Vals

Meestal maakt drank meer kapot dan je lief is maar soms niet. Dan maakt het je, als je tenminste niet te veel gedronken hebt, losser. Het ‘hoe hoort het eigenlijk’ is niet meer de leidraad en remmingen die je normaal voelt, vervagen. Wat je zegt, klinkt best wel verstandig en als jouw luisteraar ook een stijgend uggel-niveau heeft, zal deze het, zonder al te veel bedenkingen, helemaal met je eens zijn.

Anneke is de luisteraar en als haar twee vriendinnen beweren dat zij bij haar man zwaar onder de plak zit, komen deze zinnen bij haar binnen als God’s woord in een ouderling. Ze had al een vermoeden dat het gesprek deze kant op zou gaan. Wanneer twee vriendinnen vragen of haar man deze avond niet thuis is en bij een bevestigend antwoord dan voorstellen om even gezellig langs te komen, is het niet moeilijk om te concluderen dat het over mannen gaat. In dit geval dus haar man.

Ze weet het best wel. Ze cijfert zich vaak weg. Bij het doornemen van de agenda’s laat ze te vaak zijn afspraken prevaleren. Ja, hij is wat dominant maar om haar nu weg te zetten als een slaafje gaat wat te ver. Zo erg is het niet, toch? Wat zij graag zelf zou willen doen? Iets helemaal los van Jan-Peter? Daar moet ze even over nadenken maar eigenlijk weet ze het wel: piano spelen en weer les gaan geven aan kinderen. Net als vroeger toen ze nog niet samenwoonde. Het was geen vetpot maar ze verdiende haar eigen geld en het gaf haar onnoemlijk veel plezier. De piano is er nog wel maar staat werkeloos tegen de lange muur. Overdag kan ze niet spelen omdat Jan-Peter laat opstaat en, voordat hij aan het eind van de middag vertrekt naar een schouwburg of theater, er stilte heerst omdat hij zijn teksten moet leren. ’s Avonds spelen gaat niet. De muren hebben weliswaar geen oren maar doof zijn ze ook niet en de verstandhouding met de wederzijdse buren is nu nog goed.

De vriendinnen zijn blij met deze oplossing. Een zinvolle tijdbesteding voor een ander verzinnen, valt niet mee. Ze zijn het er over eens dat er, met een beetje goede wil, aan het einde van de middag best gespeeld en geleerd kan worden. Drie kinderen die elk een half uurtje les krijgen is toch een mooi begin? Woorden als onafhankelijkheid, eigen leven, elkaar respecteren, levensdoel en op eigen benen staan, klinken voor Anneke als wachtwoorden die toegang geven tot het beloofde land. De vierde fles gekoelde Hugo draagt daar natuurlijk fors aan bij. Dan gaat de telefoon. Een beetje wankel staat ze op en pakt de telefoon. Staan blijven als alles om je heen beweegt is gevaarlijk en daarom daalt ze neer op de pianokruk.

 

Hij is geen topacteur maar dat weigert hij consequent te geloven. Het valt niet mee om aan voldoende werk te komen maar daar heeft elke toneelspeler last van. Zelfs de beroemde. Natuurlijk is het korten op de subsidies ook een reden. Dat hij desondanks toch steeds werk heeft versterkt hem in zijn overtuiging dat hij best een hele grote kan worden. Het gezelschap waar hij nu bij speelt hoort beslist niet bij de top maar als je gevraagd wordt voor een rol is dat toch mooi. Het is werk, er wordt geld verdient en wie weet komt met deze rol de doorbraak. Hoe mooi zou het zijn om in de grote theaters te staan en eindelijk al de zaaltjes in die provincieplaatsjes vaarwel te zeggen. Misschien nog eens voor een try-out waar het gezelschap dan met hun eigen touringcar naar toe gaat maar verder niet. Geen gedoe meer met een armetierig hotelletje, taxi, trein of bus en zeker geen gedoe zoals in het schouwburgje van vanavond. De tijd die hij na de voorstelling heeft om de laatste trein te halen die nog een aansluiting geeft met zijn woonplaats, was ruim genoeg. Dat wàs zo. Het gordijn wat niet open wilde, zorgde er voor dat de voorstelling een half uur later begint. Als dan ook nog de pauze belachelijk lang duurt omdat de verhuurder van de zaal tevens de catering onder zijn hoede heeft, blijft er weinig tijd over. Om 22.58 gaat zijn trein en gelukkig is het station vlakbij.

Tijd om zich af te schminken heeft hij niet. Hij rukt de pruik van zijn hoofd en schiet in zijn dagelijkse kleren. Dan haast hij zich naar buiten en begint te rennen. Bijna buiten adem vliegt hij de trap van het perron op en ziet twee rode achterlichten in het donker verdwijnen. Het 22.57. Dit zou niet moeten kunnen. Het bord boven hem begint te ratelen en vertelt hem dat de volgende trein over een half uur vertrekt maar hij weet dat de aansluiting deze nacht niet meer zal rijden. Hij loopt de trap weer af en treft in de onderdoorgang drie medewerkers van het spoor. Op hoge toon eist hij van hen een verklaring. De trein is te vroeg vertrokken en hoe kan dat. De heren van het spoor kijken hem zwijgend en enigszins bevreemd aan. Natuurlijk! De mascara rond zijn ogen, de roze blosjes op zijn wangen en het overduidelijke nep-litteken op zijn rechter kaak. Hij beseft dat hij met die geschminkte kop voor gek staat maar een antwoord is toch niet te veel gevraagd? Hij herhaalt zijn vraag en dan komt ook het antwoord. De trein is vijf minuten te laat vertrokken. Hij had om 22.52 moeten vertrekken maar dat was niet gelukt. Dan dringt het tot hem door dat hij gedurende de avond acht minuten vóór, verwisseld heeft met 58. Hij weet zich even geen houding te geven en in pure wanhoop heft hij beide armen hoog en roept: ‘Ach, laat ook maar!’ Hij draait zich om en loopt de trap weer op. Achter zich hoort hij roepen: ‘O! Kunstenaars!’ en hij weet dat één van die lolbroeken met zijn armen omhoog staat.

 

Als hij in Utrecht aankomt, belt hij Anneke. Ze moet hem maar komen halen met de auto.
‘Met Anneke.’
‘Ja, met mij. Luister ik sta in Utrecht en..’
‘Ik zit op de pianokruk en luister eens… Deze noot is helemaal vals.’
Hij hoort haar een toets aanslaan en inderdaad, het klinkt vals.
‘We moeten hem laten stemmen,’ zegt ze en nu hoort hij dat ze wat aangeschoten klinkt.
‘Heb je gedronken?’
‘Wat klink je boos. Ja, Els en Fleur zijn hier en we drinken Hugo. Het is hartstikke gezellig zo. We gaan weer pianoles geven…….. o nee, ik ga weer pianoles geven maar dan moet hij eerst gestemd worden. Hoor maar.’
Ze slaat een paar toetsen aan en het klinkt erbarmelijk.
‘Luister liefje, ik sta in Utrecht en er is geen aansluiting meer. Kan jij…’
‘In Utrecht? Wat gezellig. Kom je gauw naar huis? Je lieve vrouwtje wacht wel op je hoor..’

Ze verbreekt de verbinding. Op de taxistandplaats kruipt hij achterin de auto en mismoedig ziet hij de stad aan zich voorbijtrekken.

 

©peter gortworst \ mrt 2017
foto: Can Stock Photo

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

De prins van Dobricië

‘Kon u het vinden?’ vraagt de jonge vrouw die mij naar de afdeling begeleidt. Het is een kordate dame. Wit uniform, makkelijk haar en op Zweedse klompen. Ze heeft er flink de pas in en ik moet mij inspannen om, trekkend aan mijn koffer met gereedschap, haar bij te houden.
‘Ik heb Truus altijd bij mij. Die weet de weg,’ antwoord ik licht hijgend.
Ze kijkt mij even verbaasd aan.
‘Ik heet Truus…..’
‘Ha, dan heb jij een hele slimme naamgenoot. Ik noem mijn navigatiesysteem altijd Truus.’
Gelukkig, ze kan er om lachen.

We komen bij een deur die met een cijfercombinatie geopend wordt. Ze gaat mij voor en wijst even later op een koffiezetmachine.
‘Die is het. Hij stoomt meer dan dat hij water geeft.’
Een korte inspectie leert mij dat het apparaat vol met kalk zit. Dit gaat wel even duren. Ze schrijft een nummer op een briefje wat zij uit haar jasje haalt.
‘Als u klaar bent kunt u dit nummer bellen en dan kom ik u weer halen. De enige bewoner die hier nu is, heet Patrick. Hij praat veel maar verder zal u er geen last van hebben. Nou, succes!’

Ik ben nog maar net bezig als achter mij iemand zegt:
‘Dag meneer.’
Ik draai mij om en daar staat een boom van een vent. Ravenzwart haar, donkere ogen en een iets getinte huidskleur.
‘Hoi, jij moet Patrick zijn.’
‘O, dat hebben ze u al vertelt? Wat nog meer?’
‘Alleen dat jij een aardige man bent en graag praat.’
Deze mededeling moet hij blijkbaar even verwerken. Hij loopt een stukje weg, staat dan even stil en draait zich om. Zwijgend bekijkt hij mijn handelingen.

‘Waar praat jij graag over?’ vraag ik hem.
Schokschouderend blijft hij staan, zegt geen woord en net als ik denk dat het vele praten nog wel eens mee kan vallen, zegt hij:
‘Ze geloven mij niet als ik ga praten.’
‘Nou, als je over kabouters begint, geloof ik je ook niet.’
‘Ze geloven niet dat ik een prins ben.’
‘Een echte of van het carnaval?’
Even trekt er een donkere schaduw over zijn gezicht.
‘Een echte natuurlijk. Wij doen hier niet aan carnaval.’
‘En hoe komt een echte prins dan hier terecht?’
‘Omdat het hier veilig is. Mijn vader en moeder, de koning en koningin van Dobricië leven hier in ballingschap en omdat het te gevaarlijk is om zonder beveiliging rond te lopen hebben ze mij hier tijdelijk ondergebracht. Ik ben de troonopvolger dus ik mag niet dood’
‘Jouw vader is de koning van Dobricië? Waar ligt dat?’
‘Het is, nee, het was een klein koninkrijk op de grens van Roemenië en Bulgarije aan de Zwarte Zee. Toen in 1876 de sultan Abdoel Hamid zijn Ottomaanse rijk weer veroverde is mijn land ook verloren gegaan. Sinds die tijd leeft mijn familie in ballingschap en tot voor kort zag het er naar uit dat wij weer naar ons land konden terugkeren. Helaas is die Erdogan net zo’n grootdenkende idioot als die Hamid. Die wil ook zijn Ottomaanse rijk weer terug dus voorlopig zullen we hier wel blijven.’

Mijn topografische kennis is niet zo groot dat ik het bestaan van dat koninkrijk kan bevestigen of ontkennen. En waarom zou ik het ontkennen en waarom zou ik het bestaan van ene Abdoel Hamid in twijfel trekken?
‘Jouw voorouders zijn dus gevlucht. Hoe komen ze hier dan terecht?’
‘Waar kan je als koning beter zitten dan in een koninkrijk? Hier weten ze hoe ze met een koning om moeten gaan toch? Maar mijn ouders zijn hele gewone mensen hoor. Ze willen niet opvallen natuurlijk. Mijn vader werkt ook gewoon elke dag.’
‘Maar jij vertelt mij zomaar dat je een prins bent die hier verblijft omdat het anders te gevaarlijk is. Misschien ben ik wel de vijand!’
Ik zie hem even twijfelen. Misschien was dit niet zo’n handige opmerking van een flapuit die een kop kleiner is dan deze prins. Gelukkig loopt het zo’n vaart niet. Met een minzaam glimlachje merkt hij op dat ik de meneer ben die de koffiezetmachine maakt en blijkbaar is dit een kundige vaardigheid maar onvoldoende om een mogelijke aanslag op de prins van Dobricië te kunnen ondernemen. Toch loert het gevaar overal:

‘Er maakt hier wel een Turkse mevrouw schoon en die vertrouw ik niet. Als zij hier schoonmaakt verstop ik mij altijd. Zij weet niet dat ik besta.’
‘Omdat?’
‘Zij is een aanhanger van die Erdogan! De vijand van ons volk!”
‘Ah, zo…’
‘Geloof je mij wel?’
‘Ja, natuurlijk. Ik had er gewoon even niet aan gedacht. Wanneer wordt jij eigenlijk koning?’
‘Als mijn vader dood is en dat kan lang duren. Kijk maar naar Charles in Engeland. Als het even tegen zit gaat hij eerder dood dan zijn moeder.’
‘Charles heeft kinderen dus die zullen hem dan wel opvolgen. Hoe gaat dat met jou? Heb jij al kinderen?’
‘Nee, mijn vader zoekt nog een prinses voor mij. Die ga ik dan trouwen en dan krijgen wij ook kinderen.’
‘Ja, zo makkelijk is dat blijkbaar.’

Met de mededeling dat hij zich even terugtrekt, verdwijnt de prins naar zijn verblijven. Als de machine klaar is bel ik Truus. Misschien hebben de paar woorden die ik door de telefoon sprak de prins uit zijn vertrekken gelokt. Als Truus de deur binnenkomt is ook Patrick daar weer.

‘Tot ziens, prins van Dobricië,’ zeg ik en maak een diepe buiging. De prins glimlacht minzaam en geeft mij dan een hand. De wijsvinger van zijn andere hand houdt hij voor zijn lippen en met een knipoog laat ik weten dat het gebaar begrepen is.

‘Is het gelukt?’ wil Truus weten.
‘Het was een koninklijke klus,’ antwoord ik en Truus schiet in de lach.

©peter gortworst / mrt 2017
Afbeelding http://www.historiek.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De buitenlandse engel

Als ze in de hal van het station komt moet ze zich even oriënteren. Er blijken twee uitgangen te zijn. Op goed geluk gaat ze naar links en komt uit bij een busstation en kantoorgebouwen. Dat herinnert ze zich niet dus moet ze de andere uitgang hebben. Het straatbeeld komt haar bekend voor. Nu is ze goed. Ze gaat rechtsaf en in één van de zijstraten moet het zijn. De eerste twee slaat ze over. Die zijn het zeker niet maar of het nu de derde of vierde was weet ze niet meer. De eerste en enige keer dat ze hier was, zat ze in een auto en was het donker. Ze probeert de derde maar na honderd meter weet ze al dat het deze niet is. Hier zijn alleen maar hoge huizen en aan weerskanten van de straat geparkeerde auto’s. Dat was in die andere straat niet. Daar stonden maar aan één kant auto’s en er waren winkeltjes. Het moet de volgende straat zijn. Plotseling krijgt ze haast. Sneller dan gewoonlijk haast ze zich naar de vierde straat. Ook deze is het niet. Is het toch één van de eerste twee of misschien de vijfde straat. Ze besluit een straat verder te lopen en met een gevoel van opluchting komt de herkenning. Winkeltjes en auto’s aan één kant. Het was niet ver van de hoek en ze ziet van een afstandje al de tafeltjes en stoelen die op de stoep staan. ‘Koffiehuis Joop’ leest ze op het raam en met een blos op haar wangen en een hart wat sneller slaat dan normaal duwt ze klink naar beneden.

Natuurlijk was het stom geweest om met hem mee te gaan maar dat soort wijsheid komt altijd achteraf. Wie had kunnen denken dat haar nieuwe baas, waar zij als privésecretaresse voor was gaan werken zo’n onverwachte kwade kant had? In die ene week dat zij daar werkte was hij altijd vriendelijk, behulpzaam en geduldig geweest en toen hij aan het eind van die week haar gevraagd had met hem uit eten te gaan om elkaar wat beter te leren kennen, had zij daar niets achter gezocht. Het leek haar zelfs wel een goed idee. En het wàs ook een leuk etentje. Hij was oprecht in haar geïnteresseerd, vroeg haar van alles, vertelde ook veel en had ook nog een leuk soort humor. Zelfs toen hij vroeg of ze nog met hem mee ging om bij hem thuis een afzakkertje te nemen gingen er geen alarmbellen rinkelen. Die kwamen pas toen hij, met de smoes dat hij even naar de badkamer moest, terug kwam in een zwart leren broekje, een dito masker en een soort zweep. Hij had haar door. Volgens hem was zij een onderdanig type en zouden ze samen heel veel plezier kunnen maken. Ze was geschrokken maar had de tegenwoordigheid van geest om te gaan staan en voor hij door had wat er gebeurde, had zij de wreef van haar laarsje in zijn kruis geplant. Ze vluchtte terwijl hij kreunend op de grond lag.

Waar moest ze heen? Ze was in een wildvreemde stad en ze wist niet waar ze in die stad was. Haar mobieltje lag bij hem op de salontafel. Haar tas had ze mee gegrist, het mobieltje vergeten. Op goed geluk gaat ze lopen en al vragend aan toevallige andere wandelaars, loopt ze richting centrum. Daar is het station en als ze daar eenmaal is komt het weer goed. Wandelen is vaak stil staan bij jezelf en bij haar is dat niet anders. De emoties lopen steeds hoger op en snikkend vervolgt ze haar weg. Ze weet niet meer waar ze loopt. De omgeving is een brij van hoge huizen, geparkeerde auto’s, fietsen en eindeloze rijen stoeptegels. In die brij ontwaard ze een soort huiskamer. “Koffiehuis Joop” staat er op het raam. Halve vitrage, schemerlampjes aan de bruine muur en een ouderwetse kroonluchter aan het plafond. Ze beseft dat ze daar tot rust zou kunnen komen. Hete koffie en een toilet waar ze zich wat op kan knappen. De deur zit op slot en ontgoocheld leunt ze er met haar rug tegenaan. Ze hoort niet dat er een slot wordt omgedraaid en een knip weggeschoven. Ze zou ruggelings achterover gevallen zijn als twee armen haar niet hadden opgevangen. De armen zijn van een man met, wat zo diplomatiek omschreven wordt, een Noord Afrikaans uiterlijk.
“We zijn dicht,” zegt de man.
“Ja, dat dacht ik al. Sorry voor de moeite.”
Hij kijkt haar onderzoekend aan.
“Gaat het wel goed?”
Nee, natuurlijk gaat het niet goed. Ze schaamt zich omdat ze weet dat ze er niet uit ziet, ze moet wat drinken, ze is moe en ze moet nog naar het station waarvan ze niet weet waar het is.
“Ja, hoor. Er is niets aan de hand. Ik ben op weg naar het station maar ik wilde eerst even wat drinken. Jammer dat u gesloten bent. Ik zoek wel even verder,” liegt ze vrolijk.
Voor ze aan een bedankje toe is staat hij al met zijn hoofd te schudden.
“Het is niet goed met je. Ik ben niet gek. Kom, ga zitten.”
Met een uitnodigend gebaar trekt hij een stoel onder een tafeltje vandaan. Ze twijfelt even maar haar lijf heeft de keuze al gemaakt en met een diepe zucht neemt ze plaats. Hij loopt naar de bar en komt terug met een bierglas vol water. Als hij tegenover haar is gaan zitten gebaart hij dat ze moet drinken.
“Vertel.” zegt hij.

Ze kijkt hem aan. Kijkt naar die donkere bruine ogen, de hagelwitte tanden en zijn vriendelijke glimlach en dan voelt ze de rust die in deze man woont. En ze vertelt. Ze begint met de avond, dan haar werk, dan haar zoektocht naar werk, haar mislukte relaties, haar mantelzorg voor haar chronisch zieke moeder en elke keer weet deze man de goede vragen te stellen zodat ze meer vertelt, na moet denken over hoe het nu was of over het waarom. Ze voelt zich gedwongen om haar gedachten te formuleren omdat ze het hem duidelijk wil maken. Al pratend ontdekt ze steeds meer van zichzelf. Voor de eerste keer ervaart ze hoe bevrijdend praten over gevoelens, angsten, aannames en schijnbare zekerheden kan zijn als er echt naar je geluisterd wordt.

“Je bent een mooie vrouw,” zegt hij, “en ook een sterke vrouw. Sterk in het dienen, in het de ander naar de zin maken, in het jezelf wegcijferen. Dat is niet genoeg. Je moet ook sterk zijn voor jezelf. Schouders naar achteren en de kin omhoog. Hier ben ik. Ik heb ook mijn leven, mijn wil, mijn verlangens, mijn wensen en daarom zeg ik soms ‘nee’. Je bent geen sloofje. Je bent een waardevol mens die evenveel recht heeft op een gerespecteerd en gelukkig leven als ieder ander.”

Ze kijkt hem lang en zwijgend aan. Hij heeft zo vreselijk gelijk en ze voelt zich daardoor gesterkt. Ze staat op en vraagt naar het toilet. Daar knapt ze zich een beetje op.  Als ze terug komt staat hij op haar te wachten met zijn jas aan en de sleutels in zijn hand.
“Ik breng je naar huis,” deelt hij haar mee.
“Nee joh, ik ga wel met de trein. Vertel maar waar het station is.”
“Het is laat. Er gaan geen treinen meer.”

In een auto die aan alle kanten rammelt rijdt hij haar naar huis. Er wordt over niets gesproken. Alleen haar aanwijzingen over de te rijden route verbreken de stilte. Als ze bij haar huis zijn vraagt ze zijn naam.
“Ik heet Samien.”
“Ik heet Els. Dank je wel Samien. Ik ben heel blij dat ik jou ontmoet heb.”
Ze wil veel meer zeggen maar ze hakkelt zo erg dat er geen zinnig woord uit komt. Hij onderbreekt haar.
“Het is goed. Welterusten.”
Pas als ze deur achter zich gesloten heeft, hoort ze de auto starten. Hij wilde zeker weten dat het goed was.

Ze heeft na het weekend haar baas gebeld met de mededeling dat ze haar telefoon op kwam halen en dat deze bij de receptie klaar moest liggen. Ze kreeg hem in een gesloten enveloppe. Ter plekke maakte ze hem open en haalde behalve haar telefoon er ook een briefje uit. Hij bood zijn verontschuldigingen aan maar had ook het lef om te suggereren dat haar houding een stimulans was geweest voor dit SM-spel. Ze scheurt het briefje één keer doormidden en geeft dit met de enveloppe aan de receptioniste.
“Kunt u dit zo afleveren aan de verstuurder?” vraagt ze.
“Wie is dat dan?”
Ze noemt zijn naam en in de gelukzalige wetenschap dat het briefje eerst door haar gelezen zal worden, vertrekt ze voorgoed.

Het is niet druk in het koffiehuis. Achter de bar staat een man met een imposante snor en buik. Aan een tafeltje zitten vier mannen te kaarten en twee anderen zijn aan het biljarten.
“Koffie?” roept de man vanachter de bar naar haar.
Ze knikt en wacht. Als de koffie wordt gebracht vraagt ze of Samien er ook is.
“Wie?”
“Samien. Die werkt hier toch?”
“Ik ken geen Samien.” Hij draait zich om en roept naar de kaartende mannen:
“Jongens, kennen jullie Samien?”
Het duurt even maar dan komt er een antwoord.
“Dat was toch die schoonmaker, die buitenlander die niet schoon maakte?”
“Verdomd,” zegt de snor tegen haar, “Die had laatst op een vrijdagavond schoon moeten maken maar er was niets gedaan. Er was niet afgewassen, niet gedweild en niet opgeruimd. Die gozer is gewoon vertrokken. Mijn baas gelijk het uitzendbureau gebeld dat ze die niet meer hoeven te sturen en naar wat ik begrepen heb is hij daar ontslagen. Ja, dat heb je met die mensen. Een heel andere moraal hè. Konden wij op zaterdagmorgen eerst alles zelf nog doen.”
Als ze haar koffie afrekent wil de snor toch graag weten wat ze van Samien moet. Omzichtig probeert hij haar uit te horen. Ze legt haar hand naast haar mond en zegt zacht:
“We zitten achter hem aan. Ssst!”

Ze loopt naar buiten en ze weet dat het in deze grote stad onmogelijk is om Samien te vinden. Ze houdt het er maar op dat zij een Noord Afrikaanse engel heeft ontmoet die luisterend de ander laat weten dat het zo ontzettend mooi en belangrijk is om gehoord te worden.

©peter gortworst / feb. 2017
foto: you tube.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Amrak

Een diepe slaap heeft zijn voordelen maar als je daar noodgedwongen uit moet ontwaken valt het niet mee. Het dringt daarom langzaam tot mij door dat het alarm van een auto afgaat en het duurt nog wat langer voordat ik door heb dat het best eens van mijn auto kan zijn. Ik schiet uit bed en eens te meer blijkt de geest wel gewillig maar het vlees te zwak. Duizelig als een puber met een slok en één ritje in de kermisattractie te veel, zak ik terug op het bed. Ik wacht tot de slaapkamer weer stil staat. Dan hoor ik mijn sleutelbos rammelen en het alarm stoppen. Met gezwinde spoed haast ik mij de trap af. Dat een man in onderbroek en T-shirt op voorhand al geen dreigende of autoritaire indruk geeft bij een mogelijke indringer, neem ik maar voor lief.

Het is dat het mannetje wat verlegen kucht. Ik had hem makkelijk over het hoofd gezien en erger nog, op hem kunnen gaan staan. Het is een mini-mens van ongeveer 20 cm groot. Keurig in een donkerblauw pak, wit overhemd en een oranje stropdas, de haartjes netjes gekamd met een scheiding links, glimmende schoentjes en in zijn hand mijn sleutelbos.
‘Wat moet dat hier?’ vraag ik streng.
Het mannetje staart wat onwillig naar de koude stenen vloer en haalt zijn schoudertjes op.
‘Geef mij eerst maar eens die sleutels terug,’ brom ik bars.Met een grote boog gooit hij de sleutels omhoog en ik realiseer mij dat er in dat kleine lijfje verbazend veel kracht moet zitten. Er hangen nogal wat sleutels aan de bos en voor iemand van zijn formaat is dat een heel gewicht.
‘Zo, en nu gaan wij maar eens even praten. Hier is de keuken en ga maar op de kruk zitten’.

Ik zet het koffiezetapparaat aan en terwijl ik de melk en de suiker pak, houd ik hem nauwlettend in de gaten. Hij zit op de rand van het krukje, heeft zijn beentjes over elkaar geslagen en zijn armpjes losjes in zijn schoot gelegd. Als de koffie klaar is, schenk ik een mok vol en ga tegenover hem zitten. Ik zie alleen nog zijn keurig gekamde haren.
‘Kom maar op de tafel zitten. Zo kan ik je niet zien.’
Met een sierlijke sprong landt hij op de tafel en neemt plaats op de rand van de fruitschaal. Omdat je nu eenmaal meer vliegen met stroop vangt dan met azijn vraag ik hem of hij ook wat wil drinken. Hij schud zijn hoofd. Ik schenk wat melk in de koffie en zie dat het schift. De mok giet ik leeg in de gootsteen en schenk een nieuwe in. Dan maar zwart.
‘Hoe heet je?’
‘Amrak,’ zegt hij met een diepe, melodieuze baritonstem.
Ik schiet in de lach. Een dergelijk stemgeluid had ik niet verwacht. Hij kijkt mij nieuwsgierig aan dus vertel ik hem waarom ik moest lachen. Hij glimlacht een beetje.
‘Wie of wat ben jij? En kom niet aan met ‘kabouter’ want daar gelooft slechts een enkele zonderling in.’
‘Ik ben een Amrak. Eén van de velen en wij proberen de mensen een beetje op te voeden. Soms helpen wij en soms expres niet.’
‘Ik dacht dat wij daar beschermengelen voor hadden?’
‘Die zijn van de afdeling ‘wonderen’. Daar doen wij niet aan. Dat is te makkelijk. Een wonder overkomt je gewoon. Bij ons moet je nadenken.’

Ik neem voorzichtig wat kleine slokjes van de koffie. Een prima handeling om even te overwegen wat er zojuist is vertelt.
‘Wat heb jij dan hier gedaan om mij aan het nadenken te krijgen?’
‘De melk zuur gemaakt. Die autoband van vet om je middel is niet goed. Je moet dus af gaan vallen. De man van de nachtbevoorrading heeft mij onbewust even geholpen met het autoalarm. Het wordt een prachtige dag. De zon komt zo op dus waarom zou je, nu je toch wakker bent, niet even een rondje gaan wandelen. Goed voor je.’
Er zijn opnieuw een aantal slokjes koffie nodig. Voor ik weer wat kan vragen gaat het mannetje verder:
‘Je scheiding was klote maar hoe is het nu met je? Ooit eens nagedacht over de kosten die je zou moeten maken om je oude huis bewoonbaar te houden? Denk jij dat je die enorme tuin tot in lengte van jaren had kunnen onderhouden? Jij bent net als de rest: wel het noodlot zien maar niet de kansen die het geeft. Wij zorgen voor het noodlot en wij weten dat er dan kansen zijn. Je moet ze alleen nog zelf ontdekken door anders te gaan denken. Maar ja, dat andersom denken, maar ook schrijven, kijken of lezen, valt voor jullie niet mee. Best wel jammer, eigenlijk. Toch hadden jullie een voetballer die het aardig begreep. Elk nadeel hep zijn voordeel. Zo was het toch?’
‘Hoe kan het dat jij zo veel van mij weet? Ben jij er altijd al en waarom heb ik je nooit eerder gezien?’
Het mannetje haalt even zijn schouders op en vertelt dan dat er alleen in dit mooie dorp er wel een paar honderd zijn die alles weten van iedereen. Als ik vraag wie ze aanstuurt kijkt hij mij verwonderd aan. ‘We zijn er gewoon’ is het enige wat hij kwijt wilt.
‘Waarom heb ik je nooit eerder gezien?’
‘Er ging wat fout met de verbinding. Het is net techniek. Normaal zie je ons ook niet maar soms moeten we even zichtbaar worden. Jouw sleutel van de auto kan ik niet bedienen als ik onzichtbaar ben en omdat er met de verbinding wat fout ging bleef ik zichtbaar. Dat zal inmiddels wel verholpen zijn dus ik ga nu.’
Hij knijpt zijn oogjes even dicht en is verdwenen.

Er zit nog net een kopje koffie in de kan. Ik loop er mee naar buiten. Het schemert en de eerste merels en zanglijsters beginnen aan hun dagelijkse concert. Als ik op het bankje ga zitten stoot ik met mijn elleboog tegen de beugel van de grasmaaier. De hete koffie loopt over mijn blote benen. Ik spring op en kwaad roep ik: ‘En waar was dit nu weer goed voor? Oke, ik ga zo wandelen en die rottige grasmaaier zet ik de volgende keer gelijk wel in het schuurtje. Tevreden?’

©peter gortworst / feb. 2017
foto: http://www.tuinadvies.be

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 5 reacties

Potje

Met nauwelijks verborgen belangstelling gluurt de heer op leeftijd naar het notitieboekje in haar hand. Het is een meisje van een jaar of achttien wat bij het uitdelen van schoonheid niet helemaal vooraan heeft gestaan. Ze is te mager, heeft knokige knieën die ondanks haar maillot duidelijk zichtbaar zijn, haar kin is ver teruggetrokken en de neus te groot. Met haar wat fletse ogen staart ze een tijdje naar de lamp in de wachtkamer en schrijft dan iets in haar boekje. Ze wacht even, laat haar pen wiebelen tussen de wijs en middelvinger en schrijft dan nogmaals iets op. Ze staart weer naar de lamp en na enige tijd klinkt er een diepe zucht.

‘Lukt het niet?’ vraagt de heer naast haar.
Ze schrikt een beetje. Haar wangen kleuren rood en schichtig kijkt ze hem even aan.
‘Nee,’ zegt ze aarzelend.
Ze haalt adem om weer iets te zeggen maar ze bedenkt zich. Het wiebelen en staren gaat door. Dan schrijft ze weer wat, kijkt er naar en de dunne lippen bewegen mee als ze leest wat ze zojuist opgeschreven heeft. Het is niet goed. Met vinnige krasjes streept ze het door. Ze kijkt snel even opzij en de heer naast haar doet alsof hij niet kijkt.

De nood is blijkbaar hoog. Ze overwint haar verlegenheid en vraagt:
‘Wat rijmt er op heupen?’
‘Heupen?’
‘Ja, heupen.’
De heer fronst de wenkbrauwen en zachtjes ‘heupen’ mompelend bekijkt hij de veters in zijn schoenen.
‘Ik zou het niet weten. Volgens mij niks.’
‘Hm,’ is enige wat ze zegt en aan het pennengekras te horen en zien, verdwijnt er een hele regel.

‘Je schrijft gedichten?’ en omdat hij door heeft dat dit een nogal domme vraag is corrigeert hij zichzelf met een: ‘Ik bedoel, je bent een dichteres?
‘Nou, uh, nee, niet echt’.
‘Ik schrijf ook gedichten. Er zijn al twee bundels van mij uitgegeven. Publiceer jij ze ook?’
Ze kijkt hem een beetje bevreemd aan.
‘Ik schrijf ze voor mijn lief’, zegt ze dan.
‘Ach, wat mooi, wat romantisch! Lees jij ze dan voor of laat je ze hem lezen?’
‘Geen van beide. Ik heb nog geen lief.’
Het is duidelijk dat de heer zich even geen houding weet te geven. Liefdesgedichten aan een niet bestaande lief vragen een wending in zijn verwachtingspatroon die niet is voorzien.
‘Ja, ja,’ is het enige wat hij kan zeggen. Dan, alsof hem een licht opgaat, waagt hij zich aan een poging tot troost:
‘Die komt vast nog wel. Je bent nog jong, je hebt nog een heel leven voor je en uiteindelijk past er op elk potje een dekseltje.’

De zoemer zoemt en het meisje staat op. Terwijl ze het boekje en de pen in haar tas doet zegt ze met een allerliefste glimlach:
‘Ik ben al een pot. Nu nog een dekseltje.’
Ze verdwijnt door de deur van de spreekkamer. De heer op leeftijd heeft haar nagekeken. Het duurt even maar met een zacht kuchje als inleiding, durft hij toch zijn vraag aan mij te stellen:
‘Bedoelde ze nou dat ze lesbisch is?’
Ik knik glimlachend en zie tot mijn voldoening dat ook heren op leeftijd nog kunnen blozen.

©peter gortworst / feb. 2017
foto: kunstenantiekverkoop.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 5 reacties

Nel

Hij staat al een tijdje te kijken hoe ik aan het prutsen ben om zeven extra veren te monteren. De haakjes aan de onderkant moeten op de tast gemonteerd worden en voor een ziende valt dat niet mee.
‘Moet ik even helpen?’ vraagt hij.
Ik kijk hem aan en schat zijn handvaardigheid in. Het is geen moeilijk klusjes en een extra hand zou best eens makkelijk kunnen zijn.
‘Als u die plaat een klein stukje naar beneden drukt kan ik er net wat beter bij.’
‘Zeg maar Henk. Ik ben een gewone jongen hoor.’
‘Ik ook en ik heet Peter.’

Gezamenlijk worstelen we de eerste veer op zijn plaats. Nog zes te gaan en met hulp van Henk gaat het niet sneller maar wel makkelijker. We mopperen gezamenlijk hartsgrondig op constructeurs die zo iets onzinnigs kunnen bedenken en zijn wonderbaarlijk eensgezind in het gebruik van krachttermen. Tijdens het broddelen aan nummer vier komt er een dame langs met een dikke map als een baby op haar arm. Haar hakken verraden haar kordaatheid: marstempo.
‘Daaag, mevrouw van der Velde’ fleemt Henk.
Ze knik minzaam naar Henk en mij. Het geluid van de hakjes verdwijnt in een lange gang en Henk gromt:
‘Bitch!’
Ik schiet in de lach.
‘Jij bent een flinkert! Hoezo bitch?’

‘Zij is, net als ik, een vrijwilligster. Alleen zij maakt de roosters voor alle vrijwilligers die hier werken en ze denkt daarmee dat ze de president-directeur is. Het steekt haar dat ze op mij geen vat heeft. Ik ben de man van de kleine klusjes. Lampjes bij de bewoners vervangen, tv’s inregelen, schilderijtje ophangen, banden van de rolstoelen oppompen en meer van dat soort dingetjes. Dat valt niet in te roosteren en al zou dat wel zo zijn dan ga ik nog mijn eigen gang. Als er wat is, dan leggen de zusters een notitie in mijn hok en dan regel ik zelf wat en wanneer er iets gaat gebeuren.’

‘Maar als je niets met haar te maken hebt en haar toch een bitch noemt, is er wel wat anders aan de hand geweest toch?
Hij begint te grijnzen.
‘Toen het oude gebouw gesloopt werd, heb ik de vier bankjes die in de tuin stonden, er uitgespit. Die krengen zijn niet te tillen dus heb ik met de sloper geregeld dat hij ze bij mij in de tuin zette. Daar heb ik ze helemaal opgeknapt en toen de tuin van het nieuwe huis werd aangelegd een beetje met het hoveniersbedrijf gesjoemeld. Ze hebben ze opgehaald en op mooie plekjes gezet. De bewoners zijn er hartstikke blij mee. Bij de officiële opening werd door de directeur in zijn speech de groep vrijwilligers ook genoemd. Hij wilde er echter één speciaal naar voren halen en dat was ik. Vanwege die bankjes. Die bitch vond het na afloop nodig om mij te laten weten dat ik mij daar helemaal niet mee had mogen bemoeien.
Vorig jaar december is mijn vriendin die hier ook woonde, overleden. De dag na de crematie belt ze mij op met de vraag wanneer ik weer van plan was te komen. Er bleef, volgens haar, te veel werk liggen. Geen condoleance, geen vraag hoe het met mij ging, geen ‘kunnen we wat voor je doen’, helemaal niets! Ik heb, zonder iets te zeggen, haar weggedrukt. Het gaat haar niet aan dat ik met de directeur geregeld had dat ik twee weken mijn neus niet liet zien. Nou, en sinds die tijd is het mis en pest ik haar door overdreven vriendelijk en voorkomend te zijn. Vroeger was het ‘Nel’ en nu is het ‘mevrouw van der Velde’.

‘Goed van jou dat je hier toch vrijwilligerswerk blijft doen.’

‘Ja, wat moet ik anders? Thuis ga ik maar zitten kniezen en het loopje hier naar toe ben ik toch al gewend. Je hebt een beetje aanspraak en zo. Ritme, weet je wel. Vind het alleen nog moeilijk de oude kamer van mijn vriendin in te gaan als daar wat gebeuren moet. Ze heette ook Nel maar zij was een lieverd.’

Hij loopt de keuken in en trekt een stuk papier van de rol. Omstandig snuit hij zijn neus en wrijft in zijn ogen. Als ik mijn gereedschap inpak staat hij zwijgend tegen het aanrecht geleund. Ik ga naast hem staan en sla een arm om hem heen.
‘Dank voor je hulp, Henk.’
Hij blijft even staan en met een ‘Ja, ja, ’t is goed’ loopt hij weg.
‘Tot ziens!’ hoor ik hem nog zeggen als hij om de hoek verdwijnt.

 

©peter gortworst / jan. 2017

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Amsterdam huilt….

Ik ben eindelijk zo ver dat de boekenkast ingeruimd kan worden. Het is een genot om de boeken vanuit hun dozen door je vingers te laten gaan:
O ja, heb ik die ook nog? Heb ik deze wel eens gelezen? Ach, dit is zo achterhaald, die kan wel weg. Hier doe ik niets meer mee maar die-of-die vindt het vast leuk om te krijgen. Wat is dit nu? Hoe ben ik hier ooit aan gekomen?
De laatste verzuchting betreft een schriftje. Er staat een handgeschreven voordracht in en heeft als titel:

-Voordracht 1934 Diner-

Ik weet werkelijk niet hoe dit in mijn bezit is gekomen. Er staat geen enkele naam in maar ik vermoed dat het uit de nalatenschap van mijn moeder komt. Zij heeft het grootste deel van haar jeugd in Amsterdam gewoond. De voordracht gaat over ene Moos en Levi. Joodse namen en dat is niet zo vreemd. Voor de oorlog woonden er 80.000 joden in Amsterdam en hun levenswijze en hun humor hebben ontegenzeggelijk invloed gehad op de overige Amsterdammers.
Misschien is de hoofdstedelijke vorm van humor wel de meest herkenbare, niet-materiële nalatenschap van de gedecimeerde bevolkingsgroep. Er waren na de oorlog nog maar 16.000 joden over.

Ik generaliseer vast als ik zeg dat de Amsterdammers (en zij niet alleen) geen ‘witz’ kunnen vertellen. Zij vertellen een witz als een mop en meestal ontgaat een niet-Jood de diepere laag die in een witz verborgen zit. Een witz is meer dan een mop. Het is meer een anekdote, een mix van humor, wijsheid en tragiek. De witz is niet zonder reden ontstaan in de diaspora. Leven in moeilijke omstandigheden, vaak onder de druk van het antisemitisme en onder de druk van een toch al moeilijk vol te houden traditie. Humor, deze humor, maakt een niet te winnen strijd dragelijk en helpt om te dromen over een tijd die komt en goed is.

Dan nu de tekst van de voordracht. Ter wille van de leesbaarheid heb ik alleen de “zoo’s” en “sch’s” maar omgezet in hedendaags Nederlands.

Verkeerd begrepen of zo gij wilt een vergeefse reis naar een diner.

Moos! Zei laatst mijn zwager Levi
Koom’t er eens bai me op ’t diner
Breng je Racheltje en lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Moos, je weet, ten allen tijden
Is’t van harte je gegund
Kom dus de andre week
Een week en woensdag
Bai me eten, als je kund.

Nah, ik loop dus spoedig henen
Naar mijn dochters en mijn vrouw
En ik zeg Racheltje en Lea
En Rebekka, kom eens gauw.
Hoor wat Levi me gevraagd heit:
Of we kwamen op het diner
Breng je Rachel, zei die en je Lea
En je vrouw dan ook maar mee.
Nah, wat zeg je van zo’n pretje?

Maar je kleedt chic en fijn,
In je paarse baljapponnen
Met die borsten van satijn
Maak daj Levi vrouw en dochters
De ogen uitsteekt, hoor je, met je praal
Nah, wat zullen ze dan kaiken
Want dat hait ie niet gedacht.

Goed, den volgende week een woensdag
Koomt het paard en rijtuig veur
En we stonden, dat is te denken
Spoedig bai mijn zwagers deur
Ik zeg, Koetsier, trek aan de bel!
En wij wachten met fatsoen in het rijtuig.

Maar jawel! Niemand kwam ons opendoen
Ik zeg “Koetsier, bel nog een keer!”
En de voerman belt alweer!
Drommels, zeg ik, dat is niet pluis
Is mijn zwager nou niet thuis?
Ik zeg Koetsier bel nog-erus.

Mozes! Roep mijn vrouw verlegen
Kaik naar boven toch erus
Angst en schrik vlamt in haar oog
En in mijn woede kaik ik omhoog
En, wat denk je, zie ik nauw?
Daar leit Levi en zijn vrouw
En zijn dochters, met der vieren,
Luid te lachen en te gieren
Boven uit het zolderraam

Ik zeg, wat moet me dat beduien
Levi, hoor je me niet luien?
’t Is schandalig wat een troep
Wat een mensen op de stoep!
Nah! Roept Levi, wat kom je doen?
Ik kom toch bai je te dineren?
Is dat handlen met fatsoen?
‘k zou me voor de buurt generen

Wat? roept Levi, jij dineren?
En bai mijn, wat denk je man?
Dat ik miljoenen kan verteren
En met jou doordraaien kan?
En een week geleden na… (onleesbaar)
Vroeg je of ik kwam dineren
Met mijn dochters en mijn vrouw?

Man, riep Levi – zal ik explikeren
Wat ik onlangs heb gezeit?
‘k Zei, en dat maakt onderscheid,
Moos, kom als je kunt dineren.
Maar je kunt niet, slimme rot,
Want de voordeur is op slot.

Met dit soort voordrachten werd toen menig feest opgeleukt. Tijden veranderen en dat is soms maar goed ook. Maar ook begrijp ik mijn moeder donders goed die elke keer stil en aangeslagen was als Rika Jansen via de radio haar lied zong over het Amsterdam wat eens heeft gelachen.

© peter gortworst / jan. 2017

foto’s: eigen maaksel

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties

Puber

Het is hun tweede ontmoeting. De eerste was in het Grand Café en zij zag wel wat in deze sportieve gepensioneerde man. Hij was onderhoudend, beslist niet alledaags en behandelde haar als een dame. De avond was tot haar genoegen plezierig verlopen en toen zij, met de nodige spanning in haar lijf, vroeg of er iets van chemie tussen hen was, had hij dat niet ontkent. Of er genoeg chemie was wist hij nog niet maar dat zou de tijd wel leren. Vol begrip had ze geknikt maar het antwoord kwam toch als een beetje jammer bij haar binnen. Gelukkig wilde hij haar wel een tweede keer zien en ze spraken af om dinsdagmiddag een boswandeling te maken. Hij zou haar thuis om half twee oppikken.

Het is snikheet maar het bos geeft een aangename verkoeling. De gesprekken gaan van de koetjes en de kalfjes naar de meer serieuze onderwerpen en weer terug. Ze ontdekken hun overeenkomsten en verschillen. Boeken die beiden gelezen hebben, gelijke politieke voorkeuren maar hij gruwt van GTST en zij niet. Ze moet glimlachen om zijn grapjes en geniet hoopvol.

Het pad voert hen langs een recreatievijver maar op deze doordeweekse dag is er geen mens te zien. Ze nemen plaats op een bankje en hij vist uit zijn rugzak een thermoskan met thee, twee bekers, een zakje met suikerklontjes en een doosje met koekjes. Als ze een tijdje zwijgend naar het water hebben zitten staren zegt hij plotseling:
‘Zullen we gaan zwemmen?’
Ze schrikt uit haar dagdroom en kijkt hem verbaasd aan.
‘Heb jij zwemkleding bij je dan?’
‘Nee, moet dat? Er is geen mens. We gaan gewoon in ons ondergoed. Of in de blote kont?’
‘Nou, nee,’ zegt ze afgemeten want in haar leefstijl komt dergelijk gedrag niet voor. ‘Maar als jij wilt zwemmen hou ik je niet tegen.’

Met een ‘okido’ begint hij zich uit te kleden en schijnbaar achteloos kijkt ze de andere kant op. Dan rent hij over het stukje zandstrand, plonst het water in, duikt onder en komt een aantal meters verder weer boven. Ze heeft hem nagekeken, gezien dat hij zijn boxershort nog aan heeft en hem bewonderd om zijn tanige, mooie bruine lijf. Ze heeft ook om zich heen gekeken en met opluchting geconstateerd dat er niemand is die haar zou kunnen conformeren met deze oude man in zijn onderbroek.

‘Hoe droog jij je nu af?’ vraagt ze als hij weer bij het bankje staat.
‘Niet. Het droogt vanzelf als ik vijf minuten in de zon zit.’
Hij gaat, een beetje achterover hangend, de ogen dicht en de benen gespreid in de zon zitten.
‘Doe jij wel eens gek?’ vraagt hij.
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon, op het rolstoelknopje van een draaideur drukken als er veel mensen in staan en als dan de deur heel langzaam gaat draaien net zo verbaasd als alle anderen om je heen kijken. Of een alarmtoontje fluiten als iemand met volle tassen door de detectiepoortjes bij C&A loopt. Of in een volle lift met je neus in de hoek gaan staan en half hard mompelen: ‘Je gaat niet dood, je gaat niet dood, je mag er zo weer uit, blijf rustig, blijf rustig.’
‘Dat vind jij leuk?’
‘Ja, jij niet?’
‘Nee, ik zie daar de humor niet van in. Je maakt mensen aan het schrikken. Doe jij dat echt?’
‘Hm hm. Wat zou jij doen als er een oude man om hulp vraagt als hij bij de laadstrook van de Ikea staat met een touwtje om zijn pols en de andere kant van het touwtje om een paal?’
‘Niks, denk ik.’
Ze is even stil en vraagt dan:                
‘Heb je dat gedaan?’
‘Hm hm.’
‘Belachelijk! Wat zullen de mensen er wel niet van gedacht hebben?! Dat doe je toch niet?’
‘Ja hoor, dat doe ik wel en het zal mij worst wezen wat ‘men’ er van vindt. Misschien hebben ze wat om over na te denken, misschien lachen ze zich een bult…… Af en toe moet een mens gewoon iets anders dan het enige normale doen, toch?’
‘Ze zeggen niet voor niets: Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ik vind het maar niks.’
‘Jammer. Ik ben droog. Zullen we zo verder?’

Hij kleed zich weer aan. De nog natte boxershort kleurt zijn broek donker. ‘Goddank is er niemand die het ziet’ denk ze.

Het valt haar op dat hij minder spraakzaam is geworden. Als ze bij haar huis komen zet hij de motor uit. Hij draait zich naar haar toe en zegt:
‘Dit wordt een definitief afscheid. Je bent een lieve meid maar niet wat ik zoek. Ik heb iemand nodig waarmee ik ook gek kan doen. Humor is voor mij levenssap. Ik moet elke dag minstens één keer kunnen lachen. Met jou gaat dat niet lukken, heb ik gemerkt. Je bent mij te serieus. Daar is niets mis mee. Die mensen moeten er ook zijn maar dat zijn niet de mensen waar ik mijn leven mee wil delen.’
Ze staart naar het ventilatieroostertje voor haar. Ze had de bui al zien hangen en ook bij haar waren er twijfels ontstaan.
‘Nou, dat komt dan goed uit,’ zegt ze flink, ‘ik ben niet op zoek naar iemand die zich als een idioot gedraagt en waar ik mij voor zou schamen. Aan mij is niets mis maar bij jou is dat niet zo zeker. Het ga je goed.’
Ze opent het portier en vlak voor ze deze met een daverend klap dicht gooit zegt ze nog even snel: ‘Puber!’

Hij start de auto en terwijl hij wegrijdt toetert en zwaait hij naar een vrouw die met een kinderwagen aan de andere kant van de straat loopt. Aarzelend zwaait ze terug. Wie van haar vrienden of kennissen was dat?

©peter gortworst / jan. 2017

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

Cijfertjes

Dingen waar we ons zorgen over maken, schatten we groter is dan ze in werkelijkheid zijn. Dat schijnt een menselijke eigenschap te zijn. Een eigenschap die door ‘slimme’ verkopers handig wordt gebruikt:

“Weet u hoeveel inbraken er jaarlijks worden gepleegd? Wij hebben de beste beveiligingsinstallatie en onverwoestbaar hang- en sluitwerk.”

“Weet u wel hoeveel mensen er sterven aan darmkanker? Dit is het perfecte dieet om dat te voorkomen.”

“U heeft straks alleen een pensioentje en AOW? Daar gaat u het niet mee redden. Stort nu maandelijks een vast bedrag en wij zorgen er voor dat u er dan warmpjes bij zit.”

Dat inspelen op angst, mensen zich zorgen laten maken, wordt niet alleen in deze situaties gebruikt. Er zijn ook maatschappelijke en politieke groeperingen die daar dankbaar gebruik van maken. Met termen en uitlatingen als ‘tsunami’ ‘Nederland in de uitverkoop’ ‘We worden geïslamiseerd of gekoloniseerd’ ‘Duizenden staan aan de grens’ wakkeren ze de onrustgevoelens bij de bevolking aan.

Afgelopen week verschenen de resultaten van een internationale enquête die het Britse onderzoeksbureau Ipsos Mori onder 27000 mensen gehouden had. Daaronder waren 800 Nederlanders. Met enige verwondering constateer ik dat de cijfers, tot nu toe, niet voor enige ophef hebben gezorgd. Voor mij waren ze een openbaring.

Op de vraag hoe groot het percentage moslims in hun land is, denken de Nederlanders aan 19%. In werkelijkheid is het 3,6 – 6 %
Op de vraag hoeveel moslims er in 2020 zullen zijn, denkt men dat het 26% zal zijn. Diverse wetenschappelijke prognoses zijn echter veel behoudender. Zij komen op 6,9%
Ook in andere landen zijn deze verschillen opvallend. Zo denken de Fransen dat 1 op de 3 moslim is. In werkelijkheid is het 1 op de 13.

 

Goed kunnen goochelen is een kunst. Met cijfers goochelen kunnen we allemaal. Op deze enquête zal vast wel iets af te dingen zijn maar onverlet blijft er mijn frustratie over al die vage termen die gebruikt worden voor eigen gelijk en gewin. Ik koop daar niets voor en ben zeker niet één van die zogenaamde ‘miljoenen’ die pretendeert ‘het volk’te zijn. Natuurlijk weet ik best dat je de genoemde cijfers met verbazing leest als je in een buurt woont met veel ‘buitenlanders’. Ik zal ook de laatste zijn die ontkent dat er problemen bestaan maar het praat een stuk makkelijker als de gegevens kloppen.

Ik zou zo graag echte, harde, eerlijke en duidelijke cijfers willen hebben. Niet alleen voor mijn gemoedsrust maar misschien ook wel voor die van jou. Helaas is het winnen van stemmen niet gebaat bij een eerlijk, objectief verhaal. En met die wetenschap geef ik mijn gezonde verstand maar voorrang op mogelijke aangeprate onderbuikgevoelens.

 

©peter gortworst / dec.2016

afbeelding: http://www.clipartkid.com 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Satan

Het vizier staat afgesteld op 15 meter. Het kogeltje, rond parabool 4,5 mm, zit in de loop en het luchtdrukgeweer is gespannen. De loop rust op de steun die hij gemaakt heeft in het kleine tuinhuis en steekt een paar centimeter door het gat. Klein genoeg om niet te veel op te vallen en groot genoeg om zicht te hebben op de voederplaats. Hij zit op de oude barkruk en wacht. Geduldig, vastberaden en tijd genoeg.

Op de voederplaats is het een komen en gaan. Staartmezen heeft hij deze winter nog niet gezien. De boomklever is er wel. Kool- en pimpelmezen in overvloed, heggenmus, roodborst en merels komen regelmatig langs. Gisteren vier kramsvogels en eergisteren de grote bonte specht. Maar de zwarte kraai, de duivel in eigen persoon, heeft zich nog niet laten zien.

Het was natuurlijk ook niet echt slim om met de buks in de deuropening te gaan staan. Het kreng had het gelijk door. Maar nu, nu is er in de hele tuin niets verdachts te zien. Hij komt zeker terug om zich vol te schrokken met grote stukken vetbol, zonnebloempitten en appel. Het zal zijn galgenmaal worden. De buks is oud maar nog krachtig genoeg om de kraai zijn zwanenzang te laten zingen en zo zijn eigen leven weer op orde te brengen.

Het was in het voorjaar begonnen. Uit het niets was hij daar. Op de nok van het dak zat een zwarte kraai. Krassend, wapperend met de vleugels en de kop op en neer bewegend. Voor hun tuin was dit een nieuw soort dus tevreden noteerde hij hem op zijn lijstje met vogels die in hun tuin gezien zijn. Dat de komst van de kraai verstrekkende gevolgen zou hebben wist hij toen nog niet. Die bekende ‘wijsheid achteraf’ werd pas zeer recent openbaar en het verbaast hem dat hij niet eerder de link gelegd heeft tussen die kraai en de grote en kleine rampen die hen troffen.

Elke dag dat de kraai in de buurt was gebeurde er wel iets. Een nieuwe waslijn die de geest geeft op het moment dat de was er net aanhangt. Nieuwe, energiezuinige lampen die domweg kapot gaan. Fietsbanden die leeg staan als je even de fiets wilt pakken, een raam wat zo hard open slaat door een plotselinge wind dat het glas breekt en bloempotten, vol met geraniums, die door onverklaarbare redenen van het stenen muurtje zijn gevallen.

Het blijft niet bij dingen die kapot gaan. De appelboom, die in het voorjaar vol met bloesem stond, draagt geen enkele appel. De aalbessenstruik, zijn trots, gaat spontaan dood terwijl hij vol zit met nog groene besjes en wat te denken van de kat? Waarom ligt een kerngezonde kat ’s morgens dood in de tuin? En waarom heeft uitgerekend hun tuin een doolhof van mollengangen met bijbehorende hopen en die van de buren niet? En altijd was daar die zwarte kraai. Op de nok van het dak, hoog in de notenboom of de beuk van de buren.

Inmiddels is het niet ‘hun’ huis meer. Het is ‘zijn’ huis geworden. Ze is vertrokken en dat is het enige positieve wat er in het afgelopen jaar gebeurde. Zijn naderend pensioen hing als een donkere deken over hun relatie. Alle dagen elkaar moeten tolereren was voor geen van beiden een prettig vooruitzicht. Haar vertrek zag hij daarom maar als een zegen en dat was dan ook enige ‘goede’.

Het lijkt er wel op of de rampen steeds persoonlijker worden. De bouw van het kippenhok ligt even stil. Een scherf van de uit elkaar spattende zaag van de machine, raakte hem boven in de borst en moest operatief verwijderd worden. Volgens de arts had hij geluk gehad maar zei dat niet toen hij binnengebracht werd met een voet waarvan verschillende botjes gebroken waren. Het gammele stenen schuurtje stortte in elkaar toen hij de deur open trok. Het was op dat moment dat hij, naast de pijn, ontdekte dat de kraai weer krassend, met de vleugels wapperend en de kop op en neer bewegend, op het dak zat.

De mezen stuiven weg. De kraai landt op het gras onder de voederplaat. Hij zit even stil en houdt de kop scheef. Dan pikt hij wat van de gevallen zonnebloempitten op. De zachte klik van de veiligheidspal die weggeschoven wordt hoort hij niet. De veer die zich plotseling ontspant en de luchtkamer leeg drukt om zo de kogel tegen zijn kop te jagen, ook niet. Hij valt op zijn rechterkant, wiekt nog even met de vleugels en ligt dan stil.

Op zijn krukken strompelt hij naar de vogel. Met een kruk tikt hij tegen het beest. Het is dood. Met een schop graaft hij een gat in de tuin. De vogel gaat er in en zo goed en zo kwaad als het gaat, stampt hij het gat weer dicht.

 

Er klinkt geschreeuw. Er wordt op zijn ramen gebonkt en hij schrikt wakker. Een vreemd flakkerend licht schijnt door de ramen. Hij schiet wat kleren aan en strompelt op zijn krukken naar buiten. Zijn auto staat in brand en ook de carport heeft al vlam gevat. Goddank dat de zoon van de buren laat thuis kwam en de brand ontdekte. De brandweer is er net en het duurt niet lang voordat de zaak geblust is.

Van slapen komt niets meer en ontdaan door alle gebeurtenissen zit hij aan de keukentafel. Bij het eerste morgenlicht gaat hij weer naar buiten om de schade te bekijken. Dan strompelt hij de tuin in. Naast een paar nieuwe molshopen is er niets bijzonders te zien. Alleen het graf van de kraai is leeg. Hij kijkt in de diepte en ziet niets. Een grote angst slaat toe en beneemt hem bijna de adem. De kraai die op de nok van het dak landt, ontgaat hem.

©peter gortworst / dec 2016

foto: http://www.vogelsindekempen.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Oliebol en appelflap

In het oude kookboek van mijn moeder zijn een paar bladzijden anders dan de anderen. Ze zijn gevlekt en bij de ingrediënten staat soms wat bijgeschreven. Dit betreft de pagina’s met recepten voor o.a. erwtensoep, kerstbrood, oliebollen en appelflappen. Met het einde van het jaar in zicht is het wel aardig om deze 60 jaar oude recepten van de oliebollen en appelflappen hier te geven. De 16 oliebollen waren vroeger niet genoeg. Daarom zijn met potlood alle hoeveelheden verdubbeld maar dat kunt u zelf ook wel.

 Oliebollen

 Voor ongeveer 16 stuks heb je nodig:

200 gram bloem                        50 gram krenten

4 gram zout                                 50 gram rozijnen

10 gram verse gist                     25 gram gesnipperde sucade

1,5 dl melk                                     1 gesnipperde appel

1 ei                                                   olie (arachide- of kokosolie hebben de voorkeur. Geen vet of                                                                          olijfolie)

 

De bloem en het zout goed vermengen; een kuiltje in de bloem maken, hierin het ei breken. De gist oplossen in iets lauwe melk en met de rest van de lauwe melk in het kuiltje schenken. Van het midden uit roerende, een glad beslag maken en dit enige minuten beslaan. De gewassen en goed uitgelekte krenten en rozijnen, de sucade en de appel er door roeren. Het beslag toedekken met een vochtige doek en op een tamelijk warme plaats ongeveer drie kwartier laten rijzen. Na het rijzen even voorzichtig doorroeren en nog een kwartier laten rijzen. (voor een goede verdeling van de ingrediënten)

In het recept wordt nu een pan met olie gevuld en heet gemaakt. Tegenwoordig gebruikt men hiervoor een frituur. Beter en vooral veiliger. Heter dan 180 graden kunnen ze meestal niet worden en dat is ook de goede temperatuur.

Met behulp van twee vetgemaakte lepels oliebollen vormen en deze onmiddellijk in de hete olie laten glijden. Na ongeveer 3 minuten de bollen keren, wanneer ze dat niet uit zichzelf gedaan hebben, ze daarna verder gaar en goudbruin bakken (ongev. 2 minuten). De oliebollen zijn gaar, als een breinaald, die er ingestoken wordt, er droog uitkomt. (Niet gaan zoeken naar een breinaald. Een satéprikker kan ook).

 De oliebollen met een schuimspaan uit de olie halen, goed laten uitlekken en warm geven met (poeder)suiker en kaneel.

 

Appelflappen

 Voor ongeveer 20 stuks heb je nodig:

100 gram bloem                     4 handappelen (goudrenet)

2 gram zout                              40 gram suiker

5 gram verse gist                    halve theelepel kaneel

1,5 dl melk of                            olie (zie opmerking bij oliebollen)

1 dl melk en 1 ei

 

Van de bloem, het zout, de gist, 1 dl melk of 0,5 dl melk en 1 ei een beslag maken als voor oliebollen. Goed roerende het beslag langzamerhand verdunnen met de overige lauwe melk tot weer een glad beslag verkregen is. Het beslag toedekken met een vochtige doek en op een tamelijk warme plaats ongeveer drie kwartier laten rijzen.

De appelen boren, schillen, in dikke plakken snijden, bestrooien met een mengsel van de suiker en de kaneel en ongeveer een half uur laten staan. De frituur op 180 graden warm laten worden. De appelplakken één voor één door het beslag halen en in de hete olie laten glijden en snel gaar en aan weerskanten goudbruin bakken. De appelflappen met een schuimspaan uit de olie halen, goed laten uitlekken en warm geven met suiker en kaneel of poedersuiker.

Verse gist is te krijgen bij de echte bakker. Ik heb het wel eens geprobeerd met zelfrijzend bakmeel maar dat gaf toch een minder resultaat. Mocht u, omwille van de baklucht, in het schuurtje gaan bakken, zorg er dan voor dat het beslag niet te veel afkoelt. De oliebollen worden dan minder luchtig en dat zou jammer zijn.

 Veel plezier en ja, afwassen, olie vervangen van de frituur en schoonmaken horen er bij.

 

© peter gortworst / dec 2016

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Gekke Henkie

 

Er zijn weinig mensen die hem niet kennen. Nou ja, kennen….. ze weten wie het is. Henkie is een opvallende schuifelaar en dat in de letterlijke zin van het woord. Hij draagt orthopedische schoenen die puur gemaakt zijn op functionaliteit. Glimmend zwart, de rechter met een veel dikkere zool dan de linker. Dat kan je goed zien want zijn broek is altijd te kort. Zijn lichtgekleurde regenjas ook en daardoor kan je ook zijn linkerhand goed zien. Verkrampt met vingers die in een rare hoek staan. Hij loopt krom met zijn hoofd naar beneden gebogen. Nou ja, lopen….. hij zet zijn linkerbeen een stukje naar voren en trekt dan zijn rechterbeen bij. Dat schiet niet op maar dat maakt niets uit. Hij heeft alle tijd.

Elke dag maakt hij zijn wandeling naar het grote kruispunt en elke dag is dat een hele onderneming. Hij passeert tijdens zijn tocht vele zijstraten die allemaal een stoeprand hebben. Daar moet Henkie van af en weer op en dat gaat niet zonder slag of stoot. Hij schuifelt met hele kleine stapjes naar voren tot de neus van zijn linker schoen op de rand staat. In het ravijn daar beneden ligt de zebra en met een schokkerig hupje, zwaaiend met zijn rechterarm, wipt hij naar beneden. Dit zijn ook de momenten dat je de vreemdelingen herkent. Nietsvermoedend wachten ze met de auto tot Henkie de sprong heeft gewaagd en aan de oversteek begint. En ja, dat duurt even. Het is zelfs voorgekomen dat passagiers uit de auto stappen om Henkie te helpen. Dat is dom omdat Henkie het heerlijk vindt om te kletsen en als hij dat doet, verzet hij geen stap meer. Praten en lopen gaan bij Henkie niet samen. Aan het gesprek heb je trouwens ook niet veel. Hij kraait met zijn hoge stemmetje en scheve mond de enige tekst die hij kent. “Jaahaa, hiiii, hiiii,” en meer heeft niemand ooit gehoord.
Ook niet in die kerstnachtdienst die voor de radio zou worden uitgezonden. Voor de dienst, tijdens het zingen van ‘Stille nacht, heilige nacht’ als microfoontest, was Henkie duidelijk te horen. “Jaahaa, hiiii, hiiii kraaide hij boven alles uit. Goede raad was duur maar Henkie is voor het zingen de kerk uitgezet. Dat is nog een hele rel geworden. Hoe haalt de kerkenraad het in haar hoofd om deze simpele ziel God’s genade te ontzeggen?

Tijdens zijn tocht naar het grote kruispunt komt hij langs de visboer die met zijn platte kar op woensdag en zaterdag naast het kantoor van de bank staat. Hoe en wanneer het ontstaan is weet niemand meer. Zelfs de visboer niet maar feit is dat Henkie daar stopt en van de visboer een gedraaid sjekkie krijgt. Die rookt hij op tot hij zijn vingers brand om dan met een welgemeend “Jaahaa, hiiii, hiiii” verder te gaan. Op de terugweg krijgt hij niets. Hij heeft wat met roken. Elke peuk die op straat ligt wordt opgeraapt. Dat kost moeite. Omvallen is niet denkbeeldig.  De peuken verdwijnen in de zakken van zijn jas.

Op het kruispunt heeft hij zijn vaste plek. Staande voor het hoekraam van de juwelier, knikt hij vriendelijk naar elke voorbijganger en de meeste mensen groeten terug. Waarom ook niet? Het is een kleine moeite en Henkie heeft er plezier van. De jeugd mag hem wel eens plagen. “Henkie, hoe laat is het?” vragen ze dan. Met zijn goede hand knoopt hij met moeite zijn jas los en vist dan ergens een groot zilveren zakhorloge vandaan die met een ketting vast zit aan zijn overhemd. Hij klapt het deksel open en met een grote scheve glimlach en een “Jaahaa, hiiii, hiiii” laat hij de tijd zien. Het weer opbergen kost de nodige moeite. Op een tweede verzoek van de jeugd gaat hij niet in. Hij is gekke Henkie niet.

Wonderlijk maar mooi is het dat Henkie gewoon bij het straatbeeld hoort. Niemand helpt hem oversteken, niemand knoopt een praatje aan maar ze houden wel een oogje op hem. De herenmodezaak heeft hem kortgeleden, toen het zo waterkoud was, zelfs een muts opgezet en een sjaal omgedaan. Gratis en voor niks.

Het gonst van de geruchten. Henkie wordt gemist. De visboer had het sjekkie al klaar liggen maar hij is niet op komen dagen. Misschien is het te koud. Het vriest immers al drie dagen en hier en daar is het verraderlijk glad.
Langzaam worden de geruchten feiten. Henkie is in het steegje van zijn huis uitgegleden en lelijk terechtgekomen. Hij heeft daar een paar uur in de vrieskou gelegen voor zijn oude moeder hem vond. In het ziekenhuis konden ze niet veel meer voor hem doen.

Natuurlijk, het leven gaat door. De visboer verkoopt nog steeds vis. De juwelier op de grote kruising heeft de etalage van het hoekraam eindelijk mooi in kunnen richten. De mensen hoeven niet meer om Henkie heen te lopen en te groeten. Vreemdelingen kunnen bij de zebra’s vlot doorrijden. Toch wordt Henkie gemist met een weemoedigheid waarvan niemand gedacht had deze ooit te ervaren.

Wie de opdrachtgever is en wie het betaalt heeft weet niemand. Van de ene op de andere dag staat er, naast het kantoor van de bank, bij de viskar,  een vierkante stenen sokkel met daar een bronzen beeldje op van Henkie zoals iedereen hem kende. Orthopedisch verantwoorde schoenen, te korte broek en jas, verkrampte arm, krom en het hoofd naar beneden gebogen. Geen peuk. Slechte gewoonten moet je niet etaleren.

 

© peter gortworst / dec. 2016

foto http://www.omroepzeeland.nl

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Kerstverhaal

Ik vind schrijfopdrachten niet leuk. Er zit iets in van ‘moeten’  en dat spoort niet met de levensfase waarin ik nu zit. Die zou je bijna een anarchistische fase kunnen noemen. Vroeger moest er van alles maar nu moet er nog heel weinig, vind ik. Als er nu iemand is die zegt dat er iets moet, ga ik vragen waarom. En wonder o wonder, vaak blijkt dat er van die noodzaak tot moeten weinig over blijft.   Ik kan wel zeggen dat het prettig leeft.

Een schrijfopdracht is dus iets wat met moeten te maken heeft en dat wringt. Het liefst schrijf ik als de inspiratie, de tijd, de gelegenheid of de zin er is en natuurlijk is het ook handig als er iets is waarover ik kan schrijven. Misschien is het wel goed voor mijn ontwikkeling als schrijver om buiten mijn comfortzone te gaan en mij te wagen aan een onderwerp met een tijdslimiet. Misschien komen er onverwachte talenten boven drijven en misschien treed ik wel buiten mijzelf. Lijkt mij wel een mooi en niet alledaags gezicht: zo’n mannetje voor zijn computer die, typend met twee vingers, een verhaaltje schrijft maar nee, ik pas. Ik ga niet in opdracht schrijven en al helemaal niet als ik zelf de opdrachtgever ben.

Hoe kon ik zo dom zijn om te beslissen dat er dit jaar een kerstverhaal moest komen? Ik schat dat er al twee eeuwen lang door tienduizenden schrijvers kerstverhalen geschreven worden. Alles wat een normaal mens verzinnen kan is al geschreven: een slecht geplande reis naar Bethlehem door een jong stel waarbij zij ook nog eens in verwachting is, diepe gedachten van een os, een ezel of, en hoe verzin je het, een kerstboom, de handel en wandel van een onontwikkelde herder die zichzelf plotseling in een stal vindt, in lompen gehulde en dus arme kindertjes die, met of zonder zwavelstokjes, doodvriezen, ingesneeuwde mensen die kerst vieren met droge beschuiten en ijskoud water, uit het zicht verdwenen gezins- of familieleden die uitgerekend op kerstavond op de stoep staan tot ruimtereizigers die de overblijfselen vinden van wat eens de ster van Bethlehem zou zijn. Verzin het en het is al eens geschreven.

En nu vindt deze sukkelaar dat hij een kerstverhaal moet schrijven. Waarom? Voor wie? Worden er überhaupt nog wel kerstverhalen gelezen? Toen ik jong en onbedorven was werd dat wel gedaan. Op de diverse verenigingen en natuurlijk thuis. Stichtelijke verhalen die ingebed waren in een religieus soort kerstviering waarbij niet het ‘amen’ het slot was maar het kerstdiner. Niet echt een ongedwongen feest. Er moest veel en er mocht weinig. Het moest natuurlijk gezellig zijn, van het eten moest je genieten want er was geld en veel tijd in gestoken, het ‘hoe hoort het’ was belangrijk en uiteraard zat je daar in je beste zondagse kleren.

Een kerstverhaal. In wezen is er maar één echt kerstverhaal en dat staat in de bijbel. Nee, van mij hoeft je het niet te geloven. Het is, historisch gezien, een onmogelijk verhaal. Maar wel één van de verhalen die diepe sporen hebben getrokken in de geschiedenis. Meer dan de schrijvers waarschijnlijk ooit voor mogelijk hadden gehouden en misschien wel meer dan hen lief was. Het is één van die verhalen die bepalend was en weer kan zijn voor onze huidige maatschappij. Je hoeft daarvoor niet diep gelovig te zijn of de grootste atheïst. Een gezond verstand en wat medemenselijkheid is voldoende. Want stel dat meneer Erdogan besluit om de ‘afspraken’ niet meer na te komen en de stroom vluchtelingen weer op gang komt. Dan hoop ik dat we de boer zijn die de stal ter beschikking stelt en dat er in de herberg wél plaats is voor al die Jozeffen en Maria’s.

Van mij dus geen zoete verhalen die de kerstsfeer zo gevoelig kunnen raken. De echte verhalen zijn al indrukwekkend genoeg.

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 7 reacties

Lief beestje

Hun gezamenlijke hobby, misschien zou je het ook een passie kunnen noemen, heeft ze, toevalligerwijs, even samengebracht. Dirk zit al een tijdje op de boomstam te wachten op de havik die in het bos broedt. Als je het weet kan je het nest tussen de bomen door zien. Dirk zit er niet om te zien hoe een havik er uit ziet maar om te zien of ze er nog wel zijn. Er bestaan nu eenmaal idioten die met de meest idiote redenen menen dat een roofvogel geen reden van bestaan heeft. Het zal niet het eerste nest zijn dat uitgemoord wordt.

Achter hem klinkt geritsel. Als hij zich omdraait ziet hij een andere vogelaar omzichtig naderbij komen.
“Heb je ze al gezien?” fluistert hij.
Dirk schud zijn hoofd en schuift een stukje op om de ander ook een plaatsje op de stam te geven.
“Ik ben Willem,” zegt de ander, “Zit je hier al lang?”
“Kwartiertje en nog niets gezien.”
“Vorige week zaten ze er nog. We moeten maar even geduld hebben.”

Als twee mensen met een gelijke liefhebberij elkaar treffen is er altijd genoeg stof voor een mooi gesprek. Bij Dirk en Willem is dat niet anders. Ze hebben zelfs overeenkomsten. Zo ontdekken ze van elkaar dat ze, al hebben ze in hun leven al duizenden koolmezen, mussen of merels gezien, ze nog elke keer genieten van al die dagelijkse vogels. Geen haar op hun hoofd die er aan denkt om met vliegende vaart naar een onmogelijke plaats in Nederland te jagen omdat daar een zeldzaam vogeltje is gespot. Natuurlijk kennen ze het verhaal van de zeldzame bruine lijster die in Beijnum door een kat is gevangen. Jammer voor de lijster maar voor de soortenjagers voelen ze weinig medelijden.
“Denk je als bruine lijster in een vriendelijk en gastvrij land terecht te komen.” zegt Willem.
“Ha, ja, het is vast een vies politiek spelletje,” grapt Dirk.

Het gesprek gaat een wat filosofische kant op en als Willem vraagt welke vogel hij zou willen zijn, moet Dirk even nadenken. Vogel is vliegen is vrijheid. Een albatros komt voorbij maar ook een condor en een noordse stern tot de meest voor de hand liggende vogel in beeld komt.
“Ik denk een gierzwaluw. De enige keer dat zijn pootjes vaste grond onder de voeten hebben is tijdens het broeden en voeren van de jongen. Verder ben je alleen maar in de lucht. Lijkt mij wel mooi.”
Willem knikt nadenkend. “Ja, daar zit wat in. Dat zou best wel eens het ultieme vrijheidsgevoel kunnen geven.”
“En jij?” vraagt Dirk.
Willem grijnst even. “Ik wil geen vogel zijn. Ik wil een lieveheersbeestje zijn.”
“Hè?”
“Luister. Mensen hebben niet veel op met insecten. Vliegen zijn vies want die hebben misschien net op een hondendrol gezeten, muggen zijn je grootse vrienden als je wakker wil blijven, voor vlooien schamen we ons, vlinders zijn oké maar hun rupsen beslist niet en over spinnen en kakkerlakken zullen we het maar helemaal niet hebben. Toch is er één insect wat niet doodgemept wordt, wat we lief vinden en waar we met vertedering naar kijken. Dat is het lieveheersbeestje. Voor mij de allerbeste ambassadeur van het hele insectenrijk. En wie wil nu niet lief gevonden worden?”
Dirk wil net wat zeggen als plotseling tussen de bomen door, de havik naar het nest vliegt.
“Mooi hè?” zeggen ze samen.

Ze staan op en lopen het bos uit. Het afscheid is kort. Dat ze elkaar weer zien is zeer waarschijnlijk.

Het is weekend. Dirk zit op een terrasje en als hij een slok koffie neemt ziet hij over de rand van het kopje de mooie vrouw zitten. Ze zit twee tafeltjes verder en ze kijkt, met een leesbrilletje naar haar hand. Langzaam en met gracieuze bewegingen draait ze haar vingers naar beneden. Ze draait haar pols zo dat de vingers naar haar wijzen en traag draait ze door tot haar vingers naar boven wijzen en zij naar de binnenkant van haar hand kijkt. Dan staat ze op en loopt naar de plantenbak voor aan het terras. Ze buigt een beetje voorover en voorzichtig houdt ze haar hand bij het groen. Na even wachten komt ze weer overeind en loopt terug naar haar tafeltje. Ze ziet Dirk met een glimlach op zijn gezicht naar haar kijken.
“Lieveheersbeestje,” zegt ze.
“Willem,” zegt Dirk.
“Nee, dat was een lieveheersbeestje.”
“Ja, en die heet Willem.”

Stil en met de ogen een beetje toegeknepen kijkt ze naar hem. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich. Dan haalt ze haar schouders op, gaat zitten en draait haar stoel met de rug naar hem toe. Alle Dirken die krijsend hoog boven dit oude stadje cirkelen, ziet ze niet. Toch jammer.

© peter gortworst / nov 2016

foto: nl.dreamstime.com 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

A silent goodbye

Ik ben vanmorgen in de war. Mijn haar ook maar dat komt door de wind. Haren zijn met een kammetje weer netjes te krijgen maar met emoties en gedachten lukt dat niet. Soms moet daar wat tijd overheen gaan of een nieuwe frisse wind en een andere keer moet daar eens goed over nagedacht worden.

Hoe ouder je wordt hoe meer je van het leven leert en hoe minder je er soms van begrijpt. Gedurende je hele leven zijn er mensen om je heen die komen en gaan. Ze komen omdat het je schoolkameraden zijn, omdat het familie is van je partner, in hetzelfde bedrijf werken als waar jij je dagelijks brood verdient, ze ook lid zijn van dezelfde vereniging of kerk, het nieuwe buren zijn of je hebt ze leren kennen als klanten. En net zo makkelijk verdwijnen ze weer. Wegen die uit elkaar gaan lopen, scheidingen, ander werk, verhuizingen en natuurlijk die eeuwige dood.

Mensen die je hele leven bij je blijven als partner, vriend of vriendin zijn zeldzaam en dienen daarom op waarde geschat te worden.

We leven in een tijdperk van ongekende mogelijkheden. Het contact tussen mensen onderling is, zeker vergeleken met vroeger (Hoor! Opa spreekt!), ongekend makkelijk geworden. Mensen uit een ver verleden duiken plotseling op via sites als Facebook en mijn ervaring leert dat er met de eerste ‘o, wat leuk-opwelling’ beter even niets gedaan kan worden. Vaak blijkt dat het contact in het verleden het enige gemeenschappelijke is omdat het leven mij en de ander gevormd heeft en er weinig tot niets gemeenschappelijks is overgebleven. Maar een enkele keer bloeit er in het dorre landschap van het verleden iets op met beloften voor de toekomst. Er blijkt nog leven te zitten in het ogenschijnlijke dode hout en dat is mooi.

Eén van die hernieuwde contacten is met een oude schoolvriend. We zaten naast elkaar en spendeerden ook buiten schooltijd enige tijd samen. We verloren elkaar uit het oog en vonden elkaar na zo’n 40 jaar weer terug. Het contact was summier maar de afspraak om bij hem langs te gaan als ik mijn geboortegrond weer ga bezoeken, staat.

Het zal er niet meer van komen. Vanmorgen las ik het bericht dat hij gekozen heeft voor de dood.

En daarom ben ik in de war. Ik had zo graag zijn levensverhaal gehoord en het mijne vertelt. Herinneringen opgehaald en nieuwe gemaakt. Ik ben verdrietig en geschokt. Voel spijt en diep respect en met de, zo langzamerhand geleerde gelatenheid onderga ik deze nieuwe wending in het leven.

 

And the saddest thing
Under the sun above
Is to say goodbye
To the ones you love

All the things that I have known
Became my life, my very own
But before you know you say goodbye
Oh, good time, goodbye
It’s time to cry
But I will not weep nor make a scene
Just say ‘thank you life, for having been’

And the hardest thing
Under the sun above
Is to say goodbye
To the ones you love
No, I will not weep nor make a scene
I’m gonna say ‘thank you life, for having been’

And the loudest cry
Under the sun above
Is a silent goodbye
From the ones you love

© peter gortworst / nov. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 8 reacties