’t Schuurt.

‘Zou je het leuk vinden om een dagje met mij naar het strand te gaan?’ heeft hij net gevraagd.
Ze kijkt haar potentiele nieuwe liefde verrast aan. Deze vijfenzestigplusser is een jongensachtige hak-op-de-tak-springer en toch komt zijn vraag onverwacht.
‘Bloemendaal? Zandvoort? Scheveningen misschien?’ vraagt ze.
‘O, alsjeblieft niet. Nee, Julianadorp!’
Daar is ze nog nooit geweest en op de vraag of daar wel strandpaviljoens zijn, moet hij het antwoord schuldig blijven.
‘Moet ik nog wat meenemen?’ vraagt ze.
Met een glunderend gezicht maakt hij duidelijk dat een goed humeur die dag onontbeerlijk is en dat hij voor een hapje en drankje gaat zorgen. Ze vraagt niet verder en achteraf heeft ze daar spijt van.

Hij parkeert de auto en tilt een koeltas, twee strandstoeltjes en een rugzakje uit de kofferbak. Met verbazing bekijkt ze de spullen. Wie neemt er nu stoeltjes mee?
‘Is er geen paviljoen?’ vraagt ze.
‘Ik weet het niet en eerlijk gezegd interesseert mij dat ook niet. Ik kan daar moeilijk van zon zee en zand genieten.’
Met het rugzakje op de rug, de koeltas in de hand en de stoeltjes over de schouder, gaat hij haar voor op het klinkerpad dat naar het strand voert.
Er zijn op deze doordeweekse dag maar enkele mensen en iets van een paviljoen is er niet. Ze vraagt zich af wat hij nu gaat doen.
‘Je moet je schoenen uittrekken,’ zegt hij als ze het einde van het plankier bereiken.
‘Waarom?’
‘Je kan niet met je schoenen in het rulle zand lopen.’
‘….Maar ik heb een panty aan….’
‘Dan trek je die toch uit?’
‘Hier?’
‘Ja. Waarom niet. Wie ziet je nou?’
Met een gehoorzaamheid waar ze zich achteraf over verbaast, doet ze het.
Op het harde gedeelte van het strand slaat hij linksaf en loopt naar het zuiden. Zij volgt hem met verwarde gedachten over wat de dag haar brengen zal.

Hij plant de stoeltjes in het zand. Vlak achter hen staan paaltjes met prikkeldraad.
‘Dat is mooi als we de handdoeken moeten laten drogen,’ zegt hij.
Vliegensvlug trekt hij zijn hemd en korte broek uit.
‘Nou?’ zegt hij, ‘Waar blijf je? We moeten zwemmen.’
‘Zwemmen? Hoe dan? Ik heb geen badpak.’
Hij valt stil. Naar het strand zonder zwemkleding? Hoe denkt ze een beetje kleur op haar lijf te krijgen als ze in vol ornaat daar blijft zitten?
‘Luister,’ zegt hij, ‘Dit is het gedeelte waar je ook naakt kan zitten. Doe gewoon je kleren uit en ga mee de zee in.’
‘Denk jij nu echt dat ik met die oude witte hangtetten van mij hier over het strand ga lopen? Man, ik zou mij doodschamen. Ga jij maar lekker zwemmen. Ik pas wel op de spullen.’
Aarzelend loopt hij naar het water. Dit loopt niet zoals hij gedacht heeft. Het koele water trekt en de laatste meters neemt hij met een sprintje.

Ze is in een stoeltje gaan zitten en ziet hem gaan. Hoe anders dan wijlen haar Diederik is deze man. De levenslust die hij uitstraalt, dat jongensachtige is wat haar aantrok. Dat er met hem geen cruisevaart gemaakt zal worden, was al snel duidelijk. Veertien dagen in een hotel op Tenerife ziet ze ook niet gebeuren. Met hem in een keurig wit overhemd en een stropdas om aan het ontbijt kan ze wel vergeten maar verdorie, bijna zeventig en dan nog gaan kamperen of hele stukken van het Pieterpad lopen, is wel heel iets anders. Met deze man zal er niets meer met bedachtzaamheid gebeuren. Zijn hoe-hoort-het is van een heel ander niveau dan dat van Diederik. De verrassingen van deze dag zullen schering en inslag zijn en ze vraagt zich af of ze dat wel wil. Het keurige en zeer voorspelbare leven dat zij met haar verstorven man leefde zal, als zij tenminste met deze flierefluiter verder gaat, voorgoed tot het verleden behoren.
De windvlagen striemen fijn zand tegen haar onderbenen. Ze kan zich niet herinneren dit ooit eerder gevoeld te hebben.

De druppels zeewater glinsteren op zijn lijf. Hij droogt zich af en ploft naast haar in het andere stoeltje.
‘Was het lekker?’ vraagt ze.
‘Het was nat en zout. Straks moet je toch minsten even pootje baaien. Je kan niet aan het strand zitten zonder even het water gevoeld te hebben. Wil je wat drinken?’
‘Wat heb je?’
‘Hugo en als het goed is, lekker koud.’
Hij maakt de koeltas open, tovert er twee plastic bekers uit en een beslagen fles.
‘Ik heb hem een paar uur in de vriezer gelegd,’ bekent hij.

Ze proosten, drinken en praten.
‘Wil je wat eten?’ vraagt hij na een tijdje.
‘Ja….?’
‘Ik heb kadetjes met ouwe kaas, ham en salami.’
 ‘Doe maar eentje met ham.’
Dit is nog eens wat anders dan een keurig geserveerde croque monsieur of een baguette met gerookte zalm, rucola en pijnboompitten bedenkt ze. Het duurt maar even voor de wind als extra broodbeleg wat zand aan het broodje heeft toegevoegd. Manmoedig eet ze door en laat niets merken.

‘Heb je voor mij ook een handdoek meegenomen?’ vraagt ze.
Dat heeft hij en ze spreidt deze uit over het zand.
‘Niet kijken!’ commandeert ze en razendsnel trekt ze haar blouse en bh uit. Haar rok schuift ze omhoog tot halverwege haar bovenbenen. Ze gaat plat op haar buik liggen. De windvlaagjes met het striemende zand op haar benen en blote bovenlijf ervaart ze bijna als erotisch.
‘Mooi!’ constateert hij, ‘Dit zal je goed doen.’

Hij blijft in zijn stoeltje zitten en kijkt naar haar. Ze zal vroeger een prachtige vrouw zijn geweest. Nu heeft tijd en zwaartekracht vat op haar gekregen. Het vel zit niet zo stak als het ooit misschien gezeten heeft. Toch verbloemen de huidplooien en de rimpels in haar gezicht niet de parel die zij nog steeds is. Dat juweel had hij al in hun eerste contacten ontdekt en hij ziet het als zijn taak om deze parel te koesteren, te laten schijnen en te laten zijn wat het ten diepste is: een kostbaar kleinood. Nu schuurt het af en toe nog tussen hen. Schuren is wrijving en wrijving geeft warmte. Het komt vast nog wel goed.

‘Als je nog langer blijft liggen, ben je vanavond vuurrood. Bovendien is het tijd om te gaan,’ laat hij na een tijdje weten.
Discreet wendt hij zijn blik af als ze zich aankleedt. Over het harde gedeelte van het strand lopen ze terug.
‘Het schuurt,’ laat ze weten.
‘Ja. Uh….Wat?’
‘Het zand.’
‘Waar?’
‘Hier,’ en ze wijst naar de binnenkant van haar bovenbenen.
Dit is schuren van een andere orde en hij weet daarom niet goed wat er voor advies gegeven kan worden. Gelukkig weet ze het zelf.
‘Wacht even,’ zegt ze.
Ze kijkt even om zich heen, trekt onder haar rok de onderbroek uit en tilt dan de rok tot boven de knieën op. Ze loopt het water in en hoe dieper de zee, hoe hoger de rok. In een flits ziet hij tot slot haar witte achterwerk als een heldere, volle maan in zee zakken.
‘Klaar,’ laat ze grijnzend weten als ze weer op het droge staat, ‘Help mij herinneren dat als wij hier weer naartoe gaan, ik een zwempak meeneem. Ik wil de volgende keer niet als een dom wicht in een stoeltje blijven zitten.’
‘Een volgende keer?’
‘Ja, volgende week ofzo. Ik heb mij wel vermaakt.’
‘O…. Oké….’

Zijn oude jongenshart klopt krachtiger dan ooit. Dat doen spannende verwachtingen en trots nu eenmaal.

© Peter Gortworst / aug. 2023

Meer van mij lezen? Bestel dan een heel boek:
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-glimlachende-dode

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

2 Responses to ’t Schuurt.

  1. Rob Alberts's avatar Rob Alberts schreef:

    Mooi geschreven!

    Een kennis viert zijn zomervakanties in Julianadorp.

    Ik zal dit verhaal laten lezen.

    Vrolijke groet,

    Geliked door 1 persoon

  2. Wat een heerlijk verhaal!

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie op Machteld Berkelmans Reactie annuleren