Mijn vader heeft een naam.

 

Veel van de ouderen die in een kring om het monument staan, kunnen zich de gebeurtenis nog als de dag van gisteren voor de geest halen. In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, is een ongeval met vijf doden een slag die allen raakt. Het was bijna vanzelfsprekend dat het voorstel om een monument op te richten, als herinnering aan die rampzalige dag, breed gedragen werd. Veertig jaren zijn voorbij gegaan en vandaag is het eindelijk zo ver. Het ‘Eigenlijk zouden we…’ is nu realiteit geworden. Er is gul gegeven. Het monument is klaar en betaald.

Hij kijkt de kring rond. De burgemeester die het monument zal onthullen, staat lachend te praten met de wethouder. Hij vindt dat niet gepast. Stoort zich er zelfs aan. Het is niet het moment om te lachen. Eén van de vijf mannen was zijn vader en straks, na de onthulling, mag hij de vijf namen noemen. Voor alle zekerheid heeft hij ze op een briefje geschreven maar eigenlijk is dat overbodig. Hij kan de namen dromen. Naast hem, op een campingstoeltje, zit zijn moeder. Hij legt zijn hand even op haar schouder, buigt zich voorover en vraagt of het gaat. Ze knikt en wacht met strakke lippen de gebeurtenissen af.

 

Vanaf het moment dat de volle omvang van de ramp duidelijk is, ligt er een dikke deken over het dorp. Alle vrolijkheid, al het plezier is weg. Het is de dag van het afscheid. De vijf kisten staan voor in de kerk. Hij zit met zijn moeder, zijn zusje en zijn broer voorin. Dat is bijzonder want hier zitten ’s zondags alleen de deftige heren met hun dames. Hij kijkt om en ziet dat de kerk helemaal vol is. Zelfs achterin, onder het orgel, staan mensen.

Als de dienst begint moet hij omhoog kijken om de dominee te zien. Hij weet dat je naar de dominee moet kijken als hij praat maar hij kan zijn ogen ook niet van de kist afhouden. Daar, die één na laatste kist, daar ligt zijn vader in, hebben ze gezegd. Het is niet in hem opgekomen om zelf te willen kijken en als het wel zo was dan zou zijn moeder het hem verboden zou hebben. Het is niet goed als een jongetje van zeven jaar zijn dode vader ziet.

 

Het was vaak verwarrend om de oudste zoon te zijn. Wel de verantwoordelijkheid als de oudste krijgen, het ook zo voelen maar niet mee kunnen beslissen. Moeder bepaalde hoe en wat. Streng, kortaf en zonder veel uit te leggen. Lichamelijk contact beperkte zich tot een draai om je oren en aan praten werd helemaal niet gedaan. Niet over gevoelens en zeker niet over zijn vader. Hij weet nog heel goed dat hij zijn moeder, jaren nadat het was gebeurd, vroeg om iets te vertellen over zijn vader. De summiere herinneringen van een kind waren hem niet genoeg. Hij had de behoefte gevoeld om meer te willen weten. Zijn er foto’s? Hoe was hij? Wat voor man was mijn vader? Ze heeft hem strak aangekeken met ogen die iets van boosheid in zich hadden en geen woord gezegd. Hij heeft nimmer geweten waar dit nooit praten over, dit dodelijke zwijgen vandaan kwam.

 

Het leven was hard maar je wist niet beter. Een te karig pensioen veroordeelde zijn moeder tot het aannemen van allerhande baantjes. Oom Rein, de buurman, heeft altijd zo goed als hij kon geholpen en zijn vrouw, tante Bep, zorgde voor hen als moeder aan het werk was. Het was, naar de maatstaven van nu, armoede en de diakenen van de kerk zaten niet voor niets regelmatig aan de keukentafel. Ze konden uiteindelijk alle drie doorleren en hij weet hoeveel offers daarvoor gebracht zijn.

 

De burgemeester was er niet toen het gebeurde en in zijn toespraak is dat te horen. Algemeenheden, holle frasen en obligate dankwoordjes. Dan onthult hij het monument, doet een paar passen achteruit en buigt diep. Goddank, niemand die het in zijn hoofd haalt om te applaudisseren.

Het is zijn beurt. Bij de microfoon gekomen wacht hij tot de vijf kinderen die een kaars op de sokkel zullen zetten, klaar zijn. Hij noemt de eerste naam en de eerste kaars wordt op de plaats gezet. Het is doodstil. Iedereen voelt de geladenheid van deze herdenking. De laatste naam is die van zijn vader en hij ziet zijn jongste dochter klaar staan. Ze gaat een kaars zetten bij het monument wat ook voor opa is. Een opa die ze niet kent en waar hij niets over kan vertellen.

“En als laatste, mijn vader, Leen Kloosterman.” Op het moment dat hij de naam noemt, dringt het tot hem door. Een steek in zijn maag laat hem bijna dubbelklappen. Hij grijpt de stang van de microfoon. De tranen lopen hem plotseling over de wangen en dan herpakt hij zichzelf. Vanuit een mengeling van trots, opluchting en bevrijding is het besef doorgedrongen: de naam van zijn vader is hardop uitgesproken. Voor het eerst sinds zijn begrafenis is zijn naam weer geroepen: voor iedereen hoorbaar, luid en duidelijk. Het zwijgen wat de doden doet vergeten, is verbroken. Zijn vader doet er toe en heeft een naam.

Hij kijkt naar zijn moeder. Ze is gaan staan en komt langzaam naar hem toe. Ze glimlacht met vochtige ogen en voor het eerst in hun leven omhelzen ze elkaar. Onhandig en onwennig maar met een belofte voor de toekomst.

 

©peter gortworst

foto: http://www.msn.com

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

Dit bericht werd geplaatst in eerder en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Mijn vader heeft een naam.

  1. kurpershoekirma zegt:

    Je hebt het.weer voor elkaar gekregen dat ik tranen in mijn ogen heb, Peter. chapeau!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s