Donker

De dollen van de roeiboot had hij die middag opnieuw dik in het vet gezet. Onder geen beding mogen die geluid maken. Het is nu een uur of negen en al goed donker. Zo geluidloos mogelijk stapt hij in de roeiboot. Dan duwt hij af en vaart weg. Het eerste stuk langs de fabrieken. Daar is weinig kans dat men hem ziet. Alle lichten die daar, voor de uitbraak van het virus, branden, zijn al lang uit. Kapot gemaakt, gesaboteerd of gewoon stuk. De vraag naar chocolade, koekjes of beschuit is geminimaliseerd. De distributie levert niet meer dan de meest basale voedingsmiddelen. Al het andere is verboden en dus staan de meeste fabrieken stil. Het ergste wat kan gebeuren, is dat een iets te fanatieke bewaker hem ziet maar die kans is zo klein dat hij dat risico wel kan nemen. Als de wand van fabrieken stopt en overgaat in de nieuwe huizen die daar aan het water gebouwd zijn, steekt hij over. Niet dat er vanuit de huizen gevaar te verwachten is. De rolluiken die de regering van nationale eenheid voor elke woning verplicht heeft gesteld, zijn allemaal vanaf acht uur dicht. Ook dat is plicht. Het braak liggende land aan de  andere kant is veiliger. Daar is riet gaan groeien en dat biedt meer bescherming. Als de eerste brug in het zicht komt, verstopt hij zich met de boot tussen het riet. De lantaarnpalen op de brug branden nog. Hij weet dat die om tien uur uitgaan en dat dan ook de controlepost op de brug de bomen sluit en de brug open zet. Niemand kan dan nog naar de andere kant. Ze lopen dan nog één ronde, schijnen met hun schijnwerpers over het water en gaan vervolgens weg. Als het donker en stil geworden is roeit hij vlak langs de kant naar de brug. Hij neemt niet de brede doorgang maar een kleinere aan de walkant en roeit niet gelijk door. Onder de brug wacht hij of er een geluid van boven komt. Niemand mag hem betrappen want op deze illegale activiteit staat, naast een lang verhoor en bezoek aan zijn ouderlijk huis, een behoorlijke gevangenisstraf. Allen al het feit dat hij op dit uur buiten is zonder geldige reden is al grond genoeg. Het zou zo maar kunnen dat ze hem aan gaan zien voor één van de Vrijen en als dat zo is kan het nauwelijks erger worden.

Het blijft stil en nog steeds langs de kant varend komt hij bij de spoorbrug. Die staat tegenwoordig standaard open voor het scheepvaartverkeer. Veel scheepvaartverkeer is er niet meer maar toch bleek het goedkoper om deze brug, voor de zeldzame keer dat er een trein rijdt, deze dan daarvoor toegankelijk te maken. Sinds de economie ingestort is door waanzinnige besluiten van de regering, rijden er nog nauwelijks treinen. Er wordt zelfs gezegd dat er op de snelweg een groene waas zichtbaar is van plantjes die door het asfalt heen groeien en het gekke is dat niemand daar verbaasd over is. Het land is het land niet meer. Toen het virus kwam volgde het ene verbod na het andere en nu weet niemand of het virus er nog is, hoeveel mensen er aan zijn gestorven of hoe lang dit alles gaat duren. Internet is er niet meer. Telefoon kan alleen nog via het vaste net en elk gesprek wordt onderbroken door een mededeling dat de regering meeluistert. De tv en de radio zijn ook aan banden gelegd en om de haverklap worden er toespraken uitgezonden van de minister-president die het volk vertelt dat ze moedig moeten zijn en zich aan de regels dienen te houden.

De houten voetgangersbrug wordt al jaren niet meer gebruikt en hij passeert deze zonder problemen. Dan komt hij op het grote water. Recht oversteken is hem te gevaarlijk en hij blijft dus langs de kant varen. Plotseling knipt er aan de andere kant van het grote water een schijnwerper aan. Onmiskenbaar de patrouilleboot van de politie. Met twee slagen van de spanen bereikt hij het kleine dijkje. Hij springt uit de boot en trekt deze tegen de kant omhoog. Met de spanen gaat hij aan de andere kant van het dijkje liggen en wacht af. Het geronk van de politieboot komt steeds dichterbij en het schijnsel van het zoeklicht aait over het water en de walkant. Hij hoort de schroef van de boot achteruit slaan als ze de roeiboot op de kant ontdekken. Stemmen klinken en langdurig blijft de schijnwerper de roeiboot belichten. Dan varen ze door en hij weet dat er op de terugweg een goede kans is dat hij ze weer tegenkomt.

Met enige moeite vindt hij de smalle sloot die naar de boerderij van Sinkeldam voert. De kleine vissteiger die Sinkeldam daar heeft gebouwd, is snel gevonden. Zacht fluit hij het herkenningsdeuntje. Het wordt beantwoord en dan verschijnt Aart, de zoon van de boer, op de steiger.
‘Is het goed gegaan?’ fluistert Aart vragend.
‘Ja maar ik moest eenmaal schuilen voor de verdomde politieboot. Heb je alles?’
‘Meer dan dat! Ik heb natuurlijk je varkensvlees, de boter, kaas en drie broden. Is dat genoeg voor de komende dagen?’
‘Wel als we niet meer vluchtelingen gaan bergen. Wat zit er in die kist?’
‘Geloof het of niet maar daar zit een zender in. Mijn vader kent een oude man die nog weet hoe je zoiets maakt. Je mag hem alleen gebruiken als het heel belangrijk is of in uiterste nood. Iedereen die een zender heeft van deze man kan je horen en jij kan iedereen beluisteren. Er zit een papier in waarop staat hoe het werkt, wanneer je mag zenden en hoe je een antenne maakt. Als je hem niet gebruikt, verstop hem dan. Het is zo illegaal als de pest en als ze jou er mee pakken heb je echt een probleem.’
‘Tjonge,’ zegt hij omdat het hem even aan woorden ontbreekt.
‘De Vrijen hebben er ondertussen ook een paar en het was vanavond behoorlijk druk met codeberichten. Het zou mij niet verbazen als er wat staat te gebeuren.’
‘Hoe is het verder?’ vraagt hij.
‘Ja, moeilijk. Morgen komen ze het vee tellen en dan is er nog weinig ruimte om wat te doen. We moeten nu al zo vaak nee verkopen aan al die mensen die aan de deur komen. Soms best wel zielig maar we kunnen gewoon niet iedereen van eten voorzien. Het wordt tijd dat er iets gaat gebeuren. Je kan dit land toch niet eeuwig op slot houden? Misschien moeten de Zweden maar weer brood gaan droppen’

Zacht fluisterend praten ze nog zeker een kwartier met elkaar. Dan keert hij de boot en begint aan de terugreis.

Hij volgt dezelfde tactiek. Dicht langs de kant varend en gebruik makend van de natuurlijke dekking. Zodra hij de laatste brug gepasseerd is, steekt hij de vaarweg over. Met een helse lichtflits en een enorme dreun ziet hij het brugdek van de laatste brug in het water donderen. Om hem heen plonsen brokstukken in het water. Met stomheid geslagen staart hij in het donker naar wat eens een brug had moeten zijn. Hij kan weinig  zien en als de golven, die ontstaan zijn door de vallende brug, zijn roeiboot laten schommelen, realiseert hij zich dat het beter is om er als een haas vandoor te gaan.  ‘De Vrijen hebben de brug opgeblazen!’ schiet het door zijn hoofd en hij voelt zich plaatsvervangend trots.

Het zoeklicht van de politieboot vangt hem als hij bijna aan de overkant is. De kleine lichtflitsen die uit de mond van het machinegeweer komen ziet hij nog. De knallen die daarbij horen, niet meer. Nooit meer.

 

© peter gortworst / maart 2020
afbeelding: exto.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Kaviaar en luxe koekjes

Er heerst chaos in haar hoofd. Eigenlijk zou ze helemaal niet moeten werken maar je kan je collega’s niet zomaar in de steek laten. Haar man ligt thuis in bed met een griepje en voelt, net als alle andere mannen, zijn einde naderen. Dochterlief gaat morgen voor een week met school naar Berlijn en heeft natuurlijk nog niets ingepakt en van zichzelf weet ze dat ze te moe is en het liefst 24 uur zou willen slapen. Er wordt op het raam van de deur getikt. Opa Zwikker heeft zijn sigaar op en wil weer naar binnen geduwd worden. Roken kan hij als een schoorsteen maar zelf die rolstoel naar binnen rijden is te veel gevraagd. Ze duwt hem de recreatiezaal in en ziet nog net dat mevrouw Cornelissen haar kopje koffie met één maaibeweging van de tafel veegt. Consternatie alom en als zij op haar knieën zit om de scherven op te rapen schiet het haar te binnen dat zij achter opa Zwikker de deur waarschijnlijk niet heeft dichtgetrokken. Ze laat de scherven de scherven en haast zich naar de deur. Gelukkig. Die is dicht. Je moet er toch niet aan denken dat van jouw patiënten er eentje vandoor gaat.

Als je een vrij man in een gesloten afdeling zet maak je hem niet gelukkig. Hij weet best dat hij manisch is maar de medicijnen doen hun werk. Het is niet verwonderlijk dat hij als een gevangene, vele malen per dag een rondje maakt langs alle deuren die naar de buitenwereld leiden. Altijd met zijn jas aan want je kan niet weten. Misschien is er één deur niet op slot en kan hij de vrije wijde wereld in. Deze dag is zijn geluksdag. De deur van de recreatiezaal staat op een kier. Hij stapt naar buiten en sluit, met een zachte klik, de deur. Niemand ziet hem gaan.

Het is ongeveer twee uur. Alle papieren die voor de maandafsluiting nodig zijn liggen klaar. Het is niet zijn favoriete tak van sport maar wat moet dat moet. Dan gaat zijn telefoon. ‘Verpleeghuis’ staat er in zijn scherm.
‘Met Anneke Simons. Wij hebben van uw vader geen melding gekregen dat hij door u is opgehaald. U kent toch de spelregels? Dit is voor ons heel verwarrend en veroorzaak onnodige onrust.’
Hij weet even niet wat hij moet zeggen. Natuurlijk kent hij de regels en tot nu toe heeft hij zich daar keurig aan gehouden.
‘Ik heb mijn vader niet opgehaald.’
‘Waar is uw vader dan?’
‘Ik hoop bij u….’
‘O….. ik bel u straks terug.’
‘Nee! Wacht! Wat is er aan de hand?’
‘Uw vader was niet bij het middageten en is ook niet op zijn kamer. We zijn er vanuit gegaan dat u hem heeft opgehaald maar er blijkt geen melding van te zijn. Uh…. Uh…. ik denk dat hij weg is.’
‘En nu?’
‘We gaan hem zoeken en melden zijn verdwijning bij de politie. Die kennen het klappen van de zweep dus die gaan naar hem uitkijken.’
‘Het is dus niet de eerste keer dat er iemand wordt vermist?’
Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Daarover kan ik geen mededelingen doen,’ zegt Anneke, ‘Ik bel u straks terug.’

Hij staart naar de papieren op zijn bureau. Dat wordt vanmiddag dus niks. Als hij alles bij elkaar pakt en in de kast legt, voelt hij zijn hart kloppen. Wat moet hij doen? Wat kan hij doen? Als een gek rond gaan rijden in de hoop hem te zien? Een man die altijd zijn eigen plan getrokken heeft is onvoorspelbaar in zijn gedrag. Er schiet van alles door zijn hoofd. Zijn vader is gek genoeg om terug te gaan naar zijn geboortestad Kampen. Misschien gaat hij naar de begraafplaats waar zijn moeder ligt en die hij node mist. Misschien gaat hij zoeken naar zijn oude school die al jaren geleden is afgebroken. Hij weet het niet en besluit om niets te doen. Afwachten is waarschijnlijk het beste. Hij belt zijn vrouw en ook zij denkt dat iets anders doen, zinloos is.

Na bijna twee uur gaat zijn telefoon. Een onbekend nummer. Hij neemt op en noemt zijn naam.
‘Met je vader. Ik sta in Haarlem en je moet mij komen halen.’
Voor hij iets kan zeggen wordt het gesprek beëindigd.
Oké. Wat nu? Naar Haarlem rijden? Hij belt die Anneke en vertelt wat er is gebeurt. Zo te horen is ze blij met het teken van leven en ze gaat het doorgeven aan de politie in Haarlem. Nee, meer dan dat kunnen ze niet doen.
Hij besluit om zelf de politie in Haarlem te bellen. Ja, ze weten er al van en als hij vraagt om hem, wanneer ze hem vinden, mee te nemen naar het bureau zodat hij weet waar hij is, maken ze bezwaar. Als hij niet vrijwillig mee gaat kunnen ze hem niet dwingen, klinkt het. Dat begrijpt hij maar hij kan ze overtuigen dat dit de beste manier is om hem te pakken te krijgen.

De uren gaan voorbij zonder enig teken van leven. Noch het verpleeghuis, noch de politie, noch zijn vader laat van zich horen. Dan, ’s avonds om 10 uur, gaat de telefoon.
‘Ja, met je vader. Waar blijf je?’
‘Papa! Ik weet niet waar je bent?’
‘Ik zit in een café en ze laten mij niet gaan!’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb geen geld!’
‘Goed. Hoe heet dat café?’
Hij hoort zijn vader vragen naar de naam.
‘Luister papa. Ik vraag aan de politie of ze jou daar ophalen. Ga met ze mee en dan kom ik naar het bureau. Dan neem ik je mee naar huis.’
Als hij zeker is dat zijn vader het heeft begrepen hangt hij op. Dan belt hij de politie in Haarlem en vertelt waar zijn vader is. Ze gaan hem halen maar wanneer hij weigert, kunnen ze niets doen. Die angst heeft hij niet. Zijn vader kan ook heel gehoorzaam zijn.

Hij stapt in zijn auto en rijdt naar Haarlem. Onderweg belt hij het verpleeghuis. Op de vraag wat hij in ’s hemelsnaam in die stad moet en hoe hij daar is gekomen zonder geld op zak te hebben, weet ook hij het antwoord niet? Het belangrijkste is dat hij terecht is.  Op het moment dat hij op het Rottepolderplein de afslag neemt belt de politie. Ze hebben hem en hij zit veilig in een cel.

Op het bureau willen ze natuurlijk van de hoed en de rand weten. Hij vertelt wat over zijn vader en waarom hij op die, normaal gesloten, afdeling zit. Dan vertellen ze hem dat hij in dat café een uitsmijter met een kop koffie heeft gegeten en dat de uitbater hem niet wilde laten gaan zonder geld te zien. Gelukkig hebben ze hem kunnen overtuigen dat hij te maken heeft met een ongevaarlijke gestoorde en dat hij naar die centen kan fluiten. Dat de man niet blij was moge duidelijk zijn.

Dan gaan ze hem uit zijn cel halen en vader verschijnt met een brede grijns op zijn gezicht en een boodschappentas die er behoorlijk gevuld uitziet. Ze nemen afscheid met welgemeende dankbetuigingen en als ze wegrijden vraagt hij:
‘Wat zit er in die tas?’
‘Boodschappen. Ik moest toch eten?’
‘En heb jij daarvoor betaalt?’
Zijn vader zwijgt en hij vraagt niet verder. Wie veel vraagt krijgt veel antwoorden en het beste is om in dit geval zo weinig mogelijk te weten.
‘Waar breng je mij naartoe?’
‘Naar je kamer natuurlijk.’
‘Dat wil ik niet. Ik wil bij jou wonen.’
‘Dat gaat niet pa. Als je bij mij woont kan ik je elke dag gaan zoeken. Voor ik het weet zit je op Schiermonnikoog of in Maastricht.’
‘Ja, dat kan maar zo.’

De rest van de reis zegt hij niets meer. Waarschijnlijk is hij teleurgesteld in het einddoel van zijn reis. In het verpleeghuis staan ze hem al op te wachten. Gelukkig doen ze heel vriendelijk en leiden ze de verloren zoon naar zijn kamer. Als hij vraagt hoe het mogelijk is dat zijn vader is ontsnapt, blijven ze het antwoord schuldig. Niemand heeft iets gezien en alle deuren waren dicht maar een nader onderzoek volgt nog. Dit willen ze niet nogmaals meemaken.

Thuis kijkt hij in de boodschappentas. Het is een gebruikte tas en hij zit vol met werkelijk lekkere dingen. Boterkoekreepjes, kletskoppen, koffie, een potje kaviaar, verpakte zoute haring, een kwart liter slagroom, een pot met augurken, een bos radijs en speklappen. Alle vragen die opkomen over het hoe en wat van deze lekkernijen zijn niet meer te beantwoorden. Eén ding is duidelijk: zijn vader weet wat lekker is.

 

 

¢ peter gortworst / maart 2020
foto: Proost & toast   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 3 reacties

Pizza met ansjovis

Volgens de laatste berichten gaat het niet goed met Bert. Nu zijn er niet zo heel veel berichten omdat er weinig collega’s zijn die nog contact met hem hebben. De laatdunkende uitspraken over het bedrijf en het werk, nadat hij een nieuwe baan gevonden had, zijn niet vergeten. Een redelijk jong bedrijf kan niet kieskeurig zijn als het om werk gaat en stof, smeer en soms lange dagen horen daar bij. Eigenlijk voelen de achtergeblevenen zich een beetje verraden en dat is nog steeds zo. Wat ook niet echt hielp was de alomtegenwoordigheid en eigenzinnigheid van Bert. Vaak wist hij alles beter en bemoeide zich met alles. Fouten of onkunde van anderen kon hij moeilijk accepteren maar het was dan zijn botte lompheid die alles nog erger maakte.

Van wie het bericht kwam is niet meer te achterhalen en veel meer dan een ‘tumor in zijn kop’ is er ook niet. En nu staat Gerard bij hem voor de deur. Hij was één van de weinigen die het redelijk met Bert vinden kon. Niet dat ze dikke maatjes waren. Dat kon ook niet. Daarvoor zagen ze elkaar te weinig. Gerard zit in de buitendienst en komt niet zo vaak op de zaak maar als hij daar was, maakten ze altijd een praatje met elkaar. Gerard wist van de sollicitatiepogingen van Bert en heeft daar, op streng verzoek van Bert, zijn mond over gehouden. Er is immers niets mis met iemand die zich verbeteren wil en als het dan ook nog lukt, is dat een oprechte felicitatie waard. Bert was blij verrast toen hij dat deed en vertelde toen dat hij één van de weinigen was.

Hij belt aan en Bert maakt de deur open.
‘Gerard!! Joh! Wat leuk! Kom binnen!’
‘Kijk eens wie we daar hebben,’ zegt hij als ze de woonkamer binnenstappen. ‘Dit is nu Gerard, je weet wel, de buitendienstman.’

Op de bank zitten zijn vrouw en zijn zoon. Over zijn vrouw heeft Bert weinig vertelt. Over zijn zoon veel meer. Dat zou een getalenteerde voetballer zijn die helaas nog niet door de topclubs is ontdekt. Alle bezoeken die Bert met hem aan verschillende voetbalclubs heeft gemaakt, alle brieven, video’s en e-mails hebben nog geen resultaat gehad maar dat is een kwestie van tijd. Wacht maar tot die jongen zich wat meer ontwikkelt heeft. Dan zullen ze spijt hebben dat ze er niet eerder bij waren.
Gerard geeft beiden een hand en Bert commandeert hem in een fauteuil.
‘Maak koffie,’ zegt hij tegen zijn vrouw.
‘Je wilt toch wel koffie?’ vraagt hij dan.
‘Als het niet te veel moeite is, dan graag,’ zegt Gerard.

Ze praten over het werk. Over hoe het er in het bedrijf aan toe gaat, over de vervanger die ze voor hem hebben moeten zoeken, over zijn nieuwe baan en na een uitgebreid verslag over de voetbalkunsten van zijn zoon komt dan eindelijk de grote vraag op tafel:
‘Wat is er nu met je aan de hand? Het enige wat ik weet is iets van een tumor in je hoofd.’
Luchtig, bijna laconiek vertelt Bert dat op een morgen hij zijn linkerarm niet meer kon bewegen en dat ze na verschillende onderzoeken een tumor hebben gevonden. Geen los ei wat ze weg kunnen snijden maar iets wat overal tussendoor groeit. Die nutteloze linkerarm was overigens maar tijdelijk. Hij slikt nu medicijnen en volgende week gaan ze beginnen met bestralen. Dat kunnen ze maar één keer doen dus dat moet wel goed gebeuren. Bert heeft alle vertrouwen in zijn arts omdat deze, speciaal over zijn geval, contact heeft met de top van de oncologen in het land.
‘Dit is natuurlijk een grote schok voor jullie allemaal?’ vraagt Gerard aan zijn vrouw.
‘Ja, dat hakt er wel in,’ antwoordt Bert, ‘Maar we hebben goede hoop. We slaan ons er wel doorheen, toch Anna?
Ze doet niet veel anders dan even met haar hoofd te knikken.

‘Zal ik je mijn project een laten zien?’ vraagt Bert.
‘Project?’
‘Ja kijk,’ en hij neemt Gerard mee naar een hoek van de kamer waar een computermeubeltje staat.
‘Ik ben bezig om alle cd’s in de computer te zetten en dan een lijst te maken met alle nummers, wie dat gezongen of gespeeld hebben en op welke cd dat staat. Als je dan wat wil beluisteren zet je in het zoekvenster bijvoorbeeld André Hazes, of gewoon Hazes, en dan krijg je een lijst met alle nummers die hij gezongen heeft maar als je bijvoorbeeld intypt ‘ze loog tegen’ dan komen alle keren dat het nummer op de cd staat naar voren. Mooi hè? Maar wel een werk hoor. Tja, ik moet toch wat? Werken kan ik voorlopig wel vergeten en alle dagen stom voor mij uitstaren, gaat ook niet.
Achter Gerard en Bert wordt de tv aangezet.
‘Het geluid moet zacht!’ roept Bert naar de twee voor de tv. Prompt gaat het zachter dan het al was.

Hij blijkt niet alleen een liefhebber te zijn van het Nederlandse lied. Duitse en Engelse volksmuziek, Pop, Rock, Schlagers,  Opera, James Last en Andre Rieu staan ook hoog op zijn lijstjes. Met gespeelde belangstelling hoort Gerard het allemaal aan.
Het spijt Bert zichtbaar dat hij opstaat om te gaan.
‘Kom je nog terug?’
‘Ja, en ik bel je volgende week om te horen hoe de eerste bestraling is geweest.’
Als Gerard belt, hoort hij dat de eerste bestraling achter de rug is. Of het iets opgeleverd heeft weet hij niet. Daarvoor is het nog te vroeg.

Er gaan twee maanden voorbij als Gerard weer op de stoep staat. Het is al laat in de middag en hij is van plan maar even te blijven. Bert zit in een rolstoel voor zijn computer.
‘Hoe gaat het?’ vraagt Gerard.
‘Klote! Ik knik soms zomaar door mijn been en mijn arm kan ook steeds minder. Weet je wel hoe godverdommes moeilijk het is om alles met één arm te doen?’
‘Hoe is het met die bestralingen gegaan?’
‘Eerst zag het er goed uit. De tumor was wat kleiner geworden maar ze kunnen er niet eeuwig mee doorgaan. Het schijnt dat ze alles in je kop verbranden. Bij het laatste onderzoek bleek dat het weer aan het groeien is en de resultaten daarvan kan je zien.’
Hij klopt veelbetekenend op de armsteun van de rolstoel.
‘Blijf je eten?’
‘Nou, dat was ik niet van plan.’
‘Kom op! We halen een lekkere pizza. Je houdt toch van vis? Dan moet je die nemen met ansjovis. Die zijn verrukkelijk.’
Dan vist hij uit een heuptasje een portemonnee en vist er wat geld uit.
‘Anna! Haal twee van die ansjovispizza’s en voor jou en die jongen ook wat. Gerard blijft hier eten.’

Het lukt Gerard niet om aan tafel een gesprek te beginnen met Anna of de zoon. De alomtegenwoordigheid van Bert doet ook hier opgeld. Vol trots vertelt hij dat er een nieuwe zoekfunctie is gemaakt. Het schijnt dat Hazes met Paul de Leeuw een duet heeft gezongen dus die moet nu als ‘duet Hazes’ gevonden kunnen worden. Na het eten neemt hij afscheid en voor zijn gevoel voor het laatst.
‘Het ga je goed,’ zegt hij tegen Bert.
‘Jouw ook en tot de volgende keer.’

De rouwkaart komt niet als een verrassing. De crematie wordt door weinigen bezocht en tot zijn verbazing blijkt Bert katholiek te zijn geweest. De laatste muziek die gedraaid wordt is het slotkoraal uit de Mattheus. Dat deze muziek ook in zijn lijstjes stond wist Gerard niet.
Na de plechtigheid is er koffie met het obligate plakje cake. Hij condoleert Anna en voor hij het weet vraagt hij:
‘Zeker wel een opluchting nu hij er niet meer is?’
Hij schrikt van zijn eigen vraag en slaat zijn hand voor de mond.
‘O sorry! Dat wilde ik helemaal niet vragen! Ik had er tijdens de uitvaart alleen maar aan lopen denken!’
Ze glimlacht naar hem en voor het eerst ziet hij hoe mooi ze is.
‘Ja,’ zegt ze dan, ‘Dat kan je wel zeggen. Je hebt het goed gezien. Vanaf nu gaat het anders worden. Die rotcomputer gaat naar zolder en ik koop een andere. Ga alle rekeningen die hij niet betaalde, afhandelen en kleine Bert hoeft van mij op zaterdag niet meer om 10 uur naar bed omdat er zondag gespeeld moet worden. Om eerlijk te zijn: we hebben de laatste drie dagen al meer plezier gehad dan in de laatste 10 jaar.’
Dan houdt ook zij haar hand voor de mond.
‘O jee, hoor mij nou.’
Gerard slaat zijn armen om haar heen en fluistert in haar oor:
‘Ik snap je helemaal. Geniet van je nieuwe kansen. Maak plezier en leef want dat kan je.’
‘Zie ik je nog eens?’
‘Nee. Ik ben iemand uit het verleden. Dat verleden is geweest. Verleden tijd. Daar kan je niets aan veranderen. Je kan er alleen iets van leren. De toekomst kan je voor jezelf en kleine Bert deels zelf bepalen. Achterom kijken heeft geen zin. Vooruit kijken wel en vergeet niet dat ik zo af en toe aan je zal denken en hopen dat je het goed doet.’
‘Dank dat je er voor Bert was en dank dat je er nu ook bent. Ik heb je gehoord en zal mijn best doen,’ zegt ze.
Dan zoent ze hem op beide wangen en kijkt hem na als hij door de deur verdwijnt.

 

 

© peter gortworst / maart 2020
foto: quintadasvinhas.be

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Vreetschuur

De objectiviteit kan mij natuurlijk danig in de steek laten maar klopt het dat dames met een ‘volslank’ figuur, vaak een man hebben die de benaming ‘spijker’ volledig waarmaken? Andersom zie je dat natuurlijk ook maar vaak is dan de ‘volslanke’ heer welgesteld en beduidend ouder dan de slanke dame. Ik weet best dat de liefde rare dingen met mensen doet dus wie ben ik om wat voor oordeel dan ook over mensen met een groot verschil in gewicht, leeftijd of rijkdom te hebben. Wat ik wel weet is dat het vaak komische situaties geeft en zo ook in dit ‘all you can eat restaurant’.
Het groepje waartoe ik behoor, heeft dit restaurant uitgekozen omdat het ons wel gezellig lijkt. Geen van ons heeft de intentie om het te betalen bedrag aan eten ten volle te benutten of zelfs te overtreffen. Het mooie is dat je zelf kan kiezen wat je wilt eten en daar zoveel mensen immer ook zoveel smaken hebben, is dit een goede keuze. Bovendien maakt de wandeling naar het buffet en het aldaar maken van keuzes de sfeer gemoedelijk en dat is, naar mijn bescheiden mening, toch een wezenlijk component van een goede maaltijd.

Schuin tegenover mij bezet een echtpaar een tafeltje. Zij is volslank met een slobbervest. Hij is een broodmagere man met een slobber T-shirt maatje S. Ze gaan zitten en de vrouw kijkt richting ingang. Dan steekt ze haar hand op en even later schuift er nog een volslanke dame aan. Onmiskenbaar haar zus. Als de ober komt, bestellen ze wat te drinken en na de eerste slok staan ze op om een bezoek te brengen aan het buffet. De zussen zijn het eerste terug. Op hun borden een matige hoeveelheid groen en stukjes gebakken kip. Blijkbaar wachten ze op de man want veel verder dan elkaar iets aanwijzen op hun bord komen ze niet. De man arriveert met een bord vol spaghetti met saus, iets van gebakken banaan en drie stokjes saté met pindasaus. Het eten kan beginnen en met de bedachtzaamheid die een wijnproever eer zou aandoen, eten de dames van hun salade en stukjes kip. De man verorbert met zo een vastberaden ijver zijn eten dat hij eerder klaar is dan de dames. Zijn vrouw zegt er iets van en aan haar gezichtsuitdrukking valt af te lezen dat het geen prijzenswaardige opmerking is. Helaas. Te oordelen aan de snelheid waarmee hij de tafel verlaat en zich richting buffet spoed, denk ik niet dat de opmerking van zijn vrouw enige indruk bij hem heeft achtergelaten. De dames praten zonder twijfel over de eetlust van de man. De zus neemt met een likje van haar vinger wat van de overgebleven pindasaus. Ze sluit haar ogen als ze het door haar mondholte laat spelen en op dat moment realiseer ik mij dat het best kan zijn dat er aan een gezamenlijk dieet begonnen is. Misschien is de man wel het slachtoffer van deze afvalpoging. Thuis is natuurlijk al het eten mager en weinig en heeft hij voorgesteld om hier te gaan eten.

‘Je kan zo veel en zo weinig eten als je wilt’, zal hij vast tegen zijn vrouw gezegd hebben. ‘Salades hebben ze vaak te kust en te keur. Daar wordt je niet dik van.’

Misschien heeft zij uit medelijden met hem wel toegestemd en, als ondersteuning voor haar, de zuster bondgenoot gemaakt. In dit oord van verleidingen kan men alle hulp gebruiken.

De man keert terug met een bord wat vol ligt met garnalen, witte rijst en iets van een groene curry. De vrouwen wisselen een veelzeggende blik met elkaar. Terwijl de man eet, staan de vrouwen op. Het is blijkbaar een goed moment om zich tijdelijk van deze genietende man te verwijderen. Wanneer ze terugkomen met opnieuw veel groen en een gebakken visje op hun bord, heeft de man zijn bord leeg. Misprijzend kijkt hij naar de twee borden en je ziet hem denken: daarmee overleef je de komende uren niet.

De dames doen alles goed: ze nemen kleine hapjes en kauwen langdurig. Het duurt de man te lang. Hij staat op en brengt voor de derde keer een bezoek aan het buffet. De dames zeggen iets tegen elkaar en dan haalt zijn vrouw even de schouders op. Er is iets van berusting af te lezen op haar gezicht en dat blijft als manlief met een vol bord weer aan tafel gaat zitten. Zo langzamerhand vraag ik mij af waar deze man al dat voedsel laat. Je zou toch minstens verwachten dat zijn buik wat boller is gaan staan maar nee, niets van dat al. Het derde bord is leeg en de man zakt wat onderuit in zijn stoel. De dames zijn met elkaar in gesprek maar blijkbaar is het niet interessant voor onze veelvraat. Hij kijkt een beetje om zich heen en als er iemand langs loopt met een kommetje ijs, gaat bij hem een lichtje aan: dessert! Hij zegt iets tegen de dames en staat op. Ze kijken even zonder hun gesprek te onderbreken.

Hij komt terug met een bord vol ijs, vruchten en slagroom. Het kommetje was waarschijnlijk te klein voor zijn verlangen. De dames vallen stil en staren naar zijn bord. Als zijn vrouw het niet kan laten om een opmerking te maken, haalt hij zijn schouders op en met dezelfde ijver als waarmee hij dit eetfestijn begon, werkt hij zijn nagerecht naar binnen.

Ze zijn klaar. De ober wordt geroepen en er wordt betaald. Als ze weglopen met de dames voorop, kijk ik ze na. Ze lopen langs het buffet naar de uitgang en omdat niemand het ziet, pakt de man nog snel even een stukje gebakken banaan mee.
‘Je kans benutten’ heet dat.

 

 

© peter gortworst / feb.2020

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Nooidweer

Mijn slaapkamer had geen verwarming. Als het echt koud was mocht de butagaskachel even aan om de ergste kou te verdrijven maar verder waren aan elkaar gevroren lakens met kriebelige wollen dekens en ijsbloemen op de ramen, de normaalste gang van zaken. Als het stormde, gierde de wind over het dak en als het sneeuwde was het schuine venster, wat een riant uitzicht bood op de muur van de buren, bedekt met sneeuw. Wilde je weten hoe het er buiten uitzag, dan bood een deur naar het platte dak boven de keuken die mogelijkheid. Je zag en voelde wat even later tijdens de radio-uitzending van het ANP, werd gezegd. Het is koud, er ligt sneeuw, er valt regen, het is warm of het waait.

Als het een beetje gesneeuwd had en je, dik in de kleren met muts en wanten, de bruine leren schooltas onder de snelbinders had gelegd, kreeg je, in een opwelling van inzicht, soms de waarschuwing mee: ‘Pas je op? Het kan wel glad zijn.’ Meer niet en dat meer was ook niet nodig.

De provinciale weg naar de pont, de eindeloos lange Hemweg langs de centrale tot de eerste huizen van de Spaarndammerweg in Amsterdam kon ik wel dromen en, maar dat kan ik natuurlijk mis hebben, altijd wind tegen. Vaak hopen op een brommertje wat niet te hard ging om in de luwte te kunnen fietsen. Windkracht 2 of 9 maakte niet uit. Je moest dus je ging.

Een gevoelstemperatuur was er al wel maar nog niet genormaliseerd. ‘Het voelt koud aan’ was de gangbare term en niemand die je kon vertellen dat het 2 graden vroor maar aanvoelde als minus 10. Dat het koud aanvoelde was genoeg.

Later, toen ik de wegen van Nederland onveilig maakte als servicetechneut, was er niemand die via de radio of tv vertelde dat je beter niet de weg op kon gaan. Je probeerde het gewoon en je paste de snelheid aan naar de omstandigheden. Je reed geen 80 als je door de mist maar 10 meter kon zien. Op de snelweg bleef je tijdens hevige sneeuwval, netjes allemaal op het rechter spoor om met een slakkengangetje van 30 uiteindelijk daar te komen waar je geacht werd te zijn.

En nu? Code oranje. Nederland zet zich schrap voor de naderende storm met de naam ‘huppeldepup’. Ga niet naar buiten als u daar niet hoeft te zijn want het gaat sneeuwen, ijzelen, waaien, regenen of het wordt vreselijk warm.

Waarom deze betutteling? Zijn wij zo weg-geëvolueerd van de natuur met al haar krachten dat we dergelijke waarschuwingen nodig hebben? Natuurlijk weet ik best dat het handig is om te weten dat er morgen 20 cm sneeuw kan vallen maar veranderd dat iets aan de situatie? Vallende bladeren, een beetje sneeuw of windkracht 9 en Nederland ligt sowieso plat. Het is de maatschappij die ontwricht raakt maar is het echt nodig de mensen zelf te waarschuwen voor iets wat de natuur geeft? Weten de mensen zelf niet meer dat het gevaarlijk is om met een storm op de pier van IJmuiden te gaan staan? Dat je lelijk kan vallen als er ijs op de straat ligt? Dat je nat kan worden als het flink regent, verdwaalt als je door de mist geen hand voor ogen ziet of met de auto van de weg kan raken als het sneeuwt?

Soms denk ik dat wij de apen achterna gaan. De orang-oetan heeft een specifiek biotoop nodig om te kunnen leven. Hoe meer daar van verdwijnt hoe slechter het met die apen gaat. Zou het, en laat ik het voorlopig maar op Nederland houden, zo kunnen zijn dan het hier niet te warm, niet te koud, niet teveel sneeuw of wind of ijzel of regen of mist of droogte moet zijn, willen wij overleven? Gaat onze flexibiliteit, onze overlevingskracht verloren en zijn gedoemd uit te sterven als het even anders gaat dan wat wij als normaal zijn gaan beschouwen?

Ik geef u een goed advies: Wordt er een storm verwacht zet dan uw kinderen buiten. Zij zullen spierkracht ontwikkelen omdat zij zich vast moeten houden aan de lantaarnpalen en waaien ze toch weg dan zullen ze zelf overlevingsstrategieën ontwikkelen om weer de weg naar huis te kunnen vinden. Wordt er flinke regen verwacht stuur ze, zo bloot mogelijk, met een flesje shampoo de tuin in. Komt er sneeuw laat ze een glijbaan maken bij die pestburen van verderop. Dichte mist? Speel verstoppertje op de kale heide (als u die tenminste vinden kan). Kortom: laat ze kennis maken met de krachten van de natuur. Goed voor de mensheid.

Ik ga aan het werk met een tip die ik vanmorgen hoorde. Alles wat ik niet meer gebruiken kan zet ik aan de straat. Mocht de aangekondigde storm werkelijk zo schokkend zijn als beloofd, dan ben ik benieuwd wie de nieuwe eigenaren worden van mijn oude spullen.

 

© peter gortworst / feb.2020
afbeelding: rtvdrenthe.nl

Geplaatst in oprispingen, startpagina | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Moord in het kort

Laat in de avond. Bijna middernacht. De koplampen verlichten het asfalt van de 31 en met de auto op de tempomaat hoef ik niet meer te doen dan tussen de lijntjes de blijven. Het is stil op de weg. Ik heb de laatste vijftien kilometer slechts twee vrachtwagens gepasseerd. Zolang er geen hert of everzwijn van rechts komt heb ik tijd en mogelijkheid genoeg om de gedachten te laten gaan. Over het schrijven van een boek bijvoorbeeld. Korte verhalen schrijven is leuk. Erg leuk zelfs maar zou ik mij niet eens moeten wagen aan een boek? Een boek over…. tja…… waarover? Fictie? Non-fictie? Een waargebeurd verhaal gebruiken als basis? Een streekroman, iets als Beekman en Beekman, iets over iemand die in zijn jeugd wat meemaakt en wat later in zijn leven terug komt, iets met een moord? Boeken met één of meerdere moorden verkopen natuurlijk wel goed en dat is toch ook iets waar je als schrijver blijkbaar aan moet denken.

Laat ik eens een beginnetje maken. Een man knalt met zijn auto tegen een boom en sterft ter plekke. De bergingsdienst ziet bij het takelen dat er een remleiding is doorgeknipt en meldt dat natuurlijk aan de politie. Wie heeft dat gedaan en waarom? Met die vraag zou het eerste hoofdstuk kunnen worden afgesloten.

De kersverse weduwe weet van niets en de twee bijna volwassen kinderen ook niet. De zoon is eerst wel verdacht omdat hij als hobby sleutelt aan auto’s en de week voor deze moord de olie van de auto heeft vervangen en de bandenspanning gecontroleerd. Hij zou natuurlijk de remleiding al een beetje doorgeknipt kunnen hebben maar al snel ontdekken de speurders dat zoiets, technisch gesproken, niet kan en hij bovendien dan de kip met de gouden eieren geslacht zou hebben. Hij leeft van het geld dat zijn vader hem geeft dus dat zou dom zijn. Hoewel…. Er is natuurlijk een erfenis. De zoon blijkt overigens een ijzersterk alibi te hebben dus die valt na twee hoofdstukken af.

Pa is, om het een beetje gecompliceerd te maken, eigenaar van een internationaal opererend bedrijf. Niet geheel onbemiddeld dus. Hij heeft bijvoorbeeld ook veel contacten in Oost-Europa. Onderzoek wijst ook uit dat de man een soort dubbelleven heeft geleidt. Niet met de jonge, bloedmooie en ambitieuze directiesecretaresse maar zij zet wel de speurders op het spoor van een andere vrouw. Om het boek een wat emotionele lading te geven is dat een oude jeugdvriendin van hem. Ze is een alleenstaande moeder met vier bloedjes van kinderen maar helaas aan lager wal geraakt. Wacht even, dat kan niet als ze van gelijke leeftijd zijn. Uh, uh, ze is een jonge oma die op haar kleinkinderen past en de moeder van die kinderen is aan lager wal geraakt. Ja, dat kan. Hij bezoekt haar regelmatig en ze praten dan bijvoorbeeld over hoe het had kunnen zijn als ze hem, in een vlaag van jaloezie, niet de bons had gegeven. Hij stopt haar na elk bezoek wat geld toe. Gewoon uit medelijden. Niks geen seks of buitenechtelijke relatie. Mm…. Wat verkoopt beter? De emotionele lading of toch maar de seks? Moet ik dus nog over nadenken maar we zijn inmiddels weer twee hoofdstukken verder.

Wat doe ik met die Oost-Europese contacten? Met welk land doet hij daar zaken? Dat is natuurlijk niet geheel onbelangrijk omdat ik, vanwege de sfeertekeningen in het boek, daar wel naar toe moet. Ik verzin dan wel een verhaal maar het moet ook een beetje geloofwaardig zijn. Maar goed, dat is van latere zorg. Laat ik voorlopig een man verzinnen die Vladimir heet. Die heeft ook een bedrijf en deed zaken met mijn vermoord bedenksel. De samenwerking is stuk gegaan en dat biedt natuurlijk tal van mogelijke motieven. Voor extra verwikkelingen laat ik Vladimir kennis maken met de oude jeugdvriendin van mijn overleden personage en…. o nee…. Hij kende haar al langer en gebruikt haar om zijn Nederlandse zakenpartner een kunstje te flikken. Dat een beetje beschrijven vult vast een heel hoofdstuk.

Mijn speurders hebben het….. o dear! Wie zijn mijn speurders? Is dat een hoofdcommissaris of een brigadier? Hoe zitten die rangen bij de politie in elkaar? Hoe gaat dat als er internationale contacten zijn? Is de baas van het spul een soort vaderlijk figuur die niet van zijn stuk te brengen is omdat hij alles al heeft meegemaakt of is het een jong strebertje die zich nog waar moet maken? Het is misschien een goed idee om een keer op een politiebureau te vragen hoe men daar zoiets aanpakt. Vragen, vragen en vragen….. Maar goed, weer een hoofdstuk.

Maar dan natuurlijk de belangrijkste vraag: wie heeft het gedaan en waarom. Ik weet natuurlijk best dat de beantwoording in het laatste hoofdstuk moet komen. De lezer, als deze het tenminste tot hier gebracht heeft en niet voortijdig is afgehaakt omdat het te warrig werd, moet in een totale staat van verbazing ontdekken dat het degene is waarvan men het niet verwacht. De dader (m/v) duikt in het verhaal verschillende malen op maar lijkt volkomen onschuldig. Wie zou dat kunnen zijn?

Ik zet mijn auto naast het huis stil en kijk naar mijn duim. Hij ziet er magertjes uit. Al dat verzinnen is hem blijkbaar te veel geworden en ik denk niet dat daar nog een zinnig antwoord uit kan komen op de vraag wie de dader is. Geloof het of niet, ik constateer dat met enige teleurstelling. Geen boek dus. Dan maar weer aan de korte verhalen. Een schrijver moet toch wat.

 

© peter gortworst / jan. 2020
afbeelding: vademus.com

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Zee

Als ze de opvouwbare scootmobiel voorzichtig achter in de auto legt, voelt ze het al. Het is perfect strandweer: grijze lucht, harde wind en niet koud. Het is de dag waar ze naar heeft uitgekeken.

Vier lange maanden was ze belemmert in haar komen en gaan. Auto rijden was geen probleem maar lopen een heel ander verhaal. Regelmatig heeft ze in de supermarkt met haar kont op de rollator gezeten omdat het even niet meer ging. Ze waardeerde de zorgelijke vragen van de andere klanten en net zo hevig haatte ze deze. ‘Nee, het gaat wel goed. Moet alleen even uitrusten’ heeft ze, naar haar gevoel, talloze malen moeten zeggen. Voor iemand die onafhankelijk wil zijn en er de pest in heeft dat haar benen niet meer goed willen, was dat elke keer weer een opgave. Accepteren dat je oud wordt is nog te doen maar dit gebrek bederft de vreugde wel en dat maakt die acceptatie een stuk lastiger.

Tot de scootmobiel kwam. Een lichtgewicht opvouwbaar ding wat niet meer vraagt dan een snoertje naar het stopcontact. Ze is er wijs mee. Ze rijdt er stad en land mee af en geniet van de wind door haar haren, snuift als een hond alle geuren op en zelfs een beetje regen houdt haar niet in huis. De supermarkt doet ze in de helft van de tijd en als ze de bejaardensoos bezoekt, hoeft ze haar auto niet meer voor die twee kilometer van stal te halen. Het klinkt gek maar ze is zelfs een beetje verliefd op dat ding geworden. Als ze ’s avonds naar bed gaat, stopt ze de stekker in het stopcontact. Met een kort piepje laat het apparaat weten dat het laadproces aangevangen is.
‘Ja’, zegt ze dan, ‘Jij ook welterusten. Goed je best doen hoor. Morgen heb ik je weer nodig.’

Op het strand waar zij naar toe rijdt, is in de winter niets te doen. De strandtenten die daar in de zomer staan, worden in de herfst afgebroken. Het is haar favoriete plek. Toen zij nog goed ter been was, maakte ze vanuit hier lange wandelingen langs het strand.
Ze parkeert haar auto boven op de parkeerplaats. Als ze uitstapt ademt ze diep door haar neus de zilte zeelucht in en ze voelt zich gelukkig. De harde wind komt met vlagen en voert met elke vlaag zand mee. De betonplaten liggen deels onder het zand. Behoedzaam stuurt ze haar scootmobiel over de delen die nog goed begaanbaar zijn. Haar sjaal heeft ze voor de neus en mond gebonden en de bril beschermt haar ogen. De betonplaten houden aan de voet van de duinen op. Ze remt keurig op tijd en zet de scootmobiel op de handrem.

De horizon is niet te zien. De grijze zee gaat naadloos over in de grijze lucht. Met witte toppen en een donderend geweld breken de golven op het strand. Vuilgele schuimvlokken liggen bibberend bij elkaar of jagen over het zand. Een enkele meeuw scheert laag over het water. Er is geen mens te zien en dat vindt ze heerlijk.

Van jongs af aan is de zee haar vriend. Vroeger namen haar ouders hen mee voor een dagje naar het strand. Kuilen graven deed ze niet. In de zon liggen ook niet. Het liefst stond ze daar in het water waar de golven nog niet braken. Ze ging zo ver het water in dat ze nog net kon staan en genoot van elke golf die haar even optilde. ‘Het water wat draagt als in de moederschoot’ zou ze later ontdekken. Vreemd vindt ze dit denken niet. Ze is van mening dat onze oorsprong in de zee ligt dus als je door het water gedragen wordt maak je contact met een heel ver verleden. Ze mijmert over de vele zeeën die ze heeft gezien en bevaren. De vele overtochten met de veerboten naar Engeland en die je even een zeeman of zeevrouw laten zijn als je tenminste op het dek blijft. Het kristalheldere water bij Bali of Nieuw Zeeland. De keer dat ze met windkracht 12 op de Hondsbossche zeewering probeerde te blijven staan en de meeuwen achteruit vlogen. Het zoute water wat haar bril ondoorzichtig maakte en haar lippen naar zee liet smaken. De machtige branding op de rotskusten van Noorwegen. Getuige zijn van een langzaam vollopende Waddenzee. Ze glimlacht. Altijd en overal, bij elke zee of oceaan en elke keer weer moest ze haar vingers in het water steken om te kunnen proeven. Het zoute water smaakt overal anders en toen ze deze rare gewoonte eens aan een pastoor vertelde, bleek hij hetzelfde te doen.
‘Wat doe jij met je vingers in mijn zee?’ vroeg hij lachend.
‘Proeven waar we vandaan komen,’ had ze geantwoord maar daar bleek hij toch heel anders over te denken.
Natuurlijk weet ze best van de gevaren. De spreuk ‘de zee geeft en de zee neemt’ is haar bekend. Als ze op Urk is en bij het standbeeld van die vissersvrouw staat, voelt ze zich schuldig. Er zijn velen die de zee, waar zij zo veel van houdt, haten omdat deze genomen heeft wat hen dierbaar was. Onbarmhartig en genadeloos kan haar vriend zijn en toch houdt ze van hem.

Achter de wieltjes van haar scootmobiel vormen zich kleine duinen. Ze wordt wat rillerig en besluit om weer naar de auto te gaan. Ze maakt de handrem los en als de scootmobiel van de helling af naar voren rijdt knijpt ze instinctief de handel in. Het gebrek aan ervaring nekt haar. Te laat herinnert zij zich dat knijpen gasgeven is. ‘Ho!’ roept ze maar daar rem je niet mee. De scootmobiel schiet naar voren om zich één meter later vast te rijden in het zand. Rul zand is geen stabiele ondergrond en het voertuig wankelt. Haar poging om rechtop te blijven werkt niet. Met een ‘wel verdomme’ kieperen ze samen om. Ze blijft even liggen en wacht af of ze ergens pijn voelt. Als ze niets verontrustends bemerkt, gaat ze zitten om het volgende probleem onder ogen te zien. Hoe komt ze overeind? Die krakkemikkige benen hebben tijdens de therapie wel geleerd hoe te lopen en te zitten maar opstaan vanaf de grond zat niet in het pakket. Ze kijkt om zich heen. Zo’n vijf meter achter haar worden de duinen afgeschermd door prikkeldraad en dat zit vast aan houten palen. Op haar kont hobbelt ze daar naar toe en het lukt haar om zich aan een paal op te trekken. Voetje voor voetje schuifelt ze naar haar scootmobiel, zet hem uit en rechtop. Dan trekt ze hem naar de betonplaten en veegt het meeste zand er af. Ze is doodmoe geworden en kan alleen maar stil op het stoeltje zitten. Als het weer gaat, draait ze het sleuteltje om en knijpt in de gashandel. Er gebeurt niets. Ze zet hem weer uit en aan maar niets helpt. ‘Nou, daar ben je lekker mee’ denkt ze, ‘Wat nu?’
Omhoog lopen met een scootmobiel kan ze wel vergeten. Dat redt ze nooit. Ze vist haar mobieltje uit haar zak en bedenkt wie ze zou kunnen bellen. Het noodnummer lijkt haar wat overdreven. Zo erg is het niet. Haar kinderen wonen te ver weg, de buren wil ze niet lastig vallen en die oudjes van de bejaardensoos al helemaal niet. Dan weet ze het: de ANWB! Ze is per slot van rekening al jaren lid en heeft ze nog nooit nodig gehad. Eens moet het de eerste keer zijn.

‘Waar staat u?’ vraagt de dame van de ANWB.
Ze vertelt bij welke strandopgang ze is.
‘Ik ben omgevallen en nu doet hij het niet meer.’
‘Is de auto omgevallen!?
‘Nee, mijn scootmobiel en ik zat er op.’
‘Ja?’
‘Ik krijg dat ding de strandopgang niet op. Mijn benen redden dat niet.’
‘Is daar niemand die u helpen kan?’
‘Nee, gelukkig niet. Je ligt daar toch maar mooi voor gek toch?’

De dame belooft iemand te sturen en als er over een half uurtje nog niemand is moet ze weer bellen. Ze wacht en na een kwartiertje verschijnt er boven aan de strandopgang een politiewagen. Een wat oudere agent met een jonge agente stappen uit.

‘Had u de ANWB gebeld?’ vraagt de agent.
‘Ja, het leek mij niet iets voor 112’.
‘Wat is er gebeurt?’ vraagt de agente.
Ze vertelt van de rem, de gashandel, het rulle zand en het moeilijk opstaan en lopen.
‘Maar waarom bent u hier?’ vraagt de agente.
Ze draait zich om en wijst naar de zee.
‘Is het niet prachtig? Al dat water, die wind, dat zand, die geur?’
De ambtsdragers kijken en zwijgen maar iets van bewondering of ontzag is hen vreemd.
‘Is het wel zo verstandig om naar een plaats te gaan waar geen mensen zijn?’ wil de agent weten, ‘Stel dat u geen mobieltje bij u had. Wat dan?’
‘Stel dat jij geen agent geworden was. Dan had je hier nu niet gestaan. Luister, ik heb mij al heel lang geleden voorgenomen mij geen vragen te stellen met ‘als’ of ‘stel dat’. De dingen gaan zoals ze gaan en daar valt weinig tegen te doen. Ik heb mijn mobieltje altijd bij mij. Niet voor ‘als’ of ‘stel dat’ maar omdat ik het gewoon prettig en makkelijk vind. Nu komt het goed uit en dat is prettig.’
‘Hm’, zegt de agent.
‘Is die auto die boven staat van u?’ vraagt de agente.
‘Ja’.
‘Dan rijdt ik onze wagen even hier naar toe en breng ik u naar uw auto. Mijn collega ontfermt zich wel over uw scootmobiel.’

Ze is weer thuis en heeft de reparateur al gebeld. Ze komen morgen. De scootmobiel staat op zijn vertrouwde plaats bij het stopcontact. Ze is vergeten te vragen of het wel verstandig is om hem op te laden. ‘Rotding!’ zegt ze zachtjes en geeft een schopje tegen de zijkant. Uit verontwaardiging, maar het kan ook verdriet zijn, laat het ding een straaltje zand op het tapijt lopen.
‘Oké, sorry. Het was mijn schuld’, en met een diepe zucht haalt ze de stofzuiger uit de kast.

 

 

© peter gortworst / jan. 2020
afbeelding: nrc.nl     

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 2 reacties

Tijd

Zo af en toe kom je het plaatje nog eens tegen: het oude jaar afgebeeld als een oude man en het nieuwe jaar als een pasgeborene. Soms is de oude man een goedmoedige grijsaard met een lange, golvende baard en een andere keer een narrige en lelijke man die met een leeggelopen zandloper onder de arm weggejaagd wordt door een montere jongeling.

Het zal de weemoedigheid dezer dagen zijn die gedachten over deze twee zonderlingen de vrije loop geeft. Laten wij eens aannemen dat de oude man de gezegende leeftijd van 100 jaar heeft bereikt. Een vol jaar verdient immers een mooi rond getal. Tot de laatste dag heeft hij zijn werk voorbeeldig gedaan en dan verdwijnt hij. Dat is onbevredigend en wonderlijk. Het jaar is om, de man heeft zijn werk, zijn levensbestemming bereikt en dan verwacht je een dode, oude man in een kist. Natuurlijk mooi opgebaard en beschikbaar voor ieder die nog even afscheid wil nemen. Misschien dat iemand nog even het woord wil voeren want de dode heeft zich toch maar zijn hele leven (wat slechts één jaar duurde) kranig gedragen en zijn taak tot het einde toe, voorbeeldig volbracht. Maar nee, hij vertrekt. Waar gaat die oude man heen? Hij verdwijnt letterlijk uit beeld. Het kan natuurlijk zijn dat hij, gelijk dieren doen, een plekje zoekt om rustig te sterven. Hij is immers ‘uit de tijd’ en er wordt niets meer van hem verwacht. Iets als een bejaardenoord voor ouden der jaren is ondenkbaar. Je bestaat niet meer en je wordt alleen nog in herinneringen genoemd.

Dan die jongeling die het symbool moet zijn van het nieuwe jaar. Meestal is dat een merkwaardig gedrocht. Een lijf als een baby maar dan geschetst als een kind van vier met vaak een hoofd wat hoort bij een volwassene. Ook hij heeft slechts één jaar te leven en om op 31 december de leeftijd van 100 jaar te bereiken, wordt hij per 3,65 dagen één jaar ouder. Los van de lichamelijke consequenties van die snelle groei is waarschijnlijk dit het gegeven dat zijn uiterlijk zo bijzonder maakt. De avond van de 10e januari is hij al zindelijk en bedient zich van de eerste woorden. Op de 21e januari heeft hij de peuterschool doorlopen en vinden we hem terug in groep 3 van de basisschool. Begin maart kan hij autorijden en heeft het meeste onheilaanrichtende pubergedoe achter zich. Begin juli wordt hij vijftig en dient zich waarschijnlijk zijn midlifecrisis aan. Na 237 dagen ontvangt hij, als het SVB tenminste deze snelle ontwikkeling bij kan houden, zijn AOW en kan hij zich opmaken voor de eindspurt naar 31 december. Maar waar komt deze jongeling vandaan? Wie zijn de ouders van deze knaap? Het is sowieso knap een kind te verwekken met deze eigenschappen maar het dan ook nog ter wereld te laten komen op precies 00,00 uur vraagt bovennatuurlijke vermogens. Maar is het voor een pasgeborene mogelijk die oude man uitgeleide te doen of wordt het kind iets eerder geboren om in staat te zijn met de levenstaak te beginnen als de luiers verleden tijd zijn. Na drie dagen is het immers bijna één jaar en zou voor een kind met dergelijke kwaliteiten, de zindelijkheid geen probleem meer moeten zijn. Maar dan nog blijft de vraag waar dit kind vandaan komt. Van ‘uit de tijd’ naar de tijdelijke ‘in de tijd’?

De rusttijd tussen de verplichtingen van kerst en het oliebollen bakken voor oud en nieuw, is niet voor een ieder gegeven. Als ik in deze periode mijn gedachten de vrije loop geef, gaan ze met mij aan de haal en dat maakt mij knap onrustig. Gelukkig heb ik tijd genoeg en nadenken en schrijven over ‘tijd’ is een aangename tijdsbesteding. Tevens een mooie gelegenheid om mijn lezers een gezond, blijmoedig en creatief nieuw jaar te wensen.
Bij deze gedaan.

 

 

©peter gortworst / dec 2019  

 

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , | 1 reactie

Het meisje en meneer van der Eik

Ze heeft vooraf goed op de kaart gekeken en opgeschreven hoe ze rijden moet. Netjes en overzichtelijk onder elkaar. Niet dat ze snel verdwaald maar je weet maar nooit en in zestig jaar kan er veel veranderen. Op de snelweg ziet ze dat het dorp, haar geboortedorp, al op het blauwe bord van de ANWB staan. Nog een paar kilometers en dan is zij er.

Hij heeft haar meer lief dan hij durft te zeggen. Zijn eerste kind en een kind naar zijn hart. Onbevangen, open, het hart op de tong en een durfal. Een robbedoes van het zuiverste water met ongekende kwaliteiten. Heeft hij moeite om de koeien op stal te krijgen dan vraagt hij haar te helpen. Een kind van zes en er is geen koe die niet naar haar luistert. De hond doet alles voor haar en het varken gaat al op haar zij liggen als ze het kot instapt: er wordt weer gekroeld. Dat ze van dieren houdt is wel duidelijk. De kleine boerderij is haar wereld maar er is meer dan dit. Dat weet ze en dan vraagt ze. Vaak weet hij de vragen te beantwoorden maar net zo vaak niet. Soms zijn het kinderlijke vragen maar voor hetzelfde geld vraagt ze iets waar hij geen antwoord op heeft. Waarom gaat een mens wel naar de hemel en een koe niet? Met wie trouwden Kaïn en Abel als zij de kinderen van de eerste mensen op aarde waren? Als de ruimte steeds groter wordt, in wát wordt het dan steeds groter? Vragen die niet alleen hem maar ook zijn vrouw af en toe tot wanhoop drijven. Vragen die komen op momenten dat hij het niet verwacht. Als zij op zijn schoot zit en de trekker stuurt bijvoorbeeld. Hoe kan je dan in een paar zinnen vertellen hoe het komt dat er seizoenen zijn? En dan de alles overtreffende vraag: Waarom?

De kerk is er nog. De bakker niet. Natuurlijk had ze verwacht dat er veranderingen hadden plaatsgevonden en de nieuwe huizen aan de rand van het dorp hebben aan die verwachtingen voldaan. Maar ook de bestrating. Geen klinkerweg meer maar asfalt. Voorbij de kerk moet ze rechtsaf en vroeger ging daar de klinkerbestrating over in een onverharde weg. Het huis van opoe Buntsma was het laatste huis wat nog aan de klinkerweg lag. Opoe is al jaren dood en het huis is herbouwd. Ze is er voorbij gereden zonder het te herkennen. Nog twee kilometer en dan zou daar de oprit naar hun oude boerderij moeten zijn.
Drie verticale vlaggen staan rechts van de oprit. Links een groot bord met de naam van het vakantiepark. Het weiland waar de pinken graasden en waar de overbuurman zijn knol mocht laten weiden is een grote parkeerplaats geworden en de boerderij is verbouwd. ‘Receptie’ ziet zij op het bord staan en een rood-witte slagboom belet haar, als ze dat al zou willen, de weg.
Ze heeft de auto in de berm gezet en kijkt. Niet voor de eerste keer valt de kneuterigheid van dit land haar op. Alles is afgebakend, ordelijk en klein. Ook hier. Het is kleiner dan wat zij zich herinnert. Volwassenen hebben dat wel vaker maar bij haar komt het sterker binnen. De weidsheid van het Canadese land maakt dat je groot gaat denken. Daar is ze volwassen geworden, getrouwd, kinderen gekregen en weduwe geworden. Haar wens om nog eenmaal haar geboorteland te zien, het dorp met de kleine huisjes en het boerderijtje van haar ouders waar ze zoveel mooie herinneringen aan heeft, is mogelijk gemaakt door haar kinderen. Ze is hen daar innig dankbaar voor en geniet met volle teugen van de tijd in haar geboorteland. Het Rijksmuseum heeft ze al gezien. De Zaanse Schans ook maar het Achterhuis, Den Haag en Madurodam staan nog op haar lijstje. Vandaag niet. Vandaag is ze hier en natuurlijk voor meneer van der Eik.

Dat zal je altijd zien. Als die dekselse meid nodig is om iets te doen is ze er niet. Ze zal wel weer in het bos zijn en op laatste moment binnen komen rennen. Wie dekt er nu de tafel en prikt er in de aardappelen? Zij moet helpen met melken en hoe graag ze het ook zou willen, koken en melken gaat niet samen.
‘Ga het bos in en zoek je zus!’ commandeert ze haar broertje.
Gehoorzaam vertrekt het ventje. Het gaat haar niet snel genoeg.
‘Rennen!’ roept ze hem toe en de klompjes klikklakken over het erf.

‘Wat is er in het bos te doen?’ vraagt haar vader als ze aan het eten zijn. ‘Je bent er de laatste tijd zo vaak en zo lang.’
Ze zwijgt en slaat haar ogen neer.
‘Nou?’
Even flitst er een gedachte door zijn hoofd. Ze zal toch geen vriendje hebben? Ze is nog maar negen!
‘Ze zat bij een boom met twee konijnen en een hertje,’ klikt het broertje.
Een klein grommend geluid ontsnapt uit haar keel. Ze wil wat zeggen maar bedenkt zich.
Haar vader zegt niets. Zolang het geen vriendje is maakt het hem niet uit.
‘Leuk,’ zegt moeder maar meer wil zij er ook niet over kwijt. Er zijn belangrijker dingen.

Het begint op te vallen. Zij en dieren hebben iets met elkaar. Ze weet ook niet hoe dat komt en al helemaal niet hoe bijzonder het is. Het is begonnen toen ze op een mooie dag het bos ingelopen was. Bij de grote eik is ze tegen de stam gaan zitten en de boom begint tegen haar te praten. Niet echt maar ze hoort in haar hoofd zijn stem en ze antwoordt door terug te denken. Dat gaat zo vanzelf dat het haar niet eens verwondert. Het is gewoon zo. ‘Mijn Nootje’ noemt hij haar. Hij leert haar dat zij, door te denken, ook kan praten.
‘Het hoeft niet altijd met herrie of wat jullie spraak noemen,’ zegt de boom. ‘Ik wordt soms horendol van al mijn bladeren als de wind er te hard doorheen waait,’ vertrouwt hij haar toe.

Hoe vaker ze bij de boom komt hoe meer ze leert over dat denken. Ze begroet hem altijd met ‘Dag meneer van der Eik’ en dan weet ze dat hij een beetje moet glimlachen. Meneer van der Eik is al heel oud. Meer dan 250 jaar en als je zelf negen bent is dat een niet te bevatten getal. Het grote voordeel is dat hij veel heeft meegemaakt en veel weet. Al die kennis probeert hij in dit meisje te stoppen want tot nu toe is zij de enige die de gave van zo kunnen denken heeft. Talloze mensen hebben tegen zijn stam gezeten maar nog nooit was er één die hem kon verstaan. Hij prijst de dag dat zij kwam. Ze maakt hem gelukkiger dan hij al was en vol ongeduld wacht hij elke dag op haar komst. Zelfs als je meer dan 250 bent kan een dag soms lang duren. Hij vertelt haar dan zij ook met dieren kan denken en om dat te bewijzen heeft hij een konijn gevraagd te komen als zij er ook is. Het begin was niet makkelijk weet ze nog. Het gaat met horten en stoten, denkfoutjes en misverstandjes maar al doende leert ze. Genoeg dieren om mee te oefenen en zo kan het gebeuren dat de waakhond die altijd aan de ketting ligt, haar denkt ook wel eens lekker te willen rennen. Ze maakt hem los en ze gaan samen het weiland in. De hond weet van gekkigheid niet hoe hard hij rennen moet, hoe snel hij kan wenden en keren en hoe ver hij springen kan. Hij rent en blaft de adem uit zijn lijf en als vader komt kijken wat er aan de hand is, weet hij niet wat hij ziet. Die hond moet vals en waaks zijn en zeker een meisje van negen zou op moeten passen voor zo’n hond. Hij verstopt zich een beetje en ziet dan dat zijn dochter de hond meeneemt naar het erf. Het beest loopt als een eendenkuiken achter de moeder aan. Dan legt ze hem weer aan de ketting. Alles zonder één woord te zeggen. Hij weet niets anders te bedenken dan ‘bijzonder’.
‘Hoe is het?’ denkt ze de volgende dag tegen de hond.
‘Spierpijn,’ moppert het beest, ‘Maar graag nog een keer als ik weer een beetje normaal kan lopen.’
‘Doen we,’ belooft ze.

Het denken met dieren geeft ook problemen en ze vraagt meneer van der Eik om raad.
‘De muizen zijn bang voor de kat, het varken weet dat ze dood gemaakt gaat worden en dat maakt haar verdrietig en de koeien willen weten waar hun kinderen zijn,’ denkt ze.
Meneer van der Eik heeft niet direct een antwoord.
‘Ik heb in mijn leven al miljoenen kleine eikeltjes geproduceerd,’ denkt hij, ‘Soms konden er een paar groeien maar die werden dan meegenomen omdat er iets van leer gelooid moest worden. Heel veel eikeltjes zijn opgegeten door de eekhoorns, de wilde zwijnen of ze zijn verstopt door de gaaien. Ik heb daar geen verdriet van. Zo gaat het nu eenmaal. Muizen zijn voedsel voor katten, slangen, vossen of uilen. Varkens zijn voedsel voor de mensen en koeien gaan nu eenmaal het huis uit. Net als mensen. Soms zijn ze zelf het voer en soms geven ze de mensen voer. Wie dat ooit bedacht heeft, als het al bedacht is, weet ik niet. Ik weet wel dat het al mijn hele leven zo is’.
Het antwoord bevalt haar niet maar als meneer van der Eik geen beter antwoord heeft, komt het misschien nog wel.

Via het vakantiepark kan ze het bos niet in. Ze rijdt een klein stukje door omdat daar een pad was dat het bos inloopt. Het pad is er nog maar de slagboom is nieuw. Ze zet de auto in de berm. Als ze uitstapt twijfelt ze of ze haar rollator of alleen haar stok mee zal nemen. Het wordt de stok. Meneer van der Eik mag niet weten dat er iets als een rollator is.

Ze herkent het bos niet. Alles is natuurlijk zestig jaar ouder geworden en kijk naar jezelf: jij bent ook niet meer dezelfde. Nieuw is wel alle rotzooi die ze ziet liggen. Overal liggen papiertjes, blikjes of flesjes. Dat was vroeger toch wel anders, mompelt ze in zichzelf.

Meneer van der Eik is er nog. Majestueus staat hij daar. Ook zestig jaar ouder maar dat is hem niet aan te zien. Met moeite gaat ze zitten en leunt met haar rug tegen zijn stam.
‘Dag meneer van der Eik,’ denkt ze.
Verbeeld zij het zich of ging er werkelijk een schokje door de boom?
‘Mijn Nootje!’ juicht meneer van der Eik, ‘Je bent terug!’
‘Ja en hoe is het met u?’
‘Ik heb op je gewacht. Je vertelde toen dat je met je ouders weg ging naar dat verre Canada en dat het heel lang kon duren voor je terug kwam. Ik ben zo blij dat je er weer bent! Je bent echt terug gekomen. O wat fijn. Wat een mooie dag!’
‘Ik ben terug gekomen om u te zien en om u te bedanken. Ik heb mijn hele leven plezier gehad van wat u mij geleerd heeft.’
‘O vertel, vertel!’

Ze begint bij het begin. De bootreis naar hun nieuwe land, de eerste jaren van bittere armoede, het kleine boerderijtje wat ze konden huren en hoe het hen langzaam beter ging. Haar vader vertrouwde haar blindelings als zij vertelde welke koe hij wel en welke hij niet moest kopen. Het vele werk wat, naast haar opleiding, gedaan moest worden,
‘Wat heb je geleerd?’ denkt meneer van der Eik.
‘Ik ben dierenarts geworden, samen met mijn man.’
‘Dom van mij. Ik had het kunnen weten.’
‘Als ik u niet had leren kennen, was ik het misschien niet geworden. U heeft mij geleerd om met dieren te denken en u kunt zich voorstellen wat voor een voordeel dat is geweest. Er kwamen mensen met hun dieren uit heel Canada maar ook uit Amerika. O, ik zou u oneindig verhalen kunnen vertellen van wat de dieren en de eigenaren mij zeiden. Vaak een wereld van verschil.’
‘Weten ze dat je met dieren denkt?’
‘Nee, niemand. Mijn man wist het niet en mijn kinderen weten het ook niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ik keek wel uit. Voor je het weet ben je een heks en gaan ze over je schrijven of godbetert kom je op tv. Ik heb het alleen mijn vader vertelt toen hij dood lag te gaan maar hij wist het al. Hij was er trots op dat hij het zelf had ontdekt maar hij heeft ook zijn mond gehouden.’

Tijd gaat snel voorbij als je het goed hebt met elkaar. Het is al bijna donker als ze moeizaam opstaat.
‘Ik ga weg,’ denkt ze.
‘Ja, het is tijd. Kom je nog een keer terug?’
‘Als ik dood ben. Ik heb voor mijn kinderen alles opgeschreven zodat ze weten wie u bent en wat mijn grote geheim is geweest. Ik wil dat ze mijn as hier, om u heen uitstrooien. De coördinaten en de omschrijving staan ook op papier. Ik kom dus terug maar of wij dan nog met elkaar kunnen denken weet ik niet’.
‘Tja, daar heb ik ook nooit over nagedacht maar het is mooi dat je bij mij wilt zijn. Ik zal op je wachten maar maak alsjeblieft geen haast.’
Ze spreidt haar armen uit en drukt zich tegen de oude stam.
‘Dag lieve meneer van der Eik.’
‘Dag Mijn Nootje,’ en met bovennatuurlijk kracht laat hij zijn bladeren even ritselen.

 

 

 

© peter gortworst / dec 2019
afbeelding www, pinterest.co.kr

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Kateryna

In het buurthuis staat één biljarttafel en er zijn vijf spelers. Mannen op leeftijd die nog graag het spelletje spelen. Op deze koude, winterse woensdag zijn ze er allemaal. De pilsjes en de jonkies smaken best en het spel is voor de verandering ongewoon spannend. Teun en Gerard gaan gelijk op en Harry zit er vlak achter. Het zal er om hangen wie het eerst de 100 haalt. Niemand rekent op Bert maar als deze een ongelofelijke serie van 26 maakt is het spel uit. Ze ploffen in een stoel en Bert moet het ontgelden. Als ome Jaap die ballen niet zo mooi had neergelegd was het hem nooit gelukt, meent Gerard. Bert lacht een beetje schamper. Waarom zou een winnaar zich nog moeten bewijzen?

Ome Jaap was even naar het toilet geweest en als hij gaat zitten zegt hij:
‘Katrien was daar aan het schoonmaken.’
De anderen kijken hem vragend aan.
‘Ja? En?’
‘Nou…. Ik dacht zo…..Wat weten we eigenlijk van haar?’ vraagt ome Jaap.
‘Nou,’ zegt Harry, ‘Niet zo heel veel want ze praat amper Nederlands.’
‘Ze heet niet Katrien maar Katerina of Kati of Katrijn, zegt Gerard.
‘Waarom noemen we haar dan Katrien?’
Dat weet niemand.
‘Misschien omdat het makkelijker is,’ meent Teun.
‘Ze komt uit Rusland en woont alleen met haar zoon,’ weet Bert.
‘Ze komt uit de Oekraïne en haar zoon zit bij mijn kleinzoon in de klas. Ze woont in één van die huisjes bij jou achter, Teun,’ zegt Gerard.
‘O, daar. Dat zijn akelig kleine huisjes. Ze zijn van de gemeente. Sociale woninkjes. Als je daar woont heb je niet veel te makken,’ zegt Teun.
‘Dan zal ze wel een uitkering hebben,’ denkt ome Jaap, ‘Dat is geen vetpot.’
‘Maar voor dat schoonmaken hier. Krijgt ze daar dan geld voor of is dat vrijwilligerswerk?’
Ook dat weet niemand. Ze zwijgen en overdenken hoe Katrien het moet redden met haar zoon. Als de dagen kort en de nachten lang zijn met een winterse koude die je kleumend doet verlangen naar een warme zomerse dag, doet dat iets met mensen. En als dan ook nog Sinterklaas en kerst een geest oproepen van blijmoedige vrijgevigheid, is het niet verwonderlijk dat er in deze heren iets onbaatzuchtigs zijn opwachting maakt.

Na een paar minuten zegt ome Jaap:
‘Kunnen we niet wat voor haar doen?’
Het is het startschot van een zee aan ideeën. Helaas weet geen van de vijf of ze een tuintje heeft wat ze op kunnen knappen, hoe het er bij haar in huis aan toe is, of er misschien behangen en geschilderd moet worden en of ze wel genoeg meubels heeft. Uiteindelijk is het idee van Bert nog het beste. Ze lappen de man 20 euro en gaan daar, in de stad, een formidabel sinterklaascadeau voor kopen. Een grote doos met allerlei levensmiddelen die ze gewoon gebruiken kan en natuurlijk ook wat luxe dingen. Die koop je immers niet als je arm bent. Bert en Teun zullen zich daar mee bezig houden. Als Harry zegt een mooi gedicht te schrijven wordt dat met algemene stemmen verworpen. Katrien kan geen Nederlands lezen. Dat haar zoon dat wel kan, wordt vergeten. Ook weldoeners hebben soms gebreken.

Ze zijn met de auto van Bert naar de stad gereden en lopen nu, gebroederlijk naast elkaar achter de winkelwagen. In de auto hebben ze al met elkaar gesproken over wat er beslist gekocht moet worden. Koffie staat op nummer 1 en suiker op 2. Die zijn snel gevonden. Teun heeft een rekenmachine meegenomen en telt alle bedragen bij elkaar op. Bij de vleesafdeling slaat de twijfel toe. Is Katrien een moslima? Zo ja, dan mag er geen varkensvlees gekocht worden. Ze nemen het zekere voor het onzekere en kopen twee biefstukjes van de haas. Mandarijnen en druiven zijn altijd goed. Een blok jong belegen kaas natuurlijk ook. Koekjes en chocolade zijn lekker en als Bert zich plotseling herinnert dat zijn vrouw zich regelmatig insmeert met een soort zalfje, staan de twee mannen voor een rek met een heleboel lotions en weet geen van beide wat te kiezen. Gelukkig helpt een goedlachse dame op leeftijd hen uit de brand.

‘We zijn bijna op de honderd euro,’ zegt Teun als Bert een blik met haring in tomatensaus heeft gepakt.
‘Hoeveel hebben we nog?’
‘Iets meer als twee euro.’
‘Dan gaan we naar de kassa.’
Ze leggen gezamenlijk alle boodschappen op de band. Teun meent dat er voor die twee euro nog wel een doosje met pepermuntjes en een Bounty bij kunnen en ook deze gaan mee.
‘Dat is dan honderd euro en vijf cent,’ meldt het meisje achter de kassa blijmoedig.
De heren kijken elkaar aan.
‘Heb jij nog vijf cent?’ vraagt Bert.
‘Nee, ik heb helemaal geen geld op zak.’
‘Ik ook niet,’ zegt Bert, ‘Ik heb alleen maar die briefjes van twintig mee.’
Hij wendt zich tot het meisje achter de kassa, legt de vijf briefjes voor haar neer en zegt:
‘Zo veel geld en jij maakt je druk om vijf centen?’
‘Anders klopt de kassa niet,’ is het weerwoord.

Nu bemoeit ook Teun zich er mee en als hij omstandig vertelt waarom ze voor precies honderd euro inkopen hebben gedaan, ontgaat hem het gemor dat langzaam opwelt uit de rij wachtenden achter hen. Het kassameisje is standvastig en als ze voorstelt om dan maar wat terug te leggen, is dat tegen het zere been van Bert. Het gaat verdorie maar om drie centen en omdat de grootgrutters een hekel aan centen hebben ronden ze dat af naar boven. Als er iets één hele cent minder had gekost, was het precies honderd euro geweest dus waar maakt zo’n meisje zich druk om? Is het werkelijk zo een ramp als bij het opmaken blijkt dat er drie centen missen? De standvastigheid van het meisje is van het goede soort. Het blijft honderd euro en vijf cent of er wordt wat van de band gehaald. De rij wachtenden is het zat.
‘Wat is het probleem?’ roept een vrouw die nog lang niet aan de beurt is.
‘Er ontbreken vijf centen!’ roept Teun verbolgen.
‘Die kan je van mij ook wel krijgen,’ roept de vrouw terug.
Het muntstukje gaat van hand tot hand naar voren om uiteindelijk met een kleine rinkel in de lade van de kassa te verdwijnen. Mopperend over zoveel onbegrip, onbenul en onverschilligheid verlaten de heren de winkel.

De kartonnen doos zit helemaal vol en is beplakt met sinterklaaspapier. ‘Van Sint en Piet’ heeft Teun er met viltstift nog opgeschreven. In het donker dragen ze deze naar het huisje van Katrien. Zachtjes, zonder geluid te maken zetten ze de doos voor de deur. Ze kijken elkaar aan en dan druk Bert op de bel. Ze rennen, zo goed en zo kwaad als dat nog gaat, weg. Niemand heeft hen gezien.

Woensdag wordt er, voordat er ook maar één bal gespeeld is, verslag gedaan. Het ‘vijfcentenverhaal’ wordt langdurig besproken want het is toch van de gekke dat dit zomaar kan? Ome Jaap, die vaak in Duitsland boodschappen doet, heeft altijd centen in zijn beurs en vertelt met zichtbaar genoegen dat hij meestal tot op de cent nauwkeurig betaalt. Natuurlijk niet als het naar beneden wordt afgerond maar als het drie of vier centen zijn, dan wel. Dat niet elke winkelier daar blij mee is, laat hem koud.

Ze beginnen met een potje tien over rood en dan is daar plotseling Katrien. Ze loopt langs met een emmer en een zwabber en zegt vriendelijk gedag. Voor ze door de deur naar de toiletten loopt, horen de mannen haar zachtjes zingen.
‘Engelengezang,’ zegt Harry.
Ome Jaap knikt. ‘Verdomd, nou je het zegt.’
‘Mooi!’ menen de anderen en met een blij gevoel wat alleen goede gevers kennen, tiktakken ze de ballen over het groene laken.

 

 

© peter gortworst / dec. 2019
afbeelding: decoma.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 4 reacties