Kamerdebat

Laat ik maar met de deur in huis vallen. Een Kamerdebat over de gebeurtenissen in Brussel, de uitwijzing door Turkije van iemand die later een terrorist blijkt te zijn en afspraken over uitgezette mensen door Turkije ontaard wederom in miereneukerij en ‘stel dat’ en ‘wat als’ onzin.

Ik zou, alleen al door een schijnbaar gebrekkig geheugen, volkomen ongeschikt zijn als minister. Soms weet ik absoluut niet meer wat ik gisteren gedaan heb en als u mij zou vragen wat ik twee maanden geleden, in een gesprekje met een klant hoorde over wat zij die dag voor maaltijd klaar zouden gaan maken, moet ik u het antwoord door een verstandverbijsterende geheugenstoornis schuldig blijven.

Een minister moet dat blijkbaar allemaal wel weten en hoe makkelijk is het om daar dan onvolkomenheden in te ontdekken.

Met ‘wat als’ redeneringen kan je ook zo makkelijk scoren. Als je het een beetje handig kan vertellen waren er helemaal geen aanslagen in Brussel geweest. Als de minister maar dit had gedaan, als er maar een telefoongesprekje was gevoerd, als iemand maar even in die mailbox had gekeken dan…. Achteraf kijk je een koe in de kont luidt het gezegde en dat is maar al te waar.

Nu wordt van der Steur aangevallen op het feit dat al geruime tijd voor dit alles speelde, er geen afspraken met de Turken waren over het melden van uitgezette vreemdelingen. Er was staande praktijk maar er stond niets op papier. De Kamer wist dit en verwijt nu de minister dat er dus nog steeds geen afspraken op papier staan. Had de Kamer zelf niet tussendoor even kunnen informeren of er al een beetje schot zat in het maken van die afspraken?

Is het misschien een beetje naïef van mij om te denken dat de conclusie van de Kamer zou moeten zijn dat niet alles gegaan is zoals het wenselijk was maar dat ze nu vooral bezig zouden moeten zijn om het beter te gaan doen? Ik weet best dat de Kamer de regering controleert maar met de belangen die nu gediend moeten worden zou de Kamer zich toch wat constructiever op kunnen stellen? Ik koop als burger niet veel voor gelijkhebberij, partijpolitieke spelletjes of belangen. Ik wil dat mensen die aan de knoppen kunnen draaien dat ook werkelijk doen. Wat heb ik er aan als het Haagse aquarium er schoon en helder uitziet maar al het Nederlandse binnenwater een troebel zooitje is?

Geachte volksvertegenwoordigers, de belangen zijn groot. Doe mij een plezier, denk en doe dan ook groot(s).

 

© peter gortworst / mrt 2016

P.S. Is de gelijkenis tussen van der Steur en één van de Muppets u ook opgevallen?

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

ouwe mannen en ouwehoeren

Als ik het mij goed herinner begint het met een aanbod van Gerrit om de plastic beker van Jurgen nog een keer met fris, sprankelend water te vullen. Het was zwaar en zweettrekkend werk geweest en de vochtbalans moet natuurlijk in balans blijven. Maar Jurgen heeft genoeg gehad en ongevraagd deelt hij mee dat hij al zo veel water naar binnen geslokt heeft dat het vocht er ongebruikt weer uit zal komen.

Blijkbaar is deze opmerking voor de drie heren van 65+ de geheime code om hun wel en wee betreffende drinken en plassen met elkaar te delen. Binnen de kortste keren doen bekentenissen over het aantal keren dat ’s nachts de wc bezocht moet worden, de ronde. Die nachtelijke uitstapjes zijn natuurlijk uitermate vervelend maar het daarna niet meer in slaap kunnen komen is nog veel slimmer. Wakker blijven liggen en ten langen leste wéér moeten, overtreft menige nachtmerrie. Na het avondeten niet meer drinken is een oplossing maar tijdens een feestje of bij een avond met gezellig bezoek, is dat een schier onmogelijke opgave. Met gemengde gevoelens kruipt men dan ’s avonds in bed.

De prostaat blijkt ook een dankbaar gespreksonderwerp. Mattias meent dat hij, vanwege zijn enorme buik, wel plaats heeft voor 10 prostaten en hij begrijpt daarom niet waarom zijn bezoeken aan het, voor hem te kleine kamertje, steeds langer gaan duren. Gerrit heeft een keer, op aanraden van zijn vrouw, homeopathische pilletjes geslikt. Op dringend verzoek van zijn vrouw is hij daarmee ook weer gestopt. De bijwerking was zo’n overmatige ontwikkeling van gassen dat hij een riant inkomen kon genereren als hij in Slochteren op het net aangesloten zou worden.

Dan komt natuurlijk, onder heimelijk gegrinnik en met enigszins rode koppen, het door een arts laten onderzoeken van de prostaat aan de orde. Ik zal u de details besparen. Het moet wel netjes blijven.

 

Ik sta erbij en hoor het met verbazing aan. Dat drie ouwe kerels zo kunnen ouwehoeren. Plotseling valt het de drie op dat ik nog geen enkele bijdrage aan de conversatie heb geleverd. Verwachtingsvol kijken ze mij aan en met een mengeling van trots en sorry-jongens-gevoel deel ik mee dat ik ’s avonds in bed kruip, mijn ogen dicht doe en gewoon in slaap val om ’s morgens gewekt te worden door de wekker. Ik weet niet hoe ik hun gemompel moet beoordelen maar in een poging tot troost en er ook een beetje bij willen horen, deel ik mee dat ik, na zo’n lange nacht met alleen maar slaap, dan wel heel erg nodig moet…….

©peter gortworst / mrt 2016

foto: http://www.kadokoopjes.nl 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Een mooie lentedag

 Vandaag gaat het gebeuren dus zijn ze er allemaal. Henk op zijn oude Fongers was er als eerste. Jaap en Walter kwamen even later samen aanfietsen en toen ook Bas en Ronald gearriveerd waren, was het hele spul weer compleet. “Ik heb de voorman gesproken”, zei Henk, “het blijft zeker twee dagen droog dus vandaag gaat het gebeuren”. De voorjaarszon scheen in een kolossale bouwput waar de afgelopen weken graafmachines, heimachines, een kraan, bouwvakkers en betonvlechters druk aan het werk waren geweest. Vandaag wordt de eerste vloer, de keldervloer, gestort van wat straks het nieuwe stadhuis moet worden.

Als het weer het even toelaat zijn Henk, Jaap, Walter, Bas en Ronald van de partij. Voor rechtgeaarde AOW’ers zonder verdere verplichtingen is dit een uitgelezen kans om elkaar te spreken en anderen te zien werken. In hun werkzame leven waren ze collega’s in de deurenfabriek. Toen ging de één na de ander met pensioen. Henk als eerste en Bas als laatste. Toen deze jongeling zich de eerste dag bij zijn collega’s voegde zei hij: “Zo jongens, nu kom ik ook een dwarse streep kweken”. “Wat bedoel je?” vroegen ze hem. “Jullie leunen al zo lang tegen de stang van de fiets dat jullie naast een rechte, ook een dwarse streep op de kont hebben zitten”. Ze konden er wel om lachen. “Die houden we er in”, hadden ze gezegd en dat was ook zo.

De eerste betonwagens gieten hun vracht in een aanvoerbak. Via een pomp en een lange mast wordt het naar de verste hoek van de vloer gepompt. “Dat wordt een dikke vloer,” merkt Robert op. “Zeker twintig centimeter,” denkt Walter, “daar zijn ze nog wel even zoet mee.” De ene na de andere wagen loost zijn vracht en het pompen gaat aan één stuk door. “Het moet vandaag klaar. Stoppen kunnen ze niet,” zegt Robert. Bas had meer spektakel verwacht. Eigenlijk valt het hem tegen en daarom vraagt hij: “Gaan we daar de hele dag naar kijken?” Een onduidelijk gemompel is zijn deel. “Ik heb zin om een stukje te fietsen,” vervolgt hij, “Is er iemand die met mij mee gaat?” “Waar wil je dan heen?” vraagt Jaap die het hier ook wel gezien heeft. “Stukje Zomerdijk en dan binnendoor over de Lozedijk naar Wanneperveen, dan de Veneweg en weer terug via de Nieuwedijk. Mooi rondje en niet te ver. Lijkt dat wat?”

“Ja,” zegt Jaap, “ik ga mee en ben ik de enige?” Hij is de enige en samen met Bas stapt hij op. Via de Kaapbruggen rijden ze al spoedig op de Zomerdijk. Kort na de nieuw aangelegde Olde Staphorster Haven zetten ze de fietsen aan de kant en gaan op het bankje zitten. Voor hen ligt een stukje natuurgebied wat zorgvuldig ongerept wordt gehouden. “Kijk die kievit eens draaien,” zegt Bas, “die heeft daar vast een nest.” Ze volgen enige tijd de vogel die werkelijk zijn best doet om te laten weten dat dit zijn territorium is. “Ik hoor een wulp,” zegt Jaap. Samen turen ze in de richting waar het geluid vandaan kwam maar ze zien de vogel niet. Ze zien wel een tureluur en een paartje meerkoeten die met plantenresten in de snavel hun drijvend nest maken. “Mooi hé,” zegt Bas, “straks is hier alles weer geel van de paardenbloemen.” “Wat is dat gele daar dan?” vraagt Jaap terwijl hij naar een bos gele bloemen wijst. “Dat is raapzaad,” weet Bas, “en dat gele daarachter zijn doodgewone boterbloemen.” Jaap interesseert zich niet zo voor bloemetjes en boompjes en hij oppert om weer verder te rijden.

Genietend van het warme voorjaarszonnetje rijden ze verder. Bij Doosje slaan ze rechtsaf de Lozedijk op. Hoog boven hen miauwt een buizerd en als Jaap omhoog kijkt stuurt hij bijna van de weg af. “Dat ging maar net goed,” zegt Bas geschrokken, “Je zult die moddersloot maar inrijden.”

 

Ze blijven even staan bij het weiland naast een boerderij. De boer maakt net het hek open voor een stel koeien die, naar hun uitgelaten gedrag te zien, voor het eerst weer uit de stal mogen. Ze weten niet wat ze moeten doen. Of van het verse gras eten of gekke sprongen maken. Ze doen het afwisselend. De boer zwaait naar Bas en Jaap en roept iets. Ze verstaan het niet goed maar het klinkt als “Lekker weertje”. Ze zwaaien terug, steken hun duim omhoog en stappen weer op. “Verderop, daar rechts achter die bomen, ligt een klein meertje.” weet Bas, “We kunnen wel even gaan kijken of er nog wat leuks te zien is.” “Hoe kom je daar dan? Is er een brug of zo?” vraagt Jaap. “Er ligt een betonnen plaat over de sloot. Daar kan je overheen.”

Jaap ziet de plaat als eerste. Hij trap even iets harder om Bas voor te zijn en stuurt dan de berm in, richting betonnen plaat.

De vloer in de bouwput mag dan zeker twintig centimeter dik worden, deze plaat doet er niet veel voor onder. Helaas voor Jaap is dat, door het hoge gras, niet goed te zien. Zijn voorwiel komt abrupt tot stilstand tegen de betonnen plaat. De achterkant van de fiets komt omhoog en zo ook Jaap. Met grote tegenwoordigheid van geest weet hij zijn rechterbeen te strekken om bij de landing te voorkomen dat hij al te lelijk valt. Het been mist de oever ruim en de betonnen plaat maar net. Jaap kan niet anders dan zijn been achterna gaan en verdwijnt met een schorre schreeuw en grote plons voor Bas uit het zicht. Die schrikt, laat zijn fiets vallen en rent het bruggetje op om Jaap te gaan redden. Snuivend en vloekend is Jaap boven komen drijven en in een vieze walm van modder en rottende plantenresten, reikt hij zijn armen uit naar de oevergewassen. Bas helpt hem op het droge. “Gadverdegadverredamme! Heb ik dat weer!” “Doet het ergens pijn? Heb je je zeer gedaan?” wil Bas weten. Jaap denkt twee seconden na, zegt van niet en begint dan weer vanuit zijn natte tenen te vloeken en te mopperen. Plotseling graait hij met zijn hand in zijn broekzak en trekt er een telefoon en een blikje sigaren uit. Als hij naar de display van de telefoon kijkt is deze voor de helft gevuld met slootwater. “Kijk hier eens! Die kan ik wel weggooien. Er zit allemaal water in!” Bas bekijkt het apparaat. “Je hebt een Nokia met zeezicht. Hoe is het met de sigaren?” Jaap tilt het deksel op en houdt het blikje een beetje scheef. Er loopt een bruin straaltje water uit wat zich op het betonnen bruggetje mengt met zijn eigen druipwater. Reden genoeg voor Jaap om een nieuwe serie krachttermen te lanceren. Bas bekijkt het voorwiel van de fiets. Daar mankeert niets aan en daarom vraagt hij: “Zullen we maar op huis aan gaan?”

Op weg naar huis wordt het waterspoor steeds minder. De stank niet en Bas heeft sterk de indruk dat Jaap steeds meer gaat stinken. Bas gaat een stukje achter Jaap rijden en als deze verwonderd achterom kijkt roept Bas: “Je stinkt!” Een nieuwe serie krachttermen rolt over het weidelandschap dat zich weldadig koestert in de voorjaarszon.  “Is je vrouw thuis?” roept Bas als het voorin weer stil is geworden. Het blijft stil en Bas concludeert dat Jaap zich zorgen maakt over de reactie van zijn vrouw.

Op de Knopperslaan slaat Jaap, zonder één woord te zeggen linksaf, richting huis. Bas gaat rechtdoor en als hij langs de bouwput komt staan al zijn maten daar nog. “Schiet het al een beetje op?” vraagt hij. Dat blijkt het geval te zijn en met dit mooie weer zal het ook wel snel drogen. Op de vraag waar Jaap gebleven is antwoordt Bas dat hij naar huis moest om droge, schone kleren aan te trekken maar over de duik in de sloot zegt hij niets. “Ja, een ongeluk zit in een klein hoekje. Het kan je zomaar gebeuren,” meent Walter. Een instemmend gemompel is zijn deel. Ieder vreest de kleine ongelukjes en de ongemakken die het ouder worden met zich mee kan brengen. Ronald redt de situatie door op te merken dat het een prachtige voorjaarsdag is. “Die pakken ze ons niet meer af! En nu ga ik naar huis om even lekker in de tuin te zitten. Kan ik mooi de tulpen zien groeien. Morgen weer?” “Ja,” zeggen de anderen met gedwongen opgewektheid, “morgen weer.”

©peter gortworst

foto’s: www. kikkerije.nl / http://www.wildebloemen.info / www. I1.nl

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Kunstenaar

Ga nu eens hier zitten en kijk dan eens naar dat schilderij. Je moet je niet afvragen of je het mooi vindt of wat het moet voorstellen. Je moet je alleen maar laten leiden door wat je voelt. Niet denken in correcte plaatjes of waarheden. Wat roept dit schilderij bij je op? Wordt je er blij van of onrustig? Verdrietig misschien of boos? Ik schilder mijn gevoel en ben gewoon nieuwsgierig of dat gevoel met het jouwe overeen komt.

Hoe ik begonnen ben? Tja, eigenlijk omdat ik uitgedaagd ben. Alleen degene die dat gedaan heeft weet dat niet. Ik was, omdat ik wat tijd over had, een galerie ingelopen. Niet omdat kunst mij zo erg interesseerde maar omdat het er gezellig uitzag en het binnen warmer was dan buiten. Er hingen echt mooie schilderijen. Landschappen, portretten en stillevens. Aan één wand hingen werken van Corneille met discreet kleine prijskaartjes waarop een fors bedrag stond. Die schilderijen ken je vast wel. Werken in felle kleuren met figuurtjes zoals kinderen ze tekenen. Armen en handen als harken, rare monden en grote ogen op de gekste plaatsen. En voor die schilderijen stond een echtpaar en de man zei alleen maar dat iedereen dat wel kon maken. Dat was voor mij de uitdaging en die is blijven hangen.

Nee, ik heb er niet direct iets mee gedaan. Het was één van die dingen die je ooit nog wil gaan doen. Stom eigenlijk want wie zegt je dat ‘ooit’ werkelijk komt? Gelukkig liep het bij mij anders. Volgens mij maanden later, was ik met mijn vriendin in de stad. In zo’n winkel waar ze van alles voor een zacht prijsje verkopen zag ik een paar maagdelijk witte schilderdoeken staan. De uitdaging zat nog in mijn achterhoofd en, min of meer in een opwelling, heb ik toen een middelgroot exemplaar gekocht. Mijn vriendin snapte er niets van. Ja, je vertelt toch niet elke gedachte die door je hoofd schiet of een idee wat ooit is blijven hangen? Ik heb toen ook niet veel uitgelegd. Zal wel wat gezegd hebben van iets willen proberen of zo…..

Zondagmiddag heb ik het doek in de schuur op de werkbank gezet. Verf was er genoeg. Gewone verf wel te verstaan en kwasten had ik in soorten en maten. Ik wist precies wat ik wilde schilderen. Je bent er vooraf toch al zo mee bezig dat het hele idee al kant-en-klaar is. Het moet alleen nog maar gedaan worden. Ik schilderde, bijna beeldvullend, een geel vierkant figuur met de neus aan de rechterkant en één groot, zwart omrand, rood oog. Armen als harken in het zwart en voeten die er uit zagen als losse sokken. Ook zwart. Alles wat toen nog wit was heb ik blauw gemaakt en dat was het. Weet je dat ik helemaal blij geworden was? Wat ik vooraf bedacht had was nu werkelijkheid geworden. Inderdaad, iedereen kan het. Zelfs ik.

Mijn vriendin vond het mooi. Nu weet ik best dat zij niet de meest objectieve bewonderaarster is maar toen zij vroeg wat het voorstelde wist ik het eigenlijk niet. Waarom een geel figuur wat naar rechts kijkt en een blauwe achtergrond? Geen idee! Of het uit mijzelf kwam, vroeg ze. Ja, dat wel. Ik had geen voorbeeld bij de hand gehad. Dan moest ik dit maar vaker doen, meende ze. En dat heb ik dus gedaan. Ik struinde elke doe-het-zelfzaak af naar restpartijen verf. Elke denkbare kleur was goed. Ik doe dat nu nog maar moet wel zeggen dat helblauwe en rode kleuren mijn voorkeur hebben.

Voor mij is het mooiste van schilderen de rust die het mij geeft. Ik klieder niet maar wat. Ik ben echt geconcentreerd bezig en het enige waar ik aan denk is bijvoorbeeld de lijn die ik op dat moment schilder en vlak langs het rode vlak moet lopen. Nu is dat hele precieze niets voor mij. Ik heb, omdat ik ook wat anders wilde proberen, met schetsboek en potloden voor de Grote Kerk gestaan. Nou, die op papier krijgen lukte mij echt niet. Perspectief, maten die moeten kloppen, allerhande tierelantijntjes….. ik werd er gek van. Ik verlies mij in details en wil bij wijze van spreken, elke baksteen tekenen. Nee, dat was niets voor mij. Nu is alles wat je goed wil doen moeilijk maar dit was voor mij een brug te ver.

Mijn doorbraak kwam eigenlijk heel onverwacht vooral omdat ik er niet zo mee bezig was. Als je werken van Herman Brood ziet of Anton Heyboer, dan weet je dat je één van de vele kleine twijgjes van de boom bent. Stomtoevallig las ik dat er een kunstmarkt gehouden zou worden. Veel te laat natuurlijk om een kraam te huren dus ik ben er heen gegaan en heb mijn schilderijen tegen de muur van een huis gezet. Een hoop gezeur met de organisatie. Het was niet de bedoeling dat elke amateur zo maar ergens zijn werken neerzet. Maar goed, ik heb het afgekocht. Aan belangstelling geen gebrek gehad en maar één werk verkocht. Stom hè, ik had vooraf helemaal niet nagedacht over prijzen. Toen die man vroeg wat het kostte zei ik, zomaar uit de blue, vijftig euro. Hij betaalde grif en vroeg mijn telefoonnummer. Later bleek het een galeriehouder te zijn. Mijn werk had hij doorverkocht met een nul achter het bedrag wat hij er voor betaald had.

Het is mijn grootste afnemer geworden. Ik denk dat 80% van wat ik maak door hem verkocht wordt en ik kan er van leven. Dat is een plezierige bijkomstigheid maar er zal vast een moment komen waarop men uitgekeken is op mijn werk. Weet je, mijn doel als kunstenaar, ja, zo zie ik mijzelf ondertussen, is niet om als schilder geliefd te zijn of om bewondert te worden. Ik schilder omdat ik mooie dingen wil maken. Veel kunstenaars denken trouwens zo. Vaak zet ik mijn eerste streep verf op het doek en weet dan nog niet wat ik ga maken. Ik laat het maar gebeuren en soms wordt ik zelf ontroerd door wat het uiteindelijk is geworden. Kan jij die rel nog herinneren met die overzichtstentoonstelling van mij? Dat doek met die davidsster en dat katholieke kruis? Ik heb commentaren gelezen met stellingen die klonken als bronzen klokken en ik heb nooit geweten dat ik dergelijke standpunten of meningen had. Voor mij pasten die ster en dat kruis toen op dat schilderij. Ze moesten er op staan omdat mijn gevoel dat zei. Meer niet.

Ja, ik ben een gevoelsmens. Dat zijn alle kunstenaars toch? Ik ben het geworden, moet ik zeggen. Nee, ik was het altijd al maar heb het gaandeweg toegelaten. Dat is een spannend proces geweest. Ik kan niet verstandelijk beredeneren waarom dat vlak rood moet zijn of waarom er niet twee maar drie ogen in dat zogenaamde beest zitten. Als mijn gevoel zegt dat het goed is, dan is het ook zo. Luisteren naar jezelf is én lastig én mooi. Niet luisteren naar anderen hoort, wat dit schilderwerk betreft dan, daar bij. Als ik wel geluisterd had, was ik nu niet meer in de weer met potten hemaverf en restpartijen van de bouwmarkt. Dan had ik tubes gehad met onverklaarbare namen van moeilijke kleuren. Nee, dit gaat prima zo.

Maar goed, jij werkt dus voor een landelijke krant en dit interview komt er zaterdag in? Kan ik het mooi uitknippen en kopiëren. Stuur ik het de volgende vragensteller wel toe als ze mij weer willen ondervragen. Elke keer hetzelfde verhaal vertellen voelt gewoon niet goed.

 

©peter gortworst

foto: http://www.ell-is.nl

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Joost !!

Het is een mooie, warme, zomerse namiddag. In het grote en oude park dringen de geluiden van de stad zo gedempt door, dat de merel in de beuk zeker weet dat alleen hij hier het hoogste woord voert. Het meisje, wat iets verder bij de rododendrons op een bankje zit, had van zijn zang kunnen genieten als ze niet te zeer verdiept zou zijn in het lezen en beantwoorden van berichtjes op haar smartphone. Ook de man die al twee keer langzaam rijdend op zijn fiets voorbij kwam, heeft ze niet opgemerkt.

De man nadert het meisje voor de derde keer. Nu stopt hij en stapt van zijn fiets. “Hoi”, zegt hij, “Zit je hier op zo’n mooie dag helemaal alleen?”  Ze kijkt hem aan, zegt niets en wacht op wat komen gaat. “Is dat een Samsung Galaxy?” vraagt hij. Ze knikt en uit zijn broekzak haalt hij een smartphone. “Kijk, dit is ook een Samsung Galaxy. De S4 black edition. Mag ik hem even met die van jou vergelijken?” “Dit is de Young 2”,  zegt ze. Ongevraagd gaat de man naast haar op het bankje zitten en in rap tempo vertelt hij de verschillen tussen beide toestellen. Ze hoort het aan en weet niet goed wat ze van de toestand moet denken. Ze is niet bang maar een lekker gevoel geeft de aanwezigheid van deze man haar ook niet. En wat een gezeur over die smartphone. Ze is tevreden met haar toestel en wat het ene meer kan of heeft dan het andere interesseert haar niet zo.

“Ik heet trouwens Henk” zegt de man als hij klaar is met zijn lijstje voor en tegens. “Ik heet Anja”. “Zo…. En komt Anja hier wel vaker?” “Bijna elke dag. Nu kan je hier rustig zitten maar als het koud is loop ik hier alleen maar rondjes.” “Waarom doe je dat? Vind je het park dan zo mooi?” “Ja, dat ook maar hier kan ik rustig berichtjes sturen naar mijn vrienden. Thuis vinden ze het niet goed dat ik zo veel met die telefoon bezig ben. Hier heb ik rustig een uurtje de tijd” “Goh, woon je nog thuis?” De vraag klink oprecht verbaast. “Mag ik vragen hoe oud je bent?” “Ik ben 16,” zegt ze niet zonder trots. “Zo…., ik had je een paar jaar ouder geschat.”

“Maak je ook wel eens selfie’s”, vraagt hij. “Ja natuurlijk, dat doet toch iedereen.” “Ik zal je eens wat laten zien. Vind je vast wel interessant”, zegt hij en na enige ogenblikken kijkt ze naar een foto van een meisje. Ze zou van haar leeftijd kunnen zijn en ze ligt naakt op een bed. “Dit is één van mijn vriendinnen”, zegt Henk, “kan jij ook worden.” Met zijn vinger veegt hij even over het scherm en zegt dan, terwijl hij het toestel duidelijk zichtbaar voor haar houdt: “En dit ben ik als ik prettig opgewonden ben. Nou, wat vind je daar van?” De foto van een naakte Henk laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De eerste foto gaf een vermoeden. De tweede geeft zekerheid en ze realiseert zich in welke situatie ze is beland. Henk is dicht tegen haar aan gaan zitten en legt zijn arm over haar schouders. Als ze weg wil schuiven stopt hij de telefoon snel in zijn zak en trekt haar met twee handen naar zich toe. “Joost !!” gilt ze en probeert zich los te rukken.

In de rododendrons ritselt het en een grote bruine flits staat in een oogwenk bij het bankje. Het is een onbestemde mengeling van verschillende rassen die allemaal één ding gemeen hadden: het waren honden en ze waren groot. Deze hond staat diep grommend met de tanden bloot voor Henk. Hij durft geen vinger meer te bewegen en kan alleen maar naar dat monster staren. “Joost, zit!” zegt Anja en de hond gaat vlak voor Henk zitten. “Joost, pas op!” en de hond fixeert zijn blik op Henk. “Zo”, zegt Anja, “nu zullen we eens kijken hoe flink het mannetje is. Geef mij je telefoon en doe het vooral heel langzaam. Joost houdt niet van snelle bewegingen.” “Laat mij gaan”, piept Henk, “Ik wilde niets doen. Het is een misverstand en er is toch niets gebeurd?”  “Ik laat je niet gaan. Er is wél wat gebeurd. Nu heb je pech en als ik je laat gaan probeer je het morgen weer. Vieze mannetjes als jij mogen hun gang niet gaan. Geef die telefoon!” “Nee”,  zegt Henk, “Ik wil weg. Houdt die hond bij je”

Anja is een paar meter het gras opgelopen en belt met 112. Als ze de verbinding verbroken heeft zegt ze tegen Henk vooral te blijven zitten. Dan roept ze Joost en laat hem naast haar zitten. Henk ontspant enigszins en loert naar zijn fiets. Dat ontgaat Anja niet. “Ik zou het niet doen. Joost is sneller dan jij denkt”.  Henk doet het toch. Hij springt op, pakt razendsnel zijn fiets, rent er een paar meter mee aan de hand en springt dan op het zadel. “Joost, pak hem!” en de hond doet wat hij moet doen. Hij spurt naar voren, bijt zich vast in het bovenbeen en trekt Henk met fiets tegen de grond. Joost trekt en schudt aan het been en Henk gilt het uit. “Joost, los!” roept Anja maar Joost luistert even niet. Dan pakt ze hem bij zijn halsband en trekt hem weg. “Sorry hoor, maar daarom is hij als politiehond afgekeurd. Een beetje te enthousiast als hij iets vast heeft”, zegt ze tegen de kermende en bloedende man op de grond. Ze kijkt goed naar de bijtwond in het been van de man. Het ziet er lelijk uit maar er zijn geen tekenen van een slagaderlijke bloeding.  “Ik zal even doorgeven dat ze ook een ziekenwagen moeten laten komen. Blijf rustig liggen en probeer niet nog een keer weg te komen. Joost, pas op!”

“Dag broertje”, zegt ze tegen één van de twee agenten die uit net hun wagen zijn gestapt. “Anja! Ik had al een vermoeden dat jij het was. Hoe is het met jou? Niet gewond of zo? Wat is er gebeurd?” Ze vertelt van de foto’s op de telefoon, dat hij haar heeft vastgehouden en wat Joost heeft gedaan. De andere agent komt vragen of ze haar hond bij zich wil roepen. Hij waagt zich niet in de buurt van Henk zolang die hond daar op zit te passen. “Goed”, zegt haar broer en geeft zijn kleine zusje een knuffel, “Ga maar naar huis, neem Joost mee, en morgen schrijven we op het bureau wel een verklaring van je op. Wij handelen het hier verder wel af. Doe pappa en mamma de groeten.” Ze zegt Joost haar te volgen en deze loopt, als een goed opgevoede politiehond, keurig naast haar mee.

Afgekeurd wegens iets te veel enthousiasme. ’t Kan verkeren.

 

© peter gortworst

foto’s: http://www.dewereldvangajus.nl / http://www.vdberk.nl / http://www.refdag.nl

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , | 3 reacties

O, shit…..

“Laat mij raden. Ik ben de eerste engelbewaarder die u ziet. Klopt dat? En? Lijk ik een beetje op wat u vooraf bedacht heeft? U denkt dat wij echt bedacht zijn. Dan is dit toch wel een verrassing, niet? Waar mijn vleugels zijn? Haha, ja dat denken jullie hè? Nee, je ziet het: geen vleugels. Het is ook niet handig om handen en vleugels te hebben.

Wat wij doen? Tja, laat ik zeggen dat wij, met beperkte middelen proberen erger te voorkomen. Een enge ziekte kunnen wij niet verhelpen maar we kunnen wel een hint geven zodat er een dokter bezocht gaat worden. Als iemand er over denkt om zichzelf van het leven te beroven, zoeken wij in de omgeving naar goede zielen die misschien iets kunnen doen. Gaat helaas vaak mis. Als we als engelbewaarders onder elkaar zijn, zeggen we wel eens “Als de hemel naar beneden valt zijn ze daar allemaal blauw.” Daar zouden wij bijvoorbeeld niets tegen kunnen doen. Een natuurramp is voor ons niet te behappen maar we kunnen wel voorkomen dat iemand struikelt en lelijk valt. Heb jij nooit gedacht ‘Oei, dat ging maar net goed’? Meestal is dat dan onze verdienste.

Nee, we zitten niet hele dagen op de schouder van onze klant. Als ze bijvoorbeeld slapen is het niet nodig om daar bij te zijn. Dan zoeken we elkaar op en dat zijn vaak gezellige uurtjes. Ik sprak laatst nog een collega. Die zit met dertien anderen in één huis. Vader. Moeder en twaalf kinderen. Dolle boel daar.

Neem nu die sukkel waar ik al zestig jaar voor moet zorgen. Die is alleen dus af en toe ga ik even de hort op. Zo spannend is deze klant niet. Hij is nu met zijn auto onderweg en hij heeft nog nooit een ongeluk gehad. Niet mijn verdienste hoor. Hij is gewoon voorzichtig en ik kan dus gewoon even wat anders doen. Met jou kletsen bijvoorbeeld. Mag eigenlijk niet maar het is wel gezellig toch?

Toch is mijn sukkeltje zo af en toe een ongeleid projectiel. Iets meer nadenken voordat hij iets doet kan geen kwaad. Ik weet het. IJdele hoop. Hij is gewoon zo en nu zeggen jullie dat verstand met de jaren komt maar bij hem komen wel de jaren maar niet het verstand. O, ik heb mijn handen vol gehad aan hem. Als jochie voer hij in een badkuip tussen de varende vrachtschepen door. Levensgevaarlijk natuurlijk. Of die keer dat hij in een hoge boom wilde klimmen waarvan ik wist dat er heel veel rotte takken in zaten. Ik heb hem op twee meter hoogte op zo’n tak laten staan. Die brak en hij viel plat op zijn rug. Adem halen kon hij even vergeten en dan leer je snel hoor. Of die keer dat hij te veel gedronken had en in een duinpannetje in slaap viel. Heb ik hem een beetje uit de wind gehouden. Niet te veel want hij moest natuurlijk wel goed ziek worden. Ook zo’n uitstekend leermoment. O, en fikkie stoken. Was hij gek op. Man, man, man, ik heb toch wat vlammetjes uit staan blazen. Mijn beste move was het fietsstuur overnemen in Limburg. Hij vond dat een afdaling op een fiets met slechte remmen wel kon. Toen hij in de gaten kreeg dat het niet goed zou gaan was het eigenlijk al te laat. Het is dat ik hem een rul zandpad op kon sturen anders had hij met zijn stomme kop in Slenaken via een blinde muur in de Gulp gelegen.

Vraagje: Jij denkt zeker ook dat er geen cupidootjes bestaan? Nou, die zijn er wel degelijk. Mijn sukkel was er al vroeg bij. Als ik zo’n pijl-en-boog-fladderaartje aan zie komen ga ik meestal even wat aan de kant. Ik heb een keer, per ongeluk, een voltreffer gehad en dat voel je echt wel. Bij ons heeft zo’n pijl geen effect maar bij mijn sukkel was het de eerste keer goed raak. Hadden ze samen bedacht om de vloer van het schuurtje te gebruiken voor een gezamenlijke ontmaagding. Condoom? Nooit van gehoord. Dus als je dan een half blik met terpentine van de werkbank duwt is de pret snel over en erger voorkomen. Nee, meestal ben ik er niet bij als dat soort intieme dingen gebeuren. Ik vind dat zo’n gedoe en zolang hij het gewoon op een veilige plaats doet ben ik echt niet nodig.

Maar hoe kom jij hier eigenlijk?

………..Hoezo dikke mist en de vierde auto in een enorme kettingbotsing?……….

O, shit….”

 

©peter gortworst / mrt 2016

foto: http://www.pinterest.com

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Katharina Wilhelmina Schweickhardt

 

Een brief die geschreven zou kunnen zijn….

De brief is verzegeld met haar signet. Een erfstuk van haar grootvader. Hij herkent de gestileerde ‘S’ die een duidelijke afdruk heeft achtergelaten in het schellak. Ze was er niet alleen aan gehecht maar het gegeven dat dit een oud en uniek zegel was uit háár familie, maakte het bijzonder. Zij had een eigen zegel en ze gebruikte dat alleen voor zeer speciale brieven.

Aan mijn man Willem Bilderdijk. Openen na mijn dood.

staat er onder het zegel geschreven. Hij verbreekt het en vouwt de brief open:

 

Lieve Willem,

 Het is, als ik dit vastleg, 15 december 1829. Ik heb getwijfeld of ik deze brief wel zou schrijven. Ik heb toch besloten om het te doen omdat ik niet weet hoe het mij zal vergaan. Nu kan ik het nog. Mijn verstand en lichaam laten het nog toe, maar ik weet dat over niet al te lange tijd, de dood op mij wacht. Bijna dagelijks voel ik mijn krachten afnemen.

Ik maak me ook zorgen om jou. Je hebt dan wel de leeftijd van de zeer sterken bereikt maar zo sterk ben je niet meer. Niet alleen je lichamelijk kracht vermindert maar ook bestaat het vermoeden dat jouw geestelijke kracht afneemt. Het wordt bijna dagelijks, door wat je doet of laat, versterkt.

 Je schrijft al geruime tijd niet veel meer. De bezoekjes van voormalige leerlingen, vakgenoten en notabelen zijn zeldzaam geworden. Goed dat er enkele vrienden over zijn die ons nog regelmatig bezoeken. We wonen hier nu twee jaar en jij doet niet veel meer dan af en toe wat schrijven, mij verzorgen, lezen in de Bijbel en de boeken van Jacob Cats.

Je bent somber geworden. Je teruggetrokken in je eigen wereld. Geloof mij als ik zeg dat ik het begrijp. Ons leven was niet gemakkelijk. De valse start is misschien wel de opmaat geweest van hoe ons gezamenlijke bestaan is verlopen. Lang heb ik geloofd dat al het onrecht ons aangedaan, al de gestorven kinderen, het eeuwige geldtekort en al de gemiste kansen hun oorsprong vonden in die valse start.

We hebben elkaar getrouwd met een onwettig huwelijk. Ik had naar mijn zuivere geweten moeten luisteren toen ik je leerde kennen maar de overrompelende en intense liefde die wij voor elkaar voelden, overstemde dat. Dat we Julius Willem in dat verre Berlijn hebben laten dopen onder onze valse namen is iets waar ik nu nog versteld van sta ‘meneer van Teisterbant!’  Het was niet fraai en zeker niet naar de wil van God. Samen wisten we zeker, dat God ons heeft gestraft voor ons handelen. We zijn zwaar gestraft en het enige wat ons, soms zelfs letterlijk, op de been hield was de Bijbeltekst dat God een mens nooit zo zwaar beproefd dat hij het niet meer kan dragen. We noemden dat ‘genade’ en die ‘onverdiende genade’  hadden we te danken aan de kruisdood van Jezus.

 

Mijn lief, ik geloof dat niet meer. Je weet dat ik drie jaar geleden, tijdens mijn zware ziekte, anders over geloven ben gaan nadenken en dat was niet mijn eigen verdienste. Het is mij aangereikt maar ik heb wat schroom om het een openbaring te noemen. Er zal vast gezegd zijn dat iemand, die zo dicht bij de dood is geweest, geestelijk een tik heeft gekregen. Een enkeling zal erkennen dat het een openbaring is geweest.

De goede God straft de mens en mensheid niet. Ook ons niet. Wat wij hebben ervaren als straf heeft andere oorzaken. Jij kan niet met geld kan omgaan en ik had daar geen zeggenschap over. Dat verklaart veel van de financiële zorgen. De gemiste kansen op interessante, invloedrijke en goede aanstellingen zijn te wijten aan jouw vermogen om op foute momenten lompe opmerkingen te plaatsen. Veel kennis is geen garantie voor goede omgangsvormen. Je bent niet altijd een prettig mens om mee om te gaan of mee te leven. Jouw halsstarrig vasthouden aan ‘God Nederland en Oranje’ heeft zich ook vaak tegen je gekeerd.

Zeg mij hoe het mogelijk is dat Jezus voor onze zonden gestorven is terwijl wij daar nog dagelijks onder gebukt gaan. Heeft Jezus het niet goed gedaan? Kijk om je heen! Mensen die een goddeloos leven leiden, gaat het vaak beter dan godvruchtige mensen. Wij krijgen ons loon na de dood. Wordt dat gezegd in de hoop dát het zo is of is het een verklaring die geboren is vanuit onze onwetendheid?

Ik weet nu dat God de mensen wil helpen om waarlijk mens te zijn. Ik heb sinds mijn openbaring gevoeld dat er ruimte om mij heen is. Ik kan adem halen en het verstikkende zondebesef, de krampachtige leefwijze in de ‘vreze des Heeren’ en nooit weten of je het wel goed doet, bestaat niet meer voor mij. Ik heb een liefde gevoeld die zo groot en zo onbaatzuchtig is dat zelfs onze liefde er bij in het niet valt. Onze liefde is een aardse liefde. Ik veroordeel die niet maar er spelen in aardse liefdes altijd andere belangen en verwachtingen mee. Bij ons was dat niet anders. Paulus schrijft over leven in raadselen en zien in een spiegel. Volgens hem is ons leven onvolkomen en later zullen wij volkomen kennen. Alle vragen worden dan beantwoord en het eerste wat ik ga vragen is waarom, op Lodewijk na, al onze kinderen zijn gestorven. God heeft het niet gedaan maar als iemand antwoord heeft op de vraag naar het waarom, is Hij het. Ik vind het jammer dat ik in onze gesprekken, je niet kon overtuigen van mijn geloof. Ook onze eigen predikant houdt vast aan dat, wat door de vaderen is geleerd en gaat gebukt onder het besef dat de mens slecht is en niet goed kán doen. Het is anders en ik gun je van ganser harte om ook bevrijd te worden van de last die jouw geloof je oplegt.

 

Ik ben je dankbaar voor alle goede zorgen. Het was, ondanks alles, fijn om met je ‘getrouwd’ te zijn. Mijn dood moet voor jou wrang zijn. Hij, die bijna zijn hele leven eigenlijk het liefste dood zou willen zijn, moet zijn 20 jaar jongere vrouw begraven. Misschien troost het je te weten dat ik niet bang ben voor de dood. Ik kijk er zelfs naar uit. Voel je om mij niet verdrietig. We zien elkaar weer maar hoe en in welk gedaante weet alleen de goede God.

 Groet onze zoon Lodewijk en zeg hem dat ik zielsveel van hem houd.

 Dag mijn lieve man.

Een laatste groet van jouw Katharina

 

Hij laat de brief zakken. Tijdens het lezen wisselden de emoties en gevoelens zich af. Hij voelde zich aangevallen en boos, glimlachte toen ze hem ‘meneer Teisterbant’ noemde en bespeurde zelfs jaloezie toen hij het gedeelte over haar nieuwe geloof las. Nu voelt hij alleen maar verdriet en gemis. Ze had gelijk. Zielsveel hielden ze van elkaar en gelukkig had hij haar nog laten weten dat het hem niet goed was gegaan, als zij er niet was geweest. In de laatste gesprekken die ze samen hadden, voelde hij dat ze hem ontsteeg. Het was alsof zij al op weg was en misschien was het geen toeval dat zij op paaszondag in zijn armen stierf. De Kerk viert de opstanding van Christus. Zij vierde haar eigen opstanding. Niet haar dood.

Hij pakt zijn Bijbel. Hij wil lezen met de ogen van zijn vrouw wat er staat over dat volkomen kennen. Hij is en blijft een wetenschapper die nu eenmaal alles wil weten.

 

©peter gortworst

foto: http://www.dbnl.org

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Mijn vader heeft een naam.

 

Veel van de ouderen die in een kring om het monument staan, kunnen zich de gebeurtenis nog als de dag van gisteren voor de geest halen. In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, is een ongeval met vijf doden een slag die allen raakt. Het was bijna vanzelfsprekend dat het voorstel om een monument op te richten, als herinnering aan die rampzalige dag, breed gedragen werd. Veertig jaren zijn voorbij gegaan en vandaag is het eindelijk zo ver. Het ‘Eigenlijk zouden we…’ is nu realiteit geworden. Er is gul gegeven. Het monument is klaar en betaald.

Hij kijkt de kring rond. De burgemeester die het monument zal onthullen, staat lachend te praten met de wethouder. Hij vindt dat niet gepast. Stoort zich er zelfs aan. Het is niet het moment om te lachen. Eén van de vijf mannen was zijn vader en straks, na de onthulling, mag hij de vijf namen noemen. Voor alle zekerheid heeft hij ze op een briefje geschreven maar eigenlijk is dat overbodig. Hij kan de namen dromen. Naast hem, op een campingstoeltje, zit zijn moeder. Hij legt zijn hand even op haar schouder, buigt zich voorover en vraagt of het gaat. Ze knikt en wacht met strakke lippen de gebeurtenissen af.

 

Vanaf het moment dat de volle omvang van de ramp duidelijk is, ligt er een dikke deken over het dorp. Alle vrolijkheid, al het plezier is weg. Het is de dag van het afscheid. De vijf kisten staan voor in de kerk. Hij zit met zijn moeder, zijn zusje en zijn broer voorin. Dat is bijzonder want hier zitten ’s zondags alleen de deftige heren met hun dames. Hij kijkt om en ziet dat de kerk helemaal vol is. Zelfs achterin, onder het orgel, staan mensen.

Als de dienst begint moet hij omhoog kijken om de dominee te zien. Hij weet dat je naar de dominee moet kijken als hij praat maar hij kan zijn ogen ook niet van de kist afhouden. Daar, die één na laatste kist, daar ligt zijn vader in, hebben ze gezegd. Het is niet in hem opgekomen om zelf te willen kijken en als het wel zo was dan zou zijn moeder het hem verboden zou hebben. Het is niet goed als een jongetje van zeven jaar zijn dode vader ziet.

 

Het was vaak verwarrend om de oudste zoon te zijn. Wel de verantwoordelijkheid als de oudste krijgen, het ook zo voelen maar niet mee kunnen beslissen. Moeder bepaalde hoe en wat. Streng, kortaf en zonder veel uit te leggen. Lichamelijk contact beperkte zich tot een draai om je oren en aan praten werd helemaal niet gedaan. Niet over gevoelens en zeker niet over zijn vader. Hij weet nog heel goed dat hij zijn moeder, jaren nadat het was gebeurd, vroeg om iets te vertellen over zijn vader. De summiere herinneringen van een kind waren hem niet genoeg. Hij had de behoefte gevoeld om meer te willen weten. Zijn er foto’s? Hoe was hij? Wat voor man was mijn vader? Ze heeft hem strak aangekeken met ogen die iets van boosheid in zich hadden en geen woord gezegd. Hij heeft nimmer geweten waar dit nooit praten over, dit dodelijke zwijgen vandaan kwam.

 

Het leven was hard maar je wist niet beter. Een te karig pensioen veroordeelde zijn moeder tot het aannemen van allerhande baantjes. Oom Rein, de buurman, heeft altijd zo goed als hij kon geholpen en zijn vrouw, tante Bep, zorgde voor hen als moeder aan het werk was. Het was, naar de maatstaven van nu, armoede en de diakenen van de kerk zaten niet voor niets regelmatig aan de keukentafel. Ze konden uiteindelijk alle drie doorleren en hij weet hoeveel offers daarvoor gebracht zijn.

 

De burgemeester was er niet toen het gebeurde en in zijn toespraak is dat te horen. Algemeenheden, holle frasen en obligate dankwoordjes. Dan onthult hij het monument, doet een paar passen achteruit en buigt diep. Goddank, niemand die het in zijn hoofd haalt om te applaudisseren.

Het is zijn beurt. Bij de microfoon gekomen wacht hij tot de vijf kinderen die een kaars op de sokkel zullen zetten, klaar zijn. Hij noemt de eerste naam en de eerste kaars wordt op de plaats gezet. Het is doodstil. Iedereen voelt de geladenheid van deze herdenking. De laatste naam is die van zijn vader en hij ziet zijn jongste dochter klaar staan. Ze gaat een kaars zetten bij het monument wat ook voor opa is. Een opa die ze niet kent en waar hij niets over kan vertellen.

“En als laatste, mijn vader, Leen Kloosterman.” Op het moment dat hij de naam noemt, dringt het tot hem door. Een steek in zijn maag laat hem bijna dubbelklappen. Hij grijpt de stang van de microfoon. De tranen lopen hem plotseling over de wangen en dan herpakt hij zichzelf. Vanuit een mengeling van trots, opluchting en bevrijding is het besef doorgedrongen: de naam van zijn vader is hardop uitgesproken. Voor het eerst sinds zijn begrafenis is zijn naam weer geroepen: voor iedereen hoorbaar, luid en duidelijk. Het zwijgen wat de doden doet vergeten, is verbroken. Zijn vader doet er toe en heeft een naam.

Hij kijkt naar zijn moeder. Ze is gaan staan en komt langzaam naar hem toe. Ze glimlacht met vochtige ogen en voor het eerst in hun leven omhelzen ze elkaar. Onhandig en onwennig maar met een belofte voor de toekomst.

 

©peter gortworst

foto: http://www.msn.com

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Kruisje

Hij is er met zijn kop nog niet helemaal bij. De slaap was onrustig geweest en verschillende malen onderbroken en dat is hij niet gewend. Het gebeurt niet vaak en een aanwijsbare oorzaak is er ook nu niet. Angstvallig probeert hij zich na zijn pensionering aan een dagritme te houden en dit soort nachten brengen het ritme in gevaar. Het zit hem nooit lekker als er een dag als los zand tussen zijn vingers door wegglipt. Hij is zich er terdege van bewust dat er voor hem niet zo veel dagen meer zijn. Als je 74 bent heb je de langste tijd op aarde wel gehad en daarom vult hij de dagen met dingen die belangrijk zijn. De tijd nemen om elke dag te poepen is er één van. In alle rust de natuur haar gang laten gaan en ondertussen de krant lezen is een dagelijks ritueel. Maar het ritueel is verstoord. Hij is de krant vergeten en net te laat om dat ding even op te halen.

In alle rust de natuur haar gang laten gaan als je zelf niets te doen hebt, valt niet mee. Hij zet zijn ellebogen op de knieën en legt zijn hoofd in de handen. Op het muurtje voor hem zitten lichtblauwe tegeltjes. Horizontaal 25 en verticaal 16. Hij probeert deze twee getallen te vermenigvuldigen maar komt er niet uit. Inspectie van de onderkant wasbakje leert hem dat daar ook wel eens een doekje overheen mag. Hij probeert het stopkraantje dicht te draaien maar het zit muurvast. Dan valt zijn oog op de verjaardagskalender. Februari heeft drie namen en achter twee daarvan, staat een kruisje. Leo staat op 2 februari. Zijn vriend en collega. Veel te vroeg gestorven aan uitgezaaide huidkanker. Dinie staat op de 21e. Gestorven aan ouderdom. Henkie op de 15e. Eén van zijn kleinzonen dus die kan nog wel even mee.

Hij weet het niet zeker meer maar volgens hem is zijn vrouw daarmee begonnen. Ze zette altijd al het geboortejaar bij een naam. Dat was makkelijk want dan kon je uitrekenen hoe oud iemand geworden was. Toen er steeds meer mensen uit hun kring dood gingen is zij ook het sterfjaar gaan noteren. Die gewoonte heeft hij overgenomen en achter de naam van zijn vrouw staat 2008 als sterfjaar. Door heel even vlug te gaan staan kan hij de kalender van het haakje wippen. Hij bladert tot hij augustus heeft gevonden en haar naam leest. Ze was nog maar 66 en lag ’s morgens zomaar dood in bed.

Pagina voor pagina slaat hij om en voor het eerst ziet hij hoeveel kruisjes er al staan. Hij weet het wel. Als je jong bent krijgt iedereen om je heen verkering. Vervolgens zijn er tal van verlovingen en trouwerijen. Dan een periode met heel veel zwangerschappen en kinderen en nu dus een fase met allemaal doden. Van de meesten weet hij de doodsoorzaak nog en gelukkig staat gewoon ouderdom op nummer 1. Verder een aantal die gestorven zijn aan kanker, Teun en Ellie die samen verongelukt zijn en van Jaap weet hij het niet zeker. Het zou best euthanasie geweest kunnen zijn maar zelfmoord sluit hij ook niet uit. Er werd nogal geheimzinnig over gedaan.

Eigenlijk is zo’n verjaardagskalender gedurende de jaren een mooi document geworden. Met voldoening constateert hij dat door een vergeten krant, hij de verjaardagskalender meer is gaan waarderen. Waar een slechte nacht al niet tot kan leiden.

De natuur is klaar met haar werk. Hij hangt de kalender weer aan het haakje en besluit om aan de keukentafel de krant te gaan lezen. De familieberichten zal hij overslaan. Vandaag al meer dan genoeg kruisjes gezien.

©peter gortworst / feb 2016

foto: http://www.schoolplaten.nl

Wil je meer van mij lezen? Een heel boek misschien?
Loop even binnen bij je boekhandel of bestel via
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode
 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 3 reacties

Stom wijf

Ze heeft het nachtlampje nog aan en zit half rechtop tegen haar kussen. Naast haar ligt Tom. Hij ligt op zijn zij en ze ziet alleen zijn steeds kaler wordende kruin. Hij snurkt en gewoontegetrouw geeft ze een stomp tegen zijn schouder. Ze weet dat hij nu een paar minuten stil is en normaal gebruikt ze die tijd om zelf in slaap te vallen. Soms lukt dat maar nu wil ze niet slapen. Ze moet nadenken.

De onrust, ontstaan door de onvrede, sluimert al een tijdje. Het zou best kunnen dat het te maken heeft met het vertrek van hun jongste zoon Tom junior. Hij heeft een leuk appartement gekocht in Utrecht en woont daar samen met Joost. Zij weet dat het een vlucht is. Weg van een vader die niet wil accepteren dat hij op mannen valt. Die het niet kan laten om opmerkingen te maken en die, toen hij vertelde dat hij in Utrecht ging wonen, alleen maar zei: “Ja, flikker maar op!” om vervolgens heel hard te lachen om zijn woordspeling.

Ze begrijpt Tom niet. Toen ze hem, jaren terug al, vroeg waarom hij zo liefdeloos tegen zijn eigen zoon was heeft hij haar alleen maar aangekeken. Boosaardig. Somber. Op haar vraag of hij teleurgesteld was kreeg ze geen antwoord maar hij kon het niet laten op te merken dat ze Junior niet als een mietje op had moeten voeden. Toen zij zich liet ontvallen dat zij hoopte dat Junior en Joost samen gelukkig zouden worden had hij alleen maar schamper gelachen. Hij wilde ook niet mee om het appartementje op te knappen en alle keren dat zij naar Junior en Joost ging, vond hij het nodig om nare opmerkingen te maken.

Tom, de linkse, ruim denkende idealist van vroeger is, naarmate zijn carrière zich ontwikkelt steeds rechtser geworden. Was eerst de VVD zijn partij, tegenwoordig is Geert zijn man. Zijn schimpscheuten tijdens het dagelijkse ritueel van  ‘Journaal kijken’ kunnen haar onaangenaam treffen. Zijn opmerkingen over dat verdronken jongetje op de waterlijn maakten haar werkelijk boos en toen zij er een opmerking over maakte kreeg ze zijn dooddoener voor de zoveelste keer om de oren: “Mens, wat weet jij er nu helemaal van? Ik ga het je ook niet uitleggen. Je snapt er toch niets van.”

Nee, ze had niet veel geleerd vroeger. Ze had zich bekommert om de kinderen, zorg gedragen voor het huis en het eten. Zorg gedragen voor Tom die elke dag een schoon en gestreken overhemd wilde en specifieke eisen had voor zijn lunchpakket. Die kwaad kon worden als er ’s avonds geen biertje in de koelkast lag. Die zelf bepaalde welke representatieve auto er gekocht werd die zij vervolgens schoon moest houden. Maar nu de kinderen het huis uit zijn is de onvrede en de onrust begonnen. De toekomst met Tom boezemt haar angst in. Alleen voor Tom en het huis zorgen, af en toe op bezoek bij de kinderen….. is dat alles of is er meer? Ze weet best dat zij zich weggecijferd heeft omwille van Tom en de kinderen. Het is nu eenmaal haar aard en het was haar eigen keuze maar daarom nog geen vanzelfsprekendheid. Het maakte haar gelukkig om te zien dat het Tom en de kinderen goed ging. Maar nu? Is het juist nu niet tijd om opnieuw keuzes te maken?

Als Tom aan het einde van de middag thuis komt hangt er geen etenslucht in het huis. De tafel is niet gedekt. Er ligt wel een briefje:

“Ik ben weg en ik weet niet of en wanneer ik terug kom. Ik ben onderweg naar Griekenland of Turkije. De vluchtelingen daar kunnen mijn hulp vast wel goed gebruiken. Jij weet dat ik goed kan zorgen en dat ga ik nu daar doen. Als ik aangekomen ben laat ik je het wel weten. Er staat eten in de koelkast. Vanaf morgen moet je het dus zelf klaarmaken maar dat kan je vast wel leren. Er liggen drie gestreken overhemden op het bed. Ik heb de helft van ons spaargeld op mijn rekening gezet dus maak je over mij geen zorgen. Je hoort nog van mij. Liefs.”

Hij ploft op de stoel en herleest en herleest het briefje. Met een mompelend ‘Godverdomme, stom wijf!’ drukt hij zijn opkomend gevoel van bewondering weg.

 

©peter gortworst / feb 2016

foto: nl.dreamstime.com

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Lentegras

En eindelijk is het dan zo ver. Alles en iedereen heeft op deze dagen gewacht. Krokussen, hyacinten en narcissen staan in volle bloei en de eerste bomen krijgen een groene waas van beginnend blad. In de parkvijver baltsen de eenden en een meerkoet zwemt met nestmateriaal in zijn snavel naar zijn stekje in het riet. Het is lente.

Op één van de bankjes bij de speelweide zit een ouder echtpaar. Zij heeft haar jas uit gedaan en geniet met blote armen van de warme voorjaarszon. Hij heeft zijn jas nog aan. “Nou Ans, zo warm is het nou ook nog niet,” heeft hij gezegd. “Voor je het weet loop je weer te snotteren.”

Op het gras voor hen zit een jong stelletje in kleermakerszit tegenover elkaar. Beiden hebben een smartphone in hun hand. “Wacht even,” hoort het echtpaar de jongen zeggen. Snel bewegen zijn vingers zich over het apparaat en kijkt dan naar het meisje. Ook zij maakt enkele bewegingen met haar vingers, leest en schiet in de lach. “Nu ik!” roept zij en met vlugge vingerbewegingen gaat zij over het scherm van haar smartphone. “Ja, duh!” zegt de jongen als hij haar tekst leest en het antwoord wordt al weer geschreven.

De man van het echtpaar zit het aan te kijken. “Snap jij dat nou?” vraagt hij aan Ans, “Ze zitten bijna met hun neuzen tegen elkaar aan en toch praten ze samen met zo’n telefoon. Is dat een spelletje of is dat tegenwoordig normaal?” “Ja Jaap, dat is tegenwoordig normaal,” weet Ans, “Onze kleinkinderen doen dat ook.” “Nooit niks van gemerkt,” bromt Jaap die niet weet dat zijn vrouw hun kinderen en kleinkinderen duidelijk heeft gemaakt dat opa Jaap en moderne techniek geen goede combinatie is. “Hij begrijpt het niet meer. De techniek is hem te snel gegaan en als hij daarmee geconfronteerd wordt gaat hij zich gedragen als een narrige brombeer. Doe het maar niet als je op bezoek bent” zei ze tegen hen. Het is tot nu toe goed gegaan. Niemand wil opa als narrige brombeer zien dus thuis heeft Jaap ‘nooit niks’ gemerkt.

Het jonge stel communiceert nog steeds via die ‘moderne techniek’ en blijkbaar is het laatste berichtje van de jongen een voltreffer. Zij leest, zegt “Ah, dat is lief” en geeft een kusje op het scherm. Hij buigt zich voorover en zij doet hetzelfde. Ze zoenen elkaar en het zoenen wordt gestaag inniger. Dan rollen ze om en liggend in het groene gras gaan ze verder. Zij legt één arm om zijn nek en met de hand van de andere aait ze over zijn achterwerk.

“Ja hoor. Moet dan nou?” moppert Jaap. “Je hoeft toch niet te kijken?” merkt Ans op, “Er zijn genoeg andere dingen te zien als je er niet tegen kan.” Hij zwijgt en gaat demonstratief een beetje schuin zitten.

De jongen is gaan staan en loopt naar een bankje. Het meisje heeft zich op de buik gedraaid en met haar hoofd in haar handen kijkt ze de jongen na. Die neemt een aanloopje, springt op het bankje en gaat op de rugleuning zitten. De boosaardige, sombere blik van opa Jaap ziet hij niet. Hij pakt zijn smartphone en stuurt een berichtje naar het meisje. Haar apparaat laat een boemboemmuziekje horen. Ze kijkt op het scherm en schud haar hoofd. Ze draait zich op haar rug en trekt haar knieën op. Weer stuurt de jongen een berichtje en de enige reactie die hij nu krijgt is een opgestoken middelvinger.

“Dat had jij me moeten flikken,” zegt Jaap. “Toen wij jong waren bestond dat gebaar nog niet eens,” zegt ze en iets zachter voegt zij daar aan toe: “Jammer genoeg.” Geschokt hapt hij naar adem. Hij wil boos reageren maar ze is hem voor. “Zit je er nou nog steeds naar te kijken?” Hij voelt zich betrapt en houdt zijn mond.

De jongen is opgestaan en loopt naar de rand van de speelweide. Het meisje kijkt hem na maar als de jongen achterom kijkt draait ze snel haar hoofd weg. Tot zijn grote verontwaardiging ziet Jaap de jongen een paar narcissen plukken. “Wel potverdikkeme! Kijk dan wat dat tuig doet!” Hij gaat staan om “Hé, laat dat!,” te roepen maar Ans kent hem en trekt hem aan zijn jas terug op de bank. “Blijf zitten. Wacht nou maar even af.” Onwillig gaat Jaap op het uiterste randje van de bank zitten. Klaar om direct in de benen te komen en dat tuig flink de waarheid te zeggen.

Met drie bloemen achter zijn rug loopt de jongen naar het meisje. Ze weet wat hij heeft gedaan maar kijkt nu bewust de andere kant op. De jongen knielt en het meisje gaat zitten. Dan geeft hij haar de bloemen. Ze neemt ze aan en steekt haar neus in de trechter van een bloem. Dan zoent ze de jongen en al zoenend gaan ze liggen. Haar been legt ze over de benen van de jongen. “Gaan we weer,” zegt Jaap. Ans zegt niets maar kijkt met een kleine glimlach naar het prille lentegeluk. Het jonge stel gaat staan en met de armen om elkaar heen lopen ze weg. Hij draagt de bloemen.

 

Jaap en Ans kijken hen na. “Wat was dat mooi,” zegt Ans met een zucht,  “En zo romantisch…..” Jaap kijkt peinzend naar de veters in zijn schoenen en vraagt dan: “Maar zo iets deden wij vroeger toch ook? We hadden er alleen geen telefoon bij.” Hè?” zegt Ans, “Wat zullen we nu krijgen! Zo was jij helemaal niet. Dit hebben wij nooit gedaan. Ik kan mij niet herinneren dat wij samen ergens in het gras hebben gelegen.”

Jaap laat bewust even een stilte vallen. “O nee,” zegt hij dan, “Dat was met Leentje.”

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.nl.dreamstime.com / http://www.flower-direct.nl / http://www.ideboda.nl

 

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Gewoon, een geel bloemetje….

Maandagmorgen, buiten is het grijs, de ene regenbui volgt de andere op, een harde wind laat de auto schudden en ik sta links in de dagelijkse file.  Over de vluchtstrook rijdt een takelwagen. Het kan dus wel even gaan duren. Ik zet de motor uit, leg mijn handen in de schoot, zet mijn voeten op de mat en kijk een beetje om mij heen. Rechts de grote wielen van een vrachtwagen, links de middenberm. Een gedeukt blikje, een plastic zak, gras en een klein geel bloemetje.

Waarom schiet mij, uit een ver verleden, een tekst door het hoofd? De letterlijke tekst ben ik kwijt maar het kwam er op neer dat een mens is als bloem in het veld. Als de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

Wat bezielt dat bloemetje? Het is nog geen lente en de middenberm van een autoweg is nu niet de meest geschikte plaats om hommels of bijtjes te ontvangen. Wat een pech om juist daar je wortels te hebben. Misschien moet er binnenkort weer gestrooid worden en zout is niet iets waar je goed tegen kan. Voor je het weet ben je kapot en vruchteloos ten onder gegaan. Zal de enkeling die weet van jouw bestaan, je missen? Ik ben bang dat de tekst waar is: niemand kent jouw plaats meer.

Maar met mensen is dat toch anders? In de vaste overtuiging dat je pas echt dood bent als je niet meer genoemd wordt, schrijven wij namen op talloze monumenten. Of het nu gaat om het WTC in New York, gedenkboeken van overleden gemeenteleden in verschillende kerken, het visserijmonument op Urk, necrologieën, bermmonumentjes langs vele wegen, een monument naar aanleiding van een vliegtuigramp, hardop gelezen namen van weggevoerden uit Westerbork…. opdat wij niet vergeten.

Zolang je genoemd wordt ben je niet vergeten. Hoe kwetsbaar je als bloem ook was, men kent jouw plaats nog. Maar hoe zit dat met al die verdronken mensen in de Middellandse zee? Een hier gestorven man zonder papieren omdat hij illegaal in ons land verbleef? De doden die omkomen bij de zoveelste bomaanslag? De kinderen die omkomen van de honger of zomaar spoorloos verdwijnen? De dakloze die in de vrieskou sterft?

Worden hun namen nog genoemd? Zij zijn toch ook gekend? Komt hun naam op een monument of in een herinneringsboek opdat wij niet vergeten?

Er staan heel veel gewone gele bloemetjes in middenbermen die zowel kwetsbaar als kostbaar zijn. Ze sterven en niemand kent hun plaats meer.

 

Het verkeer komt weer op gang. Ongeveer 3 meter na hectometerpaaltje 103,2 L staat een gewoon geel bloemetje. De volgende keer even kijken als ik er aan denk……

 

© peter gortworst / feb 2016

foto: http://www.wildebloemen.info

 

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Het opfriscongres

“Help! Een writer’s block”

“Gevaarlijke routine!”

“Nieuwe artistieke uitdaging?”

Deze wervende teksten hadden mijn aandacht getrokken toen ik de kleurrijke folder van het “opfriscongres voor beginnende schrijvers” las.

Aanmelden was niet nodig en verwachtingsvol betreed ik nu de zaal. Samen met drie andere congresgangers had ik meer animo verwacht. De verwachtingen zijn er nog wel maar hoe zal deze dag verlopen? Het zou best een persoonlijk karakter kunnen krijgen: opgaan in een massa van vier congresgangers valt niet mee.

 

De voorzitter van dit congres is een jonge man. Hij heeft de uitstraling van een ambitieuze vastgoedverkoper en blijkt een praktisch mens te zijn. Als hij drie tafels aan elkaar schuift vraagt hij of wij daar willen gaan zitten.

“Ik zal mij eerst even voorstellen,” zegt de voorzitter. Hij vertelt dat zijn naam Dirk-Jan Dirkzwager is en zijn functie is een Engelse term die zeer indrukwekkend klinkt maar mij verder niets zegt.

“De opkomst valt wat tegen. Wij, als vernieuwende en onderscheidende uitgeverij, dachten er goed aan te doen om dit congres te organiseren en, afgaande op het aantal ontvangen vragen en opmerkingen, waren onze verwachtingen hoog gespannen. Wij zullen binnen onze organisatie moeten evalueren waarom de opkomst zo teleurstellend is en wij ontkomen er niet aan om ons kritische vragen te stellen over het stukje zingeving en stimulans dat wij beogen.” Hij kijkt ons indringend aan. Geen van ons voelt zich gestimuleerd  om een zinvol stukje duit in zijn organisatorische zakje te doen. Wel voel ik een lichte bewondering. Dat je zulke lange zinnen zomaar uit je hoofd kan uitspreken!

“Ja,” zegt hij, “we gaan het even anders doen. De bedoeling was dat ik met een powerpointpresentatie de drie onderwerpen, het writer’s block, de routine en de nieuwe uitdagingen plenair zou behandelen met ruimte voor vragen en opmerkingen gevolgd door de lunch. U begrijpt dat daar nu niets van terecht kan komen. Ik stel voor het klein te houden en laten wij maar eens beginnen om elkaar even te vertellen wie wij zijn en wat onze schrijfervaring is. Ik begin met mijn buurvrouw aan mijn rechterhand.”

Met een elegant gebaartje wijst hij zijn buurvrouw aan. Een lange magere vrouw van ongeveer vijftig jaar kijkt ons met een vlugge oogopslag even aan en vertelt dan dat zij Dinie heet. Zij schrijft alleen maar gedichten over engelen, goede geesten en positieve gedachten. Als wij vragen of dat niet erg moeilijk is beaamt zij dat en het moeilijkste is nog om gedichten te laten rijmen. “Daar komt de routine om de hoek kijken,” meent de voorzitter, “En een nieuwe uitdaging kan een ander rijmschema of onderwerp zijn.” Een kleine paniek wordt zichtbaar in de ogen van Dinie en onbedoeld geeft zij invulling aan de vraag of nieuwe uitdagingen ook gevaarlijk kunnen zijn voor je artistieke carrière.

Dat valt Dirk-Jan niet op en onverdroten gaat hij verder naar de volgende. “En u bent….?” Hij kijkt naar mij. Ik noem mijn naam en vertel dat ik een onregelmatige producent ben van verhaaltjes die meestal over mensen gaan. “Ik heb wel vaak een idee maar dat moet eerst broeden. Als ik daar klaar mee ben, kan ik gaan schrijven en dan blijkt het vaak toch anders te gaan dan ik dacht. Een verhaal achterelkaar door schrijven lukt niet en elke keer als ik het herlees verbeter ik weer zinnen of woorden. Maar leuk vind ik het wel en het meeste plezie……”  “Vind jij mensen ook zo mooi?” onderbreekt Dinie mij. Als ik wil antwoorden grijpt de voorzitter in. “Sorry, dit is een rondje kennismaken. Over het schrijven zelf gaan we het nog hebben. Wie is de volgende?”

De man naast mij blijkt Arthur te heten en hij schrijft ook verhaaltjes over mensen maar met dit verschil dat hij schrijft over mensen die bij hem in de winkel komen. Omdat het een zaak is waar elektrische dingen worden verkocht, komt er in elk verhaal wel een wasmachine, televisie, dvd speler, krultang of strijkijzer voor. Trots laat hij ons weten dat er met regelmaat stukjes van zijn hand worden gepubliceerd in het personeelsblad en met enige jaloezie horen wij dat aan.

De laatste deelnemer is Beatrijs. Een jonge vrouw die elke avond, voor het slapen gaan, een verhaaltje verzint voor haar twee schatten van kinderen en deze verhaaltjes daarna op schrift zet. Ze heeft al een schriftje vol en is er van overtuigd dat een zekere Annie M.G. ze prachtig gevonden zou hebben.

Terwijl Arthur onze koffiekopjes vult, legt Dirk-Jan drie dartpijltjes op tafel. Hij prikt een paar pagina’s van een krant tegen een houten plaat van het podium. “Het is tijd voor onze eerste opdracht,” deelt hij monter mee. “We gaan een kort verhaaltje schrijven. Ieder van ons gooit drie pijltjes naar de kranten en de drie woorden die je raakt, zijn de woorden die het onderwerp vormen voor je verhaal.

Dinie gooit als eerste en blijkbaar is het goed raak. Samen met Dirk-Jan schrijft zij drie woorden op. Mijn beurt. Ik gooi en gespannen ga ik kijken:

Ivoren; Pas; Het.

Ik ga aan één van de vele lege tafels zitten en staar naar mijn woorden. Het bloed stijgt langzaam naar mijn hoofd. Met deze woorden kan ik nog geen titel maken. `Het ivoren pas` ´Pas het ivoren` zijn nog het meest logisch maar kunnen domweg niet. De bloeddruk in mijn hoofd wordt achter mijn ogen voelbaar. Als ik naar de woorden staar beginnen ze te trillen. Een verhaal. Een verhaal waar deze woorden in voorkomen. ´Ivoren´ heeft te maken met olifanten of orgeltoetsen. ´Pas` een tijdsaanduiding? Een uitdrukking in een spelletje? Een doorgang in de bergen? Hannibal!? Trok die niet met olifanten door de Alpen? Het woordje ‘Het’ kan ik altijd wel kwijt in een verhaal maar die andere twee? Ik ga rechtop zitten, adem diep en kijk om mij heen. De anderen zitten gebogen over hun werk. Zij wel. Dirk-Jan kijkt mijn kant op en ik voel mij een betrapte schooljongen.

Wat heb ik geleerd? Inhoud! Ik moet nadenken over de inhoud. Wordt het satire of cynisch? Het moet in ieder geval duidelijk zijn. Niet eentonig. Schrijf ik het in de bedrijvende vorm of de lijdende vorm? Ik moet zinnen schrijven waar variatie in zit, niet te lang en niet leeg. Hoe zat dat ook alweer met pleonasme en tautologie? Die formule om te kijken of het goed leesbaar is, hoe was die ook al weer? En dan het uiterlijk van mijn verhaalfiguur en wat voor perspectief…… Maar wèlk verhaal!? Ik hèb geen verhaal!!

Ik weet het niet meer. De dunne lijntjes op mijn werkblad zijn nu ook gaan trillen. Als ik mijn naam linksboven op het papier wil zetten trilt mijn pen een boodschap in morse door de zaal. Ik heb drie woorden maar geen verhaal en het ‘block’ dat ik voel beperkt zich niet tot een ‘writers’. Aan mijn kleine beetje routine heb ik niets en deze nieuwe uitdaging heeft een catastrofale invloed op mijn artistiek. Ergens in mij knakt er iets en als ik mij een beetje ken, zal dit ook aan de buitenkant zichtbaar zijn.

Ik ga staan. Leg mijn pen keurig naast het lege werkblad. Ik verlaat de zaal en iedereen ziet mij gaan. Ze kunnen niets meer voor mij doen. Een gebroken man gaat de grote buitenwereld en een onzekere toekomst in. Artistiek geknakt, een laatbloeiende maar veelbelovende korenhalm voortijdig gebroken, geblockt, geen carrière, geen verhaal……

The writer just left the building.

© peter gortworst

foto’s: http://www.opus.nl / http://www.erikhatch.org / http://www.futuredocsblog.com

 

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Zebra(pad)

Soms kan je door een simpel nieuwsbericht aardig in de war raken. Zo lees ik dat een zebra niets heeft aan zijn zwart-witte vacht als het op camouflage aankomt. Het maakt voor leeuwen en hyena’s geen fluit uit of ze wel of geen gestreept uiterlijk hebben. Sterker nog: pas op 50 meter afstand worden de strepen voor hen zichtbaar maar dan kunnen ze hun, soms vruchteloos vluchtende diner ook al ruiken. De wetenschappelijke theorie dat deze dieren door hun bontje minder goed zichtbaar zouden zijn is door Canadese onderzoekers om zeep geholpen.

Geen bericht waar je in verwarring van zou kunnen raken ware het niet dat mijn gedachten een link maakten met een zebrapad. Dat is geen nieuw soort amfibie maar een voetgangersoversteekplaats. Men wordt geacht, wanneer men de straat over wil steken, dit bij voorkeur te doen via een dergelijke oversteekplaats. De kans dat daadwerkelijk de overkant wordt gehaald zou vele malen groter moeten zijn dan de kans om bij Petrus op schoot terecht te komen. Maar als de oude wetenschappelijke theorie waar zou zijn geweest begrijp ik niet dat men ooit een oversteekplaats heeft gemaakt die in de vrije wildbaan als camouflerend werd gezien. Als voetganger zou je je knap ongemakkelijk moeten voelen. Werkelijk gezien worden door de aanstormende DKW’s, Simca’s en Wartburgers zal vaker te danken zijn geweest aan de oranje knipperbollen of wakkere klaar-overs.

De vleeseters zien een zebra net zo goed als een springbok, gnoe of gazelle en die zwart-witte tekening dus op 50 meter afstand. Voor het gemak ga ik er maar even van uit dat de gemiddelde automobilist in de stad iets verder kijkt dan die 50 meter en dat betekent dus dat voetgangers, gelijk de gnoe, springbok of gazelle gewoon gezien kunnen worden. In tweede instantie zal, wanneer de gemiddelde automobilist op de bewuste 50 meter is genaderd, hij hopelijk de zebra zien liggen.  Gelukkig hebben wij gezamenlijk de afspraak gemaakt dat voetgangers op een dergelijk stuk weg voorrang hebben. Het is aan deze afspraak te danken dat wij, meestal, ongeschonden de overkant bereiken. Voor mij was de gedachte aan deze afspraak bevrijdend: het maakte een einde aan mijn verwarring.

Heeft het zebrapad dan nog een ander nut dan een zichtbare herinnering aan een gemaakte afspraak? De Canadese onderzoekers vroegen zich af waarom zebra’s dan, ondanks de wegvallende wetenschap, toch een zwart-witte vacht hadden. Het blijkt dat ze, dankzij die vacht minder aantrekkelijk zijn voor verschillende stekende insecten. Daar ligt ons bescheiden voordeel. Het zebrapad als veilige vluchthaven wanneer u belaagt wordt door wesp of mug. We mogen de wetenschap wel dankbaar zijn.

 

©peter gortworst / jan 2016

foto: http://www.refdag.nl

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…        

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Earth’s woes

Meestal zijn mensen niet zo scheutig met mededelingen over hun lichamelijke of geestelijke welzijn. De ‘inner circle’ wordt, meestal slechts dan wanneer de noodzaak daartoe bestaat, op de hoogte gehouden maar volslagen onbekenden krijgen niets te horen. Voor hen geldt het snel gegeven antwoord “prima” op de vraag “Hoe maakt u het?” of variaties daarop zoals “Hoe is het?”

Oppervlakkigheid, luchtigheid en beleefdheidsfrasen vieren hier hoogtij. Voor je het weet ben je een hypochonder, zeurpiet of iemand die altijd wat te klagen moet hebben en, uitzonderingen daar gelaten, dat is niet iets wat je graag wilt. Het zou ook onverwachte effecten hebben. Neem alleen maar de duur van een gesprek. Ons maatschappelijk verkeer zou danig ontwricht raken als mensen serieus gaan vertellen hoe het werkelijk met hen gaat en dan ook nog een luisterend oor vinden. Obers die bij de klant even aan tafel gaan zitten om te horen dat de vrouw, die een kopje koffie met een gebakje wilde nuttigen, zich grote zorgen maakt over haar dochter. Een automonteur die een kwartier extra tijd op de rekening van de klant zet omdat het verhaal over de verschoven rugwervels gedeeld moest worden. De rechter die op het prevelend “Hoe maakt U het?” van de verdachte, deze deelgenoot maakt van de zorgen die hij heeft over de werkdruk en de vrees dat de, door de rechterlijke macht genomen veroordelingen, daardoor mogelijk minder zorgvuldig tot stand gekomen zijn.

Onze maatschappij is hier niet (meer) op ingericht en ja, je mag je afvragen of we daarmee gelukkig moeten zijn.

Ons welzijn delen wij met hen die dicht bij ons staan en hoe dichter bij, hoe gedetailleerder de mededelingen worden. Het is daarom opvallend dat er plaatsen en momenten zijn waar deze schroom of de terughoudendheid weg valt. Zonder zichtbare moeite worden er aan mensen die je amper kent en misschien nooit meer ziet, mededelingen gedaan over zichtbare en onzichtbare kwalen en worden zorgen en diepe gedachten gedeeld over ‘hoe straks’, relaties en levensverwachtingen. Eén van die plaatsen is de plek waar de min of meer mobiele patiënten van een ziekenhuis mogen roken.

 

Zo is daar Arthur. Een grote, forse man op leeftijd. Hij is in zijn eigen rolstoel naar het ziekenhuis gekomen. Zijn rechter onderbeen was hij al kwijt en nu is de houten broodplank met de punt op zijn linkervoet gevallen. “….en ik heb suiker, dus dan weet je het wel….” laat hij veelbetekenend weten. Ferdinand heeft nog één long en nu is er iets met zijn darmen zodat hij een kunstmatige uitgang heeft gekregen. De slonzige en lange Manfred stond op een keukenstoel en is ongelukkig gevallen. Een gecompliceerde breuk in de bovenarm was het resultaat en verdorie, wat is het nu lastig om een shagje te draaien. Bij Netty, een broodmagere jonge vrouw, moeten de medicijnen bijgesteld worden. Ze bleef maar afvallen en dat was niet de bedoeling.

“En dan wil je werken en dat mag je en kan je niet. Anderen kunnen dat wel en die willen niet,” zegt Ferdinand: “Ik ben toch nog veel te jong om de rest van mijn leven een invalide te zijn?” Netty valt hem bij: “Ik ben in mijn hele leven maar drie maanden werkeloos geweest en nu heeft mijn baas laten weten dat er voor mij geen plaats meer is in het bedrijf. Maar hij is nog niet met mij klaar! Volgens mij kan dat niet zomaar!” “Ik had mij mijn pensioen ook anders voorgesteld,” doet Arthur een duit in het zakje. “Mijn huis heb ik zelf jarenlang lopen verbouwen, is helemaal afbetaald en nu moet ik het verkopen. Wie houdt er nu bij verbouwen rekening met iets van rolstoelvriendelijkheid?”

De zon is doorgebroken en ik besluit het groepje te verlaten en een kleine wandeling te maken door de tuin van het ziekenhuis. Op een bankje zit een mooie jonge vrouw. Zij lacht mij vriendelijk toe en door een klein stukje opzij te schuiven laat zij mij uitnodigend weten om even naast haar te gaan zitten. We raken aan de praat en het blijkt dat zij morgen onder het mes gaat.

“Ik ben drager van het BRCA-gen en morgen halen ze de eierstokken weg. Dat maakt mij het dominosteentje wat uit de rij wordt gehaald en zo de val van de rest voorkomt. Nee, dat is geen makkelijke beslissing. Het heeft mij jaren gekost om tot dit besluit te komen maar nu weet ik het zeker. Wat moet ik, als ik ooit een dochter gekregen zou hebben, tegen haar zeggen? Sorry, ik wilde gewoon graag een kind maar de kans dat je kanker krijgt is heel groot en jouw dochters kunnen het ook krijgen? Denk je dat ze mij dankbaar zal zijn?

Ik heb besloten de lijn van mij en die van het gen door te knippen. Ik plant mij niet voort en dat gen dus ook niet. Opoffering? Ja, zo zie jij het misschien. Voor mij is het een voorkomen van een heleboel ellende. Weet je, er zijn genoeg stellen die kinderen willen en waarbij het heel moeilijk gaat. Die al of niet met kunstgrepen blijven proberen en blijven hopen. Bij mij is het duidelijk: het kan niet meer. Punt! En ben ik daarom ‘minder vrouw’? Hangt het af van het vermogen om kinderen te krijgen of je een volwaardige vrouw bent? Wat een onzin! O, er zullen vast nog wel momenten komen dat het niet hebben van kinderen pijn zal doen maar dat is het resultaat van mijn eigen keuze.

Bijkomend voordeel is dat ik minder kans heb om kanker te krijgen. Goddank heb ik een man die helemaal achter mij staat. Adoptie? Misschien maar dat is nu nog net een brug te ver. Hoezo ‘je bent bijzonder’? Kijk om je heen. Zie jij hier, of waar dan ook, één gewoon mens rondlopen? Iedereen wordt door het leven geraakt. Is het niet door je eigen leven dan is het wel door het leven van een ander.”

 

Ik mocht de volgende dag naar huis en nam afscheid van mensen die ik waarschijnlijk nooit meer zal zien. Thuis zocht ik het slotkoraal op van een Bachcantate. Oude woorden die een nieuwe, andere lading gekregen hebben.

 

Subdue us by Thy goodness

Awake us by Thy grace

that men whose hearts are weary

may life anew embrace.

And though earth’s woes be near us

Thy Spirit still shall cheer us.

All praise and thanks to Thee.

 

(J.S. Bach, uit BWV 22)

 

© peter gortworst / aug 2014

….mocht je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vinden, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie