Jeugd van toen

Het station is er al lang niet meer. Van de treinen waarvan de deuren tijdens het rijden gewoon open konden, staat er nog één in het spoorwegmuseum. De slimmigheden wetende forens van toen is een man op leeftijd geworden. Het is nu technisch onmogelijk maar los daarvan zal hij het nu niet meer in zijn hoofd halen om bij aankomst van de trein, er uit te springen voordat de trein stil staat. Richting stad moest je altijd voorin gaan zitten en op de terugweg helemaal achterin. Je was dan het snelst bij de uitgang. De controleur die altijd bij de uitgang zat kon gelukkig nooit zien wat voor capriolen je uithaalde en dat was maar goed ook. Het was levensgevaarlijk weet hij nu. Je zal maar struikelen of tegen iemand opbotsen.

Het begin van de straat herkent hij niet meer. De brug, even verder op, nog wel. Het beeld van Jan Wolkers staat nog steeds op zijn ronde sokkel. Aan de andere kant van de brug was de melkcentrale. Daar tilden in de vroege morgen de melkmannen hun melkbussen op hun karren en later in hun VW-busjes. Een paar kratten yoghurt, rotatormelk en vla. Niks geen gedoe met halfvol of mager. Melk was melk en yoghurt was yoghurt. Met een maatbeker van een halve liter werd het bij de huizen in de melkkokers gedaan. Altijd een scheutje toe want iets te veel mocht wel maar iets te weinig absoluut niet. Alleen in de zomermaanden moesten de huisvrouwen naar de kar komen. Met een bel ging de melkboer door de straat. Een paar zomers mocht hij helpen. De bel luiden en de klanten bedienen. Aan het eind van de dag mee naar de centrale om de melkbussen schoon te maken met een onverantwoorde hoeveelheid chlooroplossing. Na elke week werd hij beloont met een paar klinkende rijksdaalders.

De drukkerij is er ook niet meer en ineens mist hij de hoge populieren. Er staan wel bomen maar die halen het niet bij die machtige bomen van toen. Hij passeert het huis waar de dominee woonde. Nog steeds een imposante woning. Hij herinnert zich de keer dat hij, kort na nieuwjaarsdag, daar aan de deur stond. Wat hij daar moest weet hij niet meer maar hij werd gevraagd naar binnen te komen. De domineesvrouw wilde weten of hij wel een oliebol lustte. De oliebol was koud en de binnenkant niet gaar. Het beslag liep er in een dikke druppel uit. Daar kon je natuurlijk niets van zeggen. Het waren per slot van rekening oliebollen van de dominee.

Naast de dominee woonde de huisarts. Toen al een oude man die zelden uit zijn stoel kwam. Hij bekeek je over zijn leesbrilletje, hoorde je verhaal aan, schreef een onleesbaar recept uit en met de vermelding dat, wanneer het over een week niet over was, je maar terug moest komen, kon je gaan. Achteraf gezien deed die arts het niet verkeerd. Hij is als patiënt tenminste niet overleden aan kwalen die door hem niet geconstateerd zijn. Slechts één keer heeft hij de man buiten zijn stoel gezien. Een daverende oorontsteking die op zaterdagavond opwachting maakte, dwong de arts actief te worden. Met een kijkbuisje gluurde hij in het oor en met een recept voor de weekendapotheek was voor hem de zaak afgedaan. Hij probeert zich te herinneren of deze arts al op afspraak werkte. De tandarts die een klein stukje verder zijn praktijk had in ieder geval niet. Twee maal per jaar werd je geacht daar te verschijnen. In de praktijk kwam het er op neer dat je zo vroeg mogelijk heen ging en in de al aanwezige mensenmassa schuchter de vraag stelde: “Wie is de laatste?” Zodra deze zich melde was het zaak hem of haar goed in de gaten te houden. Het gebeurde namelijk wel eens dat deze zich opgeofferd had voor liefhebbende man of vrouw en zodra deze ten tonele verscheen was jouw ‘laatste’ plotseling verdwenen. Aan de tandarts zelf heeft hij alleen maar slechte herinneringen. Zijn zwakke gebit leverde bij elk bezoek een waslijst op van onbegrijpelijke termen. Het enige wat hij, liggend met samengeknepen handen in de stoel deed, was tellen. Drie of meer was een vervolgafspraak voor een behandeling zonder verdoving maar wel met een preek over het onderhoud van de bijtertjes. Het hielp niet. Poetsen was een zinloze bezigheid. Fluoride moest nog uitgevonden worden.

De tandarts woonde een stukje verder op. Schuin tegenover de kerk. Speciaal voor hem werd er soms een oud glazen raam bewaard. In de luilaknacht bonsde deze patiënt op de ramen van zijn huis en onder het met donkere stem roepen van: “Hé! Luilak! Wakker worden!” werd de glasplaat zo hard als het kon op de stoeptegels gegooid. Verstopt achter de auto’s aan de overkant van de straat zag hij dan de tandarts naar buiten rennen, zijn ramen inspecteren en even later met bezem, stoffer en blik de glasscherven in de metalen asemmer deponeren. De luilakbol smaakte dan extra goed.

Hij heeft het reclamebureau gemist. Hij is de naam vergeten maar weet nog wel dat de eigenaar in zijn vrije tijd theologie studeerde en ook werkelijk diverse kansels heeft beklommen. Er werd in zijn kringen daarom bewonderend over deze man gesproken. Iets wat hij toen niet begreep en nu nog steeds niet. Zijn er gradaties in herinneringen? Het feit dat één van zijn zonen onder de wielen van een vrachtwagen is gekomen is hem meer bijgebleven dan die studie van zijn vader. Zijn zoon was maar iets ouder dan hij. De oorzaak van zijn dood intrigeerde hem toen meer dan het overlijden zelf.

De kerk is er nog maar behoort niet meer aan de protestante gemeente. Hier liggen zo veel herinneringen dat hij aan de overkant stil blijft staan om, al kijkend naar dit overbekende gebouw, de meeste even de revue te laten passeren. De drie dubbeltjes en één stuiver voor de collectes, de vaste plaatsen aan de zijkant bij de metalen paal, de verveling, de klok die oneindig langzaam ging en de drie pepermuntjes die altijd snel op waren, de gaanderij waar de jeugd zat en het soms zo rumoerig was dat de dominee de preek moest onderbreken, het orgel met het fantasieloze orgelspel, diensten waarin het avondmaal ‘gevierd’ werd en die eindeloos duurden en het ‘denk er om dat je je gedraagt’ omdat de inkomsten van zijn ouders in hoge mate afhankelijk waren van kerkelijk gelijkgezinden.

Het heeft hem niet belet om later als vrijwilliger behoorlijk actief te worden. Niet om de ingedutte goegemeente in slaap te houden maar om ze wakker te schudden. Het geloof zelf was niet zijn drijfveer. De organisatie des te meer. Wat is er mis met een dominee die homo is? Hoezo geen kinderen aan het avondmaal? Hoe kan een diaconie stinkend rijk zijn terwijl er, ook in de kerk, mensen zijn die geen scherf hebben om hun kont te krabben? Waarom doen wij zaken met een bank die ook de wapenindustrie als klant heeft? De kerk bezoekt hij niet meer. Zijn geloof in God is er nog wel maar hij krijgt aan zichzelf niet goed uitgelegd hoe dat er dan uit ziet. Het is in ieder geval niet meer het geloof der vaderen. Het is zelfs verre van dat.

 

Het bankgebouw op de hoek heeft hij nog gebouwd zien worden. Het staat op houten palen. De laatste paal moest met klap gevierd worden. Op de paal werd een heel pak lucifers gelegd en het houten heiblok moest de ontploffing in gang brengen. Het mislukte jammerlijk.

De voetbalsteeg tussen het weeshuis en de meubelzaak is er nog. Van de brede steeg in zijn herinnering blijft echter niet veel over. Een vrachtwagen zal moeite hebben om hier achteruit in te parkeren.

Dan slaat hij de hoek om. Zijn oude woning met de dubbele winkelramen, het grote raam van de woning daar boven, de dakkapel waar hij soms via een dakraam naar toe klom en, liggend op het dakje, je de hele straat mooi kon bekijken, de smalle steeg die toegang gaf naar de achterdeur en de tuin, is er niet meer. Er wordt, blijkens een groot bord, gebouwd aan een flink aantal meters winkeloppervlak en een paar appartementen met riant uitzicht op het water.

Nee, in hem sterft er geen klein stukje af. Zijn herinnering vult het zichtbare gat. Dan draait hij zich om en gaat. Er is nog zo veel te zien waaraan hij wel herinneringen heeft. Goede en slechte en geen van beiden doen hem terugverlangen naar dat wat er eens was.

 

©peter gortworst / juni 2017
foto beeld: http://www.europeana.eu
foto orgel: maker onbekend

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Ongedierte

Het einde van een warme dag. Er is vandaag hard gewerkt. Schoon en rozig wil ik mijn bed instappen. Een schoon bed. Vanmorgen gelijk alles in de wasmachine gedaan en het bed opnieuw opgemaakt.

Ik sla het laken terug en zie een rond dopje op het onderlaken liggen. Zonder bril is de wereld wat wazig dus ik buk mij om te zien wat dat voor dopje is. Het is een spin en nog een forse ook. Een enorm bol achterlijf, niet van die hele lange pootjes, een kleine kop en lichtbruin. Hij, daar ga ik gemakshalve maar even van uit en vraag niet waarom, zit doodstil. Nog wel, denk ik. Per slot van rekening is hij ergens vandaan gekomen en daar ik standaard bijna alle ramen open of op kierstand heb staan, lijkt het mij dat het beest van buiten is gekomen.

Ik ben niet zo van gelijk doodmeppen. Spinnen zijn uiterst nuttige dieren dus onbeschadigd naar buiten werken is de eerste optie. Nu ben ik een grote, sterke en bij tijden een stoere vent maar deze spin met de blote handen oppakken gaat mij iets te ver. In de badkamer ligt wc-papier en dat lijkt mij voldoende afscherming tussen zijn en mijn huid. Ik vermoed dat mijnheer aan de wandel gaat wanneer ik in de badkamer dat velletje wc-papier haal en sla daarom het laken voorzichtig terug. Als er al gelopen wordt gaat het in ieder geval niet snel.

Met papiertje in de aanslag kom ik terug en sla voorzichtig het laken weer op. Hij is weg. Ik trek meer laken van het bed want misschien is hij richting voeteneind gekropen. Niet dus. Dan til ik voorzichtig mijn kussen op en ziet: daar is hij. Nu moet er kordaat gehandeld worden. Ik drapeer het velletje papier over hem heen en met de vingers en de duim vouw ik het onder de spin. ‘Plof’ voel ik en als ik het papiertje optil ligt er op mijn schone laken een lichtbruine natte plek met een donkere stip in het midden.

Hoe heb ik het nu? Was dit een geradicaliseerde spin? Ik heb beslist niet in de spin geknepen en toch is hij ontploft. Ik kijk in het papiertje en het enige wat ik nog als herkenbaar kan herkennen zijn een paar pootjes. De rest is bruine smurrie.

Ik gooi het papiertje met stoffelijke resten in de wc. Trek het laken van het bed en ga op zoek naar een ander. Maak het bed opnieuw op, schuif tussen de lakens en dwing mijzelf om aan werk te denken. Ook niet leuk maar beter dan een ontploffende spin.

 

© peter gortworst / mei 2017
foto: http://www.powned.tv 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , | 7 reacties

Verdomme

Mijn geliefde viswinkel heeft een heus terras met glimmende ronde tafeltjes en grote parasols als het tenminste niet hard waait. In de winkel heb ik een lekkerbekje en een haring besteld. De haring heb ik binnen al opgegeten en nu zit ik buiten aan een tafeltje om het gebakken visje te verorberen.

Ik trap er weer in. Als je ouder wordt, zou ook de wijsheid met sprongen omhoog moeten gaan maar bij mij schijnt dat niet te mogen. De vis is heter dan ik dacht en dat is dus niet de eerste keer dat mij dat overkomt. Ik hang met half open mond en tranende ogen schuin voorover in een poging de hap vis tot sliktemperatuur te verlagen. Leer dat nu toch eens, druiloor!

‘Bent u Peter Gortworst,’ hoor ik een vrouwenstem vragen.
Ik kijk op en voor mijn tafeltje staat een dame. Een hele keurige dame van ongeveer mijn leeftijd, zorgvuldig opgemaakt en zeer netjes in de kleren. Ik knik, wijs naar mijn mond en probeer met ‘hhoeh, hhoeh…. heet’ duidelijk te maken dat er van enige conversatie even geen sprake kan zijn.
‘Juist,’ zegt ze en ongevraagd gaat ze tegenover mij zitten. Ik slik de hap vis door en voel hem langs mijn borstbeen richting maag glijden. Dat kan nooit gezond zijn.
‘Ik ben mevrouw Koster,’ zegt ze en steekt haar hand uit.
Helaas, ik eet met mijn vingers.
‘Sorry,’ zegt ik en steek mijn hand, die glimt van het vet, even omhoog.
Ik heb nog geen zweem van een glimlach bij haar kunnen ontdekken en mijn glimmende hand verslechterd haar gezichtsuitdrukking richting afkeuring.
‘U heeft er toch een vorkje bij gekregen?’
‘Die gebruik ik nooit. Ze breken altijd en bovendien is vis lekkerder als je het met je handen eet. Hoe weet u trouwens mijn naam?’
‘Ik herken u van de foto bij uw blog.’
‘O, u bent één van mijn lezers? Wat leuk!’
‘Ja, en heeft u veel lezers of volgers?’
‘Ik weet niet of je mijn aantallen veel of weinig kan noemen. Elke lezer is mij dierbaar.’
‘Dus niet. Dat verbaast mij niets.’

Ik val even stil. Als mevrouw Koster een kritische lezeres is moet ik mijzelf even omschakelen naar begripvol luisteren, niet vanuit de heup op kritiek gaan schieten en de alles oplossende zin ‘dan ga ik nog beter mijn best doen’ alvast klaar leggen.
‘U schrijft soms van die rare verhaaltjes die nooit echt plaats hebben kunnen vinden.’
‘Zoals….?’
‘Pratende vogels, engelen, het hiernamaals, een vrouw die een gierzwaluw is…. dat soort dingen gebeuren toch niet echt?’
‘Nee, dat klopt. Die verzin ik gewoon en iets verzinnen is heel leuk.’
‘Maar er gebeurt toch genoeg? Kijk om je heen en de verhalen liggen voor het opscheppen. De echte verhaaltjes die u schrijft, die vind ik wel leuk. Die herken ik en soms zijn ze echt mooi.’
‘Kijk aan. Dat doet mij deugd. Maar weet u wel dat er andere mensen zijn die de verzonnen verhaaltjes ook waarderen? Ik zal u een geheimpje verklappen: ik schrijf omdat ik het schrijven leuk vind. Het is mijn hobby en als andere mensen het leuk vinden om ze te lezen is dat alleen maar mooi. Net als een sporter. De sport is leuk om te doen en als anderen van zijn spel genieten is dat een plezierige bijkomstigheid.’

Ze kijkt mij nadenkend aan.
‘U bent zeker niet christelijk?’ vraagt ze dan.
‘Wablief?!’
‘U gebruikt soms zinnen of woorden die duiden op een christelijke achtergrond maar dat klopt niet met de rest.’
Ik kijk haar zwijgend aan in de wetenschap dat er meer komt.
‘In uw laatste verhaaltje schreef u de zin ‘als een hijgend hert der jacht ontkomen’. Dat komt uit een psalm. Maar u schrijft ook over homo’s en lesbische vrouwen, gebruikt krachttermen en in één verhaaltje staat zelfs een hele lelijke vloek. Niet netjes en zeker niet christelijk! Dat bent u toch wel met mij eens?

Moet ik nu bij een lekkerbekje wat koud ligt te worden een discussie aangaan met iemand die waarschijnlijk een onwrikbare mening heeft? Iemand die weet hoe het hoort en rotsvast gelooft in haar eigen gelijk. Verloren energie.
‘Mevrouw Koster, die vader die zijn dochter verloren heeft, kon zijn ‘Heer, ontferm U’ niet anders bidden dan met een knetterend ‘godverdomme’ en homo’s en lesbiennes kom ik ook op uw straat tegen en ja, u heeft gelijk: de verhalen liggen zomaar voor het oprapen. Ook die. Ik zie ze. U misschien niet. Ik schrijf ze op vanuit mijn achtergrond en niemand verplicht u om ze te lezen. En nu wil ik mijn visje opeten.’

Ik gun haar geen blik meer waardig. Ze gaat staan, schuift haar stoel naar achteren en vergeet dat het terras een afstapje heeft. Ze zwikt door haar enkel en valt op handen en knieën.
‘Auw, verdomme! Wat een rottig afstapje!’

Toch eens een verhaaltje over karma schrijven.

©peter gortworst / mei 2017
foto: http://www.koffiepartners.nl

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , , , | 6 reacties

De Preikestolen

Wij hadden een hond die tijdens de vele wandelingen die wij maakten, de onbedwingbare neiging had de boel bij elkaar te houden. De boel bestond uit drie jeugdige personen, allen voorzien van een hoogtoerig en soepel lopend motortje en twee wat oudere personen die het moesten hebben van een langzaam maar gestaag dokkerend dieseltje. Het jeugdige spul liep, zeker als het bergop ging, vrolijk een stuk sneller omhoog dan de twee dieseltjes en dat zinde de hond niet. Hij spurtte heen en weer tussen de voorgangers en de achterblijvers en hoe groter de onderlinge afstand werd zo veel te meer nam zijn ongerustheid toe. Wanneer de top bereikt was keerde de rust in tweeërlei opzichten in hem weer en dat mocht ook wel daar hij de afstand minstens vijf keer had gelopen.

Ik moet aan hem denken als ik met zoonlief op vakantie ben in Noorwegen. Ik denk dat ik in een vlaag van verstandsverbijstering maar het kan ook een geval van misplaatste overmoed of een categorische ontkenning van klimmende jaren zijn, instem met de beklimming van de Preikestolen. In goed Hollands de Preekstoel. Het is een vlakke, ver uitstekende rots, loodrecht 600 meter boven het water van de Lysefjord.

Wat is nu 600 meter? Op de snelweg is dit de voorlaatste waarschuwing voor de afslag en elke gemiddelde automobilist zal het met mij eens zijn dat die afstand een kippeneindje is. Als ik mij goed herinner staat er voor die wandeling naar boven twee en een half uur. Dat zal dan wel de maximale tijd, inclusief pauzes zijn die men er voor uit trekt. Ik kijk daarom met enige verwondering naar een wat oudere man, nou ja, oké, mijn leeftijd, die met massieve schoenen en uiteraard de bijbehorende rode kousen, rugzak, buik en twee lange prikstokken ook van plan is dat stukje naar boven te lopen. Onvoorbereid op pad gaan is niet verstandig maar je kan ook overdrijven en dit is een duidelijk geval van ‘te’.

Het pad is in het begin redelijk begaanbaar. Het gaat weliswaar behoorlijk stijl omhoog maar hé, wat verwacht je anders? Mijn dieseltje dokkert en gromt en plotseling is er iets met de luchtaanvoer. Het toerental daalt richting stationair en ik laat mij zakken op een boomstam. Het flitsende motortje van zoonlief staat in twijfel te snorren en om te voorkomen dat hij warm loopt zeg ik hem maar vooruit te gaan. Als de lucht/brandstofverhouding van dit dieseltje weer op orde is gaat hij wel weer verder. Dankbaar geeft hij gas en is, bijna huppelend, in korte tijd aan het oog onttrokken. De hond zou nu met hem mee zijn gegaan en ik mis plotseling dit fysieke heen en weer hollende bewijs van er zijn. Terwijl ik wacht tot de luchtinlaat weer normaal doet, passeren de rode kousen en de twee lange prikstokken. Zijn hoofd heeft nu bijna de kleur van de kousen. Ik verwacht dat ook hij spoedig de vlezige onderkant van rug op een gepaste plaats neer zal vlijen.

Na enige tijd sta ik op en vervolg mijn weg. Een klein stukje verder heeft moedertje Natuur met zeer kwistige hand rotsblokken gestrooid en vadertje Tijd heeft nog geen tijd gehad om ze een beetje netjes neer te leggen. Het zijn niet van die blokken waar je overheen stapt of even omheen loopt. Het zijn forse rotsen waar je soms klauterend met handen en voeten overheen moet zien te komen. Dit wordt nog wat voor de rode kousen en de buik die ik inmiddels gepasseerd ben. Waar laat je je stokken als je zo moet klimmen?

Het pad wordt gekenmerkt met een rode T die ogenschijnlijk her en der, lukraak op rotsen en boomstammen is geschilderd. Je wordt dus geacht om naast het klimmen en klauteren, ook nog de route in de gaten te houden. De inspanning begint wederom zijn tol te eisen. Het dieseltje loopt warm en verlangt rust. Gelukkig zit zoonlief op mij te wachten. Of het goed gaat. Ja, het gaat goed. Mooi hè? Ja, mooi. Niet echt een makkelijk pad hè? Nee, niet echt. Sorry maar een warme diesel maakt de spraak wat kort.
Ik merk dat hij zijn bolide al gestart heeft maar hij gaat, ik neem aan uit liefde en bezorgdheid, nog niet verder. Voor zijn motortje op mijn zenuwen gaat werken zeg ik dat hij wel verder mag. Ik kom heus wel. Heb alleen even wat tijd nodig.
Lange prikstokken kan je blijkbaar in elkaar schuiven. Ze steken als twee korte antennes uit de rugzak als de rode kousen mij weer voorbij gaan.

Hoewel het grootste deel van de wandeling bestaat uit het veroveren van rotsen en ontwijken van diepe afgronden zijn ook beter begaanbare stukken. Zo heeft men een lang plankier gelegd over een drassig stuk land. Het gaat dan wel niet omhoog, wat uiteindelijk toch de bedoeling is, maar het geeft een idee dat het wel opschiet. Ik vraag aan dalende bezoekers van de Preekstoel hoe ver het nog is en hoor verontrustende verhalen over een heel stijl stuk, een gedeelte wat vlak lijkt maar vals plat is en dan nog iets over een klein stukje klimmen. Ik probeer de moed er in te houden want als deze in mijn schoenen zakt wordt het vandaag helemaal niks.
De massieve schoenen  met de rode kousen zit langs de kant. Hij is druk met de twee lange prikstokken. Misschien schuiven ze makkelijker in dan uit.

Boven aan het hele steile stuk wat ook nog akelig smal is, zit zoonlief met een glimlach op zijn oude vader te wachten. Ja ja, ik weet het. Dit moet je toch eenmaal in je leven gedaan hebben en we zijn er nu bijna en het is toch een schitterende belevenis en wat een mooie, ruige omgeving en die Noren, die boffen maar met zo’n land. Peptalk. Wat lief! Ja joh, loop maar wat vooruit. Ik zie je vanzelf wel weer. Verdwalen kan je hier niet toch?
Hijgend als een paard sjokken de rode kousen met dito kop mij voorbij. In elke hand een ingeschoven lange prikstok.

Het stuk vals plat geeft ongekende sensaties. Ik blijk veel meer kuitspieren te hebben dan ik dacht. Nu zijn er lichaamsdelen en organen waarvan je weet dat ze er zijn maar die je niet voelt. Op het moment dat je dat wel doet, is het meestal mis. Het duurt dan ook niet lang voor ik mij met een doffe plof voorover op een mooi rond rotsblok vlij. Vlak voor mijn neus is er een grote rode T geschilderd en lijkt het nu maar zo of gaat het echt op een kruis lijken? Een klein stukje verder staat, midden op dat grote valse plat, de rugzak met de rode kousen voorover gebogen. Hij leunt met lange armen op de ingeschoven lange prikstokken. Van een afstandje lijkt hij op een dromedaris met twee protheses als voorpoten. Zoonlief komt terug lopen en de herinnering aan de hond wordt weer levendig. Monter deelt hij mee dat het nog maar een heel klein stukje is. Ik geloof hem op zijn woord en met een, voor mij bovenmenselijke inspanning bereik ik de preekstoel.

Er valt weinig te preken. Voor preken heb je adem nodig en die is er even niet. Als ik, na al die inspanning al adem had, was het nog niet gelukt. Het uitzicht ontneemt alles wat maar een beetje op adem lijkt. Hier past slechts stilte en diepe ver- en bewondering. Op onze buik kruipen we naar de rand en kijken in een peilloze diepte van 600 meter. Eens te meer ervaar ik dat natuur overweldigend kan zijn. Als ik omkijk zie ik de rode kousen ook het plateau betreden. ’t Viel niet mee, collega-klimmer, maar we deden het toch maar.

© peter gortworst / mei 2017
foto’s eigen maaksel

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 5 reacties

De toneelschrijver

Precies op de afgesproken tijd, ja, zelfs op de seconde nauwkeurig, belt de man aan. Ik open de deur en voor mij staat de voorzitter van de dorpsvereniging ‘Ons genoegen’. Zijn komst had hij drie dagen geleden aangekondigd met de geheimzinnige mededeling dat hij, in opdracht van de toneelgroep, iets met mij bespreken moest. Verdere mededelingen kon hij niet doen maar alles zou duidelijk worden in een persoonlijk gesprek. Toen ik vroeg of wij elkaar dan op een geheime locatie zouden moeten treffen, viel hij even stil maar na enig nadenken was mijn woning blijkbaar goed genoeg.

Ik krijg een formele handdruk en leidt mijn bezoeker naar binnen. In de keuken schenk ik twee kopjes koffie in en zet deze met de suiker, melk en koekjes op tafel. Zwijgend roert hij de ingrediënten door de koffie, bijt een stukje van een koekje en neemt dan voorzichtig een slokje. Het is geen gezellige prater. Van mijn inleidende koetjes en kalfjes wil hij niets weten. Hij komt direct ter zake:

‘Ik ben al geruime tijd volger van uw verhaaltjes op uw blog en nu….’
‘Ah! Bent u dat!?’ onderbreek ik hem in een zwakke poging tot enige luchtigheid.
Het helpt niet. Verstoord kijkt hij mij even aan en gaat dan verder:
‘Nu heeft de toneelafdeling van onze vereniging mij gevraagd om u te polsen teneinde een toneelstuk te schrijven. De uitvoering daarvan vindt volgend jaar plaats. We denken aan kort na Pasen. Daar het instuderen, maken van de kostuums en decorbouw nogal wat tijd vragen, zou het wenselijk zijn als het stuk in september klaar is.’

Ik ben mij er van bewust dat ik hem, met een nogal stomme uitdrukking op mijn gezicht, aan zit te staren. Ik een toneelstuk schrijven? Hoe verzint iemand dat? Het aantal keren dat ik een stuk heb gezien in een dorpshuis zijn op twee vingers van een hand te tellen. Blijkbaar is mijn stomme blik voor hem geen beletsel. Onverdroten gaat hij voort:

‘Het moet natuurlijk een stuk worden waar enige diepgang in zit maar waar ook de grap en de grol niet mogen ontbreken. De dorpsgemeenschap is een avondje uit en wil vooral vermaakt worden. Dat zult u wel begrijpen toch?’
Verwachtingsvol kijkt hij mij aan maar ik ben omgeven door vraagtekens.
‘Hoe lang moet het duren? Hoeveel spelers zijn er? Moet het ergens specifiek wel of niet over gaan?’ zijn de eerste vragen die in mij opkomen en deze dus ook maar aan hem stel.
‘Voor de pauze duurt het meestal een uur en na de pauze nog drie kwartier maar daar kan wel wat in geschoven worden. Er zijn 25 spelers die wel allemaal een rol willen en we hebben het liefst een stuk waar geen homo’s, politiek, vluchtelingen of asielzoekers in voorkomen. Godslasterlijke krachttermen horen we liever ook niet. De mensen zijn per slot van rekening een avondje uit.’

De weerstand die al voelde stijgt met de minuut. Een godslasterlijke krachtterm kan ik nog net binnen houden.
‘Helpt u mij even op weg?’ vraag ik hem. ‘Zomaar een wild idee. Ik zit te denken aan een handelaar in runderen. We zetten drie koeien op het toneel dus dan hebben 6 mensen al een rol. Die man heeft natuurlijk een vrouw en kinderen. Dat zijn minimaal 4 personen.’
Er wordt instemmend geknikt en hij begint zowaar mee te denken:

‘Er zijn natuurlijk buren en stel nu dat er vier vrienden op bezoek komen of vier onbekende jongens die in de hooiberg blijven slapen. We laten één van die jongens verliefd worden op de dochter van de handelaar…’
‘Of twee die het van elkaar niet weten.’
‘Oh ja,’ zegt hij en begint zowaar te glimlachen. ‘Dat geeft dolkomische situaties. Ik zie nu de ene al door een deur vertrekken en de ander binnen komen.’
‘Vast. En zeker als blijkt dat ze van één van de twee zwanger is.’
‘Nee,’ zegt hij en zijn formele gezicht is weer terug. ‘dat is natuurlijk niet leuk.’
‘Maar wel vaak de waarheid toch? Goed, ze wordt niet zwanger, de derde vriend kan niet op de zoon van de handelaar vallen en de vierde mag de moeder van het spul niet het hof maken. Hoe gaat het dan verder?’

Hij is in zijn hoofd druk met al die mogelijke relatievormen dus het duurt even voordat hij wat zegt.
‘Misschien leert ze dat de stadse gewoontes van die jongens uiteindelijk niets voor haar zijn. Die weten natuurlijk niet wat het is om met laarzen in de stront te staan. We laten haar verliefd worden op de knecht. Die heeft al jaren een oogje op haar.’
‘Prima. Nog een karakter er bij wat door deuren kan komen en gaan. Een romantische liefdesscène op het toneel wil iedereen wel zien. We komen er wel.’

Hij knikt instemmend en vraagt dan:
‘Begrijp ik dat u het stuk gaat schrijven?’
‘Dat hangt er van af of jullie het kunnen betalen.’
Het gezicht wordt zakelijk. Hij gaat wat rechter in zijn stoel zitten en zegt dan:
‘Wat denkt u te vragen?’
‘Voor het schrijven vijfhonderd, per woord drie cent en per scene vijftig euro. Je hebt, voor je er erg in hebt zo drie tot vierduizend woorden en zeker tien scenes dus reken maar uit.’
Hij doet zijn best.
‘Duizend tot twaalfhonderd euro,’ help ik hem.
‘Dat is een hoop geld,’ zegt hij zachtjes.
‘Ik zal je helpen,’ zeg ik. ‘Ik reken voor het idee van het verhaal honderd euro maar als u het schrijft, en dat gaat u vast wel lukken, kost het maar de helft. Uw naam komt op het programmaboekje te staan en er is een heleboel geld mee uitgespaard. Hoe lijkt u dat?’
‘Denkt u dat echt? Ik bedoel, denkt u… kan ik dat echt wel schrijven?’
‘Ja hoor. U heeft al zo veel van dit soort voorstellingen gezien dat het voor u een fluitje van een cent is. Ik wed dat u er veel bedrevener in bent dan ik en vergeet niet dat dit maar vijftig euro heeft gekost. Een prachtige kans om de kas eens flink te spekken. De penningmeester zal u eeuwig dankbaar zijn.’

Hij zit stil in zijn stoel en pakt nog een koekje. In diepe gedachten verzonken bijt hij daar een stukje af.
‘Ik kan die koeien op het toneel ook laten poepen,’ mijmert hij. ‘Dat doet het altijd goed.’
‘Wat een geweldig idee. Moet je doen. Zie je wel. Het gaat helemaal goed komen. Zal ik u een rekening sturen voor die vijftig euro of rekent u dat liever even contant af?’
Hij vist in zijn kontzak naar zijn portemonnee en met een  ‘Laten we dat maar gelijk afhandelen’ gaat hij staan. Ik help hem in zijn jas en leidt hem vriendelijk naar buiten.
‘Ik blijf u volgen hoor!’ roept hij als afscheid. Het klinkt bijna vrolijk.

Morgenochtend in de stad maar even een lekker ontbijtje halen. Dik verdiend.

©peter gortworst / mei 2017
foto: http://www.youtube.com

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

Geen weg terug

“……en belooft u getrouw alle plichten te zullen vervullen, die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden? Wat is daarop uw antwoord?”

De gedragen stem van de ambtenaar die voor hem staat, klinkt van ver. De bruidegom is vervuld door het moment. Meer dan een jaar heeft hij hier naar toe geleefd en niemand in deze trouwzaal weet van zijn plan dat nu tot een ontknoping komt. Hij kijkt om en ziet zijn ouders, zijn broers en zussen, de toekomstige schoonfamilie en een heleboel bekenden. Zij weten niet wat hij weet. Hij kijkt naar Klaasje. Glimlachend aansporende Klaasje in haar witte bruidsjurk.
“Het spijt mij meer dan ik zeggen kan,” zegt hij zacht tegen haar en voordat zij zich kan realiseren wat er gaat gebeuren kijkt hij bijna brutaal de ambtenaar aan.
“Nee,” zegt hij dan luid en duidelijk.

O, hij weet het best. Beslissingen nemen is nooit zijn sterkste punt geweest. Een beetje sturing krijgen, de zaken op zijn beloop laten of anderen de beslissingen laten nemen, zijn makkelijk en pakken vaak goed uit. Soms niet en dan is het maar zo. Of je zegt dat het de wil van God is. Dat klinkt vroom en je komt er hier, in dit van God vergeven dorp, makkelijk mee weg. Hier kijkt niemand er vreemd van op omdat iedereen schijnt te weten wat de wil van die God is.

Hij is gestuurd of beter gezegd, gedwongen. Klaasje, de vrome, gezagsgetrouwe Klaasje is, volgens zijn moeder, de beste vrouw die hij zich maar wensen kan. Een dochter uit een welgesteld en godvruchtig milieu. Precies de mensen die bij hen passen. Hun eigen handelsonderneming kan een dergelijk verbond met een gerenommeerd houtwarenbedrijf goed gebruiken. Hier wordt iedereen beter van.

Zijn vader is helder: het wordt Klaasje, luister naar je moeder en wee je gebeente als je het verprutst. Protesteren is zonneklaar zinloos maar de zaak op zijn beloop laten, gaat ook niet. Dat kan ook niet. Daar zorgt Klaasje wel voor. In het openbaar hebben vrouwen niet veel te vertellen. Achter de voordeur ligt het vaak anders en zo bepaalt en fantaseert Klaasje. Hoe het trouwfeest zal zijn, of ze in klederdracht zal trouwen of toch maar in het wit, hun huwelijkse leven, het huisje, de toekomstige kinderen. Hij doet niets om deze zogenaamde match in heaven te ontlopen omdat het past in zijn plan. Het plan wat eigenlijk pas ontstaan is toen Klaasje aan hem gekoppeld werd. Het moet een afrekening worden met tradities, de hoe-hoort-het-cultuur, de zelfingenomenheid en de christelijke dommigheden. Het moet ook een bevrijding voor hemzelf worden maar hoe dat gaat werken is nog niet geheel duidelijk.
Hij praat met haar mee over de kerk en het geloof maar zegt niets over zijn twijfels en zijn leven wat in de ogen van een ieder misschien zondiger is dan dat van alle anderen.
Zijn strijd heeft hij bijna tot het einde alleen gestreden. Zijn strijd met die God en met zichzelf. Toch is de oorlog nog niet gewonnen. Die God heeft inmiddels afgedaan en met zichzelf is hij in het reine gekomen maar de laatste slag moet nog komen. Hij zal, als hij deze confrontatie aangaat, uitgestoten worden. Geen thuis meer, geen vrienden meer, geen sociale contacten meer en een onzekere toekomst. Er zal voor hem geen plaats meer in dit dorp zijn.

Hij begrijpt maar niet dat Klaasje niets doorheeft. Nog niet één keer heeft hij gezegd dat hij van haar houdt en toch ziet zij in hem de ware. Misschien doordat ze elkaar al jaren kennen. Samen zijn ze opgegroeid. Samen naar dezelfde school en in dezelfde klas. Ze speelden als kinderen vaak met elkaar en ze kennen elkaar zo goed dat een half woord vaak genoeg is.

Maar als ze hem zo goed kent, had ze dit toch moeten weten? Was die ene keer dat hij haar aan het twijfelen bracht niet voldoende? Misschien had hij veel eerder moeten zeggen dat dit hele gedoe een heilloze weg is. Dat hij nooit kan zijn wat ze van hem verwacht. Hij had gehoopt dat ze zou merken dat hij niets voor haar voelt maar de liefde of de druk van thuis maakt blind. Ze heeft hem zelfs de hemel in geprezen toen de seks voor het huwelijk ter sprake kwam. Hij moet er niet aan denken terwijl zij meent een goede christelijke jongen aan de haak geslagen te hebben die weet dat hij wachten moet tot het mag. Goed, hij is een beetje bot, niet zo spraakzaam, loopt niet te koop met zijn emoties en is niet echt een knappert maar wel degelijk en uit een goede familie.

Lang heeft hij getwijfeld of hij haar dit aan moet doen. Ze is meer dan een pion die opgeofferd wordt in zijn schaakspel maar zonder haar zal zijn statement niet die grootte krijgen die hem voor ogen staat. Het zal nooit meer goed kunnen komen tussen hen. Zijn ouders zullen hun aanzien zeker verliezen en over de financiële gevolgen wil hij helemaal niet nadenken. Hun beoogde woning is door beide ouders gekocht en ingericht en wat hem betreft mag Klaasje, de straks verlaten en bedrogen Klaasje, daar alleen gaan wonen. Nog even moet hij ‘normaal’ blijven doen.

Misschien is zijn ‘nee’ voor een enkeling in de zaal de bevestiging van wat diegene terloops vermoede maar voor de meesten komt het als een klapband. Voor hem is dit het einde van een weg die van meet af aan geen terugweg kent. Als jonge jongen had hij al door dat hij anders was en hij wist intuïtief dat daar over gezwegen moest worden. Alles heeft hij er aan gedaan om dat ‘anders zijn’ te laten verdwijnen. ‘Zo’ zijn is niet goed. Het is God die je straft maar wat heeft hij misdaan? Talloze boeken heeft hij nageslagen om te ontdekken wat de oorzaak en de bedoeling van deze straf is. Hij heeft vurig gebeden tot zijn ineengestrengelde vingers pijn deden en zijn knieën brandend rood waren. En naarmate een antwoord onvindbaar en uit bleef, veranderde ook zijn mening over die God. Als er al een God zou zijn had die hier niets mee te maken. Het zat in hemzelf en hij begon zich te haten. Als het dorp ontdekt wie hij werkelijk is wordt zijn leven een hel en waarom zou je nu nog langer in een hel leven als er na je dood ook een hel wacht? Uiteindelijk wordt het spoor, dat dwars door het dorp voert, verraderlijk aantrekkelijk en als hij op een zonnige middag bij het talud zit om zijn leven te overdenken en moed verzamelt om het toch een keer te gaan doen, wordt hij gevonden door Dorus. Hij is van staatswege op pad gestuurd om de vegetatie in diverse spoorwegbermen in kaart te brengen. Een dolende ziel die de weg kwijt is komt in zijn vegetatielijstje niet voor. Hij herkent de situatie uit eigen ervaring en deze dolende ziel vindt in hem zijn bestemming. Liefde is nu eenmaal een raar ding.

 

‘Nee,’ zegt hij luid en duidelijk. Dan draait hij zich om en met een onbevangen blik kijkt hij alle familieleden en gasten aan. ‘Ik ben, wat jullie zo geringschattend en afkeurend noemen, van de verkeerde kant. Nee, het is niet te genezen, het is niet met bidden weg te krijgen en het valt niet te ontkennen. Ik weet dat jullie mij gaan veroordelen maar ik zal er geen last van hebben. Ik vertrek en het enige wat ik hoop is dat jullie na gaan denken. Van jongs af aan weet ik van mijn homoseksuele aard en heb gewoon in jullie midden gewoond. Aan niets hebben jullie kunnen zien of merken dat ik een homo ben. Ik was één van jullie. Geaccepteerd en gewaardeerd. Mijn geheim is nu geen geheim meer. Voor mij is dit het einde van een lange weg. Een terugweg bestaat niet meer. Ik ben mijzelf geworden, kan mij in de spiegel aankijken en tevreden zijn en bovenal: ik weet dat ik geliefd ben. Niet meer door jullie want jullie liefde is een voorwaardelijke liefde en niet door jullie zelf gecreëerde God. Ik ben geliefd door hem die mij gevonden heeft.’

Hij loopt tussen alle gasten door naar buiten. Terwijl achter hem de hel losbreekt, huppelt hij de stenen trap af en springt bij Dorus in de auto.

 

©peter gortworst / apr. 2017
foto: http://www.rtvoost.nl 

 

 

 

 

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

Niet normaal

Soms gaat het even niet normaal. Je dagelijkse routine kan worden verstoord door onverwachte gebeurtenissen en die kunnen in positieve of negatieve zin zo ingrijpend zijn, dat je ze, als een levendige herinnering, zo weer voor de geest kan halen. Dat is wel normaal.

Zo gaat het ook met Arthur. Elke morgen rijdt hij zijn oude maar trouwe brommer uit het schuurtje, bestijgt, gekleed in zijn lange leren jas, zijn grote handschoenen met lange flappen en zijn oude pothelmpje dit gemotoriseerde vehikel en begeeft zich, met een daverende snelheid van minstens dertig kilometer per uur, naar zijn werk. In de zijtas van dit voertuig zijn broodtrommeltje wat met grote liefde en zorgzaamheid elke morgen door Jansje wordt gevuld. Zo gaat het jaar in en jaar uit.

Deze morgen dus niet. De brommer wil niet starten. De kickstarter geeft de motor wel een zetje maar deze pakt niet. Aanlopen wil normaal wel eens helpen maar al snel constateert Arthur, hijgend als een hert der jacht ontkomen, dat ook dit geen oplossing biedt. Goede raad is duur of heet Jansje.

‘Hier, je broodtrommel. Zet dat ding in de schuur, geef mij je helm en loop naar de bushalte. Schiet op want hij komt zo.’

Mopperend en vervuld van zorgen over zijn geliefde vervoermiddel maar met gezwinde pas, loopt Arthur naar de bushalte. Hij is of de enige reiziger die deze plaats als vertrekpunt heeft gekozen of hij is te laat. Aandachtig bestudeert hij het door vocht aangetaste lijstje als hij achter zich een bus hoort stoppen. Gelukkig. Net op tijd dus.

De deur gaat sissend open en Arthur stapt in. Hij knoopt zijn lange leren jas voor een deel los om uit zijn achterzak de portemonnee te vissen maar voor dat hij dit heeft kunnen doen zegt de chauffeur nors:
‘Ja, loop maar door hoor.’
Verbaasd kijkt Arthur de man aan.
‘Ik moet toch beta……’
‘Nee! Dat moet je niet! Ga nou maar ergens zitten!’ commandeert de chauffeur.

Arthur kijkt de bus in. Achtendertig paar ogen, behorend bij even zo veel jonge en oudere mensen met het downsyndroom of geestelijke stoornis kijken hem zwijgend aan. O mijn God, denkt Arthur, de bus van de sociale werkplaats. Daar de bus zich al in beweging heeft gezet, is uitstappen geen optie en waarom zou Arthur ook? De werkplaats is vlakbij zijn eigen werk dus het komt mooi uit.

Veel meer tijd om na te denken over deze abnormale wending van de morgen krijgt hij niet. De schare in de bus kijkt hem nog steeds zwijgend aan. Dan verrijst zich redelijk vooraan een boom van een jongen.
‘Kom hier maar! Hier kan je nog zitten,’ roept hij.
In afwachtende stilte en gevolgd door alle achtendertig paar ogen, gaat Arthur zitten.
‘Ik ben Henkie,’ zegt het omvangrijke manspersoon naast hem.
‘Ik ben Arthur.’
‘Ben je nieuw?’
‘Ja, dat kan je wel zo zeggen.’
Henkie gaat staan en roept:
‘Hij heet Arthur en is nieuw!’

Blijkbaar is dit de mededeling waarop iedereen heeft gewacht. Er breekt een vrolijk geroezemoes los en iedereen komt Arthur een hand geven. Tussen twee haltes in heeft hij een bus vol uiterst gezellige en vrolijke vrienden verworven.

Als de bus bij de werkplaats aankomt denkt Arthur er stilletjes tussen uit te kunnen knijpen. Gelukkig ontfermt Henkie zich over hem en met een ‘Je moet hierheen’ levert hij de kersverse nieuwe af bij de werkmeesters. Arthur doet zijn verhaal, krijgt koffie en onder begeleiding van een der meesters wordt hij vriendelijk uitgeleide gedaan. Drie kwartier later dan normaal stempelt Arthur op het werk zijn kaart af. Met de chef is hij het over drie dingen eens. Hij is te laat, het was een fantastische ervaring en nee, dit is niet normaal.

©peter gortworst / apr. 2017
foto: http://www.busbrief.nl   

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 3 reacties

Kus

Grappig hoe snel je gevoelens uit het verleden vergeet. De spanning die je voor je verkeersexamen voelde ben je al lang vergeten. Misschien door al de andere examens die daarna komen en die een nieuwe spanning gaven omdat het wel of niet slagen zo belangrijk was. Je eerste verliefdheid waarmee je je geen raad wist omdat alles zo nieuw was. Elke nieuwe verliefdheid leverde nieuwe gevoelens op maar wat bleef was de verwondering dat iemand voor jou kiest. Ook het nemen van beslissingen went. De slapeloze nachten met alle doemscenario’s als je voor het eerst een auto koopt of nog erger, een huis. Maar gaandeweg het leven worden de zaken anders. Je wordt volwassen, ouder, bedachtzamer en soms zelfs wijzer. Met een beetje medelijdend genoegen kijk je naar het ‘jonge spul’ dat beslissingen neemt die voor jou gesneden koek zijn maar voor hen een levensgroot probleem. Zeggen dat het allemaal wel meevalt is praten tegen doveman’s oren. Dat zou je van vroeger nog moeten weten maar ook dat is vergeten. Toch is ouder en misschien wijzer worden geen garantie voor een stabiel bestaan. Wacht maar tot de verliefdheid zich weer aandient.

 

Zo gaat het ook met Jaap. Een kantoorbaan waarbij men rekening houdt met zijn naderende pensioen. Voor Jaap geen moeilijke toestanden meer met bedrijfspolitiek, targets, ISO 9000 en nog wat certificering en allerhande Engelse termen waar hij geen nota van begrijpt. Jaap is er voor het ouderwetse handwerk en daar is hij goed in. Hij telt sneller 15 bedragen foutloos bij elkaar op dan jij het op de computer kan. En toch heeft Jaap een probleem. Hij is verliefd geworden.

Anneke heet ze. Als uitzendkracht is deze dame bij hen te werk gesteld en Jaap is vanaf dag 1 verliefd tot ver over zijn oren. Het schijnt dat ze maar iets jonger dan Jaap is dus van de oude bok met blaadje groen is geen sprake. Hij is er snel achter dat zij ook alleen is en hij is slim genoeg om zich niet aan haar op te dringen. Hij speelt het subtiel. Er is maar één keer vragen voor nodig om te weten hoe zij de koffie drinkt en voortaan elke keer met het goede bakkie aan te komen. Met zijn neus bijna in haar vlotte kapsel zet hij de koffie op de goede plek naast haar. Met zijn ogen dicht neemt hij, als een hond bij elke boom, haar geur in zich op. In het bedrijfsrestaurant gaat hij zo zitten dat hij in haar blikveld zit. Bij zijn bureau kan hij zogenaamd nadenkend voor zich uit staren maar het enige wat hij doet is naar haar kijken. Vooral haar handen. Mooie slanke handen met lange vingers en goddelijke adertjes op de rug. Alleen die handen al laten talloze vlinders in zijn maagstreek fladderen.

’s Avonds in bed denkt hij aan haar. Ze lopen samen in de stad, hand in hand langs het strand, samen op de bank voor de buis, ze werken in de moestuin waarbij hij haar af en toe een zoen geeft en vervuld met dergelijke visioenen valt Jaap in slaap. Hoe hij het aan moet pakken weet hij niet. De volwassenheid en mogelijke wijsheid zitten hem in de weg. Het spontane, vrije gedoe van vroeger is er niet meer en naast alle geluksgevoelens breekt Jaap er zijn hoofd over hoe het nu verder moet.

Op goede momenten moet vaak even gewacht worden. Bij Jaap duurt dat tot de lente. Hij mist haar al in het restaurant en omdat het schitterend voorjaarsweer is besluit hij een ommetje te maken. Dat doet men wel vaker dus zo vreemd is dat niet. Al wandelend ziet Jaap Anneke op een bankje zitten. Ze houdt haar hoofd achterover om de zon vol op haar gezicht te laten schijnen. De ogen heeft zij dicht en haar handen op haar schoot. Jaap komt naderbij en zelfs naderhand heeft hij geen goede verklaring voor zijn besluit. Hij druk voorzichtig zijn lippen op de hare en kust haar. Ze opent haar ogen en haar rechterhand, die mooie hand met die lange vingers en die goddelijke adertjes op de rug, komt los uit haar schoot en met een geweldige klap slaat ze Jaap vol op de zijkant van zijn hoofd. Suizebollend valt Jaap languit op de tegels van het zonovergoten wandelpad.

 

Jaap komt vanmiddag niet meer werken. Hij is ziek naar huis gegaan.

 

©peter gortworst / apr. 2017

Geplaatst in korte verhalen | Tags: , , , , , , | 6 reacties

Het kunstje van een onbenul

Ik ben er vanavond achter gekomen dat ik ongeschikt zou zijn als politicus. Niet echt een ontdekking van formaat want eigenlijk wist ik het wel. Voor het nastreven van je idealen is de politiek voor de één het allerbeste platform en voor de ander juist een belemmering. Je voelt je er als een vis in het water en kan trots op behaalde resultaten wijzen of je verzuipt in een moeras van spelletjes, zijdelingse belangen, gemaakte afspraakjes of partijdiscipline. Vanavond was ik getuige van een spelletje met een ongekend en tenenkrommend niveau het amateurisme betreffend.

Het kersverse kamerlid Gidi Markuszower van de PVV, u weet wel, de man die in 2009 zich terugtrok voor de Tweede Kamer wegens verboden wapenbezit, een rapport van de AIVD wegens ongeoorloofde contacten met een buitenlandse inlichtingendienst en zeer bedenkelijke opmerkingen betreffende Joden, mocht minister Blok vragen stellen over het incident in Arnhem. Gidi had deze vragen, en waarschijnlijk hij niet alleen want zo gaat dat in die partij, op papier gezet. Gezien het aantal velletjes A4 en de lengte van zijn tekst, geschreven met grote letters. Nu is voorlezen iets wat je moet kunnen en zeker als je het spontaan en natuurlijk over wilt laten komen. Gidi kan dat niet. Het haperde en misschien komt dat wel door de grote woorden die hij gebruikte. Islamitisch tuig, Marokkaans tuig, maximaal straffen, paspoort afpakken, land uitzetten, we pikken het niet… enfin, u kent de termen waarmee deze partij zich de vertegenwoordiger van het volk noemt.

Minister Blok gaf na een inleiding waarbij hij blijk gaf van oprechte verontwaardiging over het gebeurde, keurig antwoord op de vragen die Gidi hem gesteld had. Daar was geen woord Spaans bij. Toen mocht Gidi de vervolgvraag stellen en zie hier het amateurisme: de vervolgvraag werd ook van het papier gelezen! Wat de minister aan antwoord had gegeven deed niets ter zake. In die vervolgvraag werd geen enkel moment ingegaan op het antwoord van de minister en sterker nog, het sloeg als een tang op een varken of een drol op een gebakje.

Blok maakte daar terecht een onderkoelde opmerking over en gaf weer, in enigszins andere bewoordingen, hetzelfde antwoord. De slotopmerking van Gidi, die dus een reactie zou moeten zijn op de woorden van de minister, werd weer voorgelezen en sloeg weer als de eerder genoemde tang of drol op het arme dier of de lekkernij. Gidi mocht weer gaan zitten in de hoop dat zijn geliefden thuis net zo hadden genoten van zijn optreden in de Tweede Kamer als hijzelf. Inmiddels was zijn maatje de Graaf, en waarschijnlijk de medeopsteller van dit stuk doordacht proza, bij de interruptiemicrofoon gaan staan om de minister nog even het vuur stevig aan de schenen te leggen. Die jongens kunnen dat nooit normaal doen. Het moet blijkbaar altijd op een ruzieachtige toon. Ze zijn altijd boos. Nooit eens ‘kunnen we daar niet eens rustig over praten’ maar altijd in termen als ‘wij eisen’. Maar goed, het punt was gemaakt en het materiaal voor het propagandafilmpje was binnen.

Ik vraag mij af wat er gebeurt zou zijn als de minister de indruk had gegeven het met Gidi eens te zijn. Als hij had gevraagd ‘Goh, Gidi, hoe zie jij dat voor je? Wat zou de maximale straf in dit soort gevallen moeten zijn en hoe denk je dat te gaan doen dat uitzetten van die Nederlanders? Ik wed dat hij geen papiertje had waarop de antwoorden van deze ontwikkeling met grote letters geschreven stonden.

Als ik kamerlid of minister zou zijn had ik die vragen wel gesteld en Gidi misschien gedevalueerd tot een onbenul die alleen maar zijn kunstje kan oplezen en dat nog beroerd doet ook.

Maar ja, ik zit daar niet en dat is maar goed ook.

©peter gortworst / apr.2017

foto: D66

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , | 3 reacties

Verzijpen, latouw en leevaart

Als amateur kok in het kwadraat bezit ik een behoorlijk aantal kookboeken waarvan ik de meeste recepten nog eens moet maken als de tijd en het goede moment daar is. Voor alle dag beperkt ik mij tot standaard recepten die ik kan dromen. Af en toe heb ik een uitschieter. Zo staat er nog een pannetje met het laatste stukje draadjesvlees in de koelkast. Het heeft uren staan stoven met een hele bol knoflook, ui, peper en veel scherpe paprika. Het smaakt verrukkelijk.

Nu ben ik van plan om een aparte kast te maken voor al die veelbelovende kookboeken. Bij het selecteren kwam ik een boekje tegen wat ik helemaal niet ken. Geen idee waar het vandaan komt, hoe oud het is en wie het uitgegeven heeft. Het lijkt meer een oud schriftje en van de beschreven recepten zijn enkelen zeer summier. Waarschijnlijk werd men geacht over enige basiskennis te beschikken. Nergens wordt gesproken over een koelkast en men hield nog rekening met het seizoen. Zo vermeld het recept voor juliennesoep dat men bij den kruidenier zich een mengsel aan kan schaffen van gedroogde, zeer fijn gehakte groenten. Dit moet in de winter want in de zomer zal men deze soep smakelijker bereiden met versche groenten. Als men dan de groenten noemt die men kan gebruiken, staat daar plotseling ‘latouw’. Nooit van gehoord. Het woord ‘verzijpen’ kom ik ook regelmatig tegen en wat te denken bij de visrecepten van een ‘leevaart’?

Ik ben dus de woordenboeken ingedoken. Latouw blijkt een soort sla te zijn, verzijpen is uitdruipen of uitlekken en een leevaart is een niet gerookte haring. Voor een Hollander als ondergetekende zijn dit onbekende woorden maar blijkbaar niet voor onze Vlaamse vrienden. Zo staan er meer woorden in die duiden op een Vlaamse herkomst van dit boekje en dat maakt het leuk. Natuurlijk had de ‘onhollandse’ naam van de schrijfster al een vermoeden kunnen geven. Dat uien ajuinen zijn, samoule griesmeel is en dat biersoep met eieren een godenmaal mag heten is hen natuurlijk met de paplepel ingegeven.

Aandoenlijk vind ik het recept van de bouillon voor zieken.

Men snijdt een pond jong vleesch aan kleine stukjes. Voegt hierbij een weinig zout, een paar stukjes wortel en selderij en laat dit alles te zamen met twee liter water in een gesloten ketel gedurende 3 uren langzaam koken. Daarna giet men de soep door een zeef. Hiervan geeft men den zieke 2 kopjes per dag.

Er wordt niet vermeldt aan welke ziekte men moet lijden om hiervoor in aanmerking te komen. Wat wel opvalt is dat er bijna overal erg veel vet gebruikt wordt. Boter is echte boter. Niks geen margarine, olijfolie of halfvolle melk. Een eend moet twee uur braden en bedruipt worden met bakvet, jus of melk. Zelfs in de aspergesoep gaat meel en boter. Een sausje maken?

Roer een klont boter ter grootte van een ei tot room voegt een lepel meel en zooveel kokende melk bij tot het een dik sausje wordt. Roert hierdoor 3 eieren, een theelepel slaolie en een halve theelepel mosterd en een weinig zout.

Cholesterol was toen iets onbekends. Voorlopig ga ik het maar niet gebruiken. Ik zet het in mijn kast en wie weet komt er in de toekomst een mogelijkheid waarbij het prima van pas komt.

 

©peter gortworst / mrt 2017

Geplaatst in van alles... | Tags: , , , , , , , , | 3 reacties