Kerstverhaal

Ik vind schrijfopdrachten niet leuk. Er zit iets in van ‘moeten’  en dat spoort niet met de levensfase waarin ik nu zit. Die zou je bijna een anarchistische fase kunnen noemen. Vroeger moest er van alles maar nu moet er nog heel weinig, vind ik. Als er nu iemand is die zegt dat er iets moet, ga ik vragen waarom. En wonder o wonder, vaak blijkt dat er van die noodzaak tot moeten weinig over blijft.   Ik kan wel zeggen dat het prettig leeft.

Een schrijfopdracht is dus iets wat met moeten te maken heeft en dat wringt. Het liefst schrijf ik als de inspiratie, de tijd, de gelegenheid of de zin er is en natuurlijk is het ook handig als er iets is waarover ik kan schrijven. Misschien is het wel goed voor mijn ontwikkeling als schrijver om buiten mijn comfortzone te gaan en mij te wagen aan een onderwerp met een tijdslimiet. Misschien komen er onverwachte talenten boven drijven en misschien treed ik wel buiten mijzelf. Lijkt mij wel een mooi en niet alledaags gezicht: zo’n mannetje voor zijn computer die, typend met twee vingers, een verhaaltje schrijft maar nee, ik pas. Ik ga niet in opdracht schrijven en al helemaal niet als ik zelf de opdrachtgever ben.

Hoe kon ik zo dom zijn om te beslissen dat er dit jaar een kerstverhaal moest komen? Ik schat dat er al twee eeuwen lang door tienduizenden schrijvers kerstverhalen geschreven worden. Alles wat een normaal mens verzinnen kan is al geschreven: een slecht geplande reis naar Bethlehem door een jong stel waarbij zij ook nog eens in verwachting is, diepe gedachten van een os, een ezel of, en hoe verzin je het, een kerstboom, de handel en wandel van een onontwikkelde herder die zichzelf plotseling in een stal vindt, in lompen gehulde en dus arme kindertjes die, met of zonder zwavelstokjes, doodvriezen, ingesneeuwde mensen die kerst vieren met droge beschuiten en ijskoud water, uit het zicht verdwenen gezins- of familieleden die uitgerekend op kerstavond op de stoep staan tot ruimtereizigers die de overblijfselen vinden van wat eens de ster van Bethlehem zou zijn. Verzin het en het is al eens geschreven.

En nu vindt deze sukkelaar dat hij een kerstverhaal moet schrijven. Waarom? Voor wie? Worden er überhaupt nog wel kerstverhalen gelezen? Toen ik jong en onbedorven was werd dat wel gedaan. Op de diverse verenigingen en natuurlijk thuis. Stichtelijke verhalen die ingebed waren in een religieus soort kerstviering waarbij niet het ‘amen’ het slot was maar het kerstdiner. Niet echt een ongedwongen feest. Er moest veel en er mocht weinig. Het moest natuurlijk gezellig zijn, van het eten moest je genieten want er was geld en veel tijd in gestoken, het ‘hoe hoort het’ was belangrijk en uiteraard zat je daar in je beste zondagse kleren.

Een kerstverhaal. In wezen is er maar één echt kerstverhaal en dat staat in de bijbel. Nee, van mij hoeft je het niet te geloven. Het is, historisch gezien, een onmogelijk verhaal. Maar wel één van de verhalen die diepe sporen hebben getrokken in de geschiedenis. Meer dan de schrijvers waarschijnlijk ooit voor mogelijk hadden gehouden en misschien wel meer dan hen lief was. Het is één van die verhalen die bepalend was en weer kan zijn voor onze huidige maatschappij. Je hoeft daarvoor niet diep gelovig te zijn of de grootste atheïst. Een gezond verstand en wat medemenselijkheid is voldoende. Want stel dat meneer Erdogan besluit om de ‘afspraken’ niet meer na te komen en de stroom vluchtelingen weer op gang komt. Dan hoop ik dat we de boer zijn die de stal ter beschikking stelt en dat er in de herberg wél plaats is voor al die Jozeffen en Maria’s.

Van mij dus geen zoete verhalen die de kerstsfeer zo gevoelig kunnen raken. De echte verhalen zijn al indrukwekkend genoeg.

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties

Lief beestje

Hun gezamenlijke hobby, misschien zou je het ook een passie kunnen noemen, heeft ze, toevalligerwijs, even samengebracht. Dirk zit al een tijdje op de boomstam te wachten op de havik die in het bos broedt. Als je het weet kan je het nest tussen de bomen door zien. Dirk zit er niet om te zien hoe een havik er uit ziet maar om te zien of ze er nog wel zijn. Er bestaan nu eenmaal idioten die met de meest idiote redenen menen dat een roofvogel geen reden van bestaan heeft. Het zal niet het eerste nest zijn dat uitgemoord wordt.

Achter hem klinkt geritsel. Als hij zich omdraait ziet hij een andere vogelaar omzichtig naderbij komen.
“Heb je ze al gezien?” fluistert hij.
Dirk schud zijn hoofd en schuift een stukje op om de ander ook een plaatsje op de stam te geven.
“Ik ben Willem,” zegt de ander, “Zit je hier al lang?”
“Kwartiertje en nog niets gezien.”
“Vorige week zaten ze er nog. We moeten maar even geduld hebben.”

Als twee mensen met een gelijke liefhebberij elkaar treffen is er altijd genoeg stof voor een mooi gesprek. Bij Dirk en Willem is dat niet anders. Ze hebben zelfs overeenkomsten. Zo ontdekken ze van elkaar dat ze, al hebben ze in hun leven al duizenden koolmezen, mussen of merels gezien, ze nog elke keer genieten van al die dagelijkse vogels. Geen haar op hun hoofd die er aan denkt om met vliegende vaart naar een onmogelijke plaats in Nederland te jagen omdat daar een zeldzaam vogeltje is gespot. Natuurlijk kennen ze het verhaal van de zeldzame bruine lijster die in Beijnum door een kat is gevangen. Jammer voor de lijster maar voor de soortenjagers voelen ze weinig medelijden.
“Denk je als bruine lijster in een vriendelijk en gastvrij land terecht te komen.” zegt Willem.
“Ha, ja, het is vast een vies politiek spelletje,” grapt Dirk.

Het gesprek gaat een wat filosofische kant op en als Willem vraagt welke vogel hij zou willen zijn, moet Dirk even nadenken. Vogel is vliegen is vrijheid. Een albatros komt voorbij maar ook een condor en een noordse stern tot de meest voor de hand liggende vogel in beeld komt.
“Ik denk een gierzwaluw. De enige keer dat zijn pootjes vaste grond onder de voeten hebben is tijdens het broeden en voeren van de jongen. Verder ben je alleen maar in de lucht. Lijkt mij wel mooi.”
Willem knikt nadenkend. “Ja, daar zit wat in. Dat zou best wel eens het ultieme vrijheidsgevoel kunnen geven.”
“En jij?” vraagt Dirk.
Willem grijnst even. “Ik wil geen vogel zijn. Ik wil een lieveheersbeestje zijn.”
“Hè?”
“Luister. Mensen hebben niet veel op met insecten. Vliegen zijn vies want die hebben misschien net op een hondendrol gezeten, muggen zijn je grootse vrienden als je wakker wil blijven, voor vlooien schamen we ons, vlinders zijn oké maar hun rupsen beslist niet en over spinnen en kakkerlakken zullen we het maar helemaal niet hebben. Toch is er één insect wat niet doodgemept wordt, wat we lief vinden en waar we met vertedering naar kijken. Dat is het lieveheersbeestje. Voor mij de allerbeste ambassadeur van het hele insectenrijk. En wie wil nu niet lief gevonden worden?”
Dirk wil net wat zeggen als plotseling tussen de bomen door, de havik naar het nest vliegt.
“Mooi hè?” zeggen ze samen.

Ze staan op en lopen het bos uit. Het afscheid is kort. Dat ze elkaar weer zien is zeer waarschijnlijk.

Het is weekend. Dirk zit op een terrasje en als hij een slok koffie neemt ziet hij over de rand van het kopje de mooie vrouw zitten. Ze zit twee tafeltjes verder en ze kijkt, met een leesbrilletje naar haar hand. Langzaam en met gracieuze bewegingen draait ze haar vingers naar beneden. Ze draait haar pols zo dat de vingers naar haar wijzen en traag draait ze door tot haar vingers naar boven wijzen en zij naar de binnenkant van haar hand kijkt. Dan staat ze op en loopt naar de plantenbak voor aan het terras. Ze buigt een beetje voorover en voorzichtig houdt ze haar hand bij het groen. Na even wachten komt ze weer overeind en loopt terug naar haar tafeltje. Ze ziet Dirk met een glimlach op zijn gezicht naar haar kijken.
“Lieveheersbeestje,” zegt ze.
“Willem,” zegt Dirk.
“Nee, dat was een lieveheersbeestje.”
“Ja, en die heet Willem.”

Stil en met de ogen een beetje toegeknepen kijkt ze naar hem. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich. Dan haalt ze haar schouders op, gaat zitten en draait haar stoel met de rug naar hem toe. Alle Dirken die krijsend hoog boven dit oude stadje cirkelen, ziet ze niet. Toch jammer.

© peter gortworst / nov 2016

foto: nl.dreamstime.com 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

A silent goodbye

Ik ben vanmorgen in de war. Mijn haar ook maar dat komt door de wind. Haren zijn met een kammetje weer netjes te krijgen maar met emoties en gedachten lukt dat niet. Soms moet daar wat tijd overheen gaan of een nieuwe frisse wind en een andere keer moet daar eens goed over nagedacht worden.

Hoe ouder je wordt hoe meer je van het leven leert en hoe minder je er soms van begrijpt. Gedurende je hele leven zijn er mensen om je heen die komen en gaan. Ze komen omdat het je schoolkameraden zijn, omdat het familie is van je partner, in hetzelfde bedrijf werken als waar jij je dagelijks brood verdient, ze ook lid zijn van dezelfde vereniging of kerk, het nieuwe buren zijn of je hebt ze leren kennen als klanten. En net zo makkelijk verdwijnen ze weer. Wegen die uit elkaar gaan lopen, scheidingen, ander werk, verhuizingen en natuurlijk die eeuwige dood.

Mensen die je hele leven bij je blijven als partner, vriend of vriendin zijn zeldzaam en dienen daarom op waarde geschat te worden.

We leven in een tijdperk van ongekende mogelijkheden. Het contact tussen mensen onderling is, zeker vergeleken met vroeger (Hoor! Opa spreekt!), ongekend makkelijk geworden. Mensen uit een ver verleden duiken plotseling op via sites als Facebook en mijn ervaring leert dat er met de eerste ‘o, wat leuk-opwelling’ beter even niets gedaan kan worden. Vaak blijkt dat het contact in het verleden het enige gemeenschappelijke is omdat het leven mij en de ander gevormd heeft en er weinig tot niets gemeenschappelijks is overgebleven. Maar een enkele keer bloeit er in het dorre landschap van het verleden iets op met beloften voor de toekomst. Er blijkt nog leven te zitten in het ogenschijnlijke dode hout en dat is mooi.

Eén van die hernieuwde contacten is met een oude schoolvriend. We zaten naast elkaar en spendeerden ook buiten schooltijd enige tijd samen. We verloren elkaar uit het oog en vonden elkaar na zo’n 40 jaar weer terug. Het contact was summier maar de afspraak om bij hem langs te gaan als ik mijn geboortegrond weer ga bezoeken, staat.

Het zal er niet meer van komen. Vanmorgen las ik het bericht dat hij gekozen heeft voor de dood.

En daarom ben ik in de war. Ik had zo graag zijn levensverhaal gehoord en het mijne vertelt. Herinneringen opgehaald en nieuwe gemaakt. Ik ben verdrietig en geschokt. Voel spijt en diep respect en met de, zo langzamerhand geleerde gelatenheid onderga ik deze nieuwe wending in het leven.

 

And the saddest thing
Under the sun above
Is to say goodbye
To the ones you love

All the things that I have known
Became my life, my very own
But before you know you say goodbye
Oh, good time, goodbye
It’s time to cry
But I will not weep nor make a scene
Just say ‘thank you life, for having been’

And the hardest thing
Under the sun above
Is to say goodbye
To the ones you love
No, I will not weep nor make a scene
I’m gonna say ‘thank you life, for having been’

And the loudest cry
Under the sun above
Is a silent goodbye
From the ones you love

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 8 reacties

Wijze Wendy

Het bankje dat de gemeente heeft geplaatst is van gerecycled plastic en hufterproof. Als je er op gaat zitten heb je een riant uitzicht over het doodlopende straatje. Er staan zeven huizen keurig op een rij. Ooit door de gemeente optimistisch genummerd van 1 tot en met 13 maar de kans dat de huizen met de nummers 2 tot en met 14 ooit gebouwd zullen worden is uiterst klein. Daartoe zou het in onbruik geraakte kanaal verlegd moeten worden en dat “kost te duur” zoals Wendy van nummer 3 zo mooi fout kan zeggen.

Toen de huizen gebouwd werden kreeg elk huis een tuintje van 2 meter voor de deur. Voor de tuintjes lag een trottoir van drie stoeptegels breed en dan een groenstrook van ongeveer vijf meter. Omdat het maaiplan van de gemeente niet werkte of de taakopdracht van de afdeling Groen niet begrepen werd, was de groenstrook meestal een biologisch zeer verantwoorde woestenij maar vaker een doorn in het oog van de bewoners.

Hoe gaat dat met plannen die ontstaan? Iemand komt met een idee, een ander haakt daar op in, er wordt gepraat, de tijd gaat er overheen, het wordt opnieuw aangekaart en gaandeweg wordt het idee een plan waar iets mee gedaan moet worden. Hier is het niet anders gegaan. Alle bewoners willen van de groenstrook af door het stuk grond van de gemeente te kopen teneinde het bij hun eigen tuin te voegen. In grote saamhorigheid worden twee bewoners aangewezen om de plannen uit te werken en bij de gemeente aan te kloppen.

Het blijkt een gevalletje van lange adem te worden. Er wordt gewacht op antwoorden, op rapporten van de nutsvoorzieningen, op beslissingen van de gemeenteraad, op vragen die gesteld zijn aan de notaris en het kadaster. Voortdurend worden de bewoners bij elkaar geroepen om de nieuwste ontwikkelingen te bespreken. Toch is er niemand die klaagt of het bijltje er bij neer wenst te gooien. Iedereen snapt het algemene belang en dat stralen ze zo duidelijk uit dat zelfs de politieke vereniging Ons Volk lovend spreekt over ’luisteren naar onze inwoners’  en ‘politiek van onderuit’. Dat de komende gemeenteraadsverkiezingen daar enig debet aan hebben is natuurlijk klinkklare onzin.

De kogel is door de kerk. De grond kan aangekocht worden en nummer 5 en 1 schieten met een onderhandse lening nummer 9 voor zodat iedereen mee kan doen. De gemeente haalt de stoeptegels weg, graaft de groenstrook af en stort deze weer vol met zwarte grond. Het kadaster plaats de piketpaaltjes en dan is het aan de nieuwe eigenaren om te doen wat zij van plan zijn. Met groot enthousiasme helpt iedereen iedereen. Voortdurend wordt er gespit en gepoot. Koffie vloeit rijkelijk, ovens bakken, bbq’s roken en goede adviezen over groei en snoei worden breed gedeeld.

Groot is de verbazing en de verontwaardiging als nummer 7 op een zonnige zaterdagmorgen houten palen de grond in slaat en er schuttingdelen van twee meter hoog tussen zet. Het mooie en weidse uitzicht over zeven keurige tuinen wordt wreed onderbroken door groenbruine bouwmarktschermen. Nee, daar hadden ze het onderling niet over gehad en ja, natuurlijk is het zijn eigen grond en mag hij daarmee doen wat hij wil maar fraai is het niet.

Wendy heeft er wel een mening over: “Het algemene belang zou het uiteindelijke doel moeten zijn. Helaas is dat voor veel mensen niet meer zo. Voor hen is dat belang de kruiwagen om hun eigen belang daar weer boven te stellen. Hier in de straat ervaren wij dat als bedrog maar laten we eens eerlijk zijn: in de gewone maatschappij is het algemene belang al heel vaak  geen doel op zichzelf meer. Het individualistische ‘wat zit er voor mij in’ en ‘hoe wordt ik hier beter van’ wordt, vaker dan mij lief is, daarboven gesteld en is zelfs leidraad geworden”.

Ik zit op het bankje van de gemeente en kijk naar de tuinen. Mooie tuinen die onderbroken zijn door een puist van ‘mijn grond’. Een symbool en een splijtzwam die de huidige maatschappij zo treffend weergeeft. Mooi gezegd, wijze Wendy.

©peter gortworst / nov 2016

foto: http://www.thewoodshop.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties

Inspiratie ?

Het is bekend dat de weg van grote schrijvers niet altijd over rozen gaat. Het zal u niet verbazen dat de wegen van alle (semi)amateurschrijvers dat ook niet doen. Mijn hoofd zit vol inspiratie maar ik krijg van al die inspiratiedingen geen letter op papier.

Zo is er in deze dagen genoeg aan mooie teksten te schrijven over de dood maar het kan ook te veel worden. Ik heb over doden geschreven, op één dag een echt requiem gezongen en een ander aangehoord, een dame gesproken die onlangs weduwe is geworden en blogs gelezen die met tedere liefde beschrijven hoe nabestaanden bezig zijn met de verwerking van verdriet over gestorven gezinsleden. Dat alles was voorlopig even genoeg ‘dood’. Die inspiratie moet dus maar even bewaard worden voor een andere keer.

Het dagelijkse nieuws geeft ook genoeg redenen om in de vorm van een oprisping van alles te schrijven en tegelijkertijd dringt zich de relevantie van het wereldnieuws zich aan mij op. Hoe de strijd zich in Syrië zich ontwikkeld, wie de nieuwe president van Amerika wordt of hoeveel zetels de PvdA na de verkiezingen nog heeft is misschien wel belangrijk maar het haalt het niet bij de zorgen die de bakker heeft over de bereikbaarheid van zijn winkel als ze de straat gaan openbreken voor de aanleg van een nieuw riool. De student die voor het tentamen staat, de vraag van ouders welke school voor hun kind het beste is, de werknemer van een bedrijf dat op omvallen staat, de zorgen en twijfel van kinderen waarvan de moeder in een verzorgingshuis zit, hebben, terecht, even geen boodschap aan al dat grote wereldnieuws. Het nieuws waar zij op zitten te wachten wordt geschaard onder ‘klein nieuws’ of helemaal geen nieuws. Dat maakt het schrijven daarover dus lastig. Je wilt schrijven met betrokkenheid en het gevaar wereldvreemd te worden door over grote wereldproblemen te filosoferen is levensgroot.

Anekdotes zijn er genoeg maar zo’n ding alleen is dat niet. Ik kan dan net zo makkelijk een goede grap vertellen. Ze volstaan als illustratie of aanleiding van een verhaal maar het verhaal zelf moet het doen. Het moet wel ergens over gaan. De lezer even tot nadenken stemmen of op het verkeerde been zetten is wel het minste wat ik met een verhaal graag wil bereiken. Het vervelende is dat het leggen van de link tussen anekdote en verhaal er even niet is. Hier dus geen te veel maar een gebrek aan inspiratie. Overigens is een niet onbelangrijk aspect dat ik niet alles nu gebruiken kan. Er staan in mijn bovenkamer figuurlijke kastjes met materiaal voor een boek. Of dat er ooit komt weet ik niet maar voorlopig laat ik het materiaal daarvoor nog even in die kastjes liggen.

Het jaargetijde werkt ook niet mee. Naderende kou, vallende blaadjes, korte dagen, weinig zon, veel wind en regen. Allemaal ingrediënten die niet, zoals in de lente, aanleiding geven tot sprankelende en levenslustige verhaaltjes.

Mijn notitieboekje dan maar. Ik heb het al verschillende keren doorgebladerd. Er staan genoeg ideeën in maar ik heb er nog geen verhaal bij. Vrij recent heb ik er iets in gekrabbeld en nu weet ik er absoluut geen raad mee. Geen idee waarom ik het opgeschreven heb en welke link het, met wat dan ook, heeft. Het is niet genoeg om een fatale kortsluiting in mijn bescheiden brein te veroorzaken maar een hinderlijke piekspanning is er zeker. “Gereserveerd op kont” staat er. Ik kan dan wel barsten van de inspiratie maar hier zwijgt de spreker stil en legt de schrijver zijn pen neer.

© peter gortworst / nov 2016

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 11 reacties

Luke Kelly

Als je warme gevoelens hebt voor het Verenigd Koninkrijk, je blij wordt als de kliffen van Dover aan de horizon verschijnen, je hulpvaardige en vriendelijke mensen ontmoet die sorry zeggen als jij per ongeluk op hun voet gaat staan, die je, zeker op het platteland, vriendelijk wuivend voor laten gaan en waar je steeds met plezierige verbazing kennis neemt van alweer een gedenkplaats betreffende King Arthur, dan hoort daar ook folkmuziek bij. Er zijn nog steeds talloze goede bandjes, prima zangers en zangeressen maar op mijn leeftijd is er slechts één constante groep en dat waren de Dubliners. Een groep die vijftig jaar bestaan heeft. Velen van ons kennen de originele bandleden: Barry McKenna, Ronnie Drew, Ciarán Bourke, Luke Kelly en John Sheahan.  Van deze originele bandleden is er slechts John Sheahan nog in leven wat betekende dat de band een aardig aantal wisselingen in samenstelling heeft gehad.

Eén van de dingen die tijdens mijn bezoek aan Dublin op mijn lijstje staat, is het bezoeken van het graf van Luke Kelly. Hij was zanger/banjospeler in de groep en had een mooie en karakteristieke stem. Vroeger had iedereen een bepaalde favoriet in een groep. Je had de Beatles maar de beste, leukste, mooiste was wel Paul of John of Ringo of George. Zo had ik dat bij de Dubliners. Luke is/was mijn favoriet en het leek mij alleen daarom al mooi om zijn graf te bezoeken.

Tijdens mijn bezoek en de weken daarna heb ik mij afgevraagd wat de kracht van folk is. Waarom kan daar, wat hier niet kan. Is het verschil in cultuur de oorzaak? Men zingt daar liedjes die over en overbekend zijn maar men zingt ze met hart en ziel. Ik heb in Schotland meezingende vrouwen in het publiek tijdens het lied Caledonia in tranen zien uitbarsten. Kom daar hier eens om. Misschien is good old Johnny Jordaan wel het dichtst bij gekomen maar krijg hier maar eens een kroeg of schouwburg zo gek dat ze ‘Op de grote stille heide’ het ‘Waar de blanke top der duinen’ of ‘Aan de Amsterdamse grachten’ uit volle borst mee gaan zingen. Aan nationalisme zou het zo langzamerhand niet kunnen liggen. Daar zingt men zonder gene ballades over een stad die ze dierbaar is, een mierzoet lied over man die afscheid van geliefde moet nemen, een kind met het downsyndroom en natuurlijk over whisky en bier.

Ik houd het maar op cultuurverschil maar dat meer zingen, meer zelf muziek maken goed voor iedereen zou zijn is voor mij een feit.

Ik neem de bus naar Glasnevin Cemetery en kom aan bij een monsterlijk gietijzeren hek met een enorme poort en een hoge toren. Rechts een restaurant en een museum. Links een kerkje waar op dat moment een kist naar binnen gedragen wordt. Een gering aantal nabestaanden volgt de kist. Achter de toren strekt zich de begraafplaats uit. Weinig stenen maar meer monumenten. De ene nog groter of hoger dan de andere. Hoe vind ik daar het graf van Luke? Ik vraag om raad in het museum. Daar kan ik een plattegrond kopen en na het afrekenen vraag ik of het graf van Luke daar ook op staat. Dat is niet het geval. Luke ligt begraven op de andere begraafplaats. “De weg en de parkeerplaats oversteken en via het bruggetje komt u op de begraafplaats.”

Een begraafplaats die wij zo niet kennen. Hier geen monumenten. Hier liggen of staan gewone grafstenen. Sommigen heel eenvoudig, soms slechts een houten kruis en een enkel graf wat meer geld heeft gekost. Aandoenlijke teksten, verweerde foto’s, lantaarntjes, verregende knuffels en verdorde bloemen. Het veld is opgedeeld in een aantal vakken en tussen de vakken kan je gewoon met de auto rijden. Ik dwaal tussen de vakken rond en heb geen idee hoe ik het graf zou moeten vinden. Gelukkig loopt er een vrouw die het wel weet. Ze leidt mij terug en bij een vak houdt ze stil. Ze wijst naar een witte pilaar die iets boven de andere grafstenen uitsteekt.

Het kan niet anders. Je moet over graven lopen wil je bij het graf van Luke komen en dat voelt raar. Staand op het graf van een ander kijk ik naar de steen die het graf van Luke markeert. Geen poespas. Hier ligt een man van het volk die met passie en overtuiging, volkse liedjes zong en daar wereldberoemd mee werd. Hier ligt een man die zich totaal niet op zijn gemak had gevoeld tussen alle hotemetoten aan de andere kant van het hek. Ik weet niet of hij vooraf vertelt heeft waar hij begraven wilde worden maar hij is hier volkomen op zijn plaats. Een jongen uit het volk die niets moest hebben van sterallures ligt hier tussen het ‘gewone’ volk. Een Dubliner tussen de Dubliners. Een betere plek bestaat er niet.

Ik geniet van het moment, maak een diepe buiging als ik afscheid neem en ga op zoek naar een bak koffie. Niet in het restaurant. Die verdienen al genoeg aan alle dure doden. Een doodgewone pub zonder poespas als de O’Donoghue’s Pub lijkt mij wel passend.

 

Het laatste officiële optreden van Luke. Hoe passend is de tekst.

 

 

 

© peter gortworst / okt 2016

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Wonder of duivelswerk

Er zal in de stad wel iets aan de hand zijn want het is ongekend druk. Vervelend als je maar een half uurtje nodig hebt om dat aan te schaffen wat je wilt. Overal langzaam rijdende auto’s die een parkeerplaats zoeken maar geduldig laat ik iedereen rustig voor gaan omdat ik weet dat er voor mij een parkeerplaats is.

Ik rij het voetgangersgebied in wat daar nog geen voetgangersgebied is. Dat is het pas na 100 meter. Op verstoord kijkende voetgangers reageer ik met een vriendelijk knikje en als je stapvoets rijdt is er weinig te klagen. Na 100 meter kan je rechtsaf en dat straatje loopt slingerend achter de winkelstraat. Dan kan je weer rechtsaf en daar is het parkeerterrein voor het huis van de pastoor. Het wordt afgeschermd door een rij metalen paaltjes maar het middelste paaltje staat er al lang niet meer. Er staat nog een auto en ik parkeer de mijne er keurig naast.

Voldaan begeef ik mij de stad in en met een klein half uurtje ben ik weer terug. Het middelste paaltje is ook terug van weggeweest en staat in volle glorie en standvastig zijn belemmerende taak uit te voeren. Het zit muurvast in zijn houder. Het gevoel ‘dat lossen we wel even op’ is nog in volledige sterkte aanwezig en gewapend met bahco en waterpomptang poog ik het slot te draaien. De bekken van beide gereedschappen zijn te groot en ander gereedschap heb ik niet. Er zit niets anders op dan de pastoor te vragen het paaltje los te maken. Met een ‘het spijt mij vreselijk verhaal’ al in het hoofd, bel ik aan. De pastoor is niet thuis of doet alsof. Het  mooie ‘oplosgevoel’ is verdwenen.

Ik ga op de hoge stoep zitten en vraag mij af wat ik nu nog kan doen. Het lekkere warme zonnetje verwarmd mijn hoofd en dat zal de aanzet zijn van het goede idee: hij is natuurlijk aan het werk en waar moet een pastoor anders werken dan in de kerk! De deur is open en ik betreed de stille ruimte. Bij Maria zit een vrouw geknield maar een pastoor is nergens te zien. Ik ga zitten en wacht. Misschien is hij zich aan het omkleden en komt hij zo uit de sacristie. Na een kwartiertje vermoed ik dat het zo niet zal gaan en ga ik weer naar buiten.

Mijn plekje op de trap is nog vrij. Nogmaals aanbellen levert wederom geen resultaat op. Verbeeld ik het mij of weten alle mensen die langs lopen en naar mij kijken, dat ik die sukkel van die auto ben die er niet meer uit kan? Ik sta op en loop het nabij gelegen park in. Even geen link met een opgesloten auto. Op een bankje overdenk ik mijn noodlot. Al weken parkeer ik daar elke dinsdagavond, samen met andere koorleden, mijn auto en nu staat daar plotseling een paaltje. Wat heeft die man tegen mij? Hij weet toch dat het mijn auto is? Zo’n opvallende auto moet hij toch kennen en toch sluit hij mij op. Ik begin verdorie zelfs een beetje kwaad te worden.

Ik loop terug en begin, omdat ik toch niets anders te doen heb, te proberen de paaltjes één voor één uit de grond te tillen. Het laatste paaltje trek ik, tot mijn grote vreugde, omhoog. Met een verbluffend staaltje stuurmanskunst kan ik er net door. Ik zet het paaltje weer terug en vertrek. Onderweg naar huis vraag ik mij af wat de pastoor nu zal denken. Onder welke categorie zal hij, zo lang hij geen weet heeft van dat losse paaltje, de verdwenen foutparkeerder kunnen scharen? Is het duivelswerk of valt dit onder wonderen? Ik heb het hem nooit kunnen vragen. Kort hierna is hij vertrokken omdat de bisschop meende dat hij ergens anders beter op zijn plaats zou zijn. Maar wie weet komt de verdwenen foutparkeerder ooit nog eens terug in een preek met, als het even kan, de nodige humor.

©peter gortworst / okt. 2016

Voorgrond foto: de paaltjes.

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

De muur

 

De overeenkomst tussen een koud, kil, donker huis en haar eigen toestand ziet ze niet. Al drie dagen ziet ze niets. Ze is lam geslagen. Als een zombie zit ze op de bank, strompelt doelloos naar de keuken, draalt daar wat rond, loopt de trap op en weer af en kruipt weer in een hoekje van de bank. Ze eet niets. Ze drinkt niets en ze weet vaag dat het niet goed is maar ze kan niet anders. Haar ogen zijn rood en haar keel doet zeer. Ze kan niet meer huilen. Alles heeft zij er de eerste dag er uit gegooid. Ze heeft geschreeuwd, met lange uithalen gehuild, tot bloedens toe haar neus gesnoten, eindeloos gesnikt en doof voor zich uit gestaard.

Ze heeft niets aan zien komen. Als een blikseminslag heeft het haar geraakt en ter aarde geslagen. Dat het onomkeerbaar was had zij direct door. Hier valt niets te verwachten of te hopen. Het grote waarom maalt door haar hoofd. Het overkomt toch altijd anderen? Waarom ik? Waar heb ik dit aan te danken? En hoe nu verder? Verder? Er is geen verder. Hier stopt alles. Een straks of later bestaat niet meer. Nooit in haar lange leven had zij gedacht dat het leven haar zo’n vernietigende slag zou kunnen toebrengen maar ze is te ver heen om daar ook maar één zinnige gedachte over te laten gaan.

Opgekruld zit ze in een hoekje van de bank. Het zoveelste papieren zakdoekje als een prop onder haar beschadigde neus houdend. Ze probeert na te denken maar er zijn maar twee dingen waar ze mee bezig is. Dat wat er is gebeurd en dat wat nog komt. Wat er is gebeurd is erg maar wat er komt ook omdat er niets komt. Ze ziet alleen maar een hoge zwarte muur die tussen twee rotsen is gemetseld. Aan weerszijden is er een, met mist en kou bedekte afgrond. Zij ziet zichzelf staan  op een, met grauwe, ruwe tegels bedekt pleintje voor die muur. Onoverkomelijk en niet te doorgronden. Dat beeld krijgt ze niet weg. Het is als een slechte droom die je de hele dag blijft achtervolgen. Achter die muur, gaat het leven verder maar het is voor haar onbereikbaar geworden.

Als het gebeurde te erg is en er geen toekomst meer is, wat moet ze dan nog? Ze is gevangen tussen dat wat was en wat niet meer komt. Ze denkt niet eens aan proberen omdat het leven alle zin heeft verloren. Haar twee jongens komen in haar gedachten wel voorbij maar wat kunnen zij nog doen om haar te helpen? Ze hebben genoeg aan hun eigen sores en ze zitten heus niet te wachten op een oude moeder met een groot verdriet en geen toekomst. Ze zullen zelfs beter af zijn zonder die moeder. Ze realiseert zich dat ze alleen is en dat ze het alleen niet redt.

Plotseling staat ze op en loopt naar de badkamer. Ze grijp het doosje slaappillen, de pijnstillers en reumatabletten en loopt er mee naar de keuken. Daar stamp zij alle pillen in de vijzel klein. Zorgvuldig want als kind had zij al een hekel aan klontjes in de pap. Het poeder gaat in een glas en roerend met een dessertlepel vult ze het verder met water. Met het glas in haar hand gaat ze naar de kamer.

Ze gaat liggen en schikt een paar kussens onder haar hoofd, pakt het glas en richt zich een beetje op. Ze zet het glas aan haar lippen maar durft geen slok te nemen. Ze zet het glas terug en spreekt, in gedachten, zichzelf vermanend toe. Dan probeert ze het weer en nogmaals lukt het niet. Ze gaat rechtop zitten en staart naar het glas. Dit is de enige uitweg. Drink het en alles is voorbij. Weg is de schaamte, het verdriet en de niet bestaande toekomst. Je gaat slapen en alles is voorbij.

Het lukt haar niet en het maakt haar wanhopiger dan ze al is. Als ze dit niet kan, wat moet ze dan nog? Als de enige uitweg die ze ziet ook afgesloten is, waar moet ze dan heen? ‘Godverdomme God!’ schreeuwt ze. ‘Doe dan een keertje wat!’ Ze grijpt het glas en krijsend werpt ze het tegen de muur. Hysterisch gillend begint ze met alles te gooien wat ze maar in haar handen krijgt en hoort daarom niet dat het raam van de keukendeur wordt ingedrukt. Ze ziet plotseling de buurman in haar kamer staan en ze valt op haar knieën. ‘Ik kon het niet! Ik kon het niet!’ snikt ze. Buurman gaat naast haar zitten en slaat zijn armen om haar heen. Ze verliest haar bewustzijn en hij voelt haar slap worden. Voorzichtig legt hij haar op de linkerzij, pakt zijn telefoon en belt 112. Zorgelijk kijkt hij naar de oude vrouw en zachtjes streelt hij het natte voorhoofd. ‘Kom op meid, God mag weten wat er aan de hand is maar we gaan je helpen hoor.’

 

©peter gortworst / okt 2016

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 9 reacties

Vogeltje

De twee dames zitten samen aan een tafeltje bij het grote raam. De ene dame is, als men het aardig wil zeggen, volslank. De andere dame is een mager, onwaarschijnlijk bleek en schril vogeltje. Haar puntige neusje steekt als een snaveltje parmantig naar voren en de kleine, donkere oogjes versterken de indruk van een vogeltje in ernstige mate. Ze keuvelen gezellig en genieten zichtbaar van het warme zonnetje en de bestelde lunch.

Het volslanke deel van het duo schuift de zorgvuldig weggesneden korstjes van het brood op het bord van de ander. Die begint deze, en haar eigen korstjes, in kleine hapklare brokjes te snijden. Ze doet dat heel secuur en is er daarom enige tijd mee zoet. Vervolgens schuift zij de vrucht van haar arbeid op het schoteltje van haar koffiekopje, dekt het af met een servetje en loopt daarmee naar buiten.

De stoep mag eigenlijk geen stoep heten. Het is meer een breed trottoir waar, op deze zomerse dag in het najaar, talloze mensen flaneren. De rijbaan wordt gevuld met hop-on hop-of touringcars, taxi’s, stads- en streekbussen en een enkele koets. De scheiding tussen de rijbaan en het trottoir wordt gevormd door vuilnisbakken, bushaltehokjes, onduidelijke kastjes en bomen die hun water Joost mag weten waar vandaan halen.

Bij de boom die voor deze eetgelegenheid staat, deponeert de magere dame haar brood. Niet op een hoopje, nee, ze verdeelt het gelijkmatig in een strook vlak naast de boom zodat de wandelaars het niet kunnen vertrappen. Nu heeft iemand eens geschreven dat er geen musje ter aarde stort zonder dat Onze Lieve Heer dat weet, maar het is mooi om te zien dat er mensen zijn die dat werk een beetje van Hem overnemen. Per slot van rekening zijn er belangrijker zaken waar Hij zijn handen aan vol zou moeten hebben en de economie wil ook wat. Aan alle mezenbollen, pindatorens, gevulde halve kokosnoten, voederhuisjes, drinkbakjes, kilozakken speciaal geselecteerde wintervoedingszaden en weet ik wat nog meer, wordt toch maar mooi een klein vermogen uitgegeven en dus verdient.

De dames hebben hun stoelen een beetje verzet. Zo kunnen ze optimaal genieten van hun werk. Liefdadigheid is natuurlijk belangeloos maar van een beetje resultaat mag je toch wel genieten? Ze weten best dat het leeuwendeel verorbert zal worden door de duiven en meeuwen maar behoren ook zij niet tot de ‘vogelen des hemels’?

Het noodlot voltrekt zich daarom voor hun ogen. In een poging om van het imago ‘dirty old town’ af te komen, heeft de gemeente diep geïnvesteerd. Het apparaat is er voor gemaakt om op trottoirs als deze zijn werk te doen. Twee ronddraaiende borstels vegen alles wat op vuilnis lijkt, voor een forse hollebolle zuigmond en als dit wonder der techniek voorbij is gereden, is ook het brood weg.

De ontzetting bij de dames van goede werken is overduidelijk zichtbaar. De kleine is gaan staan en de ander heeft haar hand voor de mond geslagen. Blijkbaar wil het schrille vogeltje naar buiten rennen maar de ander houdt haar bij de arm vast. Er is nu toch niets meer aan te doen. Aarzelend en met duidelijke tegenzin gaat ze weer zitten.

Ik kijk een beetje tegen het licht in maar toch is het heel goed zichtbaar. Het kleine schrille, bleke vogeltje heeft mooie rode blosjes op haar wangen gekregen. Ik weet het: een tijdelijk verschijnsel maar het kleurt nu even extra mijn dag. Jammer dat zij daar geen weet van heeft.

 

©peter gortworst / okt. 2016

foto: mapio.net

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Emoties en zo…

 

Voor M + M, P + M en W + R

Op weg naar huis. De A-weet ik veel is lang, recht en rustig. Alle tijd om zijn gedachten, bij een gangetje van bijna 100km per uur, de vrije loop te laten. Gedachten over andere wegen, emoties en hun uitwerking daarvan op een mens.

Wegen zijn rare dingen. Ze brengen je, als het goed is, waar je wezen wil en als het helemaal goed is, zijn het ook nog mooie, goed begaanbare wegen. Dat het niet altijd goed is weet hij als geen ander. Soms zijn wegen bijna onbegaanbaar, voeren langs diepe ravijnen, gaan door dalen die onherbergzaam zijn en voeren je over toppen die je nauwelijks kan halen. Eén ding hebben ze allemaal gemeen. Zo lang je in beweging blijft ligt die weg prompt achter je en altijd is er de hoop dat het beter, mooier, begaanbaarder wordt. Daar ga je naar toe met als extra een schat aan opgedane stuurmanskunst en inzicht.

Zo is het ook gegaan. De weg werd steeds beter en mooier en hij vindt zichzelf terug als een bermtoerist bij drie wegen en kijkt hoe de anderen het doen.

 

De wind kan je niet zien. De kou ook niet. Je voelt het wel, ziet de uitwerking in de vorm van buigende bomen, ijs op het water, windje in de rug of blauwe vingers. Zo is het ook met emoties. Soms zijn ze simpel maar meestal niet.

Verdriet is zichtbaar. Huilende mensen zijn toch verdrietig? Nee, dat klopt niet. Ze kunnen ook boos zijn of machteloos. Dom dat hij daar niet eerder aan denkt. Hij heeft zelf wel eens gehuild omdat hij niet meer wist hoe het moest. En zelfmedelijden? Kan je zo veel medelijden met jezelf hebben dat je daarvan moet huilen? En blijdschap dan? Dat heeft hij net nog gedaan. Gehuild van blijdschap.

Opwinding doet ook wat mensen. Sommigen gaan stuiteren en anderen gaan heel veel en heel snel of heel hard praten. Of ze krijgen een kleur en grote ogen. Dat krijgen mensen ook vaak als ze verrast worden. Dan gaan ze stotteren. Of ze worden heel stil.

Blijdschap kan je ook zien. Dan lachen ze, kijken blij, roepen ‘hoera’, slaan elkaar op de schouders, kussen elkaar, doen gek en natuurlijk dat huilen……

Hoe zie je trots? Hoe toon je trots? Ja, je kan het natuurlijk zeggen maar hoort daar een gezichtsuitdrukking bij? Is iedereen die met de borst vooruit en de kin hoog loopt trots? Misschien wel en waarom niet? Hij is het in ieder geval wel. Niet op zichzelf maar wel op de drie die hij ‘de mijne’ mag noemen. Ook op de drie die daar bij horen. Ook zij horen bij ‘de mijne’.

 

De bermtoerist staat langs drie wegen. Hij ziet ze gaan en is vervuld van blijdschap, grote trots en diepe bewondering. Ja, dat vooral want ze doen het toch maar. En hij doet gek, staat te stuiteren, huilt, roept ‘hoera’, stottert, staat met de borst vooruit en heeft de kin hoog.

Ik wens jullie mooie, lange en rustige wegen.

 

©peter gortworst / sept 2016

foto: nl.dreamstime.com

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Pink en Spaans bloed

Ze kan die andere meiden niet uitstaan. Een stel stomme wichten waar je geen enkel plezier mee kan beleven. In volkomen nutteloosheid brengen zij hun dagen door en als ze wel wat doen is dat van een onmetelijke domheid. Wat is het nut om naar iemand toe te rennen als deze voorbij loopt om vervolgens met wezenloze blik te gaan staren? Of helemaal uit je dak gaan als er eens iets lekkers wordt geserveerd? Dan zijn ze er als de kippen bij maar verder? Verder doen ze niets. Ze begrijpt ook niet waarom zij bij deze vier domme koeien moet blijven. Zij is anders. Zij onderzoekt elk hoekje en elke vierkante centimeter van hun verblijf, is bijna altijd druk en ongedurig en wil zo graag meer. Veel meer maar ze heeft nog geen idee van wat. Er zit onrust in haar bloed maar het zou net zo goed nog een beetje Spaans bloed kunnen zijn. Het zou haar niets verbazen. Ze vindt het heerlijk om haar lijf af te matten met hardlopen, springen en sprintjes trekken. Ze geniet er van om haar hart in haar keel te voelen bonzen en buiten adem te geraken. O, ze weet best dat het alleen maar naar haar kijken als zij aan het hardlopen is, haar lotgenoten buitengewoon vermoeid maar ze kan er niet mee zitten. Ze leeft, voor zover dat toegestaan is, haar eigen leven en dat wordt alleen maar beter als haar plannetje voor vanavond lukt.

Als het bijna donker is, staat ze op en loopt langzaam bij de anderen vandaan. Eén van hen kijkt op maar zegt of doet niets. Steeds verder loopt ze weg tot ze zeker weet dat de anderen haar niet meer kunnen zien. Het hek wordt dichtgehouden met een simpel stuk touw en als ze met steeds meer kracht tegen het hek duwt, knapt het. De weg naar de vrijheid ligt open.

 

Hij heeft al ontdekt dat het geen verschil maakt. Of je nu hondsmoe je bed in kruipt, vroeg of juist heel laat, met een slaapmutsje of een glas warme melk. De rare dromen blijven komen. Gelukkig niet elke nacht maar vaak genoeg om er toch eens goed over na te gaan denken. Het zijn dromen waar hij lichamelijk bij betrokken is. De hond die hij niet uit het kolkende water kon trekken en hem een zo machteloos gevoel gaf dat hij in tranen uitbarstte leverde hem echte tranen op. Jankend zat hij rechtop in zijn bed en het duurde even voordat hij zich realiseerde dat het een droom was. Nooit gelezen boeken of mooie teksten die hij in zijn dromen leest terwijl hij heel goed weet dat hij droomt. Gecompliceerde verhalen waarin hij van alles herkent en een mix van gebeurtenissen en plaatsen uit een ver of recent verleden. Meestal wordt hij wakker omdat hij zelf weet dat hij droomt maar het gebeurt ook wel dat hij er in blijft hangen. De droom gaat door terwijl hij meent echt wakker te zijn. Als het hem lukt om zijn bed uit te stappen en een glas ijskoud water te drinken, is de droom meestal weg. Het gekke is dat hij ’s morgens zijn best moet doen om de droom terug te halen en als hij dat niet doet is de droom gewoon vergeten.

De twee Jannen zijn er maar ook Cor en Harry. Oud collega’s die het blijkbaar goed kunnen vinden met Ronald, Ellie en Gert. Dat zijn nieuwe collega’s en hij vraagt zich af hoe en waarvan ze elkaar dan kennen. Hij wil zich onder hen begeven maar plotseling komt Siem uit het fietsenschuurtje met twee glazen bier. ‘Siem!!’ roepen de anderen maar hoe kennen ze nu zijn broer? Siem roept dat er nog veel meer bier is en iedereen rent naar het schuurtje. In de ruimte waar met moeite één fiets geparkeerd kan worden, staat op een werkbank een enorm vat met bier. Iedereen verdringt zich om dat vat en als hij om zich heen kijkt herkent hij de ruimte. Het is de werkplaats met de eeuwig smerige ramen, het hoge donkerhouten plafond, de gammele houten kasten en de overjarige machines. Hij meent zelfs de geur van metaal, petroleum, lasdampen en kogellagervet te ruiken. In zijn hoekje staat de oude Jaap de Goede aan zijn sigaar te trekken. Hij is al lang dood maar toch leuk om hem hier weer even te zien.

Gert komt vragen of er wel vlees is voor de barbecue. Een rare vraag want hij weet helemaal niet dat er een barbecue komt. Als hij naar buiten loopt staat er op de groenstrook van de gemeente een halve oliedrum, omgebouwd tot barbecue, te roken. Gert zegt dat hij wel even voor wat vlees gaat zorgen. Met een ‘verser dan dit krijgen we het niet’ loopt hij even later zijn tuin in. Aan een touw trekt hij een jonge koe mee. ‘Ga af!’ zegt hij tegen de koe en het beest gaat op zijn gazon liggen. ‘Als jij nu even je vleesmes pakt gaan we hem slachten’ zegt Gert.

 

Zodra ze door het hek is zet ze het op een rennen. Waarheen ze gaat weet ze niet maar ze is vrij. Ze rent over het fietspad, soms neemt ze de berm en een enkele keer de weg waar ook auto’s rijden. Felle koplampen beschijnen haar en toeterend halen ze haar in. Dan springt ze weer in de berm en in de roes van vrijheid ziet ze niets of niemand. Daar waar de huizen beginnen gaat ze langzamer lopen. Een man die zijn hond uitlaat springt, met zijn armen wijd, voor haar op de weg. Ze ontkomt door een zijstraat in te rennen. Ze wil blijven rennen maar het gaat niet meer. Het kaarsje is uit. Ze is moe en zoekt een plekje om te rusten. Via wat steegjes vind ze wat ze zoekt. Ze gaat liggen en gewoontegetrouw geeuwt ze één keer hardop. Straks, als het licht wordt gaat ze verder. Nu wil ze alleen maar rust.

In de keukenlade ligt zijn vleesmes. Een formidabel vlijmscherp mes wat hij nog even langs het wetijzer haalt. Het zal zo scherp moeten zijn dat hij in één keer de halsslagader doorsnijdt. Kan hij dit wel? Wil hij dit wel? In gedachten ziet hij de koe tegenspartelen met een mislukte doorgesneden keel. Hij heeft dit nog nooit gedaan en hoe meer hij denkt aan de opengesneden keel, al het bloed dat er uit zal stromen over zijn handen en kleren en de stervende koeienogen die hem verwijtend aan zullen kijken hoe groter zijn afkeer wordt. Het warme, zoete bloed zal in de grond trekken en altijd zal hij die weeë lucht ruiken. Toch loopt hij met het mes naar buiten. Terwijl Gert lachend de kop naar achteren trekt loeit de koe één keer. Dan is het genoeg. Hij voelt zich Spaans benauwd worden, laat het mes uit zijn handen vallen en vlucht kokhalzend zijn huis in.

Weer zit hij rechtop in zijn bed. Hij is werkelijk misselijk. Doodstil blijft hij even zitten en luistert of hij stemmen en feestgedruis hoort maar alles is rustig. Wanneer hij opstaat om water te gaan drinken schuift hij even het gordijn opzij om in de tuin te kijken. In het eerste ochtendgloren ziet hij de koe op het gras liggen en zo te zien leeft ze nog. Goddank. Gedroomd maar wat een akelige droom. Niet meer aan denken.

Het koude water doet zijn werk. Droomloos valt hij weer in slaap.

 

De eerste keer deurbel mist hij. Bij de tweede keer wordt hij wakker, schiet in zijn ochtendjas en haast zich naar de voordeur. Op de stoep staan twee agenten.

‘Er staat een koe in uw achtertuin. Is die van u?’

Ah! Gelukkig weet hij het antwoord:

‘Nee, daar kwam Gert mee aan. Geen idee waar hij dat beest vandaan heeft gehaald. Maar hij leeft nog hoor.’

Dan begint er iets te dagen en met grote vissenogen kijkt hij de agenten aan.

‘Er staat echt een koe in mijn tuin?’ vraagt hij zachtjes.

‘Mm mm’ knikken de agenten.

‘Een pink,’ zegt de ene nog.

Hij sluit zijn ogen en is even heel stil in een poging de chaos in zijn hoofd iets te ordenen. Het lukt voor geen meter

‘Dit ga je niet geloven’ stamelt hij dan langzaam.

‘Nou,’ zegt één van de agenten, ‘ik zou zeggen, probeer het eens.’

 

©peter gortworst / sept 2016

foto’s: http://www.gelderlander.nl / http://www.horecasupply.nl / http://www.dutchcows.com

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Ds. Lindeboomschool

Kort geleden kreeg ik van een vriendin uit Zaandam een oude foto opgestuurd. Op die foto staat de Lindeboomschool. Ik heb daar 1 jaar les gehad en het enige wat ik mij nog voor de geest kan halen is een boze Zwarte Piet die, bonkend op de ramen van de gymzaal, een lichte vorm van paniek veroorzaakte bij de onschuldige eerste klassertjes. Het was (de school bestaat niet meer) een opvallend gebouw. Niet alleen door het uiterlijk maar ook doordat het twee met elkaar verbonden scholen waren. Het ene deel was de christelijke school en het andere de openbare. De gymzaal werd door beide scholen gebruikt. De school is vernoemd naar ds. Lucas Lindeboom en toen ik de foto zag, herinnerde ik mij een verhaal over die dominee.

Om het één en ander te verifiëren heb ik mij een beetje verdiept in de geschiedenis van deze dominee en de gereformeerde kerk van Zaandam. Dat gaf veel stof tot lezen en nadenken. In een als socialistisch / communistisch bekend staande streek komt deze kerkelijke geschiedenis wat bevreemdend over. Naast de ‘rooien’ waren er blijkbaar genoeg Zaankanters die een christelijke levensstijl hadden en verantwoordelijk waren voor hun aandeel in het wel en wee van de kerken.  Hun kerkelijke geschiedenis is een aaneenschakeling van kerken bouwen en afstoten, opkomst en ondergang van diverse kerkgenootschappen, zich tegen elkaar afzettende meningen, geldzorgen, gaande en komende predikanten en zelfs naar America verhuizende gemeenteleden. Als je dit wilt nalezen:

http://gereformeerdekerken.info/2016/06/29/geschiedenis-van-de-gereformeerde-kerk-te-zaandam/

Het duizelt je soms van de namen die aan de verschillende stromingen of genootschappen werden gegeven en je moet je zeker niet afvragen waarom mensen uit een kerk stapten en hun eigen kerk begonnen. Zonder een beetje bekend te zijn met de ‘tale Kanaäns’ kom je daar niet uit.

Ds. Lucas Lindeboom werd op 17 januari 1845 geboren in Frankhuis, een buurtschap onder de rook van Zwolle. Na zijn studie in Zwolle en Kampen wordt hij in 1866 benoemd tot predikant in ’s Hertogenbosch. Het blijkt een nijver manneke die de kerkelijke gemeente daar geen windeieren legt. Het ledental groeit zodanig dat er een nieuw en groter kerkgebouw moet komen. Als hij in 1873 beroepen wordt in Zaandam gaat hij onverdroten voort. Het is een vurig evangelist die er niet voor terugdeinst om debat-avonden te houden met tegenstanders van het evangelie zoals de socialist en voormalig dominee Domela Nieuwenhuys. Hij richtte een landelijke zondagsschoolvereniging op, publiceerde veel en trok ten strijde tegen de zondagsarbeid. Door zijn optreden mocht de kermis pas na kerktijd beginnen met als gevolg dat er koeken te koop waren met een opschrift in bespoten suiker: ‘O foei, wat een sinecure, de kermis begint pas om 7 ure’.

De kerk in Zaandam profiteert optimaal van deze man. Van heinde en verre komt men naar hem luisteren en men ziet in dat er een groter kerkgebouw dient te komen. Als na een brand er enkele (houten) huizen aan de spoorstraat (nu stationsstraat) verdwenen zijn ziet men de kans schoon. De grond wordt aangekocht en na vele fondswervingen, donaties, giften en zelfs een met recht, vorstelijke gift van koninklijke bloede, wordt de kerk gebouwd. Op 16 februari 1875 wordt deze in gebruik genomen. In 2005 is de kerk buiten gebruik gesteld.

Wie zich een beetje verdiept in sagen en legenden komt de wonderlijkste dingen tegen. Eén aspect wat je in een aantal verhalen tegenkomt betreft het geloof. Daar zijn oude verhalen bij zoals die van de onverwoestbare hostie die in Amsterdam nog steeds de aanleiding is voor de stille omgang maar ook moderne. Zo is er het verhaal van de onbeschadigde bijbel die gevonden werd in de puin en asresten van het Pentagon nadat daar een vliegtuig op neerstortte. Weliswaar bleek na onderzoek dat het niet om een bijbel maar om een  woordenboek te gaan maar de rechtgeaarde christen heeft daar geen boodschap aan. Het is opvallend dat juist de bevindelijke gelovigen zo vatbaar zijn voor dit soort verhalen. Het zoeken naar een waarom zou dit artikel te lang maken maar als je het zelf wilt lezen:

http://www.statenbijbelmuseum.nl/site/media/De%20vuurvaste%20bijbel.pdf

Het verhaal wat ik toen hoorde is het volgende:

Toen dominee Lindeboom na een debatavond alleen naar huis liep werd hij opgewacht door twee socialisten. Zij hadden zich in de struiken verstopt en wilden die dominee met een pak rammel wel eens een lesje leren. Op het moment van de aanval bleek de dominee echter in het gezelschap te zijn van twee heren. Omdat ze het daar niet van zouden kunnen winnen is dat hele pak rammel niet doorgegaan. Toen de dominee dat later hoorde vertelde hij dat alleen hij daar gelopen had en van twee heren naast hem wist hij niets.

Dit noemt men een ‘engelenwacht’. De twee extra personen zijn engelen die op dat moment het potentiële slachtoffer beschermen.  Het verhaal staat niet op zichzelf. Er zijn meer predikanten aan wie dit verhaal kleeft en ook over vrouwen die dit soort bescherming genoten hebben, doen verhalen de ronde. Of ze op waarheid berusten? Geen idee. Voor wie er waarde aan hecht en bevestiging in zoekt misschien wel. Voor wie er niets mee heeft is het waarschijnlijk onzin.

 

Naar mijn mening, voor zover deze er toe doet, is het niet verwonderlijk dat in de Zaanstreek een dergelijk verhaal kon ontstaan. Ik neem aan dat, ondanks het feit dat de gelovigen in Zaandam tot een minderheid behoorden, hun invloed op het dagelijkse leven groot was. Dat niet iedereen daar even gelukkig mee was is evident. De onderlinge sfeer tussen de beminde gelovigen en de ‘rooien’ zal niet altijd even gemakkelijk zijn geweest en misschien dat daarin een grond ligt voor het ontstaan van zo’n verhaal.

Goh, wat een oude foto van een schoolgebouw waar openbaar en christelijk onderwijs gegeven werd al niet los kan maken……

 

©peter gortworst / sept. 2016

 

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Alles is kapot

De deur van de lege wachtkamer wordt voor hem geopend. “U kunt hier wachten tot u wordt opgeroepen,” zegt de man die met hem meegelopen is vanuit de portiersloge. Het is kwart voor. Over een kwartier is hij aan de beurt. Langzaam loopt hij naar een stoel bij het raam. Als hij wil gaan zitten, gaat de deur weer open en komt zijn advocaat binnen.

Samen met Greet, zijn vrouw, heeft hij een sigarenwinkel. Een kleine winkel maar wel in een drukke winkelstraat. Naast rookwaren verkopen ze ook tijdschriften, wenskaarten en natuurlijk snoep. Het is de enige winkel waar kinderen nog voor enkele centen snoep kunnen kopen. Vroeger, toen hij klein was, kon dat ook bij de sigarenboer. Hij weet nog precies hoe moeilijk en spannend het was om te kiezen wat  je voor een paar centen zou kopen. Je kon kiezen uit een suikerspek, of een blok druivensuiker, een trekdrop of een soldaatje. Lastige keuzes als je alles lekker vindt. Dit plezier wil hij de kinderen van deze tijd niet ontnemen en daarom kan het bij hem in de winkel ook. Tot zijn genoegen heeft hij gemerkt dat de kinderen van nu, daarin niets verschillen met die van vroeger.

Het is geen vetpot. Hij is voor 40 % afgekeurd maar op deze manier maken ze nog wat van hun leven. Ze kennen elke klant, nemen de tijd voor een praatje en als je even geen geld hebt, komt dat later wel. Ze kunnen er samen van leven en meer hebben ze niet nodig. Tot zijn pensioen zingen ze het wel uit. Hij zou ook loten kunnen verkopen en zo meer verdienen maar dat willen ze niet. “Wij willen geen hijgerige geldwolven in onze winkel. Ze kopen een lot en zijn weer weg. Dat zijn geen mensen voor een praatje,” hebben ze al verschillende keren tegen de vaste klanten gezegd die wel tijd hebben.

Het was een doodgewone donderdagmiddag. Hij ging met een paar brieven naar de post en Greet paste op de winkel. Toen hij terug kwam stonden er een paar mensen voor de winkel die naar binnen keken. “De politie is al onderweg,” zei een man, “het is gelukkig goed afgelopen.” Hij begreep het niet. Binnen trof hij Greet aan die gebogen over de toonbank stond. Ze was lijkbleek en met haar handen kneep zij zo hard in de rand van het blad dat ook de vingertoppen wit waren. Ze keek naar hem maar hij had niet de indruk dat ze hem zag. Hij wist niet hoe hij die blik moest omschrijven tot de therapeut later zei dat het wel eens pure doodsangst geweest zou kunnen zijn.

Twee, ogenschijnlijk normale jongens hadden een pistool onder haar neus geduwd en om geld gevraagd. Toen zij iets te lang aarzelde had hij vlak over haar hoofd heen, een schot gelost. De ander had ondertussen de geldlade gepakt en zonder iets te zeggen waren ze weggelopen.

Greet is niet meer wie ze was en het is maar de vraag of het ooit weer goed komt. Een vrolijke en krachtige vrouw is een angstig vogeltje geworden. De therapeut doet zijn best maar de nachtmerries zijn er nog steeds. Soms gaat ze ’s nachts haar bed uit. Dan vindt hij haar terug in de winkel waar ze gebogen over de toonbank staat en weer in de rand knijpt tot haar vingertoppen wit zijn. Overdag durft ze de winkel niet meer in. Er gaat geen dag voorbij waarop ze niet vraagt waarom het haar moest gebeuren en of ze niet beter op had moeten letten. Vragen waar hij geen antwoord op weet. Hij ziet alleen maar een vrouw die qua uiterlijk nog op zijn vroegere Greet lijkt. Ze kan om niets boos worden en zomaar een dag niets anders doen dan voor zich uit staren. Het heeft tijd nodig volgens de therapeut maar vooralsnog trekt deze stomme overval een zware wissel op hun relatie.

Het medeleven van de klanten en de andere winkeliers in de straat doet hem goed. Gisteren kwam de politie hem vertellen dat de twee daders zijn opgepakt. De bakker heeft een mooie taart gebakken en iedereen die in de winkel komt, wordt getrakteerd. Greet doet het niet zo veel. “Fijn,” zegt ze en dat is dan ook het enige. Toch begint het leven langzamerhand weer vorm te krijgen. Greet is nog lang niet klaar met de therapie maar er gloort een klein beetje licht aan het einde van de lange tunnel.

De winkelbel gaat en hij loopt vanuit de huiskamer de winkel in. Voor de toonbank staat een man. Deze man was hier gistermiddag ook en stond toen bij de tijdschriften. Hij keek meer om zich heen dan in het tijdschrift wat hij in zijn handen had. Terwijl hij een andere klant hielp dwaalde de man door de winkel. Uiteindelijk kocht hij een pakje sigaretten maar had meer aandacht voor de kassa dan voor het wisselgeld dat hij kreeg. Hij voelde zich niet prettig en nu blijkt waarom. De man trekt een kapitaal keukenmes onder zijn jas vandaan en eist geld. Vanaf dit moment gaat alles bijna vanzelf. In de hoek van de toonbank, niet zichtbaar voor de klanten, staat een honkbalknuppel. In het handvat heeft hij een schroefoogje gedraaid en er een sleuteltje aangehangen. Een knuppel is bij wet verboden maar van een sleutelhanger kunnen ze niets zeggen. Zonder woorden en in één beweging pakt hij de knuppel en met alle kracht, gevoed door al zijn verdriet en kwaadheid, zwaait hij deze in de richting van de overvaller. Deze wil bukken en wordt dus vol geraakt op de zijkant van zijn hoofd. Naast de doffe plof klinkt er een krakend geluid. De schedel verbrijzeld en als de man in elkaar zakt, loopt het bloed uit zijn oren, neus en schedel. Hij pakt de telefoon en belt 112. Als hij zijn naam en adres heeft gegeven zegt hij alleen maar: “overval” en gaat dan in de huiskamer aan de tafel zitten.

De agenten treffen een dode man aan voor de toonbank. In de huiskamer de middenstander die stil en zwijgend aan de tafel zit en een hysterisch gillende vrouw die rijp is voor opname.

Hij moet mee naar het bureau. Hij kan en mag niet naar huis. “Wij kunnen uw veiligheid niet garanderen,” wordt hem gezegd, “wraak is onvoorspelbaar.” Greet is opgenomen en thuis is geen thuis meer. In de cel maalt maar één woord door zijn hoofd: moordenaar, moordenaar, moordenaar.

Slachtofferhulp heeft geregeld dat hij snel een flatje kreeg van de woningbouwvereniging. De huur van de winkel is opgezegd en dankzij een gezamenlijke actie van de medewinkeliers en enkele vaste klanten is het huisraad verhuisd en de flat opgeknapt. Uit beleefdheid heeft hij ze bedankt. Ondanks alle goede adviezen en alle gesprekken gaat het hem niet goed. Hij is een gevangene in een vreemde woning. Af en toe bezoekt hij Greet maar die herkend hem niet meer. Elke dag zit ze als een zombie in dezelfde stoel naar buiten te staren. Wat moet hij tegen haar zeggen? Dat alles weer goed komt? Dat het met deze moordenaar goed gaat?

Hij weet zelf niet hoe het verder moet. De toekomst ligt als een onneembare, torenhoge zwarte muur voor hem. Misschien moet hij voor moord de cel in. Hij zou dat niet vreemd vinden. Hij heeft een mens gedood en dat is niet zo maar wat.

De advocaat loopt naar hem toe en geeft een hand. Hij gaat naast hem zitten en haalt een dik pak papieren uit zijn tas. Hij klinkt serieus maar er klinkt ook een ondertoon van optimisme door. “We beroepen ons dus op noodweer en zelfverdediging. De kans is zeer groot dat de rechter….” Waarom zou je luisteren als niets je meer interesseert? Alles is kapot en wat maakt het dan nog uit wanneer je als moordenaar in de gevangenis terecht komt? En als je vrij gesproken wordt wat stelt dan die vrijheid nog voor? Alles is kapot en niets kan hersteld worden.

Hij woont elf hoog. Een wrang geluk.

 

 

©peter gortworst / feb. 2012

foto’s: http://www.dejongenskamer.nl / http://www.mapio.net

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Kunstje

 

Op de stootborden van de lange stenen trap die leidt naar de bibliotheek in Los Angeles staan teksten in vreemde talen. Een paar zijn te herkennen. Chinese tekens pik je er zo uit net als het Hebreeuws, Russisch of Grieks.  Het Spijkerschrift is onmiskenbaar maar er zijn ook talen in tekens die volkomen onbekend zijn. Eén taal sprong in herkenbaarheid, boven alles uit: het notenschrift van de muziek.

Als er één taal universeel is dan is het wel de taal van de muziek. Overal op deze aarde wordt muziek gemaakt. Soms moeilijk in het gehoor liggend omdat we de harmonieën of tooncombinaties niet kennen maar het is muziek. Soms verweven in de taal waarbij je deksels goed op moet passen. Er is bijvoorbeeld een spraak waarbij een bepaalde klank op lage toon ‘varken’ betekent en op hoge toon ‘schoonmoeder’.

Muziek verbindt mensen, geeft troost, energie, vrolijkheid, moedigt aan, verstrooit, imponeert, geeft gevoel weer en geeft gevoel de vrije loop. Een leven zonder muziek kan ik mij niet voorstellen. Natuurlijk is niet alle muziek mijn muziek. Soms begrijp ik het niet of wil ik het niet begrijpen. Het kan mij irriteren en maakt mij onrustig of geeft een opgejaagd gevoel. Dat is niet erg. Er is voor elk wat wils. Gregoriaans, hiphop, blues, pop, klassiek, folk, jazz of hoempapa….. kies je voorkeur en het is er.

Muziek maken moet je leren. De kennis van het notenschrift komt je niet zomaar aanwaaien. Het bespelen van een instrument ook niet. Het bespelen van een viool, gitaar, orgel of drumstel zal je moeten leren. Zelfs het bespelen van een triangel omdat zo’n simpel stukje ijzerdraad meer klanken kan produceren dan je voor mogelijk houdt.

 

Voor mij zijn muzikanten kunstenaars. Daar heb je er meer van. Er zijn kunstenaars in de muziek maar ook in de schilderkunst, in proza of poëzie, in de beeldhouwkunst of architectuur. Je hebt ze in soorten en maten. Er waren enkelen die iedereen kent en die tot grote hoogte reiken zoals Bach, Appel, Mozart, Rembrandt, van Gogh, Berlage, Bomans, Wolkers of Rietveld. Ook nu zijn er kunstenaars die mooie, aansprekende kunst maken. Er zijn ook mindere goden zoals mijn buurman die geen versje foutloos op de piano kan spelen. Toch zijn het kunstenaars die iets moois wilden maken, die hun gevoel laten spreken en soms dwars tegen de stroom inzwemmen om nieuwe dingen te kunnen laten zien of horen. Dingen die wij, (vaak) onwetenden, niet altijd begrijpen of niet mooi vinden en het daarom richting ronde archief sturen. Nee, je hoeft niet alles mooi te vinden maar het minste wat je kan doen is proberen te ontdekken waarom het gemaakt is en soms is het goed om het gevoel meer te laten spreken dan het verstand.

 

De technieken die je moet leren om iets moois te maken kosten geld. Het is niet anders. Niemand kan leven van de wind en als er geen opdrachten zijn voor het maken van een compositie, schilderij, documentaire, film, boek, beeld, foto of gebouw stopt de kunstenaar met zijn kunsten. Dan zijn wij overgeleverd aan kunst die wat oplevert. In elke huiskamer een schilderij van een zigeunerjongetje met een traan op zijn wang. Op elk radiostation muziek die goed verkoopt, overal hetzelfde beeldje van Ikea en elk nieuw pand een voorbeeld van efficiëntie en zuinigheid maar zonder eigen ‘smoel’.

De lijn van de kunst, die begonnen is bij de eerste grottekeningen en via alle grote en kleine namen uit het verleden is gegaan, levert nu mensen op als Mannes Hofsink, Wilma Den Heijer-Phillipson, Harm Homan, John Sheahan, Wilbert Berendsen, Marlen Beek-Visser of Herman van Veen. Allemaal (deeltijd)kunstenaars die ook nu nog iets moois willen maken. Een leven, een wereld zonder kunst in welke vorm dan ook kan niet bestaan. Het zou een treurig leven en een treurige wereld zijn.

Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk dat er desondanks wel een politieke partij kan bestaan die geen enkele cent meer wenst te besteden aan cultuur. Zolang zij nog ziende blind en horende doof zijn vrees ik het ergste. Toch is er hoop middels een klein kunstje: Laat deze rechtse jongens links liggen en de kunstenaars kunnen hun dromen dromen om ons te trakteren op een veelbesproken en dus meningvormende nachtmerrie of een kunststuk van verbijsterende schoonheid.

 

©peter gortworst / aug. 2016

foto: http://www.vrijeschoolliederen.nl

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Pepernoten

 

Toevallig kwam ik deze week,
na een lange werkdag,
door het dorp Schoonebeek.
En ziet wat toeval vermag.

Geen avondeten in de koelkast
en op de route geen afhaaltent.
Maar hier, bij de COOP, hebben ze vast
iets eetbaars en gezonds voor deze vent

Speurend naar melk en kaas,
Brinta, boter, groente en fruit,
speklap en biefstuk van de haas,
kwam ik bij de aanbiedingen uit.

Terwijl velen nog vakantie vieren
er een hittegolf wordt verwacht,
ministers het land nog niet bestieren,
werd ik behoorlijk van mijn stuk gebracht.

Was ik die dag het werken moe?
Het zomers gevoel al naar de kloten?
Hier was ik echter nog lang niet aan toe:
Daar lagen zakken met pepernoten!

Ik stuiterde van verontwaardiging
en nee, ik ben niet gezwicht.
Wel ontstond er, als iets van zelfbevrediging,
een oprisping in de vorm van dit armetierige sinterklaasgedicht.

 

 

 

©peter gortworst / aug !!! 2016

foto: http://www.skyradio.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties