Doffer

Dagenlang heeft het geregend en op het zeldzame moment dat ik door het stadspark wandel, schijnt de zon. Laag aan de hemel en enigszins waterig omdat je op de derde dag van het nieuwe jaar niet moet overdrijven met uitbundige warmte. De zon bestaat nog en dat gegeven is even voldoende. De vijver staat barstensvol water. Zo vol zelfs dat een behoorlijk deel van de grasweide daaromheen onder water staat. Als het nu gaat vriezen is er genoeg plaats voor alle kinderen om de schone kunst van het schaatsen te leren.

Langs het wandelpad staat een stenen bankje en ik besluit daar plaats te nemen. Ik schrik op omdat een duif met veel gefladder naast mij op de rugleuning van het bankje landt.
‘Goedemorgen,’ koert de vogel.
‘Ook goedemorgen,’ antwoord ik.
‘Niet verbaast?’
‘Een beetje wel,’ beken ik.
‘Laat mij raden. Het is omdat ik jouw taaltje praat.’
‘Ook. Het is meer de verbazing over hoeveel moeite het je kostte om een beetje knap te landen.’
‘Ah! Dat… Ja, dat heb ik sinds twee dagen. Er is ’s nachts een vuurpijl vlakbij mijn kop ontploft en die is dientengevolge nog een beetje in de war. Richtingsgevoel is niet meer wat het was, eten smaakt mij nog niet, motorisch een beetje gestoord en ik kan plotseling jullie taal spreken en verstaan. Dat laatste is overigens geen zegen. Ik dacht dat wij wat afkoerden maar jullie kunnen er ook wat van. Zijn jullie wel eens stil?’
‘Als we slapen en niet snurken. Wat voor duif ben je eigenlijk?’
‘Een pòstduif,’ en hij koert ‘post’ er zo nadrukkelijk uit dat ik daaruit op kan maken hoe belangrijk deze naam is.
‘En ben je dan een duif of een doffer?’
‘Wat is een doffer?’
‘Een mannetjesduif.’
‘Ah! Zoiets als koe en stier, poes en kater, eend en woerd, man en vrouw, haas en rammelaar en teef of reu?
‘Ja…’
‘Dan ben ik een doffer.’
‘Nice to know.’
‘Pardon?’
‘Leuk om te weten.’
‘Ah! Ja, en ik ben dus geen stadsduif of vliegende rat!’

Ik heb nooit geweten dat de kraaloogjes van vogels streng kunnen kijken. Deze doffer laat duidelijk zien dat het wel kan en ik moet zeggen dat het indruk maakt.
‘Voel jij je aangevallen?’ vraag ik daarom.
‘Ja. het is nogal stigmatiserend als je zo genoemd wordt. We hebben het al moeilijk genoeg. Regelmatig worden we uit de lucht gepikt door valken, vinden zogenaamde natuurbeheerders het nodig om ons af te schieten en als we gezellig met een groepje op een plein zitten kunnen we zomaar met z’n allen onder een net terecht komen. Weer een massaslachting en weer een wildpastei in de aanbieding bij de poelier.’
‘Jullie schijten ook zo allemachtig veel.’
‘Mestoverschot? Te veel koeien, varkens of kippen?’
‘Hm….’

We zwijgen beiden. Ik omdat hij met dat mestoverschot een punt heeft. Waarom hij zwijgt, weet ik niet.
‘Vindt je nog wel eens een olijftakje?’ vraag ik.
‘Ach ja, onze beroemde voorvaderen,’ koert hij met trots en ik zie zijn borst groeien, ‘Dat waren nog eens tijden. De ark van Noach, die Timmermans met dat liedje over alle duiven op de dam la la la la. Een Chinees die een vermogen betaalde voor een duif in een hokje. Het overbrengen van berichten aan het front… We waren toch echt wel wat.’
‘Hoe is het met de vredesduif?’
Hij kijkt nu echt zorgelijk. Ook dat kan hij dus.
‘Moeilijk, moeilijk,’ koert hij enigszins benepen, ‘Ze willen best wel vliegen maar het wordt ze knap lastig gemaakt.’
‘Ze worden uit de lucht geschoten?’
‘Het zijn symbolische vliegers en die dealen met dingen als macht, verdienen aan oorlog, wraak, nationalisme en meer van dat soort onfrisse zaken.’
‘Maar ze bestaan toch wel?’
‘Oh ja, zeer zeker! Ze staan afgebeeld op vlaggen en logo’s van organisaties en daar zit volgens mij het probleem. Wie ziet er in het plaatje van een vogel nu iets belangrijks? Wat moet één duif uitrichten als er twintig tanks op een rij staan, er een parade wordt gehouden, ze in de lucht ingehaald worden door raketten of er een congres is van wereldleiders?’
‘Ik vind ze niet op het kerkplein?’
‘Nee, en ook niet op de toren van de kerk. Daar vindt je een haan of een kruis maar geen duif. Over kerk gesproken. Welke kant is de kerk op?’
Ik wijs naar de grote treurwilg die aan de overkant van de vijver staat.
‘Een kilometer achter die boom staat de kerk.’
‘Mooi. Dan gaan we daar maar eens heen. Ik groet u!’

Hij fladdert omstandig voordat hij met een klein sprongetje het luchtruim kiest. Onvast wiekelt hij over het water en krijgt net genoeg hoogte om niet in de treurwilg te belanden. Ik hoop dat hij zijn bestemming bereikt. Misschien is het wel dezelfde hoop die vredesduiven geven en brengen. Fladderaars die kleine piketpaaltjes laten vallen zodat de mensheid, als ze dat zou willen, kan zien hoe een goede wereld eruit ziet. Wie groot wil handelen, moet het kleine kunnen zien en dat dat valt nog niet mee. Maar we blijven hopen!

© Peter Gortworst /jan. 2024

Wil je meer van mij lezen? Bezoek jouw boekwinkel of bestel:
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-glimlachende-dode

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie