Adoratie

Hij is bang dat er dit jaar niet op winst gerekend kan worden. Zijn zege van vorig jaar wordt, door de vrijheidsbeperkingen die nu gelden, vast niet geprolongeerd. Eigenlijk wel jammer. Hij had graag nog een keer gewonnen maar tegen een vrijbuiter als zijn zoon kan hij niet op. In de eerste plaats heeft hij een beroep waarbij ‘buiten zijn’ behoort tot zijn vak en in de tweede plaats woont hij in een stad die notabene ook nog in een vogelrijk gebied ligt. Misschien dat hij het wint met een boerenzwaluw maar dat telt niet. De eerste gierzwaluw zien. Dàt telt. Jaren achtereen wint die dekselse jongen het. Tot vorig jaar. Toen mocht hij het verlossende berichtje sturen en er met de zege vandoor gaan. Er zit niets aan vast. Het gaat gewoon om de eer maar ook die kan zwaar wegen.

Het is al twee dagen heerlijk voorjaarsweer. Dat is gunstig omdat juist dit soort dagen de kans aanmerkelijk vergroten. Hoe weten die zwaluwen dat het hier zo warm en zonnig is en er dus voldoende voedsel door de lucht vliegt? Hebben ze een ingebouwde weerradar die elke radar van een meteorologische dienst overtreft en die ze zegt dat het daar nu goed toeven is? Hij weet het niet.  Dat is niet erg omdat er zo veel is van deze vogel wat men nog niet weet. Het is niet voor niets dat veel vogelliefhebbers de gierzwaluw als ‘hun’ vogel beschouwen. Razendsnel, mysterieus en altijd in de lucht. Een beestje wat nog immer niet alleen tot zijn verbeelding spreekt maar voor hem wel herinneringen oproept uit het verleden.

Als jonge knul was hij lid van een natuurclub. Toen heeft hij ze allemaal leren kennen. De huis-, de boeren-, de gier- en de oeverzwaluw. Allemaal zomergasten maar geen van deze kan het zomerse gevoel zo oproepen als de gierzwaluw. De zomeravonden in de tuin of op een terrasje in de stad en dan een krijsend groepje gierzwaluwen hoog in de lucht of cirkelend rond de toren. Vliegende sikkeltjes die elke keer een gevoel van sensatie geven. En elk jaar, wanneer deze vogel plotseling, van de ene op de andere dag, ergens in augustus verdwenen is, vult het hem met weemoed en een vreemd soort verlangen.

Lang was de huiszwaluw zijn favoriete vogel. Dat kwam voornamelijk omdat er elk jaar in de lange dorpsstraat de nesten werden geteld. Kunstig gemetselde halve bollen onder goten of overhangende daken. Dat was leuk werk. De bewoners van al die vrijstaande huizen wisten dat ze eenmaal per jaar langskwamen om het aantal nesten van de huiszwaluw te tellen. Enkelen waren zo trots als een pauw als er meer nesten gemaakt waren dan het jaar daarvoor. Nu hij er over nadenkt, vraagt hij zich af wat er met al die gegevens is gedaan. Waarschijnlijk verloren gegaan in de brei van onderzoeksresultaten. Gegevens die onontbeerlijk zijn om te kunnen zien hoe het deze zwaluw vergaat en bij toe of afname naar mogelijke oorzaken te zoeken. Gegevens die verzamelt worden door amateurs. Vrijwilligers die uit pure liefde voor deze beestjes belangeloos hun tijd en kunde in dienst stellen van tal van projecten. Zonder hen is er geen gedegen onderzoek mogelijk maar wat er uit zijn gegevens toen is gedistilleerd, weet hij niet.

De gierzwaluw was er toen natuurlijk ook maar waar waren de nesten? Onbekend maakt onbemind tot er iemand komt die je vertelt hoe mysterieus dit vogeltje is. Die met feitjes komt en je laat inzien dat het een bijzonder diertje is. Dan ga je met andere ogen kijken en wil je meer weten. Inmiddels weet hij meer. Veel meer zelfs maar toch blijven er raadsels die wellicht in de toekomst opgelost worden. Wat blijft zijn de herinneringen aan de avondvluchten die deze vogels maken en hem terugbrengen naar de tuin van zijn ouderlijk huis. Liggend op zijn rug volgt hij ze als ze hoog in de lucht rondcirkelen. Hij telt er vijf en plotseling zijn het er zeven. Even later vier. Waar blijven ze zo snel en waar komen die anderen zo plotseling vandaan? Herinneringen aan warme zomeravonden met achter elkaar aan jagende en krijsende gierzwaluwen. Met onvoorstelbare snelheid scheren ze tussen de daken en straten door. Een beeld dat hoort bij de zomer.

En nu? Hij zit op zijn terras. De zon schijnt, de lucht is strak blauw en het is warm. Hij luistert en kijkt voortdurend omhoog. Als ze er zijn, kan hij ze niet missen.
Dan geeft zijn mobieltje een seintje. Een appje van zijn zoon. ‘Drie stuks gezien en gehoord boven de stad. Heb ik gewonnen?’
Met een gevoel van jammer appt hij hem een felicitatie terug. Welgemeend want de gezamenlijke adoratie is dat wat werkelijk telt.

 

© peter gortworst / apr. 2020

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 1 reactie

Een sprookje

Er was eens een land, niet zo heel ver hier vandaan, waar mensen wonen die trots en zeer temperamentvol zijn. Het land wordt geleidt door een koning die daar een niet te benijden baan aan heeft. In zijn wapen staat de spreuk: ‘Wat niet kan heeft nog nooit gekund’ en al zijn onderdanen houden hem daaraan. Er gaat geen raadsvergadering voorbij zonder dat er met stemverheffing en vuistslagen op tafels, wordt gesproken maar het mooie is dat men zo tot prachtige besluiten komt die het land ten goede komen. De koning heeft het niet alleen voor het zeggen maar zijn raadslieden ook niet. Hun beider trots wordt vaak geweld aangedaan maar de redelijkheid wint het en de eigen trots zet men dan opzij. Het maakt plaats voor een gezamenlijke trots en dat is mooi. Alle inwoners zijn dan ook zeer tevreden met hun koning, het land en elkaar.

In dat land woont een mooie jongen die hevig verliefd is op een engel. Ze is niet een echte engel maar hij weet zeker te weten van wel. Gelukkig laat ze zich dat graag aanleunen. Ze weet best dat haar neus te groot is en een beetje scheef staat maar dat ziet hij niet. Net zo min ziet hij dat haar ene borst een beetje groter is dan de andere en bovendien ook nog hangt. De mooie jongen maakt haar mooier dan zij is. Daar is alle ruimte voor en dit verschijnsel zie je wel vaker bij mensen die verliefd zijn.

Op een dag vraagt hij haar ten huwelijk en zegt zij ‘ja’. Ze vragen de koning om toestemming en als deze positief gereageerd heeft, vieren ze hun bruiloft op bescheiden wijze. Ze gaan in een klein huisje wonen. Hij zorgt goed voor haar en zij voor hem. Samen zorgen ze voor de kippetjes, de konijnen en de geit. Het duurt niet lang voordat er een klein meisje wordt geboren. Ze noemen haar Melek en hoe klein ze dan ook mag zijn, ze is temperamentvol en trots. Als haar moeder haar de borst geeft maar ze wil niet meer, dan gooit ze haar hoofd in haar nek en schudt met de weinige zwarte haren die ze heeft. De vroedvrouw heeft dit nog nooit bij een kind gezien maar ze is van mening dat het geen kwaad kan. Ze is er stiekem zelfs blij mee. Dit is een echte inwoner van het land en ze laat de nieuwbakken vader en moeder weten dat ze trots mogen zijn op dit kind.

Melek groeit voorspoedig op maar niet zonder gebruiksaanwijzing. Haar iets verbieden gaat niet zonder te vertellen waarom iets niet mag. Ook doet ze niet zomaar iets wat haar vader of moeder vraagt. Voor ze het weten gooit ze haar hoofd in haar nek en schudt ze met de inmiddels lange zwarte haren. Voor wie haar niet kent is dat soms een onaangenaam gebeuren. Voor haar ouders niet. Die weten inmiddels niet beter.
Ze is verstandig en slim. Wie, zoals zij, veel vraagt, krijgt vele antwoorden en daar doet ze haar voordeel mee. Het is niet verwonderlijk dat ze gaat studeren en daar ontmoet zij een jongen waarmee ze het aardig kan vinden. Toen hij een keer, in alle onwetendheid, haar opdracht gaf een pizza te gaan halen omdat hij honger had, gooide ze haar hoofd in haar nek en schudde met haar lange zwarte haren. Vanaf dat moment wist hij.

Het stadium van elkaar aardig vinden zijn ze voorbij. Melek heeft al vaak gevraagd wie en hoe zijn ouders zijn maar daarover heeft hij nooit iets gezegd. Dat vindt ze raar want over haar ouders vertelt ze alles. En nu? Ze willen naar elkaars ouders om de ander voor te stellen maar nog immer zegt hij niets over de zijne.
‘Je zal het wel zien, ’ heeft hij haar vertelt en dat zint haar allerminst.
‘Weten ze wel dat ik besta?’
‘Ja, en ze willen je graag ontmoeten. Zullen we morgen gaan?’

Ze stappen op de fiets en komen bij een monumentaal gebouw. Het is duidelijk de achterkant van iets groots. Bij een geopende poort staat een bestelbus van een groenteboer. Kisten met verschillende soorten groente en een grote zak met aardappelen worden naar binnen gereden. Hij stapt af en zegt:
‘Kom en je kan beter je fiets meenemen. Voor je het weet is dat ding gejat.’
Via iets wat duidelijk een magazijn is, komen ze op een binnenplaats. Daar zet hij zijn fiets tegen de zijkant van een grote witte marmeren trap.
‘Waar zijn we?’ vraagt ze.
‘Bij de achterkant van het paleis,’ zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht.
Ze weet even niet wat ze moet denken en al helemaal niet wat ze moet zeggen. Hij ziet haar vertwijfeling en als hij zijn armen om haar heen slaat zegt hij:
‘Ik ben, wat jullie noemen, de jonge prins. Mijn opa is de koning.’

De koning en zijn zoon zijn in hun nopjes met dit meisje waarmee de jonge prins is thuisgekomen. Ze mogen haar zo graag dat ze haar af en toe plagen. Zo kan het gebeuren dat de koning haar zegt dat ze meer spruitjes moet eten en dan lachen ze als ze haar hoofd in haar nek gooit en met haar lange zwarte haren schudt. Eerst werd ze daarom alleen maar boos maar nu kan ze er ook om lachen. Niet van harte maar toch.

Met alle pracht en praal die een koninklijk huwelijk nu eenmaal met zich meebrengt zijn ze getrouwd. Ze voelt zich als prinses helemaal op haar gemak. Haar schoonvader heeft besloten dat zij de raadsvergadering bij mag wonen en haar verfrissende ideeën zijn een verademing voor dit college van oude gedienden. De koning waardeert haar als geen ander en als hij het besluit moet nemen om wel of niet af te treden en haar schoonvader koning te laten worden, vraagt hij haar om raad.
‘Ik zou het doen,’ heeft ze gezegd, ‘Dan heb je tijd om met je achterkleinkind te spelen.’
De koning kijkt haar verbluft aan.
‘Ben je zwanger?’
Als ze dat, met een glimlach op haar gezicht, bevestigd, neemt hij haar in zijn armen.
‘Wat fijn! Maar pas op! Je moet nu wel voorzichtig met jezelf zijn!’
Ze gooit prompt haar hoofd in haar nek en schudt met haar lange zwarte haren. Samen moeten ze er om lachen.

‘Nu persen!’ commandeert de vroedvrouw en voor het eerst in haar leven gooit ze niet haar hoofd in haar nek en schudt ze niet met haar lange zwarte haren. De pijn is nauwelijks te dragen en ze vervloekt iedereen die in deze paleiskamer bij haar bed staat. Dan is plotseling het kind daar. Trots houdt de vroedvrouw haar omhoog.
‘Kijk eens,’ zegt ze, ‘Het is een meisje!’
‘Layla. Layla zal ze heten,’ zegt de moeder.
Als de vroedvrouw het kind op de borst van de moeder wil leggen ziet zij dat er iets niet goed is. De moeder bloedt heviger dan zij ooit gezien heeft. Het lukt haar niet om het bloeden te stelpen en met spoed belt ze een ambulance.

De Dood staat aan de rand van haar bed.
‘Melek, ik kom je halen,’ zegt hij, ‘Je moet met mij mee.’
Ze probeert haar hoofd in haar nek te gooien en te schudden met haar lange zwarte haren maar het lukt niet.
‘Waarom?’ vraagt ze hem.
‘Omdat het je tijd is. Meer niet.’
Wat niet kan heeft nog nooit gekund. Opstaan uit de dood valt daar ook onder en daarom strekt ze haar hand uit naar de Dood en gaat met hem mee.

Iedereen in de kamer ziet haar sterven met die uitgestoken hand en niemand weet de betekenis daarvan. Over één ding zijn ze het eens: het is een verdrietig maar mooi gebaar.

De kraamzuster geeft Layla de fles. De speen schiet uit haar mond en ze probeert deze opnieuw in haar mondje te stoppen. Dan gooit Layla haar hoofdje in haar nek en schudt met dat kleine kale kopje. De oude koning die geen moment van zijn achterkleinkind wil missen, ziet dat en begint verdrietig te lachen. Die komt er wel, weet hij.

 

 

peter gortworst / apr. 2020
afbeelding: rtlnieuws.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Ouwe snoepert

Laten we hem Thomas noemen. Hij is ver over de tachtig en ligt het liefst in bed. Niet zo verwonderlijk want hij loopt slecht. Alles gaat schuifelend en zijn handen zijn continue op zoek naar houvast. Voor het eten moet hij zijn bed uit. Dat zint hem niet maar de verpleging is onverbiddelijk: bewegen is goed voor hem. En daarom staat hij minimaal drie maal per dag op om de onheilsweg naar het tafeltje met stoel te maken. Het spannendste moment is de oversteek van bed naar stoel. Dat is een halve meter zonder steun en die wordt met ware doodsverachting genomen.

Het is niet dat hij alleen slecht loopt. Hij is ook nauwelijks te verstaan. Oorspronkelijk komt hij uit Polen en heeft nooit de taal van dit land goed geleerd. Dat, en het feit dat hij zacht praat en belabberd articuleert, geeft natuurlijk problemen. De conversatie met artsen en verplegend personeel is tijdrovend, moeizaam en oorverdovend. De onhebbelijkheid om hard te gaan praten tegen iemand die je niet goed verstaat, is blijkbaar niemand vreemd.

Hij krijgt geen bezoek. De telefoon gebruikt hij om contact te houden met zijn zaakwaarnemer. In al die tijd dat we samen op de kamer liggen komt deze man één keer langs. Hij blijft, met zijn jas aan, bij het voeteneinde staan en is ronduit kortaf. Blijkbaar is dit bezoek een verplichting die zijn normale ritme verstoort. Omdat dit mij niet aangaat, verlaat ik de kamer en zoek mijn heil elders. Als ik terugkom zit Thomas op de rand van het bed en oogt tevreden.

Ik heb hem eenmaal kwaad gezien. Furieus zelfs. De dame van de thuiszorg is er beduusd van. Zij wil praten over een verpleeghuis waar hij, als man alleen zonder familie of verwanten, toch veel beter op zijn plek is. Een goede verzorging, eten hoeft hij niet zelf klaar te maken en er is voldoende aanspraak met andere bewoners.
Hoe ze het in haar hoofd haalt! Denkt ze nu werkelijk dat hij al zijn zuurverdiende spaarcentjes weg geeft aan iets als een verzorgingshuis? Hij woont al zo lang in zijn kleine appartement en de Poolse poetsvrouw komt elke dag langs. Die kost al meer dan genoeg. Als het lopen niet beter wordt kan hij altijd nog een elektrische scooter kopen en dat is niet zo duur als de rest van je leven in zo’n tehuis. Met een wegwerpgebaar stuurt hij haar weg en ligt zeker een half uur, pruttelend van kwaadheid, na te hijgen.

Hij is overtuigd katholiek. De zondagse mis, die via de tv wordt verzonden, volgt hij zittend in zijn bed. Hij prevelt alles mee wat een rechtgeaard gelovige dient mee te prevelen en wacht vol ongeduld op de hostie die door de nonnen in het ziekenhuis worden gebracht.

Tijdens één van de momenten dat ik de tijd en het geduld op kan brengen en hij besluit om wat duidelijker te praten, vraag ik hem of hij ooit getrouwd is geweest. Dat is hij niet. Kinderen heeft hij ook niet en uit zijn lichaamstaal begrijp ik dat er een geheim is.
‘Ben je homo?’ vraag  ik.
Het duurt even maar dan wordt mijn vermoeden bevestigd.
‘Dat weten ze hier niet!’ zegt hij dan. ‘Vertel het ze alsjeblieft ook niet!’
‘Ik houd mijn mond wel maar wat is er mis met homo zijn?’
‘Niet goed, niet goed,’ zegt hij hoofdschuddend.

Wat volgt is een verhaal van een verscheurt mens. Hij haat het om homo te zijn en kan zich mateloos ergeren aan mannen die elkaar in het openbaar kussen of hand in hand lopen. Dat hoort niet. Dat is onnatuurlijk en bovendien veroordeelt de kerk het ook.
‘Maar Thomas, wat is er mis als je voor een andere man warme gevoelens hebt? Dat is toch mooi?’
De verwarring is van zijn gezicht te lezen en het blijkt de worsteling van zijn leven te zijn. Schaamte en verlangen. Zeker weten dat jouw geaardheid fout is en toch, naar diezelfde geaardheid, hunkeren naar geborgenheid, aandacht en liefde. Hoe moeilijk kan een mens het zichzelf maken? Hoe triest kan jouw lot zijn?

Zo af en toe had hij een vriend. Opgedoken in een club in Nederland. Daar kennen ze hem niet en ‘Jullie hebben goede clubs.’ Zijn relaties waren van korte duur. Alles moest in het geheim. Van samen naar buiten of ergens heen, kon geen sprake zijn. Er zijn weinig partners die dat waarderen. Dat maakt dat de duur van zo’n relatie vaak beperkt is.

Zijn bekentenis maakt in ieder geval duidelijk waarom hij zo te spreken is over Andreas. Elke dag, na het avondeten, worden zijn voeten en kuiten ingesmeerd met een zalf. Hij geniet zichtbaar als Andreas dat doet en een verpleegster krijgt nooit zo een welgemeend bedankje als deze verpleger.

De dag dat Thomas naar huis mag. ’s Avonds is hij al begonnen met inpakken en er ligt, in de ruimte naast zijn bed, een onwaarschijnlijke stapel bagage. Als de taxichauffeur komt, krabt deze, bij het zien van de vracht, achter op zijn hoofd en vraagt dan of er iets van een kar is. Daarin wordt voorzien en Thomas in rolstoel met één weekendtas op schoot, wordt de gang ingereden. De chauffeur volgt, zorgelijk kijkend, met de kar.

Een half uur later komt Katrine, één van de verpleegsters, de kamer in en zoekt in de kasten van Thomas naar iets.
‘Is hij wat vergeten?’ vraag ik.
‘Hij denkt dat zijn huissleutel hier nog ligt. Ze staan in de regen voor een dichte deur en hij kan zijn sleutel niet vinden.’
‘O, die zit vast en zeker in één van die tassen of koffers.’
‘Mm, dat denk ik ook. Hier ligt ’ie in ieder geval niet. We gaan hem wel bellen dat hij nog maar eens goed moet zoeken.’
‘Laat Andreas hem bellen.’
‘O ja! Goed idee. Dat zal die ouwe snoepert vast plezier doen,’ grijnst ze met een knipoog om dan op zoek te gaan naar de gelukkige.

 

© peter gortworst / apr. 2020
foto: salzburg.info

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Urbi et orbi

Wat ik nu ga schrijven zal zonder twijfel schuren met het geloof en wetenschap. Dat is niet erg omdat ik geen wetenschappelijk of theologisch doel heb met dit stukje tekst. Het is meer een ‘van-mij-af-schrijven stukje’. Laat ik vooraf duidelijk zijn: ik zal de laatste proberen te zijn die een ander veroordeeld. Een ieder moet vooral denken en geloven wat hij/zij wil en zeker als je daarbij gelukkig bent.

Het stukje gaat zo:

Toen de mensheid begon te ontstaan en men leerde het vuur te temmen, gereedschappen leerde maken en gebruiken, onderkomens vervaardigden en ontdekte hoe men voedsel kon verbouwen, was er veel onbekend. Waarom zijn er hemellichamen? Waarom wordt het dag en nacht? Waarom zijn er seizoenen? Waarom zijn er zo veel dieren? Waarom verpest de natuur soms ons bestaan? Waarom is er een aantrekkingskracht tussen mensen die je anders laat zijn dan normaal? Waarom worden we ouder, ziek en gaan we dood? Hele excentiële vragen voor de mensen van toen en waarschijnlijk ook nog voor de mensen van nu. Er moet natuurlijk voor alles een verklaring zijn en wat niet verklaarbaar is schreef en schrijft men toe aan een hogere macht. Een god en overal waar mensen ontstonden werd en wordt een god gecreëerd. Zo zit de mens nu eenmaal in elkaar. Het onverklaarbare moet verklaarbaar worden gemaakt en de verhalen vonden hun oorsprong. Het Bijbelse scheppingsverhaal is één van de vele voorbeelden. Jammer is alleen dat de gemaakte god niet als een maatje, een vriend of een goede macht wordt neergezet. Waarom hebben de uitvinders van de goden er iets van gemaakt (een persoon zelfs) wat je moet aanbidden, wat zowel boze als goede macht heeft, die je laat weten wat wel en niet mag. Gij zult dit. Gij zult dat. Geboden, verboden, zonde, straf en dreiging. Er is wel iets als genade maar alleen als je dit doet en dat geloofd. En kijk, we hebben ook een hemel bedacht en als je goed je best doet…. Fijn die ontwikkeling, of beter verminking, van iets waar we onze onverklaarbare zaken bij onder konden brengen. Het loon van vragen blijken dogma’s te zijn. Door mensen verzonnen dingen die je voor waar aan moet nemen.

Ik ben van mening dat Macht hier alles mee van doen heeft. Het iets te zeggen willen hebben over een ander is van alle tijden. Je ziet het overal. Op het werk, in gezinnen, tussen echtparen, tussen en in volken. Overheersing door geld en/of religie. Ik ben meer, ik ben beter dan jij want….

En nu zijn we aangekomen in een tijd van verklaarbare zaken die toch de mensheid op een zeldzame manier raken. Isolatie, verwarring, onzekerheid en angst. Wat staat ons nog te wachten? Hoeveel worden er nog ziek worden. Hoeveel mensen gaan er dood? De gevolgen zijn nu al enorm. Er sterven mensen waarvan men niet op een gewenste manier afscheid kan nemen. Hoe ziet de wereldeconomie er uit als dit achter de rug is. Hoe ziet mijn economie er straks uit? Blijven al mijn geliefden gezond en heb ik straks nog wel werk en inkomen?

En terwijl het ergste misschien nog moet komen staat er in Rome op het Sint Pietersplein een breekbaar manneke onder een afdak. Het plein is leeg. Het regent en donkere wolken hangen boven de stad. Het symbool van de kerkelijke macht, van vaak liefdeloze daden, van kindermisbruik en alles waarvan je hen zou kunnen beschuldigen, staat daar en bid om een zegen voor de stad en de wereld. Ik geef hem ruimhartig het voordeel van de twijfel. Ik denk werkelijk dat hij ten diepste meent wat hij doet en zegt en ik weet dat veel mensen hoop en moed uit zijn optreden putten en dat is mooi. De kern van zijn verhaal is dat de mensen op het schip, wat ten onder dreigt te gaan, de slapende Jezus wakker maken en hem vragen hen bij te staan in hun vermoedelijke ondergang. Volgens het verhaal legt Jezus de golven en de wind stil en komt alles weer goed.

Je hoeft geen Jezus te zijn om anderen bij te staan in deze tijd waarin voor velen elk denkbare vorm van ondergang mogelijk is. Voor elkaar zorgen, omzien naar elkaar is meer dan ooit nodig en zo menselijk als de mens waarschijnlijk ooit ontstaan of zoals je wilt, bedoeld is. Maar misschien wordt het, door het nu te doen en hopelijk ook na deze hele toestand, toch iets goddelijks. Ook dat is mooi.

 

© peter gortworst / mrt 2020
foto: America Magazine

Geplaatst in oprispingen | Tags: , , , , , , , , , | 4 reacties

Donker

De dollen van de roeiboot had hij die middag opnieuw dik in het vet gezet. Onder geen beding mogen die geluid maken. Het is nu een uur of negen en al goed donker. Zo geluidloos mogelijk stapt hij in de roeiboot. Dan duwt hij af en vaart weg. Het eerste stuk langs de fabrieken. Daar is weinig kans dat men hem ziet. Alle lichten die daar, voor de uitbraak van het virus, branden, zijn al lang uit. Kapot gemaakt, gesaboteerd of gewoon stuk. De vraag naar chocolade, koekjes of beschuit is geminimaliseerd. De distributie levert niet meer dan de meest basale voedingsmiddelen. Al het andere is verboden en dus staan de meeste fabrieken stil. Het ergste wat kan gebeuren, is dat een iets te fanatieke bewaker hem ziet maar die kans is zo klein dat hij dat risico wel kan nemen. Als de wand van fabrieken stopt en overgaat in de nieuwe huizen die daar aan het water gebouwd zijn, steekt hij over. Niet dat er vanuit de huizen gevaar te verwachten is. De rolluiken die de regering van nationale eenheid voor elke woning verplicht heeft gesteld, zijn allemaal vanaf acht uur dicht. Ook dat is plicht. Het braak liggende land aan de  andere kant is veiliger. Daar is riet gaan groeien en dat biedt meer bescherming. Als de eerste brug in het zicht komt, verstopt hij zich met de boot tussen het riet. De lantaarnpalen op de brug branden nog. Hij weet dat die om tien uur uitgaan en dat dan ook de controlepost op de brug de bomen sluit en de brug open zet. Niemand kan dan nog naar de andere kant. Ze lopen dan nog één ronde, schijnen met hun schijnwerpers over het water en gaan vervolgens weg. Als het donker en stil geworden is roeit hij vlak langs de kant naar de brug. Hij neemt niet de brede doorgang maar een kleinere aan de walkant en roeit niet gelijk door. Onder de brug wacht hij of er een geluid van boven komt. Niemand mag hem betrappen want op deze illegale activiteit staat, naast een lang verhoor en bezoek aan zijn ouderlijk huis, een behoorlijke gevangenisstraf. Allen al het feit dat hij op dit uur buiten is zonder geldige reden is al grond genoeg. Het zou zo maar kunnen dat ze hem aan gaan zien voor één van de Vrijen en als dat zo is kan het nauwelijks erger worden.

Het blijft stil en nog steeds langs de kant varend komt hij bij de spoorbrug. Die staat tegenwoordig standaard open voor het scheepvaartverkeer. Veel scheepvaartverkeer is er niet meer maar toch bleek het goedkoper om deze brug, voor de zeldzame keer dat er een trein rijdt, deze dan daarvoor toegankelijk te maken. Sinds de economie ingestort is door waanzinnige besluiten van de regering, rijden er nog nauwelijks treinen. Er wordt zelfs gezegd dat er op de snelweg een groene waas zichtbaar is van plantjes die door het asfalt heen groeien en het gekke is dat niemand daar verbaasd over is. Het land is het land niet meer. Toen het virus kwam volgde het ene verbod na het andere en nu weet niemand of het virus er nog is, hoeveel mensen er aan zijn gestorven of hoe lang dit alles gaat duren. Internet is er niet meer. Telefoon kan alleen nog via het vaste net en elk gesprek wordt onderbroken door een mededeling dat de regering meeluistert. De tv en de radio zijn ook aan banden gelegd en om de haverklap worden er toespraken uitgezonden van de minister-president die het volk vertelt dat ze moedig moeten zijn en zich aan de regels dienen te houden.

De houten voetgangersbrug wordt al jaren niet meer gebruikt en hij passeert deze zonder problemen. Dan komt hij op het grote water. Recht oversteken is hem te gevaarlijk en hij blijft dus langs de kant varen. Plotseling knipt er aan de andere kant van het grote water een schijnwerper aan. Onmiskenbaar de patrouilleboot van de politie. Met twee slagen van de spanen bereikt hij het kleine dijkje. Hij springt uit de boot en trekt deze tegen de kant omhoog. Met de spanen gaat hij aan de andere kant van het dijkje liggen en wacht af. Het geronk van de politieboot komt steeds dichterbij en het schijnsel van het zoeklicht aait over het water en de walkant. Hij hoort de schroef van de boot achteruit slaan als ze de roeiboot op de kant ontdekken. Stemmen klinken en langdurig blijft de schijnwerper de roeiboot belichten. Dan varen ze door en hij weet dat er op de terugweg een goede kans is dat hij ze weer tegenkomt.

Met enige moeite vindt hij de smalle sloot die naar de boerderij van Sinkeldam voert. De kleine vissteiger die Sinkeldam daar heeft gebouwd, is snel gevonden. Zacht fluit hij het herkenningsdeuntje. Het wordt beantwoord en dan verschijnt Aart, de zoon van de boer, op de steiger.
‘Is het goed gegaan?’ fluistert Aart vragend.
‘Ja maar ik moest eenmaal schuilen voor de verdomde politieboot. Heb je alles?’
‘Meer dan dat! Ik heb natuurlijk je varkensvlees, de boter, kaas en drie broden. Is dat genoeg voor de komende dagen?’
‘Wel als we niet meer vluchtelingen gaan bergen. Wat zit er in die kist?’
‘Geloof het of niet maar daar zit een zender in. Mijn vader kent een oude man die nog weet hoe je zoiets maakt. Je mag hem alleen gebruiken als het heel belangrijk is of in uiterste nood. Iedereen die een zender heeft van deze man kan je horen en jij kan iedereen beluisteren. Er zit een papier in waarop staat hoe het werkt, wanneer je mag zenden en hoe je een antenne maakt. Als je hem niet gebruikt, verstop hem dan. Het is zo illegaal als de pest en als ze jou er mee pakken heb je echt een probleem.’
‘Tjonge,’ zegt hij omdat het hem even aan woorden ontbreekt.
‘De Vrijen hebben er ondertussen ook een paar en het was vanavond behoorlijk druk met codeberichten. Het zou mij niet verbazen als er wat staat te gebeuren.’
‘Hoe is het verder?’ vraagt hij.
‘Ja, moeilijk. Morgen komen ze het vee tellen en dan is er nog weinig ruimte om wat te doen. We moeten nu al zo vaak nee verkopen aan al die mensen die aan de deur komen. Soms best wel zielig maar we kunnen gewoon niet iedereen van eten voorzien. Het wordt tijd dat er iets gaat gebeuren. Je kan dit land toch niet eeuwig op slot houden? Misschien moeten de Zweden maar weer brood gaan droppen’

Zacht fluisterend praten ze nog zeker een kwartier met elkaar. Dan keert hij de boot en begint aan de terugreis.

Hij volgt dezelfde tactiek. Dicht langs de kant varend en gebruik makend van de natuurlijke dekking. Zodra hij de laatste brug gepasseerd is, steekt hij de vaarweg over. Met een helse lichtflits en een enorme dreun ziet hij het brugdek van de laatste brug in het water donderen. Om hem heen plonsen brokstukken in het water. Met stomheid geslagen staart hij in het donker naar wat eens een brug had moeten zijn. Hij kan weinig  zien en als de golven, die ontstaan zijn door de vallende brug, zijn roeiboot laten schommelen, realiseert hij zich dat het beter is om er als een haas vandoor te gaan.  ‘De Vrijen hebben de brug opgeblazen!’ schiet het door zijn hoofd en hij voelt zich plaatsvervangend trots.

Het zoeklicht van de politieboot vangt hem als hij bijna aan de overkant is. De kleine lichtflitsen die uit de mond van het machinegeweer komen ziet hij nog. De knallen die daarbij horen, niet meer. Nooit meer.

 

© peter gortworst / maart 2020
afbeelding: exto.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Kaviaar en luxe koekjes

Er heerst chaos in haar hoofd. Eigenlijk zou ze helemaal niet moeten werken maar je kan je collega’s niet zomaar in de steek laten. Haar man ligt thuis in bed met een griepje en voelt, net als alle andere mannen, zijn einde naderen. Dochterlief gaat morgen voor een week met school naar Berlijn en heeft natuurlijk nog niets ingepakt en van zichzelf weet ze dat ze te moe is en het liefst 24 uur zou willen slapen. Er wordt op het raam van de deur getikt. Opa Zwikker heeft zijn sigaar op en wil weer naar binnen geduwd worden. Roken kan hij als een schoorsteen maar zelf die rolstoel naar binnen rijden is te veel gevraagd. Ze duwt hem de recreatiezaal in en ziet nog net dat mevrouw Cornelissen haar kopje koffie met één maaibeweging van de tafel veegt. Consternatie alom en als zij op haar knieën zit om de scherven op te rapen schiet het haar te binnen dat zij achter opa Zwikker de deur waarschijnlijk niet heeft dichtgetrokken. Ze laat de scherven de scherven en haast zich naar de deur. Gelukkig. Die is dicht. Je moet er toch niet aan denken dat van jouw patiënten er eentje vandoor gaat.

Als je een vrij man in een gesloten afdeling zet maak je hem niet gelukkig. Hij weet best dat hij manisch is maar de medicijnen doen hun werk. Het is niet verwonderlijk dat hij als een gevangene, vele malen per dag een rondje maakt langs alle deuren die naar de buitenwereld leiden. Altijd met zijn jas aan want je kan niet weten. Misschien is er één deur niet op slot en kan hij de vrije wijde wereld in. Deze dag is zijn geluksdag. De deur van de recreatiezaal staat op een kier. Hij stapt naar buiten en sluit, met een zachte klik, de deur. Niemand ziet hem gaan.

Het is ongeveer twee uur. Alle papieren die voor de maandafsluiting nodig zijn liggen klaar. Het is niet zijn favoriete tak van sport maar wat moet dat moet. Dan gaat zijn telefoon. ‘Verpleeghuis’ staat er in zijn scherm.
‘Met Anneke Simons. Wij hebben van uw vader geen melding gekregen dat hij door u is opgehaald. U kent toch de spelregels? Dit is voor ons heel verwarrend en veroorzaak onnodige onrust.’
Hij weet even niet wat hij moet zeggen. Natuurlijk kent hij de regels en tot nu toe heeft hij zich daar keurig aan gehouden.
‘Ik heb mijn vader niet opgehaald.’
‘Waar is uw vader dan?’
‘Ik hoop bij u….’
‘O….. ik bel u straks terug.’
‘Nee! Wacht! Wat is er aan de hand?’
‘Uw vader was niet bij het middageten en is ook niet op zijn kamer. We zijn er vanuit gegaan dat u hem heeft opgehaald maar er blijkt geen melding van te zijn. Uh…. Uh…. ik denk dat hij weg is.’
‘En nu?’
‘We gaan hem zoeken en melden zijn verdwijning bij de politie. Die kennen het klappen van de zweep dus die gaan naar hem uitkijken.’
‘Het is dus niet de eerste keer dat er iemand wordt vermist?’
Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Daarover kan ik geen mededelingen doen,’ zegt Anneke, ‘Ik bel u straks terug.’

Hij staart naar de papieren op zijn bureau. Dat wordt vanmiddag dus niks. Als hij alles bij elkaar pakt en in de kast legt, voelt hij zijn hart kloppen. Wat moet hij doen? Wat kan hij doen? Als een gek rond gaan rijden in de hoop hem te zien? Een man die altijd zijn eigen plan getrokken heeft is onvoorspelbaar in zijn gedrag. Er schiet van alles door zijn hoofd. Zijn vader is gek genoeg om terug te gaan naar zijn geboortestad Kampen. Misschien gaat hij naar de begraafplaats waar zijn moeder ligt en die hij node mist. Misschien gaat hij zoeken naar zijn oude school die al jaren geleden is afgebroken. Hij weet het niet en besluit om niets te doen. Afwachten is waarschijnlijk het beste. Hij belt zijn vrouw en ook zij denkt dat iets anders doen, zinloos is.

Na bijna twee uur gaat zijn telefoon. Een onbekend nummer. Hij neemt op en noemt zijn naam.
‘Met je vader. Ik sta in Haarlem en je moet mij komen halen.’
Voor hij iets kan zeggen wordt het gesprek beëindigd.
Oké. Wat nu? Naar Haarlem rijden? Hij belt die Anneke en vertelt wat er is gebeurt. Zo te horen is ze blij met het teken van leven en ze gaat het doorgeven aan de politie in Haarlem. Nee, meer dan dat kunnen ze niet doen.
Hij besluit om zelf de politie in Haarlem te bellen. Ja, ze weten er al van en als hij vraagt om hem, wanneer ze hem vinden, mee te nemen naar het bureau zodat hij weet waar hij is, maken ze bezwaar. Als hij niet vrijwillig mee gaat kunnen ze hem niet dwingen, klinkt het. Dat begrijpt hij maar hij kan ze overtuigen dat dit de beste manier is om hem te pakken te krijgen.

De uren gaan voorbij zonder enig teken van leven. Noch het verpleeghuis, noch de politie, noch zijn vader laat van zich horen. Dan, ’s avonds om 10 uur, gaat de telefoon.
‘Ja, met je vader. Waar blijf je?’
‘Papa! Ik weet niet waar je bent?’
‘Ik zit in een café en ze laten mij niet gaan!’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb geen geld!’
‘Goed. Hoe heet dat café?’
Hij hoort zijn vader vragen naar de naam.
‘Luister papa. Ik vraag aan de politie of ze jou daar ophalen. Ga met ze mee en dan kom ik naar het bureau. Dan neem ik je mee naar huis.’
Als hij zeker is dat zijn vader het heeft begrepen hangt hij op. Dan belt hij de politie in Haarlem en vertelt waar zijn vader is. Ze gaan hem halen maar wanneer hij weigert, kunnen ze niets doen. Die angst heeft hij niet. Zijn vader kan ook heel gehoorzaam zijn.

Hij stapt in zijn auto en rijdt naar Haarlem. Onderweg belt hij het verpleeghuis. Op de vraag wat hij in ’s hemelsnaam in die stad moet en hoe hij daar is gekomen zonder geld op zak te hebben, weet ook hij het antwoord niet? Het belangrijkste is dat hij terecht is.  Op het moment dat hij op het Rottepolderplein de afslag neemt belt de politie. Ze hebben hem en hij zit veilig in een cel.

Op het bureau willen ze natuurlijk van de hoed en de rand weten. Hij vertelt wat over zijn vader en waarom hij op die, normaal gesloten, afdeling zit. Dan vertellen ze hem dat hij in dat café een uitsmijter met een kop koffie heeft gegeten en dat de uitbater hem niet wilde laten gaan zonder geld te zien. Gelukkig hebben ze hem kunnen overtuigen dat hij te maken heeft met een ongevaarlijke gestoorde en dat hij naar die centen kan fluiten. Dat de man niet blij was moge duidelijk zijn.

Dan gaan ze hem uit zijn cel halen en vader verschijnt met een brede grijns op zijn gezicht en een boodschappentas die er behoorlijk gevuld uitziet. Ze nemen afscheid met welgemeende dankbetuigingen en als ze wegrijden vraagt hij:
‘Wat zit er in die tas?’
‘Boodschappen. Ik moest toch eten?’
‘En heb jij daarvoor betaalt?’
Zijn vader zwijgt en hij vraagt niet verder. Wie veel vraagt krijgt veel antwoorden en het beste is om in dit geval zo weinig mogelijk te weten.
‘Waar breng je mij naartoe?’
‘Naar je kamer natuurlijk.’
‘Dat wil ik niet. Ik wil bij jou wonen.’
‘Dat gaat niet pa. Als je bij mij woont kan ik je elke dag gaan zoeken. Voor ik het weet zit je op Schiermonnikoog of in Maastricht.’
‘Ja, dat kan maar zo.’

De rest van de reis zegt hij niets meer. Waarschijnlijk is hij teleurgesteld in het einddoel van zijn reis. In het verpleeghuis staan ze hem al op te wachten. Gelukkig doen ze heel vriendelijk en leiden ze de verloren zoon naar zijn kamer. Als hij vraagt hoe het mogelijk is dat zijn vader is ontsnapt, blijven ze het antwoord schuldig. Niemand heeft iets gezien en alle deuren waren dicht maar een nader onderzoek volgt nog. Dit willen ze niet nogmaals meemaken.

Thuis kijkt hij in de boodschappentas. Het is een gebruikte tas en hij zit vol met werkelijk lekkere dingen. Boterkoekreepjes, kletskoppen, koffie, een potje kaviaar, verpakte zoute haring, een kwart liter slagroom, een pot met augurken, een bos radijs en speklappen. Alle vragen die opkomen over het hoe en wat van deze lekkernijen zijn niet meer te beantwoorden. Eén ding is duidelijk: zijn vader weet wat lekker is.

 

 

¢ peter gortworst / maart 2020
foto: Proost & toast   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 3 reacties

Pizza met ansjovis

Volgens de laatste berichten gaat het niet goed met Bert. Nu zijn er niet zo heel veel berichten omdat er weinig collega’s zijn die nog contact met hem hebben. De laatdunkende uitspraken over het bedrijf en het werk, nadat hij een nieuwe baan gevonden had, zijn niet vergeten. Een redelijk jong bedrijf kan niet kieskeurig zijn als het om werk gaat en stof, smeer en soms lange dagen horen daar bij. Eigenlijk voelen de achtergeblevenen zich een beetje verraden en dat is nog steeds zo. Wat ook niet echt hielp was de alomtegenwoordigheid en eigenzinnigheid van Bert. Vaak wist hij alles beter en bemoeide zich met alles. Fouten of onkunde van anderen kon hij moeilijk accepteren maar het was dan zijn botte lompheid die alles nog erger maakte.

Van wie het bericht kwam is niet meer te achterhalen en veel meer dan een ‘tumor in zijn kop’ is er ook niet. En nu staat Gerard bij hem voor de deur. Hij was één van de weinigen die het redelijk met Bert vinden kon. Niet dat ze dikke maatjes waren. Dat kon ook niet. Daarvoor zagen ze elkaar te weinig. Gerard zit in de buitendienst en komt niet zo vaak op de zaak maar als hij daar was, maakten ze altijd een praatje met elkaar. Gerard wist van de sollicitatiepogingen van Bert en heeft daar, op streng verzoek van Bert, zijn mond over gehouden. Er is immers niets mis met iemand die zich verbeteren wil en als het dan ook nog lukt, is dat een oprechte felicitatie waard. Bert was blij verrast toen hij dat deed en vertelde toen dat hij één van de weinigen was.

Hij belt aan en Bert maakt de deur open.
‘Gerard!! Joh! Wat leuk! Kom binnen!’
‘Kijk eens wie we daar hebben,’ zegt hij als ze de woonkamer binnenstappen. ‘Dit is nu Gerard, je weet wel, de buitendienstman.’

Op de bank zitten zijn vrouw en zijn zoon. Over zijn vrouw heeft Bert weinig vertelt. Over zijn zoon veel meer. Dat zou een getalenteerde voetballer zijn die helaas nog niet door de topclubs is ontdekt. Alle bezoeken die Bert met hem aan verschillende voetbalclubs heeft gemaakt, alle brieven, video’s en e-mails hebben nog geen resultaat gehad maar dat is een kwestie van tijd. Wacht maar tot die jongen zich wat meer ontwikkelt heeft. Dan zullen ze spijt hebben dat ze er niet eerder bij waren.
Gerard geeft beiden een hand en Bert commandeert hem in een fauteuil.
‘Maak koffie,’ zegt hij tegen zijn vrouw.
‘Je wilt toch wel koffie?’ vraagt hij dan.
‘Als het niet te veel moeite is, dan graag,’ zegt Gerard.

Ze praten over het werk. Over hoe het er in het bedrijf aan toe gaat, over de vervanger die ze voor hem hebben moeten zoeken, over zijn nieuwe baan en na een uitgebreid verslag over de voetbalkunsten van zijn zoon komt dan eindelijk de grote vraag op tafel:
‘Wat is er nu met je aan de hand? Het enige wat ik weet is iets van een tumor in je hoofd.’
Luchtig, bijna laconiek vertelt Bert dat op een morgen hij zijn linkerarm niet meer kon bewegen en dat ze na verschillende onderzoeken een tumor hebben gevonden. Geen los ei wat ze weg kunnen snijden maar iets wat overal tussendoor groeit. Die nutteloze linkerarm was overigens maar tijdelijk. Hij slikt nu medicijnen en volgende week gaan ze beginnen met bestralen. Dat kunnen ze maar één keer doen dus dat moet wel goed gebeuren. Bert heeft alle vertrouwen in zijn arts omdat deze, speciaal over zijn geval, contact heeft met de top van de oncologen in het land.
‘Dit is natuurlijk een grote schok voor jullie allemaal?’ vraagt Gerard aan zijn vrouw.
‘Ja, dat hakt er wel in,’ antwoordt Bert, ‘Maar we hebben goede hoop. We slaan ons er wel doorheen, toch Anna?
Ze doet niet veel anders dan even met haar hoofd te knikken.

‘Zal ik je mijn project een laten zien?’ vraagt Bert.
‘Project?’
‘Ja kijk,’ en hij neemt Gerard mee naar een hoek van de kamer waar een computermeubeltje staat.
‘Ik ben bezig om alle cd’s in de computer te zetten en dan een lijst te maken met alle nummers, wie dat gezongen of gespeeld hebben en op welke cd dat staat. Als je dan wat wil beluisteren zet je in het zoekvenster bijvoorbeeld André Hazes, of gewoon Hazes, en dan krijg je een lijst met alle nummers die hij gezongen heeft maar als je bijvoorbeeld intypt ‘ze loog tegen’ dan komen alle keren dat het nummer op de cd staat naar voren. Mooi hè? Maar wel een werk hoor. Tja, ik moet toch wat? Werken kan ik voorlopig wel vergeten en alle dagen stom voor mij uitstaren, gaat ook niet.
Achter Gerard en Bert wordt de tv aangezet.
‘Het geluid moet zacht!’ roept Bert naar de twee voor de tv. Prompt gaat het zachter dan het al was.

Hij blijkt niet alleen een liefhebber te zijn van het Nederlandse lied. Duitse en Engelse volksmuziek, Pop, Rock, Schlagers,  Opera, James Last en Andre Rieu staan ook hoog op zijn lijstjes. Met gespeelde belangstelling hoort Gerard het allemaal aan.
Het spijt Bert zichtbaar dat hij opstaat om te gaan.
‘Kom je nog terug?’
‘Ja, en ik bel je volgende week om te horen hoe de eerste bestraling is geweest.’
Als Gerard belt, hoort hij dat de eerste bestraling achter de rug is. Of het iets opgeleverd heeft weet hij niet. Daarvoor is het nog te vroeg.

Er gaan twee maanden voorbij als Gerard weer op de stoep staat. Het is al laat in de middag en hij is van plan maar even te blijven. Bert zit in een rolstoel voor zijn computer.
‘Hoe gaat het?’ vraagt Gerard.
‘Klote! Ik knik soms zomaar door mijn been en mijn arm kan ook steeds minder. Weet je wel hoe godverdommes moeilijk het is om alles met één arm te doen?’
‘Hoe is het met die bestralingen gegaan?’
‘Eerst zag het er goed uit. De tumor was wat kleiner geworden maar ze kunnen er niet eeuwig mee doorgaan. Het schijnt dat ze alles in je kop verbranden. Bij het laatste onderzoek bleek dat het weer aan het groeien is en de resultaten daarvan kan je zien.’
Hij klopt veelbetekenend op de armsteun van de rolstoel.
‘Blijf je eten?’
‘Nou, dat was ik niet van plan.’
‘Kom op! We halen een lekkere pizza. Je houdt toch van vis? Dan moet je die nemen met ansjovis. Die zijn verrukkelijk.’
Dan vist hij uit een heuptasje een portemonnee en vist er wat geld uit.
‘Anna! Haal twee van die ansjovispizza’s en voor jou en die jongen ook wat. Gerard blijft hier eten.’

Het lukt Gerard niet om aan tafel een gesprek te beginnen met Anna of de zoon. De alomtegenwoordigheid van Bert doet ook hier opgeld. Vol trots vertelt hij dat er een nieuwe zoekfunctie is gemaakt. Het schijnt dat Hazes met Paul de Leeuw een duet heeft gezongen dus die moet nu als ‘duet Hazes’ gevonden kunnen worden. Na het eten neemt hij afscheid en voor zijn gevoel voor het laatst.
‘Het ga je goed,’ zegt hij tegen Bert.
‘Jouw ook en tot de volgende keer.’

De rouwkaart komt niet als een verrassing. De crematie wordt door weinigen bezocht en tot zijn verbazing blijkt Bert katholiek te zijn geweest. De laatste muziek die gedraaid wordt is het slotkoraal uit de Mattheus. Dat deze muziek ook in zijn lijstjes stond wist Gerard niet.
Na de plechtigheid is er koffie met het obligate plakje cake. Hij condoleert Anna en voor hij het weet vraagt hij:
‘Zeker wel een opluchting nu hij er niet meer is?’
Hij schrikt van zijn eigen vraag en slaat zijn hand voor de mond.
‘O sorry! Dat wilde ik helemaal niet vragen! Ik had er tijdens de uitvaart alleen maar aan lopen denken!’
Ze glimlacht naar hem en voor het eerst ziet hij hoe mooi ze is.
‘Ja,’ zegt ze dan, ‘Dat kan je wel zeggen. Je hebt het goed gezien. Vanaf nu gaat het anders worden. Die rotcomputer gaat naar zolder en ik koop een andere. Ga alle rekeningen die hij niet betaalde, afhandelen en kleine Bert hoeft van mij op zaterdag niet meer om 10 uur naar bed omdat er zondag gespeeld moet worden. Om eerlijk te zijn: we hebben de laatste drie dagen al meer plezier gehad dan in de laatste 10 jaar.’
Dan houdt ook zij haar hand voor de mond.
‘O jee, hoor mij nou.’
Gerard slaat zijn armen om haar heen en fluistert in haar oor:
‘Ik snap je helemaal. Geniet van je nieuwe kansen. Maak plezier en leef want dat kan je.’
‘Zie ik je nog eens?’
‘Nee. Ik ben iemand uit het verleden. Dat verleden is geweest. Verleden tijd. Daar kan je niets aan veranderen. Je kan er alleen iets van leren. De toekomst kan je voor jezelf en kleine Bert deels zelf bepalen. Achterom kijken heeft geen zin. Vooruit kijken wel en vergeet niet dat ik zo af en toe aan je zal denken en hopen dat je het goed doet.’
‘Dank dat je er voor Bert was en dank dat je er nu ook bent. Ik heb je gehoord en zal mijn best doen,’ zegt ze.
Dan zoent ze hem op beide wangen en kijkt hem na als hij door de deur verdwijnt.

 

 

© peter gortworst / maart 2020
foto: quintadasvinhas.be

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 1 reactie

Vreetschuur

De objectiviteit kan mij natuurlijk danig in de steek laten maar klopt het dat dames met een ‘volslank’ figuur, vaak een man hebben die de benaming ‘spijker’ volledig waarmaken? Andersom zie je dat natuurlijk ook maar vaak is dan de ‘volslanke’ heer welgesteld en beduidend ouder dan de slanke dame. Ik weet best dat de liefde rare dingen met mensen doet dus wie ben ik om wat voor oordeel dan ook over mensen met een groot verschil in gewicht, leeftijd of rijkdom te hebben. Wat ik wel weet is dat het vaak komische situaties geeft en zo ook in dit ‘all you can eat restaurant’.
Het groepje waartoe ik behoor, heeft dit restaurant uitgekozen omdat het ons wel gezellig lijkt. Geen van ons heeft de intentie om het te betalen bedrag aan eten ten volle te benutten of zelfs te overtreffen. Het mooie is dat je zelf kan kiezen wat je wilt eten en daar zoveel mensen immer ook zoveel smaken hebben, is dit een goede keuze. Bovendien maakt de wandeling naar het buffet en het aldaar maken van keuzes de sfeer gemoedelijk en dat is, naar mijn bescheiden mening, toch een wezenlijk component van een goede maaltijd.

Schuin tegenover mij bezet een echtpaar een tafeltje. Zij is volslank met een slobbervest. Hij is een broodmagere man met een slobber T-shirt maatje S. Ze gaan zitten en de vrouw kijkt richting ingang. Dan steekt ze haar hand op en even later schuift er nog een volslanke dame aan. Onmiskenbaar haar zus. Als de ober komt, bestellen ze wat te drinken en na de eerste slok staan ze op om een bezoek te brengen aan het buffet. De zussen zijn het eerste terug. Op hun borden een matige hoeveelheid groen en stukjes gebakken kip. Blijkbaar wachten ze op de man want veel verder dan elkaar iets aanwijzen op hun bord komen ze niet. De man arriveert met een bord vol spaghetti met saus, iets van gebakken banaan en drie stokjes saté met pindasaus. Het eten kan beginnen en met de bedachtzaamheid die een wijnproever eer zou aandoen, eten de dames van hun salade en stukjes kip. De man verorbert met zo een vastberaden ijver zijn eten dat hij eerder klaar is dan de dames. Zijn vrouw zegt er iets van en aan haar gezichtsuitdrukking valt af te lezen dat het geen prijzenswaardige opmerking is. Helaas. Te oordelen aan de snelheid waarmee hij de tafel verlaat en zich richting buffet spoed, denk ik niet dat de opmerking van zijn vrouw enige indruk bij hem heeft achtergelaten. De dames praten zonder twijfel over de eetlust van de man. De zus neemt met een likje van haar vinger wat van de overgebleven pindasaus. Ze sluit haar ogen als ze het door haar mondholte laat spelen en op dat moment realiseer ik mij dat het best kan zijn dat er aan een gezamenlijk dieet begonnen is. Misschien is de man wel het slachtoffer van deze afvalpoging. Thuis is natuurlijk al het eten mager en weinig en heeft hij voorgesteld om hier te gaan eten.

‘Je kan zo veel en zo weinig eten als je wilt’, zal hij vast tegen zijn vrouw gezegd hebben. ‘Salades hebben ze vaak te kust en te keur. Daar wordt je niet dik van.’

Misschien heeft zij uit medelijden met hem wel toegestemd en, als ondersteuning voor haar, de zuster bondgenoot gemaakt. In dit oord van verleidingen kan men alle hulp gebruiken.

De man keert terug met een bord wat vol ligt met garnalen, witte rijst en iets van een groene curry. De vrouwen wisselen een veelzeggende blik met elkaar. Terwijl de man eet, staan de vrouwen op. Het is blijkbaar een goed moment om zich tijdelijk van deze genietende man te verwijderen. Wanneer ze terugkomen met opnieuw veel groen en een gebakken visje op hun bord, heeft de man zijn bord leeg. Misprijzend kijkt hij naar de twee borden en je ziet hem denken: daarmee overleef je de komende uren niet.

De dames doen alles goed: ze nemen kleine hapjes en kauwen langdurig. Het duurt de man te lang. Hij staat op en brengt voor de derde keer een bezoek aan het buffet. De dames zeggen iets tegen elkaar en dan haalt zijn vrouw even de schouders op. Er is iets van berusting af te lezen op haar gezicht en dat blijft als manlief met een vol bord weer aan tafel gaat zitten. Zo langzamerhand vraag ik mij af waar deze man al dat voedsel laat. Je zou toch minstens verwachten dat zijn buik wat boller is gaan staan maar nee, niets van dat al. Het derde bord is leeg en de man zakt wat onderuit in zijn stoel. De dames zijn met elkaar in gesprek maar blijkbaar is het niet interessant voor onze veelvraat. Hij kijkt een beetje om zich heen en als er iemand langs loopt met een kommetje ijs, gaat bij hem een lichtje aan: dessert! Hij zegt iets tegen de dames en staat op. Ze kijken even zonder hun gesprek te onderbreken.

Hij komt terug met een bord vol ijs, vruchten en slagroom. Het kommetje was waarschijnlijk te klein voor zijn verlangen. De dames vallen stil en staren naar zijn bord. Als zijn vrouw het niet kan laten om een opmerking te maken, haalt hij zijn schouders op en met dezelfde ijver als waarmee hij dit eetfestijn begon, werkt hij zijn nagerecht naar binnen.

Ze zijn klaar. De ober wordt geroepen en er wordt betaald. Als ze weglopen met de dames voorop, kijk ik ze na. Ze lopen langs het buffet naar de uitgang en omdat niemand het ziet, pakt de man nog snel even een stukje gebakken banaan mee.
‘Je kans benutten’ heet dat.

 

 

© peter gortworst / feb.2020

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , | 4 reacties

Nooidweer

Mijn slaapkamer had geen verwarming. Als het echt koud was mocht de butagaskachel even aan om de ergste kou te verdrijven maar verder waren aan elkaar gevroren lakens met kriebelige wollen dekens en ijsbloemen op de ramen, de normaalste gang van zaken. Als het stormde, gierde de wind over het dak en als het sneeuwde was het schuine venster, wat een riant uitzicht bood op de muur van de buren, bedekt met sneeuw. Wilde je weten hoe het er buiten uitzag, dan bood een deur naar het platte dak boven de keuken die mogelijkheid. Je zag en voelde wat even later tijdens de radio-uitzending van het ANP, werd gezegd. Het is koud, er ligt sneeuw, er valt regen, het is warm of het waait.

Als het een beetje gesneeuwd had en je, dik in de kleren met muts en wanten, de bruine leren schooltas onder de snelbinders had gelegd, kreeg je, in een opwelling van inzicht, soms de waarschuwing mee: ‘Pas je op? Het kan wel glad zijn.’ Meer niet en dat meer was ook niet nodig.

De provinciale weg naar de pont, de eindeloos lange Hemweg langs de centrale tot de eerste huizen van de Spaarndammerweg in Amsterdam kon ik wel dromen en, maar dat kan ik natuurlijk mis hebben, altijd wind tegen. Vaak hopen op een brommertje wat niet te hard ging om in de luwte te kunnen fietsen. Windkracht 2 of 9 maakte niet uit. Je moest dus je ging.

Een gevoelstemperatuur was er al wel maar nog niet genormaliseerd. ‘Het voelt koud aan’ was de gangbare term en niemand die je kon vertellen dat het 2 graden vroor maar aanvoelde als minus 10. Dat het koud aanvoelde was genoeg.

Later, toen ik de wegen van Nederland onveilig maakte als servicetechneut, was er niemand die via de radio of tv vertelde dat je beter niet de weg op kon gaan. Je probeerde het gewoon en je paste de snelheid aan naar de omstandigheden. Je reed geen 80 als je door de mist maar 10 meter kon zien. Op de snelweg bleef je tijdens hevige sneeuwval, netjes allemaal op het rechter spoor om met een slakkengangetje van 30 uiteindelijk daar te komen waar je geacht werd te zijn.

En nu? Code oranje. Nederland zet zich schrap voor de naderende storm met de naam ‘huppeldepup’. Ga niet naar buiten als u daar niet hoeft te zijn want het gaat sneeuwen, ijzelen, waaien, regenen of het wordt vreselijk warm.

Waarom deze betutteling? Zijn wij zo weg-geëvolueerd van de natuur met al haar krachten dat we dergelijke waarschuwingen nodig hebben? Natuurlijk weet ik best dat het handig is om te weten dat er morgen 20 cm sneeuw kan vallen maar veranderd dat iets aan de situatie? Vallende bladeren, een beetje sneeuw of windkracht 9 en Nederland ligt sowieso plat. Het is de maatschappij die ontwricht raakt maar is het echt nodig de mensen zelf te waarschuwen voor iets wat de natuur geeft? Weten de mensen zelf niet meer dat het gevaarlijk is om met een storm op de pier van IJmuiden te gaan staan? Dat je lelijk kan vallen als er ijs op de straat ligt? Dat je nat kan worden als het flink regent, verdwaalt als je door de mist geen hand voor ogen ziet of met de auto van de weg kan raken als het sneeuwt?

Soms denk ik dat wij de apen achterna gaan. De orang-oetan heeft een specifiek biotoop nodig om te kunnen leven. Hoe meer daar van verdwijnt hoe slechter het met die apen gaat. Zou het, en laat ik het voorlopig maar op Nederland houden, zo kunnen zijn dan het hier niet te warm, niet te koud, niet teveel sneeuw of wind of ijzel of regen of mist of droogte moet zijn, willen wij overleven? Gaat onze flexibiliteit, onze overlevingskracht verloren en zijn gedoemd uit te sterven als het even anders gaat dan wat wij als normaal zijn gaan beschouwen?

Ik geef u een goed advies: Wordt er een storm verwacht zet dan uw kinderen buiten. Zij zullen spierkracht ontwikkelen omdat zij zich vast moeten houden aan de lantaarnpalen en waaien ze toch weg dan zullen ze zelf overlevingsstrategieën ontwikkelen om weer de weg naar huis te kunnen vinden. Wordt er flinke regen verwacht stuur ze, zo bloot mogelijk, met een flesje shampoo de tuin in. Komt er sneeuw laat ze een glijbaan maken bij die pestburen van verderop. Dichte mist? Speel verstoppertje op de kale heide (als u die tenminste vinden kan). Kortom: laat ze kennis maken met de krachten van de natuur. Goed voor de mensheid.

Ik ga aan het werk met een tip die ik vanmorgen hoorde. Alles wat ik niet meer gebruiken kan zet ik aan de straat. Mocht de aangekondigde storm werkelijk zo schokkend zijn als beloofd, dan ben ik benieuwd wie de nieuwe eigenaren worden van mijn oude spullen.

 

© peter gortworst / feb.2020
afbeelding: rtvdrenthe.nl

Geplaatst in oprispingen, startpagina | Tags: , , , , , , , | 4 reacties

Moord in het kort

Laat in de avond. Bijna middernacht. De koplampen verlichten het asfalt van de 31 en met de auto op de tempomaat hoef ik niet meer te doen dan tussen de lijntjes de blijven. Het is stil op de weg. Ik heb de laatste vijftien kilometer slechts twee vrachtwagens gepasseerd. Zolang er geen hert of everzwijn van rechts komt heb ik tijd en mogelijkheid genoeg om de gedachten te laten gaan. Over het schrijven van een boek bijvoorbeeld. Korte verhalen schrijven is leuk. Erg leuk zelfs maar zou ik mij niet eens moeten wagen aan een boek? Een boek over…. tja…… waarover? Fictie? Non-fictie? Een waargebeurd verhaal gebruiken als basis? Een streekroman, iets als Beekman en Beekman, iets over iemand die in zijn jeugd wat meemaakt en wat later in zijn leven terug komt, iets met een moord? Boeken met één of meerdere moorden verkopen natuurlijk wel goed en dat is toch ook iets waar je als schrijver blijkbaar aan moet denken.

Laat ik eens een beginnetje maken. Een man knalt met zijn auto tegen een boom en sterft ter plekke. De bergingsdienst ziet bij het takelen dat er een remleiding is doorgeknipt en meldt dat natuurlijk aan de politie. Wie heeft dat gedaan en waarom? Met die vraag zou het eerste hoofdstuk kunnen worden afgesloten.

De kersverse weduwe weet van niets en de twee bijna volwassen kinderen ook niet. De zoon is eerst wel verdacht omdat hij als hobby sleutelt aan auto’s en de week voor deze moord de olie van de auto heeft vervangen en de bandenspanning gecontroleerd. Hij zou natuurlijk de remleiding al een beetje doorgeknipt kunnen hebben maar al snel ontdekken de speurders dat zoiets, technisch gesproken, niet kan en hij bovendien dan de kip met de gouden eieren geslacht zou hebben. Hij leeft van het geld dat zijn vader hem geeft dus dat zou dom zijn. Hoewel…. Er is natuurlijk een erfenis. De zoon blijkt overigens een ijzersterk alibi te hebben dus die valt na twee hoofdstukken af.

Pa is, om het een beetje gecompliceerd te maken, eigenaar van een internationaal opererend bedrijf. Niet geheel onbemiddeld dus. Hij heeft bijvoorbeeld ook veel contacten in Oost-Europa. Onderzoek wijst ook uit dat de man een soort dubbelleven heeft geleidt. Niet met de jonge, bloedmooie en ambitieuze directiesecretaresse maar zij zet wel de speurders op het spoor van een andere vrouw. Om het boek een wat emotionele lading te geven is dat een oude jeugdvriendin van hem. Ze is een alleenstaande moeder met vier bloedjes van kinderen maar helaas aan lager wal geraakt. Wacht even, dat kan niet als ze van gelijke leeftijd zijn. Uh, uh, ze is een jonge oma die op haar kleinkinderen past en de moeder van die kinderen is aan lager wal geraakt. Ja, dat kan. Hij bezoekt haar regelmatig en ze praten dan bijvoorbeeld over hoe het had kunnen zijn als ze hem, in een vlaag van jaloezie, niet de bons had gegeven. Hij stopt haar na elk bezoek wat geld toe. Gewoon uit medelijden. Niks geen seks of buitenechtelijke relatie. Mm…. Wat verkoopt beter? De emotionele lading of toch maar de seks? Moet ik dus nog over nadenken maar we zijn inmiddels weer twee hoofdstukken verder.

Wat doe ik met die Oost-Europese contacten? Met welk land doet hij daar zaken? Dat is natuurlijk niet geheel onbelangrijk omdat ik, vanwege de sfeertekeningen in het boek, daar wel naar toe moet. Ik verzin dan wel een verhaal maar het moet ook een beetje geloofwaardig zijn. Maar goed, dat is van latere zorg. Laat ik voorlopig een man verzinnen die Vladimir heet. Die heeft ook een bedrijf en deed zaken met mijn vermoord bedenksel. De samenwerking is stuk gegaan en dat biedt natuurlijk tal van mogelijke motieven. Voor extra verwikkelingen laat ik Vladimir kennis maken met de oude jeugdvriendin van mijn overleden personage en…. o nee…. Hij kende haar al langer en gebruikt haar om zijn Nederlandse zakenpartner een kunstje te flikken. Dat een beetje beschrijven vult vast een heel hoofdstuk.

Mijn speurders hebben het….. o dear! Wie zijn mijn speurders? Is dat een hoofdcommissaris of een brigadier? Hoe zitten die rangen bij de politie in elkaar? Hoe gaat dat als er internationale contacten zijn? Is de baas van het spul een soort vaderlijk figuur die niet van zijn stuk te brengen is omdat hij alles al heeft meegemaakt of is het een jong strebertje die zich nog waar moet maken? Het is misschien een goed idee om een keer op een politiebureau te vragen hoe men daar zoiets aanpakt. Vragen, vragen en vragen….. Maar goed, weer een hoofdstuk.

Maar dan natuurlijk de belangrijkste vraag: wie heeft het gedaan en waarom. Ik weet natuurlijk best dat de beantwoording in het laatste hoofdstuk moet komen. De lezer, als deze het tenminste tot hier gebracht heeft en niet voortijdig is afgehaakt omdat het te warrig werd, moet in een totale staat van verbazing ontdekken dat het degene is waarvan men het niet verwacht. De dader (m/v) duikt in het verhaal verschillende malen op maar lijkt volkomen onschuldig. Wie zou dat kunnen zijn?

Ik zet mijn auto naast het huis stil en kijk naar mijn duim. Hij ziet er magertjes uit. Al dat verzinnen is hem blijkbaar te veel geworden en ik denk niet dat daar nog een zinnig antwoord uit kan komen op de vraag wie de dader is. Geloof het of niet, ik constateer dat met enige teleurstelling. Geen boek dus. Dan maar weer aan de korte verhalen. Een schrijver moet toch wat.

 

© peter gortworst / jan. 2020
afbeelding: vademus.com

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties