Diederick

Er is nog geen druppel koffie geschonken of gedronken, maar iedereen van het vertrouwde groepje koffieleuten voelt dat de sfeer vanmorgen anders is. Het ligt niet aan het weer. Er is niemand gaan hemelen en ook de nieuwsberichten gaven daar geen aanleiding toe. Het is die, laat ik het zo zeggen, bijzondere man die net zijn opwachting maakte.
‘Mijn naam is Diederick uit den Bosch,’ vertelt hij, ‘Diederick met ck en Bosch met sch.’
Deze informatie en zijn kleding maken indruk. Een grijs pak met een zwarte gilet, een oranje vlinderdas en glimmend zwarte veterschoenen zie je hier niet alle dagen. Daar komt nog bij dat de man kaarsrecht loopt, heel erg netjes praat en zijn broekspijpen even aan de beide strakke vouwen optrekt als hij gaat zitten.
De aanwezigen voelen haarfijn aan dat deze man de roos is in het veld met paardenbloemen, de Mercedes tussen de Trabantjes of de goudfazant tussen de duiven op het kerkplein.
‘Hoe komt iemand uit den Bosch nu hier verzeild?’ wil Jan weten.
Diederik glimlacht minzaam.
‘Een frequent gemaakt misverstand,’ zegt Diederick, ‘Ik kom uit Laren, maar mijn naam is ‘uit den Bosch’. Ik ben een telg uit een oud en adellijk geslacht.’
Ook dat nog! Een man van adel. Stientje besluit geen woord meer te zeggen. Ze is als de dood dat deze Diederick, wanneer ze Nederlands gaat praten, hoort dat ze zich normaal prima redt met plat. Een foutje als ‘mien arms’ in plaats van ‘mijn armen’ is snel gemaakt en dan zit je mooi te kijk met je goede gedrag. Ze zou zich er beslist niet voor moeten schamen, maar ze doet het toch.
‘Bent u hier komen wonen?’ wil Ans weten.
‘Nee, ik ben op bezoek bij mijn broer. Die heeft hier net zijn intrek genomen.’
‘Ah! In 221!’ zegt Sjoerd, ‘Die man in een rolstoel.’
‘Ja, maar dat is, naar wij hopen, van tijdelijke aard. Hij heeft een enkelfractuur opgelopen tijdens een vriendschappelijk partijtje golf in Wassenaar. Hij stapte mis in een bunker en kwam ongelukkig ten val.’
‘Hè? Staan die oude dingen daar nog?’ vraagt Arnold.
‘Hoe bedoelt u?’
‘Ik dacht dat ze die betonkolossen ondertussen wel opgeruimd zouden hebben.’
‘Ah! U bedoelt die bunkers die de Duitsers gebouwd hebben. Nee, wij noemen een zandkuil op de golfbaan een bunker. Het is een hindernis voor de spelers.’
Arnold doet er het zwijgen toe. Deze Diederick is een vertegenwoordiger van een andere wereld. Een wereld die de meeste van deze koffiedrinkende medebewoners niet kennen. Laren, Wassenaar, adel, golven …. Ze zullen wel barsten van het geld.
Het is alsof Anneke zijn gedachten kan lezen. Veel geld en dan hier wonen. Wat klopt er niet?
‘Hoe is uw broer met zijn vrouw hier terechtgekomen?’ wil ze weten.
‘Constantijn en Annabel bezaten een woonboerderij bij Diever. Dat werd hen te groot. De kosten van twee paarden in de manage, de hovenier en de klusjesman werden elk jaar hoger en mede daarom wilden ze kleiner gaan wonen.’
‘Dan zal een flatje hier hen wel tegenvallen.’
‘Die geluiden heb ik nog niet gehoord. Integendeel zelfs. Het niet hebben van een tuin is voor hen beiden een verademing.’
Diederik kijkt op zijn glimmende horloge.
‘Zijn verpleegster zal ondertussen wel klaar met hem zijn,’ zegt hij, ‘Daar konden ze mij niet bij gebruiken. Ik ga weer naar boven en zal hen vertellen dat u als groepje een aangenaam gezelschap bent. Wellicht komen ze de volgende keer zelf. Moet ik de koffie nog betalen?’
‘Vijftig cent,’ zegt Anneke.
Diederick legt de munt op tafel. Het ding glimt alsof het goud is en zodra hij de deur achter zich sluit, pakt Jan de munt op en bekijkt hem aandachtig.
‘Nagelnieuw,’ is zijn conclusie, ‘Het zou me niet verbazen als hij ze zelf uit zijn adellijke reet perst.’
‘Lekker hè?’ zegt Els grinnikend tegen Jan, ‘Je hoeft je niet meer in te houden. We kunnen weer jijen en jouwen. Weet je wat? Vertel eens een lekkere schuine mop. Ik heb daar nu echt behoefte aan.’







Onbekend's avatar

About petergortworst

Schrijver van boeken en verhalen.
Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie