Pink en Spaans bloed

Ze kan die andere meiden niet uitstaan. Een stel stomme wichten waar je geen enkel plezier mee kan beleven. In volkomen nutteloosheid brengen zij hun dagen door en als ze wel wat doen is dat van een onmetelijke domheid. Wat is het nut om naar iemand toe te rennen als deze voorbij loopt om vervolgens met wezenloze blik te gaan staren? Of helemaal uit je dak gaan als er eens iets lekkers wordt geserveerd? Dan zijn ze er als de kippen bij maar verder? Verder doen ze niets. Ze begrijpt ook niet waarom zij bij deze vier domme koeien moet blijven. Zij is anders. Zij onderzoekt elk hoekje en elke vierkante centimeter van hun verblijf, is bijna altijd druk en ongedurig en wil zo graag meer. Veel meer maar ze heeft nog geen idee van wat. Er zit onrust in haar bloed maar het zou net zo goed nog een beetje Spaans bloed kunnen zijn. Het zou haar niets verbazen. Ze vindt het heerlijk om haar lijf af te matten met hardlopen, springen en sprintjes trekken. Ze geniet er van om haar hart in haar keel te voelen bonzen en buiten adem te geraken. O, ze weet best dat het alleen maar naar haar kijken als zij aan het hardlopen is, haar lotgenoten buitengewoon vermoeid maar ze kan er niet mee zitten. Ze leeft, voor zover dat toegestaan is, haar eigen leven en dat wordt alleen maar beter als haar plannetje voor vanavond lukt.

Als het bijna donker is, staat ze op en loopt langzaam bij de anderen vandaan. Eén van hen kijkt op maar zegt of doet niets. Steeds verder loopt ze weg tot ze zeker weet dat de anderen haar niet meer kunnen zien. Het hek wordt dichtgehouden met een simpel stuk touw en als ze met steeds meer kracht tegen het hek duwt, knapt het. De weg naar de vrijheid ligt open.

 

Hij heeft al ontdekt dat het geen verschil maakt. Of je nu hondsmoe je bed in kruipt, vroeg of juist heel laat, met een slaapmutsje of een glas warme melk. De rare dromen blijven komen. Gelukkig niet elke nacht maar vaak genoeg om er toch eens goed over na te gaan denken. Het zijn dromen waar hij lichamelijk bij betrokken is. De hond die hij niet uit het kolkende water kon trekken en hem een zo machteloos gevoel gaf dat hij in tranen uitbarstte leverde hem echte tranen op. Jankend zat hij rechtop in zijn bed en het duurde even voordat hij zich realiseerde dat het een droom was. Nooit gelezen boeken of mooie teksten die hij in zijn dromen leest terwijl hij heel goed weet dat hij droomt. Gecompliceerde verhalen waarin hij van alles herkent en een mix van gebeurtenissen en plaatsen uit een ver of recent verleden. Meestal wordt hij wakker omdat hij zelf weet dat hij droomt maar het gebeurt ook wel dat hij er in blijft hangen. De droom gaat door terwijl hij meent echt wakker te zijn. Als het hem lukt om zijn bed uit te stappen en een glas ijskoud water te drinken, is de droom meestal weg. Het gekke is dat hij ’s morgens zijn best moet doen om de droom terug te halen en als hij dat niet doet is de droom gewoon vergeten.

De twee Jannen zijn er maar ook Cor en Harry. Oud collega’s die het blijkbaar goed kunnen vinden met Ronald, Ellie en Gert. Dat zijn nieuwe collega’s en hij vraagt zich af hoe en waarvan ze elkaar dan kennen. Hij wil zich onder hen begeven maar plotseling komt Siem uit het fietsenschuurtje met twee glazen bier. ‘Siem!!’ roepen de anderen maar hoe kennen ze nu zijn broer? Siem roept dat er nog veel meer bier is en iedereen rent naar het schuurtje. In de ruimte waar met moeite één fiets geparkeerd kan worden, staat op een werkbank een enorm vat met bier. Iedereen verdringt zich om dat vat en als hij om zich heen kijkt herkent hij de ruimte. Het is de werkplaats met de eeuwig smerige ramen, het hoge donkerhouten plafond, de gammele houten kasten en de overjarige machines. Hij meent zelfs de geur van metaal, petroleum, lasdampen en kogellagervet te ruiken. In zijn hoekje staat de oude Jaap de Goede aan zijn sigaar te trekken. Hij is al lang dood maar toch leuk om hem hier weer even te zien.

Gert komt vragen of er wel vlees is voor de barbecue. Een rare vraag want hij weet helemaal niet dat er een barbecue komt. Als hij naar buiten loopt staat er op de groenstrook van de gemeente een halve oliedrum, omgebouwd tot barbecue, te roken. Gert zegt dat hij wel even voor wat vlees gaat zorgen. Met een ‘verser dan dit krijgen we het niet’ loopt hij even later zijn tuin in. Aan een touw trekt hij een jonge koe mee. ‘Ga af!’ zegt hij tegen de koe en het beest gaat op zijn gazon liggen. ‘Als jij nu even je vleesmes pakt gaan we hem slachten’ zegt Gert.

 

Zodra ze door het hek is zet ze het op een rennen. Waarheen ze gaat weet ze niet maar ze is vrij. Ze rent over het fietspad, soms neemt ze de berm en een enkele keer de weg waar ook auto’s rijden. Felle koplampen beschijnen haar en toeterend halen ze haar in. Dan springt ze weer in de berm en in de roes van vrijheid ziet ze niets of niemand. Daar waar de huizen beginnen gaat ze langzamer lopen. Een man die zijn hond uitlaat springt, met zijn armen wijd, voor haar op de weg. Ze ontkomt door een zijstraat in te rennen. Ze wil blijven rennen maar het gaat niet meer. Het kaarsje is uit. Ze is moe en zoekt een plekje om te rusten. Via wat steegjes vind ze wat ze zoekt. Ze gaat liggen en gewoontegetrouw geeuwt ze één keer hardop. Straks, als het licht wordt gaat ze verder. Nu wil ze alleen maar rust.

In de keukenlade ligt zijn vleesmes. Een formidabel vlijmscherp mes wat hij nog even langs het wetijzer haalt. Het zal zo scherp moeten zijn dat hij in één keer de halsslagader doorsnijdt. Kan hij dit wel? Wil hij dit wel? In gedachten ziet hij de koe tegenspartelen met een mislukte doorgesneden keel. Hij heeft dit nog nooit gedaan en hoe meer hij denkt aan de opengesneden keel, al het bloed dat er uit zal stromen over zijn handen en kleren en de stervende koeienogen die hem verwijtend aan zullen kijken hoe groter zijn afkeer wordt. Het warme, zoete bloed zal in de grond trekken en altijd zal hij die weeë lucht ruiken. Toch loopt hij met het mes naar buiten. Terwijl Gert lachend de kop naar achteren trekt loeit de koe één keer. Dan is het genoeg. Hij voelt zich Spaans benauwd worden, laat het mes uit zijn handen vallen en vlucht kokhalzend zijn huis in.

Weer zit hij rechtop in zijn bed. Hij is werkelijk misselijk. Doodstil blijft hij even zitten en luistert of hij stemmen en feestgedruis hoort maar alles is rustig. Wanneer hij opstaat om water te gaan drinken schuift hij even het gordijn opzij om in de tuin te kijken. In het eerste ochtendgloren ziet hij de koe op het gras liggen en zo te zien leeft ze nog. Goddank. Gedroomd maar wat een akelige droom. Niet meer aan denken.

Het koude water doet zijn werk. Droomloos valt hij weer in slaap.

 

De eerste keer deurbel mist hij. Bij de tweede keer wordt hij wakker, schiet in zijn ochtendjas en haast zich naar de voordeur. Op de stoep staan twee agenten.

‘Er staat een koe in uw achtertuin. Is die van u?’

Ah! Gelukkig weet hij het antwoord:

‘Nee, daar kwam Gert mee aan. Geen idee waar hij dat beest vandaan heeft gehaald. Maar hij leeft nog hoor.’

Dan begint er iets te dagen en met grote vissenogen kijkt hij de agenten aan.

‘Er staat echt een koe in mijn tuin?’ vraagt hij zachtjes.

‘Mm mm’ knikken de agenten.

‘Een pink,’ zegt de ene nog.

Hij sluit zijn ogen en is even heel stil in een poging de chaos in zijn hoofd iets te ordenen. Het lukt voor geen meter

‘Dit ga je niet geloven’ stamelt hij dan langzaam.

‘Nou,’ zegt één van de agenten, ‘ik zou zeggen, probeer het eens.’

 

©peter gortworst / sept 2016

foto’s: http://www.gelderlander.nl / http://www.horecasupply.nl / http://www.dutchcows.com

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Ds. Lindeboomschool

Kort geleden kreeg ik van een vriendin uit Zaandam een oude foto opgestuurd. Op die foto staat de Lindeboomschool. Ik heb daar 1 jaar les gehad en het enige wat ik mij nog voor de geest kan halen is een boze Zwarte Piet die, bonkend op de ramen van de gymzaal, een lichte vorm van paniek veroorzaakte bij de onschuldige eerste klassertjes. Het was (de school bestaat niet meer) een opvallend gebouw. Niet alleen door het uiterlijk maar ook doordat het twee met elkaar verbonden scholen waren. Het ene deel was de christelijke school en het andere de openbare. De gymzaal werd door beide scholen gebruikt. De school is vernoemd naar ds. Lucas Lindeboom en toen ik de foto zag, herinnerde ik mij een verhaal over die dominee.

Om het één en ander te verifiëren heb ik mij een beetje verdiept in de geschiedenis van deze dominee en de gereformeerde kerk van Zaandam. Dat gaf veel stof tot lezen en nadenken. In een als socialistisch / communistisch bekend staande streek komt deze kerkelijke geschiedenis wat bevreemdend over. Naast de ‘rooien’ waren er blijkbaar genoeg Zaankanters die een christelijke levensstijl hadden en verantwoordelijk waren voor hun aandeel in het wel en wee van de kerken.  Hun kerkelijke geschiedenis is een aaneenschakeling van kerken bouwen en afstoten, opkomst en ondergang van diverse kerkgenootschappen, zich tegen elkaar afzettende meningen, geldzorgen, gaande en komende predikanten en zelfs naar America verhuizende gemeenteleden. Als je dit wilt nalezen:

http://gereformeerdekerken.info/2016/06/29/geschiedenis-van-de-gereformeerde-kerk-te-zaandam/

Het duizelt je soms van de namen die aan de verschillende stromingen of genootschappen werden gegeven en je moet je zeker niet afvragen waarom mensen uit een kerk stapten en hun eigen kerk begonnen. Zonder een beetje bekend te zijn met de ‘tale Kanaäns’ kom je daar niet uit.

Ds. Lucas Lindeboom werd op 17 januari 1845 geboren in Frankhuis, een buurtschap onder de rook van Zwolle. Na zijn studie in Zwolle en Kampen wordt hij in 1866 benoemd tot predikant in ’s Hertogenbosch. Het blijkt een nijver manneke die de kerkelijke gemeente daar geen windeieren legt. Het ledental groeit zodanig dat er een nieuw en groter kerkgebouw moet komen. Als hij in 1873 beroepen wordt in Zaandam gaat hij onverdroten voort. Het is een vurig evangelist die er niet voor terugdeinst om debat-avonden te houden met tegenstanders van het evangelie zoals de socialist en voormalig dominee Domela Nieuwenhuys. Hij richtte een landelijke zondagsschoolvereniging op, publiceerde veel en trok ten strijde tegen de zondagsarbeid. Door zijn optreden mocht de kermis pas na kerktijd beginnen met als gevolg dat er koeken te koop waren met een opschrift in bespoten suiker: ‘O foei, wat een sinecure, de kermis begint pas om 7 ure’.

De kerk in Zaandam profiteert optimaal van deze man. Van heinde en verre komt men naar hem luisteren en men ziet in dat er een groter kerkgebouw dient te komen. Als na een brand er enkele (houten) huizen aan de spoorstraat (nu stationsstraat) verdwenen zijn ziet men de kans schoon. De grond wordt aangekocht en na vele fondswervingen, donaties, giften en zelfs een met recht, vorstelijke gift van koninklijke bloede, wordt de kerk gebouwd. Op 16 februari 1875 wordt deze in gebruik genomen. In 2005 is de kerk buiten gebruik gesteld.

Wie zich een beetje verdiept in sagen en legenden komt de wonderlijkste dingen tegen. Eén aspect wat je in een aantal verhalen tegenkomt betreft het geloof. Daar zijn oude verhalen bij zoals die van de onverwoestbare hostie die in Amsterdam nog steeds de aanleiding is voor de stille omgang maar ook moderne. Zo is er het verhaal van de onbeschadigde bijbel die gevonden werd in de puin en asresten van het Pentagon nadat daar een vliegtuig op neerstortte. Weliswaar bleek na onderzoek dat het niet om een bijbel maar om een  woordenboek te gaan maar de rechtgeaarde christen heeft daar geen boodschap aan. Het is opvallend dat juist de bevindelijke gelovigen zo vatbaar zijn voor dit soort verhalen. Het zoeken naar een waarom zou dit artikel te lang maken maar als je het zelf wilt lezen:

http://www.statenbijbelmuseum.nl/site/media/De%20vuurvaste%20bijbel.pdf

Het verhaal wat ik toen hoorde is het volgende:

Toen dominee Lindeboom na een debatavond alleen naar huis liep werd hij opgewacht door twee socialisten. Zij hadden zich in de struiken verstopt en wilden die dominee met een pak rammel wel eens een lesje leren. Op het moment van de aanval bleek de dominee echter in het gezelschap te zijn van twee heren. Omdat ze het daar niet van zouden kunnen winnen is dat hele pak rammel niet doorgegaan. Toen de dominee dat later hoorde vertelde hij dat alleen hij daar gelopen had en van twee heren naast hem wist hij niets.

Dit noemt men een ‘engelenwacht’. De twee extra personen zijn engelen die op dat moment het potentiële slachtoffer beschermen.  Het verhaal staat niet op zichzelf. Er zijn meer predikanten aan wie dit verhaal kleeft en ook over vrouwen die dit soort bescherming genoten hebben, doen verhalen de ronde. Of ze op waarheid berusten? Geen idee. Voor wie er waarde aan hecht en bevestiging in zoekt misschien wel. Voor wie er niets mee heeft is het waarschijnlijk onzin.

 

Naar mijn mening, voor zover deze er toe doet, is het niet verwonderlijk dat in de Zaanstreek een dergelijk verhaal kon ontstaan. Ik neem aan dat, ondanks het feit dat de gelovigen in Zaandam tot een minderheid behoorden, hun invloed op het dagelijkse leven groot was. Dat niet iedereen daar even gelukkig mee was is evident. De onderlinge sfeer tussen de beminde gelovigen en de ‘rooien’ zal niet altijd even gemakkelijk zijn geweest en misschien dat daarin een grond ligt voor het ontstaan van zo’n verhaal.

Goh, wat een oude foto van een schoolgebouw waar openbaar en christelijk onderwijs gegeven werd al niet los kan maken……

 

©peter gortworst / sept. 2016

 

 

 

 

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Alles is kapot

De deur van de lege wachtkamer wordt voor hem geopend. “U kunt hier wachten tot u wordt opgeroepen,” zegt de man die met hem meegelopen is vanuit de portiersloge. Het is kwart voor. Over een kwartier is hij aan de beurt. Langzaam loopt hij naar een stoel bij het raam. Als hij wil gaan zitten gaat de deur weer open en komt zijn advocaat binnen.

Samen met Greet, zijn vrouw, heeft hij een sigarenwinkel. Een kleine winkel maar wel in een drukke winkelstraat. Naast rookwaren verkopen ze ook tijdschriften, wenskaarten en natuurlijk snoep. Het is de enige winkel waar kinderen nog voor enkele centen snoep kunnen kopen. Vroeger toen hij klein was kon dat ook bij de sigarenboer. Hij weet nog precies hoe moeilijk en spannend het was om te kiezen wat  je voor een paar centen zou kopen. Je kon kiezen uit een suikerspek, of een blok druivensuiker, een trekdrop of een soldaatje. Lastige keuzes als je alles lekker vindt. Dit plezier wil hij de kinderen van deze tijd niet ontnemen en daarom kan het bij hem in de winkel ook. Tot zijn genoegen heeft hij gemerkt dat de kinderen van nu, daarin niets verschillen met die van vroeger.

Het is geen vetpot. Hij is voor 40 % afgekeurd maar op deze manier maken ze nog wat van hun leven. Ze kennen elke klant, nemen de tijd voor een praatje en als je even geen geld hebt komt dat later wel. Ze kunnen er samen van leven en meer hebben ze niet nodig. Tot zijn pensioen zingen ze het wel uit. Hij zou ook loten kunnen verkopen en zo meer verdienen maar dat willen ze niet. “Wij willen geen hijgerige geldwolven in onze winkel. Ze kopen een lot en zijn weer weg. Dat zijn geen mensen voor een praatje,” hebben ze al verschillende keren tegen de vaste klanten gezegd die wel tijd hebben.

Het was een doodgewone donderdagmiddag. Hij ging met een paar brieven naar de post en Greet paste op de winkel. Toen hij terug kwam stonden er een paar mensen voor de winkel die naar binnen keken. “De politie is al onderweg,” zei een man, “het is gelukkig goed afgelopen.” Hij begreep het niet. Binnen trof hij Greet aan die gebogen over de toonbank stond. Ze was lijkbleek en met haar handen kneep zij zo hard in de rand van het blad dat ook de vingertoppen wit waren. Ze keek naar hem maar hij had niet de indruk dat ze hem zag. Hij wist niet hoe hij die blik moest omschrijven tot de therapeut later zei dat het wel eens pure doodsangst geweest zou kunnen zijn.

Twee, ogenschijnlijk normale jongens hadden een pistool onder haar neus geduwd en om geld gevraagd. Toen zij iets te lang aarzelde had hij vlak over haar hoofd heen, een schot gelost. De ander had ondertussen de geldlade gepakt en zonder iets te zeggen waren ze weggelopen.

Greet is niet meer wie ze was en het is maar de vraag of het ooit weer goed komt. Een vrolijke en krachtige vrouw is een angstig vogeltje geworden. De therapeut doet zijn best maar de nachtmerries zijn er nog steeds. Soms gaat ze ’s nachts haar bed uit. Dan vindt hij haar terug in de winkel waar ze gebogen over de toonbank staat en weer in de rand knijpt tot haar vingertoppen wit zijn. Overdag durft ze de winkel niet meer in. Er gaat geen dag voorbij waarop ze niet vraagt waarom het haar moest gebeuren en of ze niet beter op had moeten letten. Vragen waar hij geen antwoord op weet. Hij ziet alleen maar een vrouw die qua uiterlijk nog op zijn vroegere Greet lijkt. Ze kan om niets boos worden en zomaar een dag niets anders doen dan voor zich uit staren. Het heeft tijd nodig volgens de therapeut maar vooralsnog trekt deze stomme overval een zware wissel op hun relatie.

Het medeleven van de klanten en de andere winkeliers in de straat doet hem goed. Gisteren kwam de politie hem vertellen dat de twee daders zijn opgepakt. De bakker heeft een mooie taart gebakken en iedereen die in de winkel komt wordt getrakteerd. Greet doet het niet zo veel. “Fijn,” zegt ze en dat is dan ook het enige. Toch begint het leven langzamerhand weer vorm te krijgen. Greet is nog lang niet klaar met de therapie maar er gloort een klein beetje licht aan het einde van de lange tunnel.

De winkelbel gaat en hij loopt vanuit de huiskamer de winkel in. Voor de toonbank staat een man. Deze man was hier gistermiddag ook en stond toen bij de tijdschriften. Hij keek meer om zich heen dan in het tijdschrift wat hij in zijn handen had. Terwijl hij een andere klant hielp dwaalde de man door de winkel. Uiteindelijk kocht hij een pakje sigaretten maar had meer aandacht voor de kassa dan voor het wisselgeld dat hij kreeg. Hij voelde zich niet prettig en nu blijkt waarom. De man trekt een kapitaal keukenmes onder zijn jas vandaan en eist geld. Vanaf dit moment gaat alles bijna vanzelf. In de hoek van de toonbank, niet zichtbaar voor de klanten, staat een honkbalknuppel. In het handvat heeft hij een schroefoogje gedraaid en er een sleuteltje aangehangen. Een knuppel is bij wet verboden maar van een sleutelhanger kunnen ze niets zeggen. Zonder woorden en in één beweging pakt hij de knuppel en met alle kracht, gevoed door al zijn verdriet en kwaadheid, zwaait hij deze in de richting van de overvaller. Deze wil bukken en wordt dus vol geraakt op de zijkant van zijn hoofd. Naast de doffe plof klinkt er een krakend geluid. De schedel verbrijzeld en als de man in elkaar zakt loopt het bloed uit zijn oren, neus en schedel. Hij pakt de telefoon en belt 112. Als hij zijn naam en adres heeft gegeven zegt hij alleen maar: “overval” en gaat dan in de huiskamer aan de tafel zitten.

De agenten treffen een dode man aan voor de toonbank. In de huiskamer de middenstander die stil en zwijgend aan de tafel zit en een hysterisch gillende vrouw die rijp is voor opname.

Hij moet mee naar het bureau. Hij kan en mag niet naar huis. “Wij kunnen uw veiligheid niet garanderen,” wordt hem gezegd, “wraak is onvoorspelbaar.” Greet is opgenomen en thuis is geen thuis meer. In de cel maalt maar één woord door zijn hoofd: moordenaar, moordenaar, moordenaar.

Slachtofferhulp heeft geregeld dat hij snel een flatje kreeg van de woningbouwvereniging. De huur van de winkel is opgezegd en dankzij een gezamenlijke actie van de medewinkeliers en enkele vaste klanten is het huisraad verhuisd en de flat opgeknapt. Uit beleefdheid heeft hij ze bedankt. Ondanks alle goede adviezen en alle gesprekken gaat het hem niet goed. Hij is een gevangene in een vreemde woning. Af en toe bezoekt hij Greet maar die herkend hem niet meer. Elke dag zit ze als een zombie in dezelfde stoel naar buiten te staren. Wat moet hij tegen haar zeggen? Dat alles weer goed komt? Dat het met deze moordenaar goed gaat?

Hij weet zelf niet hoe het verder moet. De toekomst ligt als een onneembare, torenhoge zwarte muur voor hem. Misschien moet hij voor moord de cel in. Hij zou dat niet vreemd vinden. Hij heeft een mens gedood en dat is niet zo maar wat.

De advocaat loopt naar hem toe en geeft een hand. Hij gaat naast hem zitten en haalt een dik pak papieren uit zijn tas. Hij klinkt serieus maar er klinkt ook een ondertoon van optimisme door. “We beroepen ons dus op noodweer en zelfverdediging. De kans is zeer groot dat de rechter….” Waarom zou je luisteren als niets je meer interesseert? Alles is kapot en wat maakt het dan nog uit wanneer je als moordenaar in de gevangenis terecht komt? En als je vrij gesproken wordt wat stelt dan die vrijheid nog voor? Alles is kapot en niets kan hersteld worden.

Hij woont elf hoog. Een wrang geluk.

 

 

©peter gortworst / feb. 2012

foto’s: http://www.dejongenskamer.nl / http://www.mapio.net

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Kunstje

 

Op de stootborden van de lange stenen trap die leidt naar de bibliotheek in Los Angeles staan teksten in vreemde talen. Een paar zijn te herkennen. Chinese tekens pik je er zo uit net als het Hebreeuws, Russisch of Grieks.  Het Spijkerschrift is onmiskenbaar maar er zijn ook talen in tekens die volkomen onbekend zijn. Eén taal sprong in herkenbaarheid, boven alles uit: het notenschrift van de muziek.

Als er één taal universeel is dan is het wel de taal van de muziek. Overal op deze aarde wordt muziek gemaakt. Soms moeilijk in het gehoor liggend omdat we de harmonieën of tooncombinaties niet kennen maar het is muziek. Soms verweven in de taal waarbij je deksels goed op moet passen. Er is bijvoorbeeld een spraak waarbij een bepaalde klank op lage toon ‘varken’ betekent en op hoge toon ‘schoonmoeder’.

Muziek verbindt mensen, geeft troost, energie, vrolijkheid, moedigt aan, verstrooit, imponeert, geeft gevoel weer en geeft gevoel de vrije loop. Een leven zonder muziek kan ik mij niet voorstellen. Natuurlijk is niet alle muziek mijn muziek. Soms begrijp ik het niet of wil ik het niet begrijpen. Het kan mij irriteren en maakt mij onrustig of geeft een opgejaagd gevoel. Dat is niet erg. Er is voor elk wat wils. Gregoriaans, hiphop, blues, pop, klassiek, folk, jazz of hoempapa….. kies je voorkeur en het is er.

Muziek maken moet je leren. De kennis van het notenschrift komt je niet zomaar aanwaaien. Het bespelen van een instrument ook niet. Het bespelen van een viool, gitaar, orgel of drumstel zal je moeten leren. Zelfs het bespelen van een triangel omdat zo’n simpel stukje ijzerdraad meer klanken kan produceren dan je voor mogelijk houdt.

 

Voor mij zijn muzikanten kunstenaars. Daar heb je er meer van. Er zijn kunstenaars in de muziek maar ook in de schilderkunst, in proza of poëzie, in de beeldhouwkunst of architectuur. Je hebt ze in soorten en maten. Er waren enkelen die iedereen kent en die tot grote hoogte reiken zoals Bach, Appel, Mozart, Rembrandt, van Gogh, Berlage, Bomans, Wolkers of Rietveld. Ook nu zijn er kunstenaars die mooie, aansprekende kunst maken. Er zijn ook mindere goden zoals mijn buurman die geen versje foutloos op de piano kan spelen. Toch zijn het kunstenaars die iets moois wilden maken, die hun gevoel laten spreken en soms dwars tegen de stroom inzwemmen om nieuwe dingen te kunnen laten zien of horen. Dingen die wij, (vaak) onwetenden, niet altijd begrijpen of niet mooi vinden en het daarom richting ronde archief sturen. Nee, je hoeft niet alles mooi te vinden maar het minste wat je kan doen is proberen te ontdekken waarom het gemaakt is en soms is het goed om het gevoel meer te laten spreken dan het verstand.

 

De technieken die je moet leren om iets moois te maken kosten geld. Het is niet anders. Niemand kan leven van de wind en als er geen opdrachten zijn voor het maken van een compositie, schilderij, documentaire, film, boek, beeld, foto of gebouw stopt de kunstenaar met zijn kunsten. Dan zijn wij overgeleverd aan kunst die wat oplevert. In elke huiskamer een schilderij van een zigeunerjongetje met een traan op zijn wang. Op elk radiostation muziek die goed verkoopt, overal hetzelfde beeldje van Ikea en elk nieuw pand een voorbeeld van efficiëntie en zuinigheid maar zonder eigen ‘smoel’.

De lijn van de kunst, die begonnen is bij de eerste grottekeningen en via alle grote en kleine namen uit het verleden is gegaan, levert nu mensen op als Mannes Hofsink, Wilma Den Heijer-Phillipson, Harm Homan, John Sheahan, Wilbert Berendsen, Marlen Beek-Visser of Herman van Veen. Allemaal (deeltijd)kunstenaars die ook nu nog iets moois willen maken. Een leven, een wereld zonder kunst in welke vorm dan ook kan niet bestaan. Het zou een treurig leven en een treurige wereld zijn.

Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk dat er desondanks wel een politieke partij kan bestaan die geen enkele cent meer wenst te besteden aan cultuur. Zolang zij nog ziende blind en horende doof zijn vrees ik het ergste. Toch is er hoop middels een klein kunstje: Laat deze rechtse jongens links liggen en de kunstenaars kunnen hun dromen dromen om ons te trakteren op een veelbesproken en dus meningvormende nachtmerrie of een kunststuk van verbijsterende schoonheid.

 

©peter gortworst / aug. 2016

foto: http://www.vrijeschoolliederen.nl

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Pepernoten

 

Toevallig kwam ik deze week,
na een lange werkdag,
door het dorp Schoonebeek.
En ziet wat toeval vermag.

Geen avondeten in de koelkast
en op de route geen afhaaltent.
Maar hier, bij de COOP, hebben ze vast
iets eetbaars en gezonds voor deze vent

Speurend naar melk en kaas,
Brinta, boter, groente en fruit,
speklap en biefstuk van de haas,
kwam ik bij de aanbiedingen uit.

Terwijl velen nog vakantie vieren
er een hittegolf wordt verwacht,
ministers het land nog niet bestieren,
werd ik behoorlijk van mijn stuk gebracht.

Was ik die dag het werken moe?
Het zomers gevoel al naar de kloten?
Hier was ik echter nog lang niet aan toe:
Daar lagen zakken met pepernoten!

Ik stuiterde van verontwaardiging
en nee, ik ben niet gezwicht.
Wel ontstond er, als iets van zelfbevrediging,
een oprisping in de vorm van dit armetierige sinterklaasgedicht.

 

 

 

©peter gortworst / aug !!! 2016

foto: http://www.skyradio.nl

 

 

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Snor

Straatmeubilair in de vorm van bankjes is altijd goed. Zeker in een drukke winkelstraat op een zonnige, warme dag. Mijn ijsje was lekker en nu doe ik mij tegoed aan één van mijn favoriete bezigheden: mensen kijken.

Naast mij ploft een man op het bankje. Ongeschoren, sjofel, afgetrapte schoenen, piekhaar en een grote boodschappentas die hij pontificaal naast zich op het bankje zet.
“Moi,” zegt hij en ik moi terug.
Hij laat de tas los en deze valt scheef richting achterkant van het bankje. Er rolt een leeg bierflesje uit wat onder de rugleuning verdwijnt. Geluid van brekend glas. Hij vloekt zachtjes en terwijl hij achter de bank de scherven opraapt en in de prullenbak gooit moppert hij: “Daar gaan weer vijftien centen.” Als hij weer zit kijkt hij om zich heen en wrijft in zijn handen. Zwarte handen die minstens twee dagen in de soda moeten weken willen ze weer een beetje schoon worden.

“Verdient het flesjes verzamelen een beetje?” vraag ik hem.
Hij kijkt mij verbaasd aan. “Waarom wil jij dat weten?”
“Gewoon, uit belangstelling,” zeg ik hem.
Het antwoord laat even op zich wachten. Hij kijkt handenwrijvend weer rond. “Soms wel. Soms heb ik wel 10 flesjes op een dag en ook wel dat ik zo’n grote fles vind, weet je wel?”
Met zijn handen geeft hij een onwaarschijnlijk formaat fles aan.
“Maar mijn zus mag dat niet weten hoor!” zegt hij plotseling angstig.
“O, ik ken jouw zus niet dus ik kan ook niks verklappen.”
Pas als hij vraagt of ik hier, in deze stad woon, kan ik hem gerust stellen.
“Ik woon in Duitsland, net over de grens.”
Hij grijnst een paar bruine tanden bloot en zegt dan: “Mofrika!”

“Woon je bij je zus?” vraag ik hem.
Hij knikt, wacht even en zegt dan besmuikt:
“Da’s een kwaaie hoor maar ik kan niet anders hé? Ik kan niet alleen wonen dus het moet wel bij haar. Eigenlijk wil ze mij niet omdat ze een man zoekt die bij haar wil wonen.”

“En zij weet niets van jouw statiegeldflesjes? Wat doe je eigenlijk met dat geld?” “Sparen!” zegt hij spontaan. “En als ik weer genoeg heb, koop ik krasloten en als ik dan win, koop ik een boot en ga daar op wonen. En varen natuurlijk.”
“Heb je wel eens wat gewonnen?”
“Ja, maar dat was niet genoeg. Heb toen allemaal loten gekocht en daar was weer niks bij. Had ik nog niks. Heb jij een vrouw?”
“Nee.”
Handen wrijvend kijkt hij weer om zich heen. Twee keer probeert hij iets te zeggen en de derde keer lukt het.
“Zal ik je aan mijn zuster voorstellen?”
Voorzichtig laat ik hem weten dat mij dat geen goed idee lijkt. Ik sta op en neem met wat vriendelijke woorden afscheid van hem. Behendig ontwijk ik een handdruk en in een laatste poging mij te koppelen zegt hij:
“Mijn zuster is een knap ding hoor. Ze lijkt op mij. Ze heeft alleen een snor.”

©peter gortworst / aug. 2016

Foto’s: http://www.twitter.com / http://www.thailandgek.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | Plaats een reactie

Dopje

 

Zonder ons onder Zijne Majesteit’s Wapenen te scharen verblijven wij de laatste tijd met zeer grote regelmaat in de intieme beslotenheid van diverse kazernes. Wij houden ons als brave burgers (anders kom er niet in tenzij je natuurlijk Stegeman heet) uitsluitend bezig met apparaten die zich in de keukens bevinden. Uiterst belangwekkend werk daar met een slecht gevoede soldaat, de strijd tegen de Vijand een moeizaam verhaal wordt zo niet reeds bij voorbaat verloren is. Alles wat er in die keukens aan kookketels, ovens, braadpannen, frituren, magnetrons en niet in de laatste plaats koffiezetmachines staat, moet in optimale conditie zijn teneinde de strijdkrachten in een zelfde, zo niet betere, gesteldheid te houden.

Om de resultaten van onze noeste arbeid te zien, voegen wij ons tijdens de lunch onder deze krijgsmannen en vrouwen. Het is amper mogelijk om een objectiever beeld te krijgen van dat wat wij beogen. Natuurlijk weten wij best dat ook de koks een figuurlijke duit in het eveneens figuurlijke zakje doen maar wij zien deze mannen (echt waar, nog geen vrouw als kok gezien!!) als een schakel in de ketting die ligt tussen ons werk en de gevulde borden op de tafels. Zonder werkend gasfornuis geen erwtensoep en zonder frituur geen frikandel.

Tijdens de lunch doen wij dapper mee. Het wekt natuurlijk argwaan als wij met scherpe blik de kauwbewegingen, het mogelijke kokhalzen, het in paniek de handen klauwen rond de maagstreek of zelfs het ter aarde storten observeren en niet manmoedig zelf ook de beker tot de laatste slok leegdrinken. Uiteraard zal men, in voorkomend geval, direct de vinger wijzen naar de spijsbereiders maar daar ook hen niets menselijks vreemd is, wijzen hun vingers prompt naar ons. Terecht. Een frituur die niet warm wordt, een koeling die niet koelt of een oven die niet bakt zijn ons aan te rekenen. Gelukkig is het tot nu toe goed gegaan. We zijn niet alleen brave burgers. We zijn, net als de koks, vakmensen die hun vak verstaan.

Nu wordt niet alles meer in de kazernes zelf bereidt. De slager die er vroeger was en uit karkassen de karbonades, doorregen runderlappen of speklapjes sneed, is er al lang niet meer. Toen stond er ook een kolossale tank met melk op de uitgiftebalie. Middels een bedienbare handel die een vermoeden gaf van een achterliggend ingenieus systeem, kon je de metalen drinkbak, wat een onderdeel was van je persoonlijk uitrusting, vullen met net zo veel of weinig melk als je wilde. Nu wordt dit koeiensap in halfvolle samenstelling door de groothandel aangeleverd in verpakkingen van een achtste en halve liter. Deze verpakkingen met wervende teksten en suggestieve afbeeldingen zijn afgesloten met een wit, draaibaar dopje.

 

Met dat dopje is iets aan de hand. Na de lunch wordt je vriendelijk verzocht het dopje in een bak te doen en zodoende een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid van de blinde medemens. Je steunt met deze simpele handeling de opleiding van de geleidehond. Wij zetten daar onze vraagtekens bij. Wij kunnen ons nog herinneren dat je vroeger zilverpapier moest inzamelen voor de arme mensen in Afrika. Ook de aluminium afsluiting van de glazen melkfles was voor dat doel uitermate geschikt. Het is mij nooit duidelijk geworden hoe de inzameling van dat zilverpapier en dat aluminium een bijdrage konden leveren aan het welbevinden van die arme negertjes in Afrika. Nu dreigt hetzelfde te gebeuren.

Het spijt mij te moeten vertellen dat wij een volledige lunch lang, geen enkele aandacht aan onze disgenoten geven omdat het vraagstuk van de dopjes en de geleidehonden ons te zeer beroert. Welke onvermoede potenties bezitten die dopjes? De mogelijkheid dat er een soort statiegeld op zou zitten wordt al snel van tafel geveegd. Elk dopje één eurocent of één euro per kilo? Wie van de vele leveranciers betaalt dat dan uit en wat moeten zij beginnen met al die dopjes? Hergebruiken kan niet want er blijft een niet onbelangrijk onderdeel van de sluiting in de verpakking zitten.

De suggestie dat wij het in de slimheid van de hond zouden kunnen zoeken brengt ons verder. Stel dat zo’n hond een duidelijk signaal krijgt dat de te geleiden man of vrouw blind is, dan zou het beest ook weten dat er van hem geleidende activiteiten verwacht worden. Dus een montuur waarin twee dopjes als witte of gekleurde glazen verwerkt zijn en die gedragen wordt door de visueel gehandicapte, kan de hond dat signaal geven. Een andere mogelijkheid die ook bijzonder aantrekkelijk lijkt, is de hond te leren waarheen hij geleiden moet. De slimheid van zo’n beest moet je ook niet overschatten. Met een ‘Kazan, naar de Kerkstraat nummer 5’ kom je er als blinde niet. Maar wel als je de hond de weg wijst. Als er iemand vooruit loopt die op regelmatige afstand een dopje op straat legt, de hond traint in het volgen van de dopjes en hem zo de weg naar de Kerkstaat wijst, kom je er zeker. Dat zou ook mooi kloppen met de foto naast de wervende tekst. Aan het eind van de wandeling heeft de hond alle dopjes voor hergebruik opgeraapt.

Zwijgend starend over de houten tafel en met onze gedachten bij de dopjes en de hond, nemen wij de laatste happen van onze lunch. Wij voelen, nee, wij weten dat ook deze mogelijkheden onmogelijkheden zijn. Met spijt concluderen wij dat we het niet weten en dat een vraag die er sinds het zilverpapier is, nog steeds onbeantwoord blijft. Wijn uit water, goud uit lood, zilverpapier en gelukkige negertjes of dopjes en slimme geleidehonden….. is er iemand die de steen der wijzen heeft? Wij hebben die in ieder geval niet en gezagsgetrouw laten we ons dopje in de bak vallen. Goed zo! Braaf!

 

© peter gortworst / aug.2016

Foto in het midden: Dorus Aarts, Kok in de Pr. Bernhardkazerne te Amersfoort.

Overige afbeeldingen zijn eigen opnamen  

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

2020

Dit korte verhaal is geschreven in augustus 1916. Inmiddels is het 2020 en er is niets van deze ontwikkelingen terecht gekomen. Gelukkig niet zelfs. De fantasie blijft fantasie en heeft goddank geen enkele profetische waarde gehad. Nu moeten we leven met een virus. Wie had dat kunnen denken?

 

Gezien de omstandigheden heeft hij nog geluk gehad. De krant die hij nu bezorgt is kort na de komst van het nieuwe kabinet, de officiële regeringskrant geworden. De Volkskrant en Trouw zijn door minister Bosma verboden en de overige landelijke kranten zijn gemarginaliseerd. Men zegt dat Trouw weer ondergronds is gegaan. Hij kent de betekenis daarvan maar vindt het moeilijk om dat te geloven. Het is iets wat te maken heeft met het verleden, met de geschiedenis, maar het is toch niet iets wat nu weer gebeurt? Zijn collega-krantenbezorgers werden één voor één bedankt voor hun goede diensten maar hij mocht blijven. Jammer dat de verdiensten er niet op vooruit zijn gegaan. Er zitten steeds minder harde guldens in het zakje dat hij elke week krijgt. Zijn baas zegt dat het moeilijke tijden zijn. Hij sprak van ‘overleven’. Alsof hij hoopt op betere tijden. Voorlopig zijn er elke week minder kranten te bezorgen. Toen hij dat thuis vertelde lachte zijn vader schamper.
‘Wakker Nederland is wakker geworden en ze zijn terecht gekomen in een nachtmerrie,’ heeft hij gezegd om er aan toe te voegen dat je dat krijgt als je naar het domste deel van het volk luistert.

Zijn vader is niet dom. Toen hij bij de rechtbank ontslagen werd en geen recht meer mocht spreken, hebben ze direct het huis verkocht. Nu wonen ze elf hoog in een flat en hij mist de tuin met de kleine vijver.
‘Hier kunnen we het wel even uitzingen,’ had zijn vader gezegd maar alle noten kan hij niet meer halen.
Daarom maakt hij nu ’s nachts de perrons van het station schoon. Sinds de echte schoonmakers bijna allemaal weg zijn, is daar altijd wel werk te krijgen. Zwaar en vies werk maar samen met wat oud-collega’s en vrienden maken ze er het beste van.

Hij wil net zo slim worden als zijn vader maar of dat gaat lukken weet hij nog niet. Er zijn op school veel leraren verdwenen. Mevrouw Timmer mist hij nog het meest. Zij weet veel van de geschiedenis en kan daar boeiend over vertellen. Zelf nalezen in de boeken van school kan niet meer. Minister Beertema heeft alle boeken in beslag genomen en er nieuwe boeken voor in de plaats gegeven. Toen zijn vader het boek ging lezen werd hij er stil van.
‘Vergeet wat je hieruit leert,’ heeft hij gezegd en sinds die tijd leert zijn vader hem geschiedenis.

Nog twee kranten. Hij draait de Rembrandtlaan in en plotseling staat er een agent op de straat.
‘Stop, politie,’ zegt de man, ‘Je ID-kaart.’
Een andere agent haalt de twee kranten uit zijn fietstas en onderzoekt nauwgezet de tas. Hij weet wel waarom. Andere jongens verdienden wat bij door in het geheim halalvlees te bezorgen. In de tas hadden ze een dubbele bodem. Hij durfde dat niet. Het was hem te gevaarlijk.
‘Hé Jaap, wist je dit?’ vraagt de tasonderzoeker aan de andere agent.
Wijzend op de voorpagina van de krant zegt hij:
‘Die de Roon heeft politiek asiel aangevraagd in Duitsland! Wat een verrader!’
‘Hoe komt hij daar dan terecht?’ vraagt de ander. ‘Wacht, ik zal het even lezen.’
In sneltreinvaart leest hij het artikel. Het blijkt dat minister de Roon in Duitsland heeft gevraagd of er toch niet een handelsakkoord met Nederland gesloten kan worden. Ze zijn het smokkelen meer dan zat.  Ondanks soldaten die bij de grens alles controleren, lukt het niet om deze potdicht te houden. Toen Duitsland het verzoek van de Roon afwees, heeft hij asiel aangevraagd. Zijn verzoek is in behandeling. De krant vindt zijn handelswijze zeer laakbaar. Wat minister-president Wilders daarvan vindt, weet men nog niet. Er is nog geen reactie gekomen. Met een handbeweging als teken dat hij mag doorrijden, gaan de twee gezagsdragers weer op de stoep staan en bespreken deze nieuwe ontwikkeling.

Thuis vindt hij zijn vader en moeder aan de kleine keukentafel. Het laatste nieuws is hen al ter ore gekomen. Het valt zijn vader mee dat het in de krant staat. De boycot die over Nederland is uitgeroepen en er de oorzaak van is dat de Rotterdamse haven stil ligt, Schiphol bijna een oase van rust en stilte is geworden en de varkens- en kippenboeren moeten stoppen wegens gebrek aan voer en afzetmogelijkheden, staat niet in de krant. ‘Hoe slechter het gaat hoe beter het is. Die verdomde gulden is geen cent meer waard. Raak een Nederlander in zijn portemonnee en ziet, hij wordt zo rechts of links als de pest. Nog even en het is dag Geert, dag Madlener, dag Fritsma of hoe die hele belachelijke kliek ook mag heten!’

‘Moet jij niet naar school?’ vraagt zijn moeder.
Hij knikt en staat op om zijn tas te halen.
‘Wat heb je vandaag?’ vraagt zijn vader.
‘Er is alleen voor wiskunde een leraar. Ik zal dus zo wel weer thuis zijn.’
‘Wiskunde….’ zegt zijn vader, ‘Daar kunnen ze weinig aan verklooien. Hoewel…? Nee, zo erg zal het toch niet zijn? Doe je best jongen’.

 

© peter gortworst / aug 2016
foto:  www.trouw.nl

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Tafel

Hij staat tegen de muur en wordt voor een groot deel aan het zicht onttrokken door een bruin, kunstleren driezitsbank. Op het blad staan twee stapels stoelen van diverse pluimage maar hij herkent hem aan zijn, net zichtbare, poot: vierkant van boven, wat draaiwerk, een verdikking als een urn, weer wat draaiwerk en weer een vierkant: dit was hun keukentafel.

Een beetje opgewonden zoekt hij naar beschadigingen op de lange zijkanten. Precies in het midden zouden krassen moeten zitten van het tafeltennisnetje. Dat netje werd met schroefklemmen vastgezet en tot verdriet van zijn moeder beschadigde dat het blad.  Deze tafel zit echter zo vol met krassen, kale plekken en andere beschadigingen dat het onmogelijk is om dit meubelstuk als het zijne te beschouwen. Hij doet dat, de twijfel rechts passerend, wel en als blijkt dat ook de twee uitschuifbare delen aan de kopkanten er nog in zitten, koopt hij het meubelstuk voor een zacht prijsje.

“Wat moeten we daar nu mee?” vraagt zijn vrouw als hij de tafel apetrots bij de achterdeur zet. In een, naar hij hoopt, gloedvol betoog vertelt hij over zijn tafel. Dat ze, als gezin, aan deze tafel de grote en kleine verdrietjes, de zorgen, de blijdschap en de dagelijkse dingen met elkaar hebben gedeeld. Dat ze alle dagen, drie keer per dag, aan deze tafel hebben gegeten en de bijbel is gelezen. Zijn vader altijd aan het hoofd zat en elke zondag hun oma aan de andere kant. Dat met kerst deze tafel uit elkaar werd gehaald om weer in de woonkamer te worden opgebouwd zodat hij, volledig uitgeschoven en versierd, meer dan waardig was om een kerstdiner aan te houden. Dat, tijdens het eten, de hond altijd onder deze tafel lag en zijn oudste broer dat beest, zeker de eerste tijd, niet vertrouwde. Hij zat dan schuin aan tafel en voor geen goud gingen zijn benen richting hond. Dat de krant op deze tafel helemaal opengeslagen kon worden en dat je, leunend op je ellebogen, zo lekker kon lezen. Dat ze er vele gereformeerde zondagmiddagen tafeltennis op speelden in een keuken die te klein was en het tennis een loterij bleek omdat je, door alle oneffenheden, nooit wist waar het balletje heen zou gaan. Als deze tafel toch eens zou kunnen spreken….!

“Hm” zegt zijn praktisch ingestelde vrouw, “Waar woonde je toen?

“Heemskerk…..?”

“En in welke kringloopwinkel heb je deze gekocht?”

Hij zwijgt. Voor een tafel met vier poten moet 180 kilometer toch best te doen zijn? Zonder iets te zeggen gaat ze naar binnen.

Hij is er weken zoet mee geweest maar nu kan men hem een autodidactisch restaurateur noemen. Niet alle beschadigingen zijn weg. Dat hoeft ook niet. Iemand die zo oud is mag getekend zijn. Hij staat nu te pronken in de logeerkamer en zijn enige taak is het dragen van de oude koperen kruik, de foto van zijn ouders, een oude glazen vaas en een stoof die nog van oma was.

Toen zijn ouders deze tafel kochten was er nog geen wegwerpmaatschappij. Zij kochten hun spullen voor de eeuwigheid en hij vindt het een mooie gedachte dat de eeuwigheid van deze tafel een stukje is verlengd.

 

© Peter Gortworst

Foto: marktplaats

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Stelletje

 

Het echtpaar van middelbare leeftijd zit schuin tegenover mij in de lunchroom. Samen gezellig op de bank en twee kleine, tegen elkaar aangeschoven tafeltjes op ellebooghoogte voor hen. Op het rechter tafeltje een vaasje met een zomers bloemetje en op het andere de menukaart in een houten standaard en een peper en zoutstelletje in een roestvrijstalen houder.

Zij praat zonder onderbrekingen. Hij luistert of doet alsof hij luistert. Zijn handen spelen met het peper en zoutstelletje en als hij gaat verzitten zet zij, zonder met praten te stoppen, het stelletje weer keurig recht. De koffie met gebak zorgt voor een adempauze in de waterval van woorden. Zwijgend drinken ze de koffie en eten het gebak.

Zij is eerder klaar en het praten begint weer. Hij knikt, luistert en antwoord met enkele woorden. Zijn armen heeft hij op het tafeltje gelegd en zijn handen bewegen de menukaart. Als een bootje gaat deze heen en weer. Als hij daarmee stopt zet zij de kaart daar waar hij hoort: evenwijdig met de tafelrand en in het midden.

Hij gaat rechtop zitten en zoekt met zijn voeten de tafelpoot. Dan schuift hij, heel langzaam, de tafelpoot een centimeter naar voren. Het duurt even maar dan heeft zij door dat de tafels niet meer precies naast elkaar staan. Ze schuift haar tafel ook naar voren en voelt met haar duim of ze weer gelijk staan. Hij wacht even en duwt dan zijn tafeltje weer iets naar voren. Al pratend heeft zij niets door en schuift even later haar tafeltje weer naast het andere.

Ik kan mijn lachen bijna niet meer houden. De man kijkt even naar mij en geeft een vette knipoog. Weer schuift hij het tafeltje op en weer schuift zij haar tafeltje bij. Ze bestellen een tweede kop koffie en als deze genuttigd is leunt hij naar voren en speelt weer met het peper en zoutstel. Zodra hij weer rechtop zit, zet zij het weer recht en daar waar het hoort. Even later schuift de tafel met succes weer naar voren. De volgende poging mislukt. Ze heeft het door. Verbijsterd kijkt ze naar haar man. Die schiet in de lach en prompt probeert ze hem te slaan. Lachend weert hij haar af.

Ze is boos en verdwijnt naar het toilet. Hij gaat staan en rekent af. Dan wacht hij, met haar jas in zijn armen, haar komst af. Met een gezicht wat boekdelen spreekt komt ze terug, laat zich in haar jas helpen en loopt in één lijn door naar buiten. Hij zet nog even snel het vaasje, het peper en zoutstelletje en de menukaart kriskras op het tafeltje.

Soms is het heerlijk om het laatste woord te hebben.

 

© peter gortworst / juli 2016

foto: http://www.merqplaza.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Zo doe je dat.

“Zeg, handige Harry van mij, zocht jij laatst niet een houtdraaibankje?”

“Ja…?”

“Er staat er eentje te koop op Marktplaats. Diameter 30 cm en 1 meter tussen de centers. Geen idee wat dat is maar jij waarschijnlijk wel?”

“Ja, dat weet ik wel. Wat moet hij kosten?”

“ 175 eurie.”

“Is het in de buurt en staat er een telefoonnummer bij?”

“Het is hier in de stad. Wacht, ik schrijf het nummer wel even op…”

 

 

“Met Tromp. Klopt het dat u een houtdraaibankje te koop heeft?”

“……”

“Technisch nog in orde?”

“……”

“Dus u vraagt voor een draaibankje wat hopeloos in de weg staat, verrotte lagers en een kapotte v-snaar heeft, 175 euro?”

“……”

“Maar dat ga ik er niet voor betalen. Ik wil hem best bij u ophalen maar meer dan 45 euro betaal ik niet. Voor een kapot draaibankje wat in de weg staat vind ik dat een mooi bedrag. Ik wil hem alleen maar hebben voor wat onderdelen en dan is het met 45 euro dik betaalt”

“&*%$## !!!”

“Oke, oke, dan niet. Succes er mee.”

 

 

Drie dagen later:

 

“Geef mij jouw telefoon eens.”

“Wat ga je doen?”

“Bellen voor dat draaibankje.”

 

“Met de Ruiter. U verkoopt op Markplaats een houtdraaibankje?”

“……”

“Werkt hij nog goed?”

“……”

“O, dat is niet best. Zo’n v-snaar is al lastig maar die lagers…… Heeft u er al een bod op gehad?”

“……”

“Iemand heeft 45 euro geboden? Had het maar gedaan want dat ga ik er echt niet voor betalen. Luister, het ding staat u in de weg en is, om het maar eens netje te zeggen, naar de Filistijnen.  Nee, ik bied u 30 euro. Dan haal ik hem vanavond op. U bent dat ding eindelijk kwijt en ik kan er wel een paar onderdelen afhalen.”

“……”

“Prima, geef mij even het adres. Om 7 uur ben ik bij u.”

 

“Nou?”

“Gekocht voor 30 euro. Hij was bang dat de volgende beller nog minder zou bieden. Deze handige Harry kan dat ding wel reviseren en als hij klaar is maak ik mijn eerste draaiwerkje voor mijn meisje. Vind je een kaarsenstandaard mooi?”

“O ja, mmm, Harry, wat lief…..”

 

© peter gortworst / juli 2016

Foto’s http://www.2dehands.nl / http://www.pluckboutique.nl

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 4 reacties

Kafka

Morgen het huis aan kant, vrijdag een kleine koffer inpakken en zaterdagmorgen rustig beginnen en op tijd naar Schiphol gaan. Vandaag was het prachtig weer en daarom neemt hij nu zijn fiets om, in de naderende avondkoelte, een klein stukje te gaan rijden. Het smalle fietspad voert door het bos.  Met diepe teugen en de ogen even gesloten, ademt hij de geurende lucht in.

“Waf!” klinkt het naast hem en van schrikt stuurt hij de varens in en dondert bijna van zijn fiets. Op het pad staat een jonge hond. Zwart-wit, hangoren, kwispelende staart, kop een beetje scheef houdend en aan de halsband een opgerolde riem die met een elastiek bij elkaar wordt gehouden en een briefje in een plastic zakje. Hij steekt zijn hand uit en kronkelend komt de hond naar hem toe. Hij aait haar en zij laat zich op haar rug vallen, springt weer overeind, wil in hem klimmen, likt zijn hand, staat tegen hem op, laat zich weer vallen en kwispelt en kwispelt en kwispelt. Hij trekt het zakje los en leest het briefje: ‘Wie mij vindt mag mij houden’.

Dat is dus duidelijk. “Ga eens zitten,” zegt hij. De hond doet het prompt. Hij bromt tevreden en met wat peuterwerk maakt hij het elastiek los. Zodra hij de riem in zijn handen heeft komt de hond weer in de benen en springt om hem heen. “Dus jij was te veel? Of te duur?” Nou, laten we eerst maar naar huis gaan en doe alsjeblieft een beetje rustig. Kom maar”.Langzaam fietsend gaat hij via de kortste weg naar huis. Het beest loopt keurig mee.

“Moi!” roept hij tegen de overbuurman en wiebelend stuurt hij met één hand door de poort van zijn tuin. Daar legt hij de fiets op het gras en neemt de verstotene mee naar binnen. Ze snuffelt, terwijl ze hem in de gaten houdt, de hele kamer door en als ze daarmee klaar is staat ze voor hem.“Je mazzelt,” zegt hij, “Het is te laat om nu nog te bellen dus vannacht slaap je hier. Blijf maar even wachten. Ik haal even wat op.”In de schuur staat de mand met het kussen en de etensbakken. In de kelder staan nog twee blikken voer en met gemengde gevoelens zet hij de mand in de kamer en de etensbakken in de keuken. Wie had kunnen denken dat hij, na ruim een maand, alles weer tevoorschijn zou halen?

Ze begint met het water, slobbert dan de voerbak leeg en als toetje nog wat water. Ze snuffelt nog wat rond, kijkt hem verwachtingsvol aan maar als er niets meer komt draait ze een paar rondjes in de mand en met een diepe zucht gaat ze liggen. Ze slaapt bijna onmiddellijk. Hij staat er bij en kijkt ernaar. Als je na 14 jaar je maatje in moet laten slapen en nog niet gewend bent om geen wandelingen meer te maken, het huis leeg voelt en de eenzaamheid zo af en toe genadeloos toeslaat is het raar om plotseling weer een hond in de mand te zien liggen. Ook zwart-wit en ongeveer even groot. Maar het is niet Knul. Niet de hond waar hij lief en leed mee deelde. Hoe zou Knul het vinden dat er nu een andere hond, een teefje notabene, in zijn mand ligt? 

Hij maakt een kop koffie klaar en gaat op de bank zitten. Het beest komt overeind en neemt naast zijn benen plaats. Ze legt haar kop op zijn knie en hij kriebelt haar zachtjes onder de oren. Van puur genot sluit ze de ogen. “Nou, kom maar,” zegt hij en tikt met zijn vlakke hand op de bank. Ze springt omhoog en nestelt zich tegen hem aan. Met haar kop op zijn dijbeen valt ze weer in slaap. “Sorry Knul,” zegt hij zachtjes.

 

Om 6 uur is hij met haar gaan lopen, daarna heeft ze eten gehad en is hij begonnen met het schoonmaken van het huis. Ze volgt hem, met die kwispelende staart, waar hij ook maar gaat of staat. “Ga nou eens in je mand en laat mij even met rust, wil je?” en ze is warempel werkelijk in haar mand gaan liggen.

De informatiesite van de gemeente vertelt hem dat een gevonden dier bij hen aangemeld moet worden. Zij sturen dan de dierenambulance en dan is het klaar. Om 9 uur vertelt hij aan Ankie van de gemeente dat hij een hond heeft gevonden in het bos. Ze vraagt zijn adres en zegt alles in orde te maken. Een half uur later realiseert hij zich dat ze niet gezegd heeft wanneer ze komen dus belt hij weer. Ankie is in gesprek maar Ewald zal wel even doorgeven dat de ambulance vandaag al moet komen omdat mijnheer op vakantie gaat. Geen probleem, prettige vakantie.

Om 4 uur staat de ambulance bij de stoep en een potige dame in het uniform van de  dierenbescherming voor de deur.

“U heeft gebeld voor een hond en u gaat op vakantie?”

Dat klopt en gastvrij vraagt hij haar binnen te komen. Het beest heeft niet de minste behoefte deze dame aan een snuffelbeurt te onderwerpen. Ze is achter hem gaan staan en gluurt om zijn benen heen. De dame kijkt onderzoekend rond en vraagt dan: “Waarom wilt u van deze hond af?”

“Het is mijn hond niet. Ik heb haar gisteravond in het bos gevonden met een halsband, een riem en een briefje! Ik heb helemaal geen hond meer,” zegt hij in opperste verbazing.

De dame wijst naar de mand.

“Maar wel een mand en twee riemen aan de kapstok. U bent van plan om op vakantie te gaan toch? Ja, dan is een hond lastig.”

Op dat moment wordt er aangebeld. “Dat zal mijn collega zijn,” zegt de dame en ze loopt al naar de voordeur. Hij hoort ze fluisteren en even later komt ze weer binnen. In haar kielzog een slungel in uniform.

“Mijn collega heeft even bij de buren aan de overkant geïnformeerd. U heeft al jaren een zwart-witte hond. Hij heeft u er gisteren nog mee gezien. Ik heb het sterke vermoeden dat u zich op een makkelijke manier van deze hond wilt ontdoen.”

Het lukt hem niet haar te overtuigen. Nee, hij heeft geen rekening van de dierenarts want zijn hond in laten slapen was een vriendendienst. Ze kennen elkaar al jaren. Dat briefje heeft hij ook niet meer omdat het vanmorgen met het poepzakje in een prullenbak is gegooid. Die mensen aan de overkant zijn al oud en die krijgen niet alles meer mee. Dan speelt zij haar laatste troef uit. Ze tovert een apparaat uit één van haar zakken en scant beest. Niets. Geen enkele piep. Geen enkel leesbaar teken op het display.

“Weet u dat het strafbaar is om een hond zonder chip te hebben?” 

“Nee, dat weet ik niet en als het mijn eigen hond was zou die zeker een chip hebben maar dit. is. mijn. hond. niet!! U zet mij hier verdomme neer als een leugenaar!”

“Nou, nou, rustig maar. Dat zijn uw woorden. Probleem is dat ik u niet geloof. Ik heb het sterke vermoeden dat u gemakkelijk en goedkoop van de hond af wil en daarom neem ik hem niet mee. Breng de hond maar naar het asiel. Daar doet u afstand van het dier en zal u gevraagd worden om een bijdrage in de kosten. Die zijn niet gering maar dat wist u waarschijnlijk al.”

Zonder hem nog een blik waardig te gunnen vertrekken ze. Als de deur in het slot valt springt beest uitgelaten om hem heen. Hij heeft er geen oog voor, ploft op de bank en is te verbijsterd om ook maar iets te doen. Vlak voor 5 uur belt hij naar het asiel. Als hij vertelt dat hij afstand van zijn hond wil doen vraagt de man aan de andere kant van de lijn nogmaals zijn naam. Dan is het even stil. “Ja, lastig, lastig……we zitten helemaal vol. Probeer het eens bij een ander asiel. Tja, het is vakantietijd en dan valt het niet mee……”

Vanaf 9 uur is hij vrijdagmorgen op zoek naar een asiel maar overal vangt hij bot. Uiteindelijk belt hij Bart de dierenarts en legt hem de hele toestand uit. Een onbedaarlijke lach is zijn deel en hij voelt zich miskend. Hij had iets van medeleven of begrip van verwacht. Bart concludeert dat er dus een nieuwe hond zijn opwachting heeft gemaakt. Dat is goed voor hem en de hond. De nieuwe toestand daalt langzaam bij hem in en als Bart vraagt of hij over 5 minuten terug kan bellen, heeft hij even de tijd om aan het idee van een nieuwe hond te wennen. Bart blijkt het asiel aan de lijn te hebben gehad. Hij kan zijn hond, op naam van de dierenarts, brengen voor logies en hij gaat, als de hond daar is, wel even een chip aanbrengen.

“Ik moet nog wel even de naam van dat mormel hebben.”

“Het is geen mormel,” zegt hij verongelijkt, “Het is een lieve hond en ik ga haar Kafka noemen.”

Dan valt hij even stil en weet niet goed of hij wel wil zeggen wat hij voelt.

“Weet je Bart, het voelt nu nog even als verraad naar Knul maar het is toch mooi dat er weer iemand is die op je wacht…. Die het fijn vindt als je thuis komt…. en zo…..”

“Het is goed knul. Ik snap je wel en ik snap ook waarom je haar Kafka noemt. Kom gezond weer terug. Het is niet alleen de hond die het fijn vindt dat je thuis weer thuis komt.”

 

© peter gortworst / juli 2016

foto’s: http://www.mapio.net / eigen foto / http://www.tvenschedefm.nl / http://www.dierenziekenhuis.nl

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 8 reacties

Z0? 1 jaar?

 

Enigszins gehinderd door een mij kenmerkende bescheidenheid doch met een zekere mate van trots, kan ik jullie meedelen dat mijn blog deze maand de leeftijd van 1 jaar heeft bereikt. Een gepast moment om een kleine terugblik en wat diepere gedachten over dit schrijfjaar op schrift te zetten. Elke schrijver wil gelezen worden en door een steeds grotere onvrede over de verhalensite waar ik voorheen actief was, besloot ik vorig jaar een eigen blog te beginnen. Spannend voor een digibeet als ondergetekende maar het is goed gekomen. Snap nog steeds niet alles van WordPress maar zelfs met die onvolkomenheid gaat het toch goed. Ik zal jullie niet vervelen met cijfers of statistieken. Mijn gemoedsrust wordt niet aangetast of gestreeld door kolommen die mij vertellen wat ik niet wil weten.

Zoals ik al schreef: elke schrijver wil gelezen worden. Dat is een aloud gegeven. Waarom zou je anders de moeite nemen om te schrijven? Het dagen kauwen op een verhaaltje, het soms radeloos raadplegen van je notitieboekje, het tegen beter weten in door blijven schrijven tot je de eerste vogels buiten hoort zingen, het wanhopig schrappen van hele stukken moeizaam ontstane tekst, het constateren dat het verhaaltje met je op de loop is gegaan of de twijfel trotseren over de kwaliteit van het verhaal, doe je niet voor niets. Je doet het omdat je er plezier aan beleeft. Aan het schrijven zelf maar uiteindelijk ook aan het eindproduct. Zoals een beeldhouwer om zijn beeld kan lopen, een schilder van een afstandje en vanuit verschillende hoeken naar zijn schilderij kan kijken, leest en herleest de schrijver zijn verhaal. Vaak hardop om te luisteren naar de woorden en de zinnen. Soms kwast hij er dan iets bij of boetseert hij er iets af maar tot slot is daar zijn verhaal. Klaar om gelezen te worden.

Hier komt de ambitie het toneel op. Schrijf ik om zo veel mogelijk lezers te trekken? Nee, dat doe ik niet. Veel lezers trekken is niet al te moeilijk getuige de titel van één mijn verhalen. De publicatie van ‘Stom wijf’ trok in no-time een ongekend aantal lezers. Meer van dat soort titels en teksten die je  populistisch of erotisch kan noemen, zullen het zeker goed doen. Toch kies ik er voor om mijn eigen verhalen te schrijven. Ik schrijf wie ik ben of misschien wil zijn. Ik wil geen 1000 lezers van een tekst waarbij ik mij heb moeten forceren tot iemand die ik niet ben. Ik schrijf niet om beroemd te worden of er geld aan te verdienen. Ik schrijf puur voor mijn plezier en elke lezer is mij dierbaar.

Ik ken een paar van mijn trouwe lezers. Dat zijn de mensen die regelmatig laten weten dat ze je verhaaltje waarderen en soms zelfs een reactie geven. Ik ben daar ontzettend blij mee. Niet omdat het mijn ego streelt maar omdat het een bevestiging is van mijn ontwikkeling. Soms lees ik, met enige verbazing, mijn eerste verhaaltjes nog eens over. Mijn schrijfseltjes van toen zijn zo anders geworden. Het was minder compact, vlot of snel maar de stijl en de onderwerpen zijn wel hetzelfde gebleven en dus hoort dat klaarblijkelijk bij mij.

Een jaar een blog hebben heeft ook contacten opgeleverd met andere schrijvers en schrijfsters. Dat is waardevol. Er is zelfs één lieverd bij die mij soms wijst op taalfouten. Door anderen te lezen, en dat doe ik zo veel als mogelijk is, leer je zelf ook. Hoe gaan zij met een onderwerp om, hoe bouwen zij een verhaal op, hoe beginnen ze en waarmee eindigen ze? Het leert je ook het kaf van het koren te scheiden. Er zijn nu eenmaal schrijvers waar ik geen feeling mee heb of waarvan hun teksten niet aan mijn normen voldoen. Een normale zaak, lijkt mij. Ook mijn teksten zullen niet iedereen bekoren. Schrijven is voor mij geen sociale hobby. Niet gestoord willen worden, af en toe even weglopen, muziek op de achtergrond die plotseling heel irritant is, zullen veel van mijn collega’s herkennen maar bovenal is schrijven fantastisch om te doen.

Dit is mijn 94e tekst die ik op mijn blog plaats. (oké, toch een cijfer). Ik kan niet zeggen hoeveel er het komende jaar bijkomen. Ik schrijf als ik kan, als ik zin heb en als er gelegenheid voor is. Bij mij moet niets maar de wil is er altijd.

Tot slot: mijn grote dank aan al mijn volgers, al mijn lezers waar ook ter wereld en al mijn collega’s. Jullie zijn mijn dagelijkse beloning en bevestigen dat ik, naast al het andere wat ik ook ben, mij een gelukkige hobbyschrijver mag noemen.

 

© peter gortworst / juli 2016 

Foto: Selfie maar geen idee hoe en waar ik kijken moet. 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , | 6 reacties

Geacht college,

 

Aan de Burgemeester en Wethouders,

 

Geacht college,

Wij, de bewoners van de Koninginnelaan, hebben, naar aanleiding van de brief die de bewoners van de Koningsstraat in Beuningen aan hun college stuurden, ook een verzoek.

Zoals u weet is onze laan een mooie laan. Het is alleen een beetje onoverzichtelijk door al die verschillende verkeersdeelnemers. Gelukkig is er geen AZC in de planning opgenomen dus bezwaar maken tegen het gebruik van het voetpad door die asielzoekers is niet nodig. Wij kunnen echter wel andere bezwaren noemen en suggesties geven voor een ordelijk gebruik van onze prachtige laan.

 

Ten eerste zouden wij graag zien dat het voetpad langs de achterkant van onze woningen uitsluitend gebruikt gaat worden door de kinderen van de basisschool. Kinderstemmen maken de mens vrolijk dus die horen we graag. Wel zouden wij er op willen wijzen dat de school de kinderen duidelijk maakt dat er auto’s van en naar onze erven kunnen rijden. Uiteraard hebben deze voorrang op de kinderen dus is het goed, ter voorkoming van ongelukken, hen dit duidelijk te maken. Voor de overige voetgangers kan er een voetpad aan de overkant van de straat gemaakt worden. Wij zitten niet te wachten op al of niet tot een bepaalde bevolkingsgroep behorende, opgeschoten jongeren die, als ze zouden willen, zo in onze tuinen kunnen kijken.

 

Ten tweede vragen wij ons af of het naastgelegen fietspad ook niet naar de overkant van de straat kan worden verplaatst. Als wij onze auto’s op ons eigen erf willen parkeren moeten wij dit fietspad kruisen. Omdat er tegenwoordig veel oude mensen met een elektrische fiets rijden, hun snelheid onverantwoord hoog is en hun reactiesnelheid bedenkelijk laag, geeft dit levensgevaarlijke situaties. Dit willen wij natuurlijk niet dus de oplossing om het fietspad naar de overkant te verplaatsen is de meest logische stap. Voor de bewoners aan de overkant is het zelfs een voordeel. Zij kunnen vanuit hun verblijf wat hen aangeboden is via de sociale woningbouw direct van het fietspad gebruik maken. Dat komt mooi uit want dat soort mensen maakt vaak gebruik van de fiets.

 

Ten derde vragen wij ons af of de eigenaren van de verschillende honden, waaronder overigens veel zwarte labradors, zwarte newfoundlanders en zwarte bouviers, niet verplicht kan worden op hun weg naar de hondenuitlaatplek bij de dijk, een andere route te nemen. Ze vormen, zeker als ze het voetpad aan de overkant van de straat gaan nemen, niet direct een gevaar maar een eventuele koper van één onzer huizen zal de aanwezigheid van deze hondenbezitters zeker als een minpunt zien.

 

Ten vierde zouden wij graag zien dat de rijbaan breder gemaakt wordt. Dit biedt een aantal voordelen. Het doorgaande verkeer zal sneller door de straat kunnen rijden wat de overlast dus beperkt. De draai die wij moeten maken om met onze auto’s op ons eigen erf te kunnen komen wordt groter zodat ook daar de overlast voor achteropkomend verkeer verminderd wordt. Wij stellen voor het verbreden niet ten koste te laten gaan van de aanwezige groenstrook. Met het smaller maken van het nieuw aan te leggen voet- en fietspad komt u al een heel eind.

 

Tot slot wijzen wij u er op dat de groenstrook wel een bonte verzameling is geworden van verschillende uitheemse plantensoorten. Kunt u daar niet de gewone witte klaver (Trifolium Repens) of de witte honingklaver (Melilotus Albus) planten? Wij wonen in Nederland en de gewone Hollandse plantensoorten hebben het al moeilijk genoeg.

 

Wij zijn altijd bereid om deze brief persoonlijk toe te lichten. Wij rekenen op uw bereidwilligheid om onze problemen op te lossen. Per slot van rekening zijn tevreden bewoners en een waardevast huizenbestand goed voor onze hele gemeente.

 

Met de meeste hoogachting,

Namens de bewoners van de Koninginnelaan,

Drs. Hans Hollander.

 

©peter gortworst / juli 2016

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Grote jongens

De boodschappen voor de gezamenlijke barbecue zijn door de drie heren eerlijk verdeeld. Ze sjouwen elk met een grote doos van de kampwinkel naar hun caravans. Wie er het eerst over begint is niet meer na te gaan maar het aanlokkelijke idee om een avondje met zijn drieën naar de dorpskroeg te gaan, komt ter sprake. Zonder hun vrouwen. Dat spreekt voor zich. Gewoon drie kerels van ruim over de vijftig die een avondje gaan stappen. Dat moet toch kunnen?

Ze gaan het spelen. Gewoon doen alsof het idee spontaan het levenslicht aanschouwt. Olaf zal het spits afbijten. Hij weet dat zijn vrouw absoluut geen bezwaar maakt en als hij mag, is de kans dat de anderen ook toestemming krijgen, vrij groot.

Het werkt tot hun verrassing. Ze vinden dan ook dat Olaf het briljant brengt. “Als wij, heren die wij zijn, even afruimen en afwassen, maken wij daarna een wandelingetje. Dan hebben de dames het rijk alleen en alle gelegenheid om het eten te laten zakken en bij te kletsen,” heeft hij gezegd, “En als we wandelend het dorp halen, drinken we daar misschien nog even een pilsje, maar dat zien we wel.”

De invloed van de zoete witte wijn laat zich gelden. Geen van de echtgenotes had bezwaar gemaakt. Alleen de vrouw van Jan Junior heeft haar wenkbrauwen even opgetrokken en kijkt een ogenblik doordringend naar haar man. Die doet alsof hij het niet ziet. Even later lopen ze, als drie jonge knullen op weg naar de eerste schoolfuif, van de camping af.

Vier kilometer lopen naar het dorp is makkelijk te doen maar na een half uurtje blijft Vincent wat achter: “Jongens, even rustig aan. Ik heb niet de goede schoenen dus het gaat niet zo snel.” Ze kijken om en zien onder de glanzend witte spillebenen van Vincent twee lichtgroene teenslippers. “Het loopt beter zonder die dingen,” meent Jan Junior, “Je moet alleen even opletten waar je de voeten neerzet.” Het gaat inderdaad beter tot de asfaltweg. Daar beletten losse steentjes een snelle opmars naar het dorp. Iets later dan ze willen, bereiken ze de dorpskroeg.

Het is niet druk maar wel gezellig. Ze raken aan de praat met een paar jonge mannen uit het dorp. Als je de schuinste moppen wil vertellen en het leven in een dorp, het leven in het westen van het land en het leven op een camping met elkaar wil bespreken, ben je wel even bezig. Bovendien moeten deze westerlingen leren dat een jonge jenever naast een pilsje een ‘kopstoot’ is en dat je de jenever in één teug leeg drinkt en het pilsje er zo snel mogelijk achteraan. Nadat ieder drie kopstoten soldaat hebben gemaakt besluiten ze gezamenlijk er nog één te nemen en dan huiswaarts te gaan. Niet geheel vast ter been stappen ze uit de kroeg om te constateren dat het laat is en dat ze linksaf moeten. Als ze de verlichte bebouwde kom van het dorp achter zich laten blijkt dat het wel erg donker is geworden. Een prachtige sterrenhemel maar de maan komt niet verder dan een dun sikkeltje. Veel licht is er niet.

Jan Junior komt met het beste idee van de avond. Hij wijst naar rechts, over het donkere heideveld, en zegt: “Daar ligt de camping. Als we hier de hei oversteken komen we op het zandpad dat langs de camping loopt. We snijden een heel stuk af.” In de anderhalve week dat ze elkaar nu kennen heeft Jan Junior wel vaker blijk gegeven van een meer dan gemiddelde slimheid. Olaf en Vincent geloven hem op zijn woord. Met Jan Junior op kop banjeren ze, de benen hoog optillend, door de hei. Dat valt nog niet mee vooral omdat door de korte broeken de heidestruiken lelijk langs de benen schrapen. Vincent verliest zijn slippers. Na lang zoeken vinden ze er in het donker, één terug. Op blote voeten verder gaan is eigenlijk geen doen maar veel keus is er ook niet.

Op het moment dat Jan Junior, die een klein stukje vooruit is gaan lopen, roept: “Hier loopt een pad!” haalt Olaf zijn been lelijk open. Hij voelt het bloed langzaam langs zijn kuit in zijn schoen lopen. Vincent kijkt bij het licht van zijn aansteker naar de schade. “Je kunt beter even met je been omhoog gaan liggen,” meent hij. “Waarom dat dan?” wil Jan Junior weten. “Dan zakt het bloed uit het been en stopt het bloeden.” Dat klinkt heel aannemelijk en zo zitten Jan Junior en Vincent gebroederlijk naast een op zijn rug liggende Olaf. Die houdt fier zijn been omhoog. “Werkt het al?” wil Jan Junior na enige tijd weten. “Ik voel het bloed mijn broek inlopen,” deelt het slachtoffer mee. Vincent houdt de aansteker weer bij het been en ze zien een dun straaltje bloed in de broek van Olaf verdwijnen. Hij veegt met zijn hand het bloed een beetje uit en gespannen kijken ze of het bloeden is gestopt. Het wordt minder en na een paar keer vegen en kijken, blijkt dat er geen nieuw bloed meer komt. Ze kunnen verder.

Het pad is tot hun verwondering in het donker goed te zien. Vincent meent dat het in een lange bocht naar rechts buigt en stelt voor bij de eerste mogelijkheid links af te slaan. De anderen zijn daar niet zo zeker van maar als het pad in het donkere bos verdwijnt en er wel een pad naar links is, doen ze het toch maar. Met de heide aan de linkerhand en het donkere dennenbos aan de rechterhand lopen ze verder. Plotseling kraakt er in het bos een tak. Iets of iemand beweegt daar. Jan Junior, die nog steeds een klein stukje vooruit loopt, komt snel vlakbij zijn vrienden staan. “Wat was dat!?” sist hij. “Geen idee, misschien een everzwijn,” fluistert Olaf. “We moeten lawaai maken. Als het weet dat wij hier zijn, vlucht het wel,” zegt Vincent zachtjes en de daad bij het woord voegend begint hij naar het bos te schreeuwen. Dapper doen de anderen mee en als ze menen dat het gevaar geweken is lopen ze, luider pratend dan voorheen, verder.

De eerstejaars rekruten van de Koninklijke Marechaussee hebben hun oefenkamp opgeslagen. De kleine ploeg die het kamp moet bewaken tegen de vijand, wacht op hun medestudenten. Laat in de avond zijn die ergens gedropt en met niet meer dan wat coördinaten op de stafkaart en een kompas, worden ze geacht de weg naar het kamp terug te vinden. Om het lange wachten voor de bewakers wat aantrekkelijker te maken heeft de opperwachtmeester een echte wachtpost laten inrichten. Over het pad is een struikeldraad gespannen, gekoppeld aan twee lichtkogels. Zo’n tien meter voor en tien meter na die draad liggen de bewakers zwijgend in de berm verscholen.

Al van verre zijn de wandelaars hoorbaar en de eerste post weet niet goed wat te doen. Ze ontwaren in het donker drie mannen die hen voorbij sjokken. Terwijl ze passeren realiseren de bewakers zich met schrik dat deze burgers de struikeldraad gaan activeren. Ze springen uit hun schuilplaats en roepen: “Halt! Wie daar?” De achterste twee bevriezen ter plekke maar de voorste rent van de schrik naar voren. Gelukkig doet de struikeldraad zijn werk. De vluchteling struikelt en met twee luide knallen wordt de omgeving in het licht gezet. De twee bewakers van de achterste post werpen zich vol overgave op de gevloerde burger met vluchtneigingen. De neus van de burger komt onzacht in aanraking met een bewakersknie. De zaak is onder controle en geïnteresseerd kijken de rekruten naar hun vangst. Eén burger met een bebloed been, één burger op blote voeten onder twee spierwitte benen en in zijn hand een teenslipper en een derde burger met een hele verse bloedneus. Het bloed vormt al een duidelijk spoor op zijn T-shirt. Nadat de opperwachtmeester de zaak in ogenschouw heeft genomen neemt hij de heren mee naar zijn tent. Hij laat ze vertellen hoe en waarom ze uitgerekend hier terecht zijn gekomen.

Voorzichtig maakt hij ze vervolgens duidelijk dat ze zeker acht kilometer van de camping verwijderd zijn en dat het dus zeker nog twee uur lopen is. “Dat zullen onze vrouwen niet leuk vinden,” zegt Vincent tegen Olaf die terstond zorgelijk begint te kijken want daar had hij nog niet aan gedacht. “We kunnen jullie wel even brengen,” zegt de opperwachtmeester. Hij heeft duidelijk te doen met deze krasse knarren.

Ronkend rijdt het terreinvoertuig de camping op. De chauffeur, van mening dat dit een belangrijke missie is, heeft het blauwe zwaailicht aangezet. Het is opvallend dat zelfs ver na middernacht, dit nog zo veel mensen wekt.

 

Het ontvangstcomité, gevormd door de drie echtgenotes, is uitzonderlijk zwijgzaam. De wandelaars lopen, ieder achter hun vrouw aan naar hun caravan. Even later klinkt uit de drie afzonderlijke onderkomens een heftig, bijna sissend gefluister. De dames vinden het niet nodig de hele camping te vermaken en uit ervaring weten ze dat geluid, zelfs door een caravanwand heen, nog ver draagt in een stille nazomernacht. Voor je het weet schrijft één van de campinggasten het hele verhaal op en dat is toch het laatste wat je wilt.

 

© peter gortworst

foto’s: http://www.lovegorleston.co.uk / http://www.geloventhuis.nl / http://www.flagchart.net

 

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , , , , , , , | 6 reacties