Natuurlijk, veiligheid voor alles. Maar soms…..
Noordelijk van waar ik nu bijna ben, ligt niet veel Nederland meer. Onderweg naar een groot, nieuw bedrijf voor een klusje van niks. Mijn collega, die hier normaal de wegen onveilig maakt, is op vakantie en daarom is op deze warme en zonnige dag mij de eer te beurt gevallen hem te vervangen.
Een slagboom. Ik druk op de knop om mij te melden. “Goedemiddag. De bewaking. Wat kan ik voor u doen?” “Ja, de monteur voor het bedrijfsrestaurant……” Normaal is deze mededeling genoeg. Storingen in de keuken zijn prioriteit 1. Stel je toch eens voor dat het bedrijfsrestaurant niet dat klaar kan maken wat jij het liefste hebt. Hier gaat het echter niet normaal. “Moment alstublieft,” hoor ik en vervolgens gebeurt er niets. Ik wacht, half uit het raampje hangend op wat er nog gezegd gaat worden. De slagboom blijft dwars liggen en de speaker zwijgt stil. Wordt ik nu geobserveerd door camera’s? Willen ze mij betrappen op een schichtig om mij heen kijken met een verdachte blik, neuspeuteren of nog erger: voorbereidende handelingen die kunnen duiden op een aanslag? Ik druk maar weer eens op de knop. Nu willen ze mijn naam weten en nadat ik deze genoemd heb gaat de slagboom open. “Komt u verder,” klinkt het vrolijk. Iemand met zo’n naam kan blijkbaar niet gevaarlijk zijn.

Ik twijfel even of ik mijn koffer met gereedschap mee zal nemen. Het onderdeeltje wat gemonteerd moet worden is een slangetje van 5 cm lang en ribbeltjes in het midden. Net als een rietje in een flesje. De bedoeling is dat ik beide uiteinden over een pijpje schuif. Meer niet. Kan er zo bij en in principe heb ik geen gereedschap nodig maar ja, je weet nooit dus toch maar mee.
De balie is indrukwekkend. Achter de balie een meneer van de beveiliging en een dame op leeftijd. Ik zeg wat ik kom doen en noem de naam van mijn contactpersoon. Ze knikt. “Dat is de kok. Bent u hier al eerder geweest?” vraagt ze. Ik antwoord naar eer en geweten “Nee” en zie de schouders van de dame in de treurstand schieten. Alsof het haar persoonlijk raakt. Ze zucht even en zegt: “Dit gaat even duren. Ik wil graag uw veiligheidspaspoort en u mag de film gaan bekijken. Hier heeft u een vragenlijst die u, na het zien van de film, moet invullen. Loopt u maar even mee.” Mijn koffer met gereedschap laat ik staan. Die man van de bewaking zal wel te vertrouwen zijn.
Een kamertje, een stoel, een tafeltje en een groot beeldscherm voor mij alleen. Ze heeft de film gestart en ik leer veel over wat niet mag en wat beslist moet. Hoe ik een uiterst verdacht persoon kan herkennen en hoe de leidinggevenden hiervan in kennis te stellen, hoe gevaarlijke situaties te herkennen en melden, welke bevelen van mannetjes in hesjes ik moet opvolgen, hoe de verplichte looppaden op het terrein er uitzien, welke geluidssignalen belangrijk zijn en dat ik mij ten allen tijde vooraf moet vergewissen waar de noodwegen en verzamelplaatsen zijn.

Na ruim een half uur is de film afgelopen. Ik vul de vragenlijst in en meld mij weer bij de balie. Hoera! Geslaagd! Met een behoorlijke vlek van een stempel in mijn paspoort ben ik voorlopig welkom. Nu is het nog wachten op iemand van de beveiliging die mij naar de keuken zal brengen.
Het duurt even maar dan komt er een jongeman aanlopen in bewakingsuniform. Hij voert een geheimzinnig fluisterend gesprek met de andere meneer van de bewaking en af en toe kijken ze naar mij. Dat voelt ongemakkelijk maar uiteindelijk komt de jongeman, vriendelijk glimlachend, op mij af. “U wilt naar de keuken?” vraagt hij en voor mij kwalificeert hij zich daarmee voor het genootschap ‘wij stellen onbenullige vragen’. Ik knik slechts en volg hem. De keuken van het bedrijfsrestaurant blijk één verdieping hoger, recht boven de balie. Geen gevaarlijke installaties, zich verdacht ophoudende personen, verplichte looppaden, helm of beschermende kleding.

De jongeman wijst mij de kok en met een “U redt zich verder wel,” wil hij weer vertrekken. Dat kan ik nog net voorkomen. Ik leg kort uit dat ik meer werk heb aan het schrijven van mijn bon dan aan het repareren van het apparaat en dat hij maar even moet wachten tot deze vijf minuten durende operatie achter de rug is. Met het dreigement dat ik niet van plan ben te wachten op zijn komst om mij één trap naar beneden te begeleiden haal ik hem over. Zie daar. De redelijkheid wint het weer eens.
Het slangetje wordt over de pijpjes geschoven, de kok tekent mijn bon af, we lopen samen de trap af met de verplichte één hand aan de leuning en met een welgemeend “Tot ziens!” nemen we afscheid. De slagboom gaat vanzelf omhoog en na bijna anderhalf uur rijd ik het terrein af. Toch jammer dat het een garantieklusje van niks was.
© peter gortworst / jan. 2016
Foto’s: http://www.bedrijvenuitalmere.nl / http://www.gelukadvies.nl / pers.archief
…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….


Een beetje waardering voor wat we doen is toch niet teveel gevraagd? Als u eens wist hoe veel goed men kan doen door zijn of haar waardering te laten blijken! Het is niet elke dag nodig, hoeft niet te pas en te onpas maar zo af en toe moet dat toch kunnen? Een beetje bewondering is trouwens ook wel goed.


Eén van zijn over elkaar geslagen armen wijst in de richting van zijn gezicht. Tussen de vingers van de hand klemt hij een dikke sigaar en met regelmaat neemt hij daar een paar trekjes van.
Sjaak kijkt angstig naar Ton en probeert, gebarend met kleine handbewegingen Ton te laten verdwijnen. Als dit niet lukt zegt Sjaak: “Deze mijnheer heeft interesse in onze nieuwe bus en ik ben zo vrij geweest om alvast wat informatie te geven. Misschien wilt u het overnemen?” Ton doet een stapje achteruit maar voordat hij iets kan zeggen bemoeit Koos zich er mee: “Deze jongen doet het prima. U bent hier niet nodig.” Ton loopt terug naar zijn kantoortje en de deur wordt met een klap dichtgetrokken.






Waar zelfs toegestaan wordt dat in de politiek met veel meer dan neerbuigende taal over jouw volk wordt gesproken. Het gaat er niet meer om of ‘wij’ er mee begonnen zijn of dat ‘zij’ de oorzaak zijn. Die ‘de kip of het ei’ discussie moeten we achter ons laten. Het is fout zoals het nu gaat.” Weer slaat ze met haar hand op de tafel: “Het is heel erg fout!”




“En is de mol dan …. uh, dood?” Ze durfde het bijna niet te vragen maar eigenlijk weet ze het antwoord wel. “Als het goed is wel,” antwoord de jongen monter, “en anders moet hij nog even een tik krijgen.”
“U heeft er ervaring mee, hoor ik. Welke kan ik het beste nemen?” De man parkeert zijn kar midden in het pad en bukt zich over de verzameling. Dan pakt hij er twee op en na een korte blik op beide laat hij een glimmend zwart gelakt exemplaar weer vallen. Met een rood hoofd komt hij weer overeind. “Deze moet je hebben. Kijk, je knijpt deze handels naar elkaar toe, laat dit pennetje er tussen door komen en haakt dat achter dit lipje. Dan zoek je de gang van de mol, zet de klem in de gang en dek het af met oude bladeren of gras. Elke dag twee keer kijken of de klem uit elkaar staat en als dat zo is heb je hem.” Als demonstratie spant hij de klem en als hij voorzichtig tussen de scharen het lipje indrukt, klapt de klem dicht. “Zo gaat dat.” Bijna trots houdt hij de klem omhoog. Ze is onder de indruk. “Is de mol dan meteen dood?” wil ze weten. “Tja, als ik ze vind zijn ze dood. Als je lijf zo in elkaar gedrukt wordt leef je niet lang meer maar of ze nou meteen dood zijn…… “ Hij staart een tijdje zorgelijk naar de klem.


Het zwaarste dat hij mag drinken is een glaasje rode port maar vanaf nu wordt dat helemaal anders. En hij zal zelf wel zijn havermoutpap gaan koken. Hij is oud en wijs genoeg om zelf te beslissen wat goed voor hem is en waar hij van wil genieten. Daar heeft hij zijn vrouw niet voor nodig. Wat denkt ze wel! In de wetenschap dat morgen alles weer ontnuchterend normaal zal zijn, geven we hem helemaal gelijk en zijn het zelfs hartgrondig met hem eens.
Hij draait zich naar haar toe en zegt:



Hij had het nest van Ekster gekregen maar het is hem te bewerkelijk. Het dak boven zijn nest is vervallen en omdat hij geen ervaring met daken boven nesten heeft was hij blij het te kunnen verkopen aan een gezinnetje van de Alpenkraaien. Die kunnen het makkelijk betalen. Zij verdienen goed met het verkopen van lekkere hapjes uit zuidelijke streken. Zij slijten hun waren op plaatsen waar men zich verpoost. Het is even wennen voor de traditionele eters maar zoals zo vaak neemt de jeugd het voortouw en nu hoort het lekkers er helemaal bij. Het is zelfs zo gewoon geworden dat een avondje stappen niet af is zonder een zuidelijk hapje halen bij de Alpenkraai.

We gaan op weg. Camperduin is geen badplaats van internationale allure en in het enige hotel is alles donker. Bij de basaltbergen aangekomen begint het wachten. Het is koud en met onze handen in de zakken kijken we naar het oosten. Daar wordt het langzaam licht. Vanuit het binnendijkse land horen we het te-piet te-piet te-piet van een paar scholeksters. Verder hoor je alleen de branding ruisen. Om half zeven schrijft Dick de tijd in zijn boekje. Na vijf minuten doet hij dat weer en na weer vijf minuten opnieuw. Er is nog geen vogel voorbij gekomen. Een paar minuten voor zeven komt er een groepje kramsvogels voorbij. Kort daarna twee kauwtjes en een houtduif. Dan weer niets. Een groep spreeuwen vliegt langs en we tellen er 75. Ze zijn nog niet uit het zicht verdwenen of daar komt de volgende groep spreeuwen. Een langgerekte sliert die we schatten op 300 vogels. Het houdt niet op. De ene grote groep volgt na de andere. Als het zo doorgaat komen we in de duizenden en we besluiten dat Ans en Robert alleen maar de spreeuwen gaan tellen. Henk en ik neem alle andere soorten voor onze rekening. Dick schrijft zijn vingers nog blauwer dan ze door de kou al zijn. Robert en Ans geven ongelooflijke aantallen door terwijl wij slechts af en toe iets roepen van: “Graspieper tien, Kneu vijf, nog twintig gras, drie roeken”
