijk en zeg dat je ze hier niet wil hebben en het liever een ‘ver-van-mijn-bed-ding’ wil laten. Lekker makkelijk. Zo hoef je hier niets te doen en blijft jouw straatje schoon.

Ik wordt die opmerkingen over de linkse kerk een beetje zat. Ik wordt het gegoochel met woorden als ‘duizenden’ ‘overspoeld’ ‘gelukszoekers’ ‘profiteurs’ een beetje zat. Ik wil graag echte, betrouwbare cijfers maar meer nog: ik wil een regering die ons mobiliseert en die een visie heeft. Die verder kijkt dan hun electorale belangen. Die menselijkheid, omzien naar elkaar, belangrijker vindt dan marktwerking. Die ons duidelijk gaat maken dat we een superrijk land zijn die de morele verplichting heeft alles in het werk te stellen om elke vluchteling een veilige plaats te bieden met huisvesting en voedsel. Natuurlijk kost dat geld maar dat is nu eenmaal de prijs die je als welvarend land dient te betalen. Ik wil niet alleen het geluid van de tegenstanders, de rechtsextremisten, de pvv-ers, de domme napraters en de nationalisten horen. Ik wil de Nederlanders horen die zeggen dat het Godgeklaagd is zoals complete gezinnen in brede stromen hun weg naar een leven zonder doodsangst over deze aardkloot moeten vinden. Die mondiale medemenselijkheid belangrijker vinden dan hun eigen burgerlijke bedoening.

We kopen onze ontzetting af met giften en zamelen miljoenen in als ons iets diep raakt maar als het ‘probleem’ werkelijk aan onze deur klopt geven wij niet thuis.

Ik weet het niet meer. Zo veel ‘schrijnende gevallen’. Zo veel mensen die je toch niet het recht op een gelukkig leven kan ontzeggen? Als hier vanavond een gezin aan de deur staat mogen ze van mij binnenkomen, zal ik ze een bed, eten en drinken geven en ze laten weten dat ze welkom zijn. Ben ik daarin één van de weinigen? Ik hoop het niet.

© peter gortworst / aug.2015

Geplaatst in oprispingen | Tags: , | Plaats een reactie