Klusje van niks

Natuurlijk, veiligheid voor alles. Maar soms…..

 

Noordelijk van waar ik nu bijna ben, ligt niet veel Nederland meer. Onderweg naar een groot, nieuw bedrijf voor een klusje van niks. Mijn collega, die hier normaal de wegen onveilig maakt, is op vakantie en daarom is op deze warme en zonnige dag mij de eer te beurt gevallen hem te vervangen.

Een slagboom. Ik druk op de knop om mij te melden. “Goedemiddag. De bewaking. Wat kan ik voor u doen?” “Ja, de monteur voor het bedrijfsrestaurant……” Normaal is deze mededeling genoeg. Storingen in de keuken zijn prioriteit 1. Stel je toch eens voor dat het bedrijfsrestaurant niet dat klaar kan maken wat jij het liefste hebt. Hier gaat het echter niet normaal. “Moment alstublieft,” hoor ik en vervolgens gebeurt er niets. Ik wacht, half uit het raampje hangend op wat er nog gezegd gaat worden. De slagboom blijft dwars liggen en de speaker zwijgt stil. Wordt ik nu geobserveerd door camera’s? Willen ze mij betrappen op een schichtig om mij heen kijken met een verdachte blik, neuspeuteren of nog erger: voorbereidende handelingen die kunnen duiden op een aanslag? Ik druk maar weer eens op de knop. Nu willen ze mijn naam weten en nadat ik deze genoemd heb gaat de slagboom open. “Komt u verder,” klinkt het vrolijk. Iemand met zo’n naam kan blijkbaar niet gevaarlijk zijn.

Ik twijfel even of ik mijn koffer met gereedschap mee zal nemen. Het onderdeeltje wat gemonteerd moet worden is een slangetje van 5 cm lang en ribbeltjes in het midden. Net als een rietje in een flesje. De bedoeling is dat ik beide uiteinden over een pijpje schuif. Meer niet. Kan er zo bij en in principe heb ik geen gereedschap nodig maar ja, je weet nooit dus toch maar mee.

De balie is indrukwekkend. Achter de balie een meneer van de beveiliging en een dame op leeftijd. Ik zeg wat ik kom doen en noem de naam van mijn contactpersoon. Ze knikt. “Dat is de kok. Bent u hier al eerder geweest?” vraagt ze. Ik antwoord naar eer en geweten “Nee” en zie de schouders van de dame in de treurstand schieten. Alsof het haar persoonlijk raakt. Ze zucht even en zegt: “Dit gaat even duren. Ik wil graag uw veiligheidspaspoort en u mag de film gaan bekijken. Hier heeft u een vragenlijst die u, na het zien van de film, moet invullen. Loopt u maar even mee.” Mijn koffer met gereedschap laat ik staan. Die man van de bewaking zal wel te vertrouwen zijn.

Een kamertje, een stoel, een tafeltje en een groot beeldscherm voor mij alleen. Ze heeft de film gestart en ik leer veel over wat niet mag en wat beslist moet. Hoe ik een uiterst verdacht persoon kan herkennen en hoe de leidinggevenden hiervan in kennis te stellen, hoe gevaarlijke situaties te herkennen en melden, welke bevelen van mannetjes in hesjes ik moet opvolgen, hoe de verplichte looppaden op het terrein er uitzien, welke geluidssignalen belangrijk zijn en dat ik mij ten allen tijde vooraf moet vergewissen waar de noodwegen en verzamelplaatsen zijn.

Na ruim een half uur is de film afgelopen. Ik vul de vragenlijst in en meld mij weer bij de balie. Hoera! Geslaagd! Met een behoorlijke vlek van een stempel in mijn paspoort ben ik voorlopig welkom. Nu is het nog wachten op iemand van de beveiliging die mij naar de keuken zal brengen.

Het duurt even maar dan komt er een jongeman aanlopen in bewakingsuniform. Hij voert een geheimzinnig fluisterend gesprek met de andere meneer van de bewaking en af en toe kijken ze naar mij. Dat voelt ongemakkelijk maar uiteindelijk komt de jongeman, vriendelijk glimlachend, op mij af. “U wilt naar de keuken?” vraagt hij en voor mij kwalificeert hij zich daarmee voor het genootschap ‘wij stellen onbenullige vragen’. Ik knik slechts en volg hem. De keuken van het bedrijfsrestaurant blijk één verdieping hoger, recht boven de balie. Geen gevaarlijke installaties, zich verdacht ophoudende personen, verplichte looppaden, helm of beschermende kleding.

De jongeman wijst mij de kok en met een “U redt zich verder wel,” wil hij weer vertrekken. Dat kan ik nog net voorkomen. Ik leg kort uit dat ik meer werk heb aan het schrijven van mijn bon dan aan het repareren van het apparaat en dat hij maar even moet wachten tot deze vijf minuten durende operatie achter de rug is. Met het dreigement dat ik niet van plan ben te wachten op zijn komst om mij één trap naar beneden te begeleiden haal ik hem over. Zie daar. De redelijkheid wint het weer eens.

Het slangetje wordt over de pijpjes geschoven, de kok tekent mijn bon af, we lopen samen de trap af met de verplichte één hand aan de leuning en met een welgemeend “Tot ziens!” nemen we afscheid. De slagboom gaat vanzelf omhoog en na bijna anderhalf uur rijd ik het terrein af. Toch jammer dat het een garantieklusje van niks was.

 

© peter gortworst / jan. 2016

Foto’s: http://www.bedrijvenuitalmere.nl / http://www.gelukadvies.nl / pers.archief

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Erwtensoep van toen

Nu er toch iets van ‘winter’ blijkt te bestaan is het volgende artikel misschien wel passend:

Ik ben in het gelukkige bezit van een kookboek. Bijna 400 pagina’s dik en er staan heel veel recepten in. Achterin een lang hoofdstuk met de titel: “enige grepen uit de algemene kooktechniek.” Dat is een leerzaam hoofdstuk. Ik wist bijvoorbeeld niet dat fijn griesmeel een kooktijd heeft van 5 minuten maar dat je voor grof griesmeel het dubbele moet rekenen. Boekweitegrutjes ( zo schrijven ze het echt) vragen zelfs 15 minuten! Ook nieuw is de wetenschap dat je vis, waarvan het vel niet eetbaar is, moet stropen en uiteraard moet je de buikholte tot op de graad schoonmaken en de kieuwen verwijderen. De vishandelaar kan dat ook doen maar je dient de vis dan echter nauwkeurig na te zien.

Het boek is van kort na de oorlog. De schrijfsters vermelden in hun ‘ten geleide’ dat zij geen rekening hebben gehouden met de distributie omdat, naar zij hopen, dit in de toekomst niet nodig zal zijn. Ze noemen zelfs room en slagroom en zolang deze nog niet verkrijgbaar is, kan men ongezoete gecondenseerde melk gebruiken.

Het boek ademt een tijdgeest. Als er boter gebruikt moet worden is dat echte boter. Melk is nimmer halfvolle en zout en suiker worden rijkelijk toegediend. In een recept van Zuring (wie kent dat nog?) wordt gerept over 6 gram zout, 20gram boter en 60 gram suiker. Dit wordt toegevoegd aan de gekookte groente en dan wordt het kookvocht nog gebonden met 10 gram aardappelmeel. Zuring a la crème!

Kooktijden zijn niet meer van deze tijd. ‘Al roerend 20 minuten koken’ staat er doodleuk. Rijst gaar laten worden in een hooikist: 1 uur. Kooktijd rode kool: 35 minuten! Ongekende tijden in het leven van nu. We doen het nu met een kooktijd van 8 minuten voor de rijst. Hebben steaks a la minute en zelfs een kant-en-klaar stoomgerecht wat voor 7,5 minuut de magnetron ingaat, is ons al te lang.

Toch gebruik ik het boek. Niet elke dag maar voor speciale gelegenheden wel. Wat je vroeger als een vanzelfsprekend gerecht op tafel zette is nu een bijzonderheid en dat maakt het gebruik van dit boek leuk. Voor de vaste afnemers van ‘mijn’ erwtensoep valt het afscheid van de zomer minder zwaar als ik ze beloof om hen, bij de eerste vorst, een pan soep te doneren.

Bij deze de letterlijke tekst van het recept. Let op de hoeveelheden: een grote pan ( 5 liter) is echt nodig.

0,5 kg groene erwten of spliterwten

1,5 liter water

1 mergpijp (laat ik altijd weg)

0,5 kg knieschijf van het varken of 300 gram spek (ik gebruik speklapjes)

1,5 liter water

0,5 kg aardappelen

1 kg prei

1 selderijknol

2 bosjes selderij

0,5 liter melk

20 gram zout

Peterselie

De erwten wassen en met 1,5 liter water 12 à 24 uur laten weken.(vooruit denken dus!!) De mergpijp, het vlees of het spek opzetten met 1,5 liter water en ongeveer 1 uur zachtjes voorkoken. De geweekte erwten met het weekwater er aan toevoegen en gaar koken (ongev. 1 uur)

De geschilde en in stukken gesneden aardappelen en de schoongemaakte, gewassen en gesneden groenten ongev. 20 minuten laten meekoken. De mergpijp en het vlees of het spek uit de pan nemen, de merg uit het bot halen en in de soep doen. Het grootste gedeelte van het vocht afschenken maar bewaren. De massa fijn stampen (staafmixer gaat ook) en al roerende langzaam verdunnen met de erwtenbouillon en de melk. Het zout toevoegen. De soep ongev. 10 minuten laten doorkoken. Op het laatst de peterselie fijn snijden en door de soep roeren. Het vlees of het spek bij de soep geven, desgewenst ook enige sneden brood.

Mijn variatie op dit recept: De speklapjes snij ik in kleine stukjes en voeg ik weer toe als de staafmixer zijn werk heeft gedaan. Bij het laatste doorkoken doe ik er, in plakjes gesneden, (grove) rookworst bij.

Eet smakelijk en mocht er animo zijn voor een recept van waterbaars, gestoofde kabeljauwstaart, patrijs met zuurkool, meiknolletjes, schorseneren of een trommelkoek, dan laat u dat maar weten.

© peter gortworst

foto: http://www.smulweb.nl

Voer voor de lange winteravonden: een goed boek!
Bezoek jouw boekwinkel of bestel via onderstaande links.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/Wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/De-glimlachende-dode

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , , , | 9 reacties

Moest het even kwijt….

“Laat vooraf één ding duidelijk zijn: wij zijn geen ‘stom scharminkel’. Wij zijn volmaakt! Niemand zal het zich kunnen permitteren om op- of aanmerkingen te maken over ons figuur om de simpele reden dat er niets op aan te merken is. Alle maten, alle verhoudingen en alle rondingen kloppen. Geen arm is te lang, geen buik te dik, geen bovenbeen heeft cellulitis, geen jeugdpuistjes en geen chagrijnig gezicht. Noem een lichamelijke onvolkomenheid en wij hebben het niet. Bovendien durf ik best te stellen dat de lichaamshoudingen die wij aannemen, onze perfectie alleen maar bevestigt. En probeer maar eens om heel lang, soms zelfs meer dan een volle maand, onbeweeglijk stil te staan. Wij kunnen het. Wij vinden het niet eentonig, wij gaan niet wiebelen, krijgen geen kramp of gaan ons vervelen. Wij zijn, en hopelijk is dat inmiddels ook voor u zonneklaar, perfect.

Ik merk dat u onder de indruk bent. Dat is ook de bedoeling. Het is voor iedereen wel eens goed om met vanzelfsprekendheden geconfronteerd te worden. Het verruimt en verdiept de blik. Het feit dat u na deze ontmoeting letterlijk iets verder kijkt dan de buitenkant, is voor ons pure winst. Als u eerlijk bent zal u moeten beamen dat men uitsluitend kijkt naar de kleding die wij aangemeten hebben gekregen. Dat begrijpen we wel en we realiseren ons terdege dat het niet om ons gaat maar om de boodschap die wij, bijna letterlijk, moet uitdragen. Maar toch…..

Weet u, de kapitein van een supertanker is blij en trots als men onder de indruk is van zijn schip. Als hij afmeert en men kijkt bewonderend naar de grootte van de schroef, de hoogte van het schip en de dikte van de kabels waarmee het aan de kade ligt, dan geniet hij. Maar denkt u niet dat hij, als de man die met een dergelijk gevaarte kan lezen en schrijven, ook niet eens bewonderend aangestaard wil worden? Hij heeft zijn trots en die hebben wij ook!

Een beetje waardering voor wat we doen is toch niet teveel gevraagd? Als u eens wist hoe veel goed men kan doen door zijn of haar waardering te laten blijken! Het is niet elke dag nodig, hoeft niet te pas en te onpas maar zo af en toe moet dat toch kunnen? Een beetje bewondering is trouwens ook wel goed.

Ja, ik hoor het u zeggen: “Zo had ik er nog niet tegenaan gekeken.” Dat is de goede opmerking in deze context. U kijkt wel maar ziet niet en dat is precies de bedoeling van onze makers. Het gaat niet om ons maar om wat we dragen. Wij zijn slechts een pop en worden, zo anoniem als mogelijk is, ten toon gesteld. Onze gezichten zijn onopvallend. ‘Nietszeggend’ zou ik bijna zeggen. Sommigen van ons hebben geen gezicht. Als ze geluk hebben zijn ze voorzien van een hoofd wat sterk doet denken aan een ei. De echt ongelukkigen onder ons zijn slechts een romp op een stalen buis. Geen hoofd, armen en benen. Hoeveel onderwaardering kan een pop verdragen?

Vroeger stelden we wat voor. De mannen hadden allemaal een stoere kop met een daadkrachtige kaakvorm en staalblauwe ogen. Mooie gekamde haren in een woest aantrekkelijke kuif en altijd een houding die daadkracht uitstraalde. De vrouwen waren echte dames. Stuk voor stuk met een goddelijk figuur. Toen keken de mannelijke klanten nog met plezier naar een etalage met dameskleding. Niemand kan tegenwoordig zo bevallig staan als de dames van toen en geloof me als ik zeg dat we dit vreselijk missen. Het enige wat toen afbreuk aan ons deed waren de naden in onze huid. Daar zaten de scharnieren en de lelijkste naad zat in de hals. Gelukkig hebben ze dat weten te verhelpen want bij enkelen van ons zaten de handjes wel heel erg los

Weet u wat nog een verschil is met vroeger? Als we toen andere kleding kregen werd het etalageraam afgeplakt. De etaleur kon, zonder dat er op zijn vingers werd gekeken, de etalage opnieuw inrichten en wij stonden niet voor Jan en Alleman naakt achter het raam. Nu is dat wel even anders. We hebben niets te verbergen en schamen ons niet voor ons figuur maar toch voelt het wat ongemakkelijk. Als je van iemand houdt doe je dat niet en misschien zit daar wel de essentie. Hoe kan het anders gebeuren dat één van ons als vogelverschrikker te werk is gesteld? Waarom is een collega van de lingerieafdeling verkocht aan die nieuwe bar in het centrum waar ze in een zeer bevallige doch nette houding boven de tap hangt? Het is toch volkomen absurd dat we als een idioot uitgedost, her en der in tuinen worden gezet omdat daar iemand vijftig blijkt te zijn geworden! Weet u dat we zelfs te koop worden gezet op Markplaats? Dat doe je toch niet! Dit is zo overduidelijk een gebrek aan respect en misschien moet ik wel zeggen dat het ronduit liefdeloos is.

Ik heb me wel eens afgevraagd of het te maken heeft met jaloezie. Wij zijn een klein schroefje in de motor die ‘Verkoop’ heet en als een klant iets heeft gekocht zijn wij ook blij. Maar, waarom wordt er met de vinger naar ons gewezen als blijkt dat een gekochte broek niet zo mooi valt als bij ons omdat de klant een joekert van een kont heeft?  Als wij een strak truitje showen wil dat toch niet zeggen dat de dame met een behoorlijke boezem dat ook kan dragen? Al die frustraties komen uiteindelijk op ons bordje terecht. Wij, de volmaakten, moeten het ontgelden omdat wij volmaakt zijn. Hoe krom kan het in het leven zijn! Nee, wij zijn anonieme creaties maar met dit soort zaken weten ze ons te vinden! Dan is die ‘stomme pop’ de oorzaak van hun miskoop. Ik vraag me af wie hier nu stom is.”

Ik had de etalagepop ondersteboven gelopen en weer rechtop gezet. Het ding stond midden in het pad en omvallen was onvermijdelijk geweest. “Stom scharminkel!” had ik gezegd en dat was dus verkeerd gevallen. Blijkbaar was het ding nu klaar met de preek en ik schoof het voorzichtig naar de zijkant van het pad. “Bedankt dat je even wilde luisteren,” zei het ding. Zonder iets te zeggen liep ik door. Als ik in een drukke winkel tegen een etalagepop ga praten, verklaren ze me voor gek en ik gun ze de lol niet als het waar zou blijken te zijn.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.winkelmaterialen-kopen.nl / http://www.beeldbank.zeelandseaports.com / http://www.tweedehands.nl / http://www.zaken.tweedehands.net

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Laat ons een ezel maken…

De eerste auto’s leken op koetsen met een hulpmotor. De eerste motorfietsen op een fiets met hulpmotor en de eerste robot-ezels op ezels met een hulpmotor. Zie daar de ontwikkeling en het vernuft van de menselijke geest.

Nu kan ik mij bij de ontwikkeling van de auto nog wel wat voorstellen om iets te maken van een koets met een motor in plaats van een paard. Veel voorbeelden van hoe het anders zou kunnen waren er niet. In een koets passen een aantal mensen en als je die gemotoriseerd van plaats A naar plaats B kan transporteren is dat een hele prestatie. Dat de auto anno nu, nog steeds vier wielen heeft en een bakje waarin je kan zitten, is eigenlijk merkwaardig. We hebben voortgeborduurd op wat we kennen. We stoppen er meer techniek in, meer knopjes, meer comfort, meer luxe en veiligheid maar het blijft dat bakje met die vier wielen. Ik vraag mij af of dit nu de meest slimme manier van vervoer is en zonder twijfel ben ik daarin niet de enige. Er zullen, ergens veilig verstopt, vast wel technici bezig zijn om nieuwe vormen van vervoer te verzinnen. En als die er dan eindelijk komt zal het grootste probleem van de introductie de weerzin tegen het nieuwe zijn. We kennen de auto met vier wielen, de infrastructuur is daarop ingericht, wij zijn er op ingericht en iets wat misschien over het aardoppervlak zweeft en waarbij je zelf niets hoeft te doen, kan ons (nog) niet bekoren.

Zouden de hoge piefen van de Amerikaanse Marine dat ook gedacht hebben toen ze opdracht gaven voor het bedenken van een pakezel? Die hebben vast een keer bij elkaar gezeten toen er iemand op het idee kwam om een soort gemotoriseerde pakezel te maken voor onze jongens en meisjes in het veld. Het woord ‘ezel’ is blijkbaar blijven hangen en met een tunnelvisie van honderden mijlen is men daarop doorgegaan. En in een tijd waarin er wagentjes over de meest onherbergzame oppervlakten van planeten rijden, er voertuigen zijn die zonder moeite in het meest ruwe terrein vooruit komen, er dingen zijn die zowel rijden als varen, de gemiddelde motor minder lawaai produceert dan een grasmaaier, elektrisch voortbewegen steeds gangbaarder wordt, drones in de speelgoedwinkel te koop zijn, bestellen deze heren een gemotoriseerde pakezel.

Als ze 32 miljoen dollar en 2,5 jaar verder zijn hebben ze een pakezel die niet voldoet. De motor maakt te veel herrie en is dus voor de vijand makkelijk te lokaliseren, reparaties zijn moeilijk en inzetten bij patrouilles wil ook niet echt lukken. Dan wordt er nog eens 10 miljoen tegenaan gesmeten om de motor stiller te krijgen en het beest/apparaat minder kwetsbaar voor kogels te maken.

De plannen zijn in de ijskast gezet en dat is maar goed ook. Ik zou mij als soldaat met zo’n ding in de ploeg zeer ongemakkelijk voelen. Je loopt toch compleet voor gek met een dergelijke ezel achter je aan? Het ergste lijkt mij nog de wetenschap dat je daar met dat ding in je kielzog loopt omdat jouw superieuren zelf van die stomme, ongemotoriseerde ezels zijn.

©peter gortworst/jan. 2016

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Sigarenrook

“Het is verdorie toch niet te geloven! Het hele weekend koud en nat en op de dag dat je moet werken wordt het warm en schijnt de zon.” Met een ontevreden gezicht kijkt Ton door één van de grote ramen naar buiten. Sjaak die net achter hem langs loopt met een stapel folders van de nieuwe bestelbus, hoort hem wel maar zegt niets. In de paar maanden dat hij hier, als jongste verkoper werkt, moppert Ton elke dag minstens drie keer en altijd is er één mopperbui voor hem. Is het niet een fout geknoopte stropdas dan betreft het wel een vlekje op een wagen in de showroom wat over het hoofd is gezien. Op zijn eerste werkdag deelde Ton hem mee dat het nog 23 maandan zou duren voordat hij met pensioen kon gaan. Inmiddels zijn dat er 20 en zo langzamerhand kijkt hij, net als Ton, naar dat moment uit. De naweeën van de economische malaise zijn in de cijfers nog duidelijk zichtbaar en heeft de werksfeer nog niet verbetert.

“Hoeveel offertes moeten er gemaakt worden?” roept Ton als hij naar het kantoortje loopt. “Twee. Ze liggen in het bakje!” roept Sjaak terug. Als hij even later het kantoortje inloopt zit Ton naar de papieren te staren. “Weer een nutteloze bezigheid. Deze klanten zijn net als zzp’ers begonnen. Die willen wel een nieuwe bus maar ze kunnen het nooit betalen. Ze hebben een air alsof ze een multinational leiden maar hun bank bepaald wat ze mogen uitgeven en dat is niet veel. Maar goed, veel anders is er voor mij ook niet te doen.” Hij zucht dramatisch diep en trekt het toetsenbord naar zich toe. Sjaak gelooft het wel en gaat met een poetsdoek de showroom in.

Hoe lang hij daar al staat weet Sjaak niet. Hij is zo geconcentreerd aan het poetsen dat de man, die buiten een stukje van het grote raam af naar hun nieuwste model staat te kijken, hem niet opgevallen is. ‘Een ouwe zwerver’ is het eerste wat Sjaak denkt. De man heeft een grijze haardos die in woeste krullen alle richtingen uitgaan. Een grijze baard van zeker drie dagen bedekt het oude en getekende gezicht. Hij draagt een gekreukt colbert met grijsblauwe ruitjes. Zijn donkergele overhemd staat gespannen om een omvangrijke buik. De drie bovenste knoopjes zijn los en onthullen een oerwoud van grijze borstharen. Ook zijn donkergroene broek is gekreukt en niet vlekvrij. Op de knieën zitten slijtplekken. Een paar pantoffels die wonderwel passen bij zijn colbert, complementeren zijn verschijning. Eén van zijn over elkaar geslagen armen wijst in de richting van zijn gezicht. Tussen de vingers van de hand klemt hij een dikke sigaar en met regelmaat neemt hij daar een paar trekjes van.

 

Hij loopt niet heen en weer. Hij staat daar en kijkt alleen maar. Als Sjaak als groet zijn hand opsteekt knikt hij even met zijn hoofd en loopt dan naar de ingang. ‘Heb ik dat?’ denkt Sjaak geschrokken, ‘Wat moet die man hier?’ Toch zegt Sjaak vriendelijk “Goedemorgen” als de man binnenkomt. De man knikt weer even en loopt dan rechtstreeks naar hun nieuwste bus. Puffend aan zijn sigaar loopt hij langzaam om de bus heen, trekt de achterklep open, bekijkt de passagierstoel en gaat tot slot even achter het stuur zitten. Dan wordt de wervende tekst op het reclamebordje bestudeert. Sjaak staat in grote twijfel. Wat moet deze zwerver hier? Er mag hier helemaal niet gerookt worden maar moet hij er nu wat van zeggen? Als de man hem naar de technische gegevens vraagt weet hij niet of serieuze antwoorden wel zin hebben. Hij vreest de mopperbui van Ton als deze man straks weg is en de stank van de sigarenrook in de showroom hangt. “We moeten even praten,” zegt de man en iets in de manier waarop hij dat zegt, maakt Sjaak alert.

Ze gaan aan een tafel zitten. De man stelt zich voor als Koos Zijlstra en als hij zijn stoel aanschuift kijkt hij zoekend om zich heen. Sjaak begrijpt dat de komst van een asbak gewenst is. “Ik pak even een asbak en wilt u ook een kopje koffie?” Dat wil mijnheer Zijlstra wel. Zodra de asbak en koffie op tafel staan vraagt de man: “Kost die bus?” “De uitvoering die hier staat zit net onder de 31000 euro.”  Koos Zijlstra zegt even niets en rolt zijn sigaar tussen de vingers. Hij neemt een paar behoorlijke trekken en als rooksignalen stijgen de wolken op. “Als ik de lange uitvoering wil met een dubbele cabine, een trekhaak, een goede radio en een handsfree ding om te kunnen bellen, wat kost hij dan?” “Dan zitten we al snel op de 35000 euro,” weet Sjaak.

“Allemachtig! Wat meurt het hier!” Met grote passen komt Ton uit zijn kantoortje. In de hoek met de meeste blauwe walm ontwaart hij Sjaak. Met een gezicht dat op donder en bliksem staat beent hij zijn kant op en op het laatste moment ziet hij de klant. Hij houdt even in en als Koos Zijlstra gaat staan om Ton een hand te geven monstert deze hem van top tot teen. De uitdrukking op zijn gezicht spreekt boekdelen en bij het zien van de pantoffels is het boek blijkbaar uit: de uitgestoken hand wordt niet beantwoord. Mijlenver verheven boven deze zonderling zegt Ton: “Wij hebben liever niet dat u hier rookt.” Koos gaat weer zitten, kijkt niet meer naar Ton maar zegt wel: “Daarmee laat u mij de keus om wel of niet te roken.” en demonstratief laat hij een paar rookwolkjes opstijgen.

Sjaak kijkt angstig naar Ton en probeert, gebarend met kleine handbewegingen Ton te laten verdwijnen. Als dit niet lukt zegt Sjaak: “Deze mijnheer heeft interesse in onze nieuwe bus en ik ben zo vrij geweest om alvast wat informatie te geven. Misschien wilt u het overnemen?” Ton doet een stapje achteruit maar voordat hij iets kan zeggen bemoeit Koos zich er mee: “Deze jongen doet het prima. U bent hier niet nodig.” Ton loopt terug naar zijn kantoortje en de deur wordt met een klap dichtgetrokken.

Koos grijnst naar Sjaak. “Die is weg. Luister, we hadden het over 35000 euro voor de bus. Wat kost het als ik er gelijk zeven bestel?” “Zeven bussen?” stamelt Sjaak. “Ja, zeven stuks in één keer. Hoeveel gaat mij dat kosten als ik ze bij aflevering gelijk betaal?” Sjaak weet niet goed wat te doen. Moet hij toch Ton vragen om dit over te nemen? Maar dit is een buitenkansje die hij niet wil laten lopen. De provisie kan hij goed gebruiken. Hij pakt zijn rekenmachine en begint te rekenen. “Ik neem even de globale cijfers,” laat hij Koos weten, “de cijfertjes achter de komma komen later wel.” Hij schrikt als hij ziet dat de bussen bijna 250.000 euro gaan kosten. Dat is wel heel veel geld. “Normaal geven we een korting van 8%. Als u bij aflevering in één keer betaald kan ik wat extra korting geven en de importeur kan ook nog wel iets doen. Een totale korting van 10% lijkt mij redelijk.” “Ja,” zegt Koos, “dat lijkt mij ook. Laten we een paar dingen op papier zetten.”

Zo onopvallend mogelijk kijkt Ton naar de tafel waar Sjaak en die man zitten. Ze zijn al een tijd druk in de weer met papieren, folders en een rekenmachine. Hij ziet dat de man opstaat en naar buiten loopt. Aan de overkant van de straat staat een hele dikke Mercedes. Tot zijn verbazing blijkt deze van die man te zijn. De kofferbak gaat schijnbaar vanzelf open en de man haalt er een tasje uit. Als hij weer aan de tafel zit opent hij het tasje en er komt een dik pak bankbiljetten uit. Het spijt Ton dat hij niet goed kan zien hoeveel geld de man aan het neertellen is maar aan de tijd te beoordelen zal het een flink bedrag zijn.

Sjaak neemt afscheid van Koos en loopt naar het kantoortje. Zwijgend en vragend kijkt Ton hem aan. “Jij moet toch de orderbevestigingen maken?” vraagt Sjaak. Als Ton knikt legt hij een paar papieren op zijn bureau en uit zijn zak haalt hij een dik pak geld. “Die man was Koos Zijlstra van Zijlstra Bouw. Zijn bedrijf heeft een mega order in de wacht gesleept. Iets met renovatie en nieuwbouw van een hele Rotterdamse wijk. Hij heeft voor zijn personeel zeven bussen gekocht. Die moeten straks elke dag op en neer naar Rotterdam. Vandaar…. Alle specificaties en afgesproken prijzen staan daar genoteerd. Het geld is een aanbetaling van 20.000 euro. Als iets niet duidelijk is vraag je maar. Ik ga nu eerst even lunchen.”

Ton weet niets te zeggen. Hij staart naar het geld en alsof Sjaak zijn gedachten kan lezen zegt deze: “In het vakje ‘handtekening van de verkoper’ staat mijn naam. Ik heb zo groot geschreven dat er geen andere naam bij kan.” Dan neemt hij zijn jas uit de kast en als hij de deur naar de showroom opent om naar buiten te lopen, steekt hij zijn neus omhoog. “Wat is de walm van sigaren toch een lekkere lucht,” hoort Ton hem nog net zeggen.

©peter gortworst

Foto’s: http://www.stof.skynetblogs.be / http://www.skproducts.nl / http://www.nationalebeeldbank.nl

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 2 reacties

Een geloofwaardig kerstverhaal

Een beetje aarzelend komt hij de keuken in en ze merkt direct dat er iets is. Bijna 10 jaar getrouwd zijn is lang genoeg om te weten dat zij nu moet zwijgen om hem de tijd te geven zelf op de proppen te komen met wat hem blijkbaar dwars zit. Ze draait het gas onder de winterpeen met uien en de aardappels laag, pakt twee glazen uit het kastje en de fles witte wijn uit de koelkast.
“Ga maar zitten,” zegt ze en schenkt de twee glazen halfvol.
Tegenover elkaar aan de keukentafel proosten ze en dan wacht ze af. Het duurt even. Dan zucht hij diep en zegt met zachte stem:
“Ik moet dit jaar het kerstverhaal schrijven.”

Twee gedachten schieten door haar hoofd. De eerste geeft een gevoel van opluchting. Je weet per slot van rekening nooit waar een denker als hij mee komt, maar gelukkig, als het meer niet is dan valt het alleszins mee. De tweede gedachte wekt bij haar verbazing op. Haar eigen vent die nooit, werkelijk nooit praat hij over zijn werk als journalist en columnist van de krant komt nu zomaar met deze mededeling. Het zit hem dus behoorlijk hoog.
“En wat is het probleem?” vraagt ze om hem op gang te helpen.
“Ik heb geen verhaal en ik weet dus echt niet wat ik moet schrijven.”

“Hoe lang loop je hier al mee,” wil ze weten.
“Vanaf half augustus. We hadden toen een vergadering over het laatste kwartaal. Iedereen wist natuurlijk dat die hele zwarte pieten discussie er aan zat te komen. We hebben de standpunten en de mogelijke heftigheid geschat en besproken hoeveel aandacht wij daar aan zouden geven. En dan komt natuurlijk ook Kerst, oud en nieuw en dat vuurwerkgedoe om de hoek kijken. Bij het agendapunt Kerstbijlage bleek dat het mijn beurt was om een kerstverhaal te schrijven. Prima, dacht ik toen en heb mij daar geen zorgen over gemaakt. Dat komt wel, dacht ik maar dat is dus niet zo. Het lijkt wel alsof ik de sfeer en de goede gedachten niet te pakken krijg. Het is ook geen echt winter en die sfeer die de winter zou moeten geven heb ik wel nodig wil ik tenminste iets op papier krijgen.”
Ze schiet in de lach.
“Kom, we gaan een boom kopen en tuigen hem vanavond op en bespuiten hem met kunstsneeuw. Leuke verrassing voor de kinderen als ze morgen beneden komen en jij hebt je broodnodige sfeer en goede gedachten.”
Een beetje getergd kijkt hij haar aan.

“Vertel eens, wat je al hebt bedacht?” vraagt ze.
“Ik wil een beetje modern verhaal schrijven. Die Dickens, W.G. van der Hulst of Godfried Bomans hadden het makkelijk. De meeste mensen geloofden toen nog echt in een kindeke Jezus, herdertjes, een os en een ezel in de stal en drie wijzen uit het oosten. Nu heeft de Katholieke Kerk al gezegd dat er helemaal geen os en ezel in de stal waren en ondertussen wordt algemeen aangenomen dat, als er al een kindeke Jezus is geweest, deze helemaal niet op eerste kerstdag geboren is. Steeds minder mensen kennen dat verhaal. Je kunt ook niet meer aankomen met een meisje met zwavelstokjes, verloren gewaande familieleden die, bij voorkeur op kerstavond, plotseling opduiken, koude nachten met dikke pakken sneeuw, vorst die kraakt en kaarsjes voor een raam.”
Hij zucht diep en staart zonder te kijken naar zijn glas geestrijk vocht.

“Mag ik je helpen?” vraagt ze en het verbaasd haar dat hij na enig nadenken daarin toestemt.
Na het eten brengt hij de kinderen naar bed en zij gaat, met een grote kan koffie, aan tafel zitten. Ze schrijft of haar leven er van hangt en als hij beneden komt staat het verhaal in grote lijnen op papier.
“Nou wat heb je bedacht?” vraagt hij.
“Het is maar een eerste idee hoor. Het gaat over een meisje dat verpleegkundige is en voor Artsen Zonder Grenzen en in een vluchtelingenkamp gaat werken. Als er ergens Jozefs en Maria’s te vinden moeten zijn is het daar wel. Ze laat haar vriendje hier achter en het contact loopt daarna via skype. Dat gaat, om redenen die ik nog moet verzinnen, natuurlijk helemaal fout en iemand als een Robert ten Brink zorgt er voor dat het op kerstavond weer goed komt. Lijkt het je wat?”
“Het idee van Artsen Zonder Grenzen is goed, maar het is niet dramatisch genoeg. Als we dat meisje nu enig kind maken van een orthodox of conservatief echtpaar. Ze willen beslist niet dat ze gaat maar zij gooit haar idealistische kont tegen de kribbe en gaat toch.”
“Ja, dan kunnen we mooi de worsteling van die ouders beschrijven.”
“Ze gaat in een ziekenhuis werken in Syrië of Irak.”
“Die vader dreigt zijn dochter te verstoten.”
“Ja, en die moeder probeert de boel bij elkaar te houden.”
“Twee geloven, de christelijke en de islam, die botsen.”

Hun enthousiasme kent geen grenzen. Wilde ideeën rollen over de tafel en samen beslissen ze dat een vriendin, die via skype contact met de dochter heeft, de moeder stiekem toch op de hoogte houdt. De dochter raakt uiteraard gewond door een bombardement. Een foutje van de Amerikanen. Ze wordt overgebracht naar een Nederlands ziekenhuis en op kerstavond komen die ouders toch naar dat ziekenhuis en kunnen alleen met hun hand op het glas contact met hun dochter maken. De dochter wordt natuurlijk beter en alles komt weer goed. Tevreden en trots nemen ze nog een glas.
“Bij de tijd, dramatisch en herkenbaar,” zegt hij tevreden en heft het glas.
“Laat dit schrijversechtpaar maar schuiven,” zegt zij, “We zijn gewoon goed!”

Ze vist ’s morgens de Kerstbijlage uit de krant. Op pagina 5 staat het kerstverhaal. Hun kerstverhaal. Het valt haar direct op dat er een andere titel boven staat. Het hele verhaal is anders. Het is niet hun verhaal. Het is een oubollig kletskerstverhaal van een ezel in een stal die ooggetuige is van de geboorte van een mensenkind. Het staat vol met ‘ezeliaanse’ gedachten en ja hoor, het is koud, er valt een dik pak sneeuw in Betlehem en er dagen wijzen uit het oosten op die met mirre, wierook en goud smijten.

“Wat is er met ons verhaal gebeurd!?” vraagt ze als hij tegen de avond thuis komt.
“Tja, ik moest vanmiddag bij de hoofdredacteur op het matje komen. Het verhaal was net iets te gewaagd, te modern en niet herkenbaar voor onze lezers. Hij had nog net kunnen voorkomen dat het gisteravond gedrukt werd. Er lag nog een ‘verhaal in geval van nood’ op de plank wat risicoloos gepubliceerd kon worden. Nu mag ik nooit meer een kerstverhaal schrijven. Ik heb hem maar niet verteld dat deze kerstgratificatie in grote dank door mij aanvaard werd. Weet je wat hij zei toen ik zijn kantoor verliet? Hij had van een nuchtere columnist die toch de waarheid moet dienen, in ons verhaal de geloofwaardigheid gemist. Ik had moeten weten dat dit voor een kwaliteitskrant die juist die waarheid dient, een fundamenteel ‘iets’ is ”

 © Peter Gortworst / dec.2014

foto’s: http://www.kleurpalet.nl / http://www.fotoleren.nl / http://www.nieuwsland.com / http://www.kerstmisplaatjes.net

…als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 8 reacties

Gevallen vrouw

 Ze verstopt de handtas tussen haar heup en de wand zodra de twee jongens gaan zitten. De koffer zet ze klem tussen haar knieën en de bank. Ze weet zeker dat het duo haar in de gaten houdt. Het krampachtige gedoe is zonder twijfel opgemerkt maar ze laat niets merken en zeker niet dat ze bang is. Goddank zitten er meer mensen in deze coupé Ze moet er niet aan denken om hier alleen te zitten met die twee buitenlanders.

De jongens praten in een onverstaanbare taal. Aan hun uiterlijk te zien zullen het wel Turken of Marokkanen zijn. Het is haar om het even: bijna alles wat bij de Middellandse Zee vandaan komt is crimineel. Als er niets aan de hand was zou niet iedereen het over dit soort volk hebben. De krant staat er vol mee en waar rook is, is ook vuur.

De jongens praten en lachen. Zouden ze het ook over haar hebben en om haar lachen? De conducteur komt. Beide jongens laten gewoon een kaartje zien. Ze had anders verwacht.

Bij het volgende station moet ze er uit. Met de handtas stevig tegen haar buik gedrukt trekt ze de koffer aan de beugel mee. Ze staat nog maar net in het halletje als de schuifdeur open gaat. Die twee jongens gaan achter haar staan. Moeten ze er ook uit of gaat er iets anders gebeuren? Vurig hoopt ze dat er nog een reiziger komt maar die hoop is tevergeefs. Door het smalle raampje van de deur gluurt ze naar buiten. Wat gaan die jongens doen? Grissen ze snel haar handtas mee of zullen ze haar op het perron te pakken nemen? De pincode van haar bankpas schiet door haar hoofd. Dat nummer moet ze niet zeggen en ze repeteert alvast een ander nummer.

De trein stopt en één van de jongens reikt langs haar en drukt op de knop. Ze schrikt omdat ze daar niet op gerekend heeft en het verwart haar. Sissend openen de deuren zich en in haar haast om weg te komen stapt ze mis. Haar koffer laat ze los en met gestrekte armen valt ze met een gilletje naar voren. Dan is het alsof de film vertraagt. Twee handen trekken haar aan de rug van de jas achteruit. Rechtop beweegt ze nu vooruit en met drie struikelend passen staat ze op het perron. Schuin voor haar ploft een jongen op de grond. Hij kon zich, na zijn reddingsactie, niet meer in evenwicht houden. Als hij gaat staan lacht hij naar haar. De ander zet de koffer neer en drukt voorzichtig de kamelenbult op haar rug, veroorzaakt door het trekken aan haar jas, weer vlak.

“Blijf met je poten van me af, vieze turk!”  Het is er uit voor ze er erg in heeft. De lach van het gezicht verdwijnt en maakt heel even plaats voor een diep trieste blik. Dan barst de boosheid daar doorheen en met stemverheffing zegt haar redder: “Ik ben geen vieze turk. Ik ben een vieze Nederlander en mijn ouders zijn vieze Marokkanen! Maar dank je wel hoor. Ik ga jou nog eens helpen!” Met grote passen lopen ze weg. Ze kijkt de jongens na en vindt zichzelf alleen op het perron.

Ze weet het even niet meer. Schrikken omdat je valt is één ding. Als je dan ook nog schrikt van jezelf is dat genoeg om je van je stuk te brengen. Ze gaat op een bankje zitten en vist een papieren zakdoekje uit haar tas. Ze huilt. Het is huilen van verdriet, kwaadheid en het gevoel van machteloosheid. Ze denkt aan het moment dat de jongenslach veranderde in verdriet, aan haar onbeschofte opmerking, aan haar angst die ze voelde en die ze niet weg kan drukken. Nu heeft ze een hekel aan zichzelf. Ze heeft zich wéér laten leiden door het negatieve. Op momenten dat je het niet kan gebruiken voeren juist die gedachten en gevoelens de boventoon. Elke keer trapt ze er weer in en het maakt haar machte- en moedeloos. Ze staat op en neemt de taxi naar huis.

De vrouw achter de balie van het wekelijkse advertentieblad kijkt zwijgend naar het papiertje voor haar. ‘Gevallen vrouw zoekt vieze turk’  leest ze en schudt zachtjes haar hoofd. “Dit kunnen wij zo niet plaatsen. Als het op moet vallen kunt u geen betere tekst verzinnen maar dan zou ik er geen telefoonnummer bij zetten,” zegt ze tegen de vrouw die voor haar staat, “Wat is hier de bedoeling van?” “Ik ben gisteren uit de trein gevallen en als die Marokkaanse jongen er niet was had ik een lelijke smak gemaakt. In plaats van hem te bedanken heb ik een lelijke opmerking gemaakt en toen is hij boos weggelopen. En nu heb ik bedacht dat ik hem met een advertentie misschien kan vinden om hem alsnog bedanken en zeggen dat ik er spijt van heb.” “Maar er staat ‘vieze turk’?” “Dat komt door mij,” zegt ze zachtjes, “Ik heb hem uitgescholden voor ‘vieze turk’ maar hij is een Nederlander met Marokkaanse ouders.” De vrouw achter de balie kijkt haar een tijdje peinzend aan. Het hele verhaal is te opmerkelijk om er niets mee te doen en de journalist in haar ontwaakt. “Hebt u even tijd?” vraagt ze, “Ik heb een idee.”

Samen zitten ze aan het bureau en samen maken ze een ‘goed nieuws artikel’. Het voorval wordt omschreven en de Marokkaanse jongens worden ‘attente en behulpzame medereizigers die een vrouwelijke passagier voor een lelijke val hebben behoedt’. Ze worden verzocht zich bij het weekblad te melden zodat ze alsnog bedankt kunnen worden voor hun optreden. Als ze het artikel nog een keer doorlezen rijst de vraag of er niet in moet staan dat het Marokkaanse jongens waren. Ze worden het er over eens dat het moet. “Iedereen gaat er natuurlijk van uit dat het Nederlanders waren en het feit dat het Marokkanen geweest zijn maakt het bijzonder,” zegt de mevrouw van het weekblad. “Maar het zijn Nederlanders,” “Ja, maar dan moet je gaan omschrijven hoe dat precies zit met die mensen en dat wordt voor de lezers lastig of te moeilijk.” De vrouw van de trein slaat met de vlakke hand op de tafel. “Ja,“ zegt ze, “en dát is nu precies waar ik vanaf gisteren over aan het nadenken ben. Je hebt het over ‘die mensen’. De spijker op z’n kop! We hebben een wij/zij wereld gemaakt zonder dat we elkaar echt kennen. ‘Wij’ zijn de westerlingen en ‘zij’ zijn de zogenaamde buitenlanders uit Marokko, Turkije, Tunesië, Somalië of Egypte. ‘Wij’ zijn hun liever kwijt dan rijk en dat laten we ze weten ook. Die jongen van gisteren is hier opgegroeid en naar school geweest. Heeft waarschijnlijk een vak geleerd of gestudeerd. En dat in een maatschappij die in alles laat weten hem niet te accepteren. Als hij een baan zoekt wordt zijn brief niet gelezen omdat hij Hassan of Mustafa heet. Wanneer hij bij een juwelier naar binnen loopt om een ring voor zijn meisje te kopen wordt nog net niet op de alarmknop gedrukt. Vrouwen in de trein verstoppen hun tas. Verdient hij geld dan zal hij er wel niet eerlijk aangekomen zijn. Wat doet dat met deze jongens? Logisch dat ze steun bij elkaar zoeken, dat ze weinig respect hebben voor mensen die behoren bij een maatschappij waarin jij niet wordt vertrouwt en die jouw godsdienst, waarin je misschien kracht en steun vindt, als achterlijk of als een ideologie bestempeld?

Waar zelfs toegestaan wordt dat in de politiek met veel meer dan neerbuigende taal over jouw volk wordt gesproken. Het gaat er niet meer om of ‘wij’ er mee begonnen zijn of dat ‘zij’ de oorzaak zijn. Die ‘de kip of het ei’ discussie moeten we achter ons laten. Het is fout zoals het nu gaat.” Weer slaat ze met haar hand op de tafel: “Het is heel erg fout!”

Met een blos op haar wangen kijkt ze de mevrouw van de krant strijdbaar aan. Die waagt het niet om kanttekeningen te maken bij dit, in haar ogen, iets te simpele betoog. Ze voelt zich ongemakkelijk en afwerend omdat de ander non-verbaal zo overduidelijk steun vraagt. Hier houdt ze niet van en ook het fanatisme stuit haar tegen de borst. Een nieuwe klant bij de balie redt haar. Met een: “Ik laat je het stukje lezen voordat het geplaatst wordt,” helpt ze haar de zaak uit.

Ze zou graag de telefoon op willen nemen en de mevrouw van de krant horen zeggen: “Ik heb nagedacht en je hebt gelijk. Het is helemaal fout zoals het nu is.” Helaas, de telefoon is al een lange week stil. Er stond geen stukje in de krant en ergens in haar stad lopen twee jongens waar zij een beetje haat in heeft gezaaid.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.members.chello.nl / tivat.travel / http://www.nl.muslimvillage.com / http://www.veiling.catawiki.nl

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Vierkante flesjes

“Ans! Marjan! Er is koffie!” roept Theo naar boven en loopt met het dienblad de zo goed als lege woonkamer in. Hij zet het blad op de campingtafel en klapt drie stoeltjes uit. Eén stoeltje geeft een schrille piep en het geluid weerkaatst in de holle ruimte.

Als Ans binnenkomt, slaat ze haar armen om Theo heen en geeft hem een zoen. “Hoe gaat het boven?” vraagt hij. “Goed! Het bed is uit elkaar en staat in de voorste slaapkamer bij de rest wat naar de kringloop kan. Ik weet alleen nog niet wat ik met het toilettafeltje moet.” “Gebruik je het?” vraagt Theo. Ans aarzelt. “Eigenlijk niet…. ach, laat ik het ook maar wegdoen.”

Marjan schiet in de lach. “Goed bezig mam, weer een verstopplekje minder.” Theo kijkt haar vragend aan en Marjan verduidelijkt: “Mam gebruikte de toilettafel nooit zodat pappa daar, zonder kans op ontdekking, een fles jenever verstopt had. Ja, je wilt niet weten waar we allemaal drank hebben gevonden toen we eenmaal zijn gaan zoeken.” Ans neemt kleine slokjes van de koffie en glimlacht. “Is jou niets opgevallen aan dat bureautje wat we gisteren hebben weggebracht?” vraagt ze aan Theo. Als hij zegt zich niets bijzonders te herinneren zegt Ans: “Hij had de onderste lade ingekort zodat daar een fles achter kon liggen. Je kan van hem zeggen wat je wilt maar hij was slim en handig.”

“Ik ga mijn kleren uitzoeken,” zegt Ans terwijl ze haar koffiemok neer zet, “Weet je zeker dat we die kledingkast niet nodig hebben?” vraagt ze aan Theo. “Mijn lief, je weet toch dat er bij mij kastruimte genoeg is? Er is meer ruimte over dan de ruimte die jij nu hebt. Zet die kast ook maar bij het kringloopspul” Ans knikt en ze kijkt naar Marjan. “Wat ga jij doen?” “Ik ga de zolder op. Daar staan nog een paar dingen en ik zal even kijken wat er weg kan en wat mee moet.”

Ze trekt de trap naar beneden en kruipt de lage zolder op. Op haar knieën schuifelt ze naar een paar dozen die in de hoek staan. Naast de dozen ligt een matrasje van een kinderbed. Ze ploft op het matrasje en trekt de eerste doos naar haar toe. Kerstspullen. Een zilverwitte slinger, een kerstmannetje met een touwtje door zijn muts, een bos draad met kleine lampjes, een zware transformator en een handvol dennenappels. Dat kan dus weg.

De volgende doos. Spelletjes zo te zien. ‘Mens erger je niet’ ligt bovenop. Daaronder een oud Monopolyspel en daar onder een klein doosje met Pim Pam Pet. Daarnaast twee vierkante flesjes met jonge jenever. Eén volle en de ander half leeg. Een koude rilling trekt door haar lijf en ze vergeet even adem te halen. Dan zucht ze diep en staart naar die twee flesjes. Ze voelt haar ogen vochtig worden. Ze wil haar gedachten nu niet laten gaan. Het is er niet het moment voor maar ze kan even niet anders. Nu iets zinnigs doen lukt ook niet. Ze kan zich niet herinneren dat haar vader regelmatig naar de zolder ging. Heeft hij met zijn benevelde kop misschien die flesjes daar verstopt toen de kerstspullen opgeruimd moesten worden en is hij ze daarna vergeten?

Elke keer als ze aan haar vader denkt, deelt ze hem op in een vader vóór en een vader ná. De vader vóór was de leuke vader. De spelletjesvader, de ik-hou-van-jou-vader, de verhaaltjesvader, de gekke-dingen-doen-vader. De vader ná was de boze, de slapende, de ontslagen, de ruziënde, de scheldende, de slaande, de dronken, de niet of laat thuiskomende vader. Jaren van schaamte, van manipuleren, kleineren, verdriet, hoop en wanhoop gingen voorbij tot haar moeder tot het besluit kwam dat het zo niet verder kon. Ze ging bij hem weg en samen trokken ze bij oma in. Hem alleen laten was het beste voor haar en voor hem. Ze was niet langer zijn aanleiding of zijn excuus. Een zieke alleen laten druist tegen alles in maar juist omdat zij van hem hield, moest ze dit doen. Liefde is soms moeilijk en doet weleens wonderlijke dingen met mensen.

Het wonder gebeurde. Hij ging in therapie en overwon zichzelf. “Hij moet zich maar bewijzen,” had Ans gezegd en bleef nog een jaar bij oma wonen. Hij bewees zichzelf en toen zij terugkwamen was het huis van boven tot onder, binnen en buiten nieuw in de verf gezet. Een goede tijd brak aan. Jammer dat het zo kort duurde. De kanker was van het agressieve soort en met twee maanden was hij dood.

“Mijn man was alcoholist en toen hij er van af was ging hij dood aan de kanker. Ik ben dus weduwe” Dat waren de eerste woorden die zij tegen Theo sprak toen deze van een bovenmatige belangstelling in haar liet blijken. Hij verblikte of verbloosde niet. De geduldige, begrijpende, zachtaardige en lieve Theo. Hij slaagde cum laude voor alle testen die Ans op hem losliet en gaandeweg durfde zij zich gelukkig te voelen. Ze kon zich weer overgeven aan een man die haar op de eerste plaats stelde, niet rookte en niet dronk. Het kleine zetje dat zij haar moeder gaf om bij Theo in te trekken was eigenlijk niet nodig geweest. En nu moet het huis leeg en zit zij hier met die twee flesjes uit een verdrietig verleden..

Ze doet het kleine dakraampje open en laat de inhoud van de flesjes over de dakpannen stromen. Ze zet ze achter een stapeltje dakpannen die daar liggen omdat je nooit kan weten. “Oké, Marjan,” zegt ze tegen zichzelf, “Dat was dat. Nu is het klaar.” Het matrasje laat ze door het trapgat naar beneden vallen en Ans pakt de dozen aan. “Die spelletjes kunnen naar de kringloop. De rest is rommel en mag weg.” “Is het nu leeg?” vraagt Ans. “Ja,” zegt ze, “De bovenkamer is leeg.”

 

 

© peter gortworst / nov. 2014

foto’s: http://www.gentblogt.be / http://www.hooisma.nl

….als je dit verhaal de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Besluiteloos

Nog niet zo heel lang geleden had ik een gedachtewisseling met een bekende over het gedrag van dieren. De vraag was of dieren, bij alles wat ze doen, een doel hebben. Zijn ze altijd bezig met overleven en voortplanten of doen ze ook zo maar iets omdat ze er gewoon zin in hebben? En zou dat gedrag dan ingegeven worden door instinct of kunnen ze er echt over nadenken.

We kwamen op deze vraag door een houtduif die op een lantaarnpaal zat. Hij zat al een tijdje stil om zich heen te kijken toen hij plotseling een rondje door de straat vloog en weer op dezelfde paal ging zitten. Dit herhaalde zich verschillende malen maar de gevlogen rondjes waren niet hetzelfde. Het was geen baltsvlucht en er waren ook geen andere houtduiven die hij misschien moest verjagen.  Ogenschijnlijk vloog hij ‘zomaar’ een rondje. Waarom doet hij dit? Gewoon omdat hij er zin in heeft of is het een instinct wat zegt dat hij dit moet doen?

Ik weet dat je op moet passen met het invullen van menselijk gedrag bij dieren maar wat wij m.i met dieren gemeen hebben is ‘resultaatgedrag’. Wij vertonen en onderhouden vaak gedrag omdat het ons iets oplevert. Een hond gaat doodliggen of geeft een poot omdat iets lekkers of aandacht de beloning is. Bij ons kan het een goed gevoel zijn of een schouderklopje maar ook macht of aanzien. Wie een documentaire bekijkt over een wolvenfamilie leert veel over wolven maar ook over zichzelf.

We kwamen er niet uit. Want wat als je andere menselijke zaken gaat noemen zoals irritatie, pesten, neerslachtigheid of opgewektheid? Een enkele keer kan je misschien zeggen dat je het weet getuige de volgende anekdote over een fazantenhaan:

 

Het is nog vroeg en ik rij met een plezierige snelheid door een mooi stukje Drenthe. Ik ben net een stil dorpje gepasseerd en de weg voert nu door stukjes bos en langs heidevelden. Plukken nevel hangen laag over het land en de zon is een grote oranje bol aan de oostelijke hemel. Het zal niet lang duren en dan heeft zij kracht genoeg om deze ochtendnevel op te lossen. Het wordt vast een mooie dag.

De optocht komt van rechts. Vanuit een paar struiken lopen twee fazantenhennen achter elkaar de weg over. Een mooie haan loopt daar achter. Hij wordt gevolgd door nog twee hennen. Ze vullen precies mijn weghelft. Ik trap op de rem, weet dat ik nooit op tijd voor deze optocht kan stoppen en sla met mijn hand op de claxon. De eerste twee hennen schieten naar links, de laatste twee naar rechts en ik zie de haan twijfelen. Welke kant gaat hij op? Wie van de dames moet hij volgen? Hij kijkt om, kijkt vooruit en blijft besluiteloos midden op de weg staan. Een doffe klap en een wolk van veren. In mijn spiegel zie ik hem over de weg rollen en midden op de rijbaan tot stilstand komen.

Voorzichtig stuur ik de berm in en stap uit. Ik loop terug om de haan van de weg te halen. Hij is echt wel dood. Uit de snavel komt wat bloed en de ogen zijn half dicht. Ik leg hem een stuk van de weg af op een open stukje heide. Een smakelijk en gemakkelijk hapje voor een eventuele vos of buizerd.

Van de hennen geen spoor. In één wrede klap vier weduwen. Besluiteloosheid kan dus ook dodelijk zijn.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.standaard.be / http://www.tremele.nl

….als je dit verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Mollen

“Deze is heel effectief,” zegt de winkeljongen en houdt een kokerachtig, draadstalen voorwerp omhoog. Hij zit op zijn knieën en voor hem ligt een assortiment mollenklemmen. De dame, gekleed in een outfit die uitsluitend verkrijgbaar is bij een zeer select aantal zaken die ‘het buitenlevengevoel’ met exorbitante kleding en dito prijzen verheerlijken, bekijkt aandachtig het metalen kunststukje. “Hoe werkt dat dan?” “Nou, je zet de klem op scherp en dan graaf je de molshoop een beetje af en steek je de val in de gang die omhoog komt. Als de mol dan nieuwe grond naar boven duwt vangt deze val hem.” Ze kijkt zwijgend naar de val in de hand van de jongen en wiebelt een beetje heen en weer op haar exclusieve laarzen. “En is de mol dan ….  uh, dood?” Ze durfde het bijna niet te vragen maar eigenlijk weet ze het antwoord wel. “Als het goed is wel,” antwoord de jongen monter, “en anders moet hij nog even een tik krijgen.”

Ze moet er niet aan denken. Zo’n beestje wat nog leeft en dan nog doodgemaakt moet worden. Olaf, haar man, doet zoiets zeker niet dus het zal wel weer op haar bordje terecht komen. “Er zijn toch ook van die elektronische dingen die de mollen gewoon verjagen?” Voordat de jongen op de grond kan antwoorden klinkt er een harde stem achter haar die zegt: “Moet je niet nemen. Die werken niet. Als ze al wat doen gaan die beesten een stukje verop zitten en als je een grote tuin hebt krijg je alleen maar meer hopen.” Ze draait zich om en bekijkt de man van de stem. Zonder twijfel een agrariër. Blauwe overall, echte klompen en een oud legerpetje op een hoofd dat is getekend door een lang en echt ‘buitenleven’. Op zijn winkelkar liggen vier grote zakken kippenvoer. Dit is iemand uit de praktijk. Dit is iemand met verstand van zaken die haar vast wel kan helpen.

“U heeft er ervaring mee, hoor ik. Welke kan ik het beste nemen?” De man parkeert zijn kar midden in het pad en bukt zich over de verzameling. Dan pakt hij er twee op en na een korte blik op beide laat hij een glimmend zwart gelakt exemplaar weer vallen. Met een rood hoofd komt hij weer overeind. “Deze moet je hebben. Kijk, je knijpt deze handels naar elkaar toe, laat dit pennetje er tussen door komen en haakt dat achter dit lipje. Dan zoek je de gang van de mol, zet de klem in de gang en dek het af met oude bladeren of gras. Elke dag twee keer kijken of de klem uit elkaar staat en als dat zo is heb je hem.” Als demonstratie spant hij de klem en als hij voorzichtig tussen de scharen het lipje indrukt, klapt de klem dicht. “Zo gaat dat.” Bijna trots houdt hij de klem omhoog. Ze is onder de indruk. “Is de mol dan meteen dood?” wil ze weten. “Tja, als ik ze vind zijn ze dood. Als je lijf zo in elkaar gedrukt wordt leef je niet lang meer maar of ze nou meteen dood zijn…… “ Hij staart een tijdje zorgelijk naar de klem.

Heeft zij hem nu aan het denken gezet over het humaan doden van dieren? De buitenmensen hier gaan heel anders met dieren om dan zij gewend is. Hier zijn boerderijhonden die nooit in huis komen, katten die geen eten krijgen omdat ze muizen moeten vangen en kippen die in de pan verdwijnen als ze te weinig eieren leggen. Ze heeft het er wel eens met Olaf over gehad. Volgens hem zijn dieren hier gebruiksvoorwerpen. Ze moeten doen waarvoor ze zijn aangeschaft en als ze het niet meer doen moet je ze vervangen. Hier houden ze geen beesten om te vertroetelen. Een band opbouwen met een dier zoals wij dat kennen is hier niet gebruikelijk. Ze kan dat niet begrijpen. Het is een denkwereld die zo ver van haar wereld verwijderd is dat een beetje inleven al een onmogelijk opgave blijkt. En is deze man nu onbedoeld door haar op andere gedachten aan het komen?

Net als ze met enige trots vast wil stellen dat haar normen vruchtbare grond vinden klaart het gezicht van de agrariër op. “Het kan sneller! Kijk hier! Deze randen van de klem moet je onder een hoek slijpen en als de mol er dan tussen komt wordt hij in tweeën geknipt. Nou, sneller krijg je een beest niet dood!” Ze kan een gevoel van walging amper onderdrukken. Een dood dier in een klem uit de grond trekken is geen prettig idee. Een verminkt lijkje in de koele aarde zien liggen is nog minder. Het is alsof de agrariër haar gedachten kan lezen: “Als ze doorgeknipt zijn laat je hem gewoon liggen. Gang dichtscheppen en klaar is Kees!” Triomfantelijk kijkt hij om zich heen. Dat hij er niet eerder opgekomen was! Een idee uit duizenden! “Nou dame, succes ermee. De goede raad is gratis!” Trots als een pauw loopt hij met zijn kar naar de kassa. Zo voelt verbijstering dus, denkt ze.

De winkeljongen zit nog steeds op zijn knieën. In zijn hand heeft hij de allerbeste mollenklem die er bestaat. “Als u het wilt, slijpen wij die hoek er wel even voor u aan, mevrouw.” “Nee, laat maar. Ik wil iets hebben wat de mol alleen maar vangt. Ze hoeven van mij niet dood.” De jongen kijkt haar even aan en komt dan overeind. “Ik snap het.” Dan buigt zich naar haar toe en bijna fluisterend zegt hij: “Ik mag het van mijn baas niet zeggen maar mijn vader is precies zo. Die wil ook geen dieren dood maken. Die koopt bij de supermarkt van die harde blokjes voor in de wc-pot. Hij hakt ze in kleine stukken en in elke molshoop laat hij een paar van die stukjes vallen. Mollen houden niet van die lucht en verdwijnen dan naar een andere plek. Is dat een idee?” “Als dat echt werkt is het een geweldig idee! Dank je wel!”

Buiten loopt de agrariër. Hij heeft net de kar teruggezet en ziet haar uit de winkel komen. “Mevrouw!” roept hij, “Nog één vraagje! Wat krijg je als je een mol kruist met een olifant?” Voordat ze iets heeft kunnen zeggen loopt hij met zijn armen wijduit van haar weg en roept ondertussen: “Zulke gaten in de tuin!” Zijn bulderende lach rolt over het parkeerterrein en of ze wil of niet, ze lacht met hem mee als een echte agrariër met kiespijn.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.countrylifestyle.nl / http://www.onlineveilingmeester.nl / http://www.tuinadvies.nl / http://www.piepvandaag.nl

…als je het verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar vanuit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , | 6 reacties

V

We zijn druk bezig met ons verplichte uurtje rust. Wim, die naast de praatzieke Irma ligt, doet alsof hij slaapt. Omdat de stroom van nutteloze wetenswaardigheden betreffende bekende Nederlanders mijn kant op kan komen, vermijd ik daarom ook elk oogcontact. Cas die bij het raam ligt, concentreert zich op de beursberichten in het NRC. Hij is onze opa. Zonder twijfel de oudste van alle patiënten op onze zaal.

Het heeft even geduurd voordat we hem durfden tutoyeren. Het is een ontzettend nette man waar je onbewust beleefd tegen doet. Hij heeft waarschijnlijk een mooi houten bureau op een assurantie- of verzekeringskantoor waar hij, door plichtsbesef, ijver en accuratesse, een zeer gewaardeerde medewerker is.  Hij zal zelden gebruik maken van zijn rekenmachine omdat het sneller met hoofdrekenen kan. Nooit zal hij genoegen nemen met een offerte waarop een globaal bedrag genoemd wordt omdat hij gewend is om zaken tot op de cent nauwkeurig te berekenen.

Het is zo’n lieve opa die zijn kleinkinderen leert schaken en liever verhaaltjes voorleest dan wilde spelletjes doet. Hij zal van zijn kleinkinderen willen weten wat ze op school leren en heeft niets met computergames of voetbalplaatjes.

Het is een monter, klein en mager mannetje met een vriendelijk, open gezicht. Hij doet ook vriendelijk. Is behulpzaam en meelevend maar heeft helaas de verkeerde vrouw getrouwd. Dat merkten wij toen Cas, hangend tussen twee verpleegsters, naar zijn bed werd gebracht. Zijn vrouw volgde met een koffertje. Ze had een norse uitdrukking op haar gezicht en keurde ons geen blik waardig. Zij trok zelf de gele gordijnen om het bed dicht. We keken elkaar aan en we wisten genoeg: voor die moet je oppassen!

Het klinkt misschien een beetje paradoxaal maar Cas geniet van zijn ziekenhuisopname.

Bij het intakegesprek had de zuster gevraagd naar zijn eetgewoonten. Toen Cas hoorde dat er ook havermoutpap als ontbijt was, veerde Cas op. Zijn vrouw vindt dat een slecht ontbijt en sinds zijn trouwen heeft hij dat niet meer gehad. Nu lepelt hij elke morgen zijn dubbele portie havermoutpap naar binnen waarna hij zich gelukzalig op zijn rug draait. De man geniet.

Slagroomsoesjes. Wie er mee begonnen is weten we niet meer. Feit is dat er elke dag slagroomsoesjes zijn en iedereen op zaal is daaraan verslaafd. Partners in crime zijn de bezoekers. Met een wonderbaarlijke vanzelfsprekendheid worden de doosjes in de koelkast gelegd en wel in zulke hoeveelheden dat, zonder angst voor een tekort, ook de zusters en die twee broeders mogen delen uit de voorraad. Alleen de vrouw van Cas doet niet mee. Die neemt plastic bakjes met fruit mee. Voor Cas natuurlijk. De soesjes worden door haar zo misprijzend bekeken dat we soms bang zijn dat de room ter plekke zuur geworden is.

Toen Cas  op een gegeven moment meende dat het zijn beurt was om toch minstens één dosis soesjes te doneren belde hij zijn vrouw. Hij stelde de vraag en keek toen stom en verbaasd in de hoorn. Wij begrepen dat van die kant niet aan onze behoeften zou worden voldaan. We hadden medelijden met Cas en door een paar extra soesjes te voeren probeerden we dat tot uitdrukking te brengen. Hij begreep het en kon onze goede daad wel waarderen. Het lukte hem wel om die avond twintig euro van zijn vrouw af te troggelen. Hij moest toch, tijdens zijn therapeutische wandelingen, iets van een kopje koffie of een rolletje pepermunt kunnen kopen in de ziekenhuiswinkel? De volgende dag hadden we bij de thee een kroket. Geen idee hoe hij deze vorstelijke uitgave aan pepermunt zou verklaren naar zijn vrouw. Zelf scheen hij er niet mee te zitten.

Eigenlijk is dat helemaal niet nodig geweest. Na ieder bezoek van zijn vrouw gaan de bakjes met verse ananas, sinaasappel, kiwi of appel de zaal rond. Het aandeel van Cas in ons welbevinden is groot genoeg.

Zoals al geschreven: Cas geniet van zijn opname. Hij was het ziekenhuis ingegaan met het idee dat het een tijd van kommer en kwel zou worden. Voor een deel is dat natuurlijk ook zo. Je ligt er niet voor een paar zweetvoeten en een ziekenthuis zal het nooit worden. Maar het plezier dat je op een zaal met elkaar kan hebben, zeker na een geslaagde operatie, is nieuw voor hem.

Wij weten dat de zuster die ’s avonds laat met de medicijnenkar haar ronde maakt, ook een paar glaasjes met jonge jenever bij zich heeft. Er zijn nu eenmaal patiënten die niet kunnen slapen voordat ze hun borreltje hebben gehad. In ruil voor een paar soesje lukt het om drie glaasjes te bemachtigen. Eén voor Wim, één voor mij en één voor Cas die even ligt te slapen. Zodra de zuster weg is maakten we Cas wakker en geven hem zijn glaasje. Ik denk niet dat zijn vrouw ooit deze gelukzalige glimlach op zijn gezicht heeft gezien. Half liggend in bed en  met de ogen dicht, neemt hij kleine nipjes. Hij vertelt dat het lang geleden is dat hij dit heeft gedronken. Aan het effect dat dit ene, inmiddels lege glaasje geeft, kunnen wij dat ook wel vermoeden. Hij is giechelend aan het praten geslagen. Overmoedig deelt hij ons mee dat, zodra hij thuis is, er een fles jonge jenever komt. Het zwaarste dat hij mag drinken is een glaasje rode port maar vanaf nu wordt dat helemaal anders. En hij zal zelf wel zijn havermoutpap gaan koken. Hij is oud en wijs genoeg om zelf te beslissen wat goed voor hem is en waar hij van wil genieten. Daar heeft hij zijn vrouw niet voor nodig. Wat denkt ze wel! In de wetenschap dat morgen alles weer ontnuchterend normaal zal zijn, geven we hem helemaal gelijk en zijn het zelfs hartgrondig met hem eens.

De dokter is langs geweest. Cas heeft te horen gekregen dat hij morgen naar huis mag. Hij ligt op zijn bed en staart naar het plafond. Na enige tijd zucht hij diep en belt dan zijn vrouw. We horen dat hij afspreekt hoe laat ze hem komt halen. Na dit korte gesprek gaat hij weer liggen. Net als we denken dat hij in slaap is gevallen, komt hij overeind. In zichzelf mompelend loopt hij naar zijn kast. Hij doet zijn pyjamajasje uit en trek een overhemd aan. Hij moet zijn adem inhouden om de knoopjes rond zijn buik dicht te krijgen. We zijn bang dat de knoopjes als rijpe zaden wegschieten zodra hij de adem weer loslaat. Zo ver laat Cas het niet komen en trekt het overhemd weer uit. De pyjamabroek gaat uit en met zijn witte spillebenen stapt Cas in zijn nette broek. De rits vormt een perfecte ‘V’ maar de kans dat deze ooit sluit is nihil. Het is bijna symbolisch. Cas heeft de ‘V’ van vrijheid bereikt maar zal deze weer kwijtraken zodra hij thuis is. Hij heeft als een ontsnapte teckel geroken aan de vrijheid, is achter lekkere geuren, konijnen en opdwarrelende bladeren gegaan maar zal weer terug moeten naar de status van brave schoothond. De ‘V’ van vrijheid is blijkbaar ook de ‘V’ van verloren en zal nog heel lang de ‘V’ van verlangen zijn.

Cas pakt de telefoon en belt zijn vrouw. “Je moet even bij de buurman langs en een overhemd en broek van hem lenen. Ik pas alleen mijn sokken nog,” laat hij weten.

Met een overhemd waarvan de manchetten over zijn handen schuiven en een te grote slobberbroek neemt Cas de volgende dag afscheid. Zijn vrouw staat ongeduldig bij de deur te wachten. Cas neemt zijn tijd. Iedereen krijgt een hand, wordt bedankt en waar nodig heeft hij ook nog een paar mooie woorden. Bij de deur zwaait hij nog even. Zijn vrouw knikt glimlachend naar ons. Een glimlach voor ons? Dju, daar zijn we wel even stil van.

 

©peter gortworst

foto’s: http://www.bakedlouies.com / http://www.about-tea.de / http://www.dachshundklub.de

….als je het verhaaltje de moeite van het delen waard vindt, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Sanne

“Siem! Siem!” roept zijn vrouw van boven.
“Ja, ik ben er al!” roept hij terug en komt uit zijn hoekplaatsje van de bank.
Terwijl hij de trap op loopt vraagt ze:
“Breng jij Sanne verder naar bed? Ze is al gewassen en heeft haar pyjama aan. Tanden poetsen moet nog wel.”

Hun jongste dochter, een nakomertje, staat naast haar moeder boven aan de trap en roept: “Pappa doen!”
Hij grijnst naar haar en zegt:
“Kom maar, we doen het wel samen.”
Hij neemt haar mee naar de wastafel op haar kamer, pakt de tandenborstel, maakt hem nat en doet er een beetje tandpasta op.

Hij draait zich naar haar toe en zegt:
“Doe maar open.”
Sanne kijkt echter de andere kant op en zegt zeer beslist: “Niet Pappa doen! Sanne doen!”
Hij wacht even maar ze lijkt niet van gedachten te veranderen.
“Goed, Sanne doen,” en geeft haar de tandenborstel.
Ze steekt hem in haar mond, beweegt de borstel even heen en weer en begint er dan op te kauwen. En dikke druppel wit vocht loopt over haar kin naar beneden. Voor het op haar pyjama kan vallen heeft hij het met de handdoek opgevangen.
“Moet Pappa verder helpen?” vraagt hij.
Ze zegt niets maar houdt haar hoofd, met de borstel in haar mond, een beetje omhoog als teken dat het wel mag. Hij poetst zorgvuldig het gebit en geeft haar de plastic beker met spoelwater. Ze laat een grote slok in haar mond lopen en zet dan de beker naast de wasbak. Hij is net te laat. Met een klap landt de beker op de grond en hij voelt zijn rechter sok nat worden. Terwijl hij zich bukt om de beker op te rapen sproeit zij met kracht de grote slok naar buiten en hij weet dat de spiegel het doelwit is.
“Sanne stout” zegt ze en kijkt met voldoening naar de spiegel waarop witte straaltjes naar beneden lopen.
“Sanne klein beetje stout” zegt hij en doet een vergeefse poging de spiegel met de handdoek schoon te maken.
“Geeft niet. Kom maar, Sanne gaat slapen.”

Hij pakt haar hand en brengt haar naar bed.
“Knuf ook!” zegt Sanne en pakt het knuffelkonijn van de stoel.
Ze kruipt onder het dekbed, legt Knuf tegen de zijkant van haar hals en knikt haar hoofd daar overheen.

“Gaan we een liedje zingen of moet pappa een verhaaltje vertellen?”
Ze denkt even na en zegt:
“Manenschijn!”
Ze zingen samen het liedje met alle bijbehorende gebaren. Daarna is de grote paddenstoel met witte stippen aan de beurt en tot slot vier coupletten van de poppenkraam.

Hij buigt zich over haar heen en legt zijn wang tegen de hare. Hij ruikt de geur van shampoo. Gewoontegetrouw zoent hij haar op beide wangen, voorhoofd en het puntje van haar neus.
“Welterusten lieve Sanne.”
Ze kijkt hem nadenkend aan en zegt zachtjes:
“Mamma huilen”
Hij weet het en zegt:
“Mamma is een beetje verdrietig. Sanne gaat nu slapen en pappa gaat mamma helpen. Is dat goed?”
“Ja, Sanne slapen” zegt ze en het klinkt tevreden.

Hij staat op en loopt naar de deur. Voor hij het licht uitdraait kijkt hij nog even naar zijn dochter: een beginnende puber met het verstand van een driejarige. Haar laatste nacht thuis.

© Peter Gortworst 

afbeeldingen: http://www.pixabay.com / http://www.koopkeus.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , | 8 reacties

Kinderogen

Het einde van het jaar nadert. Velen zoeken de gezelligheid en de sfeer in het centrum van de stad. Om in de juiste stemming te komen is consumeren van bratwurst en glühwein en het slenteren langs de kraampjes met kilo’s zoetigheid, noten en zoute pretzels, schijnbaar het beste medicijn.

Het is zo druk dat zelfs het, bij weinig mensen bekende parkeerterrein achter de kerk, vol staat. Op zoek naar een andere parkeerplek kom ik langs het verzorgingshuis waar mijn oude buurvrouw woont. In een vlaag van goede wil en mooie gedachten besluit ik haar een bezoek te brengen. De ervaring heeft mij geleerd dat bewoners van dit soort instellingen regelmatig intern verhuizen en ik meld mij daarom bij de receptie. Daar word ik verwezen naar de gesloten afdeling. Dit belooft niet veel goeds.

Ze is tot in de wijde omgeving bekend. Wanneer men vraagt waar je woont, zijn de woorden “Het huis naast Johanna Berendzen” genoeg. Dankzij een zeer arbeidzaam leven kent ze en wordt ze gekend door veel mensen. Ze is al 84 als ik haar buurman wordt. Ze staat altijd vroeg op en is druk met haar immense tuin, haar huis, de kerk, het bezoeken en rijden van vriendinnen met haar auto en het in de gaten houden van alle mensen in de straat. Als ik, uit overwegingen van privacy, drie meter schutting tussen mijn en haar erf zet zijn de klachten die de verschillende buren over mij te horen krijgen, niet van de lucht. Ze kan niets meer zien.

Het is een vrouw met eigenaardigheden. Daar zijn inderdaad aardige bij maar ook een paar mindere. Discussies gaat ze niet aan. Takken van een boom die over haar tuin groeien, moeten weg evenals een klimop die haar garagedeur belaagd. Hulp bij kleine technische gebreken in en om het huis wordt als vanzelfsprekend ervaren. De mol die het waagt haar gazon te ondergraven komt natuurlijk uit mijn tuin en ik heb er maar voor te zorgen dat het opgelost wordt. Onkruid wat aan de rand van haar tuin groeit, komt ook bij mij vandaan en het uitgetrokken groen gooit ze zonder schaamte over het hekje. Katten worden met alles wat voorhanden is bekogeld en elke hondendrol op straat komt uit mijn hond. Dat het beest uit pure aangeboren discretie gewoon is om alleen maar in de dekking van struiken zijn behoefte te doen, is baarlijke onzin en wordt dus niet geloofd. Ik maak mij hier niet al te druk om. Een rug met tefalbekleding doet wonderen.

Soms spreekt ze over haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen. Heel af en toe komen die ook bij haar op bezoek. Groot is de schrik als ze vertelt dat haar schoonzoon aan een hartfalen is overleden en groot de verbazing over de manier waarop ze het meedeelt: emotieloos, koud bijna. Dat is een klein jaar later iets anders. Haar dochter, alleen thuis, is onwel geworden. Ze valt door de ruit van een tussendeur en bloedt letterlijk leeg. Ze staat heel even te huilen.

Natúúrlijk was dat maar heel even. In haar lange leven heeft ze al zoveel gehuild. Haar dochter was van een man die niemand kende. Niemand, behalve Johanna en haar ouders, heeft ooit geweten wie de vader van haar dochter was. Johanna’s vader had beslist dat het kind niet in zijn huis kwam. Hij was een vooraanstaand man met tal van maarschappelijke en kerkelijke functies. In die jaren en in dit land van orde en netheid was dat onbestaanbaar. En wat moest Johanna? Ze had geen geld en waar moest ze heen als jonge ongehuwde moeder? Het kind werd bij een pleeggezin ondergebracht en sporadisch kon en mocht Johanna haar dochter zien. Johanna is gaan werken. Veel en hard. Talloos moeten de avonden en nachten zijn geweest waarin ze alleen met zichzelf was. Onnoembaar het aantal tranen die gevloeid moeten zijn. Ze is altijd alleen gebleven. In weerwil van alles trots, sterk en onverzettelijk maar de relatie met haar dochter was altijd moeizaam.

Als bij een krachtmens de ontreddering, de zwakheid en hulpeloosheid dat iets als dementie met zich meedraagt, toeslaat, is dat fysiek zichtbaar. De statige, trotse, sterke Johanna is verschrompeld tot een zielig hoopje mens in een rolstoel. Voorovergebogen, haar kin op de borst en met haar handen in haar schoot, zit ze in een hoekje van de recreatiezaal. Ik pak een stoel en ga schuin tegenover haar zitten. Dan leg ik mijn hand op haar schouder. “Dag Johanna”, zeg ik. Ze schrikt een beetje en kijkt voor het eerst op. Ik kijk in de oude ogen van een kind.

Ik noem mijn naam maar ze herkent mij niet. Bijna plichtmatig grijnst ze even en zakt dan weer met haar hoofd naar beneden. Ik probeer contact met haar te krijgen maar dat lukt niet. Blijven heeft geen zin. Ik ga staan, aai even over haar kromme rug en hoop dat ze geestelijk terug is naar de tijd dat alles nog goed was. De tijd van geliefd zijn, zorgeloosheid, zonneschijn en speelsheid. De tijd van dromen over een mooie toekomst en een wereld die aan je voeten ligt. “Dag meisje”, zeg ik maar ze reageert niet.

 

© peter gortworst / jan. 2015

foto’s: http://www.ticketspy.nl / http://www.godschrift.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 9 reacties

Ekster en de domheid -2-

Er zijn een aantal jaren voorbij gegaan in het bos. Ekster is niet meer gezien en dus zijn de leefomstandigheden niet zoals ze eens waren. Opvallend hoe snel men went aan goede tijden en hoe slecht men aarden kan als het eens iets minder gaat. Dat heeft slechts zijdelings iets van doen met de komst van de Alpenkraaien. Natuurlijk, er was wel wat gewenning nodig van beide kanten maar toegegeven, het is ze gelukt om in goede harmonie naast elkaar te wonen. Niet met elkaar. Dat is nog te veel gevraagd voor de meesten. Toen er eens een jonge blom van de Bonte Kraaien het aanlegde met zo’n roodgesnavelde Alpenkraai spraken de meesten er schande van. Hoewel de Bonte Kraaien het met hun partnerkeuze niet zo nauw nemen, ging zelfs hun dit te ver. Het zijn toch buitenlanders met een heel andere cultuur. Toen bleek dat de kuikens van dit vreemde stel roze snavels hadden die notabene fier rechtop stonden en er een opvallend verwijfd bont kraagje in de nek zat, was het bos te klein en in een donkere nacht is het gezinnetje met onbestemde bestemming vertrokken. Er wordt gefluisterd dat ze in een ver land bij Paradijsvogel zijn ingetrokken maar niemand die dat zeker weet.

Vlaamse Gaai had er natuurlijk zijn mening over klaar maar zijn volgelingen zijn niet meer zo talrijk. Helaas is het aantal omgekeerd evenredig aan het fanatisme. Menigeen stoort zich zo langzamerhand aan hem maar wat moet je? Hij is er nu eenmaal en er valt met hem en zijn kornuiten best te leven als je hun geringe aantal in gedachten houdt. Bovendien kom je met negeren en doen alsof ze er niet toe doen, een heel eind.

Nee, het gaat gewoon iets minder in het bos omdat iedereen het gevoel heeft te moeten overleven. Er is te veel dreiging van buiten, steeds meer familieleden voelen zich niet meer veilig, er vinden opvallend vaak lelijke ongelukken plaats en, niet geheel onbelangrijk voor vogels in het algemeen, lijkt het wel steeds vaker en steeds harder te waaien. Vlaamse Gaai meent dat het komt doordat ze met teveel zijn. Hij wijst zijn toehoorders er op dat ze zelf de wind maken door even met zijn vleugels te wapperen. Een paar losse blaadje dwarrelden op en alsof ze het nog nooit zelf hebben ontdekt joelen zijn toehoorders bij het zien van deze natuurkundige logica. “Hier in ons eigen bos ging dat nog. Maar sinds die Alpenkraaien er zijn is het alleen maar erger geworden. We zijn hier al met te veel en die stormen betekenen dat er in landen, hier niet zo heel ver vandaan, miljoenen zijn die ook fladderen en daarmee ons de stormen leveren. Wat denken jullie als al die fladderaars hier naar toe komen? Er blijft geen boom overeind staan!”, betoogt hij. Menigeen vindt dat onzin maar ja, er zit ook wel iets in en je weet niet zeker of er toch niet iets van waar kan zijn.

Wat node gemist wordt is visie. Niemand weet wat er met de samenleving van deze familie Kraai moet gebeuren. Niet op korte termijn en al helemaal niet op lange termijn. De zorgen van alledag kosten zoveel energie dat het nadenken over een langetermijnvisie wel twee bruggen te ver is. Eén van de oude Roeken, die de tijd nog heeft meegemaakt dat het bos in opbouw was, is met Raaf gaan praten. Die heeft net zijn Eksternest verkocht.

Hij had het nest van Ekster gekregen maar het is hem te bewerkelijk. Het dak boven zijn nest is vervallen en omdat hij geen ervaring met daken boven nesten heeft was hij blij het te kunnen verkopen aan een gezinnetje van de Alpenkraaien. Die kunnen het makkelijk betalen. Zij verdienen goed met het verkopen van lekkere hapjes uit zuidelijke streken. Zij slijten hun waren op plaatsen waar men zich verpoost. Het is even wennen voor de traditionele eters maar zoals zo vaak neemt de jeugd het voortouw en nu hoort het lekkers er helemaal bij. Het is zelfs zo gewoon geworden dat een avondje stappen niet af is zonder een zuidelijk hapje halen bij de Alpenkraai.

Roek en Raaf spreken lang en vaak met elkaar. Uiteraard in het geheim want de takken hebben oren. Soms, als het echt lastig en moeilijk wordt, komt Ekster er bij zitten en samen ontwikkelen ze een langetermijnvisie. Het moet een duidelijk verhaal worden. Het moet aanwijsbaar voordeel hebben voor iedereen. Niemand mag er op achteruit gaan maar al pratend en nadenkend komen ze tot de conclusie dat niet alleen de visie een lange termijn kent maar dat ook de voordelen pas na lange tijd zichtbaar zullen worden. Ze ontkomen niet aan de woorden ‘zuur’ en ‘zoet’. Alles hangt af van de presentatie. Hoe kan je de anderen overtuigen van jouw visie. Wat zeg je wel, wat zeg je niet en welke woorden kies je en niet geheel onbelangrijk, wie gaat dat doen? Ekster ziet het niet zitten. Hij blijft liever uit het zicht maar wil wel, wanneer nodig, zijn raad geven. Door zijn connecties met de mensenwereld is hij daar uitermate geschikt voor. Raaf kan het niet. Zijn positie moet onafhankelijkheid blijven uitstralen dus beiden kijken naar Roek. Die grapt dat ze van nature al de broek aanhebben en als ze uitgelachen zijn komt hij op de proppen met een jonge neef. Welbespraakt, vrijgezel en een innemende persoonlijkheid met een aanstekelijke lach die in deze sombere tijden goed van pas kan komen. Nog even komt de vraag op tafel of ze Vlaamse Gaai vooraf zullen vertellen wat de plannen zijn maar na ampel beraad vinden ze dat niet nodig.

De vergadering wordt matig bezocht. Het lijkt wel of men er niet meer zo in gelooft. De aankondiging was wervend genoeg maar ook hier eisen de dagelijkse zorgen hun tol. “Ze doen maar. Ze hebben toch geen oog meer voor de gewone Kraai”, hoor je vaak zeggen. Vlaamse Gaai met zijn kornuiten de Kauwtjes zijn er natuurlijk wel. Demonstratief zijn zij helemaal rechts, daar waar de distelstruiken beginnen, gaan zitten. Zo kunnen ze alles goed overzien en zitten ze niet onopgemerkt tussen al die anderen. Een beetje apartheid kan geen kwaad toch?

Raaf heet iedereen hartelijk welkom op deze belangrijke vergadering en geeft graag het woord aan Neef Roek. De Kauwtjes en Vlaamse Gaai kijken elkaar aan. Wat moet Neef Roek daar? Wie denkt hij wel dat hij is? En net als Vlaamse Gaai het hoogste woord wil gaan voeren over deze nepvergadering landt er een vreemde vogel precies op het kleine stukje gras tussen Vlaamse Gaai en Neef Roek. Zwaar hijgend blijft de vreemde vogel doodstil zitten. Een paar Kauwtjes gaan beschermend om Vlaamse Gaai zitten en niet zonder reden. Die vreemde vogel is gemaskerd. Hij is grijs en wit met hier en daar wat zwart maar dat masker en die donkere ogen maken hem verdacht. Wie is dit? Waar komt hij zo plotseling vandaan en waarom is hij hier? Twee Zwarte Kraaien lopen voorzichtig naar deze vreemdeling toe. Die opent zijn ogen en glimlacht even voorzichtig. “We hebben het gehaald,” zegt hij dan nauwelijks hoorbaar. De Zwarte Kraaien kijken elkaar verbaasd aan en vragen dan: “Wie hebben wat gehaald?” maar voordat de vreemdeling kan antwoorden valt het antwoord al letterlijk uit de lucht. Een grote zwerm van diezelfde vreemdelingen landt op het grasveldje en in de omliggende bomen. Allemaal grijswit, allemaal gemaskerd en allemaal uitgeput. “Het bos! Het bos is gehaald. We moesten vluchten”, zegt de vreemdeling tegen de Zwarte Kraaien, “ons land staat in brand en daar is niets meer. Geen bomen, geen eten, niets! Alles is weg! Maar sta mij toe mij even voor te stellen. Ik ben Klapekster, aangenaam kennis met u te maken.”

Raaf en Neef Roek kijken elkaar aan. Een half woord is hier genoeg. Dit zijn geen boeven. Dit zijn stakkers die verzorgd moeten worden en wel snel. De vergadering kan wel wachten en met een zelden vertoonde kordaatheid worden bed, bad en brood geregeld. Alleen Vlaamse Gaai onttrekt zich aan het ledigen van de nood. Hij heeft zich met zijn kornuiten teruggetrokken en beraadt zich.

 

©peter gortworst / nov 2015

foto’s: http://www.pbase.com / http://www.ilovenoord.nl / http://www.natuurinbeeld.net / http://www.vogelsindekempen.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb….

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Spreeuwen en een jan van gent

Camperduin,  zaterdag 7 oktober 1970, 5.00 uur.

Vogeltrekweekend van de CJN.

Robert heeft ons wakker gemaakt. Aan de balken van het dak branden twee armzalige peertjes. Ik kijk om mij heen. Mijn medevogelaars verrijzen uit het stro. Slapen in een slaapzak op het losse stro is verrassend comfortabel als je een potdichte stofneus voor lief neemt. We wassen ons met koud water. Een gewone boerenschuur is niet van veel gemakken voorzien. Ik ga aan de lange eettafel zitten. Het duurt even voordat iedereen er is. Monter aan het ontbijt zitten na een hele gezellige avond en korte nacht is niet voor iedereen weggelegd.

Henk zit naast mij. Hij komt uit Alkmaar en we kennen elkaar al een aantal jaren. Ik zou het prettig vinden als wij samen op één post kwamen te zitten. Hij weet jaloersmakend veel van vogels af en met hem op excursie gaan is een feest. Bij het kleinste toontje weet hij welk vogeltje daar zit en veel van mijn kennis heb ik aan hem te danken. “Het is wel koud maar de wind is gunstig en het is droog”, vertelt hij mij, “Als dat straks ook zo is, kan het een mooie teldag worden.”

De kookploeg komt met de gamel. Havermoutpap, heet en nauwelijks vloeibaar. Het blijft als de Mount Everest in mijn mestin liggen. Een beter ontbijt bestaat er niet.

De leiding vertelt hoe de verdeling is. Eén post komt halverwege de Hondsbossche zeewering, één bij de basaltbergen aan het begin van de dijk en één post op het hoge duin. We worden verdeelt en gelukkig zit ik met Henk, Robert, Dick en Ans bij de basaltbergen. Om half zeven gaat de telling beginnen en de mensen die halverwege de dijk zitten stappen al op de fiets. Wij wachten nog even omdat het maar een klein stukje lopen is.

De post bij de basaltbergen is een gewilde post. De blokken basalt die daar liggen worden gebruikt om de dijk te herstellen. De hoeveelheid blokken scheelt nog wel eens. Soms ligt er bijna niets maar nu liggen ze daar huizenhoog en je bent even bezig als je er omheen wilt lopen. Wanneer de wind, zoals vandaag, vanuit zee komt weet je zeker dat de trekvogels aan de binnenkant van de dijk vliegen en kan je dus ook aan de luwzijde van de berg blokken gaan zitten om te tellen.

 

We gaan op weg. Camperduin is geen badplaats van internationale allure en in het enige hotel is alles donker. Bij de basaltbergen aangekomen begint het wachten. Het is koud en met onze handen in de zakken kijken we naar het oosten. Daar wordt het langzaam licht. Vanuit het binnendijkse land horen we het te-piet te-piet te-piet van een paar scholeksters. Verder hoor je alleen de branding ruisen. Om half zeven schrijft Dick de tijd in zijn boekje. Na vijf minuten doet hij dat weer en na weer vijf minuten opnieuw. Er is nog geen vogel voorbij gekomen. Een paar minuten voor zeven komt er een groepje kramsvogels voorbij. Kort daarna twee kauwtjes en een houtduif. Dan weer niets. Een groep spreeuwen vliegt langs en we tellen er 75. Ze zijn nog niet uit het zicht verdwenen of daar komt de volgende groep spreeuwen. Een langgerekte sliert die we schatten op 300 vogels. Het houdt niet op. De ene grote groep volgt na de andere. Als het zo doorgaat komen we in de duizenden en we besluiten dat Ans en Robert alleen maar de spreeuwen gaan tellen. Henk en ik neem alle andere soorten voor onze rekening. Dick schrijft zijn vingers nog blauwer dan ze door de kou al zijn. Robert en Ans geven ongelooflijke aantallen door terwijl wij slechts af en toe iets roepen van: “Graspieper tien, Kneu vijf, nog twintig gras, drie roeken”

“Ik moet even,” zegt Henk en hij verdwijnt naar de andere kant van de berg. Het tellen gaat door en als Henk terug komt kijkt hij naar de vele voorbij trekkende spreeuwen. “Hou maar op”, zegt hij dan, “De hele spreeuwentelling kan in de prullenbak.” Verbazing en onbegrip. Hoezo de telling in de prullenbak? “Simpel, ik sta daar en terwijl ik bezig ben kijk ik wat om mij heen en zie ik achter mij spreeuwen naar het noorden vliegen. Let maar op, hele groepen vliegen een rondje, of misschien wel meerdere rondjes, om deze bergen heen!” “En die tellen we dan twee of meer keren,” steunt Ans. “Maar waarom doen ze dat?” vraagt Robert zich af. We weten het niet maar als wij niet zo lekker in de luwte waren gaan zitten, hadden we het kunnen zien.

“Wat nu?” vraagt Dick. We besluiten geen spreeuwen meer te tellen en ons alleen te richten op de overige soorten. Langzamerhand krijgen we het koud. Ans is gaan schrijven omdat Dick geen streepje meer op papier krijgt. Met een waterige neus en zijn handen diep in de zakken staat hij over het binnendijkse land te staren. We zijn teleurgesteld door de foute telling en bijzaken als een koude wind, worden dan hoofdzaken. We tellen tot de afgesproken tijd en gaan dan naar de boerderij.

Het duurt even voor wij er de humor van inzien. Goed, de telling is naar de filistijnen, het vroege opstaan was voor niets maar het verhaal is mooi. Een groot wetenschappelijk belang zit er niet aan vast dus kunnen we er uiteindelijk wel om lachen. De warme chocolademelk doet ons goed en de bijzondere waarnemingen worden gedeeld. Eén van de mensen die halverwege de dijk zaten, heeft af toe over zee gekeken en ontdekte dat daar behoorlijk wat activiteit was. Het plan wordt geboren om na het eten voor de liefhebbers zeetrek te gaan bekijken.

We liggen met zijn zessen op onze buik tegen de dijk. De verrekijker voor de ogen en de ellebogen op de grond. Het is inderdaad behoorlijk druk. Er vliegen veel zwarte zee-eenden voorbij en we weten dat we ze niet eens allemaal zien. Als ze in een golfdal vliegen zijn ze voorbij voordat dat je er erg in hebt. Bergeenden, wintertalingen en toppereenden vliegen wat hoger en zijn makkelijker te bekijken. “Jan van gent,” hoor ik Henk zeggen en bijna op hetzelfde moment komt deze vogel bij mij in beeld. Nog nooit heb ik deze in het wild gezien en met groot genoegen zie ik dat het plaatje klopt. Een grote, licht gekleurde vogel met duidelijk zichtbare, donkere vleugeltoppen. Hij vliegt net boven de horizon en je ziet hem gebruik maken van de wind. Ik kijk hem na tot hij in de verte verdwenen is en voel mij gelukkig en bevoorrecht. Henk ligt naast mij door zijn kijker te turen en uit pure verrukking geef ik een stomp tegen zijn schouder. Hij grijnst naar mij en zegt: “Mooi hé?”

We blijven tot het te donker is om nog iets te zien. Pas als we op de fiets stappen voel ik hoe koud het is. In de boerderij begin ik te klappertanden en zelfs een bord warme macaroni met ham en kaas helpt niet. Ik ga in mijn slaapzak bij de kachel zitten en langzamerhand kom ik weer op temperatuur. Het zou best kunnen dat ik morgen flink verkouden ben maar nu kan mij dat even niets schelen. Die spreeuwen en die jan van gent….. Mooi hé!?

 

© peter gortworst / dec 2014

foto’s: http://www.groensalland.nl / http://www.aorta.nu / http://www.dutchbirding.nl

…als je het de moeite waard vindt om dit verhaaltje te delen, ga er dan maar van uit dat ik daar geen moeite mee heb…

 

 

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , | 1 reactie