‘Met Henk.’
‘Dag Henk, met Anneke. Ken je me nog?’
‘Uh …. Ja …. Had ik jou vorige week niet per ongeluk gebeld?’
‘Klopt, en ik ben benieuwd hoe het nu met je is.’
‘…. Uh …. Goed …. Uh…. Leuk dat je belt, maar waarom?’
‘Omdat ik vanmorgen bedacht dat het een week geleden is.’
‘Dat ik je belde ….?’
‘Ja.’
‘En dat is het herdenken waard?’
‘Vind je het niet leuk dat ik je bel?’
‘Ja, dat wel. Ik had er gewoon niet op gerekend. Je overvalt mij er wel mee.’
‘Daar schijn ik nogal goed in te zijn. Ben je weer onderweg naar een kapotte steamer?’
‘Nee, preventief onderhoud in de keuken van een kazerne.’
‘Aan die stoommachines?’
‘Ja, maar ook aan vaatwasmachines, kookketels, braadsleden, friteuses …. ‘
‘Is dat spannend?’
‘Absoluut niet.’
‘Heb jij afgelopen week nog aan ons telefoontje gedacht?’
‘Ja, zo af en toe.’
‘Omdat?’
‘Omdat het een verrassend leuk gesprekje was. Je had mij ook af kunnen snauwen.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Misschien stoorde ik je bij iets belangrijks.’
‘Maar dan kan je toch gewoon vriendelijk blijven?’
‘Dat lijkt mij ook.’
‘Hoe oud ben jij eigenlijk?’
‘Negenentwintig. En jij?’
‘Henk toch! Je vraagt een dame nooit naar haar leeftijd!’
‘Sorry.’
‘Beschrijf jouw uiterlijk eens.’
‘Als Swarzenegger in zijn jonge jaren. En jij? Of mag ik dat ook niet vragen?’
‘Jij een Swarzenegger? Ha, ha! Dat zal wel. Nou, ik ben het evenbeeld van Brigitte Bardot.’
‘Da’s niet best. Zij is een lijk in verregaande staat van ontbinding.’
‘Zo voel ik mij vandaag ook. Ik ben een rotboek aan het redigeren dat mij somber maakt, het is maandag en ik heb met nog niemand kunnen kletsen. Heb je het nieuws vanmorgen al gehoord?’
‘Over Trump en Groenland?’
‘Nee, dat van die treinen in Spanje. Twee hogesnelheidstreinen zijn op elkaar geklapt. Ze spreken nu al over tientallen doden.’
‘Dat klinkt niet best. Ik zal straks even luisteren en kijken. Even wat anders: bel je mij om even te kunnen kletsen?’
‘Ja.’
‘Ik vermoed dat je alleen woont?’
‘Helaas wel. En jij?’
‘Ik ook, maar niet helaas. Vorig jaar een appartementje gekocht dat voor één persoon te groot is en voor twee net te klein.’
‘Ik heb een ruime huurflat op drie hoog. Grappig. Als je een flatje koopt, heet het ineens een appartement. Ik huur en dan blijft het een flatje. Je woont toevallig niet in het centrum van Utrecht?’
‘Gelukkig niet. Het zal je maar gebeuren. Eén knal en je bent alles kwijt.’
‘Ben jij bewust single?’
‘Nee. De ware is nog niet verschenen. Ik ben nogal kieskeurig. Wat is er helaas aan jouw alleen-zijn?’
‘Ik had een vriendje en plotseling was ik niet goed genoeg meer. Van de ene op de andere dag liet hij mij in de steek.’
‘Dat klinkt klote.’
‘Dat was het ook.’
‘Was dat vrij recent?’
‘Begin 24.’
‘En nog geen nieuwe Adonis tegengekomen?’
‘Nee. Ik denk dat mijn gebruiksaanwijzing te gecompliceerd is.’
‘Iedereen heeft toch zo’n ding?’
‘Ja, maar er zitten graden van moeilijkheid in en ik denk dat de mijne valt onder de categorie “zwaar”.’
‘Ach, op elk potje past een dekseltje, toch?’
‘Ik ben geen pot.’
‘….. Dat bedoel ik niet.’
‘Weet ik.’
…..
…..
‘Henk?’
‘Ja?’
‘Mag ik je volgende week weer bellen?’
‘Dan is het weer maandag.’
‘Misschien heb ik je juist dan nodig.’
‘Oh .…. Uh ….. ja, oké …..’
‘Fijne dag, Henk.’
‘Jij ook, Anneke. Sterkte met je boek.’
(word vervolgd)