’t Is altijd ik.

‘Luister Sofietje, ken jij die mop van Moos die op een school bij de nonnen zat?’
‘Wat is een nonnenschool?’
‘Het is geen school waar je leert om non te worden. Het is een katholieke school waar nonnen lesgeven aan kindertjes. Nonnen zijn dames die nooit trouwen, allemachtig veel bidden en goede werken doen. Kindertjes leren rekenen, schrijven en natuurlijk hoort godsdienstonderwijs daar ook bij. Om onduidelijke redenen zat Moos op die school. Nu was de waterleiding gesprongen en de loodgieter had deze weer gerepareerd. De non voor de klas bedacht dat dit een mooi leermomentje voor de kinderen was.
‘Weten jullie wie de waterleiding gerepareerd heeft?’ vroeg ze aan de kinderen.
‘De timmerman?’ bedacht Kareltje.
‘De huizenbouwer!’ meende Carolientje zeker te weten.
‘Nee, dat is niet goed, maar jullie zitten wel in de goede richting.’
‘De smid,’ zei Franske.
‘Nee, ook niet. Moos, weet jij het misschien?’
‘Nou, als ik de tent hier een beetje ken, zal het Jezus wel weer zijn geweest.’

Sofietje moet erom lachen.
‘Leuk, maar wat heeft dit te maken met jouw mopperbui over altijd de klos zijn?’
‘Ik denk dat ik de negatieve uitvoering van die Jezus ben. Als er iets fout gaat, ligt dat hoe dan ook aan mij.’
‘Hè? Hoe dan?’
‘Ik zal je een voorbeeld geven. Toen ik nog thuis woonde, had ik een eigen kamer. Mijn twee zussen deelden samen een grotere slaapkamer. Ik kwam uit school en ging naar mijn kamer om huiswerk te maken. Zodra ik de deur opende, schoot de kat tussen mijn benen door de gang op en ik rook het direct: kattenpis. Het beest had opgesloten gezeten en moest natuurlijk ergens zijn behoefte doen. Mijn nagelnieuwe sportschoenen waren voor het beest de meest ideale plek. Ik met die schoenen naar beneden en de eerste vraag van mijn moeder was waarom ik die kat daar opgesloten had. Dat had ik niet gedaan. Mijn kamerdeur is altijd dicht en ik had gezien dat de kat in de keuken aan het eten was toen ik naar school ging. Ze geloofde mij niet. Het was hoe dan ook mijn schuld.’
‘En toen?’
‘Ze heeft die schoenen nog geprobeerd te wassen, maar de stank bleef. Uiteindelijk werden er nieuwe schoenen gekocht en kreeg ik wekelijks één gulden minder zakgeld. ‘Moet je voortaan maar beter opletten’ zei mijn vader nog.’
‘Je zal je wel klote gevoeld hebben.’
‘Dat heb ik elke keer. Ik doe niets fout en toch krijg ik de schuld. Vorige week nog! Ik rij op een 80km weg met een gangetje van ongeveer 75. Achter mij een rij auto’s die er niet voorbij konden, omdat er een dubbele doorgetrokken middenstreep ligt. Plotseling word ik ingehaald door een auto. Er gaat een bordje branden met ‘politie volgen’. Ze leiden mij naar een parkeerplaats en twee agenten stappen uit. Rijbewijs, kentekenbewijs en de vraag of ik weet waarom ze mij staande hebben gehouden. Ik had geen idee. ‘Wat dacht u van de snelheid?’ vroegen ze. Nee, ik ging niet te hard. Eerder te langzaam en als ik in mijn spiegel had gekeken, zou ik gezien kunnen hebben dat ik het verkeer hinderde. Ik zou er zelfs de oorzaak van kunnen zijn dat auto’s mij, ondanks de strepen op de weg, gingen inhalen en daarmee in overtreding kwamen. ‘Maar dat is toch niet mijn schuld?’ wierp ik tegen. Dat waren ze niet helemaal met mij eens en met de wijze raad dat ik wat harder moest gaan rijden, kon ik weer gaan. En dat bedoel ik nu. Het is altijd mijn schuld.’
‘Ach, kom. Twee voorbeelden. Het zal best nog wel eens mee kunnen vallen.’
‘Echt niet. Ik zal je volgende week nog wat van die akkefietjes vertellen.’
‘Hm, ik ben benieuwd.’

Onbekend's avatar

About petergortworst

Schrijver van boeken en verhalen.
Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagd met , , , , , , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie