Amor

‘Zullen wij vandaag naar het tuincentrum om een boom te halen?’ vraagt ze bij het ontbijt.
Haar man, net bezig om zijn gekookte eitje uit te lepelen, kijkt haar even aan.
‘Ik heb er dit jaar geen zin in,’ bromt hij dan.
‘Waarin? Die boom ophalen of …?’
‘In dat hele kerstgedoe. Zogenaamd gezellig zitten zijn, lichtjes all over the place, vroom in de kerstnachtdienst liedjes zingen, vreten tot je pens barst, dat bocht die …die glühwein… het hoeft van mij dit jaar niet.’

Het is niet de verbazing die haar even laat zwijgen. Het is de ongerustheid over het welzijn van haar man. Sinds zijn burn-out van een paar jaar geleden, is het niet meer de man die zij trouwde. De streber van vroeger die haar en de kinderen soms tot waanzin dreef, is een goedzak geworden. Een ‘het hoeft toch niet vandaag?’ die vaak moeilijk te motiveren is om iets te doen. Hij is niet meer de grote motivator die iedereen op sleeptouw nam. Die vooruit leefde en ook zo liep. Nu is het haar taak om dat te doen. Gelukkig zijn de kinderen het huis al uit. Dat maakt die taak lichter maar evengoed is het samenleven met een patiënt, want zo ziet zij hem, een opgave. En is deze weigering om iets aan kerst te doen, geen opleving van zijn labiele geestesgesteldheid? Haar vraag naar het waarom van zijn nieuwe standpunt is daarom logisch.

‘Omdat ik de wereld niet meer begrijp,’ antwoord hij, ‘Als je de pers en de schreeuwrijkste brulapen in de politiek moet geloven, vindt niemand meer een woning, staat de helft van het land in de rij bij de voedselbank, bewondert iedereen door het dure gas, de ijsbloemen op de ramen en warmt de aarde desondanks op en dreigt er een massale sterfte omdat ze ingeënt zijn tegen corona. Er is geld zat in Nederland en iedereen komt tekort, zeggen ze. En natuurlijk ligt het volgens deze Pavlovhonden aan de buitenlanders dus hup, de grenzen moeten dicht, ze lullen wat over een Deens model, jagen de goedgelovigen de stuipen op het lijf door te schermen met een islamisering van de maatschappij alsof de onmogelijke voorkoming daarvan de problemen oplost. En dat is dan nog maar Nederland! Laten we het niet hebben over de Ukraine, Iran of Syrië. En in deze godverlaten wereld gaan we gezellig naar de kerstmarkt in Düsseldorf, Munster of godbetert in Tiendeveen! Ik bedank voor de eer!’

Ze hoort hem aan en constateert dat zijn keuze om geen kerst te vieren, niet in een opwelling is ontstaan.
‘Als ik je zo hoor is er eigenlijk niet één jaar geweest dat de wereld wèl kerst kon vieren.’
‘Dat zou best nog wel eens kunnen kloppen.’
‘Waarom doen de mensen dat dan wel?’
‘Weet ik veel! Zeg het maar! Zelfs in de oorlog, wat zeg ik, zelfs op het slachtveld, vierden ze kerst. Hoe idioot wil je het hebben!’
‘Ik denk dat het iets met dat kind te maken heeft.’
‘Welk kind?’
‘Dat kind in de kribbe. Weet jij nog dat wij een stalletje onder de boom hadden staan en dat jij op kerstavond, na de kerstnachtdienst, onder toeziend oog van onze kinderen, het kind in het kribbetje legde? Over dat kind heb ik het.’
‘Ik snap je niet. Wat heeft dat kind met al die problemen te maken? Ga je nu softie zitten wezen?’
‘Ho even! Zo voeren wij geen gesprek. Je gaat mij geen softie noemen.’
Hij slaat zijn ogen neer.
‘Sorry, je hebt gelijk.’
‘Oké. Is het jou wel eens opgevallen hoe mensen veranderen als ze met een kind in hun armen staan?’
‘Ja, maar ook als het een hondenpup is.’
Tot zijn verrassing gaat ze serieus op zijn komische maar sarcastisch bedoelde opmerking in.
‘Een pup kan ook, maar een hond is niet overal op de wereld geliefd. Een kind wel. Beiden hebben ze één ding gemeen. Het is nieuw leven en dat geeft hoop en verwachtingen.’
Hij kan het niet laten om weer een sarcastische opmerking te maken.
‘Ja, de hoop dat het snel zindelijk is en de verwachting dat het succesvol kan afstuderen.’

Met dat hij dit zegt, heeft hij er al spijt van. Een vlaag van ergernis trekt over het gezicht van zijn vrouw. Hij heeft haar moedwillig gekwetst terwijl hij dat helemaal niet wil. Het is zijn onvrede, zijn erger, zijn arbeidsongeschikt zijn. Hij mist zijn werk en zijn collega’s. Juist nu, in de laatste maand van het jaar, als de targets nog wat scherper werden gesteld, de schijnbare wetenschap dat er na de kerst geen dagen meer kwamen en alles daarom nog af moest, genoot hij van zijn werk. De stress vond hij heerlijk. Met vier projecten tegelijk bezig zijn en toch de ballen in de lucht kunnen houden. Hij genoot en nu? Het schuurtje opruimen is een levenswerk, bladeren wegvegen en in de groencontainer doen iets waar hij huizenhoog tegenop ziet. Hij weet dat gewoon werken er waarschijnlijk nooit meer in zit en dat maakt zijn bestaan een moedeloze zaak. Tien jaar eerder dan gedacht achter de geraniums. Hij weet zich nutteloos, een onbruikbaar geworden stuk gereedschap en soms zelfs een profiteur. Die frustratie viert hij bij tijd en wijle bot op de mensen om hem heen. Gelukkig weten die van zijn problemen en dat is maar goed ook. Hij zou anders weinig vrienden en familie overhouden. Nu is zijn vrouw het doelwit en zij is wel de laatste die dit verdient. Zonder haar was en is hij nergens en daarom spijt het hem dat ze toch weer zijn slachtoffer is. Als hij het zou kunnen, kon hij er wel om janken.

Ze kijkt naar hem en zwijgt. Hij heeft het moeilijk en dat ziet ze.
‘Gaat het weer?’ vraagt ze als hij zich blijkbaar herpakt heeft.
Hij knikt en zegt zacht:
‘We hadden het over hoop en verwachting.’
‘Ja, over dat kind. Weet je, degene die dat verhaal over dat kind in die kribbe bedacht heeft, deed dat niet voor niets. Kan jij je nog herinneren toen onze oudste geboren was? Jij ging de deur uit om de geboortekaartjes te regelen en je was verbaasd dat de hele wereld maar gewoon doordraaide. Jij had voor de eerste keer jouw eigen kind in de armen gehad en niemand op staat was zich daarvan bewust. Dat vond je toen heel raar.’
Hij glimlacht. Die herinnering staat in zijn geheugen gegrift.
‘Weet je ook nog wat je tegen mijn moeder zei?’ vraagt ze.
‘…Nee…?
‘Je zei: Baby’s kunnen drie dingen goed: zuipen, slapen en poepen maar wat ze het beste kunnen is volwassenen onvoorwaardelijk van ze laten houden.’
‘Ah! Ja, dat zou ik best gezegd kunnen hebben en het is toch ook zo?’
‘Precies. En daarom denk ik dat die schrijver van dat verhaal over dat kind in die kribbe het nodig vond dat het opgeschreven moest worden. Hij heeft, als hij het al zou weten, die toestanden van kerstmarkten, kerstbomen, kerstkransjes en kerstdiners vast niet voorzien omdat het hem daarom niet ging. Ik denk dat hij de mensen er aan wilde herinneren dat er nog zoiets als ‘houden van’ iets van ‘liefde’ bestaat. Als mensen zich dat herinneren, ontdekken of opnieuw ontdekken is er, in weerwil van al het verdriet, alle wreedheid, alle uitzichtloosheid en al het onrecht, nog hoop voor deze, in jouw ogen godverlaten wereld.’
‘Dat is het probleem. Ze moeten ze het wel willen zien en ook nog geloven.’
‘Ze kunnen het elke dag zien en geloven komt niet vanzelf. Het is per slot van rekening een werkwoord.’
Hij glimlacht en knikt instemmend.
‘Afruimen en afwassen zijn ook een werkwoorden,’ zegt ze met een grijns, ‘Ik ga boodschappen doen dus, Kerstman, aan het werk!’

Het is de dag voor kerst en ze stuurt hem naar de markt voor een kilo kaas en twee haringen zonder ui. De markt sluit vandaag om drie uur dus hup, hup, snel weg nu!
Zodra hij de poort uit is, belt ze de buren.
‘Hij is weg. Kom maar met de handel!’
In een vloek en een zucht staat er in de hoek van de kamer een kerstboom met slingers, ballen, lampjes en een piek.

Ze wacht tot de poort open gaat, vouwt snel een kartonnen doos dicht en schuift deze dan snel onder de boom. Als hij binnen komt blijft hij stom van verbazing staan.
‘Hè? Een kerstboom? Waar komt die zo snel vandaan?’
‘Vertel ik je later. Je moet eerst die kartonnen doos openmaken.’
‘Heb je een kerstcadeau voor mij gekocht?’
‘Ja. Maak nu maar open.’
Aarzelend vouwt hij de flappen uiteen en slaat dan zijn handen voor zijn gezicht. In de doos zit een pup. De tranen lopen hem over de wangen als hij de pup uit de doos neemt, hem tegen zijn borst drukt en zijn wang tegen dat warme kleine hondenlijfje drukt. Dan bekijkt hij het beestje wat beter en constateert dat het een reutje is.
‘Het is een Jack Russel,’ zegt zij.
‘Ik dacht het al! Leuk! Mijn favoriete bek op pootjes. Hoe gaan we hem noemen?’
‘Dat mag jij verzinnen zolang je deze bek op pootjes maar geen Gideon noemt.’
Nadenkend bekijkt hij het bruin, zwart en witte mormel. Nieuwe, ontluikende liefde in zijn hart maakt het hem makkelijk.
‘Amor,’ zegt hij, ‘Dat lijkt mij een mooie, passende naam.’
Ze is het hartgrondig met hem eens.

©Peter Gortworst / dec. 2022

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Amor

  1. Niks zo mooi als de liefde van een hond. En de geur van een puppy-buikje 🙂

    Geliked door 1 persoon

  2. Een reëel geschreven verhaal met een treffend eind!

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s