Paasontbijt

Nee, hij is even niet gezellig. Integendeel zelfs. Waarom moest die oma van Freek uitgerekend op vrijdag, Goede Vrijdag notabene, doodgaan?! Hun al geruime tijd geleden geplande lange weekend op Texel konden ze nu op hun buik schrijven. Drie knullen van 18 jaar in een vakantiehuisje. Uitgaan, vogels kijken, als oude vrienden met elkaar optrekken, lekkere dingen koken of eten uit de snackbar… niets van dat al. Natuurlijk snapt hij best dat Freek verstek moet laten gaan en dat hij en Bas niet zonder Freek naar Texel kunnen vertrekken.
Het gevolg is wel dat hij dit weekend met zijn zus en zijn ouders zit opgescheept en dat zint hem allerminst. Vrijdagavond al naar de kerk geweest, vanavond naar de paaswake en morgenochtend, eerste paasdag, natuurlijk weer. Beslist niet vrijwillig maar gewoon omdat het moet en zijn aversie tegen dat moeten groeit met de dag.
‘Het is het belangrijkste feest voor ons christenen’, deelde zijn vader voor de honderdste keer mee, ‘Daar ben je je toch wel van bewust?’
Hij mompelt iets terug en zijn vader kijkt hem wantrouwend aan.
‘Wat zei je nou?’
‘Dat wat je zegt weet ik wel.’
‘Weet je dan ook dat Christus voor onze zonden aan dat kruis genageld is? Besef je wel dat wij gered zijn door zijn offer? Dat wij in genade leven mogen door zijn dood ter helle!?’
Met een gevoel van walging hoort hij zijn vader aan. Altijd komt er dat toontje, die bibber in zijn stem als hij over dit soort zaken spreekt. Hij kan er steeds minder goed tegen en hoe heerlijk zou het geweest zijn om nu op Texel te zitten. Geen kerk, preken of halleluja maar quality time met zijn vrienden.
‘Ik ga even de stad in,’ deelt hij zijn vader mee.
Die aarzelt. Het is stille zaterdag en een ingetogen houding van zijn zoon was hem liever. Toch snapt hij best dat de jongen het wat moeilijk heeft. Zijn weekend ziet er immers anders uit dan hij zich had voorgesteld? Diep in zijn hart was hij wel blij met deze ontwikkeling. Het geeft hem de kans om deze jonge man, die op de drempel naar volwassenheid staat, nog wat fundamentele waarden bij te brengen. Hij is er van doordrongen dat alles wat hij hem nog bij kan brengen, zaadjes zijn die later tot volle wasdom kunnen komen. Dat is zijn taak en die neemt hij zeer serieus.
‘Ja, dat is goed maar zorg er voor dat je op tijd terug bent.’

De paaswake duurde hem veel te lang. Bijna twee uur in de kerk! Een bezoeking van het zuiverste water!
‘Het was een zinvolle en mooie dienst,’ meent zijn moeder als ze weer thuisgekomen zijn.
Zijn zus beaamt dat en vindt dat alle symbolische handelingen zo mooi waren.
‘Al die handelingen onderstreepten de woorden,’ merkt ze wijs op.
Een beetje bevreemd kijkt hij naar zijn zus. Dat ze onderling als dag en nacht verschillen wist hij wel, maar dat zij zo vroom, zo godsdienstig zou zijn, is een nieuwe ontdekking.
‘En hoe vond jij de dienst?’ vraagt zijn vader hem.
‘Te lang. Veels te lang.’
‘Maar wat vond je van de preek? Heb je daar wat van opgestoken?
‘Nee. Ik kon mij niet concentreren. Er galmde maar één woord door mijn kop: Texel, Texel. Texel. En nu ga ik naar bed.’
‘Ach,’ zegt zijn moeder en kijkt hem zorgelijk na. Vader zucht maar zegt niets.
In bed speelt hij domme spelletjes op zijn mobieltje en ver na middernacht valt hij in slaap.

Hij is nog in dromenland als een luide stem, onderaan de trap, hem wekt:
‘Jongens! Wakker worden! De Heer is waarlijk opgestaan en aan Petrus verschenen!’
‘Fuck, fuck, fuck!’ is het enige wat hij uit kan brengen. Het komt uit de grond van zijn hart, intens gemeend maar wel zachtjes want als zijn vader dit hoort, zijn de rapen gaar.

De ontbijttafel is feestelijk gedekt. Gele papieren servetjes naast de zondagse ontbijtbordjes, witte bolletjes, een gekookt ei, versgeperst sinaasappelsap en dikke plakken paasbrood.
‘Dat ziet er feestelijk uit, moeder. Zullen we eerst bidden?’ zegt het hoofd van het gezin.
Ze vouwen hun handen en vader begint de Heer te danken voor deze bijzondere dag en het eten. Ook hij heeft wel zijn handen gevouwen maar niet de ogen dicht. Dan ziet hij dat zijn vader tijdens het bidden hem aankijkt. Onbeschaamd kijkt hij terug en tot zijn genoegen wendt zijn vader de blik af.
De sfeer tijdens de maaltijd zou feestelijk moeten zijn maar is het niet. Drie personen voorvoelen iets wat nog niet onder woorden gebracht kan worden maar onweerstaanbaar op hen afkomt.

‘Ik ga niet mee naar de kerk,’ deelt hij plotseling mee.
Malende kaken vallen stil. Zijn vader slikt de nog niet geheel gekauwde hap met enige moeite door en vraagt dan:
‘Mag ik vragen waarom?’
‘Omdat ik daar niets te zoeken heb. Ik geloof niet meer in God dus waarom zou ik daar mijn tijd verdoen? Ik stap straks op mijn fiets en ga naar het strand.’
De hel breekt los. Een spervuur van vragen wordt op hem afgevuurd.
‘Waarom doe je dit ons als ouders aan? Sinds wanneer geloof jij niet meer? Hoe kom je erbij dat God niet bestaat? Heb jij wel vaak genoeg gebeden? Ben je niet bezield van de duivel? Kon je geen ander moment uitkiezen om dit te bespreken? Hoe kan je dit zo zeker weten?’
De vragen worden luider en in een poging de zaak tot rust te brengen heft hij zijn hand op.
Als het stil is zegt hij:
Ik heb hier lang over nagedacht en mijn besluit staat vast. Ik zal niet zeggen dat er geen God is maar als hij er is, dan huist hij niet in onze kerk. Die God accepteert geen flikkers.’
‘Hè? Wat? Flikkers?’ vraagt zijn moeder.
Zijn vader trekt wit weg.
‘Homo’s,’ zegt hij dan tegen zijn vrouw, ‘Homoseksuelen. Die noemen ze soms zo.’
‘Jakkes,’ zegt zijn zus, ‘Ben je dat?’
‘Wie weet. Het zou zomaar kunnen.’
Er valt een stilte die met gemak dodelijk genoemd kan worden. Hij staat op, pakt zijn jack van de kapstok en als hij naar de achterdeur loopt zegt hij:
‘Ik neem aan dat jullie nu heel wat te bidden hebben. Succes.’
Hij neemt de fiets uit de schuur en stapt op. Met een beetje geluk zijn er nog een stel leuke meiden op het strand.

Mijn boek al gekocht?
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

©peter gortworst/apr.2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 3 reacties

Chip

Ze wordt wakker en weet direct wat voor dag het is: vrijdag en de eerste dag van haar pensioen. Ze heeft daar met gemengde gevoelens naar uitgekeken. Ze is nu eenmaal een oude vrijster die haar leven lang een toewijd medewerkster was. Haar dagen waren gevuld met arbeid. Niet alleen betaald werk maar ook nog vrijwilligerswerk en natuurlijk haar huishouden. Het gaat te ver om te zeggen dat ze leefde  voor haar werk maar toch, veel scheelde het niet. Nu moet een groot deel van de dagen op een andere manier gevuld worden. Dat zag ze als een groot probleem maar nu niet meer. Morgen mag ze haar hond ophalen en ze kijkt er naar uit. Een lieverd vertroetelen en verzorgen zal haar dagen tenminste voor een deel vullen.

Ze heeft een uitgesproken voorkeur voor een kleine hond. Die neem je makkelijk mee, je hoeft er geen uren mee te lopen en ze vreten de oren niet van je kop. In de voorgaande weken heeft ze alle advertenties uitgeplozen en gelukkig was er een nestje met chihuahua’s. De mevrouw die de hondjes te koop heeft staan, was wat aarzelend. Er was nog één hondje beschikbaar maar het was de underdog van het nest. Hij was kleiner dan zijn broertjes en zusjes en ze wist niet eens zeker of hij het wel zou halen. Hij kreeg een speciale behandeling omdat het gevaar niet denkbeeldig was dat de andere hondjes in het nest hem, al of niet per ongeluk, om het leven zouden helpen. Toen onze oude vrijster dat hoorde was ze eigenlijk al verkocht. Wat is er mooier dan opkomen voor de zwakke en recht doen aan de verstotene? Ze mocht komen kijken en prompt was haar keuze definitief. Het hondje was niet groter dan een flinke cavia. Volgens de verkopende partij wordt hij nog wel wat groter maar het blijft een kleintje. Hij wordt apart gehouden, krijgt de fles en eenmaal per dag mag hij, onder oplettende bewaking, met zijn broertjes en zusjes spelen. Daar probeert hij wel zijn mannetje te staan maar de pech is zijn geringe figuur. Dan kan je keffen, bijten en grommen als een grote, je legt het toch af. In gedachten weet de vrijster al een naam voor deze verschoppeling. Wodan zal hij heten. Dat past bij een klein hondje met een groot en moedig hart.

Zodra Wodan in huis is, wordt er een afspraak gemaakt bij de dierenarts. Hij krijgt de nog ontbrekende entingen en met zorg wordt er een chip in zijn nekje gezet. Het gaat niet zonder slag of stoot. Wodan bijt letterlijk van zich af zodat de assistente, met dikke handschoenen, het hondje moet fixeren op de behandeltafel. Met enige twijfel in zijn stem vraagt de arts of hij Wodan ook moet castreren. Nee, dat wil ze niet en de arts is daar gelukkig mee. Hoe verdoof en behandel zo’n klein mormel? Voor je het weet blijft hij er in.

Wodan blijkt een baasje waar ze mee om moet leren gaan. Zodra hij eten krijgt, zet ze hem in het halletje en doet de deur dicht. Dan maakt ze het bakje met eten klaar en zet dat op zijn voermatje. Al die tijd keft Wodan als een bezetene en de deur is nog niet open of Wodan schrokt zijn maaltijd al naar binnen. Ze waagt het niet om daarna in de buurt te komen. Grommend en met opgetrokken lipjes is de boodschap duidelijk: mijn voer en waag het eens!!
Drie maal per dag laat ze hem uit. Hij huppelt vrolijk mee naar het grasveldje, doet wat er gedaan moet worden en gaat dan zitten omdat hij het vertikt dat hele eind terug te lopen. Ze draagt hem dus naar huis en dat is net zo gewoon geworden als ’s morgens thee zetten. Het voorgenomen vertroetelen is aan regels onderhevig. Zijn regels en als goedwillende vertroetelaar heb je je daar dan maar aan te houden.
Wodan zit bij haar op de bank, slaapt bij haar in bed en gaat altijd overal mee naar toe. Ook dat is niet helemaal een vrijwillige keuze van haar geweest. De eerste keer dat ze hem een kwartiertje alleen liet, huilde hij zo hartverscheurend dat ze bang was dat de buren zouden komen klagen. Ze heeft een reiskooitje gekocht en dat met de gordel op de achterbank van de auto gezet. Niet dat het veel zin heeft. Wodan prefereert het dekentje naast de kooi en ze vindt het best. Hij is rustig en stil en dat is ook wat waard. Toch is ze, ondanks deze en nog wat onhebbelijkheden, blij met haar hondje. Ze kletst de hele dag tegen hem en zelfs zo veel dat ze af en toe moe van zichzelf wordt.

Natuurlijk moet er tussendoor even reclame gemaakt worden voor mijn boek. Nu is dat wel een goed moment, denk ik. Klik op de link en ontdek een meesterwerk.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

Het is een mooie herfstdag. Ze besluit een stukje langs het strand te gaan lopen. Wodan kan dan, als hij niet wil lopen, in de zak van haar winterjas. Dat doet ze vaker en tot nu toe gaat dat zonder problemen.
De automobilist die de tussen de duinen liggende zeeweg opdraait, kijkt niet goed uit. Ze remt uit alle macht maar de klap is er toch. Ze controleert of ze zelf lichamelijk ongeschonden is en stapt dan uit. Ook de tegenpartij is heelhuids uitgestapt en ruiterlijk erkent hij direct zijn schuld. De schade valt op het eerste oog nog mee dus ze besluiten het zonder politie af te handelen. De verzekeringen mogen het uit gaan zoeken. Ze loopt naar de auto om de papieren te pakken en ziet dan tot haar schrik dat ze deur open heeft laten staan. De schrik slaat haar om het hart: Wodan! Een duik in de auto leert haar dat er geen Wodan is. Vertwijfelt kijkt ze om zich heen.
‘Wodan! Wodan,’ roept ze, maar het is tevergeefs.
‘Is uw hond weg?’ vraagt de man.
‘Ja,’ zegt ze met een angstige en bezorgde stem.
‘Nou, een beetje hond zie je hier niet zo snel over het hoofd. Wodan heet hij? Ik zal eens even roepen.’
‘Het is inderdaad een beetje hond.’ zegt ze, ‘Hij is ongeveer zo groot.’
De afstand die ze tussen haar handen laat zien wordt door de man geschat op 25 cm. Dat dit te veel is, is een fout die meer mannen maken.
‘Wodan! Wodan!’ roepen ze samen maar de hond is weg en blijft weg.
De man laat blijken die dag meer te doen te hebben en na het invullen van de papieren blijft zij alleen achter. Hoe ze ook zoekt en roept, Wodan is spoorloos verdwenen. Blijkbaar kan mijnheer toch verder lopen dan hij altijd aangaf. Met een bezwaard gemoed rijdt ze naar huis. ’s Avonds stelt ze een advertentie op en noteert het adres van het politiebureau.

Het eerste wat ze de volgende morgen doet is teruggaan naar de plek waar Wodan is verdwenen. Ze struint door de duinen, roept zijn naam en zoekt en zoekt. Het resultaat is er niet dus ze besluit om eerst de advertentie te gaan plaatsen, daarna naar de garage voor een afspraak en ten slot naar het politiebureau. Als dat allemaal achter de rug is kan ze weer gaan zoeken.
Ze staat net op een parkeerplaats voor het politiebureau als haar telefoon gaat. In het display een lang en onbekend nummer. Ze neemt op.
‘Goedemiddag, met Philippe van de Belgische vogelwacht. Mist u toevallig een blauwe kiekendief? Een vrouwtje?’
‘Hè? Wat moet ik missen? Een blauwe kiekendief? Wat is dat?’
‘Een roofvogel.’
‘Ik heb geen roofvogel. Hoe komt u daar nu bij?’
‘Wij hebben deze vogel vanmorgen gevonden. Hij was tegen een wiek van een windmolen aangevlogen en we hebben in het kadaver een chip ontdekt. Bij navraag blijkt uw naam daar bij te horen. Noemde u de vogel Wodan?’
‘Ik heb een hondje die Wodan heet maar die is gisteren weggelopen.’
Het is even stil aan de andere kant. Dan vraagt Philippe voorzichtig:
‘Was het een klein hondje?’
‘Ja. Een kleine chihuahua…’
In de stilte die volgt, zinkt bij beiden de waarheid zachtjes in.
‘Dan ben ik bang dat….’
‘Ja, dat denk ik ook….’

Thuisgekomen ploft ze op de bank en staart naar het voerbakje van Wodan. Ze voelt zich verdrietig en huilt. Wat een rotmanier om aan je einde te komen. Zo wreed. Zo natuurlijk, dat ook, maar vooral wreed.
Er komt een andere hond. Dat weet ze zeker. Groter dan Wodan en ze gaat er mee naar de hondenschool. Deze wijsheid heeft de grote bek op pootjes haar als erfenis nagelaten.

©peter gortworst / april 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Seizoenen

Mijn hele leven heb ik het aardig gevonden om op de eerste dag van de lente mijn verjaardag te vieren. Toevalligerwijs ben ik ook op die dag geboren dus dat kwam mooi uit. Nu heb ik net mijn zevende kroonjaar gevierd en, naar men zegt, ben ik nu begonnen aan de herfst van mijn leven. Daar ben ik het ten dele mee eens en zal proberen het jullie uit te leggen.

De namen van de seizoen worden, normaal gesproken, gegeven aan bepaalde tijdvakken in het jaar. Zo heeft men de periode van nieuw ontluikend leven, langer en warmer wordende dagen, vogels die terugkeren uit hun overwinteringsgebieden en opvallend veel ontluikende liefdes tussen mensen met allerhande mooie gedachten over voortplanting, de lente genoemd.

In een mensenleven is de lente de tijd van je jeugd. Je bloeit op in de richting van een volwassen mens. Dat is met jeugdpuistjes, haargroei op blijkbaar niet wenselijke plaatsen, andere stem, menstruatie en ontwikkelende geslachtsorganen niet alleen iets lichamelijks. Ook de geestelijke ontwikkeling is aan verandering onderhevig. Door scholing maar ook via sociale contacten wordt je geacht verstandiger te worden. Je leert nadenken, afwegingen te maken en je meet oordelen en principes aan. Deze geestelijke ontwikkeling is echter niet afgelopen op het moment dat de lente haar einde nadert. Gelukkig niet. De mens is in staat om zich te blijven ontwikkelen. Of hij dat doet is de vraag en dat het hier soms mis gaat is een treurig gegeven.

Na de lente komt de zomer. In een mensentijd zou dat dus de periode moeten zijn van een volwassene. Zie jezelf als een boom. Je bied door je bladerdak beschutting, je zorgt voor nageslacht in de vorm van vruchten, kastanjes, eikels of beukennootjes, je breekt de stormwind, op jouw takken draag je de nesten van vogels en jouw bladeren zetten CO2 om in zuurstof. Je bent een volwaardig lid van de natuur maar je kan het ook de maatschappij noemen.

En dan komt de herfst. De tijd van aftakeling, steeds minder kunnen, grijze haren of helemaal geen haren meer, kreunen als je moet bukken, zwaartekracht die het wint van je spieren, lichamelijk pijntjes en ongemakken, kleinkinderen die je betrappen op weer een verhaal van vroeger, veel dingen gaan te snel, de tijd van weleer komt steeds vaker in je gedachten, het elan ebt wat weg en mensen gaan je helpen als er een iets te hoog afstapje is.

En nu? Winter? Is dat de tijd dat je dood bent? Is dat de tijd voor je geboren was omdat de lente na de winter komt? Ik weet het niet.
Wat ik wel weet is dat de winter er zomaar kan zijn. Er gaat vaak niet eens een herfst aan vooraf. Dit gebeurt niet in wat wij de jaargetijden of de seizoenen van het leven noemen, maar gewoon, elke dag. Zo zit je met je blote bast in de zon te genieten en het volgende moment is de winter daar. Daar gaan geen maanden overheen. Het kan in een week en zelfs in een dag of een uur gebeuren. Het is plotseling koud om je heen. Je voelt je een door iedereen verlaten mens in een onherbergzaam poollandschap. Niets anders dan een striemende koude wind en ijsberen op de weg als je die al kan vinden. Het is niet de stand van de aarde ten opzichte van de zon die deze winters veroorzaakt. Het zijn dingen als de dood van je man, vrouw of kind. Het is de diagnose van kanker, de scheiding, het verlies van je baan, verkeersongeluk, dementie of een beroerte. Op dat soort momenten is de verwachting van de lente ver weg. Natuurlijk weet je dat de komst van de lente onvermijdelijk is. Het kan alleen zo vreselijk lang duren. Niet voor niets bestaan er uitdrukkingen als ‘maart roert zijn staart’ en ‘april doet wat hij wil’. Zo eindeloos de tijd lijkt in januari en februari zo lang duurt de tijd voor je opstaat in dat poollandschap om op weg te gaan naar warmere oorden. De vraag is dan ook nog in hoeverre deze winter de lente beïnvloed. Het zal zelden zijn zoals het vroeger was.
Helaas zal er niet voor iedereen een nieuwe lente zijn. Ongeneeslijk ziek betekent dat er geen lente meer komt. Dan wordt de winter toch de tijd dat je dood bent en de enige hoop die dan rest is een uitgestoken hand van een mens die je bijstaat in dat barre poollandschap.

In mijn leven heb ik een aantal winters meegemaakt. Echte maar ook figuurlijke en nu ik aan de herfst van mijn leven begonnen ben, hoop ik alleen maar dat het een mooie periode wordt. Een tijd met prachtig gekleurde bomen die goudvlammen door de najaarszon in een bos waar het heerlijk ruikt en alles zich klaarmaakt voor de winter.

Ik ben benieuwd.

Mijn boek al gelezen?
Bestellen? Klik op de link.
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

©peter gortworst / mrt 2022
foto: National Geographic

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

De zanger in de nacht

Vraag mij nu niet waarom we het doen. Ik weet daar ook zo één, twee, drie geen antwoord op. We vliegen heen en weer en dat doen we al heel lang. Je moet daarbij niet denken aan jaren maar aan eeuwen. Er zijn er die menen dat het te maken heeft met een overblijfsel van de ijstijd, anderen denken dat de langere dagen in het noordelijk deel van deze wereld er iets mee van doen hebben, maar mij maakt het niet uit. Ik vlieg gewoon in het voorjaar naar het noorden en eind juli denk ik alweer aan de reis naar het zuiden. Stel dat ik het wel zou weten. Wat schiet ik daarmee op? Wijsheid is leuk maar het dagelijkse leven moet ook gewoon doorgaan, toch? Elke keer dat hele eind vliegen wordt er bovendien ook niet anders van.

Ach, ik heb mij nog niet voorgesteld. Welnu, voor de minder begaafde vogelaars ben ik een bv-tje. Dat is de afkorting voor een bruin vogeltje waar men de naam niet van weet. Voor de beter geschoolden ben ik een nachtegaal en ja, ik weet het: aan mij kleven vele legenden en amoureuze gedachten met net zo veel handelingen. Ik ga daar niets over zeggen behalve dan dat ik daar niets mee te maken heb. Ik zorg voor een nest, bevrucht mijn vrouw, help met broeden, zoek eten om mijn jongen te voeren en zing. Denk je nu werkelijk dat ik dan nog tijd heb voor al die onzinverhalen? Ik dacht het niet.

Ik ga altijd naar hetzelfde plekje terug. Ik ken het daar zodat ik niet voor verrassingen kom te staan. Het bos heeft geen hoge bomen en veel struikgewas. Op, ik zou bijna zeggen loopafstand, staat een kleine boerderij. Het is een onmogelijk ding. Vervallen, verveloos en een golfplaten dak. Toch wonen er mensen in. Twee oudjes die daar hun dagen slijten. Regelmatig komen er kleine kinderen die dan helpen in die prachtige moestuin. Ze bekijken het varken in haar kot en maken de geit, die aan een lang touw op een stuk land staat, het leven zuur. Dat zijn mooie momenten omdat kinderstemmen zo vrolijk klateren. Aan het einde van zo’n dag doe ik extra mijn best. Die twee oudjes weten dat. Vaak gaan ze, knus tegen elkaar aan, tijdens mijn zang op het bankje bij de moestuin zitten om van mijn kunstuitingen genieten.
Het is ook een beetje terugbetalen. Dankzij hun varken en geit zijn er genoeg insecten die ik kan eten en ik niet alleen. Ook mijn vrouw en kinderen genieten daar van mee. Nee, het leven in Sukha Balka is eenvoudig en goed.

Ik ben gisterenavond laat aangekomen en heb mij teruggetrokken in mijn favoriete struik. Ik was best wel moe. De nachtrust is echter van korte duur. Het rommelt in de verte. Eerst dacht ik dat het onweer was maar dat klopt niet. Het is een ander soort gerommel. Meer knallen dan die kenmerkende rollende donder van het onweer. Ik hoop niet dat het blijvend is. Het maakt mij wat onrustig en dat is niet goed voor een vogel die geacht wordt voor nageslacht te zorgen.
Wat mijn ongerustheid vele malen erger maakt is de toestand bij de boerderij. In de moestuin is nog geen slablaadje, radijsje of bonenplantje te ontdekken. Een vluchtige blik in het varkenskot leert mij dat er geen varken is en op het stuk land ligt wel een lang touw maar er staat geen geit. Alle deuren van het boerderijtje staan open en het vensterglas van de keuken is kapot. Dat was niet zo toen ik vorig jaar wegging.

Een stukje verderop woont de zwarte roodstaart en ik ben maar eens gaan buurten om te horen of hij wat meer weet. De boodschap geeft te denken. Niet zo heel lang geleden zijn de meeste bewoners van het dorp in een bus gestapt en weggereden. Zwijgzame mannen, huilende vrouwen met kinderen en allemaal hadden ze tassen en koffers bij zich. Waar ze naar toe zijn gegaan, wist hij niet. Wel hoopte hij dat ze terug zouden komen. Hij pikt zijn maaltijden namelijk het liefst uit kort gemaaid gras en wie gaat dat maaien als er niemand is? Ik bedenk met schrik dat ook mijn maaltijden onder druk komen te staan. Geen varken, geen moestuin en geen geit geeft behoorlijk wat minder insecten.
Het wordt een zware tijd. Dat weet ik nu al. Voor mijn zangkunsten zal er weinig gelegenheid zijn, maar wat maakt het uit? Mijn publiek is er toch niet.
Maar… Nee!
Zo moet ik niet denken. Ik ben niet voor niets een zanger. Zingen kan ik en zingen zal ik. Misschien tegen beter weten in maar als de muziek stopt is, net als met de liefde, alles snel voorbij. Ik moet zo luid zingen dat ik het gerommel in de verte overstem. Zo luid dat mijn twee oude mensjes het daar, waar ze ook zijn, kunnen beluisteren. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar dit bv-tje zal eens laten horen dat er met zijn stem verschil kan worden gemaakt. Wat zullen we alle mollen kruisen nog aan toe, nu hebben?
Toch hoop ik dat het snel voorbij is. Keelpastilles voor nachtegalen zijn nog niet uitgevonden.

© peter gortworst / mrt 2022

Wil je een heel boek van mij lezen? Bestel dan ‘Wraak kent geen winnaars’ via
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Slodderen

De dame op leeftijd die achter hem in de rij staat, ziet dat hij een brood, twee liter melk, een pot aardbeienjam en een pak Brinta op de band zet. Geduldig wacht ze tot hij heeft afgerekend. Als het haar beurt is om te betalen vraagt ze aan het meisje achter de kassa:
‘Was dat niet Wolmans? Die bekende schrijver?’
‘Ja,’ beaamt ze, ‘Hij komt hier zeker twee keer in de week.’
‘Goh, zo’n beroemde schrijver die gewoon boodschappen doet. Hoe nobel.’
Ze rekent snel af en haast zich naar buiten, kijkt snel links en rechts en ziet hem dan lopen. Zo snel als ze kan, volgt ze hem. Gelukkig loopt hij niet zo rap en dat is maar goed ook. De linkdoorn op haar rechtervoet speelt haar parten. Haar prooi stopt bij een rijtje huizen en gaat één van de woningen in. Als zij bij de deur komt, staat onder de bel op een bordje zijn naam. Ze onthoudt het nummer en gaat naar huis.

Hij heeft zijn warme maaltijd achter de kiezen en zet de vuile vaat in de machine. Vanavond gaat hij adressen zoeken van instellingen waar ze patiënten behandelen die lijden aan Korsakov. Zichzelf daar op laten sluiten leek hem bij nader inzien niet zo’n goed idee maar met de slachtoffers in gesprek gaan, kan misschien wel. Op dat moment gaat de bel en als hij de deur openmaakt, staat daar een dame op leeftijd. Het is een schril vogeltje. Ronduit mager, klein van stuk en twee priemende koolzwarte oogjes boven een neus die eruit ziet als een klein snaveltje.
‘Bent u mijnheer Wolmans?’ vraagt ze.
‘Ja, ja. Dat ben ik.’
‘Mooi. Ik ben Ans. Mag ik even binnenkomen?’
‘Ja, ja,’ maar voor hij vragen kan waarom dat nodig is, staat ze al in het halletje.
Het kan nog erger.
‘O, hier is de woonkamer. Laten we daar maar even gaan zitten.’

Hij volgt haar als een mak schaap en weet niet goed wat te doen. Ze heeft haar jas al uitgetrokken en gaat op zijn fauteuil zitten. Ze kijkt naar zijn schrijfhoek en zegt:
‘Gossie. Het voelt een beetje alsof ik in het heilige der heiligen zit. Hier is dus uw boek ontstaan. Wat fijn dat ik dit even kan zien.’
Onwillekeurig kijkt ook hij naar zijn schrijfhoek maar ziet er weinig heiligs aan. Wat hij ziet is een bureaustoel die vervangen moet worden omdat deze hem pijn in de rug geeft. Een werkblad met een uitgebeten bruine vlek omdat er een flinke scheut pikante paprikasaus op terecht is gekomen en een prullenbak die alweer geleegd moet worden.
‘Ja, ja. Wat kan ik voor u doen?’
‘Ik kom even praten over uw volgende boek,’ deelt ze hem monter mee, ‘En ik heb iets meegenomen waarover ik graag uw mening wil horen.’
‘Mijn volgende boek?’
‘Inderdaad. Ik neem aan dat u bezig bent een volgend boek te schrijven?’
Met haar priemoogjes kijkt ze hem zo indringend aan dat hij bijna letterlijk de prikjes kan voelen.
‘Ja, ja. Dat ben ik.’
‘Luister. Ga eerst eens zitten,’ commandeert ze hem.
Hij zet zich op het hoekje van de bank.
‘In je nieuwe boek moet je niet zo veel mensen laten vermoorden. Eentje. Meer is niet nodig. Dat reizen door Europa is ook nergens goed voor. Nederland is groot genoeg om daar een prachtige thriller over te schrijven en wat er helemaal niet in voor moet komen is overspel. Wij zijn op een leeftijd dat we niet meer als konijnen ‘het’ te pas en te onpas met elkaar doen, toch? Afgesproken?’
Haar toon is opvallend vertrouwelijk. Hij probeert haar, zo neutraal als mogelijk is, aan te kijken. In zijn hoofd flitsen de gedachten van links naar rechts en weer terug. Wat is dit voor mens?
‘Wie zwijgt, stemt toe,’ concludeert ze, ‘dan heb ik wat meegenomen.’
Uit haar tasje vist ze een schriftje. Ze slaat het open en begint voor te dragen.

Fladderend,
wapperend,
klapperend,
vliegend,
dartelend
en vlinderend,
sloddert met speels gemak
het citroentje
over het weide weiland
naar de lentekoningin.

Bijna triomfantelijk kijkt ze hem aan.
‘Nou? Wat is uw eerste reactie?’
‘Ja, ja…. uh….uh…. wat is slodderen?’
‘Een synoniem voor fladderen of wapperen.’
‘Oh. Ja, ja. Ik ben niet zo van de versjes…’
‘Versjes?! Dit is een gedicht!’
‘Ja, ja. En waar zit die lentekoningin? In het weiland?’
‘Dat mag u zelf invullen. Ik ben er een groot voorstander van dat de lezer zijn eigen fantasie gebruikt.’
‘Ja, ja. Dat ben ik ook.’
‘U maakt mij nieuwsgierig. Wat zou uw invulling zijn?’
‘Ik zou die koningin weglaten en de vlinder laten vangen door de eerste zwaluw. Die maakt weliswaar nog geen zomer maar heeft wel honger.’

Ze kijkt hem aan met ogen die zwarter dan zwart zijn.
‘U heeft een morbide inslag,’ zegt ze langzaam, ‘Ik verdoe hier mijn tijd. Ik had gehoopt dat wij het hier over de mooie dingen van het leven konden hebben. Over verstilling, warme gevoelens, liefde misschien, harmonie en vreedzaamheid.’
‘Ja, ja. Niet over moorden, enge ziektes, rouwprocessen, geweld, burenruzies, uitbuiting, vreemdelingenhaat, incest of armoede. Wel over slodderen en citroentjes? De mooie en minder mooie dingen van het leven? Neem mij niet kwalijk maar dit leven staat bol van jouw realiteit maar ook van de mijne. Rozengeur en maneschijn? Ja, ja. Lachwekkend als het niet zo treurig was.’
Ze zwijgt en gaat staan. Vinnig propt ze haar schriftje in de handtas, trekt haar jas aan en zegt:
‘Uw volgende boek koop ik beslist niet!’
Dan stevent ze de kamer uit en slaat de voordeur met een daverende klap dicht. Hij vraagt zich af waar dat kleine mensje die kracht vandaan haalt. Vanuit de erker kijkt hij haar na. Ze trekt een beetje met haar rechterbeen. Het zou mooi zijn als er nu een enorme adelaar dit slodderende vogeltje van de stoep zou plukken, denkt hij en het vult hem met vreedzame, harmonieuze en warme gevoelens.

Ja, ja.

© peter gortworst / feb. 2022

Helaas is het boek van deze Wolmans nergens te verkrijgen. Mijn boek gelukkig wel. Ga naar de website om het voor jezelf te bestellen of om het cadeau te doen.

http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

Research

Hij wil net zijn onderbroek uittrekken als hij hoort dat er iemand de deur van de keuken openmaakt.
‘Wie is daar!’ roept hij naar beneden.
‘Ik ben het!’ hoort hij zijn dochter roepen, ‘Ben je boven?’
‘Ja, ja. Ik wilde net onder de douche. Kom met een kwartiertje naar beneden.’
‘Zal ik alvast koffie zetten?’
‘Ja, ja. dat is lekker. Doe maar.’

Ze vult het koffieapparaat met koffie en water en omdat haar oude vader nu even niet op haar vingers kijkt, trekt ze deur van de koelkast open. Uit ervaring weet ze dat hij het niet zo nauw neemt met houdbaarheidsdata en een kleine controle kan daarom geen kwaad. Het eerste dat ze tegenkomt is een aangebroken verpakking met achterham. Een week over datum. Een aangebroken pot met kersenjam. Daar hoort geen groene schimmel op te zitten. In de groentelade vindt ze een struikje witlof wat verre van vers is. Ze gooit de ham, jam en witlof in de afvalbak en sopt de groentelade schoon. Het koffieapparaat pruttelt en ze zet twee mokken klaar.

Fris gewassen en monter stapt haar vader de trap af.
‘Ja, ja. Ik ruik de koffie al,’ zegt hij.
‘Hier of in de kamer?’ vraagt ze.
‘Laten we maar gezellig in de kamer gaan zitten. Lust je er een stroopwafel bij?’
‘Hoe oud zijn die?’
‘Ha! Ja, ja. Die heb ik eergisteren gekocht.’
‘Dan wil ik er wel eentje.’

Terwijl pa en dochter zich installeren in de kamer kan er wel even een kleine reclame tussendoor:

Ze zitten net als haar oog op het bureau valt. Niet zozeer het bureau zelf maar de muur ernaast. Het hangt vol met vellen papier waar iets op geschreven staat. Ze gaat staan om ze te bekijken.
‘Ho, ho!’ zegt haar vader, ‘Dat is geheim.’
‘Geheim? Wat voor geheim?’
‘Dat zijn aantekeningen voor mijn nieuwe boek.’
In de gauwigheid ziet ze een soort stamboom, een rijtje namen en iets dat op een hoofdstukkenlijst lijkt.
‘Je hebt net je boek klaar en je hebt er nog geen streep aan verdient!? Integendeel zelfs. Het heeft je tot nu toe alleen maar geld gekost. Wat denk je van die dozen met onverkochte boeken in de gang? Waarom zou je in hemelsnaam aan weer zo’n project beginnen?’
‘Omdat…. Ja, ja…. Omdat ik het zo leuk vind om te doen… Ik kreeg een goed idee, althans, dat dacht ik en ik ben begonnen om het op te schrijven. En toen werd het idee alleen maar leuker… Daarom… dus.’
Ze ploft op haar stoel en zonder iets te zeggen knabbelt ze aan de stroopwafel en drinkt haar koffie. Aarzelend vraagt hij haar:
‘Daar is toch niets mis mee?’
‘Nee, niet zolang ik je ’s nachts van de Noorder pier bij IJmuiden moet halen. Ik niet gebeld wordt door de mensen van je buurtsuper of je buurvrouw die zich zorgen over je maken. Ik je hier niet in een toestand van onsmakelijke verwaarlozing aantref en ik je niet naar een of ander regionaal radiostation hoef te rijden voor weer een interview. Als dat alles achterwege blijft zal ik er niets van zeggen.’
‘Ja ja….’
Hij drinkt zijn beker leeg en ze ziet aan hem dat er nog iets op zijn lever ligt.
‘Waar denk je aan?’ vraagt ze daarom.
‘Ja, ja. Weet jij iets van niet aangeboren hersenafwijkingen?’
‘Hè!?’
‘Je weet wel… beroertes, ongelukken, Korsakov en zo…’
‘Weinig tot niets. Je denkt toch niet dat jij….?’
‘Ja, ja. Nee, ik mankeer niets maar één van de hoofdpersonen in mijn boek wel. Ik weet er te weinig van af en er zal dus wat aan research gedaan moeten worden.’
‘Wat denk je van Google?’
‘Ja, ja. dat is niks. Ik moet echte verhalen hebben. Ik wil van de mensen die het zelf ervaren, horen hoe het is.’
‘Dus?’
‘Ik laat mij tijdelijk opnemen in een gesticht.’
Ze kan een kreun niet onderdrukken.
‘Doen pa!’ zegt ze dan op een toon die overloopt van sarcasme, ‘Doen, neem je pennen en schriftjes mee. We weten dan in ieder geval dat er voor je gezorgd wordt en niet geheel onbelangrijk: we weten dan ook waar je bent.’
‘Ja, ja.’

©.peter gortworst / feb. 2022

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Stalling

‘Weet je dat ik er eigenlijk niets van begrijp?’ zegt de geit.
‘Je begrijp wel vaker iets niet,’ mompelt de os, ‘Maar waar heb je het nu over?’
‘Over die lock-down. Ik snap niet dat we hier allemaal in de stal moeten blijven. Buiten in de frisse lucht is toch veel beter?’
Ze krijgt geen antwoord. De os heeft net zijn bek vol met vers opgeboerd voedsel en vindt het niet netjes om met volle bek te praten. De bok die achter in de stal in een apart hok staat te stinken, weet dat zijn doordachte theorieën op weerstand kunnen rekenen en heeft daar vandaag geen zin in. De schapen willen alleen maar dommig voor zich uitstaren. Het valt de geit daarom een beetje tegen. Zij houdt wel van wat levendigheid in de vorm van filosofische gesprekken of felle discussies.
‘Dat is weer zo’n vraag die alleen vrouwen kunnen verzinnen,’ verzucht de haan. Het floept er uit voor hij er erg in heeft en dat spijt hem onmiddellijk.
‘Pardon!? zegt de geit, ‘Wat bedoel jij daarmee?’
De haan vervloekt zijn lot. Altijd de voorste zijn en kakelen alsof hij geen prachtige kop heeft, hangt hem soms mijlenver de keel uit.
‘Niks. Laat maar,’ zegt hij in de stille hoop dat daarmee een verhitte discussie voorkomen wordt.
‘Niks geen laat maar!’ blaat de geit, ‘Dit soort opmerkingen laat ik niet over mijn kant gaan! Ik eis een verklaring. Wat bedoelde je met die opmerking?’
‘O dear,’ verzucht de haan, ‘Ben je soms weer rits?’
‘Nee,’ mekkert de bok, ‘Dat zou ik als eerste weten en geloof mij, dat is ze niet.’

De geit loopt rood aan. Zo veel onbeschaamd gepraat over haar vrouwzijn valt rauw op het dak. Ze draait zich om en met een vernietigende blik brengt ze de bok tot zwijgen.
‘Zullen we het nu even niet hebben over jouw “operatie”?
De bok draait zijn kop weg. Ze raakt hem op een gevoelig punt. Zijn verrukkelijke odeur is sindsdien grotendeels verdwenen en dat doet hem meer verdriet dan hij zeggen kan. De nutteloosheid van zijn bestaan grijpt hem regelmatig naar de keel en de nachten zijn dan lang en onrustig. Met de os die daar ook mee te maken heeft gekregen, voert hij dan fluisterend lange gesprekken. Gedeelde smart is nog altijd halve smart en bovendien verbroederd het.

De geit heeft zich herpakt.
‘Goed we staan hier allemaal als een stel makke schapen…’
‘O please. Wil je ons er alsjeblieft buiten laten?’ vraagt één van de schapen, ‘Wij zijn hier ook alleen maar omdat die hond het wilde.’
De geit zwijgt even en begint dan met gewijzigde tekst opnieuw:
‘We zijn hier allemaal, beslist niet jubelend van vreugde, samengekomen en we zullen het met elkaar uit moeten zien te houden. We hebben allemaal onze prikken gehad dus ik ga ervan uit dat we beschermd zijn. Het is hier alleen krap. De anderhalve meter afstand kunnen wij helaa…’
‘Ik vroeg toch net of je ons er niet in wilde betrekken?’ onderbreekt het schaap haar, ‘Wij houden er van om gezellig tegen elkaar aan te leunen. Lekker knus, gezellig, behaaglijk. We zijn niet allemaal zo contactgestoord als jij.’
‘Ik ben niet contactgestoord,’ bitst de geit. ‘Het gaat mij om ons aller gezondheid. Naar mijn mening moe…
‘Ze is rihist, ze is rihist, ze is rihist,’ sart de bok.
Geit wordt zo kwaad dat ze met haar kop vooruit het hek van bok’s onderkomen ramt. De klap was hard en even staat ze op vier poten duizelig te zijn. De haan kan het niet laten en zijn kakelende lach klinkt gemeen, vals en hard door de hele stal.
Dan wordt plotseling de staldeur open geschoven. De boer stapt naar binnen. Aan het leidsel voert hij een ezel. Zonder veel plichtplegingen parkeert hij het beest in de ruimte van de os en loopt weer naar buiten.

Even reclame. De beesten kuunen zich dan in alle rust op de ezel concentreren.

‘Zo hé!’ zegt de os, ‘Wat hebben we hier?
‘Ik ben Pilatus de Ezel.’
‘Pardon?’
‘Ik ben Pilatus de Ezel.’
‘Ja, dat had ik wel gehoord maar waarom niet gewoon ezel?’
‘Ik ben door de Romeinen opgevoed.’
‘Ja…?’
‘Dan krijg je een naam. Jullie hebben dat niet, begrijp ik? Tja, zo zie je maar. Verschil moet er zijn. Gewoon vee en medewerkers van de mensen. Mij is het wel duidelijk.’
Net als ze hem van repliek willen dienen komt de boer weer binnen. Hij draagt een paar koffers en achter hem aan komen een man en een vrouw. Een beetje bevreesd kijken ze naar al die beesten. De boer trekt een hooibaal uit elkaar, legt er een paar paardendekens op en de vrouw en de man gaan daarop zitten. Ze kletsen nog wat en dan gaat de boer weg.

‘Sjezus,’ zegt de geit tegen de os, ‘Die vrouw is hartstikke drachtig.’
‘Wie?
‘Die vrouw.’
‘Ja, dat zie ik ook wel maar wie is die Sjezus?’
‘Weet ik veel. Ik zei maar wat.’
‘Gelukkig. Ik was al bang dat ik nu ook een naam had. Hé ezel! Wat weet jij van die vrouw?’
‘Niks. Helemaal niks. Ik was mijn hoeven in onschuld.’
Ze kijken hem een beetje bevreemd aan. Ezels die hun hoeven wassen? Het zullen wel stadse of romeinse manieren zijn.
Op een samenzweerderige toon zegt de ezel dan:
‘Het zal mij niets verbazen als ze vannacht dat jong werpt.’
Ze horen het aan en weten niet wat ze ervan moeten denken. Als dat zo is geeft dat een hoop heisa. Ze hopen allemaal dat het morgen gaat gebeuren. Dan mogen ze misschien wel naar buiten als dit feest gaat beginnen.
‘Nou, laten we maar hopen op een stille nacht,’ mompelt de os.
Plotseling bemerkt de geit dat de beginnende onderlinge ruzie voorbij is. Ze houdt wijselijk haar bek. Voor de lieve vrede moet je soms wat overhebben.

© peter gortworst / dec. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

De goede gevers

In het buurthuis staat één biljarttafel en er zijn vijf spelers. Mannen op leeftijd die nog graag het spelletje spelen. Op deze koude, winterse woensdag zijn ze er allemaal. De pilsjes en de jonkies smaken best en het spel is voor de verandering ongewoon spannend. Teun en Gerard gaan in punten gelijk op en Harry zit er vlak achter. Het zal er om hangen wie het eerst de 100 haalt. Niemand rekent op Bert maar als deze een ongelofelijke serie van 26 maakt is het spel uit. Ze ploffen in een stoel en Bert moet het ontgelden.
‘Als ome Jaap die ballen niet zo mooi had neergelegd was het je nooit gelukt,’ meent Gerard.
Bert lacht een beetje schamper. Waarom zou een winnaar zich nog moeten bewijzen?

Ome Jaap is even naar het toilet geweest en als hij gaat zitten zegt hij:
‘Katrien was daar aan het schoonmaken.’
De anderen kijken hem vragend aan.
‘Ja? En?’
‘Nou…. Ik dacht zo…..Wat weten we eigenlijk van haar?’ vraagt ome Jaap.
‘Nou,’ zegt Harry, ‘Niet zo heel veel want ze praat amper Nederlands.’
‘Ze heet niet Katrien maar Katerina of Kati of Katrijn, zegt Gerard.
‘Waarom noemen we haar dan Katrien?’
Dat weet niemand.
‘Misschien omdat het makkelijker is,’ denkt Teun.
‘Ze komt uit Rusland en woont alleen met haar zoon,’ weet Bert.
‘Nee. Ze komt uit de Oekraïne en haar zoon zit bij mijn kleinzoon in de klas. Ze woont in één van die huisjes bij jou achter, Teun,’ zegt Gerard.
‘Oh? Daar? Dat zijn akelig kleine huisjes. Ze zijn van de gemeente. Sociale woninkjes. Als je daar woont heb je niet veel te makken,’ zegt Teun.
‘Dan zal ze wel een uitkering hebben,’ denkt ome Jaap, ‘Dat is geen vetpot.’
‘Maar voor dat schoonmaken hier. Krijgt ze daar dan geld voor of is dat vrijwilligerswerk?’
Ook dat weet niemand. Ze zwijgen en overdenken hoe Katrien het moet redden met haar zoon. Als de dagen kort en de nachten lang zijn met een winterse koude die je kleumend laat verlangen naar een warme zomerse dag, doet dat iets met mensen. En als dan ook nog de dagen voor kerst een geest oproepen van blijmoedige vrijgevigheid, is het niet verwonderlijk dat er in deze heren iets onbaatzuchtigs zijn opwachting maakt.   
Na een paar minuten zegt ome Jaap:
‘Kunnen we niet wat voor haar doen?’

Het is het startschot van een zee aan ideeën. Helaas weet geen van de vijf of ze een tuintje heeft wat ze op kunnen knappen, hoe het er bij haar in huis aan toe is, of er misschien behangen en geschilderd moet worden en of ze wel genoeg meubels heeft. Uiteindelijk is het idee van Bert nog het beste. Ze lappen de man 20 euro en gaan daar in de stad een formidabel kerstcadeau voor kopen. Een grote doos met allerlei levensmiddelen die ze gewoon gebruiken kan en natuurlijk ook wat luxe dingen. Die koop je immers niet als je arm bent. Bert en Teun zullen zich daar mee bezig houden. Als Harry zegt een mooi gedicht te schrijven wordt dat met algemene stemmen verworpen. Gedichten schrijf je met Sinterklaas en Katrien kan geen Nederlands lezen. Dat haar zoon dat wel kan, wordt even vergeten. Ook weldoeners hebben soms gebreken.

Ze zijn met de auto van Bert naar de stad gereden en lopen nu, gebroederlijk naast elkaar achter de winkelwagen. In de auto hebben ze al met elkaar gesproken over wat er beslist gekocht moet worden. Koffie staat op nummer 1 en suiker op 2. Die zijn snel gevonden. Teun heeft een rekenmachine meegenomen en telt alle bedragen bij elkaar op. Bij de vleesafdeling slaat de twijfel toe. Is Katrien een moslima? Zo ja, dan mag er geen varkensvlees gekocht worden. Ze nemen het zekere voor het onzekere en kopen twee biefstukjes van de haas. Mandarijnen en druiven zijn altijd goed. Een blok jong belegen kaas natuurlijk ook. Koekjes en chocolade zijn lekker en als Bert zich plotseling herinnert dat zijn vrouw zich regelmatig insmeert met een soort zalfje, staan de twee mannen voor een rek met een heleboel lotions en weet geen van beide wat te kiezen. Gelukkig helpt een goedlachse dame op leeftijd hen uit de brand.
‘We zijn bijna op de honderd euro,’ zegt Teun als Bert een blik met haring in tomatensaus heeft gepakt.
‘Hoeveel hebben we nog?’
‘Iets meer als twee euro.’
‘Dan gaan we naar de kassa.’

Even tijd voor een andere boodschap:

Voorbeeld van afbeelding

http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars

Ze leggen gezamenlijk alle boodschappen op de band. Teun meent dat er voor die twee euro nog wel een doosje met pepermuntjes en een Bounty bij kunnen en ook deze gaan mee.
‘Dat is dan honderd euro en vijf cent,’ meldt het meisje achter de kassa blijmoedig.
De heren kijken elkaar aan.
‘Heb jij nog vijf cent?’ vraagt Bert.
‘Nee, ik heb helemaal geen geld op zak.’
‘Ik ook niet,’ zegt Bert, ‘Ik heb alleen maar die briefjes van twintig mee.’
Hij wendt zich tot het meisje achter de kassa, legt de vijf briefjes voor haar neer en zegt:
‘Zo veel geld en jij maakt je druk om vijf centen?’
‘Anders klopt de kassa niet,’ is het weerwoord.
Nu bemoeit ook Teun zich er mee en als hij omstandig vertelt waarom ze voor precies honderd euro inkopen hebben gedaan, ontgaat hem het gemor dat langzaam opwelt uit de rij wachtenden achter hen. Het kassameisje is standvastig en als ze voorstelt om dan maar wat terug te leggen, is dat tegen het zere been van Bert. Het gaat verdorie maar om drie centen en omdat de grootgrutters een hekel aan centen hebben ronden ze dat af naar boven. Als er iets één hele cent minder had gekost, was het precies honderd euro geweest dus waar maakt zo’n meisje zich druk om? Is het werkelijk zo een ramp als bij het opmaken blijkt dat er drie centen missen? De standvastigheid van het meisje is van het onbuigzame soort. Het blijft honderd euro en vijf cent of er wordt wat van de band gehaald. De rij wachtenden is het zat.

‘Wat is het probleem?’ roept een vrouw die nog lang niet aan de beurt is.
‘Er ontbreken vijf centen!’ roept Teun verbolgen.
‘Die kan je van mij ook wel krijgen,’ roept de vrouw terug.
Het muntstukje gaat van hand tot hand naar voren om uiteindelijk met een kleine rinkel in de lade van de kassa te verdwijnen. Mopperend over zoveel onbegrip, onwil, onverschilligheid en nog wat andere ‘onnen’, verlaten de heren de winkel.

De kartonnen doos zit helemaal vol en is beplakt met kerstpapier. ‘Van de Kerstman’ heeft Teun er met viltstift nog opgeschreven. In het donker dragen ze deze naar het huisje van Katrien. Zachtjes, zonder geluid te maken zetten ze de doos voor de deur. Ze kijken elkaar aan en dan druk Bert op de bel. Ze rennen, zo goed en zo kwaad als dat nog gaat, weg. Niemand heeft hen gezien.

Woensdag wordt er, voordat er ook maar één bal gespeeld is, verslag gedaan. Het ‘vijfcentenverhaal’ wordt langdurig besproken want het is toch van de gekke dat dit zomaar kan? Ome Jaap, die vaak in Duitsland boodschappen doet, heeft altijd centen in zijn beurs en vertelt met zichtbaar genoegen dat hij meestal tot op de cent nauwkeurig betaalt. Natuurlijk niet als het naar beneden wordt afgerond maar als het drie of vier centen zijn, dan wel. Dat niet elke winkelier daar blij mee is, laat hem koud. Geld is geld.
Ze beginnen met een potje tien over rood en dan is daar plotseling Katrien. Ze loopt langs met een emmer en een zwabber en zegt vriendelijk gedag. Voor ze door de deur naar de toiletten loopt horen de mannen haar zachtjes zingen.
‘Engelengezang,’ zegt Harry.
Ome Jaap knikt. ‘Verdomd, nou je het zegt,’
‘Mooi!’ menen de anderen en met een blij gevoel dat alleen goede gevers kennen, tiktakken ze de ballen over het groene laken.

© peter gortworst / dec. 2021

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Nacht

voor een vriendin

Het is avond en een waterige zon daalt in het westen. Geen oranjerode wolken maar een grijze nevel die de zon als een kleine, lichte schijf toelaat om er te zijn. Alles komt tot rust. Een enkele vogel laat zich nog horen. De herder leidde de schapen naar hun kooi en de koeien hebben zich neergelegd. Het bos zwijgt en vanaf de graslanden bij de rivier stijgt een witte nevel op. In de stad zoekt de dakloze zich een slaapplaats en haasten mensen zich naar hun huizen waar anderen op hen wachten. De maan komt op. Geen volle maan en juist zo elke keer weer een symbool van verwachting of afscheid, van wat komen gaat, van wat niet meer is. In deze schemer zou alles tot rust moeten komen. Alles, maar niet voor die ene.

Grote vragen spoken door het hoofd. Hoe? Waarom? Hoe verder? Het maakt geen verschil of deze schemer iedereen verstilt. Zelfs een stralende zon midden op de dag, vermag deze diepe duisternis niet verdrijven. Zo geleidelijk de maan van het ene in het andere kwartier glijdt, zo onverwacht was deze overgang.

Alleen staan in het donker. Niemand meer naast je in bed. Niemand die thuis op je wacht. Niemand voor steun, voor raad en daad. Weg is het vertrouwde. Alles is nu anders en het wordt nooit meer als vroeger.

Zoals in de schemer de wereld haar kleur verliest, zo is ook het leven geworden. Grijs, grauw, zwart. Zwervende gedachten, weifelende krachten en een wankele geest. Wie zal dit mensenkind geleiden zoals eens de vader deed? Wie jaagt het monster onder het bed vandaan? Wie droogt de tranen? Wie laat ontdekken dat herinneringen niet alleen maar pijn kunnen geven?

Natuurlijk. De dood hoort bij het leven maar nu toch nog niet? Er waren nog zo veel plannen, vooruitzichten en mooie tijden die zouden komen. Die verdomde duisternis: je ziet geen hand meer voor de ogen! Wat koop je voor algemeenheden, goedbedoelde opmerkingen of raad? De mond lacht maar het hart huilt tot het moment dat je weer alleen bent. Daar waar eens ook die ander was. Daar waar je luidkeels en zonder rem je verdriet en wanhoop kan uiten. Daar waar je naar antwoorden zoekt op duizend vragen. Daar waar je langzaam leert dat het ochtendgloren er is voor hen die de nacht hebben doorstaan.

peter gortworst / nov 2021

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , | 2 reacties

Blauwe pruimen

‘Zo m’neer Molenaar? U lust graag pruim’n?’ vraagt zijn hulp. Ze wijst naar de twee bakjes met mooie, grote blauwe pruimen terwijl ze aanrecht schoon maakt.
‘Nee,’ zegt hij, ‘Ik heb ze gekocht om weg te geven. Als ik ze eet, zit ik hele dagen op de wc.’
‘U hept ze gekocht voor uw kleinkinder’n? Dà vint-ik lief,’
‘Nou,’ zegt hij aarzelend, ‘Wel voor kinderen maar niet voor mijn kleinkinderen.’
Ze kijkt hem niet-begrijpend aan en besluit niet verder te vragen. Het zijn per slot van rekening haar zaken niet.
Na een half uurtje is ze klaar.
‘Ik hep ’t bed schoon opgemaakt, de was hangt te drogen en de zak van de stofzuiger is ook weer leeg. Heppu nog wat nodig?’
‘Nee, het is goed zo. Je wordt bedankt.’
‘Ja, ’t is goe.’
Ze trekt haar jas aan en gaat. Hij nestelt zich in zijn stoel om zich te verheugen op het vanavond naar bed gaan. Schone lakens en een kussensloop dat weer lekker ruikt.

Aan het eind van de middag schilt hij twee aardappelen, maakt een half zakje met spruitjes schoon en legt een speklapje in de koekenpan. Geduldig wacht hij tot alles gekookt en gebakken is en zet zich dan aan de eettafel. Als alles op is, verhuist de vuile vaat naar het aanrecht en pakt hij de twee bakjes met pruimen. Uit de wandkast haalt hij een houten kistje met naaispullen. Door het oog van een lange naald priegelt hij het uiteinde van een draad zwart ijzergaren en steekt dan de naald door de lengte van een pruim. Aan de onderkant maakt hij een zo groot mogelijke knoop en aan de bovenkant knipt hij de draad op ongeveer 15 cm af. Op tafel liggen 19 pruimen met een draadje. Eentje heeft hij zelf opgegeten. Dat was de zachtste en met één pruim zal de gang naar het toilet wel beperkt blijven. Tevreden bekijkt hij zijn arbeid en gaat dan naar bed.

Terwijl hij slaapt kan er best even een reclame tussendoor:

Het is woensdagmorgen en hij is een uur bezig met zijn vaste ochtendritueel: opstaan, zijn oefeningen doen, wassen en eten. Dan doet hij de pruimen in een vergiet en loopt de tuin in. Stuk voor stuk hangt hij de pruimen in zijn pruimenboompje en bekijkt van een afstandje het resultaat. Het ziet er helemaal echt uit.

Om twaalf uur sluit hij het gordijn maar laat een kiertje open. Hij zet zijn stoel voor die kier en wacht.
Er landt een ekster in het boompje. Met hakkende bewegingen doet hij zich tegoed aan een pruim. Hij ziet het aan en bedenkt dat dit weliswaar niet de bedoeling is maar alla, die vogel moet toch ook eten. De vogel schrikt van iets en vliegt weg en dan gebeurt waar hij op gewacht heeft. Achter in de coniferenhaag waar een smalle opening is, verschijnt een gezicht van een jongen. Het gezicht tuurt door de tuin en naar het huis en verdwijnt dan. Een nieuw gezicht, ditmaal van een donkere jongen, komt tevoorschijn. Dan stappen beiden door de opening de tuin in. Ze sluipen met hoog opgetrokken voeten richting pruimenboom. Wat een waanzin, denkt hij. Wie zal hen horen lopen? Bijna tegelijkertijd trekken ze een pruim uit de boom. Hij ziet ze kijken naar de vruchten. De donkere jongen trekt het draadje uit de pruim en laat dit aan de ander zien. Het is duidelijk dat ze aan het overleggen zijn. Pruimen hangen aan steeltjes. Niet aan ijzergaren. Wat ze helemaal niet op lijkt te vallen is dat de pruimen die nog wel aan een steeltje hangen, geel van kleur zijn. Die zijn ook niet zo groot dus misschien denken deze snoodaards dat ze nog niet rijp zijn. Ze vertrekken ieder met een enkele pruim.

Hij heeft er met plezier naar gekeken. Vroeger deed hij hetzelfde. In de tuin van het hoekhuis op de Heerengracht en de Hoopsteeg stond een perenboom. Elk najaar sloop hij die tuin in en jatte een maaltje stoofperen uit die boom. Zijn moeder vroeg nooit hoe hij aan die peren kwam maar weten deed ze het wel. Het bleef ook vaak niet bij die ene keer. Als de week daarop er nog peren in die boom hingen, werd er een nieuwe diefstal gepleegd.

Hoezeer de tijden ook veranderd zijn, dit is gebleven. Het doet hem genoegen om te constateren dar er nog altijd kwajongens zijn die fruit stelen. Soms gaat het niet goed. Ze worden gesnapt of ze krijgen vreselijke buikpijn van nog onrijpe appels of peren. Het hoort er bij. Het enige wat veranderd is, zijn de klappen voor je kop als je betrapt werd. Een vuurrood oor was altijd lastig uit te leggen aan je ouders. Vandaag schijnt zoiets niet meer te mogen en dat is best jammer.

Hij blijft zitten en wacht. Het duurt maar even en dan zijn ze terug. De donkere jongen draagt een plastic tas. Zo snel als ze kunnen plukken ze de overgebleven blauwe pruimen. Even lokt de verleiding om het gordijn open te schuiven om hen te laten schrikken. Dan zal hij ook moeten vertellen dat ze de vruchten best mogen plukken en dat bederft dan weer hun plezier in de rooftocht. Als het mag is er immers niks meer aan? Hij wacht daarom tot ze door de heg gekropen zijn. Met zo veel mogelijk herrie gooit hij de deur open en moppert zo hard dat ze het wel moeten horen:
‘Potverdorie! Rotjongens! M’n pruimen zijn weg!’ en met een brede grijns sluit hij weer de deur.

© peter gortworst / nov. 2021

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 2 reacties