Het is hun tweede ontmoeting. De eerste was in het Grand Café en zij zag wel wat in deze sportieve gepensioneerde man. Hij was onderhoudend, beslist niet alledaags en behandelde haar als een dame. De avond was tot haar genoegen plezierig verlopen en toen zij, met de nodige spanning in haar lijf, vroeg of er iets van chemie tussen hen was, had hij dat niet ontkent. Of er genoeg chemie was wist hij nog niet maar dat zou de tijd wel leren. Vol begrip had ze geknikt maar het antwoord kwam toch als een beetje jammer bij haar binnen. Gelukkig wilde hij haar wel een tweede keer zien en ze spraken af om dinsdagmiddag een boswandeling te maken. Hij zou haar thuis om half twee oppikken.
Het is snikheet maar het bos geeft een aangename verkoeling. De gesprekken gaan van de koetjes en de kalfjes naar de meer serieuze onderwerpen en weer terug. Ze ontdekken hun overeenkomsten en verschillen. Boeken die beiden gelezen hebben, gelijke politieke voorkeuren maar hij gruwt van GTST en zij niet. Ze moet glimlachen om zijn grapjes en geniet hoopvol.
Het pad voert hen langs een recreatievijver maar op deze doordeweekse dag is er geen mens te zien. Ze nemen plaats op een bankje en hij vist uit zijn rugzak een thermoskan met thee, twee bekers, een zakje met suikerklontjes en een doosje met koekjes. Als ze een tijdje zwijgend naar het water hebben zitten staren zegt hij plotseling:
‘Zullen we gaan zwemmen?’
Ze schrikt uit haar dagdroom en kijkt hem verbaasd aan.
‘Heb jij zwemkleding bij je dan?’
‘Nee, moet dat? Er is geen mens. We gaan gewoon in ons ondergoed. Of in de blote kont?’
‘Nou, nee,’ zegt ze afgemeten want in haar leefstijl komt dergelijk gedrag niet voor. ‘Maar als jij wilt zwemmen hou ik je niet tegen.’
Met een ‘okido’ begint hij zich uit te kleden en schijnbaar achteloos kijkt ze de andere kant op. Dan rent hij over het stukje zandstrand, plonst het water in, duikt onder en komt een aantal meters verder weer boven. Ze heeft hem nagekeken, gezien dat hij zijn boxershort nog aan heeft en hem bewonderd om zijn tanige, mooie bruine lijf. Ze heeft ook om zich heen gekeken en met opluchting geconstateerd dat er niemand is die haar zou kunnen conformeren met deze oude man in zijn onderbroek.
‘Hoe droog jij je nu af?’ vraagt ze als hij weer bij het bankje staat.
‘Niet. Het droogt vanzelf als ik vijf minuten in de zon zit.’
Hij gaat, een beetje achterover hangend, de ogen dicht en de benen gespreid in de zon zitten.
‘Doe jij wel eens gek?’ vraagt hij.
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, op het rolstoelknopje van een draaideur drukken als er veel mensen in staan en als dan de deur heel langzaam gaat draaien net zo verbaasd als alle anderen om je heen kijken. Of een alarmtoontje fluiten als iemand met volle tassen door de detectiepoortjes bij C&A loopt. Of in een volle lift met je neus in de hoek gaan staan en half hard mompelen: ‘Je gaat niet dood, je gaat niet dood, je mag er zo weer uit, blijf rustig, blijf rustig.’
‘Dat vind jij leuk?’
‘Ja, jij niet?’
‘Nee, ik zie daar de humor niet van in. Je maakt mensen aan het schrikken. Doe jij dat echt?’
‘Hm hm. Wat zou jij doen als er een oude man om hulp vraagt als hij bij de laadstrook van de Ikea staat met een touwtje om zijn pols en de andere kant van het touwtje om een paal?’
‘Niks, denk ik.’
Ze is even stil en vraagt dan: 
‘Heb je dat gedaan?’
‘Hm hm.’
‘Belachelijk! Wat zullen de mensen er wel niet van gedacht hebben?! Dat doe je toch niet?’
‘Ja hoor, dat doe ik wel en het zal mij worst wezen wat ‘men’ er van vindt. Misschien hebben ze wat om over na te denken, misschien lachen ze zich een bult…… Af en toe moet een mens gewoon iets anders dan het enige normale doen, toch?’
‘Ze zeggen niet voor niets: Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ik vind het maar niks.’
‘Jammer. Ik ben droog. Zullen we zo verder?’
Hij kleed zich weer aan. De nog natte boxershort kleurt zijn broek donker. ‘Goddank is er niemand die het ziet’ denk ze.
Het valt haar op dat hij minder spraakzaam is geworden. Als ze bij haar huis komen zet hij de motor uit. Hij draait zich naar haar toe en zegt:
‘Dit wordt een definitief afscheid. Je bent een lieve meid maar niet wat ik zoek. Ik heb iemand nodig waarmee ik ook gek kan doen. Humor is voor mij levenssap. Ik moet elke dag minstens één keer kunnen lachen. Met jou gaat dat niet lukken, heb ik gemerkt. Je bent mij te serieus. Daar is niets mis mee. Die mensen moeten er ook zijn maar dat zijn niet de mensen waar ik mijn leven mee wil delen.’
Ze staart naar het ventilatieroostertje voor haar. Ze had de bui al zien hangen en ook bij haar waren er twijfels ontstaan.
‘Nou, dat komt dan goed uit,’ zegt ze flink, ‘ik ben niet op zoek naar iemand die zich als een idioot gedraagt en waar ik mij voor zou schamen. Aan mij is niets mis maar bij jou is dat niet zo zeker. Het ga je goed.’
Ze opent het portier en vlak voor ze deze met een daverend klap dicht gooit zegt ze nog even snel: ‘Puber!’
Hij start de auto en terwijl hij wegrijdt toetert en zwaait hij naar een vrouw die met een kinderwagen aan de andere kant van de straat loopt. Aarzelend zwaait ze terug. Wie van haar vrienden of kennissen was dat?
©peter gortworst / jan. 2017









Het kan niet anders. Je moet over graven lopen wil je bij het graf van Luke komen en dat voelt raar. Staand op het graf van een ander kijk ik naar de steen die het graf van Luke markeert. Geen poespas. Hier ligt een man van het volk die met passie en overtuiging, volkse liedjes zong en daar wereldberoemd mee werd. Hier ligt een man die zich totaal niet op zijn gemak had gevoeld tussen alle hotemetoten aan de andere kant van het hek. Ik weet niet of hij vooraf vertelt heeft waar hij begraven wilde worden maar hij is hier volkomen op zijn plaats. Een jongen uit het volk die niets moest hebben van sterallures ligt hier tussen het ‘gewone’ volk. Een Dubliner tussen de Dubliners. Een betere plek bestaat er niet.


Het lukt haar niet en het maakt haar wanhopiger dan ze al is. Als ze dit niet kan, wat moet ze dan nog? Als de enige uitweg die ze ziet ook afgesloten is, waar moet ze dan heen? ‘Godverdomme God!’ schreeuwt ze. ‘Doe dan een keertje wat!’ Ze grijpt het glas en krijsend werpt ze het tegen de muur. Hysterisch gillend begint ze met alles te gooien wat ze maar in haar handen krijgt en hoort daarom niet dat het raam van de keukendeur wordt ingedrukt. Ze ziet plotseling de buurman in haar kamer staan en ze valt op haar knieën. ‘Ik kon het niet! Ik kon het niet!’ snikt ze. Buurman gaat naast haar zitten en slaat zijn armen om haar heen. Ze verliest haar bewustzijn en hij voelt haar slap worden. Voorzichtig legt hij haar op de linkerzij, pakt zijn telefoon en belt 112. Zorgelijk kijkt hij naar de oude vrouw en zachtjes streelt hij het natte voorhoofd. ‘Kom op meid, God mag weten wat er aan de hand is maar we gaan je helpen hoor.’
