Rode port

Ze is net wakker en staat in de badkamer. Het water van de douche wordt langzaam warm en dat geeft haar even de tijd om zichzelf in de spiegel te bekijken. Met bijna elke wet valt wel wat de sjoemelen maar de wet van de zwaartekracht is onvermurwbaar. Dat ziet zij aan den lijve en het doet haar maandagmorgengevoel geen goed. Met haar hand voelt ze dat de douche op temperatuur is en net als ze er onder wil gaan staan, klingelt de telefoon. Welke gek belt haar nu om zeven uur in de morgen? “Pa” staat er in het scherm. Ze neemt op.
‘Ja!! Goeiemorgen. Wat is er nu weer?’
Het klinkt bits en dat weet ze. ’s Morgens vroeg is ze nu eenmaal niet de zorgzame en begrijpende engel van een dochter. Aan de andere kant hoort ze haar vader snuiven.
‘Nou?’
‘Ja, ja,’ klinkt het na nog een paar snuiven, ‘Het gaat niet meer.’
Verbeeld ze het zich of klonk dit wat lallend?
‘Waar heb je het over?’
Weer hoort ze alleen die zware ademhaling en dan zegt hij:
‘Ik maak er een eind aan. Het gaat ja, ja, niet meer.’
Ze krijgt niet de kans om iets terug te zeggen. De verbinding wordt verbroken en een akelige ongerustheid maakt zich van haar meester. De kraan van de douche gaat dicht, de kleren van de vorige dag weer aan en ze haast zich naar de auto. Onderweg belt ze even naar haar werk om te vertellen dat ze later komt. Dat ze een oma met haar 16km truttenschudder via de linkerkant van de vluchtheuvel inhaalt, deert haar nu even niet. Dat zijn banaliteiten als het om leven en dood gaat.

Haar vader hangt onderuit gezakt in zijn fauteuil. De fles rode port ligt op de grond en is leeg. In het longdrinkglas op het bijzettafeltje zit nog een goede slok. Met duidelijk lodderige ogen ziet hij zijn dochter binnenkomen.
‘Ja, ja,’ mompelt hij.
Razendsnel controleert ze zijn directe omgeving. Er liggen geen strips met pillen, geen pistool of jachtgeweer, er hangt nergens een strop en het enige mes dat ze ziet, is een fruitmesje naast een half afgepelde mandarijn.
‘Wat is hier in ’s hemelsnaam aan de hand?’
Zijn benevelde blik probeert hij op haar te richten maar dat gaat niet zo goed als hij zou willen. Het glas op het tafeltje naast hem ziet hij wel en met een forse slok is het laatste restje rode port verdwenen.
‘Ja…. ja…. ’t gaat niet meer….,’ lalt hij.
‘Wàt gaat niet meer?’
‘Ja…. nee, nee…. Het broek… boek.’
‘Huh?’
‘Ik weet het niet meer en nou moet ik ze ja, ja, alleen laten.’
‘Waar heb je het over? Wie moet je alleen laten?’
Met sombere blikken kijkt hij zijn dochter aan. Zo veel domheid had hij van haar niet verwacht. Hij is de beroerste niet en om haar op weg te helpen zegt hij:
‘Robert en Hanke.’
‘En wie zijn dat dan?’
‘Ja…nee… Dat weet je toch! Robert was die politieman en Hanke dat deerntje dat bij hem ging wonen!’
‘Ah! Het zijn personages uit je nieuwe boek!’
‘Ja, ja…. pelso…peso…naailes… Ik ben een beetje dronken, denk ik….ja….’
‘Je bent ladderzat!’
‘Ja, ja. En wat moet er nu met hen gebeuren? Ik kan ze toch niet in de steek laten?’

Het idee alleen al maakt hem verdrietig en het is geen wonder dat het water bij hem over de dijk loopt. Ze gaat naar de keuken en komt terug met een rol keukenpapier. Ze scheurt een velletje af en geeft dat aan haar vader.
‘Hier. Droog je tranen en snuit je neus.’
Omstandig doet hij wat er van hem gevraagd wordt en heeft daarom aan één velletje niet genoeg.
‘Ben je vannacht wel naar bed geweest?’ vraagt ze.
Het antwoord komt na lang wachten en vele overdenkingen.
‘Ja… nee, nee… ik denk het niet.’
‘Fraai! Je bedenkt zelf een verhaal met weet ik wat voor bedachte mensen en als je het niet meer weet, ga je niet naar bed en zuip je jezelf helemaal klem. Is dat niet een béétje bespottelijk?’

De vraag is in zijn huidige toestand te moeilijk. Het leed dat veroorzaakt wordt door gebrek aan inspiratie en het niet meer weten, staat als een valse draak in het centrum van zijn schrijverswereld. Daar kan je niet zomaar aan voorbij. Ook niet in kennelijke staat. Het is tevens diezelfde staat die hem belet duidelijk te maken dat ook bedachte personen levensecht kunnen worden. Mensen die je goede vrienden kan noemen, die je de liefde zou kunnen verklaren of waar je een hartgrondige hekel aan hebt. De rode-port-roes belet hem dat nu en meer dan een aarzelend ‘Ja, ja.’ kan er daarom niet van af.
‘Je moet naar bed,’ commandeert ze, ‘Kom in de benen dan help ik je de trap op.’
Ze helpt haar wankelende vader omhoog en prijst de hemel dat het geen grote en stevige man is. Vlak voor ze het bed bereiken zakt hij op de knieën en met geen mogelijkheid krijgt ze hem weer in de voeten.
‘Blijf hier maar liggen. Ik pak je kussen en dek je wel toe.’
‘Oh… ja, ja, Ik vind dit zo erg…’
‘Ach pa, je bent een keertje dronken. Zo erg is dat niet.’
‘Ja, ja,… nee… van Robert en Hanke…’
Ze verbijt zich.
‘Ja,’ zegt ze dan, ‘Dat ook. En nu slapen! Ik kom na mijn werk wel even kijken hoe het met je is.’

Weer beneden zoekt ze een boodschappentas en vult deze met de drank die nog in huis is. Vijf blikjes bier, één fles rode port en een aangebroken fles single malt schotse whisky. Bij de buurman doet ze verslag en vraagt hem of hij rond de middag even wil kijken of alles nog goed gaat.

In de auto denkt ze aan Robert en Hanke. Twee mensen die ze niet kent en die ze wel zal moeten leren kennen. Twee mensen die zomaar uit het leven van een oude man vertrekken doet wat met hem. Het is duidelijk dat haar hulp nodig is om hen weer uit de verdwijning te laten herrijzen. Natuurlijk ziet ze haar vader liever gelukkig met die twee dan met die ene hele fles rode port.

© Peter Gortworst / jan. 2024

Wil je meer van mij lezen? Bezoek jouw boekwinkel of bestel via
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-glimlachende-dode

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

1 Response to Rode port

  1. Mooi beschreven. Hoofdpersonen worden echt mensen die bestaan en bij je horen, in je hoofd. Hopelijk deed dat hoofd de dag erna niet teveel pijn 🙂

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie