De rode draad -2-

Wegens de lengte van de tekst is dit verhaal in twee delen gepubliceerd. Dit is het tweede (en laatste) deel.

Ze belt diezelfde avond al. Hij krijgt een chaotisch en een ver van zijn bed staand verhaal te horen over haar leven tot nu toe.
Voor haar twintigste was ze zwanger. Ze woonde toen nog thuis bij haar moeder. De vader van het ongeboren kind had op voorhand al duidelijk gemaakt dat hij niets van een kind moest hebben. Hij wilde een abortus betalen, maar als zij het kind toch wilde houden, was dat zijn probleem niet meer en zou ze er alleen voor staan. Ze besloot het kind te houden. Het werd een jongetje en terwijl Oma voor het kind zorgde, was zij weer aan het werk gegaan.
Binnen een jaar ging ze samenwonen met haar nieuwe vriend. Ze huurden een flatje en het jaar daarop werd haar tweede zoon geboren. ‘Dat was weer een ongelukje,’ zegt ze en bijna alles wat in een relatie fout kon gaan ging bij haar ook fout. Ze ontdekte dat haar vriend een rasechte crimineel bleek te zijn en dat verklaarde een aantal verschijnselen. Zo was er op het ene moment meer dan genoeg geld en het volgende moment was er niets. De onregelmatige werktijden hadden niets van doen met gewoon werk en ook de sfeer van geheimzinnigheid en angst werd daardoor duidelijk. Ze had geëist dat hij er mee zou stoppen. Ze sprak hem aan op zijn verantwoordelijkheid naar haar en de kinderen toe, maar het werkte averechts. Hij werd kwaadaardig, kwam steeds minder thuis en als hij er was, werd zij door hem mishandeld. Toen zij door een andere bewoner met een bloedende hoofdwond en volkomen versuft in het trapportaal werd gevonden, ging het hulpverleningsmolentje draaien.
‘Maandag komen ze mij en de jongens ophalen. Ze brengen me dan naar een geheim adres want aan het eind van de week komt hij weer vrij,’ zegt ze, ‘En hij mag niet weten waar ik ben’.
Hoe lang ze daar zou zitten en hoe het verder moest wist ze niet.
‘Ik hoop dat ik een beetje in de buurt blijf. Dan kan je mij een keertje opzoeken,’ zegt ze.
Dat belooft hij en op zijn vraag of hij nog iets voor haar kan doen antwoordt ze:
‘Ja, met me trouwen!’
Zijn lach wordt door haar onderbroken:
‘Dit is niet leuk! Ik meen het echt! Weet je, ik heb tegen elk vriendje gezegd dat ze nooit kunnen tippen aan mijn allereerste vriendje en dat ben jij. Wij zouden het samen goed hebben gehad!’
Hij wil zeggen dat het niet handig is om elk nieuw vriendje met die mededeling te verrassen, maar ze heeft opgehangen.

Twee weken later belt ze weer.
‘Ik moet je vanavond spreken!’ zegt zij.
Ze spreken af dat hij om precies half acht, met de auto bij de brievenbussen op het stationsplein staat.

De auto staat nog niet stil als  het portier opengetrokken wordt en zij vliegensvlug, ver voorover gebogen, gaat zitten. Ergens in de buurt van het handschoenenkastje klinkt het bevel:
‘Weg hier! Ik ben als de dood dat ze mij herkennen!’
Ze zegt niets meer en als hij buiten de stad de snelweg opdraait, komt ze overeind.

Het blijkt dat ze haar in onze eigen woonplaats in een huis hebben geplaatst. Misschien dat zoiets even geheim blijft maar in deze dorpse stad, waar veel mensen elkaar kennen, duurt dat niet lang. Iedereen die iets te weten wil komen, kan dat ook. Terecht is ze over de keuze van dit adres heel boos. Haar twee kinderen worden, weliswaar door anderen, naar hun eigen school gebracht. Hoe gemakkelijk kan je het iemand, die iets kwaads in de zin heeft, maken? Het lijkt haar veiliger om, als het echt niet anders kan, alleen ‘s avonds buiten te komen. Het risico dat haar ex, of één van zijn vriendjes, haar tegenkomen is te groot.

Bij het eerste benzinestation langs de snelweg haalt hij twee bekers koffie en zet de auto op de parkeerplaats.
‘Waarover wil je me spreken?’ vraagt hij.
De verwachte hulpvraag of een update van alle shit die ze heeft meegemaakt of nog meemaakt, blijft echter uit. Niets van dat al. Het gaat alleen maar over hem. Een echte ondervraging. Ze wil weten hoe hij Els heeft leren kennen, of zij wel weet dat zij nu samen in de auto zitten, of hij wel eens vreemd is gegaan, hoeveel vriendinnetjes hij na hun verkering heeft versleten, wie dat waren, of hij gelukkig is, of er kinderen zijn en hoeveel ze er willen. Op alle vragen antwoord hij naar waarheid. Alleen bij de vriendinnetjesvraag schiet het hem net op tijd te binnen, dat er zeker twee bij waren die zij ook kent. Het antwoord op die vraag klopt veiligheidshalve dus niet.

Ze is kennelijk door haar vragen heen en blijft stil in het donker voor zich uit kijken.
‘Maak eens licht,’ zegt ze.
Hij knipt de binnenverlichting aan en ze draait zich naar hem toe. Zonder een spoor van emotie kijkt ze hem aan.
‘Zullen we neuken?’
Het gebeurt niet vaak, maar hij valt even stil. Ze heeft hem weer van zijn stuk gebracht. Helaas vat ze zijn sprakeloosheid op als twijfel.
‘Als je er over na moet denken zegt dat meer dan genoeg,’ zegt ze.
‘Ik dacht niet na, ik weet even niet wat ik moet zeggen,’ geeft hij als verweer, ‘En het antwoord op je vraag is nee.’
‘Bullshit, je moest wel nadenken. Waarom wil je niet? Is er iets mis met mij?’
Die laatste vraag is de gevaarlijkste en dient als eerste te worden beantwoord met een volkomen ongenuanceerd:
‘Er is absoluut niets mis met je. Ik vind je nog steeds hartstikke aantrekkelijk.’
Het antwoord bevalt haar blijkbaar, want de trekken op haar gezicht ontspannen wat.
‘We zouden het samen zo goed kunnen hebben. Ik ben beter dan welke vrouw ook en zou je echt gelukkig kunnen maken. Onze kinderen zouden het met elkaar best kunnen vinden. We kennen elkaar al zo lang: we horen bij elkaar. Wat is eigenlijk het probleem?Je geeft om me, want als je dat niet deed had je me vanavond niet opgepikt.’
‘Dat klopt,“ antwoordt hij, ‘Als je me volkomen koud liet had ik niet gereageerd, maar mijn gevoelens voor jou zijn meer van de categorie ’grote broer-kleine zus’. Als ik je op één of andere manier uit de shit kan halen doe ik dat, omdat niemand de sores verdient waar jij nu in zit. Een klein stukje van ons leven hadden we samen. Meer niet. We zijn elk onze eigen weg gegaan en meer dan dat kleine stukje samen is er niet. En misschien is dat ene kleine stukje de reden dat ik je wil helpen. Als je een praatpaal nodig hebt: prima, ik ben er. Zit je een keer op zwart zaad, mag je me bellen, wil je gaan verhuizen: regel ik voor je, maar verwacht niet dat ik mijn huwelijk op het spel ga zetten. Dat wil ik niet! Het beste voor jou is om mij te vergeten en nog beter is het om een eventuele nieuwe vlam niet te zeggen dat hij nooit kan tippen aan je eerste liefje. Wat wij ooit hadden is voorbij’.
Ze heeft haar hoofd van hem afgedraaid, zegt lange tijd niets en vraagt dan zacht:
‘Wil je me terug naar het station brengen?’
In volkomen stilte rijdt hij terug. Als ze bij het station uitstapt, vertrouwt ze hem, sissend van kwaadheid, toe:
“Stomme klootzak! Ga maar fijn de Goede Herder spelen voor anderen. Ik bel je niet meer. Ik ben nog liever dood dan jouw schijnheilige smoel te zien. Schijtert!”
En met een daverende klap gooit ze het portier dicht.

“Hoe was het?” vraagt Els.
Nadat hij alles heeft vertelt, merkt ze op:
‘Ze zal het niet makkelijk hebben en misschien belt ze inderdaad niet meer’.

 

1981

Ruim een jaar later en Carla hangt aan de telefoon. Ze is verhuist naar een dorpje in de buurt van Sneek en woont daar sinds kort samen met haar nieuwe vriend. Het gaat haar goed, maar haar twee kinderen zijn ondergebracht bij een pleeggezin. Volgens de hulpverlening is dat voor haar en de twee jongens beter. Als haar situatie wat stabieler wordt kunnen ze misschien terug, maar vooralsnog is daar geen kijk op. Hij vraagt waarom ze belt.
‘Wil de Goede Herder niet weten hoe het met dit ene schaapje gaat?’
Er schiet hem geen gevatte opmerking te binnen en hij rondt het gesprek af door haar het beste te wensen.
‘Mag ik je nog eens bellen?’ vraagt ze.
Natuurlijk mag dat.

 

In de jaren die volgen belt ze met grote onregelmatigheid. Soms hoort hij anderhalf jaar niets van haar en dan kan het zo maar zijn dat ze drie keer in de maand belt. Waar hij zich het meest over verbaast zijn de chaotische toestanden waarin zij blijkbaar continue verkeert. De relatie in Sneek loopt stuk. Ze gaat inwonen bij haar zus om vervolgens te vertrekken naar Breda. De vriend van haar nieuwe vriend is leuker en aardiger, dus dat wordt de volgende. Ze wordt zwanger, krijgt een dochter en binnen het jaar wordt ook dit kind uit huis gehaald. Vervolgens komt ze in Alkmaar terecht en het laatste adres is Lelystad. Het meest recente bericht is dat ze haar nieuwe vriendje het huis uit heeft gezet en dat ze van plan is voorlopig geen nieuwe meer te zoeken. Ze wil een poosje alleen blijven, zodat ze wat aan zichzelf kan gaan doen. Dat is het meest verstandige wat hij in lange tijd heeft gehoord.

Hoe kan iemand zo leven? Wat maakt dat zij haar leven zo leidt en lijdt? Is het noodlot, is het een gebrek aan eigenwaarde, trots of zelfvertrouwen. Misschien zijn al haar vriendjes wel lotgenoten of geestverwanten. Uit haar verhalen begrijpt hij dat er bij allen wel een steekje los zat of ze behoorden niet tot de maatschappelijk meest geslaagden. Wie weet zijn er wel goede kerels geweest, die in eerste instantie op haar uiterlijk vielen, maar afhaakten toen ze de echte Carla met haar hele hebben en houwen leerden kennen. En wat heeft dit met haar gedaan? Je hoeft geen genie te zijn om te ontdekken dat jouw manier van leven niet overeen komt met dat van de meeste mensen om je heen. Elke relatie de mist in zien gaan moet je, vroeg of laat, toch aan het denken zetten? Het meest bedroevend is wel de wetenschap dat ze elke nieuwe relatie is ingegaan met de hoop dat het nu wel klopt. En elke keer is die hoop tevergeefs geweest en dus is ook elke keer de mogelijkheid om een stabiele gezinssituatie te creëren haar ontnomen.  Wat een kut leven!

2014

Vanmorgen zit er een brief in de bus. Geschreven door de oudere zus van Carla. Een agressieve kanker heeft het leven van Carla genomen en ze is inmiddels, volgens haar wens, in stilte gecremeerd. In die brief zit nog een brief en die is door Carla speciaal voor hem geschreven. De brief heeft als aanhef:

‘Dag lieve Goede Herder en Herderinnetje’.  

Het is geen lange brief. Ze schrijft het een en ander over haar ziekte en bedankt hem omdat hij altijd een bereikbaar en luisterend oor was. Eén gedeelte blijft hem bij en zet hem aan het denken. Blijkbaar heeft Carla een nuchtere levenswijze en levenswijsheid ontwikkeld. Voor hem is dat nieuw. Ze schrijft:

Vanavond was er een man op tv, die het geweldig vond dat de techniek het mogelijk maakt dat mensen steeds ouder worden en misschien niet meer van ouderdom dood gaan. Het zou geweldig zijn dat je kennis niet verloren ging, dat je de kleinkinderen van je kleinkinderen zou zien en dat het begrip ‘tijd’ steeds minder inhoud zou krijgen. Ik ben het zo oneens met hem! Als je leven een klote leven is, zoals het mijne, je bent zwaar gehandicapt of je bent gewoon klaar met het leven, dan moet je er toch niet aan denken dat je niet dood kan gaan.

Is veel langer leven, of zelfs niet meer dood gaan, een zegening van de wetenschap? Los van alle problemen die het geeft met overbevolking, woningnood, betaalbaarheid en maatschappelijke acceptatie zou het kunnen. Je bent gezond. Je bent financieel onafhankelijk want je werkt nog steeds omdat je werken nog altijd leuk vindt. Je verveelt je niet en van een sleur is geen sprake. Je achter, achterachterkleinkinderen  weten nog wie je bent. Je hebt nog steeds plezier in het onthouden en aflopen van steeds meer verjaardagen. Vervelende kwaaltjes bestaan niet. Je kennis vermeerderd en je kunt altijd jongere generaties laten delen in jouw kennis.

Maar wat doe je hier nog als blijkt dat niemand op jouw wetenswaardigheden zit te wachten? Als de totale verveling toeslaat omdat je alles al hebt meegemaakt en er werkelijk niets nieuw is onder de zon? Wat als de wetenschap zich sneller ontwikkeld dan jij kunt bijleren en je dus hopeloos achter blijft? Mag je dan dood gaan?

Hoe langer hij nadenkt hoe meer mogelijkheden en onmogelijkheden hij ontdekt. Carla heeft er dus ook over nagedacht. Niemand, behalve de betrokkene zelf, weet hoe het voelt als je te horen krijgt dat je gaat sterven. Wat heeft dit weten met Carla gedaan? Ze is na gaan denken over haar leven en over het leven. Het weten dat je tijd afzienbaar beperkt is, dwingt blijkbaar daartoe. Hij vermoedt dat ze het, zeer terecht, oneens is geweest met die man van de tv. Na een leven vol missers, teleurstellingen, wanhoop, gebroken vertrouwen en vergeefs vechten, kan hij zich voorstellen dat je er gewoon klaar mee bent.

Ze sluit de brief af met de volgende woorden:

Ik ga dood en ik vind het niet erg meer. Om eerlijk te zijn verlang ik naar dat moment. Mijn kinderen komen wel goed terecht. Daarover hoef ik me geen zorgen te maken. Ik maak mij nu alleen zorgen over de dosering morfine die ik zal krijgen. Hopelijk meer dan genoeg.

 Dag allereerste liefje van mij. Ik ben altijd van je blijven houden.

 Het ga je goed.

Hij weet nog niet hoe hij zich voelt. De wetenschap dat Carla nooit meer zal bellen voelt niet als een opluchting of een gemis. Hij twijfelt. Had hij in het verleden dingen anders moeten doen of zeggen? Had hij niet meer kunnen doen? Verdriet, berusting, boosheid en de ‘het is beter zo dooddoener’ wisselen elkaar af. Niemand verdient een klote leven. Door die rottige ziekte is haar de kans ontnomen om het ooit beter te krijgen. Zij kan er vrede mee hebben, maar hij blijft het oneerlijk vinden. Hij is er nog lang niet uit. Carla is dood. Zijn eerste meisje is er niet meer. Kan hij haar ooit vergeten en wil hij dat wel?

‘Wil je met me gaan?’ vroeg hij lang geleden.
‘Ja,’ zei ze toen.
Ze is met hem gegaan.
Tot het einde toe.

 

©peter gortworst / mei 2018

Geplaatst in eerder | Tags: , , , | 3 reacties

De rode draad -1-

Een verhaal uit het archief. Wegens de lengte van de tekst wordt het in twee delen gepubliceerd.

1961

“Wil je met me gaan?”
Hij vraagt het terwijl zij de etalage van –de Vulpen, voor al uw kantoorbenodigdheden– bekijkt.
Hoe kan een jongetje van een jaar of tien, hoogblond met homemade korte broek en bruine veterschoenen, weten dat dit het begin is van iets wat hem tot vanmorgen is blijven achtervolgen?
Of er werkelijk een einde aan gekomen is? De tijd zal het leren.

Herinneringen. Dat wat in het verleden is gebeurt. In je eigen leven, in het leven van mensen om je heen en in de wereld om je heen. Soms zijn er herinneringen die vet gedrukt staan omdat het gebeuren je toen extra raakte. Misschien raken deze je nog steeds en blijven ze je daarom bij. Ook geschreven of gesproken woorden kunnen dat. Soms meer dan terecht, maar kan in het ‘normale’ menselijke verkeer een simpele vraag, een achteloze opmerking of een kinderlijke liefdesuiting ook tot die categorie behoren?

Wie of wat bepaald de intentie, de reikwijdte of de duur van die gevolgen? Zijn er logisch te verklaren oorzaken te noemen? Waarom heeft het ene wat je doet of zegt, zulke verstrekkende consequenties terwijl het andere door niemand belangrijk wordt gevonden of zelfs maar opgemerkt? Is het noodlot, geluk, stomme pech of gewoon toeval? Talloze malen vragen schooljongetjes of een leeftijdgenootje hun vriendinnetje wil zijn. Wat maakt het in zijn geval dan zo bijzonder?

 

Haar naam is Carla. Lang donker haar wat ze meestal in een paardenstaart draagt. Donkerbruine ogen en bij een vermoeden van zonneschijn, al bruin. Dat haar achternaam ‘de Bruyne’ is, kan geen toeval zijn. Ze zit niet op zijn school en woont niet in de buurt. Ze kennen elkaar omdat ze beiden door hetzelfde stuk van de winkelstraat moeten als ze van of naar hun eigen school gaan.
In die straat heeft haar vader zijn hoedenwinkel. Twee etalages met in het midden de ingang. Achter het linkerraam de herenhoeden en omdat je nooit op één paard moet wedden, ook stropdassen en handschoenen. Het raam rechts is voor de dameshoeden, sjaaltjes, doosjes met kanten zakdoekjes en dunne handschoentjes. Nutteloze handschoentjes. Als het maar een klein beetje vriest heb je er al niets aan.

Ook hij is een kind van middenstanders. Zijn ouders hebben een juwelierszaak en een uitgebreid arsenaal aan uurwerken. Van grote staande klokken tot ragfijne pendules. Ook zij hebben daarmee meer dan één paard lopen op de renbaan van het geld verdienen.

Aan het einde van de jaren vijftig is het standsverschil nog volledig aanwezig. ‘Middenstander’ zijn betekent echt wel wat en als kind wordt je dat heel duidelijk gemaakt. ’Werkvolk’ wordt met de nodige tegenzin geholpen. Aan die klasse kan men weinig verdienen. Als ze eens gek doen kopen ze een zilveren armbandje maar meestal blijft het bij de aanschaf van een paar trouwringen. De verkoopactiviteiten worden gericht op de medemiddenstanders, de notabelen en de industriëlen.

Het levert beperkingen op die hij, al ouder wordend, steeds minder accepteert. Als je ’de zoon bent van’ wordt je niet geacht betrapt te worden in de appelboom van de koster. En helemaal niet in de boom van de koster die beroepsmatig behoort bij hun eigen Gereformeerde Kerk. Dan zwaait er wat als ze op het politiebureau ontboden worden om hun zoon op te halen. Gepakt bij  het stoken van een vuurtje  en niet snel genoeg weg kunnen komen.  Ook als een wandelende, stinkende modderpoel, stervend van de kou, via de winkel binnenkomen omdat hij in de polder door het ijs is gezakt, wordt  niet op prijs gesteld. Alle aandacht van de mensen in de kerk op je gericht krijgen omdat de dominee, door gedonder van hem en zijn vriendjes, de preek moet onderbreken, is een prestatie die niet door iedereen wordt gewaardeerd en helemaal niet door ouders.

Hij begrijpt het wel. Ze willen een goed leven en willen vooral dat hun kinderen kansen krijgen die zij in hun jeugd niet hadden. Maar het ophouden van de status gaat ook voor hen gepaard met beperkingen en het ophouden van de schijn. Het is niet alles goud wat er blinkt. Voor een dagje uit is er nog wel geld maar een vakantie zit er niet in. Een televisie hebben ze niet. Dat is luxe die niet betaalt kan worden. Voor televisie kijken hebben ze waarschijnlijk niet eens de tijd. ‘s Avonds moeten er bestellingen worden gedaan, liggen er ringen en armbanden bij de graveermachine en staan er klokken die wachten op een reparatie of schoonmaakbeurt. Zijn moeder is behalve moeder, ook huisvrouw en winkeldame. Alle uren die ze maken vertalen zich niet automatisch in meer geld. Bij veel collega-middenstanders zal dat niet anders zijn.
Een malloot die ‘s nachts een stalen terrastafel van een naburig café door de etalageruit gooide, was de oorzaak van een heuse crisis. De verzekeringsmaatschappij eiste de aankoop van een alarminstallatie en stalen rolluiken. Kosten die niet voor de baat uitgaan.

In deze winkelstraat leert hij Carla kennen. Het stuk wat ze gezamenlijk lopen is het enige gemeenschappelijke. Hoe het eerste contact ontstaat en wat de gespreksstof is, kan hij zich niet meer herinneren. Wel weet hij dat ze al spoedig op elkaar staan te wachten. Vaak loopt ze mee tot hun winkel. Terwijl zij op straat blijft staan, lijnt hij thuis de hond aan en lopen ze samen verder. Ze is gek met die hond. Ze spelen uren met dat beest in het parkje vlak bij haar huis.

Ze komen niet bij elkaar in huis. Geen idee waarom dat zo is. Dat hij absoluut gek op haar is blijkt wel uit het feit dat al zijn wandelingen met de hond steevast langs haar huis gaan. Hij loopt minimaal drie keer langs de overkant van de straat in de hoop iets van haar te zien. Als de sloot achter hun huis bevroren is, blijft hij daar heen en weer schaatsen tot het donker is. Het is zo laat geworden dat zijn moeder zich werkelijk ongerust maakt.

Wat gaat er in dat blonde jongenskopje om als hij vraagt of ze met hem wil gaan? Met de kennis van nu is dat jongetje een hond die blaffend achter een auto aanrent. Wat moet dat beest met die auto als hij hem gevangen heeft? Wat moet hij met Carla als hij haar vraagt om met hem te gaan?

Ze kijkt hem aan met die donkere ogen. Zo bloedserieus en onderzoekend, dat hij er zich  ongemakkelijk onder voelt.
‘Ja’, zegt ze en ergens in hem begint iets te juichen. Hij vindt haar mateloos lief en mooi, maar heeft geen flauw idee wat ’met elkaar gaan’ inhoudt. Bij haar zijn en haar aandacht hebben is eigenlijk het enige wat hij verlangt. ‘Vroeg rijp’ is een term die alleen in bedenkelijker omstandigheden door volwassenen wordt gebruikt. Zij zijn kinderen. Aan ontluiken is de hormoonhuishouding nog niet toegekomen. De enige vermeldenswaardige gebeurtenis is een wederzijds zoentje op de wang. Dat is al spannend genoeg en misschien is het deze spanning die hem doet besluiten om zijn moeder te vertellen dat Carla de Bruyne zijn meisje is.

Kan het een poging zijn om hen te laten weten dat hij al een grote jongen wordt? Of hoopt hij dat ze trots op hem zijn? Was het toen al de verliefdheid die een leven in een achtbaan zet en die je wel van de daken wil schreeuwen? Hij weet het niet.

De reactie van zijn moeder is onvergetelijk.
‘Van de hoedenwinkel?’ vraagt ze.
Als hij dat bevestigt zegt ze:
‘Die zijn Katholiek, dus dat moet je maar vergeten! Ik wil het niet hebben!’

Welke overwegingen gaan achter dat gebod schuil? Wat rechtvaardigt dit kinderlijke onbevangenheid vermoordende, botte antwoord? Is hun bestaan zo doordrenkt van de Gereformeerde beginselen dat zo iets onschuldigs er met de leer der vaderen uitgeknuppeld moet worden? Speelt die verdomde status of de ‘dat doet ons soort mensen niet mentaliteit’ een rol? Het is in ieder geval een reactie die hij beslist niet heeft verwacht. Het blijft ook niet zonder gevolgen: de embryonale relatie met Carla sterft een zachte dood en hij past wel op om thuis ooit nog iets te vertellen.

1968

Het is de tijd van jeugdverenigingen en jongerensociëteiten. Voor deze pokdalige, ongeveer vijftienjarige puber ‘the place to be‘. De ’meisjes-zijn-stom-periode’ ligt achter hem en waar anders kan je gelijkgestemde leeftijdsgenoten ontmoeten? Zijn favoriete sociëteit is het Tonnetje. Alleen op zaterdagavond open in een bijgebouwtje van de kerk en dus absoluut alcohol-  joint-  en wantrouwende oudersvrij. Met veel vaste bezoekers en bezoeksters heeft hij leuk contact en kijkt er wekelijks naar uit. Het is leuker dan een stamkroeg en, zeker niet onbelangrijk, goedkoper.

Ze komt binnen met, naar even later blijkt, haar oudere zus en een vriendin. Die vriendin kent hij. Zij is een vaste bezoekster van deze sociëteit en heeft blijkbaar Carla en zus meegenomen. De herkenning is niet wederzijds. Carla stevent, geflankeerd door zus en vriendin, op hem af en stelt hem aan hen voor. Pas op het moment dat ze vertelt dat hij haar allereerste vriendje was, gaat er een lichtje op. Hij heeft haar echt niet herkent. Het donkere haar is kort geknipt en haar gezicht is mager en scherp. Een aanbod om wat te drinken slaan ze niet af en als hij met de drankjes bij het tafeltje terug komt, lopen zus en vriendin met hun glas in de hand naar de bar. Blijkbaar zijn ze geïnstrueerd.
Ze raken, zoals dat heet, aan de praat. Na de koetjes en kalfjes vraagt ze, volkomen onverwacht, waarom het tussen hen uit is gegaan. Hij wil er wat lacherig over doen, maar iets in haar houding en donkere ogen geeft aan dat het voor haar een wezenlijke vraag is. De werkelijke reden vindt hij te gênant en probeert daarom een redenering te verzinnen over kleine kinderen, kalverliefde en nu zo’n vijf/zes jaar verder zijn. Ze onderbreekt hem met de woorden:
‘Ik denk heel vaak aan je en vooral bij de begrafenis van mijn vader had ik je naast me willen hebben.’
Hij weet niet wat hij hoort! ‘Ontreddering’ is een vage aanduiding van zijn gemoedstoestand. In de eerste plaats wist hij niet dat haar vader dood was en in de tweede plaats begint hij zich behoorlijk schuldig te voelen over iets waar hij niets aan kan doen. ‘Assertief’ is nog geen modewoord en zeker geen breed bekend begrip. In plaats van het probleem te laten waar het is, trekt hij het zich wel aan. Stotterend, met rooie kop en zweethanden, vraagt hij naar haar vader. Het blijkt dat de beste man een kleine twee jaar geleden, ´s avonds door haar in het magazijn van de winkel is gevonden. Overleden aan een hartaanval.
‘Ik voelde me zo alleen toen we bij het graf stonden. Mijn vader zou je vast gemogen hebben,’ zegt ze en de eerste traan loopt over haar wang.
Hij staat op om bij de bar een papieren servetje te halen, maar ze wil even naar het toilet om de schade van uitlopende mascara te herstellen. Ze is de deur nog niet uit of haar zus komt naar hem toe.
‘Doe voorzichtig met haar. Ze heeft nog al wat mee gemaakt,’ zegt ze en ze knijpt even in zijn schouder.

Ook dat nog! Een oudere zus met verantwoordelijkheidgevoel die op afstand de zaak in de gaten houdt. Zo voelt dus drijfzand aan. Je zakt langzaam weg en ontsnappen wordt steeds moeilijker.

Terugkijkend op je prille jeugd is het normaal dat je aan je eerste vriendje of vriendinnetje denkt. Maar nu, als tiener die de wereld en het leven nog moet ontdekken, er zo veel gewicht aan geven, het zo overwaarderen, lijkt hem niet goed. Toch moet hij erkennen dat er een zekere mate van trots is gegroeid: blijkbaar is ze onder de indruk van hem. Het slimste wat hij nu zou moeten doen is een charmante aftocht organiseren. Misschien gaan hun levens dan ieder een andere weg. Het is praten achteraf en dan is zelfs de grootste sukkel slim. Feit is dat hij haar die avond naar huis brengt. Ze gaan te voet. Zus plus vriendin volgen op zo’n vijftig meter afstand. Ze nemen netjes afscheid en hij belooft dat hij volgende week weer in het Tonnetje zal zijn.

Het zou best de drang kunnen zijn om te willen zorgen voor iemand die zorg nodig heeft. Hij wil haar koesteren als een gewond vogeltje, in de overtuiging dat het allemaal weer goed komt. Misschien is het zijn onkunde hoe om te gaan met een huilende vrouw of onderkent hij zijn volkomen onterechte schuldgevoelens niet. Waar is het gevoel voor rede en waar het gezonde verstand? Hij had niks moeten beloven. Voor het feit dat je ook een prima leven kan hebben met een te vroeg gestorven vader heeft hij geen oog. Hij heeft haar bescherming, hulp en hoop gegeven zonder te beseffen dat hij daarvan niets waar kan maken. Het beeld van een haas die in de koplampen van een naderende auto staart en niet weg springt, dringt zich aan hem op. Zelfs hij wordt nu slim.

 

Ze krijgen verkering maar zien elkaar alleen op de zaterdagavond in het Tonnetje. Ze kletsten met elkaar en met bekenden, ze zoenen, maar wegens het toezicht netjes en niet aanstootgevend en ze dansen. Dansen op de langzame nummers van the Cats, Beatles en Fats Domino. Het is niet meer dan een, strak tegen elkaar aangedrukt, wiebelen.  Als ze ‘Forever and ever’ van Demis Roussos draaien vertelt ze dat deze zanger altijd een stukje boven de vloer zweeft.
‘Als je goed kijkt kan je het zien,’ zegt ze, maar ze is er ook achter gekomen dat zij de enige is die het ziet.
Omdat haar zus vertelt had dat ze nog al wat had meegemaakt, vraagt hij daarnaar. Eerst wil ze er niet over praten maar een week of twee later vertelt ze dat een oom niet met zijn handen van haar af had kunnen blijven. Het was twee keer gebeurd en de derde keer waren ze gelukkig betrapt door haar moeder. Hij gelooft niet dat ze alles vertelt maar vind het zo al lullig genoeg. Hij snapt nu ook waarom ze verstart als zijn hand onder haar truitje glijdt.

Deze periode duurt een paar maanden en hij maakt het uit omdat het niet leuk meer is. Het is hem al vaker opgevallen dat ze zo dom kan praten en doen. Ze snapt ook vaak dingen niet. Met steeds grotere regelmaat merkt hij dat haar iets uitgelegd moet worden wat voor iedereen zo klaar als een klontje is. Net zo vaak gaat hij zich aan haar irriteren.

Het ergste zijn haar claims op de nabije en verre toekomst. Dat ze met hem gaat trouwen staat voor haar vast. De datum nog niet, maar het jaar wel. Maar ook hoeveel kinderen ze krijgen, in wat voor soort huis ze gaan wonen, het soort meubels, vakantiebestemming, huisdieren en je kan het zo gek niet verzinnen of zij heeft daar al over nagedacht. Het zijn juist die dingen waar hij helemaal niet over na wil denken. Hij heeft geen trouwplannen en al helemaal geen plannen die daarna moeten komen. Voor haar is ‘hij en ik samen’ het leven. Voor hem is ‘zij en ik’ slechts een deel van zijn leven en het feit dat hij het zo voelt, zegt al meer dan genoeg.

Verdriet en boosheid als hij het uitmaakt. Het verwijt “Je hebt me gebruikt!” vind hij zo oneerlijk en zo ver van de waarheid afstaan, dat hij er nu nog verdrietig van kan worden.

1979

Het is een zonnige zaterdagmiddag als hij, samen met zijn vrouw Els, door het winkelcentrum loopt. Niet alle winkels in dit centrum zijn al verhuurt, maar de vooruitzichten zijn gunstig. Dit nieuwe stadsdeel is nog in opbouw. Driekwart van het plan is voltooid en de verwachting is dat het nog een kleine twee jaar duurt voor alles af is. Hun huis ligt in de fase die het eerst opgeleverd is. Een vrijstaande woning aan het eind van een doodlopend straatje. Hun eerste koophuis en ze zijn er hartstikke trots op. Voor stadse begrippen een grote tuin. Achter de tuin loopt de Jonkersvaart en dus is er een vrije doorvaart naar het open water. De plannen voor de boot die ze later gaan kopen, zijn er al.

In de supermarkt doen ze hun laatste weekendboodschappen. Bij de kassa rekent hij af terwijl Els de boodschappen in een doosje doet. Plotseling een stem achter hem:
‘Ken je me nog?’
Hij draait zich om en daar zit Carla achter de kassa.
‘Hé, Carla, wat leuk! Hoe is het met je?’
Haar gezicht verstrakt.
‘Om eerlijk te zijn: niet echt goed. Ik wil een keer met je praten. Dat kan nu niet, maar mag ik je een keer bellen?’
Niet bepaald een reactie die je verwacht als je iemand na zo veel jaar weer ziet. Enigszins verrast zeg hij:
‘Ja natuurlijk. Moet ik het nummer even opschrijven?’
Dat hoeft niet.  Als hij in het telefoonboek staat zal ze hem wel vinden.

‘Wat was dat nou?’ vraagt Els en hij vertelt haar dat deze kassadame Carla is en dat ze hem, zeer waarschijnlijk, binnenkort gaat bellen. Het feit dat ze elkaar op de hoogte hebben gebracht van alle serieuze relaties die ze hadden voor ze elkaar kenden, komt nu van pas. Uitleg over Carla is overbodig.
‘Weet je ook waarom?’ vraagt ze.
‘Nee, maar ik neem aan dat ik het wel zal horen.’

wordt vervolgd

 

©peter gortworst / mei 2018

 

Geplaatst in eerder | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Orde, rust en regelmaat -18-

Van alles

 

Demontage

Enig technisch inzicht kan haar niet ontzegd worden. Het is niet veel. Het is maar net genoeg om technische dingen vakkundig uit elkaar te halen. Hij heeft geen idee waar haar keuze op gebaseerd is. Er zit qua constructie en vorm nogal wat verschil tussen een balpen, de koptelefoon van zijn opbelding, het snoer van de schuurmachine of de zuigmond van de waterzuiger. Misschien is het de smaak. Een goed gedemonteerde balpen geeft een daverende smaaksensatie, in een koptelefoon zitten magneetjes maar daarmee iets leuks doen is er niet bij en wie weet geeft het harige deel van een zuigmond een oerstimulans die bij haar verre voorouders nog verklaarbaar was.
Ze heeft meer dan genoeg spullen waar ze wel op mag kluiven. Ze bezit nu twee koeienbotten, een harde gummi bal, haar staart, een uitgekookt mergpijpje en stokken van diverse diktes. Volgens hem kan het daar dus niet aan liggen. Wie weet is het de truc van de verboden vrucht: waar je niet aan mag komen is onweerstaanbaar.

 

Opluchting

Een klein kwartiertje voor je computer zitten en je plotseling bedenken dat je een balpen op de salontafel hebt laten liggen. Je spurt de kamer in en de hemel zij dank: De trut slaapt en de pen is nog heel.

 

Hondenschool.

Hij heeft het al van meer mensen gehoord. Hondenschoolhond is andere hond dan thuishond. Zijn trut maakt op die regel geen uitzondering. Zodra ze in de gaten krijgt dat we gestopt zijn bij de hondenschool transformeert zijn toch al niet zo rustige trut, in een stuiterbal van opbouwende spanningen en emoties. Thuis gaat het wandelen zonder trekken redelijk. Als ze vergeet om netjes aan de riem te lopen zijn een paar haakse bochten en even aan de voet zitten vaak voldoende om haar weer bij de les te krijgen. Daar, op die school, is dat vergeefse moeite. De juf roept dat hij pas mag gaan lopen als ze niet trekt. Daar gehoor aan geven betekent dat hij het hele lesuur in de opening van het lesterrein komt te staan. Als hij zijn been optilt om één stap te zetten, hangt ze al in de riem. Hij vermoedt dat het speelkwartiertje daar de oorzaak van is. Na een aantal oefeningen mogen de honden los en dat is waar zijn trut op wacht.

Nu had hij al wat bedenkingen tegen de hondenschool. Er zit geen structuur in wat er aangeleerd wordt en hoewel ze lesgeven volgens de positieve beloning, wordt er niets gezegd tegen hondeneigenaren die met een ruk aan de slipketting, een schop(je) tegen de hond of met een zeer boze en luide stem, proberen hun viervoeter naar hen te laten luisteren. Omdat hij al genoeg te stellen heeft met de thuishond heeft hij besloten het bestaan van de hondenschoolhond te beëindigen.

 

Dominant

Zijn trut is, wat andere honden betreft, voor niets of niemand bang. Onbevreesd legt ze twee poten in de nek van de ander en zelfs een snauw of opgetrokken lippen weerhouden haar niet om het gewoon weer te doen. Tot nu toe is ze daar mee weg gekomen. Het lot heeft anders beslist. De overburen hebben een hond van waarschijnlijk 32 verschillende voorouders, één jaar oud, ongeveer gelijke grootte en ze heet Diva. De eerste ontmoeting verliep zoals verwacht. Ze rennen, Diva voorop, rondjes door zijn tuin. Zijn trut probeert haar poten te plaatsen in de nek van Diva maar die ontsnapt telkens. Frustratie bij zijn trut die overgaat in happen naar de oren. Dat is geen goed idee. Diva bijt letterlijk van zich af en zijn trut heeft geen idee wat te doen. Ze staat van een afstandje naar Diva te kijken. Die snuffelt een beetje hier, een beetje daar en neemt een paar flinke slokken uit de bak met regenwater. Voorzichtig nadert zijn trut haar en plotseling legt ze haar poten weer in de nek van Diva. Grauwen en grommen en voor ze het weet ligt de trut op haar rug. Doodstil. Diva geniet overduidelijk van het moment en gaat dan verder met hier en daar snuffelen, doet een plas en biedt zijn trut geen blik meer waardig. Trut weet duidelijk niet wat te doen. Ze zoekt steun bij hem maar met een ‘zoek het lekker zelf uit’ valt ook daar geen heil te verwachten. Het resultaat mag er zijn. Ze rennen nog wel achter elkaar aan maar soms ligt Diva voor en soms zijn trut. Het wederzijdse respect is daar en wie weet kunnen ze elkaar verdragen zonder poten in de nek, grauwen en snauwen of doen alsof je dood bent.

 

Longeren.

Drainagebuis gehaald om een mooie longeercirkel in de tuin te maken. Zestig millimeter doorsnede en 25 meter lang. Onderweg naar huis loopt er een muis over de vloer van de auto. De 25 meter lange doorzonwoning van Mickey is op transport. Hij of zij verstopt zich ergens in de buurt van het koppelingspedaal. Waar? Geen idee. Thuis alle deuren van de auto open laten staan maar het zal hem niets verbazen als Mickey toch nog ergens zit.

Het longeren begint zijn trut door te krijgen maar erg enthousiast is ze nog niet. Het zal wel weer een kilo jongbelegen kosten.

 

 

© peter gortworst / mei 2018

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Ik ben van na de oorlog.

Ik ben van na de oorlog en zelfs mijn kinderen zegt dit niets of weinig. Van ‘na de oorlog zijn’ betekent dat je niets had meegemaakt. Je weet niet hoe dat is om te leven in een land wat bezet wordt door de vijand. Mijn ouders wel. Mijn ooms en tantes ook. Andere oudere  mensen kunnen je hele verhalen vertellen over hun belevenissen tijdens de bezetting maar er zijn er ook die heel veel weten maar je niets vertellen. Hun leed hebben ze opgeborgen in een kastje wat nooit meer open gaat.

Als ik thuis mijn bord niet helemaal leegschraap of domweg weiger om het gestoofde rundvlees, met aan de rand van dat glibberige dril, te eten, is de standaard opmerking bij het onweerlegbare gebod om het wel te eten: ‘In de oorlog deden ze daar een moord voor’. Dat het later, met ouders die wat wereldwijzer zijn geworden, omgezet wordt in ‘Kindertjes in Afrika sterven van de honger’ had niets te maken met het vergeten van de oorlog maar met het besef dat voedsel op tafel geen vanzelfsprekendheid is.

Onderduiken, hongertochten, krijgsgevangenschap, verduistering, voedselbonnen, illegale houtkap, Zweeds wittebrood, razzia’s, allemaal termen die in mijn jeugd voorbij komen als de vierde mei nadert. De stille tocht die ons huis passeert en even verder stil houdt bij het monumentje wat in de tuin van de kamer van koophandel staat. Die verder gaat om uiteindelijk om 8 uur bij de herdenking te zijn in het vrijheidspark. Mannen met helmen en blauwe overals die je met eerbied en ontzag bekijkt. Zij weten hoe het was. Zij hebben misschien wel geschoten op die rotmoffen of met dynamiet bruggen opgeblazen. Die bewondering en verwondering is gebleven. Hoe diep moet de haat zijn, hoe groot moet de liefde voor je land zijn, hoe intens moet je verlangen zijn om in vrijheid te leven wat maakt dat je opstaat en, ondanks het gegeven dat het je leven kan kosten, weerstand biedt tegen alles wat jou beperkt. Dat was niet alleen toen. Dat is ook nu. Het ‘spel’ van de macht is niet gestopt op die 5e mei. Het is onverminderd doorgegaan en zal dat tot in lengte van dagen blijven doen.

 

Voor wie enige notie heeft van een mis in de kerk: Na het kyrie, het gebed om de nood van de wereld, volgt, zonder tussenstop, het gloria. Dat wringt soms op een vreselijke manier. Hoe kan je ‘in de gloria’ zingen als je net hebt stil gestaan bij al het leed van de wereld?

Soms ervaar ik de 4e en 5e mei op dezelfde manier maar mijn ervaring is niet die van de Joodse familie die gedecimeerd is, niet die van het gewone gezin wat leeft met de wetenschap dat die ene oom neergeschoten is, een opa die nooit is terug gekomen, of een tante die van de honger is gestorven. Voor hen moet dit kyrie en gloria elk jaar weer even wrang zijn.

Om 8 uur op de vierde mei ben ik twee minuten stil. Niet alleen voor hen die hier in Nederland hun leven hebben gegeven maar ook voor hen die op deze aardbol wonen en die hun wil om vrij te zijn met hun leven hebben moeten betalen. Daarom geen foto van een Nederlands monument. Op de foto  is een monument afgebeeld wat staat op de begraafplaats in Dublin. Daarmee worden Ierse vrijheidsstrijders herdacht die middels hun hongerstaking met fatale afloop, vochten voor hun vrijheid.

 

© peter gortworst / 4 mei 2018

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Orde, rust en regelmaat -17-

Plons, plons, plons. 

Hij zou graag vertellen dat het wonder zich voltrokken heeft maar dat gaat niet. Een wonder vereist onverklaarbare gebeurtenissen in, als het even kan, onverwachte omstandigheden en dat is niet het geval. Het water was gewoon dieper dan hij en zijn trut hadden gedacht en er was een andere hond die het op haar stok had voorzien.

Het Lutterzand ligt tussen Oldenzaal en de Duitse grens. Daar is een klein losloopgebied voor honden. Eigenlijk is het niet veel meer dan een  zanderige speelweide met een ‘strandje’ bij de rivier de Dinkel. Zoals het een goed strand betaamt wordt het vanaf de kant langzaam dieper en zijn trut had al snel ontdekt dat de overkant haalbaar was zonder het contact met de bodem te verliezen. Die wetenschap maakt haar onbesuisd en dat wreekt zich. Als hij een stok naar de overkant gooit is zij niet de enige die deze wil halen. Een andere hond heeft er ook wel oren naar en samen rennen ze het water in. Er ontstaat enige onenigheid waardoor de run naar de stok even gestaakt wordt. Als de zaak tussen de viervoeters geregeld is, kan zijn hond de stok gaan halen. Die is ondertussen door de stroming meegevoerd en zo komt ze in een gedeelte wat nog niet eerder getest is. Met de stok tussen de tanden wil ze terug maar omdat die andere hond de afgesproken gang van zaken, bij nader inzien, toch niet kan accepteren, belet hij haar de weg. Listig maar onbesuisd slaat ze linksaf om via de oever weer bij de baas te kunnen komen. Plots is daar geen grond meer onder haar poten en ze gaat kopje onder. Als ze weer boven komt is het een wild plonzen van poten en met ware doodsverachting en stok in de bek kan ze de oever bereiken.

Ze heeft dus werkelijk gezwommen. Nu is het een beauty van een hond. Ze is niet alleen mooi maar als ze met hem aan de wandel is, valt het hem vaak op dat ze zich ook mooi beweegt. Soms denkt hij te zien dat ze draaft als een Fries paard. Haar gang is recht en sierlijk en in volle galop is het een kanonskogel gelijk: ze kan heel hard. Misschien is daarom het contrast met haar zwemkunsten zo groot. Niks geen sierlijkheid. Niks geen gestroomlijnde hond die gracieus door het water klieft. Het is een onhandig lomp plonzen met grote poten. Maar wie weet. Misschien baart ook hier oefening kunst.

 

Nog een heugelijk feit: ze loopt, wanneer er tenminste niet iets heel spannends haar pad kruist, netjes aan de riem. Niet met de wurgstrik, niet met de gentle leader maar gewoon aan haar halsband. Een paar keer wat zeer kordate trainingen gedaan met, voor haar onverwachte wendingen en blijkbaar is toen het kwartje gevallen.
Eindelijk….

 

Vanavond gaan we leren om haar te laten longeren. Als alles goed gaat staat hij straks in het midden van een grote cirkel, gemaakt van felgele rioolslang, en rent zijn hond door middel van armgebaren links of rechtsom rond de buitenkant van de cirkel en gaat, ook via gebaren, zitten of liggen. Dat gebaren is hij al geruime tijd aan het oefenen en gezien de resultaten tot nu toe zal het vanavond wel weer een vrolijke puinhoop worden. Geeft niks. Er gaat nu eenmaal niets normaal bij zijn hond. Dat is trut-eigen.

 

©peter gortworst / april 2018

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Schoonheid

“Alles heeft zijn schoonheid alleen wordt dat niet altijd door iedereen gezien”

Dat schijnt een spreuk van Confucius te zijn en wie ben ik om het niet met hem eens te zijn. Ik weet wel dat schoonheid vele gedaanten heeft. Een tegelzetter kan genieten van de tegels in een badkamer, een stratenmaker van een kunstig gelegd straatje, een schilder van het strakke schilderwerk, de brandweerman van een grote brand, de chirurg van de 21 hechtingen of de verzekeringsman van de uitgebreide polis.

In velen van ons schuilt de kunstenaar maar inderdaad en helaas, niet iedereen ziet dat. Deze ontkenning van het kunstwerk bestaat, mag ik hopen, niet omdat men dat wilt. Het is vaak de onwetendheid die verhinderd dat men iets als een kunstwerk ziet. Gebrek aan kennis, desinteresse, een zich verheven voelen of een te veel naar binnen gerichte blik beletten ons vaak deze schoonheid te zien en te waarderen. Bovendien, en niet geheel onbelangrijk, is schoonheid ook iets persoonlijks. Waar de ene lyrisch van wordt zegt het de ander niets. ‘Ik heb daar niets mee’ is dan de meest gebruikelijke opmerking en alle enthousiaste uitleg te spijt blijft het daarbij. In het beste geval begrijpt de ander waarom je iets mooi vindt maar dat impliceert niet dat hij of zij dat dan ook mooi moet gaan vinden.

Schoonheid kent niet alleen vele gedaanten. Het is ook betrekkelijk. ‘Niets is hier blijvend. Alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan’ schreef ene Johannes de Heer in zijn lied 166.
Schoonheid van nu kan door vadertje Tijd en moedertje Natuur veranderen is iets onooglijks waar weinig schoonheid aan te ontdekken valt. Het kan lang of kort duren maar uiteindelijk heeft niets eeuwigheidswaarde. Dat wat nu ons hart sneller laat slaan, ons de ogen niet laat geloven, onze geest verbijsterd of ons tot tranen toe beroerd zal er eenmaal niet meer zijn. Het kan vele eeuwen duren maar uiteindelijk zal het, net als de mens overigens, tot het verleden gaan behoren.

Schoonheid wordt mooier als het gedeeld wordt. Het uitzicht vanaf een moeizaam beklommen hoogte wordt mooier als je samen boven zit. Niet alleen is samen de top bereiken hoogstaand maar om je heen kijkend maak je elkaar attent op dingen die je misschien gemist zou hebben als je alleen was. Dat geldt ook wanneer je een schilderij bekijkt of door een oud stadje sjokt.
Schoonheid wordt meestelijker als je meer van het onderwerp weet. Een banaal groen vaasje, ergens in de hoek van het schilderij, krijgt betekenis als je vertelt wordt waarom dat vaasje daar geschilderd is. Uitleg over een gevelsteen zegt je meer over het huis en over het oude stadje en kan je waardering vermeerderen.

Schoonheid van dingen die je kan zien en/of aanraken. Ik laat, ter wille van de hoeveelheid tekst, de schoonheid van een zonsondergang, wolkenluchten, weiden vol met klaprozen, een dansende wolk van spreeuwen, ochtendnevel boven de heide of een enkel bosanemoontje maar even buiten beschouwing maar er is schoonheid die je niet kan zien of aanraken: Muziek.

Er zijn weinig zaken waar iedereen een mening over heeft maar muziek hoort daar niet bij. Ik durf de stelling wel aan dat iedereen weet welk soort muziek hij of zij graag hoort. De oorzaak zou best kunnen liggen in de mogelijkheid dat muziek dieper het lijf in gaat dan het oor alleen en dat maakt muziek zo persoonlijk als het maar zijn kan. Uit eigen ervaring weet ik dat muziek, vallend onder de categorie ‘hause’, mij knap onrustig maakt, de blues mij melancholisch, popmuziek uit de 60 en 70er jaren mij een ‘ach ja gevoel’ oplevert, rap en Nederland Zingt mijn wijsvinger laat bewegen naar het uitknopje en wat men in het algemeen onder ‘klassieke muziek’ verstaat, mij veelal voedt met weldadigheid en warme gevoelens.

Ook hier komt er kennis van de schoonheid om de hoek kijken. Ik ben bepaalde popsongs mooi gaan vinden. Je bent het verhaal wat erachter ligt te weten gekomen, je linkt het nummer aan een bepaalde gebeurtenis of je wordt attent gemaakt op bijvoorbeeld de muzikale opbouw van het nummer. Het banale groene vaasje krijgt soms ook hier betekenis.

Ik heb anderhalf uur met open oren en ogen geluisterd en gekeken naar een film met de jonge Franse pianist David Fray. Het is een film van hem met het Deutsche Kammerphilharmonie Bremen. Ze zijn bezig met het opnemen van pianoconcerten van the good old Bach en het is zo fascinerend om te zien en te horen hoe dat gedaan wordt. David Fray heeft een duidelijke visie over hoe het gespeeld moet worden en maakt dat op een heerlijk ontwapenende manier aan de orkestleden duidelijk. Nu heeft iedere muzikant een mening over hoe een stuk dient te klinken. Een bepaalde eigenwijzerigheid kan de meeste niet ontzegt worden maar begrijp mij niet verkeerd, het is hun goed recht. Hoewel…. Ik heb eens een organist het koraal Subdue us by Thy goodness (uit BVW 22) zo langzaam, zo traag horen spelen dat het orgel onder zijn handen in slaap viel. Zo niet bij deze jonge virtuoos. Ik heb er, ondanks de gekke bekken die hij trekt, mateloos van genoten. De muziek die ik al mooi vond, is nog mooier en meer zeggender geworden en deze vermeerdering van schoonheid wil ik daarom graag delen.

Het programma heet ‘Swing, Sing & Think: David Fray – Bach’s Keyboard Concertos’.
Dit is de link. Ik hoop dat jullie er in die anderhalf uur net zo van kunnen genieten.

https://www.youtube.com/watch?v=xV_L7kh08cE

 

© peter gortworst / april 2018
foto: nl.freepik.com

 

 

 

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -16-

Door schade en schande

Opvoeden is best wel lastig. Niet als het er om gaat een kind te leren met mes en vork te eten, beleefd te zijn, op tijd naar bed te gaan of rechts te houden als het met de fiets naar school gaat. Dat zijn de makkelijke dingen die overigens niet altijd makkelijk blijken te zijn. Het lastige zit in jouw ervaringen en het gebrek daaraan bij het kind. Het moet zichzelf nog ontwikkelen, de ervaringen opdoen. En al je waarschuwingen, al je geduldige uitleg waarom het kind beter iets niet of wel kan doen ten spijt, blijft dit al sinds mensenheugenis een ‘door schade en schande verhaal’. Je kan honderd keer zeggen dat de pap te heet is maar op het moment dat het kind zich de tong verbrand, wordt de opvoedkundige waarschuwing gelinkt aan de pijn. In zo’n geval is de levensles overduidelijk waarneembaar. Je ziet het voor je ogen gebeuren maar veel vaker zie je niet. Kinderen die veel buiten spelen, leren misschien nog wel het meest via dit ‘schade en schande verhaal’. Een sloot die iets breder is dan jij kan springen, ijs in de vijver wat nog niet dik genoeg blijkt te zijn, een tak die afbreekt omdat deze jouw gewicht niet dragen kan, ruzie maken met een jongetje uit de buurt die veel harder kan slaan dan je vooraf ingeschat had, doodziek je eerste sigaret uittrappen of hondsberoerd je eerste kater ontdekken.  Als opvoeder heb je hier vaak geen weet van en net zo vaak is dat maar goed ook.

Overpeinzingen die bij hem opkomen als hij naar zijn hond kijkt. Gedurende deze warme zomerdag in april zijn er talloze insecten ontwaakt en dat maakt het leven van zijn hond heel spannend. De citroenvlinder die dartelend door de tuin vliegt, ontkomt nog aan de snappende bek maar wat als ze haar eerste hommel of wesp vangt? Je kan honderd keer zeggen dat zo’n beest lelijk kan steken maar de waarschuwingen hebben, als ze al begrepen worden, pas effect als ze inderdaad gestoken wordt. Het ‘met schade en schande verhaal’ geldt onverkort ook voor jonge dieren.

 

’s Morgens na haar ontbijt vlijt zijn trutje zich meestal op haar plaats om de gevulde maag haar werk te laten doen. Zo ook gisteren. Plotseling schiet ze overeind en spoed zich naar de andere kant van de kamer waar ook een ligplekje is. ’s Middags krijgt hij door waarom ze dit doet. Ze zit lekker tegen hem aangeleund en ook nu schiet ze plotseling weg. Als hij zich afvraagt wat er aan de hand is, vertelt zijn neus de waarheid. De trut laat scheten en blijkbaar vindt zij ook dat ze stinken.

 

Naar alle waarschijnlijkheid zal de eerste echte zwembeurt spoedig  plaats gaan vinden. Ze had al ontdekt dat het water in het hoogveengebied nergens dieper is dan haar poten lang zijn dus daar rent ze onbevreesd in rond. Gisteren kwam ze er achter dat de overgang van land in water bij het kanaal ook niet zo abrupt is van niet naar wel diep. Haar wil om een takje uit het water te vissen zorgt er voor dat, voor het eerst in haar leven, er water over haar rug spoelt.  Twee grote sprongen richting veilige oever zijn het resultaat maar even later probeert ze het toch weer.

Nog even geduld. Ze komt er wel.

 

©peter gortworst / april 2018

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , | 5 reacties

Orde, rust en regelmaat -15-

Capitulatie

Oke, hij is om. Vier maanden heeft hij het geprobeerd en het is niet gelukt. Vier maanden van stug volhouden, geduld, beloningen in alle vormen en maten, hoop en ergernis. Maar nu, gedwongen door tijdelijk lichamelijk ongemak, heeft de gentle leader zijn intrede gedaan.

Ze is het er nog niet helemaal mee eens. Gewillig laat zij zich dat ding aanpassen maar zodra ze door krijgt dat het bandje over haar snuit een blijvertje is, moet dat natuurlijk zo snel mogelijk weg. Helaas voor haar. Dat gaat niet en met een houding en blik van ‘als ik er niet op let, is het er ook niet’ worden de pogingen tot verwijdering even gestaakt.

Als na enige tijd van gewenning de riem wordt aangehaakt, is het weer mis. Schudden met de kop, poten die ingezet worden en de kop vegen in het gras, niets helpt en het vervelendste is nog dat je gedwongen wordt naar links te kijken als je maar even sneller wil lopen dan de baas. Dat is niet leuk! Hij kan je dan wel belonen met stukken tekst als ‘Goed zo. Brave meid’ als de riem even slap hangt maar dit kan nooit de bedoeling van een wandeling zijn. Weg is de lol van hijgend in de riem hangen als er aan de overkant van de straat een andere hond loopt. Weg zijn de pogingen om met een ruk zijn arm uit de kom te trekken als er een musje weg vliegt. Gedwee naast hem lopen en af en toe een stukje kaas krijgen als beloning voor dat saaie gedoe is het enige wat rest.

 

Hij geniet. Losjes houdt hij de riem vast en prijst zijn trut de hemel in. Hij durft het zelfs aan om op zaterdagmiddag in de winkelstaat van Nordhorn met haar te gaan lopen. Ze doet het voorbeeldig. Andere honden worden wel bekeken maar elke poging tot toenadering wordt belemmerd door de gentle leader. Wat wel opvalt zijn de reacties van de overige wandelaars. Loslopende kinderen worden aan de arm op veilige afstand getrokken, arm in arm lopende stelletjes verleggen hun koers en mensen die reeds ver genoeg verwijderd zijn kijken bedenkelijk naar dit monster met die muilkorf. Dat iemand met zo’n bijtgraag mormel tussen al deze mensen durft te lopen? Mag dit zomaar?
Hij en zij zijn zich van geen kwaad bewust. Ze loopt keurig naast hem en als ze zich vergist of het even vergeet, doet de snuitband zijn werk.

Bankjes zijn er om op te zitten. Dat doet hij dan ook. Normaal blijft ze dan heel alert naar iedereen die langs loopt kijken maar zelfs dat is verleden tijd. Ze gaat liggen en taalt helemaal nergens naar. Het valt hem nu ook op dat niemand vraagt of ze haar even mogen aaien. Dat bandje over haar snuit heeft onverwachte bijverschijnselen.

 

Hij heeft op korte afstand van zijn huis een zandpad langs een kanaal ontdekt waar ze naar hartenlust vrij kan rondrennen. Lang lopen is er voor hem nog even niet bij dus als hij zijn fiets uit de auto haalt weet ze dat het feest is. Ze springt uitgelaten om hem heen. Hij fiets langzaam en zij spurt voor hem uit, sjouwt met enorme takken, verjaagt eenden en meerkoeten van de kant en komt af en toe een stukje kaas halen met een knuffel. Ze is, sinds haar verblijf in het pension, rustiger geworden maar hier is ze weer de oude, lompe en super-enthousiaste trut. Hij vindt het prima. Energie is er om gebruikt te worden. Thuis krijgt ze wat lekkers en ploft dan in een slaap waarin ze alle emoties weer verwerkt. Ze trekt met haar poten en piept en als hij haar dan even aait kijkt ze hem, zo lodderig als ze maar kan, aan. Nu niet baas. Je trut slaapt.

 

© peter gortworst / april 2018

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , | 3 reacties

Orde, rust en regelmaat -14-

Heftig

Het leven kan onverwachte wendingen geven. Het leven van mensen maar ook het leven van huisdieren. De wendingen in het leven van een huisdier worden meestal veroorzaakt door mensen. In zijn geval was het door omstandigheden onvermijdelijk. Een hond die voor onbepaalde tijd alleen in huis verblijft en door goedwillende buren uitgelaten gaat worden, kan gewoon niet. Dat is voor de hond absoluut niet goed. Voor het huis overigens ook niet.
Toen ziekenhuisopname tot een mogelijke realiteit ging behoren hadden zijn kinderen de hond meegenomen.  Een verstandige beslissing met een vooruitziende blik. Tijdelijke opvang in een heus pension was, om verschillende redenen, de beste keuze.

Zijn gewaardeerde lezers en lezeressen die, wanneer zij in het bezit zijn van een huisdier, zichzelf tot bevoorrechten mogen rekenen, zullen het met hem eens zijn als hij beweert dat je een huisdier mateloos kan missen. Voor hem was dat niet anders. Goed vier maanden deelt hij zijn leven 24 uur per dag met zijn trut en plotseling van elkaar verstoken zijn geeft, op de meest ongelegen momenten, emoties die met wat vocht zichtbaar worden. Natuurlijk, ze zullen best goed voor haar zorgen. Ze zal het vast wel leuk vinden om met andere honden te spelen maar hij weet donders goed dat ze hem mist. Hij zou zo graag weer even zijn hoofd in die warme nek leggen, haar kriebelen achter die enorme oren, het gewicht van haar kop voelen als ze deze in zijn hand legt of haar warme lijf voelen als ze tegen hem aan komt leunen.

Het is gebleken dat mensen met een huisdier eerder uit een ziekenhuis ontslagen worden dan huisdierloze patiënten. Ze helen gewoon sneller. Helaas voor hem werd deze stelling ondergraven door een vervelende ontsteking. Zonder veel misbaar werd deze hindernis geaccepteerd. Het is gewoon niet anders. Je voelt zelf wel of je lijf iets aan kan of niet en voor hem was het zonneklaar: nog niet.

Eigenlijk is het best verontrustend om te bemerken hoe snel een lijf af kan takelen. Twee dagen voor de opname liep hij nog fluitend twee uur door het veld te banjeren. Bij thuiskomst uit het ziekenhuis was het beklimmen van de trap naar de slaapkamer een adembenemende opgave. Gelukkig werd dat redelijk snel wat beter en hij besloot dat over een paar dagen zijn trutje haar vakantie in het pension maar moest beëindigen.

Ze was blij hem te zien. Piepen, janken en draaien. Vanuit het pension rechtstreeks naar de Anser dennen gereden om haar even lekker te laten rennen. Dat deed ze niet. Ze snuffelde welwillende rond, deed een poep en een plas maar rondrennen was er niet bij. Ze ging er werkelijk bij zitten. In de auto op weg naar huis, viel ze als een blok in slaap. Af en toe kwam ze even overeind, keek hoe ver ze waren, legde een poot op zijn arm en plofte weer in een diepe slaap.
Thuis werd de kat besnuffelt, er werd een rondje door het huis gelopen, het voer werd verorbert en daarna nestelde ze zich op haar favoriete slaapplaats en was vertrokken.
Hij had al vaker gemerkt dat ze, wanneer ze alleen gelaten wordt, dit haar geen goed doet. Een kauwstaaf die ze krijgt op het moment dat hij vertrekt, blijft onaangeroerd. Als hij weer thuiskomt begroet ze hem enthousiast en pas dan is de kauwstaaf aan de beurt. Hoe zal zij zich gedragen en gevoeld hebben in dat pension?

Vandaag de fiets in de auto geladen en naar het kanaal bij Ootmarsum gereden. Daar is een mooi fietspad, geen verkeer en kan zij naar hartenlust rennen. Zijn lijf kan een lange wandeling nog niet aan maar op de fiets kom je met minder moeite verder en kan de loslopende hond zich uitleven. Ze vond het prachtig. De baas op een fiets is nieuw voor haar maar er werd niet moeilijk over gedaan. Hij heeft zich wel verbaasd over hoe hard zij kan lopen. Op de terugweg bij de Welkoop een nieuwe zak varkensoren gehaald en de hond daar op de weegschaal gezet. Bijna 24 kilo weegt ze nu. Een trut van formaat.

 

© peter gortworst / maart 2018

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Orde, rust en regelmaat -13-

Losse woorden

Frustratie.
Als hij na een diepte-investering in een tweetonig hondenfluitje, en in zijn linker zak zoveel lekkere stukjes worst dat hij een hele meeuwenkolonie zou kunnen trakteren, en in de andere zak het favoriete speeltje van de trut, ze het toch vertikt om te komen omdat het uittrekken van een graspol veel leuker blijkt te zijn.

Onrust.
Hij was voor de zondagmorgen uitgenodigd om deel te nemen in een groepje wat elkaar kent van de hondenschool. Gewoon, een stel honden bij elkaar op een omheind stuk land. Goed voor de socialisatie van de viervoeters en de tweebeners. Of hij ook in de WhatsApp-groep wilde. Voor het maken van afspraken en mocht iemand verlegen zitten om een wandelmaatje, dan kan er zo makkelijk in worden voorzien. Sinds dat moment krijgt hij om de haverklap de meest onzinnige meldingen en dat maakt hem knap onrustig. Even bij WhatsApp-geschoolden vragen hoe je zo’n groep weer verlaat.

Gezellig.
Als hij, zittend op de bank, een kruiswoordpuzzel maakt en de kat snorrend in zijn nek gaat liggen terwijl de trut lekker tegen hem aan komt leunen.

Zorgelijk.
Vroeger, toen de kinderen klein waren en er één of meerdere besloten dat het zaterdagmorgen om zes uur tijd was om wakker te worden, kon hij, als ouder, nog zeggen: ‘Ga maar naar beneden om wat te spelen maar maak geen lawaai. Wij willen nog een klein beetje slapen.’
Maar wat moet hij tegen een hond zeggen die ontwaakt zodra het licht wordt en dat ontwaken ook nog eens middels een regelmatige kef en/of piepend gemurmel wereldkundig maakt? Hoe welkom het lengen der dagen ook is, het baart hem toch zorgen.

Onsmakelijk.
Als hij ’s morgens, in het kwartiertje van wakker worden en slapen, onheilspellende kotsende geluiden van beneden hoort komen die onmiskenbaar duiden op het terugsturen van de maaginhoud richting uitgang. En als hij dan met frisse tegenzin naar beneden gaat, goed kijkend waar hij zijn voeten zet, niets kan vinden…..

Groei.
Ze heeft zelf nog niet door hoe groot ze aan het worden is. Wanneer de keukenprins zijn scepter zwaait en zij waagt het om in de deuropening te gaan staan, kan ze er op wachten dat ze wordt weggestuurd. Bij het ‘Ja, wieberen jij!’ draait ze zich met een hoorbare diepe zucht om en klapt met haar kop tegen de deurpost. Verdorie! Weer gegroeid!

Trots.
In het verleden moest een bal, die in een greppel met een miniem laagje water terecht gekomen was, definitief als verloren worden beschouwd. Een hond met een beetje verstand waagt zich niet in die onpeilbare diepte. Tegenwoordig wordt de bal er wel uitgevist. Met de nodige voorzichtigheid maar toch, ze doet het. Dat vervult hem met plaatsvervangende trots.

Enthousiasme.
Het doet hem terugdenken aan zijn jonge jaren. Een onverwacht dagje aan het strand kon hem zo in vervoering brengen dat hij van gekkigheid de meest dolle dingen deed. Zijn hond heeft dat ook. Naast haar bijna gebruikelijke spurtjes met abrupte wendingen in bij voorkeur hoog gras, kan ze zo af en toe in volle vaart naar hem toe komen rennen en zonder enige snelheidsreductie tegen hem opspringen. Een snoeihard ‘NEE!’ wil soms helpen maar vaker redt hij het vege lijf door op het juiste moment een stapje opzij te doen om het enthousiaste huisdier doelloos aan hem voorbij te zien zweven.

Verbazing.
Tijdens de Hundetreff viel het hem plotseling op. Zijn lompe, onbesuisde en enthousiaste dragonder gedraagt zich bij kleine honden anders dan bij haar grotere soortgenoten. Ze doet echt haar best om voorzichtig te zijn. Dat had hij van haar niet verwacht en ze verbaasd hem wederom.

 

In de o.t.t is hond werkwoord als verveling in de o.v.t staat maar dat kan ook v.v.t zijn. Hoe dan ook, met een jonge hond heb je never meer een dull moment.

 

©peter gortworst / mrt 2018  

Geplaatst in Orde, rust en regelmaat | Tags: , , , , , , | 2 reacties