Ekster en de domheid.

Deze dag is een bijzondere dag. Raaf heeft iedereen gevraagd om naar het bos te komen omdat er iets belangrijks gaat gebeuren. Dat gebeurt niet alle dagen dus iedereen van de familie Kraai heeft een afvaardiging gestuurd. Raaf zit op een plek waar allen hem goed kunnen zien en horen en begint te vertellen. Over kraaien die ver weg, in een ander land leven en die daar niet meer kunnen wonen. Ze heten Alpenkraai en ze zijn hun leven daar niet meer zeker. Hun jongen worden gegrepen door Gieren en deze rovers maken zelfs de nesten van de Alpenkraai kapot en eten hun jongen op. Er waren altijd al Gieren maar nooit zo veel dat ze er last van hadden. Veilig vliegen is er niet meer bij en zelfs het eten is zo karig dat men al spreekt over verhongeren. Ze zijn dus op de vlucht geslagen en een deel van hen komt naar ons bos. De twee Kauwtjes, die altijd wel geluid maken tijdens dit soort bijeenkomsten, zijn er stil van. Goh, vluchten omdat het te gevaarlijk is. Dat is nogal wat. Ook de anderen zijn onder de indruk. Als Ekster zegt dat ze welkom zijn en dat ze natuurlijk geholpen moeten worden, zegt hij wat ze eigenlijk allemaal wel denken.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Raaf

Raaf belooft om iedereen op de hoogte te houden en de geachte afgevaardigden vertrekken om verder te gaan met dat wat dagelijks moet gebeuren. Vlaamse Gaai niet. Die gaat bij Raaf zitten en vraagt hoeveel Alpenkraaien er wel niet komen. Daar heeft Raaf geen idee van maar het zouden er zomaar 100 kunnen zijn. Daar schrikt Vlaamse Gaai van. Zouden zo veel van die Kraaien geen problemen kunnen geven? Kunnen wij ze wel verstaan? Waar moeten ze dan wonen? Gaan ze ooit weer terug? Zou het kunnen dat ze onze eieren pikken want ja, wat weten we eigenlijk van hen af? En wat als zo’n jonge Alpenkraai zijn oog laat vallen op één van onze struise Bonte Kraaien?

Raaf weet geen antwoorden. Hij heeft zijn hart laten spreken en nooit nagedacht over alle vragen die Vlaamse Gaai nu stelt. Hij zal zijn best doen om antwoorden te krijgen.

Vlaamse Gaai zit ondertussen niet stil. Eerst gaat hij naar een stil stukje van het bos om goed na te denken. Hij wil niet dat zijn mooie leventje wordt verstoort door Kraaien die hij niet kent. Zo als het nu gaat in het bos is het goed en dat mag niet veranderen. Als hij klaar is met denken, heeft hij zichzelf benoemd tot ‘Leider Van Het Tegengeluid’ en zoekt de andere Vlaamse Gaaien op. Hij vertelt dat er een heleboel, wel honderden Alpenkraaien komen en het is niet zeker dat ze ooit weer weggaan. Ze geven natuurlijk overlast, pikken de mooiste nestplaatsen in, hebben andere gewoonten, een taal die niet te verstaan is en ja, wie weet hoe gemeen of vals ze zijn. Over dat ze het aan kunnen leggen met andere lieftallige kraaien hier in het bos en wat daar voor kraaien uit geboren worden, wil hij het niet hebben maar hij stipt het toch maar even aan.

gaai

Alle Vlaamse Gaaien krijgen de opdracht om op pad te gaan. Onder het mom van eerlijke voorlichting worden alle Kraaien in het bos met aangedikte verhalen op de hoogte gebracht van de ramp die hen te wachten staat. Het is geen wonder dat de eerstvolgende bijeenkomst die Raaf houdt, door veel meer Kraaien bezocht wordt dan hij voor mogelijk had gehouden. Hij neemt het woord maar wordt vrijwel direct overstemt door de 35 Kauwtjes. Luidkeels laten ze weten dat een overstroming van het bos door een golf Alpenkraaien onacceptabel is. Ze zeggen zelf al moeite te hebben geschikte nestplaatsen te vinden en hoe zal dat zijn als die vreemdelingen hier komen wonen? De Roeken, ook in grote getale aanwezig, vrezen dat de Alpenkraaien hoog in de bomen van hun kolonie gaan nestelen zodat zij slachtoffer zullen worden van alles wat over de rand van het nest gekiept wordt. De Bonte en de Zwarte Kraai die ervaring hebben met onderlinge liefdes, menen dat het zo’n vaart niet zal lopen maar vragen zich af of het niet beter is de Alpenkraai wat dichter bij huis te laten blijven. Dit is natuurlijk een heel ander land, een ander klimaat, andere gewoonten en ander eten. Ze begrijpen heel goed de nood van deze soortgenoten maar om alles en iedereen nu maar hier naar toe te halen is onwenselijk en misschien ook niet nodig.

Raaf weet het even niet meer en verwachtingsvol kijkt hij naar Ekster. Dat is zijn stille kracht achter de schermen en misschien kan hij iets verstandigs zeggen. Naar Ekster luisteren ze wel. Hij kent zelfs een Arie Ekster die bij de mensen woont. Ekster weet wat er van hem verwacht wordt en vertelt iets over de Alpenkraai. Hoe hoog hun nood is en dat er voor hen geen keuze is. Ze moeten daar weg. Hij vertelt dat het slimme vogels zijn die iets kunnen bijdragen aan de welvaart in het bos. Dat ze niet van plan zijn te blijven maar zo snel mogelijk terug willen naar hun eigen land en dat het aantal wat komt, slechts een schijntje is van alle vogels die al in dit bos wonen.

Hij wil nog veel meer vertellen maar de Kauwtjes, aangevoerd door de Vlaamse Gaaien beginnen te roepen dat hij er niets van weet. Ze roepen dat zij het volk zijn en dat er naar hen geluisterd moet worden.

Ekster, die iedereen altijd laat weten waar de beste voerplekjes zijn, die het beste kan beoordelen of een tak sterk genoeg is voor een nest, die de Vlaamse Gaai helpt herinneren waar hij zijn eikels heeft verstopt, die, bij twijfel, laat weten of je iets wel of niet kan eten en in welke schoorsteen je beter geen nest kan bouwen komt niet meer aan het woord. Ze weten best dat Ekster een hele belangrijke vogel in het bos is en wat hij allemaal doet is lovenswaardig maar dat telt nu niet. Ze willen geen Alpenkraaien in hun buurt en als hij zo nodig die beesten wil huisvesten in zijn luxe overdekte nest is dat prima zolang het daar maar bij blijft. Weet Ekster trouwens wel dat Alpenkraaien rode poten hebben en een rode snavel die een beetje naar beneden buigt? Zoiets wil je toch niet in een boom tegenkomen?

De vergadering ontspoort. Iedereen schreeuwt door elkaar en als Raaf besluit om naar zijn eigen stille plekje in het bos te gaan en de boel de boel te laten, ziet hij dat Ekster ook vertrokken is. Dat hij het bos voorgoed achter zich gelaten heeft, blijkt pas later.

Ekster wordt node gemist in het bos. Regelmatig valt er een nest uit de boom waarbij de jongen jammerlijk omkomen. Een niet onbelangrijk aantal Kauwtjes zijn gestikt in de rook van de schoorsteen waarin zij meenden een nest te kunnen bouwen. Vlaamse Gaai komt, zwaar verzwakt, nauwelijks de winter door omdat hij geen idee heeft waar zijn eikels verstopt zijn en vorige week is een verliefd stelletje van de Zwarte en Bonte Kraai lelijk aan hun einde gekomen omdat ze iets gegeten hebben wat ze beter niet hadden kunnen doen. Een plaatsvervanger voor Ekster vinden lukt ze niet. Vlaamse Gaai heeft het, toen hij weer enigszins op krachten gekomen was, wel geprobeerd. Overal liet hij zijn witte kuif met zwarte streepjes zien. Hij wist precies te vertellen hoe het allemaal niet moest maar hoe het dan wel zou kunnen wist hij ook niet. Uiteindelijk is een delegatie op zoek gegaan naar Ekster in de hoop hem over te kunnen halen terug te keren naar het bos.

ekster_kop_erik_v_asten

Tevergeefs. Ekster meent dat in een bos waar de domheid regeert geen plaats is voor verstandige vogels. Hij heeft eens een boer aan een dood paard zien trekken en geconcludeerd dat dit een zinloze bezigheid is. Daar moeten de geachte leden van de delegatie maar eens goed over nadenken. Dat doen ze op de terugweg dan ook maar het levert geen heldere inzichten op zodat de mededeling aan het thuisfront beperkt blijft tot een ‘Hij komt niet terug’.

Het moge duidelijk zijn dat het bestaan in het bos kommervol genoemd moet worden. Er is nog een kleine fanatieke groep van enkele Kauwtjes die, onder leiding van Vlaamse Gaai, af en toe roepen dat zij het volk zijn. Het clubje roept dat in de woestijn van eigenbelang, onverdraagzaamheid en gebrek aan elementaire naastenliefde. De enige plek waar zij thuis is en zo lang zij zich niet laten overtuigen dat er een ander land is waar deze kenmerken niet voorkomen en het een land is van gelukkige vogels, blijven ze daar. Helaas……

© peter gortworst / 0kt 2015

foto’s: http://www.hei-heg-hoogeind.dse.nl / http://www.haagsebeemden.nl / http://www.raafprojecten.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 4 reacties

Joop en Josje

Even denkt hij dat de vrouw met het graf van Josje bezig is. Als hij wat dichterbij komt ziet hij dat ze bloembollen plant op het graf wat daarnaast ligt. Daar ligt een man, weet hij, die een dag eerder dan Josje gestorven is. Met een ‘goedenmiddag’ begroet hij de vrouw. Dan bukt hij zich om een verwelkte roos van het graf te pakken en legt er een verse, rode roos voor in de plaats.

begraafplaats_tolsteeg_utrecht_14-04-2007 028

De vrouw staakt haar tuinderswerk en komt overeind. “Zal ik even weg gaan?” vraagt ze. Hij kijkt haar een beetje verwonderd aan. “Waarom dat?” wil hij weten. “Nou, ik praat altijd tegen Joop en als u ook wat wil vertellen tegen …..” Ze leest even snel de naam op de steen. “Was Josje uw vrouw?” Hij knikt. “Als u ook wat tegen uw vrouw wil zeggen ga ik wel even op een afstandje staan. Dat praat voor u toch wat makkelijker, niet?” “Ik zeg hier nooit wat. Wat zou ik moeten zeggen? Dat heeft toch geen enkele zin?” Ze kijkt hem even aan. Dan wend ze haar blik naar het graf van haar man en zegt:  “Ik vertel Joop hoe het met mij gaat, hoe het met de kinderen en kleinkinderen is, ik praat over de hond en over de bende in de straat nu ze een nieuw riool aan het leggen zijn…..ik vertel gewoon van alles.”

Ze is even stil en hij wacht op wat komen gaat. “Joop heeft zó gevochten tegen zijn ziekte. Hij wilde zó graag wat langer blijven leven zodat hij zijn kleinkinderen nog zag opgroeien en ze hem, als ze wat ouder waren, nog konden herinneren. En dan de hond…. Dat was zijn beste vriend en die mist hem volgens mij ook nog elke dag. Ik heb hem een keer meegenomen maar hij werd hier helemaal gek! Hij draaide maar rond met de staart tussen de poten en jankte het uit! Het was alsof hij het wist, dat arme dier. Toen Joop gestorven was en het huis uitgedragen werd, moest ik hem opsluiten in de bijkeuken. Hij vloog bijna de begrafenisondernemer aan. Hij had er net zo moeilijk mee als ik en we missen hem nog elke dag. Mijn Joop was een vechter en hij wilde tot het laatst toe bij alles betrokken blijven. Daarom denk ik dat hij het wel fijn vindt om te horen hoe alles gaat.”

Ze zwijgt en kijkt, blijkbaar bevangen door de herinnering, naar het graf. “Josje heeft ook geknokt,” zegt hij zacht, “Tot ze aanvaarde dat ze het niet winnen kon. We hebben kort daarna afscheid van haar moeten nemen en toen is ze gaan slapen om nooit meer wakker te worden.”

rode_roos

Er valt een stilte en samen zijn ze bezig met hun eigen verdriet en herinneringen. “Gelooft u?” vraagt ze na een tijdje. Hij schudt even zachtjes zijn hoofd en zegt dan: “Als u bedoeld of ik in een hiernamaals geloof met een eeuwig leven waar je ziel dan heen zou gaan en zo, dan is het antwoord ‘nee’. Maar ik geloof wel in het bestaan van Josje’s ziel. Die zie ik namelijk terug in wat zij nagelaten heeft. In de kinderen en de kleinkinderen. In alle vrienden en vriendinnen die zij had en die zij op één of andere manier geraakt heeft. In al het goede dat zij voor anderen heeft gedaan en in alles wat ze voor mij is geweest en nog is. Dáár vind ik Josje terug en dát is voor mij haar ziel.”

De vrouw vist een papieren zakdoekje uit haar zak en friemelt er mee in haar handen. “Ik weet niet wat ik geloven moet”, zegt ze dan, “Toen ik de hond hier mee naar toe nam en dat beest zo bang werd, ben ik ook bang geworden. Ik kan wel flink doen en zeggen dat ik denk dat Joop het fijn vindt om op de hoogte gehouden te worden maar ik wilde graag dat ik het, net zo flink, ook echt geloof. Tegen wie of wat praat ik? Misschien praat ik mijn eigen angst wel weg. Ik weet best dat de Joop die hier ligt mijn Joop niet meer is. Dit is, wat ze zo netjes noemen, het stoffelijk overschot en als iemands ziel echt naar de hemel is gegaan dan……dan sta ik hier toch in het niets te kletsen? Dan is hier toch niets meer! Dan is het meer voor mijzelf, meer om mijn eigen verdriet, mijn eigen gemis….Maar, dat is toch niet verkeerd?”

Hij ziet tranen opwellen in haar ogen. Met het zakdoekje veegt ze deze voorzichtig weg. “Nee,” zegt hij, “Daar is helemaal niets mis mee. Iedereen verwerkt verdriet op zijn of haar eigen manier. Niemand kan en mag jou vertellen wat je moet doen of laten en hoe lang je daarmee bezig bent. Het is iets waar je zelf klaar mee moet komen en misschien is het ultieme doel van je leven wel een manier te vinden hoe jij verdriet een plaats geeft. En als het een plaats heeft, kan je verder.” Ze knikt nadenkend haar hoofd en als ze wat wil gaan zeggen legt hij zijn vinger op zijn mond. “Wacht even,” zegt hij, “Als ik nou even help met die bollen. Zullen we dan daarna ergens een bak koffie drinken met een plak cake en verder praten? Lijkt mij wel toepasselijk na een bezoek aan het kerkhof.” Ze schiet in de lach  en samen drukken ze de laatste bollen in de grond. “Ik heet overigens Sjoerd”, zegt hij. Ze glimlacht naar hem. “Een Fries dus?” Hij knikt. “Leuk, ik heet Japke.”

koffie_met_plakje_cake

© peter gortworst / sept 2014

foto’s: http://www.begraafplaats.org / http://www.consumentenbond.nl / http://www.posters-kopen.nl

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Schilderachtige armoede

Als schrijver van verhaaltjes ben je altijd gespitst op bijzondere gebeurtenissen, opvallende uitspraken, of terloops vertelde verhalen tijdens talloze ontmoetingen met wildvreemde mensen. Ze zijn mijn bron van veel schrijfseltjes. Ik bezit een klein rood notitieboekje waarin regelmatig losse krabbels geschreven worden. Onderwerpen, ideeën of andere bouwsteentjes voor een verhaal.

DSCI0025

Soms blijven ze daarin staan en nooit komt er een streep doorheen als teken dat ik het in een verhaal gebruikt heb. Ik kan het niet toepassen omdat ik er geen verhaal bij kan maken. Het kan zijn dat het te veel op zichzelf staat, te mager is of nergens toepasbaar maar toch te uniek om het als onbruikbaar weg te doen. Het blijft in mijn notitieboekje staan en langzaam verwordt het een steen des aanstoots

Zo was ik, nu bijna vier jaar terug, vroeg in de zomer op vakantie in Frankrijk. De rit voerde door de Morvan en bovenop een markante hoogte zou een subliem uitzichtpunt zijn. Ik had de auto op het parkeerterreintje gezet en de paar honderd meter naar het hoogste punt gelopen. Het uitzicht was inderdaad indrukwekkend.

Plotseling staat er naast mij een man die ik al op het parkeerterrein had gezien. Hij kwam aanrijden in een dure cabrio, droeg een crèmekleurige pet die op het hoofd van een rechtschapen agrariër de vlag op de spreekwoordelijke modderschuit zou zijn en droeg een polo met een duur merkje op de linkerborst. Nu kon ik ook zien dat hij een geruite broek aanhad en glimmende zwart-witte leren schoenen. “Inderdaad zeg. Een riant uitzicht,” meende hij te moeten opmerken. Ik beaamde dat en het duurde maar even en we raakten aan de praat. morvanWe bespraken de schoonheid van het landschap, de mentaliteit van de Fransen, de karige middelen van bestaan in deze streek en de vele karakteristieke maar in kennelijke staat van ontbinding verkerende huisjes die je onderweg ziet. “Ja, zegt hij, maar armoede is wel altijd schilderachtig.”

Onthouden!! Het schiet als een bliksemflits door mijn hoofd. Wat een opmerking! Wie had nu verwacht dat je hier, zomaar, zo een mooie zin in je schoot geworpen krijgt? Even later loop ik terug naar de auto en schrijf de zin direct in mijn boekje. Een juweeltje. Hier kan ik vast wel wat mee.

We zijn nu dus bijna vier jaar verder en de zin staat ongebruikt in mijn boekje. Elke keer als ik daarin blader kom ik die zin weer tegen en ik kan er niets mee. “Armoede is altijd schilderachtig” Hoe verzin je het! Ik pak een potlood en streep de zin door. Ik ben er klaar mee. Onbruikbaar. Geen verhaal van te maken. Weg ermee.

DSCI0027

© peter gortworst / mei 2014

foto: eigen foto’s / tourisme.parcdumorvan.org

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Charles Ives: Unanswered Question

Het is al enige tijd geleden dat ik terloops iets opving over een bijzonder muziekstuk. Het zou gaan over een trompet die zeven maal dezelfde vraag stelt en elke keer een ander antwoord krijgt van de houtblazers.

Het schrijvertje in mij, altijd gespitst op onderwerpen, heeft zich met dat motief vaak bezig gehouden. Geen idee van wie dat muziekstuk was of hoe het klinkt maar als thema zou het een prachtig onderwerp kunnen zijn om in een verhaal te gebruiken.

Helaas, ik kwam er niet verder mee. De invulling kreeg ik niet voor elkaar. Wat voor vraag zou ik op papier moeten zetten? Niet iets simpels zoals het vragen naar de bekende weg. Het zou toch een vraag van enige betekenis moeten zijn. Een vraag met inhoud. Iets waar lezers zich in zouden herkennen of die toch minstens herkenbaar voorkomt. En wie of wat gaat die vraag dan aan wie stellen? Iets? Eén mens? Een bevolkingsgroep of een heel volk? Wie geeft er antwoorden en met welke antwoorden komen ze? Hoe wordt het einde van het verhaal? Komt er een antwoord of meerdere antwoorden en zo ja, wat is dat antwoord dan? Kortom, ik liep vast maar loslaten deed het mij niet. Alles draaide om de vraag. Als ik die weet en goed kan formuleren, dan komen de antwoorden ook wel.

ives_01 (1)

Vandaag hoorde ik het stuk op de radio. Het heet ‘The unanswered question’ en is gecomponeerd door Charles Ives. Deze Amerikaan schreef het in 1906 maar het werd pas gepubliceerd in 1940. Ives heeft het niet stil op de plank laten liggen nadat hij het geschreven had. Tussen 1930 en 1935 heeft hij zich bijvoorbeeld bezig gehouden met de orkestversie van het stuk en op 11 mei 1946 ging het uiteindelijk in première.

Als ik er in het verleden al niet zo mee bezig was geweest, had ik het geluid waarschijnlijk weggedraaid. Tussen stukken muziek van Mozart en Bach valt dit aardig uit de toon. Het ligt niet echt gemakkelijk in het oor. De basis wordt gevormd door de strijkers die met weinig volume lange noten spelen en waarin weinig afwisseling zit. Het hele stuk door blijven zij zo spelen en reageren niet op wat de trompet of de houtblazers doen. Dan komt daar, atonaal, de vraag van de trompet. De eerste keer duurt het even voordat de houtblazers op de vraag reageren. Maar elke keer dat de trompet de vraag stelt, komen de antwoorden sneller. Als de vraag voor de zesde keer klinkt, reageren zij al voordat de vraag helemaal gesteld is. Mocht het eerste antwoord op de vraag nog redelijk ‘normaal’ klinken, naarmate het stuk vordert worden de antwoorden schriller en krijgen steeds meer volume. Na het zesde antwoord neemt het volume van de strijkers af en klinkt nog één maal de vraag van de trompet. De strijkers verdwijnen langzaam tot ze amper hoorbaar zijn en dan is het stuk afgelopen. De vraag blijft onbeantwoord.

Wat ik in dit stuk hoor kan ik nooit in woorden vangen. In welke taal ik ook zou kunnen schrijven, de taal van de muziek overtreft, zoals altijd, de geschreven of gesproken taal. In mijn beleving herken ik in de lange noten van de strijkers het dagelijkse leven wat voort kabbelt en geen echte schokkende hoogte- of dieptepunten kent. Dan staat er iemand op en stelt dè vraag. Dè vraag? Ja, volgens mij wel.

Het is de vraag van de jonge aanstaande vader die zijn vrouw aan de telefoon heeft op het moment dat zij tussen twee vrachtwagens in de file wordt doodgedrukt. De vraag van die jonge Palestijn die weet dat zijn beste vriend dood onder het puin ligt van zijn huis. De vraag van de moeder die net gehoord heeft dat haar prachtige kinderen mogelijk drager zijn van een dodelijk gen. De vraag van het jonge Nigeriaanse meisje wat opgesloten zit in een Haags peeskamertje. De vraag van elke patiënt die te horen krijgt dat er geen behandeling meer mogelijk is. De vraag van allen die getuige zijn van een onthoofding, van allen die vermoord worden door een ideologie, van allen die verdreven worden van hun geboortegrond en die maar moeilijk plaats vinden in de herbergen van het vreemde nieuwe land, van allen die sterven door gebrek aan voedsel, water of hulp.

Waarom! Dàt is de vraag die al dezen stellen. Het ‘waarom’ wordt gefluisterd, geschreeuwd, in tranen, in woede of in ongrijpbare verbijstering. En wie heeft de antwoorden? Wie durft zich daar aan te wagen?

Er worden antwoorden gegeven. Harmonieuze antwoorden die wel troost kunnen bieden maar geen antwoord op de vraag. Antwoorden die verwijzen naar een logisch gevolg van actie en reactie, naar diepere zingeving, een later te ontdekken weten dat het ‘ergens’ goed voor is geweest, Gods ondoorgrondelijke wegen worden van stal gehaald en met een ‘later zal je ten volle kennen’ of ‘je wordt er een sterker/beter mens van’ klinken alle antwoorden uiteindelijk net zo spottend en schril als in het muziekstuk.

t_houtblazers

Ives componeerde geen antwoord. Het stuk, het leven, gaat door en de onbeantwoorde vraag blijft tot het einde, tot ons einde onbeantwoord.

Als de laatste tonen geklonken hebben blijf ik zitten met een gevoel van onbehagen. Ontredderd zelfs. Geconfronteerd met iets wat je eigenlijk niet wil. Het voelt niet goed  om met een mond vol tanden te staan. Al je levenservaring, al je kennis, je dogma’s, je mensenkennis helpt je niet. Met alles wat je zegt, loop je zelfs de kans om een schrille houtblazer te worden die met luide dissonanten de vragensteller overschreeuwd.

Erkennen dat je het ook niet weet en je mond te houden is vaak nog het beste. Misschien zou je een trompet aan de mond moeten zetten, naast de vragensteller gaan staan en samen de grote vraag naar het waarom de wereld in toeteren. Dat levert geen antwoord op maar je laat wel weten dat de ander niet alleen staat.

Wie ben ik om iets over het werk van een groot componist te zeggen? Toch, en ik schrijf het aarzelend en in alle bescheidenheid, zou ik het mooi gevonden hebben als daarom minstens twee trompetten de vraag voor de laatste keer hadden gespeeld.

ives

© peter gortworst / okt 2014

foto’s: http://www.wallpaper222.com / http://www.musicologie.org / http://www.bladmuziekplus.nl

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Bakbokking

Ik sta onder de luifel van de viskraam en wacht geduldig op mijn beurt. Een oudere man, waarschijnlijk de baas, staat haringen schoon te maken. De klanten worden geholpen door een vriendelijke, frisse jonge dame. In de gekoelde vitrine liggen de meest gangbare vissoorten: een schaal met zoute haringen, gerookte makrelen in twee verschillende maten, vacuüm verpakte gerookte zalm, tong- en scholfilet, twee bosjes sprot en één blauwe plastic bak met twee kilo mosselen. Naar de potten met zure haring kijk ik niet. Mijn eetlust is mij dierbaar. Die sprot en mosselen verbazen mij enigszins. Die zie je niet vaak liggen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Wie is er dan?” vraagt de dame en na even om mij heen gekeken te hebben blijkt het mijn beurt te zijn. “Heeft u ook bakbokking?” vraag ik. “Bákbokking?” zegt ze en kijkt mij aan alsof ik een kilo Belgische bonbons heb besteld. “Ja, bakbokking,” zeg ik en ondertussen breek ik mij het hoofd over wat ik zal nemen als ze dit niet hebben. Ze kijkt een beetje vragend naar de baas. Die heeft zijn mesje neergelegd en terwijl hij omstandig zijn handen schoon veegt aan een handdoek, kijkt hij mij strak aan. Dan knikt hij naar mij en zegt tegen de dame dat ze maar verder moet gaan met de andere klanten. Hij verdwijnt door een deur naar buiten en staat twee tellen later bij mij.
“U wilt echt een bakbokking?” vraagt hij.
Als ik dat bevestig mompelt hij iets van “Een momentje,” en verdwijnt in de grote bus die naast de viswagen staat. Als hij weer naar buiten komt heeft hij een glimlach op zijn gezicht en een mooie, lichtgerookte haring in zijn hand. Trots laat hij de vis zien.
“Is het geen mooie?”
“Hij is prachtig,” beaam ik.
“Meneer is een kenner. Als u even heeft, ga ik hem nu voor u klaarmaken,” en met de haring in zijn hand verdwijnt hij weer in de viswagen.

Ik ben achter de wachtende mensen bij een hoge, ronde tafel gaan staan en zie de baas met zorgvuldigheid mijn vis bereiden voor de doop in de hete olie. Af en toe gaat zijn blik naar mij en het lijkt wel alsof zijn glimlach steeds breder wordt. Dan verdwijnt de vis, al ware het een zuigeling in het eerste badje, met een vloeiende beweging in de hete olie van de koekenpan. Hij kijkt om en steekt zijn duim naar mij omhoog.
“Nog eventjes!” roept hij.
“Prima!” antwoord ik met ook mijn duim omhoog.

Terwijl hij wacht kan er wel even een reclame tussendoor. Klik op de bijgaande link en je kan zomaar een goed en spannend boek aan jezelf cadeau geven. 

http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-glimlachende-dode 

bakbokkingDe vis is klaar en wordt met beleid op een kartonnen schaaltje gelegd. Ik loop naar voren maar dat is niet de bedoeling. Met een : “Ik kom hen wel even brengen,” stuurt hij mij terug naar de hoge tafel. Mijn gastheer dient daar zijn volmaakte gerecht op. Naast het kartonnetje met de vis legt hij een, in driehoek gevouwen, papieren servet en daarop het tafelzilver in de vorm van een wit plastic vorkje en mes.
“Alstublieft en eet smakelijk,” zegt de gastheer en blijft in gespannen afwachting staan tot ik mijn eerste hap neem. Opgelaten schuif ik met mijn vingers het eerste stukje vis van het velletje. Hij knikt goedkeurend. De vis smaakt uitstekend en ik lik letterlijk mijn vingers er bij af.
“Weet u,” zegt hij, “ik sta hier nu bijna een jaar en nog nooit heeft iemand hier een bakbokking besteld. Eet u dit wel vaker?”
“Ja, maar het is niet overal te krijgen. Een heleboel mensen kennen dit niet en ik heb zelfs een vishandelaar gehad die aan mij vroeg wat dat was!”
“Ja, zo erg is het tegenwoordig. Ik heb er altijd twee in de wagen liggen omdat je nooit weet of er toch niet iemand komt die het wil hebben. U bent dus de eerste. Smaakt het?”
“Het is heerlijk!” antwoord ik naar waarheid.

De vis is op en bereidwillig ontfermt mijn gastheer zich over het afval.
“Mag ik u vragen hoe u een haring eet?” vraagt hij als hij weer bij mijn tafel staat.
“Altijd aan het staartje en nieuwe haring zonder ui.”
Hij knikt instemmend.
“Hier willen ze hem graag in stukjes met een augurkje.”
Als ik een beetje misprijzend kijk zegt hij:
“Ja, ik weet het. Maar de klant is koning hè. Ze willen tegenwoordig alleen maar kibbeling, haring, soms een lekkerbekje en af en toe een makreel. Armoede is het. Ze weten niet meer wat lekker is.”
Dat ben ik deels met hem eens en zeg:
“Mijn moeder bakte vroeger zelf de schol. Het hele huis rook drie dagen naar gebakken vis maar het was heerlijk eten. Ik heb van haar een kookboek gekregen en daar staat een recept in van erwtensoep. Twee dagen van te voren moet je daaraan beginnen maar het resultaat is een goddelijke soep waar je lepel rechtop in blijft staan.”
De ogen van mijn gastheer beginnen te glimmen.

snert-roggebrood-en-spek

Het duurt maar even en de beschrijvingen van de erwtensoep met of zonder varkenspoot, draadjesvlees, bloedworst, paardenbiefstuk, echte volle melk, karnemelk zonder suiker en stukgekookte spruitjes gaan over tafel. Met een gretigheid waar een pornozender jaloers op zou zijn, halen we herinneringen op aan toen. We krijgen een opgewonden blos op onze wangen en we verhalen de tijd dat de melkboer nog langs de deur kwam, schillenboeren die altijd een oud paard voor hun wagen hadden staan, de voddeman en de scharensliep met die wonderlijke kar.

Dan verbreekt de dame vanuit de viswagen de betovering. De haringen zijn op en zij kan niet alles alleen doen en is dat ook niet van plan. Met spijt constateren wij dat de hedendaagse werkelijkheid ons tot de orde roept. Nee, van betalen wil hij niets weten. Het was een groot genoegen en een eer om mij te ontmoeten. In de wetenschap dat we zomaar een vriend voor het leven hebben gevonden, slaan we elkaar onbeholpen op de schouder en nemen zo afscheid van elkaar.

Update 11 mei 2022.
Bovenstaande tekst wordt veel gelezen en ik ben nieuwsgierig naar het waarom. Het is een gegeven dat bakbokking op steeds minder plaatsen te verkrijgen is. “Er is geen vraag naar” wordt mij meermaals te kennen gegeven. Ik pest de vishandelaren door bij elk bezoek dat ik breng, naar bakbokking te vragen ook al kom ik voor wat anders. Hoezo geen vraag naar? Dit zal ze leren!
Graag hoor/lees ik van jullie de ervaringen. Waar is deze vis nog te krijgen en bevelen jullie dit verkooppunt aan?
Alvast bedankt voor de bijdrage.

Het recept van de erwtensoep? Klik hier:
https://petergortworst.com/2016/01/13/erwtensoep-van-toen/

Er bestaat ook leesvoer! Interesse in mijn boeken? Bezoek jouw boekwinkel of bestel via onderstaande links.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode

© peter gortworst / sept. 2014

foto’s: http://www.hilversumhappens.wordpress.com / http://www.vishandelvathorst.nl / http://www.postwagen.nl

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 23 reacties

Kiezen

We zijn moe van het slenteren. Moe van het kijken naar oude gevels, een majestueuze kerk, een oud raadhuis en een waag. Het is een prachtige stad, smalle winkelstraatjes en een ontspannen sfeer maar nu willen we even rust. Op de Markt met alle terrassen zullen we dat niet vinden. Langs de rivier wel. We ontdekken een klein parkje en de verwachting dat er ook wel een bankje zal zijn blijkt juist: er staat één bankje en daarop zit een man. Onderuit gezakt en met de handen in de nek. Hij staart voor zich uit en schrikt zichtbaar als wij vragen of wij er even bij mogen komen zitten. Dat mag. Hij schiet rechtop en schuift naar de zijkant van de bank. Met zijn rug enigszins naar ons toe gedraaid slaat hij zijn benen over elkaar en begint een sjekkie te draaien. Wij halen onze lunchpakketjes uit de rugzak en genieten.

merel03

Op het grasveld voor ons zijn twee merels geland. Een mannetje met in zijn kielzog een jong. Het jong heeft alleen maar aandacht voor pa en die heeft alleen maar aandacht voor wat zich in of net onder het gras bevindt. Plotseling begint hij verwoedt in het gras te pikken en trekt iets groots naar boven. Het is geen worm maar wat het wel is kunnen we niet goed zien. Het jong komt dichterbij en met afhangende en trillende vleugels gaat het staan bedelen. Pa pikt en trekt aan zijn vangst en voert kleine stukjes aan zijn jong. “Mooi hè?” zeg ik tegen mijn vrouw. “Ja,” zegt ze, “maar ik eet liever brood.”

“Die heeft het maar makkelijk,” zegt de man naast ons. Het klinkt verongelijkt. Hij heeft blijkbaar ook naar de merel zitten kijken. “Dat lijkt mij niet,” antwoord ik, “als wij daar boven dat gras gaan hangen vinden wij niks.” “Dat bedoel ik niet. Die ouwe vogel hoeft dat jong alleen maar voer te geven en al doende leert dat jong het ook. Hij hoeft verder niets aan een opvoeding te doen. Dat jong wordt een doodgewone merel. Iets anders kan niet. Het is als een merel gekomen en een merel wordt het.”

Ik voel dat deze man meer wil zeggen. Een gedachte als deze vertel je niet zomaar. Wat ik moet vragen of zeggen luistert nauw. Het is als een beginnetje van een rol plakband: als je te hard trekt gaat het kapot. Terwijl ik nog nadenk vraagt mijn vrouw zich hardop af: “Zou een merelouder, net als mensen, ook trots op zijn jong kunnen zijn? Of zich zorgen maken?”

De juiste snaar is geraakt. De man draait zich naar de rivier en met zijn ellebogen op zijn knieën begint hij te praten. “Weet je, ik heb ooit deze tekst geleerd: ‘Alles wat ontstaan is ontkomt niet aan zijn naam. De mens heet mens. Dat is bekend.’ Die merel blijft een gewone merel, een olifant een gewone olifant maar bij ons is het maar afwachten of het een mens wordt zoals een mens bedoeld is.”

Er valt even een stilte. Dan vraagt mijn vrouw, die tussen de zinnen door kan luisteren, zacht: “Wat is er gebeurd?” Hij draait een nieuw sjekkie, steekt hem aan en kijkt zwijgend naar de rivier. Dan vertelt hij: “Ongeveer vijftien jaar geleden ontdekte mijn vrouw bij toeval dat onze dochter aan de drugs was. Ze betrapte haar in haar kamer met een spuit in haar arm. Het bleek dat ze al een jaar of drie daarvoor begonnen was. Eerst een jointje en gaandeweg werd het heftiger, zwaarder en intenser tot uiteindelijk de heroïnespuit haar leven bepaalde. Nou ja, haar leven…., haar dubbelleven.

We hadden het kunnen weten maar zoals zo vaak vallen pas achteraf de puzzelstukjes op hun plaats. Haar eetgewoontes waren veranderd, haar emoties gingen soms van het ene naar het andere uiterste, altijd geld te kort en altijd de hort op. Toch deed ze het op school goed en ze ging na haar studie gewoon werken. Als je niet beter wist kon je het niet aan haar merken.

Marihuana cigarette with two cannabis leafs isolated Keywords: abuse;addict;addiction;cannabis;cigarette;close-up;detail;drug;green;habit;hashish;illegal;isolated;joint;legalize;marijuana;natural;nature;object;plant;smoke;smoking;white;white background;sativa;smoker;thc;weed;addictive

We hebben van alles geprobeerd. Psychologen, psychiaters, hulpverleners in alle soorten en maten, huisarrest, geen geld meer geven, dreigen, schelden, op haar inpraten, afkickklinieken, PAAZ-afdelingen in ziekenhuizen, verzin het en wij hebben het gedaan. Soms met succes dachten wij. Alleen leer je in al die jaren dat succes tijdelijk is. Het gaat even goed en dan kan je weer opnieuw beginnen. Onze wereld was ingestort en langzamerhand kom je er achter dat ook de toekomst niet meer overeind staat. Toch blijf je hopen. Je kunt niet anders. Vijftien jaar lang ben je bezig met een dochter die al lang en breed voor zichzelf zou moeten zorgen. Er waren geleerde heren die ons vertelden dat de verslaving vanzelf zou verdwijnen als ze ouder werd. Nou, mooi niet! Je dochter is een junk en dat blijft zo.

De spanning van je omgeving en je familie komt er ook nog bij. Ik woon in een klein dorp. Een orthodox dorp. Toen het net ontdekt was ben ik met de dominee gaan praten. Volkomen nutteloos. Gemeenplaatsen kreeg ik op mijn bordje. Elk huisje heeft zijn kruisje, we moeten beproevingen doorstaan en veel bidden zou wel eens kunnen helpen. Geen daadwerkelijke steun, geen begrip en geen vermogen om zich in onze situatie te verplaatsen. Ik luisterde niet naar een mens maar naar een pratende Bijbel. Meer niet! Ik ben nooit meer naar de kerk gegaan en had dus van de weeromstuit ook bijna geen sociale contacten meer. Ze veroordelen je niet hoor, maar ze vragen zich wel af of jouw opvoeding niet heel ‘anders’ is geweest. Hun kinderen doen zo iets namelijk niet! Ze laten je alleen en dat voelt ook echt zo. Ik had mensen om mij heen nodig maar ze waren er niet.

Kerkgangers op zondag ochtend lopen naar de ingang van de protestantse st Maartenskerk in Oosterend op Texel voor de gereformeerde dienst. Voor serie over nederlandse identiteit. FOTO: BRAM BUDEL

Vorig jaar is ze naar een kliniek geweest die zo goed moest zijn dat ze nog net geen garantie op een goede afloop gaven. In de tijd dat ze daar was heb ik haar woninkje opgeknapt. Alles in mooie lichte kleuren geschilderd, nieuwe meubeltjes en een mooie vloer. Het zag er piekfijn uit en ze was er ook hartstikke blij mee. En ze was clean. Vrolijk was ze en vol met plannen. We begonnen al ‘zou het dan toch’ te denken maar zoals zo vaak is het weer fout gegaan. Vorige week belde ze ons vanuit het ziekenhuis. Opgenomen met een zware infectie. Waarschijnlijk een vervuilde naald gebruikt. Afgelopen dinsdag vonden de zusters haar in de douche. Gestorven aan een overdosis. Twee zogenaamde neven hadden het spul voor haar meegenomen. Het ziekenhuis kon er ook niets aan doen. Ik begrijp dat wel. Het was haar keuze en al hadden ze het toen kunnen voorkomen, vroeg of laat zou het doek toch wel gevallen zijn. Morgen is de crematie. Dan nog wat afhandelen met de notaris en dan zien we wel. Ik weet nog niet hoe de toekomst zal zijn en hoe die zal voelen.”

Zijn sjekkie heeft zichzelf opgerookt en met twee vingers schiet hij het weg. We kijken hem aan en hij beantwoordt onze blikken. Dan zucht hij diep, slaat zijn ogen neer en zegt: “En dàt bedoel ik nu met kiezen! Een mens kan kiezen. Beesten niet. Die worden wat ze zijn. Soms kan je niet meer kiezen of valt er niets meer te kiezen. De keuzes van onze dochter werden bepaald door haar verslaving. Onze keuzes door haar. Een mens moet mens zijn. Geen slaaf van wie of wat dan ook.” Hij is steeds harder gaan praten en de laatste woorden knallen er uit:  “Vrij moet je zijn! Onafhankelijk! En gelukkig! Godverdòmme!!”

Met grote passen loopt hij over het grasveldje naar het water en blijft daar staan. Mijn vrouw gaat naar hem toe. Ze staat voor hem en slaat dan haar armen om hem heen. Zelfs van een afstand zie je dat zijn lijf, wat strak staat van de kwaadheid, zich ontspant. Hij buigt zijn hoofd en legt een hand op de rug van mijn vrouw. Zo blijven ze staan. Dan maakt hij zich los maar zij houdt zijn handen vast. Ze praat tegen hem en ik zie zijn gebogen hoofd knikken. Een vader die zijn dochter al jaren kwijt was en die haar en zijn strijd voorgoed verloren heeft.

silhouette-man-walking

Ze laat zijn handen los. Hij draait zich om loopt weg. Nog even zwaait hij naar mij. Ik zwaai terug. “Morgen wordt ze gecremeerd en wij zullen er bij zijn,” zegt mijn vrouw als ze weer naast mij op het bankje is gaan zitten, “Dat is wel het minste wat we voor hem kunnen doen.”

© peter gortworst

Foto’s: florafauna.middendelftland.net / http://www.publicdomainpictures.net / vorige.nrc.nl     / thejointblog.com

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 9 reacties

Paard

Nog nooit had zij paard gereden en nu was de mogelijkheid zomaar daar! Toen ze de baas vroeg of zij op het paard mocht, had hij haar even van top tot teen bekeken. Hij vond het goed als ze maar voorzichtig deed. Haar keuze om vanmorgen geen rokje maar een broek aan te doen, pakte onverwacht goed uit. Het moest blijkbaar zo zijn. Dit was een buitenkansje.

horse-head-828261_640Het beest is groter dan ze dacht. Ze kan nooit zo hoog springen maar gelukkig zit het zadel goed vast. Ze hijst zich, met een voet in de stijgbeugel, naar boven. Met moeite schuift ze haar rechterbeen over de rug van het paard naar de andere kant en tot haar eigen verbazing zit ze met haar gezicht de goede kant op. Net als ze constateert dat dit meer geluk dan wijsheid is, komt het beest in beweging en slaat gelijk rechtsaf.

Daar had zij niet op gerekend. Heeft zij iets gedaan of gezegd waardoor dit beest in beweging komt? Haar rechtervoet zit nog niet in de beugel, de teugels heeft zij nog niet goed vast en het enige wat ze kan doen voordat ze achterover valt, is zich met een schok naar voren laten vallen. Het lukt niet helemaal. Ze ligt nu op haar buik maar te veel op de linkerkant van het paard. Haar rechtervoet moet in de beugel. Ze maait met het beugelloze been zoekend heen en weer maar vindt het ijzer niet. Haar vingers klemmen zich om de rand van het zadel. Het kost veel kracht maar het lukt haar om zich weer op te trekken tot zij met haar buik midden op de rug van het paard ligt. De achterkant van het zadel drukt in haar buik. Dat voelt niet prettig. Het doet zelfs een beetje zeer.

stijgbeugel

Als zij recht naar beneden kijkt ziet zij niet alleen de grond onder zich voorbij gaan maar ook de beugel hangen. Het lukt haar om de punt van haar schoen door de opening te steken. Nu hoeft zij alleen nog maar een stukje naar voren te schuiven en overeind te komen. De teugels liggen voor haar op de nek van het paard. Ze laat het zadel los en grijpt naar de teugels. Als ze er aan trekt om naar voren te kunnen schuiven stopt het beest misschien ook wel. Ze trekt. Het paard maakt geen aanstalten om te stoppen en ze schuift maar een klein stukje naar voren. De band van haar broek blijft achter het zadel hangen. Ze kromt de rug naar voren. Met een snelle beweging drukt ze hem rond en trekt tegelijkertijd hard aan de teugels. Het lukt. Ze schiet naar voren, glijd over het gladde zadel en komt tot stilstand op de nek van het paard.

tweedehandszadels480

Veel tijd om na te denken over het resultaat van deze actie heeft ze niet. Ze weet nog net haar armen en benen om de nek te slaan. Dit kan het paard nooit houden, denkt ze. Ik ben te zwaar. Hij zal stoppen en mij, met de kop naar beneden, van zijn nek laten glijden. Wat een afgang!

Het paard stopt niet, laat zijn kop niet zakken en langzaam glijdt ze naar de zijkant van de hals. Er is niets wat deze beweging kan stoppen en nu hangt ze onder de nek en kijkt tegen de hals. Ze probeert haar benen zo om de hals te slaan dat ze haar voeten in elkaar kan laten haken maar de nek is te groot. Ze voelt haar krachten verminderen en ze ziet met schrik de grond vlak onder haar voorbij gaan. Als ze loslaat zal ze onder het grote en zware beest terecht komen. Het lukt niet om haar benen op hun plaats te houden en met een doffe plof raken haar voeten de grond. Eén schoen blijft ergens achter haken en die is ze kwijt. Ze schreeuwt het uit van angst want ook in haar armen vloeit de kracht weg en het is een kwestie van seconden voordat zij helemaal los moet laten.

De baas heeft met stijgende verbazing naar de capriolen van de vrouw op het paard gekeken maar nu vindt hij het welletjes: hier moet een eind aan komen. Hij luidt de bel en zet de draaimolen stil.

© peter gortworst

foto’s: pixabay.com / cvsruitersport.nl / trendsnl.com

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , | 6 reacties

Eierbal

“Jij komt zeker overal?” vraagt de man die het gehakt aan het mengen is. Tot aan zijn ellebogen staat hij in een grote bak te kneden en te knijpen. “Nou nee, niet overal maar wel op erg veel verschillende plaatsen. Waar ze veel eten klaar maken staan dit soort machines dus ga maar na….” Ik geef hem de gelegenheid om even na te denken door mijn hoofd in de vaatwasmachine te steken. De thermostaat is stuk en de voeler verdwijnt altijd naar een plek waar je lastig bij kan komen.

Gehakt-nieuwsbrief

“Dan kom je vast wel eens beroemdheden tegen,” concludeert hij als ik weer aanspreekbaar ben. “Het is maar wat je beroemd noemt. Maxima? Rutte?” vraag ik. Dat blijkt iets te hoog gegrepen. Hij heeft het over BN’ers die je, meer dan je soms lief is, op de buis kan zien. Ik vertel hem dat ik eens, in Hilversum, Krijn Torringa heb ontmoet die niet erg blij met mij was. Ik was iets eerder op het enige parkeerplekje. Hij was boos uit zijn auto gestapt en meende dat ik maar moest vertrekken. Of ik wel wist wie hij was. Dat wist ik wel maar ik zei dat ik hem niet kende, dat het mij ook niet interesseerde en dat mijn auto bleef waar hij was. Het verhaal gaat enigszins de mist in als blijkt dat deze gehaktdraaier geen idee heeft wie Krijn was. De generatiekloof slaat op de vreemdste momenten toe.

“Ken je Bolle Teun? Die komt hier heel vaak. Hij is het nog niet maar het wordt een echte beroemdheid,” Ik beken dat ik nog nooit van Bolle Teun heb gehoord. Het blijkt de plaatselijke zanger van het enige echte levenslied te zijn. Hij wordt ook wel Teun Armstrong genoemd want deze virtuoos zingt niet alleen als Louis Armstrong, nee, hij speelt ook nog trompet en omdat deze muzikant met bolle wangen toetert, lag zijn bijnaam voor het oprapen. “Het is altijd mooi als er een beroemdheid vaste klant is,” meent de ondernemer.

De machine is aan het opwarmen. Het meeste gereedschap zit weer in mijn koffer en met een gekregen kopje koffie in de hand, kijk ik naar de gehaktdraaier. Die gooit net een onwaarschijnlijke hoeveelheid zout bij het gehakt. Hij heeft ook een sjekkie gedraaid en houdt deze tussen zijn lippen geklemd. Met zijn rechterhand (en arm) kneedt hij weer het gehakt. “Wat ga je daar van maken?” vraag ik. “Een gedeelte wordt gehaktballen en van de rest maak ik eierballen. Ken je die?” Ja, ik ken ze en dat doet hem zichtbaar genoegen. “Typisch iets voor het noorden,” zegt hij, “Ik maak ze zelf. Dat zijn de lekkerste. Beter dan die fabrieksrommel. Moet je er één hebben? Kan er zo eentje opwarmen hoor.” Ik bedank vriendelijk. Het zout en de hygiëne in dit etablissement stillen de trek op wonderbaarlijke wijze.

scotch-egg-1-of-1

“We zijn nog op de radio geweest met Bolle Teun.” meldt hij blijmoedig. Dat blijkt qua legitimiteit een discutabel en bovendien een zeer regionaal radiostation geweest te zijn. Bolle Teun mocht daar een lied zingen en op zijn toeter blazen en mijn ondernemer kreeg de gelegenheid te vertellen dat deze kunstenaar vaste klant in zijn eetgelegenheid is. “Ja, ik moet toch aan mijn zaak denken,” zegt hij, “Als je kan meeliften met zo’n man moet je dat natuurlijk doen. Kruiwagens staan niet voor het grijpen dus als er eentje staat moet je er voor gaan.”

De machine is op temperatuur gekomen en na enig testen het apparaat in orde bevonden te hebben, schroef ik de laatste beplating er weer tegenaan. Terwijl ik de bon schrijf vraag ik de man of een foto in de zaak van Bolle Teun die een forse hap uit één van zijn verrukkelijke eierballen neemt, geen goed idee zou zijn. Even trekt er een donkere schaduw over zijn gezicht. “Hij lust mijn eierballen niet. Mijn gehaktballen trouwens ook niet. Hij vindt ze niet te vreten, zegt hij.”

industrieel-antiek-kruiwagen-wheelbarrow-shop-display-b6z

Dat is nu jammer. Heb je een kruiwagen blijkt dat ding een lekke band te hebben.

© peter gortworst / sept 2015

foto’s: http://www.slagers.nl / luifabriek.nl / http://www.antiek-design-vintage.nl 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Llanghorse Lake

50492

Het is vroeg en bijna iedereen slaapt nog. Buiten bedekt een lage, dikke ochtendnevel het land als een geliefde: geduldig, verdraagzaam en alles verhullend. Geluiden klinken van ver en het zicht is wazig.

Bij de aanlegsteiger ga ik op een bankje zitten. Kippenvel op armen en benen en twee kraaien op het einde van de steiger. Veel verder kan ik niet kijken. Over de nevel heen zie ik de bergtoppen aan de overkant van het meer. De eerste zonnestralen verlichten de toppen.

Ik wil wachten. Ik wil meemaken hoe de zon de nevel verdrijft en het meer opnieuw geboren wordt. Ik wil voelen hoe haar stralen mij straks verwarmen.

De nevel is geen compacte grijswitte massa. Het beweegt in golven en wervelingen. Het wordt omhoog gestuwd en verdwijnt in het niets en uit het niets komt het terug om zich, in nieuwe wervelingen, te mengen met andere golven. In absolute stilte is de nevel aan het werk. Het grijze wordt steeds witter.

De rijzende zon laat de schaduwen op de berg dalen. Hoe hoger de zon komt hoe lager en dunner ook de nevel wordt. Wachtend laat ook ik mijn gedachten als wervelingen in het niets verdwijnen en vanuit het niets komen ze terug. Niet als nieuwe zorgen. Die blijven achter in het niets. Vanuit het niets komt tevredenheid en gelukzaligheid terug. Ik hoef er niets voor te doen. Het gaat vanzelf.

llangorse lake

Ik kan steeds verder over het meer kijken. Plotseling doemen uit de nevel twee zwanen op. Zij zwemmen mijn kant op maar als ze mij zien keren ze en argwanend achterom kijkend, verdwijnen ze weer in de mist. De bomen van het kleine eiland in het meer staken de hele tijd al boven de nevel uit. Nu zijn de contouren van het eiland zelf zichtbaar geworden. Rechts van het eiland ligt een bootje met een vissende man. Die heeft daar al die tijd gelegen en ik ben blij dat ik niet hardop in mijzelf praat.

De zon heeft mijn rug bereikt. Langzaam voel ik haar kracht toenemen. Alleen in de schaduw van de bomen hangt wat nevel maar verder kan je het hele meer overzien. Mijn kippenvel is verdwenen, de warme zon voelt weldadig. Ik voel mij herboren, opgelucht en gelukkig en mijn gedachten zijn geordend. Ik weet weer wat klaarheid betekent.

Een weinig spectaculaire belevenis in een vakantie maar de herinnering is mij dierbaar.

© peter gortworst / aug.2015

foto’s: http://www.padamsphoto.comhttp://www.roblloyd.org.uk

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 5 reacties

De beminde

“Ik trek het niet meer,” had Fred hem drie maanden geleden gezegd, “De liefde voor jou is verdwenen. Sorry, maar ik ga bij je weg.” Het had hem geraakt als een mokerslag maar nu moest hij voor zichzelf erkennen dat die mededeling niet echt als een verrassing kwam. Hij was altijd bang geweest dat dit zou gebeuren en toen was het verwachte plotseling gekomen. Was die angst de reden dat hij alle tekenen die het tegendeel bewezen, niet had willen zien? Zijn relatie met Fred was de enige en eerste relatie die hij ooit had. Toen hij Fred leerde kennen was zijn lange en eenzame strijd die hij had moeten voeren om te ontdekken wie en wat hij was, ten einde. Bij Fred leerde hij om van zichzelf te gaan houden. De ontdekking dat hij er mocht zijn was een hartverwarmende openbaring en hij leerde beminnen en bemind worden.

Acht jaar was Fred zijn grote liefde, zijn maatje, zijn wederhelft en zijn soulmate tot het zomaar voorbij was. Dankzij Fred had hij het aangedurfd om naar de toekomst te kijken en was het leven goed. Nu kon hij het doen met een: “Nee, er is geen ander en nee, er over praten heeft geen zin. Ik wil gewoon niet meer!” Hij heeft nog geholpen om de bezittingen van Fred in het gehuurde vrachtwagentje te zetten en zonder afscheidskus is zijn geliefde verdwenen. Hij voelde zich afgedankt en alleen. En nu, na een half jaar voelt hij dat nog steeds.

Drie weken verplichte vakantie. Zonder de afleiding die het dagelijkse werk hem geeft is hij hele dagen aan het piekeren. Om maar iets te doen ruimt hij zijn kledingkast opnieuw in. Onderin vindt hij een overhemd van Fred. Waarschijnlijk van het hangertje gegleden. Hij gaat er mee op bed zitten en ruikt eraan. De geur roept emoties op maar tot zijn eigen verbazing is het alleen maar kwaadheid. Het hemd wordt in stukken gescheurd en als een gek rent hij door het huis. Alles wat hem aan Fred herinnert gooit hij in een vuilniszak en pas als de zak in de vuilcontainer is verdwenen komt hij tot rust. Uitgeput gaat hij op bed liggen en besluit morgen weg te gaan. Een bezoekje aan zijn zus in Rotterdam zou kunnen maar dat vult maar één dag. Sinds de dood van hun ouders heeft hij weinig contact met haar. Bovendien heeft zij, ondanks alle gesprekken die in het verleden gevoerd zijn, moeite met zijn geaardheid. Met de vraag: “Wat is er toch met je gebeurd waardoor jij zo bent geworden?” liet zij blijken slecht te kunnen luisteren of haar vooroordelen niet op te willen geven. Ze zal hem vragen naar Fred en naar het waarom van deze scheiding en daar wil hij het nu niet over hebben.

Lavendelvelden-in-Frankrijk

Hij besluit om naar Frankrijk te gaan. Met een weekendtas vol kleren stapt hij in de auto en rijdt zuidwaarts. Hij gaat op de bonnefooi, neemt wegen die hem mooi lijken, slaapt in kleine hotelletjes en stopt bij elke plek die hem bezienswaardig voorkomt. De tijd is aan hem. Er is niemand die op hem wacht. Hij is alleen en kan doen en laten wat hij wil.

Voor deze kleine stad in het noorden van Frankrijk is de kathedraal monsterlijk groot. ‘Pompeus’ en ‘extravagant’ zijn woorden die hem te binnen schieten als hij op het kleine pleintje voor de kerk staat. De toppen van de beide torens zijn alleen goed te zien als je het hoofd in de nek legt. Een gebouw als dit zou in de vrije ruimte moeten staan en niet worden omgeven door allerlei oude huizen en smalle straatjes. Via een ingang aan de zijkant loopt hij naar binnen en hij weet wat hij vinden zal. Elke katholieke kerk heeft een altaar, kruiswegstaties, een orgel, biechtstoelen en beelden. Hij kent het nog vanuit zijn jeugd en heeft er goede herinneringen aan.

tours01

Hij hoopt echter iets anders te vinden. Dwalend door de grote ruimte zoekt hij naar aanwijzingen dat deze kerk een thuis is geweest voor generaties gelovigen die hier hun ziel en zaligheid in hebben gelegd en misschien ook wel vonden. Op een zijmuur hangt een plaquette waarop staat dat ene monsieur Dubois in de twintiger jaren een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd voor de restauratie van het orgel. Er hangen meer gedenkplaten van goede gevers maar dat zegt hem niets. Hij wordt wel geraakt door een klein koperen gedenkplaatje op een koorbank. Daar staat de naam van een vrouw die 40 jaar lang, als koorlid haar bijdrage aan de liturgie heeft gegeven. Deze beminde gelovige heeft iets gegeven wat groter is dan welke financiële bijdrage dan ook. Zij heeft al die jaren haar energie, haar tijd en haar liefde aan de kerk gegeven en wat hem betreft mag dit plaatje groter zijn dan welke andere gedenkplaat dan ook.

Hij gaat achter in de kerk, vlak bij het beeld van Maria zitten. Aan de voeten van Maria branden een aantal kaarsen. Hij kijkt om zich heen en als hij probeert te ontdekken welke voorstelling op een gebrandschilderd raam boven de zijdeur staat, ziet hij een vrouw door die deur binnen komen. Ze zal zo rond de vijftig zijn, draagt een jurkje met driekwart mouwen en met grote bloemen in onbestemd vaag roze en rood. Haar kapsel vergt weinig tot geen onderhoud en past, net als haar jurk in geen enkel modebeeld. Ze loopt, bijna schichtig maar gehaast op dunne slofjes, langs de muur naar het Mariabeeld. Het muntstuk dat ze in haar hand houdt valt hoorbaar in het busje en dan pakt ze een kaars. Ze vouwt haar handen om de kaars, buigt haar hoofd en beweegt haar lippen. Na een tijdje kijkt ze op naar het beeld en weer bewegen haar lippen. Dan slaat ze een kruis en steek de kaars aan. Ze zet hem nauwkeurig recht in een van de houders. Met een zichtbare diepe zucht kijkt ze naar het beeld en vist een wit zakdoekje onder een bh-bandje vandaan. Ze wrijft haar ogen droog, slaat weer een kruisje en net zo schichtig en gehaast als ze gekomen is, gaat ze weer.

Langzaam beseft hij getuige te zijn geweest van iets heel moois. In zijn ogen was die vrouw in een zonnestraal gevangen. Alle pracht en praal van deze ruimte viel door die vrouw in het niet. In deze kathedraal waar alles rijkdom en macht van de kerk ademt, waar kerkleiders de dienst uitmaken en waar schijnbaar ongestraft de meest elementaire rechten geschonden kunnen worden, laat deze vrouw hem zien waar het ten diepste om gaat. Dit is de kerk van haar voorouders. Haar kinderen zijn hier waarschijnlijk gedoopt, hier is zij getrouwd en vanuit deze kerk zal zij begraven worden. Net als al de dierbaren voor en na haar. Dit mag dan gewijde grond zijn, het is ook háár grond. In deze grond is zij geworteld en gegroeid. En in deze ruimte, op deze grond, ontmoeten twee vrouwen elkaar: zij en Maria. Dat wat haar beweegt, wat haar verdriet doet, waar ze zich zorgen over maakt deelt ze met een vrouw uit een ver verleden. Maar hier weet zij dat ze er mag zijn, hier wordt naar haar geluisterd want hier is zij gekend, dit is haar thuis en hier is er Eén waar zij onvoorwaardelijk in gelooft en ze weet dat die Ene haar bemint. Heeft een mens meer nodig dan te weten een beminde te zijn?

kaarsjes

Hij staart voor zich uit. Dan staat hij op en loopt langzaam naar het Mariabeeld. Hij kijkt naar de brandende kaarsen en het duurt even voordat hij omhoog kan kijken. Alles in hem twijfelt, aarzelt en spreekt tegen maar een diep verlangen overstemt dat. Hij vist een muntstuk uit zijn broekzak en gebruikt de kaars van de vrouw om zijn kaars aan te steken. Het kruisje slaan is nog niet verleerd en hij verlaat de kerk zonder nog om zich heen te kijken. Buiten schijnt uitbundig de zon en hij voelt direct de warmte. Natuurlijk voelt hij dat want ook hij is een beminde.

© peter gortworst / mrt. 2013

foto’s: http://www.wiki-vakantie.nl / http://www.frankrijkkenners.nl / http://www.gelderlander.nl

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Schipper naast ….

Alles is grijs en donker. De lucht, de hoge golven en de door de storm striemende regen is één naargeestig palet van grijstinten. Het uitzicht wat ik heb als de boot even op de top van een golf balanceert, belooft niet veel goeds. Daar waar de haven moet zijn, brandt het licht van de vuurtoren en soms kan ik even het rode en groene licht van de havenhoofden zien. Ik lig op koers maar de verraderlijke stroming, de wind en de golven maken het mij niet makkelijk. De rechterhand beroert voortdurend de gashandel om te voorkomen dat de motor doldraait als de schroef uit het water komt en dat zijn ook de momenten dat ik mij realiseer een speelbal van die golven te zijn. Het armetierige ruitenwissertje kan al het water van de zee en de regen amper aan.

SchipStorm2

De boot is te klein voor deze omstandigheden. Ik had hier helemaal niet moeten zijn. Niet voor de Atlantische kust van Ierland en al helemaal niet met die twee vrouwen en die vier kinderen in de kajuit. Geen idee wie het zijn en waarom ze daar in de kajuit zitten. Goddank heb ik nog niemand gehoord over zeeziekte. Ik heb mijzelf met een riem vastgebonden aan de stuurstoel maar hoe het hun daar beneden vergaat weet ik niet. Ze zullen wel als losse bagage heen en weer geslingerd worden in deze stampende en rollende schuit.

Weer kan ik op de top van een golf naar de haven kijken. Waar het wit is breken de golven op de pieren van de haven. Met donderend geweld lopen de golven zich stuk, spatten huizenhoog uit elkaar en ontnemen mij het zicht op de lichten die ik zo dringend nodig heb.

Dan gaat de deur van de kajuit open en één van de vrouwen, die met de donkerrode hoofddoek, komt naar buiten. In haar hand heeft zij een kom met een dikke brij. Is dat pap? Hoe komt zij in ‘s hemelsnaam aan die pap en wat moet ik daarmee? Ze houdt zich met haar vrije hand vast aan alles wat voorhanden is, glimlacht allerliefst naar mij en zet de kom op het instrumentenpaneel. “Weg!!” brul ik tegen haar. “Naar beneden! Ben je helemaal gek!” Ze schrik zichtbaar van mij, grijpt mis naar de leuning van het trapje en geholpen door het rollende schip tuimelt ze tegen de rechterkant van de stuurhut. Razendsnel gesp ik mijn riem los, zet de gashandel terug en haast mij naar haar toe. Als ik haar overeind wil helpen komt er een man uit de kajuit die haar naar beneden trekt. Op hetzelfde moment slaat een golf de zijruit van de stuurhut kapot. De storm staat vol op het gapende gat en giert door de stuurhut. Het deurtje van de kajuit slaat met een klap open. Een bruine labrador staat onder aan het trapje naar mij te blaffen. Het wordt mij teveel. Waar komen die man en die hond plotseling vandaan en we liggen dus dwars op de golven. Ik grijp het roer en geef vol gas. Eerst de boot op koers. Nu omslaan is niet denkbeeldig. Voor je het weet drijven we ondersteboven. De motor gromt en met moeite krijg ik de boot met de kop in de golven maar met elke golf die overkomt, stroomt er meer water de boot in. Het loopt vanuit de stuurhut de kajuit in en daar worden ze, wie het dan ook maar mogen zijn, knap onrustig van.

havenhoofd

Op de top van de volgende golf zie ik dat we lelijk uit de koers zijn geraakt. Ik zal een heel stuk naar links moeten varen om weer voor de haveningang te komen. Dan gaat er een alarm af. Waar is dat van?  Ik kijk op mijn instrumentenpaneel maar zie niets ongewoons. Het geluid komt ergens anders vandaan. Fijn om in dit soort omstandigheden op een schuit te zitten die je niet kent. Mijn God! Het zal toch niet uit de motorruimte komen!? Zonder motor en met een langzaam vollopend schip zijn we reddeloos verloren! Ik glij van mijn stoel en ga plat op mijn buik liggen om het motorluik te openen. Dan kruipt er iemand kreunend over mij heen en het alarm stopt.

“Je wekker ging af,” zegt een vrouwenstem naast mij, “Moet je er niet uit?”

© peter gortworst / sept. 2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Vieze man

“Hij staat er weer,” zegt de oude vrouw tegen haar man.
“Is dat zo?” vraagt hij en moeizaam klimt hij uit zijn luie stoel. “Dat is dan al de tweede keer deze week.”
Ze kijken samen uit het raam naar beneden. In het steegje, waardoor de kleine schuurtjes die achter de benedenwoningen staan bereikbaar zijn, staat een man. Net als de vorige keren achter de struiken die het steegje scheiden van het schoolplein. Met zijn hand houdt hij voorzichtig wat takken opzij en met gebogen rug gluurt hij door de kleine opening. Het is speelkwartier en een kleine tachtig kinderen doen waarvoor het speelkwartier bedoelt is. Schijnbaar doelloos rondrennen, zitten, kletsen, spelletjes en rondhangen. De jongens bij de jongens en de meisjes bij de meisjes. Als er wat kinderen dichtbij komen laat hij de takken los en gaat op zijn hurken zitten.

schoolplein

“Waarom zou hij daar nu staan?” vraagt zij.
“Tja, hoe moet ik dat weten. Misschien vindt hij het leuk om naar spelende kinderen te kijken.”
Ze is even stil en staart met haar man naar die vreemdeling daar beneden. Dan schiet een verontrustende gedachte haar te binnen:
“Maar dat hoeft toch niet zo stiekem?  Och heden, het zal toch niet zo’n peto…. zo’n uh, uh, kinderlokker zijn?”
“Pedofiel bedoel je,” verbetert hij haar brommend, “Ja, dat zou zomaar kunnen.”
“Maar moeten we dat niet melden dan?”
Hij aarzelt even maar zijn burgerplicht wint het van het gedoe wat dit ongetwijfeld oplevert.
“Ja, dat is beter van wel. Wacht, ik pak even pen en papier. Als jij zegt hoe hij er uit ziet schrijf ik het op. Dat is toch het eerste waar ze naar vragen.”
Langzaam noteert hij de gegevens die zij opnoemt: kale kruin, grijs haar, zwart glimmend jasje, spijkerbroek. Over de leeftijd zijn ze het niet helemaal eens. Zij denkt 55 en hij 65 zodat ongeveer 60 ze wel een mooi compromis lijkt.

“Ze sturen zo een mannetje,” zegt hij als de hoorn van het toestel weer op zijn plaats ligt. Een lichte ongerustheid maakt zich van haar meester. Met gepaste haast brengt ze twee gebruikte koffiekopjes naar de keuken en met een stofdoek loopt ze de kamer rond om het voor niemand zichtbare stof te verwijderen. Ontzag voor de dienaren der wet uit zich soms op vreemde wijze.

Theo Draaisma is heel druk met bestuderen van het nieuwe dienstrooster en net als hij tot de ontdekking komt dat er binnen afzienbare tijd geen mogelijkheid is om een lang weekend met zijn vrouw te gaan varen, schuift de telefoniste hem een briefje onder de neus.
“Twee oude mensen die regelmatig een man vanuit de bosjes naar een schoolplein zien kijken. Ik heb gezegd dat jij zo wel even langs komt. Waarschijnlijk praten ze makkelijker tegen een politieman in burger en op leeftijd”
Ze kijkt hem met een glimlach aan en Theo weet niet goed hoe hij die laatste opmerking moet waarderen. Niet reageren is in dit soort gevallen het beste. Hij schuift het rooster in zijn bureaulade en gaat op weg.

“Wat doet de man als hij daar staat?” vraagt Theo als hij bij de twee melders zit.
“Nou, niets …… hij staat daar alleen maar te kijken,” zegt de vrouw.
“Doet hij iets met zijn handen? Maakt hij daar bepaalde bewegingen mee?” wil Theo weten.
De man schiet overeind.
“Ha! Je bedoelt dat hij zich af staat te trekken? Nee hoor, niks van dat al en zijn broek hangt ook niet op zijn knieën!”
Theo kijkt even naar de vrouw. Die heeft haar hand voor haar mond geslagen en kijkt geschokt naar haar man.
“Hendrik toch…..” zegt ze zacht.
“Geeft niet, mevrouw, het is precies wat ik bedoelde en zo wordt het wel duidelijk toch?” Theo noteert alles wat hem belangwekkend voorkomt en spreekt met het echtpaar af dat ze bellen zodra de man er weer staat. Hij belooft dat er dan een wagen komt om de man op te halen.

politieauto

Twee dagen later is het al raak. De man is op heterdaad betrapt bij het kijken naar de spelende kinderen op het schoolplein en zit nu in een kamertje van het politiebureau. Theo gaat tegenover hem zitten.
“Weet u waarom u hier bent?”
De man schudt een beetje zijn hoofd, kijkt Theo aan en zegt dan zacht:
“De agenten in de auto zeiden dat ik een vies mannetje ben die naar kleine kinderen gluurt maar dat ben ik niet.”
Theo zucht. Op zijn blocnote schrijft hij KLOOTZAK 2x om niet te vergeten straks die dienders op het matje te roepen.

“Ik ga er nog niet van uit dat u dat bent,” zegt Theo, “Maar dan wil ik wel heel graag horen wat u daar doet of waarom u daar staat.”
De man aarzelt en Theo ziet dat hij wel wil maar even niet kan. Hij wacht geduldig en dan zegt de man zacht:
“Dat komt door mijn schoondochter…..mijn ex schoondochter……ze is gescheiden van mijn zoon en nu mag ik de kinderen niet meer zien. Ze hebben vreselijke ruzie met elkaar….en ik wil ze zo graag nog zien…..”
Er valt weer een stilte. De man bedenkt plotseling iets en Theo ziet hem schrikken.
“Wordt dit bekent? Gaat mijn schoondochter dit te weten komen?” vraagt hij.
“Nee,” zegt Theo, “Dit blijft onder ons. Hoe goed was u met uw kleinkinderen en hoeveel zijn het er?”
“Twee,” zegt de man, “Twee meisjes en ze zitten samen op die school. Ik ben gek met ze en zij zijn….. waren… gek met mij. Ze maakten altijd mooie tekeningen voor opa en ik heb ze nog allemaal. Ik deed heel veel met die meiden. Voorlezen, samen tekeningen maken, liedjes van vroeger zingen, gekkigheid uithalen en zogenaamd stiekem geld in hun spaarpot doen….. dat is nu allemaal weg. Ik mis ze heel erg en daarom wil ik ze gewoon af en toe zien…..”
Theo kijkt naar de man en voelt een diep medelijden opkomen.
“En uw vrouw…..?”
“Die heb ik niet meer. Ik ben al jaren alleen.”

Altijd-koffie-koffiebeker

Theo vraagt of hij hem blij kan maken met een kop koffie. Als hij naar de automaat loopt voelt hij een machteloosheid opkomen die niet te verbergen is. De prullenbak bij de automaat is de pineut. Met een geweldige schop en een knetterende vloek helpt Theo het ding naar de vervanging en terwijl de automaat de twee bekers koffie zet krijgt hij een geweldig idee.

In zijn eigen auto zet Theo de man thuis af en drukt hem nogmaals op het hart om niet in het steegje te gaan staan.
“U krijgt of van mij, of van iemand anders nog bericht. Wacht het maar even af.”
Hij geeft de man een hand en rijdt naar de oude mensen die de melding hebben gedaan. Daar doet hij het hele verhaal en gelukkig zijn deze twee oude mensen net zo ontdaan en begaan als hij.
“’t Is toch godgeklaagd! Nou, zo lang er nog niets geregeld is kan hij hier wel komen hoor,” zegt de vrouw, “Vanuit hier kan hij het hele schoolplein zien.”
“En ik heb ook nog wel wat voor hem,” zegt de man.
Hij klimt uit zijn luie stoel en loopt naar een kast.
“Kijk!” zegt hij, “Een mooie verrekijker!”

oude verrekijker

© peter gortworst / sept. 2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

De toekomst van Lidia

Het begon eigenlijk met Mark. Een levenslustige, jonge knul die van het leven geen probleem maakt. Gezegend met een goed stel hersens maar een chaoot eerste klas. Misschien daarom wel een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Neem nu bijvoorbeeld zijn baan als suppoost bij het museum. Hij was gescreend, getest, had zich een ongeluk geleerd over wat er aan kunst in ‘zijn’ museum aanwezig was en trots als een pauw aan zijn eerste dag begonnen. Na drie dagen actieve dienst, op staande voet ontslagen. Een museumbezoeker was door Mark quasi-streng vermaand om van de stukken af te blijven toen deze zijn arm over de schouder van zijn eigen vrouw legde. Zijn humor werd niet gewaardeerd. Als hij zelf slachtoffer is van een grap is, kan hij daar echter moeilijk mee omgaan. Zijn baantje als verkoper in een ijzerwarenhuis was, wat hem betrof, ten einde toen hij er achter kwam dat ze hem als practical joke een halve dag naar laagwaterspijkers hadden laten zoeken. Zonder één woord te zeggen verliet hij de zaak om nooit meer terug te komen.

11347-397-2911131403-spijkersoplaagwaterzoeken

Vaak zie je dat deze dartele figuren uiteindelijk iets gaan doen wat je niet verwacht. Je hoopt natuurlijk op iets moois maar met Mark weet ik het nog niet. De kans dat het de criminele kant op gaat is vrij groot. Ik heb nog geen verklaring voor het feit dat hij niet werkt en wel een snelle auto van een duur Duits merk bezit. Eigenlijk zou ik mij wat meer met hem bezig moeten houden maar hij sneeuwt een beetje onder. Dat komt door Lidia. Hoe zij en Mark elkaar hebben leren kennen weet ik nog niet. Ze is iets ouder dan Mark en als je haar zo ziet lopen dan is het een echt meisje. Reebruine ogen, donkerblond en een goddelijk figuur. Maar dat is de buitenkant. Als je haar wat beter kent, blijkt het een hartstikke stoere meid te zijn. Geboren in een klein gehucht in de Achterhoek, oudste dochter van een trotse varkensboer, niet te beroerd om daar de handen stevig uit de mouwen te steken en maar één doel voor ogen: kinderarts worden.

Nu kan je van alles verzinnen over een meisje uit de provincie die in de grote stad gaat wonen. Een leven wat ze niet kent, een mentaliteit die zo anders is dan wat ze gewoon is, alleen op een kamertje bij een hospita die haar op beklemmende wijze maar met goede bedoelingen, bemoedert. Ze stort zich op haar studie maar er valt veel meer te leren. Student zijn bijvoorbeeld, volwassen worden, nieuwe vrienden, vriendinnen en het leven in de grote stad leren kennen, de bijbaantjes, de feestjes, de verleidingen, de losse scharrels en de band met thuis. Allemaal dingen die een plaats moeten krijgen en waar je mee om moet leren gaan. Maar Lidia speelt het allemaal klaar. Het kleine kamertje wordt een flat die ze bewoond met twee andere meiden. De wekelijkse reis naar de Achterhoek wordt nu maandelijks gemaakt en als ze op de fiets door de stad vliegt doet ze dat als elke geboren stedeling: nonchalant en brutaal. En misschien heeft ze tijdens haar bijbaantje als serveerster, Mark wel leren kennen.

terras578

Zou ze wat naïef kunnen zijn als het om de liefde gaat? Of is zij één van de velen die als een kordaat en standvastig mens te boek staan maar in een hulpeloze stoethaspel verandert als het om de liefde gaat? Ik vind de match tussen haar en Mark eigenlijk geen goede. Ze lijkt wel ziende blind of zou het de liefde zijn die blind maakt? Ze zou zich toch moeten afvragen hoe hij aan zijn geld komt zonder duidelijke inkomstenbron of bluft hij haar af als het onderwerp ter sprake komt? Past een chaoot eerste klas wel bij een jonge vrouw die een duidelijk doel voor ogen en een gestructureerd leven heeft? Het zal mij niet verbazen als het, binnen niet al te lange tijd, vreselijk mis gaat tussen die twee.

Het rare is dat Lidia mij langzamerhand meer interesseert dan Mark en dat is volkomen terecht. Sterker nog: het moet. Ik zou graag willen dat het haar goed gaat, dat ze een deskundige en lieve kinderarts wordt die zich gesteund weet door een goed team van collega’s en een thuis heeft bij een vent die haar op handen draagt. Mark is daar niet geschikt voor maar Arnold bijvoorbeeld wel. Een aardige knul die er ook nog eens goed uitziet. Jaargenoot van Lidia, bescheiden, rustig, kundig en uitermate geschikt om samen met haar AIO in het ziekenhuis te worden. Dat biedt weer mogelijkheden maar waar en hoe introduceer ik hem in het verhaal?

typemachine

Het valt verdorie nog niet mee om een simpel doktersromannetje te schrijven.

© peter gortworst / feb.15

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Mijn liefste.

Ik heb er maar een krukje bij gepakt. Het wordt al licht en als ik naast je ga zitten kan ik je goed zien. Je hebt je ogen dicht. Die mooie ogen die naar mij kunnen kijken met lichtjes van verliefdheid. Goddank kunnen ze dat na al die jaren nog steeds. Twee weken terug, toen we na dat sneeuwballengevecht in het park op een bankje ploften en we met sneeuw in onze haren en een rode blos op de wangen elkaar aankeken, zag ik die lichtjes nog. Elke keer dat je mij zo aankijkt, smelt ik en voel ik mij diep gelukkig.

De eerste keer dat wij het met elkaar deden, vielen juist die lichtjes in jouw ogen mij op. Alles was anders, alles voelde anders, jij was anders. Jij lachte, maakte grapjes en dat was nieuw voor mij. Vrijen was voor mij een serieuze zaak. Het had te maken met presteren, je best doen, alles volgens het boekje. Voor jou was vrijen echt een feest en op een feest moet je van het begin tot het eind genieten. Je weet dat ik het moest leren en ik héb het geleerd. We kennen elkaar nu van binnen en van buiten. We spreken zonder woorden, voelen en vullen elkaar aan en kennen elke vierkante millimeter van onze lichamen en we weten wat we daar mee kunnen doen.

Bonbon0

We zijn ook zo gek als een deur. Kan jij je nog herinneren dat we een paar jaar terug in Antwerpen waren en dat we zo’n hele dure zaak inliepen waar ze bonbons verkochten? We hebben er twee uitgezocht en ze hoefde ze niet in te pakken, omdat we ze als een kroket uit de muur ter plekke opaten. Als ik nog aan het gezicht van die verkoopster denk…. Is er wel eens een dag voorbij gegaan dat we niet gelachen hebben?

Weet je wat ik ook zo mooi van je vind? Dat donkere moedervlekje op je linkerwang. Hoe vaak heb je daar die twee donkere haren niet uitgetrokken? Misschien wel net zo vaak als ik mij verbaasde over het feit dàt je ze eruit trok. Jij bent niet iemand van luchtjes, deodorant of gel in je haar. Puur natuur en geen toestanden aan je lijf en toch die twee haartjes die je er met een pincet uit trok. Dat je steeds grijzer wordt, kan je ook niets schelen en ik moet eerlijk toegeven dat het je goed staat. Je wordt mooi grijs.

Je hebt je mond een beetje open. Die zachte lippen die zo heerlijk kunnen zoenen en die je op elkaar knijpt tot een smalle streep als je echt boos bent. Weet je wel dat ik, toen wij elkaar nog niet zo lang kenden, wel eens bang was. Niet voor mijzelf. Jij zult mij geen haar krenken, maar jij kunt, als je echt boos bent, zo verschrikkelijk fanatiek zijn. Zoals laatst in de supermarkt. Jij wist zeker dat je met twintig euro had betaald en je kreeg maar voor tien euro terug. Je hebt vast wel gemerkt dat ik, toen je eiste dat ze de kas op gingen maken, even op een afstandje ben gaan staan. Het meisje achter de kassa was blij dat jij ongelijk had en royaal je verontschuldigingen aanbood. Zo ben je ook wel weer.

SONY DSC

Als je zo ligt zie ik het kuiltje in je keel. Daarin past een flinke slok bubbeltjeswijn. In je navel maar een klein beetje. Raar dat ik daar nu aan denk maar naast dat we gek zijn op elkaar doen we ook vaak zo heerlijk idioot. Mooi is dat. Je weet wanneer het menens is en wanneer je de puberale zorgenloosheid de boventoon kan laten voeren. Het tobberige van mij tegenover het laconieke van jou. Een perfecte match.

Wacht, ik leg je hand even zo dat ik hem goed kan zien. Je hebt mooie lange vingers. Pianohanden noemde mijn moeder ze altijd. Dat gaat voor jou niet op. Je hebt niets met muziek. Je kunt nog geen noot lezen en je zingt als een kraai, maar je handen zijn onbeschrijflijk mooi. De rimpeltjes horen er helemaal bij en de aders op de rug zijn blauwe bergbeekjes. Ze zijn sterk en soepel en je kunt er zo zalig mee kriebelen. Het valt mij nu pas op dat de trouwring aardig is versleten. Het motiefje is er nog wel maar het toont niet meer zo strak. Ik weet nog dat ik hem in het stadhuis voor de eerste keer om je vinger moest schuiven. Jouw handen waren een beetje dik geworden door de warmte en de stress en ik had ook de bibbers.  Het lukte niet echt maar gelukkig hadden we dat allebei.

Gouden Trouwringen met Diamant

Ik kan mij niet herinneren dat je hem ooit hebt afgedaan. O, ik heb de mijne wel eens van mijn vinger willen trekken en naar je kop willen gooien als we vreselijk ruzie hadden. Gelukkig heb ik dat nooit gedaan want voor je het weet is hij zoek en dan is de boot helemaal aan. Dat kunnen we trouwens wel goed hè? Ruzie maken. Weet je nog dat we in het begin veel vaker ruzie hadden dan de laatste jaren? Twee koppige koppen tegenover elkaar, dat ging wel eens hard tegen hard. Toch zijn we er altijd weer uitgekomen. Gelukkig wel want wat moet ik zonder jou?

Geef je hand eens, dan houd ik hem tegen mijn wang. Het voelt koud. Dat gaat sneller dan ik dacht. Toch wil ik nog van je genieten. Straks komt de begrafenisondernemer en die neemt je mee. Als ik je dan weerzie ben je niet meer degene die nu hier in ons bed ligt. Nu ben je nog mijn liefste. Straks lig je geschminkt in een kist en ben je echt dood. Nu kan ik je nog vasthouden, je strelen en van je genieten. Nu ben je nog bij mij. Nog wel…..

© peter gortworst

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Elgar’s zalving

Niet alleen de lange busreis naar het voormalige Oost Duitsland had haar tol van enkele koorleden geëist. De regelmatige plas- en rookpauzes waren zeer welkom geweest maar hadden ook de keelproblemen van Erik en Klaas veroorzaakt. Plotselinge overgangen van een benauwde, warme bus naar de vrieskou daarbuiten vergen nu eenmaal een sterk lijf of een goede sjaal.

mühlhausen

Ze hadden elkaar bij het wakker worden, horen kuchen en gehoopt dat warme koffie en Duitse broodjes hun problemen zouden verhelpen. De kelen bleven gevoelig en zwijgend zijn deze twee bassen nu op weg van hun gastadres naar de repetitie. Vanmorgen en vanmiddag oefenen, vanavond het concert en morgenochtend de cantate. Hoe gaat hun stem dat houden? Op halve kracht de generale zingen kan natuurlijk niet. Een slechte generale geeft weliswaar een prima uitvoering maar daar moet je het niet op aan laten komen en zeker niet uitlokken.

“Kruidenbitter”, zegt Klaas plotseling. “Helpt dat?” wil Erik weten. “Als een tierelier. Ik was in één nacht van een griep af waar ik al weken mee liep.” “Doen we samen één fles?” vraagt de altijd wat zuinige Erik. “Nee joh, we moeten die kleine flesjes hebben. Zit net een slok in. Helemaal leeg gieten in je mond en dan langzaam doorslikken. Je ogen knijp je dan vanzelf dicht, je kop wankelt even op je nek, je schouders zitten naast je oren en je krijgt een rilling tot in je hakken. Dan doe je het goed. Kom, even kijken waar dat te krijgen is.”

product-bottle-underberg

Met ieder een flesje in de broekzak staan ze naast elkaar. Het orgel, waar ooit Bach op speelde, zet het ‘Ave verum’ van Elgar in. Als de sopranen in maat 19 beginnen met ‘Cujus latus perforatum’ kijken ze elkaar aan. “Nu!” knikt Klaas en de flesjes worden uit de zak gehaald. Het bruine papiertje scheuren ze er af, het kleine dopje draaien ze los en gelijktijdig gieten ze, met het hoofd in de nek, de flesjes leeg. Ze slikken langzaam, knijpen de ogen vanzelf dicht, koppen wankelen even op nekken, schouders zitten naast oren en rillingen trekken tot in de hakken. Ze doen het goed.

Als een koor in een halve kring staat blijft een dergelijke inname niet onopgemerkt. ‘Esto nobis…’ zingen de sopranen zo vals en uit de maat dat de dirigent verstoord kijkt waar iedereen op dat moment naar kijkt: twee bassen met het flesje in de hand, bijkomend van de rilling die tot in de hakken ging. Hij slaat niet af maar laat doorzingen.

EdwardElgar

“En, heren, wat was dat?” wil hij daarna weten. “Drankje….”stamelt Erik. “Medicijn!” verbetert Klaas, “Voor de keel,” en wijst ten overvloede op het gekwelde lichaamsdeel. “Mannen van in de vijftig die zich gedragen als kwajongens die een nachtje van huis zijn,” zegt de dirigent en kijkend op zijn horloge: “Nog geen half tien en al aan de drank. Ik had jullie wijzer gedacht. Daar is het laatste woord nog niet over gesproken!” “Maar die kunnen we nu wel heel mooi zingen,” meent Klaas met een zojuist gezalfde stem en daar is geen woord van gelogen.

© peter gortworst / sept.2015

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie