De wijde wereld

Zuri heet ze. Zuri komt uit Tanzania, is klein van stuk, heeft een lief gezichtje met parelwitte tanden, is zo zwart als de nacht en heeft een uit de kluiten gewassen kont. Haar naam betekent ‘mooi’ maar dat iedereen aan het begrip ‘mooi’ een andere betekenis geeft, is voor hem wel duidelijk. Hij vindt haar forse kont niet mooi. Hij vindt dat zelfs lelijk. Anderen vallen daar misschien op. Hij beslist niet. Waar hij wel op valt, is het feit dat ze uit Tanzania komt. Een land dat hij had willen bezoeken als de rondreis door Afrika ooit werkelijkheid was geworden. Iedere keer dat hij haar ziet of spreekt, voelt hij een zekere weemoed, een stil verlangen in hem opkomen, en dat is niet voor niets.
Zuri staat hem in de weg. Het zijn haar stofzuiger en kont die hem de doorgang beletten. Met een elektrische rolstoel wip je er in de lange, niet al te brede gangen van dit tehuis niet zomaar even langs. Er moet ruimte worden gemaakt en met een brede glimlach die de witte pareltjes blootlegt, laat ze hem erdoor.
‘Moet u al weg?’ vraagt ze.
‘Ja, ik moet weg.’
‘Fijne dag, meneer Bert.’

Hij was vijfenveertig jaar. Getrouwd met Henny en ongewild kinderloos. Hij werkte als afdelingsleider in een grote fabriek waar grote machines werden gemaakt. Zij was filiaalhoudster bij een landelijke winkelketen. Het geld dat ze verdienden was meer dan genoeg. Ze spaarden voor een luxe camper waarmee ze, als ze tegen de zestig liepen, grote reizen zouden gaan maken. Niet meer met het vliegtuig naar Nieuw-Zeeland, Mexico, Zuid-Afrika of Canada, maar met hun eigen woonhuis op wielen naar Griekenland, Marokko of nog verder. Gaan waarheen je wil. Dat zouden ze, maar het liep anders. Op een ongelukkige dag schoof een massieve metalen plaat van de machine en hakte zijn beide enkels eraf. Een typisch bedrijfsongeval, maar de consequenties waren aanzienlijk. De voeten er opnieuw aanzetten mislukte en daarna begon het gemier met twee protheses. Duidelijk was dat autorijden niet meer zou gaan en de invaliditeitsuitkering aangevraagd kon worden. Henny trok dit niet en liet zich van hem scheiden. Hij begreep dat. Hij kon haar niets meer bieden. Wat bleef is een aangepaste woning in dit tehuis. Warm eten uit de magnetron, een zuster die hem om de dag helpt met douchen en het onvervulde verlangen naar die verre reizen.

In de papieren die hij bij de elektrische rolstoel kreeg, staat dat de actieradius bij een volle batterij 30 km is. Omdat hij niet zomaar alles gelooft, heeft hij dat proefondervindelijk gecontroleerd. De fietsenmaker heeft een kilometerteller gemonteerd. Zonder de batterij op te laden kon hij een paar keer boodschappen doen, naar de afhaalchinees en de apotheek. Toen de teller 25 km aangaf, werd de snelheid van zijn rolstoel zo laag dat langer doorrijden niet verantwoord was.
Hij zou dus ergens naartoe kunnen wat op 12 km afstand ligt, en dat is Smallingerheide.

Om kwart over zeven is het nachtslot van de voordeur en zal niemand hem vragen waar hij heen gaat. Door de voordeur en rechtsaf. Eerst de stad uit en dan het fietspad naar Smallingerheide. Het is frisjes, maar het belooft een prachtige voorjaarsdag te worden. De bomen zijn al groen, overal bloeien paardenbloemen, de scholekster tepiet er op los en de kieviten draaien en buitelen hun baltsvlucht. Hij geniet. Het is dan wel geen wereldreis, maar het is toch de wijde wereld intrekken. Gaan waarheen hij wil.

Om kwart over acht is er in het rustieke Smallingerheide nog niet veel te doen. De bakker verkoopt brood, maar geen kopje koffie. Het café-restaurant de Harmonie gaat om tien uur open en hij weet niet veel beters te doen dan op de Brink zijn rolstoel te parkeren en te wachten tot er wat leven in de brouwerij komt. Er staan bankjes rond een beeld dat ‘de wandelaar’ moet voorstellen. Een bronzen, mensvormig geval met te grote voeten, een rugzak en een lange stok. Hij kan zich niet heugen ooit een wandelaar te hebben gezien die met zo’n lange stok loopt. De beeldhouwer misschien wel. Een langslopende mevrouw met een grote hond vraagt of het wel goed met hem gaat en of ze misschien iets voor hem kan doen. Hij wimpelt haar af. Dat doet hij ook met de volgende vier dorpsbewoners die zich om hem willen bekommeren en ter voorkoming van nog meer bemoeienissen, besluit hij een rondje door het dorp te rijden. Er is niets te beleven, maar het doodt de tijd.

Om tien uur is hij de eerste en enige klant in de Harmonie. Koffie met een appelpunt en ja, doe er ook maar slagroom op. De koffie smaakt hem niet, de appelpunt is te koud en de slagroom komt uit een spuitbus. Om half elf gaat hij op huis aan.

Het metertje van de batterij staat op minder dan de helft en dat baart hem zorgen. In dat dorp een beetje rondrijden was wellicht niet zo’n goed idee. De flauwe helling van de brug over het kanaal met zijn einddoel al in zicht, is zijn rolstoel te veel. Halverwege de helling valt hij stil. Het motortje klikt wel als hij de gashandel inknijpt maar een voortgaande beweging zit er niet meer in. Wel langsrijdende fietsers, maar nu is er niemand die vraagt hoe het met hem gaat. Wat te doen? ‘Help!’ roepen? Met zijn armen zwaaien? Als een dooie in zijn stoel gaan hangen om aandacht te vragen? Hij weet het niet.
‘Hé opa!’ klinkt er plotseling een stem, ‘Gaat het wel goed?’
De stem komt uit een glimmende, grote, rode brandweerwagen die met blauwe zwaailampen stil is gaan staan op de rijweg naast het fietspad.
Hij schudt zijn hoofd. Prompt springen er vier brandweerlieden uit wagen.
‘Is’tie stuk?’ willen ze weten.
‘De batterij is leeg.’
‘En je kan niet lopen?’
Hij wijst naar waar eens zijn voeten zaten.
‘Dat wordt nog flink oefenen voor je marathon kan lopen,’ merkt er eentje op, ‘Wacht even’
Hij knielt voor hem neer en zegt dat hij voorover moet leunen. Voor hij het weet, hangt hij over de schouder van de brandweerman.
De man draagt hem naar de brandweerauto. De andere drie ontfermen zich over de rolstoel.
‘Pak hem effe aan, Freek,’ zegt de drager.
Freek trekt hem als een voddenbaal omhoog en stalt hem op de stoel naast de bestuurder.
‘Waar moet je wezen?’ vraagt die.
Hij geeft zijn adres.
‘Mooi dat we je even konden helpen,’ zegt de man, ‘We gaan vanmiddag op oefening om mensen uit benarde situaties te redden en van alle dummy’s die we vandaag gaan zien, ben jij de enige die echt leeft.’

Bij het tehuis aangekomen, zetten ze hem in de rolstoel. Twee brandweermannen in vol ornaat die hem naar zijn woning duwen, roepen natuurlijk vragen op, maar hij zegt niets. Hij wipt in zijn gewone rolstoel en de mannen zetten de elektrische aan de oplader.
‘Er moeten vast en zeker zwaardere batterijen te krijgen zijn,’ had één van de mannen gezegd, en zodra ze weg zijn, speurt hij het internet af. Smallingerheide is een miniem stukje van de wijde wereld. Voor de bevrediging van zijn oude verlangen moet er meer te bereiken zijn.

Onbekend's avatar

About petergortworst

Schrijver van boeken en verhalen.
Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie