Kwajongens

Voor wie Zaandam kent is deze tekst misschien een feest van herkenning. Hopelijk beleeft ieder ander er toch plezier aan.

 

Het zal de leeftijd en de nadering van Luilak zijn die bij mij herinneringen oproepen. Eénmaal per jaar mocht je geoorloofd kattenkwaad uithalen en dat deden wij dan ook. Niet dat we de andere dagen van het jaar brave en oppassende jongetjes waren. Verre van dat. Wat moeten jongetjes die nog geen weet hadden van computerspelletjes of 24/7 tv anders? Als je thuis geen verplichtingen had en de school gesloten, speelde je, met of zonder vriendjes, op straat. Waar kan je beter spelen dan in het centrum van een stad. Er was altijd wel wat te doen. Ik zal mijn beminde lezers in deze tekst een paar voorbeelden geven van wat wij zoal deden. Ik hoop dat mijn biecht geen consequenties heeft. Als het al niet onschuldig was dan is het wel verjaart.

Wij woonden in de Westzijde tegenover Bischoff. Rechts naast ons was de bakkerij van Grauwelman. Eén van zijn zonen was een fanatiek liefhebber van de postduivensport. Regelmatig deed hij mee aan wedstrijden. De duiven werden dan gelost in Lyon of andere Franse steden die heel ver buitenland klonken. Degene wiens duif het eerste thuis kwam, kon bijvoorbeeld een koelkast winnen. In die dagen een prijs van formaat. De thuiskomst was altijd op zondag. De dag dat wij twee keer naar de kerk in de Stationsstraat moesten. Half tien en vijf uur. In de uren daartussen kon en mocht je niet veel doen. Je had nette en goede kleren aan dus dat was oppassen geblazen. In de tuin zitten, met de rug tegen de schutting van Grauwelman kon wel. En net als de zoon van Grauwelman, zaten wij te wachten. Als de duivenmelker een duif meende te zien rammelde hij met het voerblik en floot zijn karakteristieke lokfluitje. Nu hadden zijn duiven de gewoonte ontwikkeld om eerst op het dak van het magazijn van Bischoff te landen. Dat was bij ons aan de linkerkant. Vandaar maakten ze een zeilvlucht naar beneden om te landen op hun hok. Spannende momenten waren dat. Voor de duivenmelker maar ook voor ons. Timing was belangrijk. Zodra de duif de landing inzette en onze tuin kruiste, klapte je op het goede moment in je handen. Duif met een haakse bocht weg, wij op de vlucht richting huis en een buurman die vloekend over de schutting vloog. Heel spannend allemaal.

Af en toe had Grauwelman bezoek van zijn vader. De man was al aardig op leeftijd en niet geheel fit meer. Wat hij nog wel graag deed was met zijn hengeltje op de beun zitten en proberen wat vis te vangen. Hij was niet de enige die het dobbertje in de gaten hield. Wij deden dat ook en zodra er beweging kwam gooiden wij een flinke steen met een boogje richting dobber. Zijn kleinzoon had het vloeken vast van hem geleerd. Wederom moesten wij vluchten om het vege lijf redden.

Een klassieker: Portemonnee aan een touwtje en je verstoppen in de etalagegangen van Bischoff. Opa Hogendijk, die boven Kaasschieter woonde, zette zijn stoel voor het raam om mee te kunnen genieten.
Deze opa kon het goed vinden met de hond, een boxer, van de familie Negrijn. Hun brasserie lag inverdan en op het pleintje daarvoor speelde opa vaak met de hond. Tot de boxer een keer zijn oranje gummi dop van de stok aftrok en uiteraard weigerde deze los te laten. Opa had die stok echt nodig en heeft daar een, voor zijn leeftijd, bovenmatige lichamelijke inspanning moeten leveren. Spelen met de hond bleef hij doen maar de stok werd angstvallig uit het zicht van de hond gehouden.

Wonen aan de Zaan gaat niet zonder spelen op de Zaan. Wij hadden een oude zinken badkuip die ideaal bleek om in te kunnen varen. Het gaatje in de bodem hadden wij vakkundig dichtgestopt met wat teer. Je moest er op je knieën in gaan zitten. Alleen zo kon je het ronde ding in evenwicht houden. Nadeel was wel dat je regelmatig naar de kant moest om de bloedsomloop in je benen de kans te geven zich te herstellen. Met een plank als peddel hebben we aan deze badkuip veel plezier beleefd. Het mooiste was een flinke sleper die uit de sluis kwam en flinke golven maakte. Nog mooier was achter een schip aanvaren. Het schroefwater maakte lange golven waar de neus van de ‘boot’ mooi in kon duiken. Niet iedereen zag de lol in van deze nautische capriolen. Af en toe werden wij via de luidsprekers vanuit het brugwachtershuis op de Beatrixbrug gemaand te verdwijnen en ook van veel schippers kregen wij dergelijke bevelen. Met de wijsheid van nu vraag je je af hoe dom we wel niet bezig waren. Het was beslist gevaarlijk.

Vlotten bouwen was ook een favoriete bezigheid. De steiger van IJzerhandel Huisman bood daarvoor alle materialen. Wij konden via het erf van Grauwelman, Negrijn en fotograaf de Jong bij die steiger komen. Pallets genoeg en in het afval vonden wij spijkers te kust en te keur. De kromme sloegen we recht. Zo hebben wij een keer een vlot gebouwd wat genoeg draagkracht had om ons beiden te dragen. De bovenkant lag dan wel gelijk aan de waterlijn maar het hield. Een nadeel was dat je moest blijven staan. Mensen op afstand moeten in ons beslist twee jonge Zaanse jezusjes gezien hebben die op het water van de Zaan konden lopen. Met lange planken als peddels voeren we het pontje van het Ruyterveer voorbij. Dat de schipper een beetje gas gaf omdat het pontje los kwam van de kade konden wij niet weten. Het schroefwater trok eerst het vlot een halve meter naar beneden om het vervolgens schuin omhoog te drukken. Toen waren wij al aan het zwemmen. De schipper heeft ons nog aan boord gehesen en zo konden wij, heel hard lopend en een spoor van water achter ons latend door de Westzijde naar huis. Moeders was niet blij. Nog meer vieze was en wat zullen de mensen wel niet denken.

Dempen waren een ideaal speelgebied. Voorheen open riolen die dichtgegooid waren. Het huisje achter in de tuin werd vervangen door een echt toilet in of aan de woning en de gedempte riolen kregen de status van een achterom. Er waren er drie. Eén tussen de Zeemanstraat en de Stationsstraat. Daar kwam je door langs de personeelsingang van de Typhoon te lopen. Eén was er tussen de Stationsstraat en de Herengracht. De ingang was aan het einde van de steeg tussen Bischoff en het Doopsgezinde weeshuis. Deze demp liep helemaal door tot de Herenstraat. De laatste kon je bereiken via het Wijnkanspad. Je kwam dan halverwege de Hoopsteeg uit en de demp liep daarna verder. Of het dan op de Vaartkade eindigde weet ik niet meer.
Nu waren er aan de Herengracht een paar huizen die nog een wc aan de demp hadden. Een wc met daaronder het houten tonnetje. Wij staken een plank onder het tonnetje. Onder de plank, dichtbij het tonnetje, een klos of baksteen. En dan wachten. Wachten tot er eindelijk iemand gebruik ging maken van deze sanitaire voorziening. Als wij zeker wisten dat de man of vrouw goed zat, sprongen wij op het uiteinde van de plank. Het tonnetje vloog omhoog en het gevloek of geschreeuw was onze beloning.

Tussen het Wijnkanspad en de Botenmakerstraat lag een brandweerkazerne. Wanneer er, naar het geluid te oordelen ergens brand was, pakten wij onze fiets en gingen bij de kazerne kijken wat er op het bord stond. Daar werd voor de laatkomers opgeschreven waar de uitruk naar toe aan het rijden was. Ook voor ons was dat makkelijk. Je hoefde dan niet als een gek achter de brandweerwagen aan te sjezen.

Op een gegeven moment besloten de winkeliers in de Westzijde dat het wel mooi zou zijn om in de tijd voor kerst de straat op te fleuren met echte kerstbomen en elektrische lampjes. Wie de bomen regelde weet ik niet. Wel weet ik dat de familie Pootjes ( ja, die van Edison ) de lampjes kon leveren. Het was een feestelijk gezicht tot er een paar belhamels op het idee kwamen lampjes los te draaien. Niet één maar zo veel mogelijk. Per boom twee strengen met lichtjes geeft dan een hoop werk voor de hersteltroepen. Ze kwamen klagen bij onze vader maar die wist zeker dat zijn jongens dat nooit zouden doen. De volgende avond deden we het weer maar toen lagen de gebroeders Pootje in een hinderlaag. Wij konden bij ons de steeg nog invluchten. Voor onze vader viel er niet veel meer te ontkennen. ‘Niet meer doen’ was de wijze raad die hij ons gaf.

Ja, en dan luilak. Herrie maken met een omgekeerd conservenblik op de bagagedrager, touwtje via de zijkant van de wielnaaf en een spijker om het touwtje strak aan te draaien. Halve knijpers met elastiek op het doosje van de schoenensmeer en via de spaken laten ratelen. In alle vroegte krentenbollen halen bij de Zeeuw. Van twee, naar binnen draaiende deuren in een portiek, de deurknoppen met een oude binnenband van de fiets aan elkaar binden. Speld in de deurbel en aan de overkant van de straat wachten op de dingen die gingen gebeuren. Dat deden we ook als we ergens op een ruit bonsden en vervolgens een oud raam op de straat lieten vallen. Allemaal redelijk onschuldig maar helaas werd toen al langzamerhand het feest verpest door vandalisme en bijbehorende  politieoptredens.

Nu ik dit zo schrijf komen er natuurlijk veel meer herinneringen boven. TV kijken bij Wastora, met ouwejaar genieten van het vuurwerk bij Kota Radja, sinteremaarten lopen en bij Aspa de mooiste dingen krijgen, stripboeken lezen in de doorgang van Simon de Wit, rolschaatsen in de etalagegangen van Bischoff, op de dakkapel van ons huis liggen en de Westzijde van boven bekijken, gebakje bietsen bij de banketbakker van de Zeeuw, in de vakantietijd de bel luiden van melkboer Zwikker en aan het einde van de week er een paar daalders aan over houden, lopen op de bevroren Zaan en er een pesthekel aan hebben als het ijs stukgevaren werd, elke week het koper poetsen omdat de Zaan een tijdlang een giftig dampend en meurend water was. Gierende buikpijn van gejatte maar nog niet rijpe peren. Langs de deur met een gehuurde handkar om oud papier op te halen. Afleveren op het Rustenburg en met een paar klinkende guldens naar huis.

Zoals gezegd: het zal de leeftijd zijn en de nadering van luilak. Mooie herinneringen maar luilak en pinksterdrie zijn niet meer en dat is toch wel jammer.

 

©peter gortworst / mei 2020
foto: smeerling-antiek.nl     

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Zwartwit

Het einde van een warme zomerse dag. De grote groene speelweide bij het water ligt er verlaten bij. Het gras ademt de vochtige avondlucht met volle teugen in. Het moet zich herstellen van de spelende kinderen, de zonaanbidders op hun king-size badhanddoeken en de aluminium poten van de stoeltjes. Op een enkele plek gaat dat niet lukken. Daar is het gras verbrandt door onverlaten die meenden dat een wegwerpbarbecue geen kwaad kon.

Op die weide scharrelen twee figuren rond. Beiden speuren de grond af op zoek naar dat wat de bezoekers vandaag misschien vergeten of verloren zijn. Het zal een lucratieve bezigheid zijn want waarom zou je het doen als het niets oplevert. De ene is donker van kleur. Dat is een understatement. Hij is gewoon pikzwart. De ander niet. Die is het tegenovergestelde. Spierwit maar met een beetje grijs. Al rondscharrelend komen ze bij elkaar in de buurt.

‘Al wat gevonden?’ vraagt de witte.
‘Nee,’ antwoord de zwarte, ‘Niks bijzonders in ieder geval.’
Met een driftige tik schuift hij een leeg blikje opzij omdat je nooit kan weten of er toch niet iets onder ligt. Weer niks.
‘Er zijn wel eens betere dagen geweest,’ meent de witte.
‘Ja, maar de ene dag is de andere niet.’
‘Dat klopt.’
Geen van beide weet naderhand te zeggen hoe het moment ontstaan is. Voelden ze samen de diepere lading die in deze paar woorden schuilt? Eén ding weten ze wel: hier is het begonnen.

Het is zo’n moment, zo’n zeldzaam moment dat bedachtzaamheid, gelardeerd met gedachten over het bestaan in het algemeen en het doel van hun beider aanwezigheid op die plaats en dat uur, hen laat staren naar de ondergaande zon. Deze kust de horizon en wekt daarmee de filosofische gedachten, die zich daarachter bevinden en worden zo, alsof je ze echt kan zien, hanteerbaar voor deze zwarte en witte. Twee zielen, één gedachte. Het had zo mooi kunnen zijn.

‘Hoe is het eigenlijk om zo zwart te zijn?’ vraagt de witte na een korte, weldadige stilte.
Hij hoort hoe de ander even zijn adem inhoudt en heeft al spijt van zijn vraag.
‘Sorry,’ zegt hij dan, ‘Maar ik moest het even vragen. Ik loop er al zo lang mee. Hoe het is om wit te zijn weet ik maar zo mooi zwart als jij, daar kan ik mij geen voorstelling van maken. Weet je, eigenlijk ben ik een beetje jaloers. Wit is gewoon wit maar zwart lijkt altijd wel dieper zwart te zijn. Het glimt soms zo mooi en af en toe lijkt er wel donkerblauw of diepgroen doorheen te komen.’
‘Ik ben blij met de verduidelijking van je vraag,’ antwoordt de zwarte, ‘Ik was even bang dat er weer van die rare en nare opmerkingen zouden komen.’
‘O nee!’ zegt de witte geschrokken. ‘Dat is absoluut niet de bedoeling. Ik zal niet zeggen dat ik vrij ben van vooroordelen maar probeer mij telkens weer te corrigeren als ik het toch doe. Geloof mij, ik heb niets kwaads in de zin.’
De zwarte kijkt hem even aan maar weet toch niet goed wat te denken.
‘Zeg eens eerlijk,’ vraagt hij, ‘Ben ik nu je excuustruus? Praat je nu met mij om jezelf een goed gevoel te geven?’
De witte moet even slikken. Zijn eerste reactie is een glasharde ontkenning maar hij kan die nog net binnen houden. Dit gezamenlijke moment is kostbaar en zeldzaam en dat maakt hem stil. Een ontkenning zou het kapot maken. Alles zou weer zijn zoals het was en juist dat wil hij voorkomen. Het verbaast hem niet dat hij een lichte vorm van verdriet voelt. Bij hem zie je dat er aan de buitenkant niet van af maar het is een gevoelig wezen.

‘Laat mij even hardop denken,’ zegt hij zachtjes, ‘Misschien kan je het vergelijken met iets goed doen voor een ander. De ontvanger is blij en krijgt een goed gevoel maar de gever ook. Deels omdat zijn gift goed terecht komt. Deels omdat hij bij machte is om te geven en misschi…’
‘Stop!’ zegt de zwarte met een lichte stemverheffing, ‘Ik weet wat je gaat zeggen. Het maakt hem trots op zichzelf en bevestigt hem in zijn macht over de ander. Kijk wat ik kan en jij moet nu dankbaar zijn. En voor je een conclusie trekt: dit heeft niets met zwart of wit te maken. Het is van altijd en overal.’
De witte zegt even niets. Het gesprek gaat een kant uit die hij niet wilt maar zoals zo vaak zitten er meer kanten aan een zaak. Slecht zelden is iets zwart of wit. Dan zegt hij:
‘Je hebt gelijk. Helaas komt dat ook voor maar dat wilde ik niet zeggen. Er is een spreekwoord dat zegt “wie goed doet, goed ontmoet”. Er is een kans dat, vroeg of laat, de gever de ontvanger wordt. Niet iedereen kan dan daar mee om gaan. Iets goed geven is een kunst maar iets goed ontvangen ook. Blijdschap, afhankelijkheid en trots schuren in veel gevallen beetje. Maar ik wil even terug naar het begin van ons gesprek. Jij had het over een excuustruus. In mijn ogen ben je dat niet. Ik wilde een gewoon gesprek met je voeren en je iets vragen wat mij al tijden bezig houdt.’
‘En een gewoon gesprek begin je met te vragen hoe het is om zwart te zijn? Waarom begin je niet over de troep die hier ligt? Of over het weer? Snap jij nu zelf niet dat het lariekoek is wat je zegt? Vraag je dat ook aan een gele of een bruine of aan een geelbruine? En zullen we het even niet hebben over de onrust die ontstaat wanneer ik, als zwarte, in jouw witte wijkje kom?
De witte zwijgt. Hij meent dat zijn goede wil niet wordt begrepen en vermoedt sterk dat deze zwarte iets duidelijk wil maken wat hij niet begrijpt. De zwarte heeft voor de zoveelste keer ervaren dat er nog werelden te winnen zijn.

Het moment is stuk en beiden weten dat.
‘Je woont zeker bij al die andere witten daar bij de zee?’ vraagt de zwarte.
De witte knikt zachtjes.
‘En jij?’
‘In de stad. Dat park bij het station.’
De witte wil niet de eerste zijn die vertrekt. Het geeft misschien een verkeerde indruk, Daarom zegt hij:
‘Laten we maar op huis aangaan. Het is al te donker om hier nog goed te kunnen zoeken.’
‘Ja.’ zegt de zwarte kraai. Hij vliegt op en zet koers naar zijn kolonie in het park. De zilvermeeuw kijkt hem even na, neemt een korte aanloop en vliegt dan naar zijn wijkje in de duinen met allemaal witten. Twee vogels die met een ongemakkelijk gevoel blijven zitten.

 

 

© peter gortworst / mei 2020
afbeelding:  Campusblog.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie

De schoen op het nachtkastje

Ze is jong, beschikt over een bovenmatige slimheid en heeft een figuur waar menig mannenhart sneller van gaat kloppen. Gelukkig is niet iedereen perfect. Zij ook niet. Bij tijd en wijlen is zij een chaoot van het zuiverste water. Vaak gaat het goed maar er zijn van die momenten. Op de regel dat vrouwen de kunst van multitasking beheersen, is zij de spreekwoordelijke uitzondering. Dat weet zij van zichzelf heel goed. Daarom heeft zij zich, gedurende haar nog korte bestaan, handigheidjes aangeleerd. Zo staan er naast de kookplaat vier eierwekkers. Als ze alleen aardappelen, vlees en groente moet bereiden gaat dat nog maar met een extra pannetje voor bijvoorbeeld een saus, heeft ze de wekkers echt nodig. Gebruikt ze deze niet dan kan je er op wachten dat er iets aanbrandt. Ze is ook goed met het schrijven en plakken van notitiebriefjes en zonder agenda zou haar leven een opeenstapeling zijn van gemiste afspraken en vergeten verjaardagen.

De briefjes vullen een belangrijk deel van de spiegel in haar slaapkamer. Op het bed ligt haar koffer en één voor één trekt ze een briefje van de spiegel. ‘Rode topje’ leest ze en uit haar kledingkast haalt ze dat topje en doet het in de koffer. ‘Zwarte bikini’ staat er op de volgende. Met een warm en tevreden gevoel vult ze zo met briefje-kledingstuk-inpakken haar koffer.

Het is best een mooi gebaar van Betty, haar vriendin, om te vragen of zij voor tien dagen haar gezelschap wil houden op Tenerife. Zij zit daar minimaal een half jaar voor haar werk en dan kan je na een paar weken het thuisfront al aardig missen. Het is niet voor niets dat zij hagelslag, Engelse drop en stroopwafels mee moet nemen. Betty kijkt er naar uit dat ze weer gewoon in het Nederlands kan kletsen. Het Spaans gaat haar goed af maar de leukste grapjes maak je toch in je eigen taal.

Ze gaat vroeg naar bed. Vannacht om twee uur gaat de wekker. Ze drinkt het laatste restje jus d’orange en schakelt de koelkast uit. Die heeft de komende tien dagen ook vakantie. Als ze net in bed ligt schiet het door haar hoofd dat ze haar paspoort niet mag vergeten. Die heeft ze standaard verstopt achter het schilderij wat ze nog van haar oma heeft gekregen. Zichzelf kennende past ze één van haar handigheidjes toe: ze legt haar schoen op het nachtkastje. Dat doet ze vaker en als herinneringen oproepmiddel werkt het uitstekend.

Precies om twee uur gaat de wekker. De toch nog korte nacht is zij niet gewoon en half overeind komend zoekt zij, maaiend met haar arm, het klokje. Dan ploft ze terug en bedenkt wie het in zijn hoofd heeft gehaald vliegtuigen op zo een onchristelijk vroeg tijdstip te laten vertrekken. Ze bedenkt wat er nu gaat gebeuren en hoe leuk het zal zijn dat Betty haar straks op zal staan wachten. Met een schok komt ze overeind en constateert dat ze bijna een half uur heeft liggen dagdromen. Een licht gevoel van paniek maakt zich over haar meester. Gehaast kleed ze zich aan, pakt de koffer en haar handtas en spoed zich via het trappenhuis naar buiten. In de auto start zij de navigatie. Deze moet haar brengen naar het adres waar ze haar auto tien dagen kan parkeren. Er is bijna geen verkeer op de weg en als je de flits van de camera die de te hoge snelheid vastlegt niet meetelt, verloopt de rit voorspoedig.

De man van het parkeerbedrijf staat al op haar te wachten. Als zij zich wil verontschuldigen blijkt dat niet nodig. Er is tijd genoeg en wanneer hij haar in zijn bedrijfsauto naar de luchthaven vervoert, komt zij een beetje tot rust. Het kaartje met zijn telefoonnummer heeft ze in haar tas gestopt en ze geniet van de rit. Het is een mooie heldere nacht en ze ziet dat het in het oosten al langzaam licht wordt.

In de hal van de luchthaven blijkt dat er nog genoeg tijd is voor een kop koffie en een broodje. De smaak van de koffie is onevenredig met de prijs die zij daarvoor betaalt. Als ze het toch maar weggewerkt heeft, opent ze haar tas en vist daar de tickets uit. Dan voelt ze een koude rilling opkomen. Het begint bij haar voeten, kruipt langzaam omhoog en nestelt zich uiteindelijk tussen haar schouderbladen. Paspoort! Waar is haar paspoort? Ze probeert na te denken. Heeft ze het nu wel of niet achter dat schilderij vandaan gehaald? Heeft ze vanmorgen de schoen op het nachtkastje niet gezien of lag dat ding er helemaal niet? Ze zoekt wel drie keer haar handtas na en doet dat ook met de koffer. Het resultaat is hetzelfde: geen paspoort.

Het eerste wat ze doet is Betty bellen. Die valt bijna om van het lachen. Ze had het kunnen verwachten en kom op meid, je komt gewoon een weekje later. Dat gaat ze ter plekke organiseren. Ze boekt haar vlucht om maar dat gaat niet zonder kosten. Meer dan ze redelijk vindt. Ook de man van de parkeerplaats wil geld zien. Prima dat ze volgende week weer komt maar dat heen en weer rijden gaat niet zonder wederdienst in de vorm van geld.

Zodra ze thuis komt, kijkt ze achter het schilderij. Het paspoort lijkt haar wel aan te grijnzen en voor ze het vergeet plakt ze een briefje op de spiegel. ‘Paspoort’ staat daar dik onderstreept. Dan kijkt ze in de slaapkamer naar de schoen. Die ligt naast het nachtkastje en langzaam begint er een vermoeden te groeien dat het wel eens haar eigen schuld kan zijn. Ze trekt de deur van de koelkast open en staart in een donkere, lege ruimte. Met een diepe zucht gaat ze aan haar tafeltje zitten en begint aan een boodschappenlijstje. Wil ze volgende week halen dan zal er gegeten moeten worden. Troostvoer. Heel veel troostvoer.

 

 

 

© peter gortworst / mei 2020
foto: verhuis.de

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Ze is samen

 

Hier, in dit bos, bekend vanaf haar jeugd, loopt ze met een murw geslagen lijf en onrustige geest. Het is vroeg in de ochtend en de koude nevel wordt doorboord met lichte banen zonlicht. De frisse boslucht snuift ze met diepe teugen op in haar longen. Hier plukten ze bosbessen, maakten hutten, speelden verstoppertje en liepen speurtochten. Alles was goed. Het bestaan overzichtelijk en vredig. Het leven lachte de kinderen toe en de wereld lag aan hun voeten. Misschien zijn dat wel de redenen geweest om nu terug te komen. Zoeken naar iets wat houvast kan geven, een gevoel wat je misschien weer oproepen kan. Het leven lacht niet meer naar haar en alles wat aan de voeten ligt, zijn scherven van wat hij grijpen en gooien kan.

Hij, de mooie, de vriendelijke, de zorgzame mijnheer die voor de buitenwereld de schone schijn ophoudt. Voor iedereen maar niet voor haar. Zij mag het doen met zijn kleinerende opmerkingen, zijn eisen, zijn veel te losse handjes, zijn claims en buien van ongecontroleerde woede. O, ze weet best dat zij nog geen kinderen wilden, maar is het haar schuld dat ze nu zwanger is nadat hij haar, voor de zoveelste keer, verkracht heeft?

O ja, ze hebben haar gewaarschuwd. Gevraagd naar het waarom, hulp aangeboden en goede raad gegeven. Ze weet alleen maar dat zij hem lief heeft. Het is toch ook de man die lief kan zijn? Die haar laat voelen een vrouw te zijn, die nederig en vol schuldbesef haar overlaadt met liefde en cadeautjes. Die elke keer weer oprecht belooft dat het nooit meer zal gebeuren?

Zijn moordende stompen in de buik kan ze afweren. Ze moet haar kind verdedigen. Het gaat ten koste van slagen in haar gezicht. Ze probeert in een hoekje te kruipen en laat hem zijn gang gaan. Verweren roept nog meer woede op. Nooit gedacht dat ze dit zou moeten leren. Hij schopt, stompt, slaat, trekt haar aan haar haren door de kamer en schreeuwt dat ze dat kind weg moet laten halen. Vreemd dat je tijdens zo’n marteling een groot besluit kan nemen. Ze gaat bij hem weg. Als hij op een dag thuiskomt van zijn werk, zal zij er niet meer zijn.

Niet meer! Nu niet meer! Ze zal alle uitgestoken handen zoeken die ze grijpen kan. Wèg bij deze tirannieke leugenaar. Ze kiest niet meer voor haarzelf alleen. Ze is nu samen en kiest daarom ook voor het kind wat ze draagt.

De zonnestralen verlichten de ochtendnevel en in brede banen zijn ze door het bladerdak zichtbaar. En zoals de warmte van de zon de koude ochtendnevel langzaam verdrijft, zo zal het ook in haar leven gaan. Opstaan zal ze en zich door het volle zonlicht en de warmte laten koesteren. Ze kiest een nieuw leven wat haar weer toe kan lachen. Een leven met een spelend kind aan haar voeten. Haar eigen kind dat alles zal leren over het leven en de liefde en naar wie de wereld lacht.

 

© peter gortworst mei/2020
afb: Pinterest.com

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Meneer van der Eik

Het is precies zes jaar, twee maanden en achttien dagen later. Meneer van der Eik weet dat heel zeker omdat hij de dagen telt. Daar heeft hij alle tijd voor. Zijn enige taak is er ‘zijn’. Door er te ‘zijn’ maakt hij de lucht schoon, vangt hij met zijn bladeren stof, geeft hij onderdak aan vogels en insecten en levert hij voer voor de wilde zwijnen, de gaaien en de eekhoorns. Als je dat al meer dan tweehonderd jaar doet is dat er ‘zijn’ niet zo’n aandacht vragende bezigheid dus heeft hij tijd om de dagen te tellen. Hij telt vanaf het moment dat ze afscheid heeft genomen. Hij weet nog precies hoe dat ging en hoe dat voelde. Na zestig jaar leunde ze weer tegen zijn stam en kon hij eindelijk haar naam weer roepen. ‘Mijn Nootje!’ had hij juichend gedacht en ze hadden uren met elkaar door gebracht. Het was een dag om nooit te vergeten en hij heeft er wel drie zomers plezier van gehad. Hij niet alleen maar ook alle dieren. Hij produceerde meer eikeltjes dan vele jaren daarvoor en het bevestigde hem in zijn wetenschap dat aandacht geven een mooi iets is. Blijde verrassingen doen dat ook maar die houden het minder lang vol. Dat heeft wat met zielenroerselen te maken maar daar weet hij net niet genoeg van.

De jonge knul loopt voorop. In zijn hand een mobieltje waar hij voortdurend op kijkt. Hij stopt als zijn neus bijna de stam raakt. De anderen stoppen ook. Drie wat oudere mannen met dito vrouwen en acht jongeren die ongetwijfeld hun kinderen zijn, staan bij zijn stam. Ze kijken omhoog. Ze kijken om zich heen en als ze zien dat er geen andere oude eiken in de buurt staan, stellen ze vast dat dit meneer van der Eik moet zijn. Ze gaan in een kring zitten. Uit een rieten mand komen lange dunne glazen en uit een koeltas champagne. Met een plof gaat de eerste fles open en worden de glazen gevuld. Dan toasten ze met elkaar op hun moeder en oma die toch maar mooi zo een fantastisch geheim had. Het duurt maar even en dan komen de verhalen, de anekdotes en de herinneringen van alle goede en slechte tijden. Soms schateren ze het uit om dan weer overmant te worden door verdriet. Rouwen is nu eenmaal een complex gebeuren en zeker als je het goed wil doen. De tweede fles wordt open gemaakt en de ouderen tikken met het volle glas tegen de stam. Meneer van der Eik heeft geen idee wat ze zeggen maar het zal vast goed bedoeld zijn.

Een plechtig moment voel je soms aankomen. Ook meneer van der Eik voelt dat. Er wordt een houten kistje open gemaakt en daaruit haalt één van de kinderen een soort vaas met een deksel. Als het deksel er af is, ziet meneer van der Eik dat er een witgrijze as in zit. ‘Mijn Nootje’ weet hij.  Ieder van de ouderen en ieder van de kinderen strooit een beetje as rondom zijn stam. Het komt precies uit. Als ze rond zijn, is de vaas leeg. Een mooie toevalligheid.

Het doet meneer van der Eik meer dan hij zeggen kan. Hij is diep onder de indruk en hij niet alleen. De wind houdt zich zo stil dat er geen blad ritselt, geen takje kraakt, geen vogel zingt en geen insect zoemt. Het is alsof alles en iedereen weet dat dit een uitzonderlijk moment is. Dan begint de zanglijster, die in de jeneverbes woont, te zingen. Hij zit in het topje van zijn struik en zijn zang klinkt als een ‘last post’. Als meneer van der Eik het zou kunnen, had hij op dat moment een traan gelaten.

De nazaten van zijn Nootje pakken alles weer in. Als ze weglopen en bij het pad zijn, gaan ze op een rij staan en buigen diep. Voor Nootje en voor meneer van de Eik. Hij zou wel willen bedanken en terug willen buigen maar voor een boom van bijna driehonderd jaar is dat laatste geen goed idee.

Er valt veel na te denken. Nootje is terug. Mooi dat haar kinderen dat gedaan hebben. Onwil en laatste wil zijn toch twee verschillende dingen. Hij vraagt zich af wat er gebeurt als regen de as in de grond laat trekken en zijn wortels bereikt. Toch heeft hij niet veel hoop op iets bijzonders of iets magisch. Als je zo oud geworden bent, weet je dat dood het einde is. Het grote vergeten kan even duren maar uiteindelijk is het moment daar en ben je de bloem op het veld die vertrapt wordt. Niemand bekommert zich om haar en niemand kent haar plaats nog. Toch doet de wetenschap dat de laatste resten van zijn Nootje bij hem zijn, hem goed. Ze was haar hele leven in zijn hart verankert en wat hier vandaag is gedaan, onderstreept dat alleen maar. Op zijn beurt haalt hij alle herinneringen aan haar op en het maakt hem blij en droevig tegelijk. Nootje voelde zich bevoorrecht hem te kennen en hij hoopt dat het haar duidelijk was dat hij zich ook zo voelde. Er zijn immers niet veel bomen die de kans krijgen om met iemand als Nootje te denken.

De volgende morgen is de jongeman die de vorige dag met zijn mobieltje bijna tegen hem aan botste, terug. Hij gaat met zijn rug tegen de stam zitten en meneer van der Eik hoort hem denken. Zoals mensen vaak intuïtief aanvoelen of een ander enige vorm van sympathie krijgt of heeft bij een eerste kennismaking, heeft meneer van der Eik dat ook. Zonder dat er nog veel heen en weer gedacht is, weet hij dat deze jongen niet deugt.

‘Hoe heet jij?’
‘Ik ben Donald. De oudste kleinzoon van oma.’
‘En wat kom je doen?’
‘Ik wil dat jij mij leert hoe ik met dieren kan denken.’
‘….Jij?’
‘Ja, jij. Tegen wie zou ik het anders moeten hebben?’ zegt Donald korzelig.
O, dat hatelijke toontje. Hoe anders is dit. Hoe veel mooier was het met zijn Nootje die hem zijn titel gaf en die hij met trots draagt. Hij vraagt:
‘Waarom wilt ú dat leren?’
‘Omdat ik daar veel geld mee kan verdienen. Mijn oma was zo stom om er niets mee te doen. Ze had wereldberoemd kunnen worden en er bakken met geld aan over kunnen houden. Helaas diende ze alleen maar als dierenarts terwijl er zo veel meer uit te halen was. Zeg nou zelf: dat is toch eeuwig zonde?’
Meneer van der Eik is er even stil van.
‘Hoe weet ú dat wij met elkaar kunnen denken?’ vraagt hij dan.
‘Dat heb ik gisteren ontdekt toen ik je even aanraakte.’
Meneer van der Eik weet daar niets van. In alle emoties is dat hem blijkbaar ontgaan. Niets menselijks is een boom vreemd.
‘Weten úw ouders dat ú hier bent?’
‘Nee. Die zijn met z’n allen een dagje naar Giethoorn. Ik had daar geen zin in maar vooral geeft mij dit de kans om van jou even te horen hoe ik met dieren kan denken.’
‘Stel dat ik het ú leer. Wat wilt ú dan met deze gave doen? Wordt ú misschien ook dierenarts?’
‘Hou eens op met dat ge-ú!’ En nee zeg. Alsjeblieft! Geen dierenarts. Jaren leren, werken bij nacht en ontij, regelmatig in de stront staan en amper wat verdienen. Doe mij een lol! Nee, ik wil dan een soort van paardenfluisteraar worden. In de oliestaten hebben ze toppaarden en daar een beetje werken verdient heel goed. En natuurlijk op tv met shows. Moet je eens kijken wat die hondentrainers op tv verdienen en in wat voor huizen ze wonen. Zo iets wil ik ook wel.’
‘Hm. Wat zal ú het dan jammer vinden dat ik het ú niet leer.’
‘Wat?! Waarom niet?’

Meneer van der Eik zegt even niets. Hij moet nadenken. Hij heeft het Nootje geleerd omdat hij wist dat zij het niet voor eigen gewin ging gebruiken. De wereld van Nootje werd oneindig groter toen zij met dieren kon denken en deze wereld werd voor iedereen beter. Al denkend met dieren werd zij zich bewust dat er niet een aparte mensenwereld en een aparte dierenwereld is. Voor Nootje was er maar één wereld en in die wereld was zij een verbindende factor. Ze heeft gedaan waar ze goed in was: zich in dienst stellen van. En juist dat is iets waar deze jonge man geen kaas van heeft gegeten en het met grote zekerheid ook nooit zal doen. Dat is voor hem een wereld waar hij geen vermoeden van heeft en wanneer wel, hij het waarschijnlijk ook nog zal afwijzen. Trekken aan een dood paard en in weerwil van alles moet hij een beetje lachen om de woordspeling.
‘Nou?’ vraagt de jonge man ongeduldig.
‘Daarom niet.’ antwoord meneer van der Eik en het zijn de laatste woorden die hij tegen hem denkt.

Donald zit nog zeker een half uur te proberen om met meneer van der Eik te denken. Dan staat hij op en loopt weg. Even later is hij terug met een polsdikke stam van zeker twee meter lengte op zijn schouder. Als hij bij de stam van meneer van der Eik staat, zwaait hij met een reuzenslag en met de uitroep ‘stomme kutboom!’  het hout tegen de stam. Dat had hij beter niet kunnen doen. De schokgolf in het stuk hout verplaatst zich naar zijn handen en armen en kermend van de pijn zakt hij door de knieën. Gebogen en met de handen tussen de dijen loopt hij weg.

Meneer van der Eik kijkt hem na.
‘Juist,’ zegt hij, ‘Daarom dus.’

 

 

Het eerste verhaal ‘Het meisje en meneer van der Eik’ vindt u hier:
https://petergortworst.com/2019/12/11/het-meisje-en-meneer-van-der-eik/

 

© peter gortworst / apr. 2020
afbeelding: http://www.pinterest.co.kr

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Adoratie

Hij is bang dat er dit jaar niet op winst gerekend kan worden. Zijn zege van vorig jaar wordt, door de vrijheidsbeperkingen die nu gelden, vast niet geprolongeerd. Eigenlijk wel jammer. Hij had graag nog een keer gewonnen maar tegen een vrijbuiter als zijn zoon kan hij niet op. In de eerste plaats heeft hij een beroep waarbij ‘buiten zijn’ behoort tot zijn vak en in de tweede plaats woont hij in een stad die notabene ook nog in een vogelrijk gebied ligt. Misschien dat hij het wint met een boerenzwaluw maar dat telt niet. De eerste gierzwaluw zien. Dàt telt. Jaren achtereen wint die dekselse jongen het. Tot vorig jaar. Toen mocht hij het verlossende berichtje sturen en er met de zege vandoor gaan. Er zit niets aan vast. Het gaat gewoon om de eer maar ook die kan zwaar wegen.

Het is al twee dagen heerlijk voorjaarsweer. Dat is gunstig omdat juist dit soort dagen de kans aanmerkelijk vergroten. Hoe weten die zwaluwen dat het hier zo warm en zonnig is en er dus voldoende voedsel door de lucht vliegt? Hebben ze een ingebouwde weerradar die elke radar van een meteorologische dienst overtreft en die ze zegt dat het daar nu goed toeven is? Hij weet het niet.  Dat is niet erg omdat er zo veel is van deze vogel wat men nog niet weet. Het is niet voor niets dat veel vogelliefhebbers de gierzwaluw als ‘hun’ vogel beschouwen. Razendsnel, mysterieus en altijd in de lucht. Een beestje wat nog immer niet alleen tot zijn verbeelding spreekt maar voor hem wel herinneringen oproept uit het verleden.

Als jonge knul was hij lid van een natuurclub. Toen heeft hij ze allemaal leren kennen. De huis-, de boeren-, de gier- en de oeverzwaluw. Allemaal zomergasten maar geen van deze kan het zomerse gevoel zo oproepen als de gierzwaluw. De zomeravonden in de tuin of op een terrasje in de stad en dan een krijsend groepje gierzwaluwen hoog in de lucht of cirkelend rond de toren. Vliegende sikkeltjes die elke keer een gevoel van sensatie geven. En elk jaar, wanneer deze vogel plotseling, van de ene op de andere dag, ergens in augustus verdwenen is, vult het hem met weemoed en een vreemd soort verlangen.

Lang was de huiszwaluw zijn favoriete vogel. Dat kwam voornamelijk omdat er elk jaar in de lange dorpsstraat de nesten werden geteld. Kunstig gemetselde halve bollen onder goten of overhangende daken. Dat was leuk werk. De bewoners van al die vrijstaande huizen wisten dat ze eenmaal per jaar langskwamen om het aantal nesten van de huiszwaluw te tellen. Enkelen waren zo trots als een pauw als er meer nesten gemaakt waren dan het jaar daarvoor. Nu hij er over nadenkt, vraagt hij zich af wat er met al die gegevens is gedaan. Waarschijnlijk verloren gegaan in de brei van onderzoeksresultaten. Gegevens die onontbeerlijk zijn om te kunnen zien hoe het deze zwaluw vergaat en bij toe of afname naar mogelijke oorzaken te zoeken. Gegevens die verzamelt worden door amateurs. Vrijwilligers die uit pure liefde voor deze beestjes belangeloos hun tijd en kunde in dienst stellen van tal van projecten. Zonder hen is er geen gedegen onderzoek mogelijk maar wat er uit zijn gegevens toen is gedistilleerd, weet hij niet.

De gierzwaluw was er toen natuurlijk ook maar waar waren de nesten? Onbekend maakt onbemind tot er iemand komt die je vertelt hoe mysterieus dit vogeltje is. Die met feitjes komt en je laat inzien dat het een bijzonder diertje is. Dan ga je met andere ogen kijken en wil je meer weten. Inmiddels weet hij meer. Veel meer zelfs maar toch blijven er raadsels die wellicht in de toekomst opgelost worden. Wat blijft zijn de herinneringen aan de avondvluchten die deze vogels maken en hem terugbrengen naar de tuin van zijn ouderlijk huis. Liggend op zijn rug volgt hij ze als ze hoog in de lucht rondcirkelen. Hij telt er vijf en plotseling zijn het er zeven. Even later vier. Waar blijven ze zo snel en waar komen die anderen zo plotseling vandaan? Herinneringen aan warme zomeravonden met achter elkaar aan jagende en krijsende gierzwaluwen. Met onvoorstelbare snelheid scheren ze tussen de daken en straten door. Een beeld dat hoort bij de zomer.

En nu? Hij zit op zijn terras. De zon schijnt, de lucht is strak blauw en het is warm. Hij luistert en kijkt voortdurend omhoog. Als ze er zijn, kan hij ze niet missen.
Dan geeft zijn mobieltje een seintje. Een appje van zijn zoon. ‘Drie stuks gezien en gehoord boven de stad. Heb ik gewonnen?’
Met een gevoel van jammer appt hij hem een felicitatie terug. Welgemeend want de gezamenlijke adoratie is dat wat werkelijk telt.

 

© peter gortworst / apr. 2020

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 1 reactie

Een sprookje

Er was eens een land, niet zo heel ver hier vandaan, waar mensen wonen die trots en zeer temperamentvol zijn. Het land wordt geleidt door een koning die daar een niet te benijden baan aan heeft. In zijn wapen staat de spreuk: ‘Wat niet kan heeft nog nooit gekund’ en al zijn onderdanen houden hem daaraan. Er gaat geen raadsvergadering voorbij zonder dat er met stemverheffing en vuistslagen op tafels, wordt gesproken maar het mooie is dat men zo tot prachtige besluiten komt die het land ten goede komen. De koning heeft het niet alleen voor het zeggen maar zijn raadslieden ook niet. Hun beider trots wordt vaak geweld aangedaan maar de redelijkheid wint het en de eigen trots zet men dan opzij. Het maakt plaats voor een gezamenlijke trots en dat is mooi. Alle inwoners zijn dan ook zeer tevreden met hun koning, het land en elkaar.

In dat land woont een mooie jongen die hevig verliefd is op een engel. Ze is niet een echte engel maar hij weet zeker te weten van wel. Gelukkig laat ze zich dat graag aanleunen. Ze weet best dat haar neus te groot is en een beetje scheef staat maar dat ziet hij niet. Net zo min ziet hij dat haar ene borst een beetje groter is dan de andere en bovendien ook nog hangt. De mooie jongen maakt haar mooier dan zij is. Daar is alle ruimte voor en dit verschijnsel zie je wel vaker bij mensen die verliefd zijn.

Op een dag vraagt hij haar ten huwelijk en zegt zij ‘ja’. Ze vragen de koning om toestemming en als deze positief gereageerd heeft, vieren ze hun bruiloft op bescheiden wijze. Ze gaan in een klein huisje wonen. Hij zorgt goed voor haar en zij voor hem. Samen zorgen ze voor de kippetjes, de konijnen en de geit. Het duurt niet lang voordat er een klein meisje wordt geboren. Ze noemen haar Melek en hoe klein ze dan ook mag zijn, ze is temperamentvol en trots. Als haar moeder haar de borst geeft maar ze wil niet meer, dan gooit ze haar hoofd in haar nek en schudt met de weinige zwarte haren die ze heeft. De vroedvrouw heeft dit nog nooit bij een kind gezien maar ze is van mening dat het geen kwaad kan. Ze is er stiekem zelfs blij mee. Dit is een echte inwoner van het land en ze laat de nieuwbakken vader en moeder weten dat ze trots mogen zijn op dit kind.

Melek groeit voorspoedig op maar niet zonder gebruiksaanwijzing. Haar iets verbieden gaat niet zonder te vertellen waarom iets niet mag. Ook doet ze niet zomaar iets wat haar vader of moeder vraagt. Voor ze het weten gooit ze haar hoofd in haar nek en schudt ze met de inmiddels lange zwarte haren. Voor wie haar niet kent is dat soms een onaangenaam gebeuren. Voor haar ouders niet. Die weten inmiddels niet beter.
Ze is verstandig en slim. Wie, zoals zij, veel vraagt, krijgt vele antwoorden en daar doet ze haar voordeel mee. Het is niet verwonderlijk dat ze gaat studeren en daar ontmoet zij een jongen waarmee ze het aardig kan vinden. Toen hij een keer, in alle onwetendheid, haar opdracht gaf een pizza te gaan halen omdat hij honger had, gooide ze haar hoofd in haar nek en schudde met haar lange zwarte haren. Vanaf dat moment wist hij.

Het stadium van elkaar aardig vinden zijn ze voorbij. Melek heeft al vaak gevraagd wie en hoe zijn ouders zijn maar daarover heeft hij nooit iets gezegd. Dat vindt ze raar want over haar ouders vertelt ze alles. En nu? Ze willen naar elkaars ouders om de ander voor te stellen maar nog immer zegt hij niets over de zijne.
‘Je zal het wel zien, ’ heeft hij haar vertelt en dat zint haar allerminst.
‘Weten ze wel dat ik besta?’
‘Ja, en ze willen je graag ontmoeten. Zullen we morgen gaan?’

Ze stappen op de fiets en komen bij een monumentaal gebouw. Het is duidelijk de achterkant van iets groots. Bij een geopende poort staat een bestelbus van een groenteboer. Kisten met verschillende soorten groente en een grote zak met aardappelen worden naar binnen gereden. Hij stapt af en zegt:
‘Kom en je kan beter je fiets meenemen. Voor je het weet is dat ding gejat.’
Via iets wat duidelijk een magazijn is, komen ze op een binnenplaats. Daar zet hij zijn fiets tegen de zijkant van een grote witte marmeren trap.
‘Waar zijn we?’ vraagt ze.
‘Bij de achterkant van het paleis,’ zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht.
Ze weet even niet wat ze moet denken en al helemaal niet wat ze moet zeggen. Hij ziet haar vertwijfeling en als hij zijn armen om haar heen slaat zegt hij:
‘Ik ben, wat jullie noemen, de jonge prins. Mijn opa is de koning.’

De koning en zijn zoon zijn in hun nopjes met dit meisje waarmee de jonge prins is thuisgekomen. Ze mogen haar zo graag dat ze haar af en toe plagen. Zo kan het gebeuren dat de koning haar zegt dat ze meer spruitjes moet eten en dan lachen ze als ze haar hoofd in haar nek gooit en met haar lange zwarte haren schudt. Eerst werd ze daarom alleen maar boos maar nu kan ze er ook om lachen. Niet van harte maar toch.

Met alle pracht en praal die een koninklijk huwelijk nu eenmaal met zich meebrengt zijn ze getrouwd. Ze voelt zich als prinses helemaal op haar gemak. Haar schoonvader heeft besloten dat zij de raadsvergadering bij mag wonen en haar verfrissende ideeën zijn een verademing voor dit college van oude gedienden. De koning waardeert haar als geen ander en als hij het besluit moet nemen om wel of niet af te treden en haar schoonvader koning te laten worden, vraagt hij haar om raad.
‘Ik zou het doen,’ heeft ze gezegd, ‘Dan heb je tijd om met je achterkleinkind te spelen.’
De koning kijkt haar verbluft aan.
‘Ben je zwanger?’
Als ze dat, met een glimlach op haar gezicht, bevestigd, neemt hij haar in zijn armen.
‘Wat fijn! Maar pas op! Je moet nu wel voorzichtig met jezelf zijn!’
Ze gooit prompt haar hoofd in haar nek en schudt met haar lange zwarte haren. Samen moeten ze er om lachen.

‘Nu persen!’ commandeert de vroedvrouw en voor het eerst in haar leven gooit ze niet haar hoofd in haar nek en schudt ze niet met haar lange zwarte haren. De pijn is nauwelijks te dragen en ze vervloekt iedereen die in deze paleiskamer bij haar bed staat. Dan is plotseling het kind daar. Trots houdt de vroedvrouw haar omhoog.
‘Kijk eens,’ zegt ze, ‘Het is een meisje!’
‘Layla. Layla zal ze heten,’ zegt de moeder.
Als de vroedvrouw het kind op de borst van de moeder wil leggen ziet zij dat er iets niet goed is. De moeder bloedt heviger dan zij ooit gezien heeft. Het lukt haar niet om het bloeden te stelpen en met spoed belt ze een ambulance.

De Dood staat aan de rand van haar bed.
‘Melek, ik kom je halen,’ zegt hij, ‘Je moet met mij mee.’
Ze probeert haar hoofd in haar nek te gooien en te schudden met haar lange zwarte haren maar het lukt niet.
‘Waarom?’ vraagt ze hem.
‘Omdat het je tijd is. Meer niet.’
Wat niet kan heeft nog nooit gekund. Opstaan uit de dood valt daar ook onder en daarom strekt ze haar hand uit naar de Dood en gaat met hem mee.

Iedereen in de kamer ziet haar sterven met die uitgestoken hand en niemand weet de betekenis daarvan. Over één ding zijn ze het eens: het is een verdrietig maar mooi gebaar.

De kraamzuster geeft Layla de fles. De speen schiet uit haar mond en ze probeert deze opnieuw in haar mondje te stoppen. Dan gooit Layla haar hoofdje in haar nek en schudt met dat kleine kale kopje. De oude koning die geen moment van zijn achterkleinkind wil missen, ziet dat en begint verdrietig te lachen. Die komt er wel, weet hij.

 

 

peter gortworst / apr. 2020
afbeelding: rtlnieuws.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Ouwe snoepert

Laten we hem Thomas noemen. Hij is ver over de tachtig en ligt het liefst in bed. Niet zo verwonderlijk want hij loopt slecht. Alles gaat schuifelend en zijn handen zijn continue op zoek naar houvast. Voor het eten moet hij zijn bed uit. Dat zint hem niet maar de verpleging is onverbiddelijk: bewegen is goed voor hem. En daarom staat hij minimaal drie maal per dag op om de onheilsweg naar het tafeltje met stoel te maken. Het spannendste moment is de oversteek van bed naar stoel. Dat is een halve meter zonder steun en die wordt met ware doodsverachting genomen.

Het is niet dat hij alleen slecht loopt. Hij is ook nauwelijks te verstaan. Oorspronkelijk komt hij uit Polen en heeft nooit de taal van dit land goed geleerd. Dat, en het feit dat hij zacht praat en belabberd articuleert, geeft natuurlijk problemen. De conversatie met artsen en verplegend personeel is tijdrovend, moeizaam en oorverdovend. De onhebbelijkheid om hard te gaan praten tegen iemand die je niet goed verstaat, is blijkbaar niemand vreemd.

Hij krijgt geen bezoek. De telefoon gebruikt hij om contact te houden met zijn zaakwaarnemer. In al die tijd dat we samen op de kamer liggen komt deze man één keer langs. Hij blijft, met zijn jas aan, bij het voeteneinde staan en is ronduit kortaf. Blijkbaar is dit bezoek een verplichting die zijn normale ritme verstoort. Omdat dit mij niet aangaat, verlaat ik de kamer en zoek mijn heil elders. Als ik terugkom zit Thomas op de rand van het bed en oogt tevreden.

Ik heb hem eenmaal kwaad gezien. Furieus zelfs. De dame van de thuiszorg is er beduusd van. Zij wil praten over een verpleeghuis waar hij, als man alleen zonder familie of verwanten, toch veel beter op zijn plek is. Een goede verzorging, eten hoeft hij niet zelf klaar te maken en er is voldoende aanspraak met andere bewoners.
Hoe ze het in haar hoofd haalt! Denkt ze nu werkelijk dat hij al zijn zuurverdiende spaarcentjes weg geeft aan iets als een verzorgingshuis? Hij woont al zo lang in zijn kleine appartement en de Poolse poetsvrouw komt elke dag langs. Die kost al meer dan genoeg. Als het lopen niet beter wordt kan hij altijd nog een elektrische scooter kopen en dat is niet zo duur als de rest van je leven in zo’n tehuis. Met een wegwerpgebaar stuurt hij haar weg en ligt zeker een half uur, pruttelend van kwaadheid, na te hijgen.

Hij is overtuigd katholiek. De zondagse mis, die via de tv wordt verzonden, volgt hij zittend in zijn bed. Hij prevelt alles mee wat een rechtgeaard gelovige dient mee te prevelen en wacht vol ongeduld op de hostie die door de nonnen in het ziekenhuis worden gebracht.

Tijdens één van de momenten dat ik de tijd en het geduld op kan brengen en hij besluit om wat duidelijker te praten, vraag ik hem of hij ooit getrouwd is geweest. Dat is hij niet. Kinderen heeft hij ook niet en uit zijn lichaamstaal begrijp ik dat er een geheim is.
‘Ben je homo?’ vraag  ik.
Het duurt even maar dan wordt mijn vermoeden bevestigd.
‘Dat weten ze hier niet!’ zegt hij dan. ‘Vertel het ze alsjeblieft ook niet!’
‘Ik houd mijn mond wel maar wat is er mis met homo zijn?’
‘Niet goed, niet goed,’ zegt hij hoofdschuddend.

Wat volgt is een verhaal van een verscheurt mens. Hij haat het om homo te zijn en kan zich mateloos ergeren aan mannen die elkaar in het openbaar kussen of hand in hand lopen. Dat hoort niet. Dat is onnatuurlijk en bovendien veroordeelt de kerk het ook.
‘Maar Thomas, wat is er mis als je voor een andere man warme gevoelens hebt? Dat is toch mooi?’
De verwarring is van zijn gezicht te lezen en het blijkt de worsteling van zijn leven te zijn. Schaamte en verlangen. Zeker weten dat jouw geaardheid fout is en toch, naar diezelfde geaardheid, hunkeren naar geborgenheid, aandacht en liefde. Hoe moeilijk kan een mens het zichzelf maken? Hoe triest kan jouw lot zijn?

Zo af en toe had hij een vriend. Opgedoken in een club in Nederland. Daar kennen ze hem niet en ‘Jullie hebben goede clubs.’ Zijn relaties waren van korte duur. Alles moest in het geheim. Van samen naar buiten of ergens heen, kon geen sprake zijn. Er zijn weinig partners die dat waarderen. Dat maakt dat de duur van zo’n relatie vaak beperkt is.

Zijn bekentenis maakt in ieder geval duidelijk waarom hij zo te spreken is over Andreas. Elke dag, na het avondeten, worden zijn voeten en kuiten ingesmeerd met een zalf. Hij geniet zichtbaar als Andreas dat doet en een verpleegster krijgt nooit zo een welgemeend bedankje als deze verpleger.

De dag dat Thomas naar huis mag. ’s Avonds is hij al begonnen met inpakken en er ligt, in de ruimte naast zijn bed, een onwaarschijnlijke stapel bagage. Als de taxichauffeur komt, krabt deze, bij het zien van de vracht, achter op zijn hoofd en vraagt dan of er iets van een kar is. Daarin wordt voorzien en Thomas in rolstoel met één weekendtas op schoot, wordt de gang ingereden. De chauffeur volgt, zorgelijk kijkend, met de kar.

Een half uur later komt Katrine, één van de verpleegsters, de kamer in en zoekt in de kasten van Thomas naar iets.
‘Is hij wat vergeten?’ vraag ik.
‘Hij denkt dat zijn huissleutel hier nog ligt. Ze staan in de regen voor een dichte deur en hij kan zijn sleutel niet vinden.’
‘O, die zit vast en zeker in één van die tassen of koffers.’
‘Mm, dat denk ik ook. Hier ligt ’ie in ieder geval niet. We gaan hem wel bellen dat hij nog maar eens goed moet zoeken.’
‘Laat Andreas hem bellen.’
‘O ja! Goed idee. Dat zal die ouwe snoepert vast plezier doen,’ grijnst ze met een knipoog om dan op zoek te gaan naar de gelukkige.

 

© peter gortworst / apr. 2020
foto: salzburg.info

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Urbi et orbi

Wat ik nu ga schrijven zal zonder twijfel schuren met het geloof en wetenschap. Dat is niet erg omdat ik geen wetenschappelijk of theologisch doel heb met dit stukje tekst. Het is meer een ‘van-mij-af-schrijven stukje’. Laat ik vooraf duidelijk zijn: ik zal de laatste proberen te zijn die een ander veroordeeld. Een ieder moet vooral denken en geloven wat hij/zij wil en zeker als je daarbij gelukkig bent.

Het stukje gaat zo:

Toen de mensheid begon te ontstaan en men leerde het vuur te temmen, gereedschappen leerde maken en gebruiken, onderkomens vervaardigden en ontdekte hoe men voedsel kon verbouwen, was er veel onbekend. Waarom zijn er hemellichamen? Waarom wordt het dag en nacht? Waarom zijn er seizoenen? Waarom zijn er zo veel dieren? Waarom verpest de natuur soms ons bestaan? Waarom is er een aantrekkingskracht tussen mensen die je anders laat zijn dan normaal? Waarom worden we ouder, ziek en gaan we dood? Hele excentiële vragen voor de mensen van toen en waarschijnlijk ook nog voor de mensen van nu. Er moet natuurlijk voor alles een verklaring zijn en wat niet verklaarbaar is schreef en schrijft men toe aan een hogere macht. Een god en overal waar mensen ontstonden werd en wordt een god gecreëerd. Zo zit de mens nu eenmaal in elkaar. Het onverklaarbare moet verklaarbaar worden gemaakt en de verhalen vonden hun oorsprong. Het Bijbelse scheppingsverhaal is één van de vele voorbeelden. Jammer is alleen dat de gemaakte god niet als een maatje, een vriend of een goede macht wordt neergezet. Waarom hebben de uitvinders van de goden er iets van gemaakt (een persoon zelfs) wat je moet aanbidden, wat zowel boze als goede macht heeft, die je laat weten wat wel en niet mag. Gij zult dit. Gij zult dat. Geboden, verboden, zonde, straf en dreiging. Er is wel iets als genade maar alleen als je dit doet en dat geloofd. En kijk, we hebben ook een hemel bedacht en als je goed je best doet…. Fijn die ontwikkeling, of beter verminking, van iets waar we onze onverklaarbare zaken bij onder konden brengen. Het loon van vragen blijken dogma’s te zijn. Door mensen verzonnen dingen die je voor waar aan moet nemen.

Ik ben van mening dat Macht hier alles mee van doen heeft. Het iets te zeggen willen hebben over een ander is van alle tijden. Je ziet het overal. Op het werk, in gezinnen, tussen echtparen, tussen en in volken. Overheersing door geld en/of religie. Ik ben meer, ik ben beter dan jij want….

En nu zijn we aangekomen in een tijd van verklaarbare zaken die toch de mensheid op een zeldzame manier raken. Isolatie, verwarring, onzekerheid en angst. Wat staat ons nog te wachten? Hoeveel worden er nog ziek worden. Hoeveel mensen gaan er dood? De gevolgen zijn nu al enorm. Er sterven mensen waarvan men niet op een gewenste manier afscheid kan nemen. Hoe ziet de wereldeconomie er uit als dit achter de rug is. Hoe ziet mijn economie er straks uit? Blijven al mijn geliefden gezond en heb ik straks nog wel werk en inkomen?

En terwijl het ergste misschien nog moet komen staat er in Rome op het Sint Pietersplein een breekbaar manneke onder een afdak. Het plein is leeg. Het regent en donkere wolken hangen boven de stad. Het symbool van de kerkelijke macht, van vaak liefdeloze daden, van kindermisbruik en alles waarvan je hen zou kunnen beschuldigen, staat daar en bid om een zegen voor de stad en de wereld. Ik geef hem ruimhartig het voordeel van de twijfel. Ik denk werkelijk dat hij ten diepste meent wat hij doet en zegt en ik weet dat veel mensen hoop en moed uit zijn optreden putten en dat is mooi. De kern van zijn verhaal is dat de mensen op het schip, wat ten onder dreigt te gaan, de slapende Jezus wakker maken en hem vragen hen bij te staan in hun vermoedelijke ondergang. Volgens het verhaal legt Jezus de golven en de wind stil en komt alles weer goed.

Je hoeft geen Jezus te zijn om anderen bij te staan in deze tijd waarin voor velen elk denkbare vorm van ondergang mogelijk is. Voor elkaar zorgen, omzien naar elkaar is meer dan ooit nodig en zo menselijk als de mens waarschijnlijk ooit ontstaan of zoals je wilt, bedoeld is. Maar misschien wordt het, door het nu te doen en hopelijk ook na deze hele toestand, toch iets goddelijks. Ook dat is mooi.

 

© peter gortworst / mrt 2020
foto: America Magazine

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Donker

De dollen van de roeiboot had hij die middag opnieuw dik in het vet gezet. Onder geen beding mogen die geluid maken. Het is nu een uur of negen en al goed donker. Zo geluidloos mogelijk stapt hij in de roeiboot. Dan duwt hij af en vaart weg. Het eerste stuk langs de fabrieken. Daar is weinig kans dat men hem ziet. Alle lichten die daar, voor de uitbraak van het virus, branden, zijn al lang uit. Kapot gemaakt, gesaboteerd of gewoon stuk. De vraag naar chocolade, koekjes of beschuit is geminimaliseerd. De distributie levert niet meer dan de meest basale voedingsmiddelen. Al het andere is verboden en dus staan de meeste fabrieken stil. Het ergste wat kan gebeuren, is dat een iets te fanatieke bewaker hem ziet maar die kans is zo klein dat hij dat risico wel kan nemen. Als de wand van fabrieken stopt en overgaat in de nieuwe huizen die daar aan het water gebouwd zijn, steekt hij over. Niet dat er vanuit de huizen gevaar te verwachten is. De rolluiken die de regering van nationale eenheid voor elke woning verplicht heeft gesteld, zijn allemaal vanaf acht uur dicht. Ook dat is plicht. Het braak liggende land aan de  andere kant is veiliger. Daar is riet gaan groeien en dat biedt meer bescherming. Als de eerste brug in het zicht komt, verstopt hij zich met de boot tussen het riet. De lantaarnpalen op de brug branden nog. Hij weet dat die om tien uur uitgaan en dat dan ook de controlepost op de brug de bomen sluit en de brug open zet. Niemand kan dan nog naar de andere kant. Ze lopen dan nog één ronde, schijnen met hun schijnwerpers over het water en gaan vervolgens weg. Als het donker en stil geworden is roeit hij vlak langs de kant naar de brug. Hij neemt niet de brede doorgang maar een kleinere aan de walkant en roeit niet gelijk door. Onder de brug wacht hij of er een geluid van boven komt. Niemand mag hem betrappen want op deze illegale activiteit staat, naast een lang verhoor en bezoek aan zijn ouderlijk huis, een behoorlijke gevangenisstraf. Allen al het feit dat hij op dit uur buiten is zonder geldige reden is al grond genoeg. Het zou zo maar kunnen dat ze hem aan gaan zien voor één van de Vrijen en als dat zo is kan het nauwelijks erger worden.

Het blijft stil en nog steeds langs de kant varend komt hij bij de spoorbrug. Die staat tegenwoordig standaard open voor het scheepvaartverkeer. Veel scheepvaartverkeer is er niet meer maar toch bleek het goedkoper om deze brug, voor de zeldzame keer dat er een trein rijdt, deze dan daarvoor toegankelijk te maken. Sinds de economie ingestort is door waanzinnige besluiten van de regering, rijden er nog nauwelijks treinen. Er wordt zelfs gezegd dat er op de snelweg een groene waas zichtbaar is van plantjes die door het asfalt heen groeien en het gekke is dat niemand daar verbaasd over is. Het land is het land niet meer. Toen het virus kwam volgde het ene verbod na het andere en nu weet niemand of het virus er nog is, hoeveel mensen er aan zijn gestorven of hoe lang dit alles gaat duren. Internet is er niet meer. Telefoon kan alleen nog via het vaste net en elk gesprek wordt onderbroken door een mededeling dat de regering meeluistert. De tv en de radio zijn ook aan banden gelegd en om de haverklap worden er toespraken uitgezonden van de minister-president die het volk vertelt dat ze moedig moeten zijn en zich aan de regels dienen te houden.

De houten voetgangersbrug wordt al jaren niet meer gebruikt en hij passeert deze zonder problemen. Dan komt hij op het grote water. Recht oversteken is hem te gevaarlijk en hij blijft dus langs de kant varen. Plotseling knipt er aan de andere kant van het grote water een schijnwerper aan. Onmiskenbaar de patrouilleboot van de politie. Met twee slagen van de spanen bereikt hij het kleine dijkje. Hij springt uit de boot en trekt deze tegen de kant omhoog. Met de spanen gaat hij aan de andere kant van het dijkje liggen en wacht af. Het geronk van de politieboot komt steeds dichterbij en het schijnsel van het zoeklicht aait over het water en de walkant. Hij hoort de schroef van de boot achteruit slaan als ze de roeiboot op de kant ontdekken. Stemmen klinken en langdurig blijft de schijnwerper de roeiboot belichten. Dan varen ze door en hij weet dat er op de terugweg een goede kans is dat hij ze weer tegenkomt.

Met enige moeite vindt hij de smalle sloot die naar de boerderij van Sinkeldam voert. De kleine vissteiger die Sinkeldam daar heeft gebouwd, is snel gevonden. Zacht fluit hij het herkenningsdeuntje. Het wordt beantwoord en dan verschijnt Aart, de zoon van de boer, op de steiger.
‘Is het goed gegaan?’ fluistert Aart vragend.
‘Ja maar ik moest eenmaal schuilen voor de verdomde politieboot. Heb je alles?’
‘Meer dan dat! Ik heb natuurlijk je varkensvlees, de boter, kaas en drie broden. Is dat genoeg voor de komende dagen?’
‘Wel als we niet meer vluchtelingen gaan bergen. Wat zit er in die kist?’
‘Geloof het of niet maar daar zit een zender in. Mijn vader kent een oude man die nog weet hoe je zoiets maakt. Je mag hem alleen gebruiken als het heel belangrijk is of in uiterste nood. Iedereen die een zender heeft van deze man kan je horen en jij kan iedereen beluisteren. Er zit een papier in waarop staat hoe het werkt, wanneer je mag zenden en hoe je een antenne maakt. Als je hem niet gebruikt, verstop hem dan. Het is zo illegaal als de pest en als ze jou er mee pakken heb je echt een probleem.’
‘Tjonge,’ zegt hij omdat het hem even aan woorden ontbreekt.
‘De Vrijen hebben er ondertussen ook een paar en het was vanavond behoorlijk druk met codeberichten. Het zou mij niet verbazen als er wat staat te gebeuren.’
‘Hoe is het verder?’ vraagt hij.
‘Ja, moeilijk. Morgen komen ze het vee tellen en dan is er nog weinig ruimte om wat te doen. We moeten nu al zo vaak nee verkopen aan al die mensen die aan de deur komen. Soms best wel zielig maar we kunnen gewoon niet iedereen van eten voorzien. Het wordt tijd dat er iets gaat gebeuren. Je kan dit land toch niet eeuwig op slot houden? Misschien moeten de Zweden maar weer brood gaan droppen’

Zacht fluisterend praten ze nog zeker een kwartier met elkaar. Dan keert hij de boot en begint aan de terugreis.

Hij volgt dezelfde tactiek. Dicht langs de kant varend en gebruik makend van de natuurlijke dekking. Zodra hij de laatste brug gepasseerd is, steekt hij de vaarweg over. Met een helse lichtflits en een enorme dreun ziet hij het brugdek van de laatste brug in het water donderen. Om hem heen plonsen brokstukken in het water. Met stomheid geslagen staart hij in het donker naar wat eens een brug had moeten zijn. Hij kan weinig  zien en als de golven, die ontstaan zijn door de vallende brug, zijn roeiboot laten schommelen, realiseert hij zich dat het beter is om er als een haas vandoor te gaan.  ‘De Vrijen hebben de brug opgeblazen!’ schiet het door zijn hoofd en hij voelt zich plaatsvervangend trots.

Het zoeklicht van de politieboot vangt hem als hij bijna aan de overkant is. De kleine lichtflitsen die uit de mond van het machinegeweer komen ziet hij nog. De knallen die daarbij horen, niet meer. Nooit meer.

 

© peter gortworst / maart 2020
afbeelding: exto.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie