Mijn boeken staan en liggen hopelijk uitnodigend, op mijn tafel. Klaar voor de eerste kopers. Een man loopt langzaam langs de tafels en bij mij blijft hij staan.
‘Wat een rare titels heb jij,’ merkt hij op.
Hij pakt een boek op, bekijkt het van de zes kanten en leest dan half hardop de titel.
‘De glimlachende dode….. Ik heb nog nooit een dooie gezien die glimlachte.’
‘Ik weet er van één die dat wel deed,’ waag ik op te merken.
‘Gaat daar dit boek over?’
‘Nee. Het was een pastoor die in zijn slaap overleden was en met een glimlach op zijn gezicht in bed gevonden werd. De dode in dit boek is heel iemand anders.’
‘Dat is dan een zeldzaamheid. Ik heb heel veel dooien gezien, maar geen eentje die glimlachte.’
‘Bent u begrafenisondernemer?’
‘Ik zat in het leger en was uitgezonden naar Afghanistan. Van alle kinderen, vrouwen en mannen die in dat godverlaten land kapotgeschoten waren, was er niet één die lachte. Dat wordt ook lastig als je halve gezicht weggeschoten is.’
Hij pakt het weer boek op en leest de flaptekst.
‘Is dit allemaal door jou bedacht?’ wil hij weten.
‘Voor een deel. Een Syrische vluchtelinge heeft een belangrijke bijdrage geleverd. Haar aandeel is niet verzonnen.’
‘Waar woonde ze in Syrië?’
‘Homs.’
‘Staat hier ook in hoe het daar was? Hoe willekeurige mensen op straat zomaar neergeschoten werden? Hoe er doodgemarteld werd in de gevangenissen? Hoe tanks zonder duidelijk doel hun huizen kapot schoten?’
‘Ja….’
‘Dan koop ik het niet.’
‘Oh….?’
‘Ja, sorry, maar ik kan dat niet lezen. Alles komt dan weer terug. De angst, de machteloosheid, het verdriet ….. Dan zie ik weer het kleine meisje bij het dode lichaam van haar moeder, de oude vrouw op de grond met het hoofd van haar vermoorde man op haar schoot ….. Als ik niet oppas, ga ik weer drinken en dat wil ik niet.’
Ik kijk hem een tijdje zwijgend aan.
‘Ben je alleen?’ vraag ik.
‘Ja, toen ik terugkwam, hield mijn vrouw het niet meer met mij uit. Ik was niet meer de man die ze getrouwd had.’
‘Dus als alle herinneringen weer terugkomen, moet je daar alleen mee zien te dealen?’
‘Ja, en daar heb ik een telefoon voor.’
‘Je kan iemand bellen?’
‘Nee, alsjeblieft niet. Er staan spelletjes op mijn telefoon en die speel ik dan. Soms uren achter elkaar, soms een uurtje. Ik moet spelen. Overdag, midden in de nacht, het maakt mij niet uit. Ik ben eraan verslaafd. Zeg, ik heb een vraag: schrijf jij boeken om van je af te schrijven?’
‘Uh… nee. Ik schrijf, omdat ik het leuk vind verhalen te verzinnen en met taal bezig te zijn. Soms probeer ik tussen de woorden of de komma’s een boodschapje te ventileren, maar ik ben daar heel terughoudend in. Er zijn al dominees genoeg. Vraag je dit, omdat je denkt dat jij jouw leven van je af zou kunnen schrijven?’
‘Dat heb ik eenmaal geprobeerd, maar ik werd gillend gek. Ik had een lijst gemaakt met de namen van alle maanden dat ik daar zat. De bedoeling was om per maand de gebeurtenissen te noteren, maar dat alleen was mij al te veel. Ik heb toen een tijdje weer flink gedronken. Gelukkig gaat het nu weer goed.’
‘Misschien eindig je wel als een glimlachende dode,’ opper ik.
‘Weinig kans, maar wie weet. Het kan best zijn dat ik dan lach, omdat dood zijn het beste is wat mij kan overkomen.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Nogal abrupt draait hij zich om en loopt weg. Ik kijk hem na. Hoe was dat ook alweer met de mens in oorlog of de oorlog in de mens? Noem het zoals het is: hij is één van de vele oorlogsslachtoffers. Een overlevende, maar of je daar nu blij mee moet zijn?