Orde, rust en regelmaat -26-

De laatste.

Toen kon ze nog op schoot…..

 

Nog een paar dagen en dan wordt ze 1 jaar. Tijd voor de 26e column over haar en hem. Het is tevens, met grote mate van waarschijnlijkheid, de laatste. Een heel jaar aan vreugdevolle, lastige, onbegrijpelijke, verrassende, ontroerende, humorvolle, tandenknarsende en schaterende belevenissen is vastgelegd en daarmee is het ook wel mooi geweest.

Niet dat Kuri inmiddels een gearriveerde, rustige en welopgevoede huisgenoot is geworden. Bijna dagelijks maakt hij wat met haar mee. Zo was daar het dagje aan het strand. Een Hollandse hond die nog nooit de zee heeft gezien, kan natuurlijk niet. Dat ze wat last had van haar darmen mocht de pret niet drukken. Een autorit van meer dan twee uur ook niet. Het zand alleen al was een belevenis: het stuift, je kan er hard in rennen en keren. Graven is helemaal het einde. De zee was eerst eng. Golven die zomaar verdwijnen, die maken dat je plotseling moet zwemmen en je ook nog terugduwen. Maar die tennisbal. Die zal, hoe dan ook, gehaald moeten worden.
Toen hij op de terugweg in Den Oever een haring hapte en een bakje kibbeling verorberde, weigert ze een stukje kibbeling. Raar maar de oorzaak werd duidelijk toen hij net de eerste sluizen van de Afsluitdijk gepasseerd was. Ze buigt zich voorover en produceert een kleine binnenzee met wat laatste resten van onverteerde brokken. De eerste mogelijke stop was het monument. Daar met een bekertje de wateroverlast, zo goed als mogelijk, bestreden en toen herinnerde hij zich dat zout water een prima braakopwekkend middeltje is. Net weg bij het monument verplaatst zij zich naar de laadvloer. Mocht hij vergeten zijn dat haar darmen niet helemaal in orde waren, zij laat hem wel weten dat het nog steeds zo is. De strontgeur verdwijnt niet met de ramen open en de eerste stopmogelijkheid is Breezanddijk. Een volle keukenrol als standaard auto-uitrusting lijkt hem in het vervolg geen slecht idee. Op de terugweg kip gekocht en haar, weer thuis, op een rantsoen van gekookt pluimvee met rijst gezet.

Een bezoekje aan het Tierpark in Nordhorn werd een belevenis waar zij, in de nacht die daarna kwam, heel veel van verwerken moest. De biggetjes waren leuk, de koe en de ezel groot, de aapjes niet interessant maar alle kinderen wel, de panter zag ze niet, de eenden onbereikbaar en de wolven gelukkig ook. Een glasplaat belette het lijfelijk contact tussen haar en de nazaten van verre voorouders. Dat was maar goed ook. Wolven, grommend en blaffend met de tanden bloot aan de ene kant en zij, borstelend van haar kruintje tot haar staart, aan de andere kant. Dat heeft indruk gemaakt. Een nacht met piepen en trekkende poten was dan ook niet verwonderlijk.

Bezoek is altijd leuk en op bezoek gaan, ook. Aandacht is het beste wat er is en ze leert al aardig dat je met kleine kinderen een beetje voorzichtig moet zijn. Dat valt niet mee voor een dame met een aangeboren lompheid maar ze doet (meestal) haar best. Dat doet ze ook met het opvolgen van commando’s. Vaak luistert ze maar de Oost-Indische doofheid slaat op cruciale momenten toe. Als er bijvoorbeeld een paar eenden in een moddersloot zitten of als er een jogger in een nogal strak pak van onnatuurlijk groen met roze (wie wil daar nu in lopen?), halt houdt om een praatje te maken. Dan kan je heel braaf aan de voet zitten maar zo’n man vráágt gewoon om aandacht. Het snoeiharde ‘NEE!!’ van de baas komt niet eens aan. Laat staan dat er naar geluisterd moet worden.
De drang om joggers, fietsers, trekkers, audi’s of toyota’s te apporteren is nog niet helemaal weg. Soms waagt ze het begin van een spurt maar zijn uitroep ‘Lekkers?’ wint het nog steeds. Dat lekkers in de vorm van stukjes kaas of gekookte worst zal altijd wel de motivatie blijven. Hij denkt niet dat ze daarin veel verschilt met soortgenoten.

Bijna 1 jaar dus en hij is blij met zijn trutje. De diepe zucht als ze haar kop op zijn been legt, het lekker tegen hem aanleunen als hij ’s morgens buiten op het bankje wakker zit te worden, het op je voeten gaan liggen als ze tijdens de wandeling even verplicht uit moet hijgen, het enthousiast komen brengen van haar kong als hij dat vraagt, het bij hem willen zijn als dit soort verhaaltjes geschreven worden….. het is genieten met een dikke vette G.

Het laatste verhaaltje van hem met zijn trutje. Zoals eerder geschreven is dit met een hoge mate van waarschijnlijkheid. Bij deze beloof ik haar trouwe fans dat, wanneer er belangwekkende gebeurtenissen plaats vinden, daar verslag van wordt gedaan. Die zullen niet geplaatst worden onder het hoofdstuk ‘Orde, rust en regelmaat’. Ik denk dat er een nieuw hoofdstuk gemaakt gaat worden. Welk weet ik nog niet. Komt tijd, komt raad. Voor nu neem ik afscheid. Hoog tijd om mij bezig te houden met de voorbereidingen van de verjaardag. Het ga jullie goed! Waf!

 

© peter gortworst / sept. 2018

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , , , | 5 reacties

Schrijver op de berg

 

Het bankje waar hij op zit is een halve boomstam en staat onder het ver doorlopende dak. Leunend tegen de houten gevel van het huisje kijkt hij uit over het dal. Niet dat daar veel te zien is. De regen valt overvloedig het uitzicht is met veel grijs en mistige flarden wolk zeer beperkt. Ook de stilte die hij gehoopt had hier te horen is daardoor weg. Het onbedaarlijk ruisen van de regen omringt hem en het water, wat via de regenpijpen over de aarde wegloopt, klatert niet vriendelijk maar bruist en dondert als een bezetene. Hoe lang dit gaat duren weet hij niet. Het enige wat hij weet is dat hij met dit rotweer wakker is geworden. Zijn mobieltje heeft geen bereik en als ze hier al iets hebben van een regenradar, heeft hij daar niets aan. Hoewel zijn oorspronkelijke plan best goed in elkaar zat, is alles is anders dan hij zich heeft voorgesteld. En dat ‘alles is anders’ is niet leuk.

Waarschijnlijk is gebrek aan slaap de oorzaak van zijn loslippigheid. Op een donderdagmorgen op je werk komen met een kop als een natte dweil roept bij een oudere collega de vraag op of hij slecht geslapen heeft. Zijn ‘Nee, het is laat geworden’ geeft een logisch ‘waarom?’ en dient natuurlijk ook beantwoord worden. Als hij, een tikje blozend, vervolgens bekent dat hij een boek aan het schrijven is en daar een groot deel van de nachtrust aan opgegeven heeft, wordt het plotseling voor die collega interessant. Dat had hij niet achter hem gezocht. Goh! Een doodgewone collega die een schrijver blijkt te zijn!

Als hij dan toch met de billen bloot moet dan ook maar helemaal en hij vertelt. Niets over de inhoud van het boek, nou ja, de grote lijnen, maar meer over de moeite die het kost om te kunnen schrijven. Dat moet in de gestolen uurtjes. In de weekenden en ’s avonds laat als de kinderen naar bed zijn en Janneke, zijn vrouw, voor de tv zit. Nee, zij vindt het niet leuk dat hij een boek schrijft. Het is ongezellig om alleen op de bank te zitten, alleen in bed te kruipen, een man in huis te hebben die er eigenlijk amper is. Hij begrijpt Janneke best en hoe vaak en hoe bevlogen hij ook aan haar vertelt dat zijn boek hun de kans geeft om uit de sleur van alle dag te komen, wat voor leuke dingen ze met het geld kunnen gaan doen, ze houdt haar twijfels en het lukt hem niet om haar enthousiast te krijgen. Zich spiegelen aan andere schrijvers die ook moeite hadden met hun eerste boek en hun armzalig bestaan, beurt hem dan wel op maar Janneke niet. Die meent dat er wel betere manieren zijn om extra geld in huis te halen maar zij heeft niet die drang die hij bijna dagelijks voelt. De drang om scheppend bezig te zijn, je waar te maken, uit te stijgen boven al je vrienden, kennissen en collega’s. Bekend en vooral gekend worden als iemand die meer kan dan men dacht.
Het hele verhaal, alle personages, alle gesprekken, alle sfeerbeschrijvingen, alle omstandigheden en zelfs het plot heeft hij al in zijn hoofd zitten. Als hij maar een paar dagen achter elkaar kon doorschrijven dan zou het boek zo goed als af zijn.

Als zijn collega hem zegt dat hij een huisje weet in Duitsland waar je door niemand gestoord wordt, komt dit als Gods woord in een ouderling bij hem binnen. Het is een beetje primitief maar het ligt prachtig tegen een bergwand met uitzicht over een dal. De weg daar naar toe loopt dood bij het huisje dus daar komt niemand. Zelf gaat hij daar in de zomer vaak naar toe en hij kent de verhuurder goed. Het is een boer die in het dal woont en hij kan deze man wel bellen om te vragen of je daar in een weekend terecht kan.

Het valt nog niet mee Janneke te overtuigen. Hij een beetje vakantie vieren in de bergen en zij opgesloten zitten in huis. Geen auto voor de deur want die heeft meneer mee en vrijdagmorgen gauw boodschappen doen voor het hele weekend omdat hij zo nodig vrijdagmiddag al wil vertrekken. Er vallen termen als ‘rotboek’ en er is zelfs sprake van enige achterdocht. Zijn aanbod om een selfie te sturen als hij daar is, wordt met een grimmig ‘Ja,ja’ aangehoord. Als hij haar een afscheidszoen wil geven draait ze demonstratief haar hoofd weg en gooit ze de voordeur met een daverende klap dicht.

De reis verloopt voorspoedig en dank zij het navigatiesysteem is de boerderij snel gevonden. Tot zijn schrik bemerkt hij dat zijn Duits niet zo goed is als hij dacht. Het duurt daarom even voor hij door heeft dat zijn auto hier moet blijven en de weg naar het huisje te voet afgelegd dient te worden. Als de boer zeker weet dat zijn huurder begrepen heeft dat hij over het bruggetje rechtsaf moet en alleen maar die weg hoeft te volgen, laat hij hem gaan. Een verdwaalde bewoner van dat vlakke Nederland in de bergen gaan zoeken is niet iets waar je op zit te wachten.

Een doosje met etenswaren onder de linkerarm en een rolkoffer voortslepen met je rechterarm is op een hobbelig karrespoor geen eenvoudige opgave. Het duurt daarom niet lang voor de koffer aan het handvat wordt gedragen. Met regelmaat worden doosje en koffer omgewisseld. Daar de weg alleen maar omhoog gaat, wordt elke wisseling tevens gebruikt om even op adem te komen. Net als de twijfel over de juistheid van de route opkomt, ziet hij het bruggetje. De weg rechtsaf is een steil omhoog lopend en smal pad. Op de steilste stukken heeft men van vlakke stenen iets van een trap gemaakt maar deze bestijgen zonder risico van onderuit gaan met beide armen vol, is te hoog. Het doosje met etenswaren verstopt hij daarom onder een paar struiken. Eerst maar die koffer omhoog slepen.

Via het pad dat af en toe zo vreselijk omhoog gaat dat men er zelfs haarspeldbochten in aangebracht heeft, komt hij puffend en hijgend en met een kop als een biet bij het huisje. Even waant hij zich een Israëliet die voor het eerst het beloofde land ziet. Hij stapt binnen en ontwaart een spartaans ingerichte kamer. Een enorme open haard domineert als een gek. In een hoek staat een tweepersoonsbed, de open keuken is niet meer dan een werkblad met twee kastjes eronder, een stenen wasbak en een houtgestookt fornuisje. In de andere hoek staat een eettafel met twee stoelen en voor de open haard een nogal verschoten sofa. Lichtelijk ontgoocheld kijkt hij om zich heen. Dat ‘een beetje primitief’ was, wat men noemt, een understatement. Hij laat de boel de boel en daalt het pad af om zijn doosje op te halen.

Het doosje ligt op zijn kant. De zak waar de kadetjes in zaten is leeg, de ham en de kaas zijn helemaal verdwenen en de tandensporen in de zo goed als lege plastic fles met twee liter halfvolle melk tonen aan dat de plaatselijk wildstapel zich dit buitenkansje niet aan hun uitstekende neus voorbij hebben laten gaan. Het pak koffie, de twee doosjes met gedroogde soep en de bekers met spaghetti bolognese die je tot het streepje met heet water moet vullen, zijn nog heel. Zachtjes vloekend klimt hij weer omhoog.

Als de kamer blauw staat van de rook herinnert hij zich dat de schoorsteen van de open haard eerst voorverwarmt moet worden door er een paar brandende kranten in te leggen. Hij neemt dit zichzelf niet eens kwalijk. Hij is ondertussen van de ene in de andere toestand van verbazing geraakt en inmiddels heeft deze de graad van verbijstering bereikt. De ontdekking dat er geen stromend water is maar een regenton met een kraantje is de eerste. De ontbrekende douche en de constatering dat het kraantje van de ton ook medeverantwoordelijk is voor de persoonlijke hygiëne, maakt twee. Na enig zoeken vindt hij het toilet. Een klein hok, zo’n 20 meter achter de berghut, met daarin een dikke balk boven een diep gat. In de gauwigheid telt hij 12 luchtverfrissers keurig op een rij aan een balkje van het dak. Desondanks stinkt het als een oordeel.
Het ontbreken van elektriciteit maakt duidelijk dat de olielamp er niet voor de show hangt maar het besef dat hij zonder die elektriciteit met zijn laptop weinig kan uitrichten overtreft alles. Dat waarvoor hij een lange rit gemaakt heeft, zijn Janneke verdrietig en boos achterliet, zijn weekend met een extra vrije dag opgaf om hier te kunnen schrijven valt in het water. Als hij dan ook nog ontdekt dat hij met zijn mobieltje geen bereik heeft en dus de beloofde selfie niet kan verzenden, vervalt hij in een diepe droefenis die gelardeerd wordt met dikke lagen zelfbeklag. Vechtend tegen de tranen stookt hij het fornuisje op en als er eindelijk koffie is en hij zijn noodlot tot aanvaardbare proporties terug heeft geredeneerd, besluit hij te gaan schrijven tot de batterij van de laptop leeg is. Dat is sneller dan hij dacht en in de hoop op een droomloze nacht, stapt hij in bed.

Wachten op beter weer is geen optie. In de bergen kan het van het ene op het andere moment opklaren maar daar heeft hij de tijd niet voor. Als er nog iets van zijn schrijfwerk terecht moet komen dan kan hij beter iets gaan doen. Er moet vast iets van een dorp of stad in de buurt zijn waar hij zijn verloren gegane proviand kan bijvullen en iets kan vinden om zijn schrijfkunsten de vrije hand te geven. Hij doet zijn jas aan en begint aan de lange weg naar het dal. Het blijkt een gevaarlijke onderneming. Het pad is een lange weg van glibberig modder en spekgladde stenen. Op enkele plaatsen heeft het water bezit genomen van het voetpad en er een waterweg van gemaakt. Hij sopt in zijn schoenen en met de nodige angst in zijn hart vreest hij de val die schijnbaar onvermijdelijk gemaakt zal worden. Niet alles gaat fout. Heelhuids bereikt hij zijn auto. De dichtstbijzijnde stad is een half uur rijden en ondertussen wordt zijn telefoon bijgeladen.

In de stad koopt hij twee dikke schriften, drie pennen en eten voor de resterende anderhalve dag. In een Kiosk neemt hij een bord patat met een halve kip en stuurt zijn selfie naar het thuisfront. Dat hij daar geen reactie op krijgt verbaast hem niet.

Als hij bij zijn berg aankomt is het droog en vol goede moed vangt hij de tocht naar boven aan. Dat het, dank zij de gladheid langer duurt dan gisteren, kan zijn pret niet drukken. Straks kan hij schrijven als een echte schrijver. Op papier met een pen en in armzalige omstandigheden zal zijn boek, zijn kindje, zijn roman waarmee hij zal debuteren en waardoor hij alom geroemd zal worden, gestalte krijgen. Het wordt een bestseller en Janneke zal trots op hem zijn.

Op één van de steilste stukjes schiet zijn rechterbeen naar links onder hem vandaan. Voor hij weet wat er gebeurt rolt hij de berg af en smakt tegen een grote steen die de eeuwigheid daar neer heeft gelegd. Maandagmorgen gaat de boer hem zoeken. De afspraak is immers dat hij zondagmiddag zou vertrekken. Hij is snel gevonden. Op het pad ligt een plastic tasje met boodschappen en een heel stuk lager ligt de eigenaar daarvan. Doodstil en in een rare houding. De bemanning van de heli haalt hem daar weg. Niet omdat er nog wat te redden valt maar omdat het zo een stuk veiliger is.

 

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: papercm.com  

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Regen

 

 

Lange tijd van uitzonderlijke droogte
En van hitte die lam maakt en lui.
Is eindelijk voorbij want vanuit grote hoogte
Valt een verfrissende bui.

Met schier ondoorgrondelijke logica
Verdrijft dit natte hemelwater
Mijn lust in ijsjes en alcoholica.
Ten laste van menig café-uitbater.

We kunnen wel wat water gebruiken,
Kwam uit de mond van velen.
En ziet, boven opent men de luiken.
De druppels veranderen in pijpenstelen.

Het gaat maar door en door en door.
En wordt een zomerse dag,
Met een riviertje in elk karrenspoor,
Verstiert met die broodnodige neerslag.

De regenton is vol en het is droog
En tot grote vreugde van de hond
Houd ik de riem uitdagend omhoog.
Helaas, daar is het volgende waterfront.

Mismoedig turen wij door de ramen
en bezien een weerkundige klucht.
Het valt niet te veronachtzamen:
’t water valt met bakken uit de lucht.

De tuin is nu ook zichzelf niet meer.
Hoe armzalig en sober het ook was
Menig kenner van enig waterbeheer
Kan weinig beginnen met dit nieuwe moeras.

De schaal gaat van vies naar viezerd
Maar wentelt als het bekende boomblad.
Wat nu neerkomt heet miezert
En daarvan wordt je ook nat.

Noem het hemelwater, bui of domweg regen.
Met standvastige gestadigheid,
Welkom of beslist ongelegen,
Vergaat de dag in vallende nattigheid.

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: nl.123rf.com

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , | 1 reactie

Aards bakkie

 

 

‘Dus jij bent, wat ze Duitsland noemen, een Schriftsteller?’
De eminente grijsaard vouwt zijn krant dubbel, legt deze op de stoel naast hem en kijkt hem over zijn halve brilletje nieuwsgierig aan.
‘Hm, ja, zo heet dat daar.’
‘En waarom schrijf jij van die verhaaltjes?’
‘Omdat ik het leuk vind om te doen. Om elk verhaaltje zo bondig mogelijk in goed Nederlands op te schrijven, is elke keer weer een uitdaging. Soms gaat dat heel snel en andere keren ben je dagen met een verhaaltje bezig omdat het maar niet goed wil worden.’
‘En wat verdien jij daar mee?’
‘Ha! Niks. Om eerlijk te zijn: het kost mij alleen maar geld. Dat geeft niet hoor. Elke hobby kost geld. Mijn beloning vind ik in het feit dat ik gelezen wordt en in de reacties die je soms krijgt’

Hij neemt voorzichtig het brilletje van zijn neus, vouwt de pootjes naar binnen en legt het met bedachtzaamheid op tafel. Dan buigt hij zich een beetje naar hem toe en zegt:
‘Nou, over mijn leven zou je een boek kunnen schrijven.’

 

Dat is een moeilijke zin. Hij heeft die al veel vaker gehoord. Een enkele keer heeft hij gevraagd wat er dan zo bijzonder in hun leven was dat dit wereldkundig gemaakt zou moeten worden. De antwoorden waren vaak teleurstellend. Een overwonnen ziekte, een droevig sterfgeval, een geweldige wereldreis, een zwaar ongeval, uit het oog verloren liefdes of een promotie op promotie. Voor de betrokkenen zijn die misschien wel levensbepalend geweest maar het grote publiek zit daar niet echt op te wachten. Tenzij je natuurlijk een bekend persoon bent. Dan schrijf je een boek over elke scheet die je dwars zit en is er altijd wel een uitgever te vinden die daar brood in ziet. Ieder ander maakt in zijn leven dingen mee die gewoon bij het leven horen. Het is slechts weinigen gegund om een leven te vieren wat zoetjes voortkabbelt en waarin geen schokkende dingen gebeuren.

Het is natuurlijk prima als je jouw ervaringen, je bergen en dalen, je geschiedenis op papier wilt zetten. Alleen het schrijven zelf geeft al voldoening en het helpt om voor jezelf dingen op een rijtje te krijgen maar verder zal het zelden tot een top-tien van meest verkochte boeken worden. Toch raad hij het mensen niet af. Je hoeft geen gevierd schrijver te worden om toch een bijdrage aan de geschiedenis te mogen leveren. Je nageslacht zal je er dankbaar voor zijn. Te weten wie en wat overgrootvader of moeder waren, hoe zij leefden en dachten, hoe hun wereld er uit zag is van een waarde die te vaak wordt onderschat. Het is niet zomaar geschiedenis. Het is jouw verhaal en het wordt hun geschiedenis.

Zijn tafelgenoot, de zich voornaam tonende grijsaard heeft natuurlijk ook zijn verhaal en de nieuwsgierigheid wint het.
‘Vertel,’ zegt hij uitnodigend.

 

En de grijsaard vertelt. Het begint normaal. Het gaat over zijn jeugd, zijn verliefdheid op dat ene meisje met wie hij uiteindelijk trouwde. Over de vier kinderen die zij kregen en die goed terecht gekomen zijn en over zijn carrière in de grafkistenfabriek.

‘Weet je,’ zegt hij, ‘de meeste mannen die last krijgen van hun midlifecrisis gaan gekke dingen doen. Ze kopen een motor, ruilen hun vrouw in voor een jonger exemplaar of willen met een zeilboot de wereld rond. Ik wilde een andere baan en uitvaartleider leek mij wel wat. Ik had natuurlijk contacten genoeg in die wereld en het was vrij eenvoudig om daar aan de bak te komen. Het leek mij zo mooi om mensen die te maken krijgen met het meest wezenlijke van het leven, de dood, te kunnen helpen. En het wás ook mooi. Zeker de eerste jaren maar gaandeweg loop je tegen wat mindere zaken aan. Omdat de kosten stegen moest er meer omzet gedraaid worden. Klanten heb je altijd. Dat is de enige en belangrijkste zekerheid in dit vak maar daar zo veel mogelijk aan verdienen is een ander verhaal. Ik weet nog dat er op een gegeven moment grafkisten op de markt kwamen van karton. Daar verdiende je geen stuiver aan dus tijdens het gesprek met de nabestaanden liet je even het zinnetje ‘vader begraven in een kartonnen doos’ vallen en geen mens durfde het daarna nog over dat soort kisten te hebben. Dat hele gedoe om steeds meer geld te verdienen aan mensen die op dat moment zeer beïnvloedbaar zijn, ging mij meer en meer tegen staan. En dan zit je tussen twee vuren. De klant die helemaal niet uit is op een dure kist omdat de overledene gecremeerd wordt en de baas die jouw dwingt om je uiterste best te doen toch die kist te verkopen.
En dan het menselijke aspect. Je moet je zakelijk opstellen maar dat lukte mij niet altijd.

En toen was er een vrouw waarvan de man was overleden. Zij gaf mij het besluit aan om het anders te gaan doen. Zij vertelde dat haar man een overtuigd communist was geweest die elke godsdienst werkelijk opium van het volk noemde. Men kon hem niet fanatieker krijgen dan door over de kerk of zo te beginnen. Op zijn sterfbed had hij plotseling liggen zingen. ‘De Heer is mijn herder, ik heb al wat mij lust. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden’. Ze wist werkelijk niet wat zij daarmee aan moest. Hij had bepaald dat tijdens het afscheid de Internationale gespeeld moest worden maar kon dat nog wel? Moest er niet toch een dominee komen? Moest er niet iets gezegd worden over die grazige weiden? Ja, en daar sta je dan. Wat moet je zeggen? Ik had toen ook maar een gewoon huis, tuin en keukengeloofje en daar kom je dan niet veel verder mee. We hebben zonder dominee de Internationale gewoon gedraaid en ik besloot om van de weeromstuit theologie te gaan studeren.’

‘Klinkt logisch.’

‘Ja hè? Dat dacht ik in al mijn naïviteit ook. Als je mensen wilt helpen, antwoorden wil geven op belangrijke vragen en geen gezeur over geld wil hebben, dan moet je dominee worden.’
‘En?’
‘’t Is niks geworden. Hoe meer ik leerde, hoe groter en talrijker mijn vragen werden en die kon ik niet kwijt. Ik heb moeilijke gesprekken gevoerd met de leraren maar ze konden mij niet overtuigen. Hoe kan je bijvoorbeeld een wereldbeeld, een visie op de vrouw of de verschillende vormen van relaties die schrijvers uit lang vervlogen tijden schreven en beschreven, toepassen op onze tijd? Dat wringt aan alle kanten en men weet dit! De kerk is niet voor niets voornamelijk gebaseerd op dogma’s die bepalen wat en hoe je moet geloven. Alsof de gelovigen een eenheidsworst zijn.  En weet je wat het gekke is? Toch geloof ik dat er een god is. Niet die van de kerken. Die bestaat volgens mij niet maar soms ontdek ik iets van god in gesprekken die ik heb gevoerd of tijdens een uitvaart. Nooit op het moment zelf. Altijd achteraf en als je dat met de familie bespreekt blijkt het vaak te kloppen. Ik denk dat er zonder mensen geen god is maar ik ben daar nog lang niet over uitgedacht. Misschien zal ik het ooit weten maar zolang dat nog niet het geval is, blijft het een prachtige ontdekkingsreis. Mooi is dat hè?’

‘Het klinkt goed. En toen? Bent u uitvaartleider gebleven?’

‘Nee, ik heb de wereld van uitvaarten gedag gezegd en doe nu een jaar lang niets. Financieel kan dat best uit en in dit jaar ben ik goed aan het nadenken over wat ik zal gaan doen. Ik heb van het jaar nog drie maanden over en wat ik zeker weet is dat ik niet terug ga naar het bedrijfsleven. Ik heb mijn bekomst van steeds meer en steeds beter. Zo af en toe help ik bij de voedselbank en ze hebben mij gevraagd om hen te helpen met het bepalen van beleid op langere termijn. Ik denk dat in dit soort werk mijn toekomst ligt.’

 

Ze zwijgen beide. De ene verwerkt wat hij heeft gehoord en de ander overdenkt wat hij heeft gezegd. Dan vraagt de grijsaard:
‘Wat denk je? Is het een boek waard?’

‘Ik denk dat u een levensinstelling heeft die u zeker moet delen met uw kinderen en kleinkinderen. Alleen daarvoor al zou ik het opschrijven. Wat uw ontdekkingsreis betreft in het geloof: volgens mij zijn daar al een professor en andere knappe koppen mee bezig geweest en hebben hun bevindingen ook gepubliceerd. Wat misschien mooi zou zijn is uw ontdekkingsreis te beschrijven in een taal die iedereen verstaat. Het taalgebruik van een professor is voor een niet-academicus wat lastig te volgen dus als u het voor elkaar krijgt om het in ‘normaal’ Nederlands te schrijven, zou dat best wel aan kunnen slaan. U bent niet de enige die zich daarover vragen stelt. Ik denk dat er binnen en buiten de kerk genoeg zijn die dit willen lezen. Het is een gok want zonder nog te ontdekken antwoorden ben je kwetsbaar maar als je deze kwetsbaarheid met de lezer deelt kan het ook je kracht worden.’

De grijsaard leunt achterover en kijkt nadenkend uit het raam.
‘Ja,’ zegt hij dan, ‘en als het niks wordt weet in ieder geval mijn nageslacht het. Goed, dankjewel, ik ga er mee aan de slag. Wil je nog koffie?’

‘Hm, ja, lekker. Even weer terug op aarde.’

 

 

© peter gortworst / aug. 2018
foto: esnverhuur.nl

    

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Stiekeme snoepert

Het roezemoest in het winkelcentrum. Een typische zaterdagmiddagroezemoes die bestaat uit muzak, huilende, lachende of krijsende kinderen, mensen die al pratend voorbij lopen of pontificaal midden in een looppad de doorgang blokkeren omdat de laatste ontwikkelingen van kleine Dennis gedeeld moeten worden met andere geïntersseerden. Gehaaste doelbewuste kopers, slenterende etalagebewonderaars, jeugdige macho’s in strakke T-shirts, slecht ter beengaanders achter de rollator en giebelende meiden. Het gebruikelijke bonte gezelschap wat je in elk winkelcentrum tegen kan komen.

Ik zit aan mijn extra large en extra sterke cappuccino als er een man mijn tafeltje passeert. Leeftijden schatten is niet mijn sterkste punt. Mijn schattingen zijn, voorzichtigheidshalve, steevast te laag en er is tot nu toe niemand geweest die daarover geklaagd heeft. Integendeel zelfs. Deze man schat ik op begin zestig. Hij zet zijn dienblad op een tafeltje bij de muur, hangt zijn jas over de leuning van de stoel en als hij gaat zitten, schuift hij het dienblad naar zich toe. Daarop bevinden zich een kopje koffie en een knaap van een moorkop.

De maatschappelijke discussie over de benamingen van etenswaren ben ik een beetje kwijt. Er was nogal wat te doen over negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken maar ik zou niet weten of de moorkop ook in dat rijtje thuis hoorde. Zo niet, dan zou dat alsnog moeten. Wat ik wel weet: zo’n ding is, met alleen een gebakvorkje, verdraaid lastig te eten.

Mijn observatieobject weet dat waarschijnlijk ook want hij heeft mes en een vork ter hand genomen en snijdt het gebak vakkundig in hapklare brokken. Met een onwaarschijnlijke snelheid verdwijnt dat ding tussen zijn malende kaken en met een servetje veegt hij zijn lippen schoon. Dan zet hij het koffiekopje op de tafel. Hij staat op en het dienblad met schoteltje, gebruikt servetje en bestek schuift hij in één van de klaarstaande trolleys. Als hij weer zit, nipt hij voorzichtig aan de hete koffie en kijkt af en toe naar de ingang.

De koffie is net op als hij met zijn arm een zwaaiende beweging maakt. Een vrouw, waarschijnlijk zijn vrouw, ploft op de stoel tegenover hem. Een meegevoerde grote doos, omhuld met cadeaupapier van een speelgoedketen, zet ze naast haar stoel. De menukaart wordt uit de staander getrokken en even later staat de man op om het gewenste te halen. Als hij wegloopt pakt ze snel het lege koffiekopje, kijkt er in en ruikt er aan om vervolgens met gespeelde onschuld de omgeving in zich op te nemen.

De man komt terug en op het dienblad staan twee koffiekopjes, een vruchtengebakje en een knaap van een moorkop. Die stiekeme snoepert!

 

© peter gortworst / aug 2018
foto: gemakgebak.nl

   

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -25-

Stop

Zijn onvrijwillige diensttijd duurde precies één maand. In alle wijsheid had men besloten hem, met een aantal andere 21+ jongeren, op te leiden tot sergeant bij de Genie. Een belangrijke, zinvolle en verantwoordelijke job wanneer de Vijand mocht besluiten ergens in het midden van het land, een atoombom te droppen. Hij weet nog heel goed hoe het leren van de eerste bevelen ging en de verbazing over het daadwerkelijk opvolgen daarvan. Zijn collega aspirant-sergeant, die hij later nog regelmatig op tv zag als hoogleraar in het strafrecht, verwoorde nog tijdens die les wat hij dacht: ‘En we doen het ook nog allemaal!?’ De allergie tegen onzinnige ge- en verboden en bevelen die hij in zijn jonge jaren had opgebouwd, stak in alle hevigheid de kop op. Gelukkig voorkwam het gezonde verstand een direct weglopen van de kazerne maar het feit dat zijn diensttijd van zeer korte duur was, sprak boekdelen.

Kuri krijgt ook bevelen. Sommige zijn volkomen zinloos en als hij hond was luisterde hij daar beslist niet naar. ‘Poot!’ is zo’n bevel. Dient tot niets en is alleen voor de baas leuk. Als hij Kuri was zou hij weglopen.  Afhankelijk van haar en zijn toestand klinken de commando’s als een voorstel of als een snoeihard bevel. Als hij vindt dat ze tijdens een lange wandeling even moet rusten om af te koelen op een koele ondergrond, zegt hij op vriendelijke toon: ‘Ga maar down’. Kruist een andere hond hun pad en wil zij, kostte wat kost, die ander toch minstens besnuffelen, dat wordt het een: ‘En nou zit! ZIT!! Nee! ZIT!!’ Zijn eigen gemoedsrust speelt daar zeker in mee. Doet ze alles netjes dan is er niets aan de hand. Talmt ze bij elk bevel eindeloos of luistert ze domweg niet, dan slaat de wrevel toe. Zeker als de standaard meegevoerde stukjes kaas geen enkel effect hebben. Consequent zijn, vriendelijk blijven en geduld zijn vaak lastig te hanteren begrippen.

 

Tijdens de wandelingen zijn er een paar kruisingen waar sporadisch fietsers of een enkele auto kunnen passeren. Omdat ze standaard voor hem uitloopt lijkt het hem nuttig Kuri op afstand te laten zitten. Het geeft hem dan de tijd de kruising op naderend onheil te inspecteren. Het ‘wacht’ kent ze wel maar daar wordt, zolang ze niet zit, behoorlijk mee gesmokkeld. Een paar meter legt ze, het evenwicht zoekend tussen haar eigen wil en de wil van de baas, dreutelend zo af en dat is natuurlijk niet de bedoeling.

‘Stop!’ roept hij nu met de arm omhoog en na 300 gram kaas in ‘zonder-te-kauwen-wegslikbare-brokjes’ krijgt ze het door. Nu moet ze nog leren dat, wanneer zij netjes zit, hij haar voorbij kan lopen om de kruising te bekijken. Nu denkt ze nog dat het niet klopt. Zij zit netjes en zonder beloning loopt die baas door. Hier gaat iets fout.

 

De vlierbessen worden al donkerpaars. Helaas slaat ook hier de droogte toe. De besjes zijn klein maar wie weet, misschien daarom wel smaakvoller.
Het merelnest in de picknickhut is uitgelopen op een jammerlijke mislukking. De twee jongen die er zaten waren van de een op de andere dag verdwenen. Het nieuwe legsel is ook mislukt. Het vrouwtje heeft hij al lang niet meer gezien en het nest is leeg.

 

Opvallend hoe goed het geheugen van Kuri is. Ze weet precies in welk weiland ze achter een konijn is aangegaan, waar in de sloot die eend zat en in welke berm de patrijzen de lucht ingingen. Helaas weet ze ook nog dat een visser soms lekkere dingen heeft en als je maar hard genoeg kwispelt, je ook wat krijgt. Los naast de baas lopen, gewaarschuwd met de vreselijkste bedreigingen om er niet vandoor te gaan, helpt soms maar voor hetzelfde geld neemt ze een haakse bocht en ontvangt toch weer een beloning van een visser die het een mooie hond vindt. Een visser dat afleren met een opgeheven arm en ‘Stop!’ roepen, is van een heel andere orde.

 

©peter gortworst / aug. 2018

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Orde, rust en regelmaat -24-

Ze is loops. En niet zo’n beetje ook. Bij de eerste ontdekking van een rode druppel op het laminaat, kwam er bij hem een heel oud en daardoor al lang vergeten gevoel boven: Pffff…. Gelukkig! Het bevestigd zijn vermoeden dat het leven in cirkels draait. Dat blijkt nu maar weer. Voordeel is dat met een mop achter haar aan lopen, geen straf is. Liever dit dan een nest van een pup of acht.

Hij heeft met zijn trutje te doen. Aan alles merkt hij dat ze zelf ook niet goed raad weet met haar lijf. Vaker dan normaal zoekt ze hem op, wil dan lekker tegen hem aanleunen en kriebelen rond de oorschelpen is het summum van geluk. Hij weet niet meer te doen dan dat en haar liefdevol en wat vaderlijk toespreken. De regelmatig gebezigde titel ‘meiske’ kan nu officieel niet meer maar samen met ‘trutje’ als koosnaam is het toegelaten.

Ze is best wel bevattelijk voor getoond medelijden. Als hij haar, terwijl er niets aan de hand is, op meelijwekkende toon vraagt of het goed met haar gaat, of ze zich niet vreselijk raar en vervelend voelt, gaan de oren bijna plat en kijkt ze met intens droeve ogen naar die grote vent die blijkbaar goed in de gaten heeft hoe zwaar het leven is.

Dat heeft hij eerder gezien bij een kat. Het beestje had een poot gebroken en moest een tijdje in een hokje waar hij de kont niet kon keren. Na verloop van tijd mocht hij er uit. Eerst liep hij nog een beetje mank maar de lichamelijke oefeningen in de vorm van jagen op muizen en vogeltjes, maakten dat hij zich al snel weer normaal voort bewoog. Tot je met zalvende stem hem aansprak over hoe zielig het allemaal wel niet was geweest. Prompt liep de tuintijger weer mank en mauwde erbarmelijk.

Helaas, je zou bijna zeggen dat ze het van geen vreemde hebben.  Hij is net zo beïnvloedbaar. Toen hij een keer op verjaarvisite meeging naar mensen die hij amper kende, was daar een vrouw, wat later dan de rest, binnengekomen. Ze plantte zichzelf en een schoudertas van het formaat hutkoffer op de stoel naast hem en toen de gastvrouw vroeg of ze koffie wilde, vertelde ze met nogal luide stem dat ze haar eigen eikeltjeskoffie meegenomen had. Nee, een gebakje wilde ze ook niet. Ze had haar eigen gluten-, zout- en smaakloze maar supergezonde koekjes bij zich en door omstandig van deze lekkernij te smullen kon geen enkele gast naderhand zeggen dat ze het niet hadden gezien.

Hij maakte de fout om te vragen waar eikeltjeskoffie naar smaakt. Fout omdat hij niet meer van haar afkwam. Na een uur inpraten voelde zijn lijf aan als een slecht werkend, onvolkomen, door gifstoffen besmet apparaat. Zijn darmstelsel werd gedegenereerd tot iets van een ‘hoe kan de evolutie zoiets slechts opleveren’. Weg was zijn geloof in een lijf dat zichzelf, mits gevoed door ordentelijk voer en vocht, best kan onderhouden en zelfs, wanneer nodig, herstellen. Namen van kruiden, verplichte waterinname, sojamelk (welke koe geeft dat?) vleeswaren, Bach bloesem, E-nummers, vitaminen en therapieën schoten als biljartballen door zijn hersenpan.

Iedereen heeft het recht om te leven als hij/zij wil. Heb je baat bij dergelijke voedingsstoffen? Prima! Fijn! Voel je je daar goed bij? Mooi! Maar mijn beste kruidenvrouwtje, probeer niet anderen met een ongezond fanatisme tot jouw geloof te bekeren. Het kan vele jaren duren maar er komt een dag dat iemand je in een verhaaltje verwerkt.

Herinner de kat aan een zielige periode en hij reageert als toen. Toon medelijden met je hond en het wordt een meewarig trutje. Toon een fanatiek kruidenvrouwtje die strooit met vreselijke ziektes en botanische kennis iets te veel belangstelling en je wordt van de weeromstuit zo ongezond gepraat dat een leuk feestje is verpest.

 

De grote meid komt zijn werkkamer in. Ze kwispelt maar niet erg enthousiast. Hij weet dat ze even naar buiten wil en als ze de tuin in loopt, pakt hij de mop om het spoor van rode druppels te verwijderen. Zo lang zij buiten is, ziet ze niet de ‘pffff…gelukkig-grijns’ op zijn gezicht. Ze hoeft per slot van rekening niet alles te weten.

© peter gortworst / juli 2018                                                                               
afb: Xenos   

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , | 2 reacties

Draaitol

Zo langzamerhand vindt hij het niet leuk meer. ’s Morgens om half vier wakker worden is niet ’s morgens vroeg. Het is gewoon midden in de nacht en als je dan de uren daarvoor ook nog slecht geslapen hebt, zit je niet met een blij gezicht op het randje van je bed.

De oorzaak van deze ellende is Het Boek. Als schrijver van korte verhalen is iets als het schrijven van een heel boek eigenlijk een brug te ver. Je moet doen waar je goed in denkt te zijn en zodra je iets anders gaat doen, moet je weten waar je aan begint. En daar begint het probleem. Hij heeft flarden van het verhaal in zijn hoofd en nog meer flarden in de loop van de tijd al geschreven. Helaas ontbreekt er nog een plot. Zijn er, wil het verhaal tenminste kloppen, een massa zaken die uitgezocht moeten worden. Zullen er, ter wille van de juistheid van beschrijvingen, locaties gezocht moeten worden in Italië, Frankrijk en Wales en moet er beslist een tijdlijn gemaakt worden om er voor te zorgen dat de hoofdpersoon niet plotseling veel jonger of ouder is in een volgend hoofdstuk. Een bijkomend maar niet onbelangrijk verschijnsel is zijn schrijfstijl. Die is nogal afhankelijk van zijn gemoedstoestand en deze vertoont op sommige dagen een sterke gelijkenis met een draaitol.

Waarom heeft hij dit nog lang niet complete verhaal in zijn hoofd? Kan je een zeiljacht, zonder door een radar gezien te worden, op een rotskust te pletter laten varen? Waarom begin je, als je dan zo nodig een boek wil schrijven, niet met een ander verhaal? Wanneer waren die massief houten bielzen tafels in de mode? Is er een computerprogramma te krijgen voor iets als het schrijven van een boek? Worden meranti balken ook door de douane gescand? Moet hij niet wachten tot de draaitol stil staat en hij een eigen, herkenbare schrijfstijl heeft?
Vragen die hem al tijden bezig houden en door een tijdelijke vorm van bezetenheid hem een enkele keer van de nachtrust beroven. Vragen waarop hij misschien wel een antwoord kan krijgen maar het incomplete verhaal belet hem dat.

Met een diepe zucht gaat hij staan. In zijn werkkamer ploft hij op de stoel en staart naar het zwarte beeldscherm. Buiten begint de eerste merel te zingen. Zachtjes, alsof hij zelf niet kan geloven dat de nieuwe dag begonnen is. Luisterend levert het hem een helder idee. Als hij toch wakker is, waarom dan niet naar buiten? Het is al tijden geleden dat hij ’s morgens vroeg in het bos liep om vogels te spotten. Even geen boek, geen incompleet verhaal en geen vragen aan zijn hoofd. Lekker, net als vroeger door het bos banjeren, vogeltjes luisteren en proberen ze te herkennen en de kop leegmaken. Met hernieuwde energie maakt hij zich klaar en stapt in de auto.

 

Op de weg is doodstil. De vage ochtendschemer is versierd met flarden ochtendnevel en de weinige hoge wolken lichten voorzichtig rood op van de opkomende zon. Nog even en dan zal ook het aardoppervlak door de zonnestralen geraakt worden. Als hij uit de auto stapt, schijnt de opkomende zon als rode halve schijf over de heide. De nevelbanken zullen spoedig verdwijnen en genietend van het moment gaat hij op stap. De kille lucht ruikt fris en de dauw herinnert hem er aan dat hij beter laarzen aan had kunnen trekken. Hij spot verschillende zangvogels. Van de meest voorkomende kent hij de zang. Een geluid wat hij niet kent heeft hij nog niet gehoord en bovendien is het podium zo vroeg op de dag, voorbehouden aan de lijsterachtigen.

Staatsbosbeheer is zo vriendelijk geweest een bankje te plaatsen. Hij besluit daarop plaats te nemen en uitkijkend over de heide met achter zich het bos, wacht hij op het ontwaken van meer vogeltjes. De man op leeftijd met een hoedje en driekwart jas ziet hij al van verre komen. Een verrekijker die 16 maal vergroot is niet altijd handig maar nu wel. Het hoedje loopt langs de bosrand en regelmatig ziet hij hem stoppen en met een kijker voor zijn ogen, langzaam één of meerdere rondje draaien. Dat ziet er raar uit. Cirkelen er soms vogels om hem heen? Hoe ingespannen hij ook tuurt, een logische verklaring kan hij niet ontdekken. Er zit niets anders op dan te wachten tot deze draaitol op praatafstand is gekomen.

‘Moin,’ zegt hij tegen het hoedje als deze nadert.
‘Ja, moin. Heb je al wat leuks gezien?’
‘Nee, wat merels, zanglijster en een zwarte specht. Ik zit een beetje te wachten tot het spul op gang komt.’
Het hoedje dreutelt een beetje heen en weer.
‘Kom hier maar zitten,’ zegt hij en veegt met zijn hand de meeste dauw van de plaats naast hem. Als hij zit haalt hij zijn kijker van zijn nek en stopt hem in zijn schoudertas.
‘Superlicht dingetje maar als je hem een tijdje draagt wordt het toch zwaar,’ zegt hij.
‘Een 8 keer 35?’
‘Ja, erg handig voor in het bos. Wat heb jij?’
‘Een 16 keer 50. Prima voor water en weidevogels maar in het bos is het een rotding. De beeldhoek is te klein. Soms is het gewoon toeval dat je een vogeltje ziet zitten en als het beest ook nog heen en weer fladdert kan je het wel schudden.’
Het hoedje grijnst.
‘Praat mij niet van toeval. Ik hoor ze hartstikke goed maar ik heb geen idee waar ze dan zitten. Ik moet echt om mij heen kijken en als ik ze dan zie, is dat ook toeval. Net nog, een stukje terug. Ik hoor een kruisbek maar ik heb geen idee waar ik moet kijken.’
‘Nou, kruisbekken zitten meestal boven in de boom.’
‘Ja, maar als hij daar even niet zit heb ik een probleem.’
‘Waarom dan?’
Hij tilt zijn hoedje op en toont hem zijn oren. In elk oor zit een gehoorapparaatje.
‘Ik heb die dingen nu een jaar. Ze werken perfect maar ik kan er geen richting mee bepalen. Als ik het fietspompgeluidje van de staartmees hoor moet ik elke boom om mij heen afzoeken. Voor hetzelfde geld zit hij in een paar bomen verderop want zo goed zijn die apparaatjes wel. Man, soms wordt ik van al dat ronddraaien gewoon duizelig.’
‘Goh, dat is wel vervelend. Is daar niet iets op te verzinnen?’
‘Ik heb van papier eens oorschelpen gevouwen en die met elastiekjes achter mijn oren vastgemaakt. Een vleermuis heeft niet voor niets grote oren toch? Nou, één: je loopt voor gek en twee: het helpt niks. Maar goed, ik hoor ze tenminste weer. Leve de techniek. Ik hoor zelfs de sprinkhaanrietzanger! Nou, dat is lang geleden.
Zeg, ik ga er vandoor. Weet je dat er in de picknickhut een merelnest zit? Het vrouwtje is nog aan het broeden. Die is doodstil maar ik zie haar wel. Leuk hè? Nou, fijne dag verder.’

Het hoedje loopt richting parkeerplaats en hij kijkt hem na. Ook een draaitol maar om hem daarom een collega te noemen, gaat hem wat te ver. Hij zou er wel een draai aan willen geven maar een link leggen tussen een gemoedstoestand met bijbehorende schrijfstijl en richtingsloze gehoorapparaten lukt hem echt niet.

 

©peter gortworst / juli 2018

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 3 reacties

Orde, rust en regelmaat -23-

Loopje

Eigenlijk is hij best wel tevreden over zijn huisgenote. Bij het reorganiseren van de talloze foto’s zag hij zijn hond zoals ze was toen ze voor het eerst voet op nieuwe bodem zette. In de ruim zeven maanden dat ze hier nu is, is er veel gebeurt.  De bank was een niet te nemen hindernis. Nu loopt ze er gewoon op. Van het niets (willen) weten en niet (willen) luisteren is het een hond geworden die (meestal) aan een kort fluitje genoeg heeft. Het trekken aan de riem is nog wel een dingetje maar goed, niet alles kan altijd perfect zijn. Dat heeft hij ook deze avond ondervonden. Het was ronduit gezegd een enerverende avond.

In het verleden heeft ze het gepresteerd om via een sluipdoorgaatje in de heg, de tuin uit te lopen. Buurman krijgt, als hij daar aan terugdenkt, opnieuw een hartverzakking. Inmiddels is de heg zo dicht gegroeid dat ze daar niet meer door gaat.

 

Ze zitten samen in de tuin te genieten van de koelte. Voor hij met haar een lange wandeling gaat maken, wil hij eerst een bak koffie. Als hij daar mee bezig is, ziet hij haar door de gang naar de voordeur lopen. Dat doet ze vaker dus er is niets aan de hand. Liggend op de koude tegels tegen de dichte deur raakt ze daar in no-time haar teveel aan warmte kwijt. Met de beker koffie loopt hij weer de tuin in maar van Kuri geen spoor. Een vervelend voorgevoel bekruipt hem. Als hij bij de voordeur kijkt is daar geen hond. Roepen en fluiten in de tuin levert ook geen bruin beest op en dus is de gevolgtrekking snel gemaakt: het kreng is er weer vandoor. Op de fiets met pantoffels en een broek die stijf staat van bouwstof en gips wordt de zoektocht begonnen. Het is een noodgeval dus even geen boodschap aan decorum.

Verbazend hoe veel mensen je in zo’n stille buurt nog aan kan spreken. Helaas heeft niemand het wandelende brok Vietnamees hondenvlees gezien. Als hij de achterbuurman op de fiets aan ziet komen biedt deze aan mee te zoeken. ‘Je blijft er slank bij,’ meldt hij opbeurend.
Met een regelmatig ‘komhierfluitje’ doorkruist hij de buurt en als hij voor de zoveelste keer door zijn straatje rijdt, zijn diverse buren uit hun huizen gekomen om met een spiedend oog te helpen. Met een ‘ach, hij komt vanzelf wel weer terug’ neemt hij geen genoegen en voor de zoveelste keer  rijdt hij de buurt rond. Als er ergens honden blaffen spurt hij die kant op maar elke keer is het loos alarm.

Dan een goed bericht. Ze is gespot in de Nachtegaalstraat en ja, het klopt. Vastgebonden aan een touw staat het mormel vrolijk te zijn. Het gezin vroeg zich al af van wie deze schoonheid was. Ze hadden haar nog niet eerder gezien. Hij vertelt waar hij woont voor het geval ze dit kunstje nog een keer flikt en met welgemeende dankbetuigingen neemt hij zijn hond mee.

De koffie is koud en Kuri vraagt zich af waarom ze niet etwas leckeres krijgt. Tijd om de laatste drie kwartier te overdenken. Hij begint te vermoeden dat ze wel eens loops zou kunnen worden en die term zeer letterlijk nemend, is ze waarschijnlijk op reuenjacht gegaan. Morgen op handen en knieën de mogelijke ontsnappingsgaten zoeken. Ergens moet een opening zijn maar waar is het lek?
Hij twijfelt of hij de dierenarts moet bellen. Hebben ze, als het nodig mocht zijn, voor honden ook een morning after pil? Dat hij haar, meestal liefkozend een trutje noemt is tot daar aan toe. Aan ‘sletje’ moet hij nog even niet denken.

 

© peter gortworst / juli 2018

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat – 22-

Geluksmomentjes.

Eén van de voordelen van een hond is de noodzaak om naar buiten te gaan. Dat is niet altijd een onverdeeld genoegen. Kou en regen worden door baas en hond niet echt gewaardeerd. Harde wind is wel leuk. Hond ziet van alles bewegen en ervaart de wandeling daardoor als ‘spannend’ en de baas vindt een goede storm gewoon lekker. Een wandeling die zeer regelmatig gemaakt wordt, voert langs het kanaal en smalle wegen door de landerijen.

Hij heeft de kale bomen langs het kanaal groen zien worden. De lege, dorre akkers staan nu vol met omhoog schietend mais of aardappelen. De graslanden waar de kievit zijn buitelende baltsvluchten uitvoerde en de wulp zijn wiebelende roep liet horen, zijn voor de eerste keer gemaaid en de geur van dat pas gemaaide gras streelt zijn neus.

Er is één boerderij waar hij langzaam aan voorbij gaat. Daar ruikt hij de varkens zoals ze vroeger roken. Geen vieze ammoniaklucht maar een varkensgeur zoals die hoort te zijn. Het geeft hem herinneringen aan zijn jeugd toen het gezin twee weken vakantie vierde op een boerderij in Woudenberg. Het vakantiehuisje was een omgebouwde kippenschuur. Het jongvee, de kippen, de trekker en de varkens gaven het kind wat hij toen was, de onvergetelijke indrukken. Die varkensgeur weer te ruiken doet hem daarom, om meer dan die ene reden, goed.

Wat hem ook goed doet: de vlieren die hij heeft ontdekt. Hij heeft zijn neus in de waaiers van de bloesem gestoken en de karakteristieke geur opgesnoven. Kuri moest ook even ruiken maar een flinke nies leerde hem dat zij er niet de minste waardering voor op kon brengen. Vol ongeduld wacht hij nu het moment af dat de besjes donkerrood zijn geworden. De flessen waar het sap straks in opgeslagen wordt staan al klaar.

De picknickhut wordt permanent bewoond door een paartje merel. Doodstil zat het vrouwtje te broeden en nu zijn er jongen. Een voorzichtige inspectie leert hem dat er twee eieren uitgekomen zijn. Hopelijk gaat het hen goed.

Gaande langs het kanaal had hij hem al vroeg horen jodelen: de wielewaal. Een vogel die hij slechts eenmaal eerder had gezien bij Meppel. Het mannetje met zijn felgele en zwarte verenpak heeft hij ook hier één keer gespot. Het vrouwtje al een paar maal. Voor de oud-jeudbonders onder ons: bij de afdeling Wielewaal begon zijn leerschool in wat meneer Fop I. Brouwer zo mooi kon zeggen: al wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit.

Voor Kuri heeft de tocht langs het kanaal een aantal uitdagingen. Zwemmen natuurlijk en zonder dat de baas het ziet, zich wentelen in het lijk van een onherkenbaar geworden dier. Dat laatste had hij na één keer door. Hij weet waar het zich bevindt en als Kuri zich, gaande richting lijk, wat ver van hem verwijdert roept hij haar al terug. Met zichtbare tegenzin luistert ze en met waarschuwende teksten, of beter gezegd ‘bedreigingen’, houdt hij haar in de gaten/bedwang. Als ze er al lang voorbij zijn, mag ze weer haar gang gaan. De verlokkingen van het lijk liggen dan letterlijk achter hen en nieuwe uitdagingen dienen zich aan. Een knoert van een tak meeslepen bijvoorbeeld. Blaffen naar een overvliegende reiger of naar een stoïcijns grazende koe. Twee ganzen de lucht in laten vliegen, happen naar een vlinder, per ongeluk een fazant uit zijn dekking jagen of het langdurig besnuffelen van een plekje waar iets heel interessants is gedaan. Het leven van zijn trutje is niet gecompliceerd en goed voorbeeld doet goed volgen, toch?

 

©peter gortworst / jun 2018

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -21-

Wel po?&*$#!@#me!!

In aflevering 17 van dit onregelmatig verschijnend journaal heeft Kuri werkelijk gezwommen. Dat was niet geheel vrijwillig en zeker niet tot haar genoegen. Ze heeft het daarna ook niet meer gedaan. Hij had een kleine hoop dat ze ‘er door’ was maar deze hoop bleek ijdel te zijn. Toch is ze niet bang voor water. Een brokje wat in haar waterbak valt, vist ze, met de neus diep in het water, gewoon op. Hij heeft zich al verzoent met de gedachte dat hij zelf het water maar in moet om te laten zien dat het niet eng of gevaarlijk is. Sinds vorige week dinsdag kan hij die gedachte laten varen:

De lange wandeling langs het kanaal behoort bijna tot de dagelijkse kost. Kuri vindt het water, ondanks alles, wel zo aantrekkelijk dat ze er in gaat. De stokken die hij gooit pakt ze als deze tenminste bereikbaar zijn. Die bereikbaarheid wordt bepaald door wel of geen grond meer onder de poten voelen. Een enkele keer vergist ze zich of is de stok zo dichtbij dat ze het toch waagt om iets dieper te gaan maar zodra er water over haar rug vloeit, is ze met twee sprongen weer aan land.
Wat haar bewogen heeft, welke knop er in haar kop is omgegaan of wat de tak zo aantrekkelijk maakte, weet hij niet maar tot zijn stomme verbazing zwemt zijn trut plotseling. Niks geen plons, plons, plons maar werkelijk zwemmen zoals een rechtgeaarde viervoeter hoort te doen. Mochten er engeltjes aanwezig zijn geweest dan waren die knap jaloers: hij prijst zijn hond mijlenver de hemel in.
Ook de volgende tak wordt opgehaald en bij de derde is blijkbaar alle schroom verdwenen. Ze springt met een grote sprong het water in. Zelden is hij zo trots geweest op zijn trut.

De volgende dag met blij gemoed weer naar het kanaal. Ze weet wat er gaat gebeuren en staat strak van de verwachting al langs de kant. Hij gooit een stok tot ongeveer het midden van het kanaal maar de trut heeft besloten weer helemaal trut te zijn. Tot buikdiepte staat ze langs de kant in het water en ondanks alle aansporingen van ‘vooruit!, aport!, toe dan!, en verwijtende opmerkingen als ‘jeetje, wat ben jij een watje’, vertikt ze het om die tak te gaan halen. In een helder moment besluit hij een tak ongeveer daar te gooien waar het nog net niet te diep is. Die pakt ze wel. De volgende tak ligt iets verder en na heel veel aarzelingen en piepen besluit ze dat het niet te doen is. Dan maar weer iets dichterbij en plotseling is de knop weer om. Zelfs de eerste tak wordt opgehaald.

Nu hoeft er geen knop meer om. Ze springt vanaf de kant het een grote sprong in het diepe. Met enige verwondering ontdekt hij het gebruik van de twee zeilen boven op haar kop. Richting tak staan ze fier omhoog maar zodra de tak tussen haar kaken zit, worden de zeilen gestreken en vaart ze op pure pootkracht richting oever. Er zal vast wel een verklaring voor zijn maar hij heeft geen idee welke.

Kuri zag het levenslicht in het asiel te Beilen. Het leek de mensen van dat asiel een goed idee om een puppydag te organiseren. Er zijn drie verschillende nesten geweest en de puppy’s zijn overal terecht gekomen. Het zou leuk zijn als al die jonge honden elkaar weer eens zouden zien. Het was ook leuk! Niet alleen voor de honden maar ook voor al die baasjes en bazinnetjes. Bijna alle broertjes en zusjes van Kuri waren er. Het nest had twee variëteiten: bruine en zwarte en het was verbazend om te zien hoeveel ze op elkaar lijken en overeenkomstig gedrag vertonen. Veel geleerd en veel ‘O, ja-momenten’.
Af en toe had hij moeite om te zien welke van de bruinen zijn hond was maar de kittige rode halsband verraadde haar. Bovendien is Kuri de enige die de oren rechtop heeft staan. Als al het enthousiasme leidt naar een volgend gezamenlijk treffen is hij zeker van de partij.
De terugreis heeft ze niet meegekregen. Ze was hondsmoe en heeft geen enkele keer gecontroleerd of de baas wel de goede weg nam en niet te hard reed.

Buitengewoon frustrerend: een puber! De commando’s die ze normaal uitvoert met alleen een mondelinge beloning vertikt ze gewoon en zelfs de inzet van kaas of worst biedt geen garantie. Ze weet dat ze geen loopgraven in de tuin mag graven en ze doet het ver&%#@&me waar je bij staat!! Keihard ‘NEE’ roepen als ze op het punt staat in de moddersloot te springen, hoort ze niet of beter gezegd: wil ze niet horen. Het ‘wacht’ wordt beantwoord met een dikke middelvinger (als ze dat zou kunnen) dus netjes wachten is voorlopig verleden tijd. Er is momenteel weinig ‘trut’ aan haar te ontdekken en misschien blijft dat straks, als deze periode weer achter de rug is, ook wel zo. Als ik eerlijk moet zijn: ik hoop het eigenlijk niet.

 

© peter gortworst / jun. 2018 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , | 2 reacties

Buurman

Toen hij er nog maar net woonde en alle dagen voor zijn werk onderweg was, had hij er niet veel aandacht aan geschonken. Zijn kennismakingsbezoekjes in de straat bleven onaf omdat de overbuurman of nooit thuis was of gewoon niet open deed. Voor iemand die prijs stelt op goede verhoudingen en manieren geeft dit een licht ontevreden gevoel maar ja, zonderlingen zijn er altijd al geweest en als deze buurman ook tot die categorie gerekend moet worden, dan is dat maar zo. Het is een man alleen, wisten de andere buren. Hij bemoeit zich nooit met iets, doet aan niets mee, het is een rare, we zien hem nooit, geen idee hoe hij heet, ja, hij werkt wel en nee, we hebben ook nooit last van hem. Het is gewoon een zonderling.
Hij heeft er verder geen probleem van gemaakt. Ook hij is een man alleen die echter sterk hecht aan verschillende contacten en als dat bij die overbuurman anders is, dan is dat maar zo.

De groeiende economie heeft zorg gedragen voor zijn welzijn. De ervaring, kennis en kunde zijn overbodig geworden en nu zit hij alle dagen thuis. Genoeg tijd om van alles te ondernemen maar hij komt tot weinig. De verplichte nummers voert hij uit maar iets extra’s komt niet uit zijn vingers of hoofd. Het is donderdagavond en hij moet de papiercontainer aan de straat zetten. Vanuit zijn raam ziet hij dat de meesten dat al gedaan hebben. Overbuurman nog niet. Hij rolt zijn container langs het huis naar de straat en nu blijkt dat de container van de overbuurman er al wel staat. Dat heeft hij snel gedaan.

De vuilniswagen rijdt de straat in. Het is half zeven en hij is al wakker. De wagen pikt de containers één voor één op. Ook die van de overbuurman ziet hij boven de wagen uitkomen, leeg geschud worden en met een zwaai van de mechanische arm laat hij dat ding weer zakken. De wagen staat tussen hem en de container in en als de wagen verder rijdt, staat de container naast de container voor het restafval bij de garage van de overbuurman. Heeft die zwaaiarm dat ding een zetje gegeven zodat ze 30 meter terug rolt en precies op haar goede plek terecht komt?

De rolluiken van de overbuurman zijn gedurende de dag altijd dicht. In het weekend zijn ze een klein beetje opgetrokken en hij kan net zien dat de vensterbank vol met sanseveria’s staat. ’s Avonds brandt er een klein beetje licht in de woonkamer en soms ziet hij aan een flakkerende lichtspel dat de tv aan staat.

Omdat hij vanmiddag gasten krijgt, pakt hij de fiets om bij de bakker verse broodjes te halen. Het is niet druk en binnen het kwartier zet hij zijn fiets weer in het schuurtje. Terwijl hij de deur opent ruikt hij vers gemaaid gras. De overbuurman heeft gemaaid maar hoe snel kan je vijfhonderd vierkante meter maaien? Binnen een kwartier?

Hoe ontwikkel je een obsessie? Hij is zich er terdege van bewust dat zijn, tot nu toe onzichtbare overbuurman, vaker dan hem lief is, door zijn hoofd spookt. Anders willen is niet altijd anders kunnen. Maanden heeft hij geprobeerd de buurman uit zijn gedachten te bannen. Probeerde geen verklaringen te vinden voor die onverklaarbare gebeurtenissen maar hij kan niet anders meer.  Hoewel hij zich voor zichzelf een beetje schaamt doet hij het toch: hij besluit de overbuurman te bespioneren. De eettafel heeft hij verplaats naar de achterkant van de kamer en daarop het statief met zijn veldkijker gezet. Daarna heeft hij, door langzaam door de straat te lopen, gekeken of deze opstelling vanaf daar te zien is. Zolang hij de kamer donker houdt is dat niet het geval en tevreden zit hij nu aan tafel om alle gebeurtenissen op het erf van de overbuurman nauwlettend in de gaten te houden. Het eerste wat op de rol staat is de thuiskomst van de buurman.
Is hij weggedommeld? Heeft hij niet goed opgelet? De garagedeur van de buurman die gedurende dag altijd open staat en een volstrekt lege garage het daglicht gunt, is dicht en via de spleetjes in de rolluiken ziet hij dat er binnen licht brandt.
Het begint zachtjes te sneeuwen en met het vaste voornemen morgen vroeg op te staan om eindelijk de buurman te betrappen als hij naar zijn werk gaat, stapt hij zijn bed in.

Als hij ’s morgens zijn voeten naast het bed zet, is de wereld wit. Dat was al te horen toen hij nog in bed lag. Alles klinkt gedempt en het roept bij hem herinneringen op aan vroeger. De straat waar hij opgroeide en waar veel verkeer door kwam, was dan een oase van rust en bedachtzame geluiden. Als hij de woonkamer inloopt ziet hij dat de garagedeur van de buurman open staat. Van bandensporen is niets te zien.

De weken die volgen maken hem gek. Geen enkele maal heeft hij de buurman weg zien gaan of thuis zien komen. Soms was dat verklaarbaar omdat een mens of zijn hond nu eenmaal iets moeten als moedertje natuur roept maar alle andere keren staat de garagedeur zomaar open of dicht en brandt er wel of geen licht in huis. Ondanks zijn waakzame blikken, zijn lange uren aan de tafel, zijn pijnlijke ogen door het constant turen door de verrekijker heeft hij nog geen glimp van de overbuurman opgevangen. Het is alsof de dingen letterlijk in een oogwenk gebeuren maar kan je in een oogwenk je auto in de garage zetten en je huis binnengaan? Kan je in een oogwenk de garagedeur openen, de auto starten en wegrijden? Elke avond brandt in de woonkamer hetzelfde lampje maar geen enkele keer heeft hij iets van een beweging kunnen ontdekken terwijl dat toch wel logisch zou moeten zijn.
In gesprekken met andere buren heeft hij wel eens geprobeerd het onderwerp ‘rare buurman’ aan te snijden. Helaas is niemand daarin geïnteresseerd. Eén buurman heeft hem wel eens gezien maar dat was al lang geleden. Over zijn observaties en onverklaarbare zaken zegt hij niets. Voor je het weet voelt men zich bedreigt door een blijkbaar spiedende buurman met een verrekijker.

Het is nu lente en het verbaast hem niets dat de lange coniferenhaag aan de rechterkant van overbuurman ‘s huis tijdens zijn korte wandeling met de hond keurig is geschoren. Er is zelfs geen enkel takje aan afval te zien.

Aan het einde van die zelfde middag is er plotseling iets aan de hand. Het blauwe licht van een zwaailamp spettert door zijn woonkamer. In de straat staat een politiewagen en een ambulance. Een agent komt de woning van de overbuurman uit en gaat staan kotsen op het keurig gemaaide grasperk. Even later komt er nog een politiewagen. De man die daar uit komt hijst zich in een witte overal, doet hoesjes om zijn schoenen en behangen met camera’s gaat hij de woning binnen. De nieuwsgierigheid besluit hem om naar buiten te gaan en zich aan te sluiten bij de overige buurtbewoners. Niemand weet iets. Hij trekt de stoute schoenen aan en loopt naar de agent die net heeft staan kotsen. Die staat met een wit smoeltje tegen zijn stoere wagen geleund. Met zo zakelijk mogelijke stem vraagt hij wat daar binnen aan de hand is. De agent die voor zichzelf een vergoelijking zoekt voor zijn menselijk doch onprofessioneel gedrag is daarom blij met de vraag en deelt hem mee dat de bewoner van het pand dood is. Gezien de conditie waarin het lijk zich bevindt moet geconcludeerd worden dat hij dat al enige weken is. Met een gezicht waar de gruwel op afgetekend staat, deelt hij, met het enig gevoel voor understatement, mee dat dit geen prettig schouwspel oplevert.

 

©peter gortworst / jun.2018

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat -20-

Prooi.

Trutje heeft weer wat nieuws ontdekt. In haar bruine kop is het idee ontstaan dat ze misschien wel een jachthond is en dat geeft hem een nieuw probleem of, als je het een beetje eufemistisch wil zeggen, een uitdaging.

Tot nu toe was er van een jachtinstinct niets gebleken. De houtduif, merel, zwarte roodstaart of vink die op haar grasveldje lande werd de eerste maanden met verbazing bekeken en vervolgens zeer voorzichtig door haar benaderd. Dat ze niet bleven zitten was gewoon jammer. Later veranderde dat in regelrechte intolerantie. Wat denken die fladderende dingen wel! Dit is haar tuin en op volle snelheid met verontwaardig gegrom werd al dat gespuis de lucht in gejaagd.

Tijdens de dagelijkse lange wandeling was die enkele passerende auto, trekker, jogger of fietser geen enkel probleem. Hij riep haar voortijdig bij haar, zette haar keurig aan de voet en als het passerende geval voorbij was, kon ze zich, na zijn ‘Toe maar..’ weer met volle overtuiging richten op het aandachtig besnuffelen van grassprieten, bomen of steentjes op de weg.

Vanmorgen niet meer. De jogger op leeftijd die hem achterop komt en zijn komst aankondigt met het ploffende geluid van schoenen en het puffende geluid uit ademhalingsorganen, hoort hij ruim op tijd. Hij roept zijn hond, zet haar aan de voet en voor alle zekerheid houdt hij haar vast aan de halsband. ‘Moin,’ puft de jogger en hij moint terug. Als de jogger een aardig eindje weg is, laat hij de hond los. ‘Toe maar,’ zegt hij en voor hij weet wat er gebeurt, sprint die trut richting jogger. Gelukkig hoort deze zijn schreeuwend ‘HIER !!’ en net zo gelukkig legt zijn trut de laatste meters tot haar prooi af met de kop laag, de rug krom en een als een wentelwiek draaiende staart. De jogger is tot stilstand gekomen, blijk honden leuk te vinden maar wil toch graag verder. Na welgemeende verontschuldigingen van hem, als eigenaar van deze verstoorder der lopende zaken, vervolgt hij zijn tocht.

 

Eerst denkt hij nog dat dit een incident is maar als op het landweggetje een, ook van achterop komende, langzaam rijdende auto met hetzelfde fanatisme door haar wordt ingehaald zodat het lokale boertje gedwongen wordt zijn voertuig tot stilstand te brengen, borrelt een angstig vermoeden in hem op. Er moet weer aan ‘Opvoeding’ worden gedaan. Die ene trekker die dokkerend hem passeert gaat gelukkig de andere kant op en daar de trut het liefst voor hem uitloopt blijft het bij een ‘zal ik wel of zal ik niet houding’.

Dit gedrag bepaald wel dat hij hier niet in de weekenden kan wandelen. Op werkdagen is het rustig en blijft het bij een enkele jogger, auto of trekker maar in het weekend is dit een geliefde route voor fietsers. Zo lang deze trut haar overdreven gedoe niet heeft afgeleerd zal hij daarom slechts in nog stillere oorden, haar de vrije teugel kunnen geven. Het afleren van dat jachtgedoe kost hem natuurlijk weer minstens een kilo jongbelegen maar alles beter dan een trut die een Toyota apporteert.

 

© peter gortworst / juni 2018

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -19-

 

Puber of niet?

Kuri is nu 8 maanden en een allesbehalve voorspelbare viervoeter. Hij heeft geen idee of ze al aan het puberen is. Het kan zijn dat ze er middenin zit of dat het nog moet komen. Hij kan het niet aflezen uit haar gedrag. Dat is afhankelijk van het lekkers, de stand van de maan ten opzichte van de zon, de windrichting, het humeur van de buurvrouw of de groeisnelheid van het gras. De ene keer doet ze alles perfect en de volgende keer laat ze, als ze dat zou kunnen, hem haar middenvinger zien.

Ze moest onverwacht weer een paar dagen in het pension. Toen hij haar ophaalde was ze gereserveerd blij hem weer te zien. Zijn vermoeden dat ze slapeloze nachten achter de rug had, klopte. Op weg naar huis probeerde ze alert te blijven maar de oogjes en de kop werden te zwaar. Ze sukkelde langzaam weg. Thuis had hij er geen kind aan. Ze zocht haar beste plekje op en zeker een uur later dan normaal kwam ze hem de volgende dag wekken.
Dat doet ze best wel lief. ’s Avonds brengt ze hem naar bed. Ze wacht tot hij onder het dekbed schuift en gaat dan naar beneden. Tussen half acht en acht komt ze hem ’s morgens weer wakker maken. Een paar snuiven in zijn oor zijn genoeg.

Gevoel van humor kan haar niet ontzegt worden. Tussen de struiken door het erf van de achterbuurman, die in opperste concentratie zijn was aan het ophangen is, betreden en hem aan het schrikken maken door alleen maar aan zijn broekspijpen te ruiken, is natuurlijk dikke pret. Helemaal mooi als hij haar aan de andere kant van zijn erf de straat opjaagt. Ze staat plotseling in een straat met nieuwe geurtjes en de inmiddels aan zijn stem te beoordelen, boze baas is niet te zien. Zo lang hij wel te horen is maar niet te zien, betekent dit doen waar je zin in hebt en zo duurt het een kwartier voordat ze enthousiast voor haar eigen tuinhek staat. Baas staat aangeleerd blij te zijn dus er was niets aan de hand toch?

Als moeder Eend met zeven pluisbollen als nageslacht heb je het zwaar. Helemaal als er een bruin monster langs de rand van het kanaal naar je toe komt rennen. Het kroost schiet, bijna over het water rennend als 7 kleine jezusjes, naar de overkant en moeder speelt de zwaargewonde duck die het bruine gevaar weg moet lokken. Dat lukt haar donders goed. Zeker vijftig meter verder is haar genezing plotseling daar en ze stijgt op om met een mooie boog over de bomen heen, weer bij haar kroost neer te dalen. De hond heeft inmiddels door dat de baas wel erg ver is achtergebleven dus in volle galop komt ze hem halen. Een repeterende bedreiging. Daar heeft moeder Eend niet op gerekend. Ze herhaalt, tot groot genoegen van het bruine monster haar ziek, zielig en nooddruftig gedoe en als de afstand groot genoeg is, de hond weer ziet dat ze te ver van de baas is weggelokt en weer terug komt rennen, lijnt hij haar maar even aan. Moeders hebben het al te vaak moeilijk genoeg en bovendien hijgt zijn trut als een paard. In het picknickhuisje, een klein stukje verderop, kan ze even tot rust komen.

Vanavond was Diva er weer. Alle geleerde lessen uit het recente verleden, de rangorde betreffende, zijn vergeten. Een snauw, een beet in haar oor en een ruggelings herinneringsmoment zijn voldoende om het geleerde weer onder de aandacht te brengen. Ze ligt nu op de koude tegels in de hal af te koelen en hopelijk het opnieuw geleerde op te slaan. Hij weet het. IJdele hoop. Wat kan je anders van een trutje verwachten?

 

©peter gortworst / mei 2018

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , | 1 reactie

De rode draad -2-

Wegens de lengte van de tekst is dit verhaal in twee delen gepubliceerd. Dit is het tweede (en laatste) deel.

Ze belt diezelfde avond al. Hij krijgt een chaotisch en een ver van zijn bed staand verhaal te horen over haar leven tot nu toe.
Voor haar twintigste was ze zwanger. Ze woonde toen nog thuis bij haar moeder. De vader van het ongeboren kind had op voorhand al duidelijk gemaakt dat hij niets van een kind moest hebben. Hij wilde een abortus betalen, maar als zij het kind toch wilde houden, was dat zijn probleem niet meer en zou ze er alleen voor staan. Ze besloot het kind te houden. Het werd een jongetje en terwijl Oma voor het kind zorgde, was zij weer aan het werk gegaan.
Binnen een jaar ging ze samenwonen met haar nieuwe vriend. Ze huurden een flatje en het jaar daarop werd haar tweede zoon geboren. ‘Dat was weer een ongelukje,’ zegt ze en bijna alles wat in een relatie fout kon gaan ging bij haar ook fout. Ze ontdekte dat haar vriend een rasechte crimineel bleek te zijn en dat verklaarde een aantal verschijnselen. Zo was er op het ene moment meer dan genoeg geld en het volgende moment was er niets. De onregelmatige werktijden hadden niets van doen met gewoon werk en ook de sfeer van geheimzinnigheid en angst werd daardoor duidelijk. Ze had geëist dat hij er mee zou stoppen. Ze sprak hem aan op zijn verantwoordelijkheid naar haar en de kinderen toe, maar het werkte averechts. Hij werd kwaadaardig, kwam steeds minder thuis en als hij er was, werd zij door hem mishandeld. Toen zij door een andere bewoner met een bloedende hoofdwond en volkomen versuft in het trapportaal werd gevonden, ging het hulpverleningsmolentje draaien.
‘Maandag komen ze mij en de jongens ophalen. Ze brengen me dan naar een geheim adres want aan het eind van de week komt hij weer vrij,’ zegt ze, ‘En hij mag niet weten waar ik ben’.
Hoe lang ze daar zou zitten en hoe het verder moest wist ze niet.
‘Ik hoop dat ik een beetje in de buurt blijf. Dan kan je mij een keertje opzoeken,’ zegt ze.
Dat belooft hij en op zijn vraag of hij nog iets voor haar kan doen antwoordt ze:
‘Ja, met me trouwen!’
Zijn lach wordt door haar onderbroken:
‘Dit is niet leuk! Ik meen het echt! Weet je, ik heb tegen elk vriendje gezegd dat ze nooit kunnen tippen aan mijn allereerste vriendje en dat ben jij. Wij zouden het samen goed hebben gehad!’
Hij wil zeggen dat het niet handig is om elk nieuw vriendje met die mededeling te verrassen, maar ze heeft opgehangen.

Twee weken later belt ze weer.
‘Ik moet je vanavond spreken!’ zegt zij.
Ze spreken af dat hij om precies half acht, met de auto bij de brievenbussen op het stationsplein staat.

De auto staat nog niet stil als  het portier opengetrokken wordt en zij vliegensvlug, ver voorover gebogen, gaat zitten. Ergens in de buurt van het handschoenenkastje klinkt het bevel:
‘Weg hier! Ik ben als de dood dat ze mij herkennen!’
Ze zegt niets meer en als hij buiten de stad de snelweg opdraait, komt ze overeind.

Het blijkt dat ze haar in onze eigen woonplaats in een huis hebben geplaatst. Misschien dat zoiets even geheim blijft maar in deze dorpse stad, waar veel mensen elkaar kennen, duurt dat niet lang. Iedereen die iets te weten wil komen, kan dat ook. Terecht is ze over de keuze van dit adres heel boos. Haar twee kinderen worden, weliswaar door anderen, naar hun eigen school gebracht. Hoe gemakkelijk kan je het iemand, die iets kwaads in de zin heeft, maken? Het lijkt haar veiliger om, als het echt niet anders kan, alleen ‘s avonds buiten te komen. Het risico dat haar ex, of één van zijn vriendjes, haar tegenkomen is te groot.

Bij het eerste benzinestation langs de snelweg haalt hij twee bekers koffie en zet de auto op de parkeerplaats.
‘Waarover wil je me spreken?’ vraagt hij.
De verwachte hulpvraag of een update van alle shit die ze heeft meegemaakt of nog meemaakt, blijft echter uit. Niets van dat al. Het gaat alleen maar over hem. Een echte ondervraging. Ze wil weten hoe hij Els heeft leren kennen, of zij wel weet dat zij nu samen in de auto zitten, of hij wel eens vreemd is gegaan, hoeveel vriendinnetjes hij na hun verkering heeft versleten, wie dat waren, of hij gelukkig is, of er kinderen zijn en hoeveel ze er willen. Op alle vragen antwoord hij naar waarheid. Alleen bij de vriendinnetjesvraag schiet het hem net op tijd te binnen, dat er zeker twee bij waren die zij ook kent. Het antwoord op die vraag klopt veiligheidshalve dus niet.

Ze is kennelijk door haar vragen heen en blijft stil in het donker voor zich uit kijken.
‘Maak eens licht,’ zegt ze.
Hij knipt de binnenverlichting aan en ze draait zich naar hem toe. Zonder een spoor van emotie kijkt ze hem aan.
‘Zullen we neuken?’
Het gebeurt niet vaak, maar hij valt even stil. Ze heeft hem weer van zijn stuk gebracht. Helaas vat ze zijn sprakeloosheid op als twijfel.
‘Als je er over na moet denken zegt dat meer dan genoeg,’ zegt ze.
‘Ik dacht niet na, ik weet even niet wat ik moet zeggen,’ geeft hij als verweer, ‘En het antwoord op je vraag is nee.’
‘Bullshit, je moest wel nadenken. Waarom wil je niet? Is er iets mis met mij?’
Die laatste vraag is de gevaarlijkste en dient als eerste te worden beantwoord met een volkomen ongenuanceerd:
‘Er is absoluut niets mis met je. Ik vind je nog steeds hartstikke aantrekkelijk.’
Het antwoord bevalt haar blijkbaar, want de trekken op haar gezicht ontspannen wat.
‘We zouden het samen zo goed kunnen hebben. Ik ben beter dan welke vrouw ook en zou je echt gelukkig kunnen maken. Onze kinderen zouden het met elkaar best kunnen vinden. We kennen elkaar al zo lang: we horen bij elkaar. Wat is eigenlijk het probleem?Je geeft om me, want als je dat niet deed had je me vanavond niet opgepikt.’
‘Dat klopt,“ antwoordt hij, ‘Als je me volkomen koud liet had ik niet gereageerd, maar mijn gevoelens voor jou zijn meer van de categorie ’grote broer-kleine zus’. Als ik je op één of andere manier uit de shit kan halen doe ik dat, omdat niemand de sores verdient waar jij nu in zit. Een klein stukje van ons leven hadden we samen. Meer niet. We zijn elk onze eigen weg gegaan en meer dan dat kleine stukje samen is er niet. En misschien is dat ene kleine stukje de reden dat ik je wil helpen. Als je een praatpaal nodig hebt: prima, ik ben er. Zit je een keer op zwart zaad, mag je me bellen, wil je gaan verhuizen: regel ik voor je, maar verwacht niet dat ik mijn huwelijk op het spel ga zetten. Dat wil ik niet! Het beste voor jou is om mij te vergeten en nog beter is het om een eventuele nieuwe vlam niet te zeggen dat hij nooit kan tippen aan je eerste liefje. Wat wij ooit hadden is voorbij’.
Ze heeft haar hoofd van hem afgedraaid, zegt lange tijd niets en vraagt dan zacht:
‘Wil je me terug naar het station brengen?’
In volkomen stilte rijdt hij terug. Als ze bij het station uitstapt, vertrouwt ze hem, sissend van kwaadheid, toe:
“Stomme klootzak! Ga maar fijn de Goede Herder spelen voor anderen. Ik bel je niet meer. Ik ben nog liever dood dan jouw schijnheilige smoel te zien. Schijtert!”
En met een daverende klap gooit ze het portier dicht.

“Hoe was het?” vraagt Els.
Nadat hij alles heeft vertelt, merkt ze op:
‘Ze zal het niet makkelijk hebben en misschien belt ze inderdaad niet meer’.

 

1981

Ruim een jaar later en Carla hangt aan de telefoon. Ze is verhuist naar een dorpje in de buurt van Sneek en woont daar sinds kort samen met haar nieuwe vriend. Het gaat haar goed, maar haar twee kinderen zijn ondergebracht bij een pleeggezin. Volgens de hulpverlening is dat voor haar en de twee jongens beter. Als haar situatie wat stabieler wordt kunnen ze misschien terug, maar vooralsnog is daar geen kijk op. Hij vraagt waarom ze belt.
‘Wil de Goede Herder niet weten hoe het met dit ene schaapje gaat?’
Er schiet hem geen gevatte opmerking te binnen en hij rondt het gesprek af door haar het beste te wensen.
‘Mag ik je nog eens bellen?’ vraagt ze.
Natuurlijk mag dat.

 

In de jaren die volgen belt ze met grote onregelmatigheid. Soms hoort hij anderhalf jaar niets van haar en dan kan het zo maar zijn dat ze drie keer in de maand belt. Waar hij zich het meest over verbaast zijn de chaotische toestanden waarin zij blijkbaar continue verkeert. De relatie in Sneek loopt stuk. Ze gaat inwonen bij haar zus om vervolgens te vertrekken naar Breda. De vriend van haar nieuwe vriend is leuker en aardiger, dus dat wordt de volgende. Ze wordt zwanger, krijgt een dochter en binnen het jaar wordt ook dit kind uit huis gehaald. Vervolgens komt ze in Alkmaar terecht en het laatste adres is Lelystad. Het meest recente bericht is dat ze haar nieuwe vriendje het huis uit heeft gezet en dat ze van plan is voorlopig geen nieuwe meer te zoeken. Ze wil een poosje alleen blijven, zodat ze wat aan zichzelf kan gaan doen. Dat is het meest verstandige wat hij in lange tijd heeft gehoord.

Hoe kan iemand zo leven? Wat maakt dat zij haar leven zo leidt en lijdt? Is het noodlot, is het een gebrek aan eigenwaarde, trots of zelfvertrouwen. Misschien zijn al haar vriendjes wel lotgenoten of geestverwanten. Uit haar verhalen begrijpt hij dat er bij allen wel een steekje los zat of ze behoorden niet tot de maatschappelijk meest geslaagden. Wie weet zijn er wel goede kerels geweest, die in eerste instantie op haar uiterlijk vielen, maar afhaakten toen ze de echte Carla met haar hele hebben en houwen leerden kennen. En wat heeft dit met haar gedaan? Je hoeft geen genie te zijn om te ontdekken dat jouw manier van leven niet overeen komt met dat van de meeste mensen om je heen. Elke relatie de mist in zien gaan moet je, vroeg of laat, toch aan het denken zetten? Het meest bedroevend is wel de wetenschap dat ze elke nieuwe relatie is ingegaan met de hoop dat het nu wel klopt. En elke keer is die hoop tevergeefs geweest en dus is ook elke keer de mogelijkheid om een stabiele gezinssituatie te creëren haar ontnomen.  Wat een kut leven!

2014

Vanmorgen zit er een brief in de bus. Geschreven door de oudere zus van Carla. Een agressieve kanker heeft het leven van Carla genomen en ze is inmiddels, volgens haar wens, in stilte gecremeerd. In die brief zit nog een brief en die is door Carla speciaal voor hem geschreven. De brief heeft als aanhef:

‘Dag lieve Goede Herder en Herderinnetje’.  

Het is geen lange brief. Ze schrijft het een en ander over haar ziekte en bedankt hem omdat hij altijd een bereikbaar en luisterend oor was. Eén gedeelte blijft hem bij en zet hem aan het denken. Blijkbaar heeft Carla een nuchtere levenswijze en levenswijsheid ontwikkeld. Voor hem is dat nieuw. Ze schrijft:

Vanavond was er een man op tv, die het geweldig vond dat de techniek het mogelijk maakt dat mensen steeds ouder worden en misschien niet meer van ouderdom dood gaan. Het zou geweldig zijn dat je kennis niet verloren ging, dat je de kleinkinderen van je kleinkinderen zou zien en dat het begrip ‘tijd’ steeds minder inhoud zou krijgen. Ik ben het zo oneens met hem! Als je leven een klote leven is, zoals het mijne, je bent zwaar gehandicapt of je bent gewoon klaar met het leven, dan moet je er toch niet aan denken dat je niet dood kan gaan.

Is veel langer leven, of zelfs niet meer dood gaan, een zegening van de wetenschap? Los van alle problemen die het geeft met overbevolking, woningnood, betaalbaarheid en maatschappelijke acceptatie zou het kunnen. Je bent gezond. Je bent financieel onafhankelijk want je werkt nog steeds omdat je werken nog altijd leuk vindt. Je verveelt je niet en van een sleur is geen sprake. Je achter, achterachterkleinkinderen  weten nog wie je bent. Je hebt nog steeds plezier in het onthouden en aflopen van steeds meer verjaardagen. Vervelende kwaaltjes bestaan niet. Je kennis vermeerderd en je kunt altijd jongere generaties laten delen in jouw kennis.

Maar wat doe je hier nog als blijkt dat niemand op jouw wetenswaardigheden zit te wachten? Als de totale verveling toeslaat omdat je alles al hebt meegemaakt en er werkelijk niets nieuw is onder de zon? Wat als de wetenschap zich sneller ontwikkeld dan jij kunt bijleren en je dus hopeloos achter blijft? Mag je dan dood gaan?

Hoe langer hij nadenkt hoe meer mogelijkheden en onmogelijkheden hij ontdekt. Carla heeft er dus ook over nagedacht. Niemand, behalve de betrokkene zelf, weet hoe het voelt als je te horen krijgt dat je gaat sterven. Wat heeft dit weten met Carla gedaan? Ze is na gaan denken over haar leven en over het leven. Het weten dat je tijd afzienbaar beperkt is, dwingt blijkbaar daartoe. Hij vermoedt dat ze het, zeer terecht, oneens is geweest met die man van de tv. Na een leven vol missers, teleurstellingen, wanhoop, gebroken vertrouwen en vergeefs vechten, kan hij zich voorstellen dat je er gewoon klaar mee bent.

Ze sluit de brief af met de volgende woorden:

Ik ga dood en ik vind het niet erg meer. Om eerlijk te zijn verlang ik naar dat moment. Mijn kinderen komen wel goed terecht. Daarover hoef ik me geen zorgen te maken. Ik maak mij nu alleen zorgen over de dosering morfine die ik zal krijgen. Hopelijk meer dan genoeg.

 Dag allereerste liefje van mij. Ik ben altijd van je blijven houden.

 Het ga je goed.

Hij weet nog niet hoe hij zich voelt. De wetenschap dat Carla nooit meer zal bellen voelt niet als een opluchting of een gemis. Hij twijfelt. Had hij in het verleden dingen anders moeten doen of zeggen? Had hij niet meer kunnen doen? Verdriet, berusting, boosheid en de ‘het is beter zo dooddoener’ wisselen elkaar af. Niemand verdient een klote leven. Door die rottige ziekte is haar de kans ontnomen om het ooit beter te krijgen. Zij kan er vrede mee hebben, maar hij blijft het oneerlijk vinden. Hij is er nog lang niet uit. Carla is dood. Zijn eerste meisje is er niet meer. Kan hij haar ooit vergeten en wil hij dat wel?

‘Wil je met me gaan?’ vroeg hij lang geleden.
‘Ja,’ zei ze toen.
Ze is met hem gegaan.
Tot het einde toe.

 

©peter gortworst / mei 2018

Geplaatst in eerder | Tags: , , , | 3 reacties