Buiten schemert het en zijn vrouw is nog in diepe rust. Hij laat zich uit bed glijden en loopt zo zachtjes mogelijk naar de badkamer. Het geluid van stromend water kan je niet zacht laten klinken en wanneer hij de slaapkamer weer binnenkomt, is Gerdien, zijn vrouw, wakker.
‘Hoe laat is het?’ vraagt ze met een dikke slaapstem.
‘Vijf uur.’
‘Dan kan ik nog zeker drie uurtjes slapen,’ stelt ze vast.
Ze kijkt met lodderige ogen hoe hij zijn broek omhoog hijst, de gulp dicht ritst en zijn riem in het goede gaatje vast zet.
‘Succes, en kom alsjeblieft niet met rommel thuis. Daar hebben we al genoeg van.’
Hans grijnst en geeft een zoen op haar slaapwarme voorhoofd.
Officieel begint de kinderrommelmarkt om zes uur, maar daar houdt niemand zich aan. Zodra er een auto met vader en kinderen stopt en de kofferbak opengaat, zwermen de eerste opkopers als gieren rond de nieuw aangekomenen. De meer ervaren ouders weten dat en het verdienmodel dat alles tot acht uur vier maal duurder is dan voorheen bedacht, heeft nog altijd een positieve uitwerking op de verkoopresultaten. Aan pingelen doen ze niet en menig gier moet naar zijn mening en tot zijn verdriet meer betalen dan voorzien.
De lakens en oude gordijnen waar speelgoed, nooit gebruikt keukengerei of zelfgemaakte sieraden worden verkocht, loopt Hans snel voorbij. Daar waar oudere spullen liggen, gereedschap, grammofoonplaten of boeken geeft hij meer aandacht en het is bij één van deze uitstallingen dat hij haar ziet. Ze is net tegen de gevel van de bakker gezet en kijkt hem aan. Hij kan niet anders dan terug staren en haar blik biologeert hem. Hij voelt zich een in de koplampen van een naderende auto starend konijn. Twee kleine meisjes zijn de verkoopsters
‘Wat kost dat schilderij dat daar staat?’ vraagt hij.
‘Pap? Wat kost het schilderij?’ vragen ze aan de man die zich een beetje afzijdig houdt.
‘Doe maar vijfentwintig euro,’ zegt de man.
Zonder één moment van aarzeling vist hij drie tientjes uit zijn zak en steekt deze gelijk over met het schilderij.
‘Het is goed zo.’
Hij bekijkt het nu van dichtbij. Het is de beeltenis van een vrouw op leeftijd. Ze draagt een hooggesloten, zwarte jurk met een donkerpaars kraagje. Ze zit op een stoel. Een klein stukje van de rugleuning is achter haar rechter schouder zichtbaar. Veel meer achtergrond is er niet. Ze is beeldvullend geschilderd. Het is haar gezicht dat alle aandacht trekt. Haar grijze haar is strak naar achteren gekamd en in een knotje samengebonden. Haar lippen zijn gesloten en haar ogen kijken hem aan. Hij leest er bezorgdheid in, maar ook berusting, afwachting en geruststellende warmte.
‘Hoe kom je hier aan?’ vraagt hij de verkoper.
‘Ik vond het op de zolder toen we wilden gaan isoleren. Geen idee hoe het daar kwam. Wij hebben dat huis drie jaar geleden gekocht en het stond achter de gemetselde schoorsteen. Ik denk dat het daar verstopt is. Er was een plaat zachtboard voor gezet en daar stond het los achter. Ik heb niks met kunst en als ik u er blij mee kan maken, is dat mooi meegenomen, toch?’
‘Waar heb je een huis gekocht?’
‘Op het gouden endje van de Botenmakersstraat.’
Er is een andere man naast hem komen staan die met interesse naar zijn net verworven aankoop kijkt.
‘Wat moet je daarvoor hebben?’ vraagt hij de verkoper.
‘Je bent te laat. Ik heb het net aan deze meneer verkocht.’
‘Voor hoeveel?’
‘Dertig euro.’
‘Ik had je er honderdvijftig voor gegeven.’
De verkoper valt even stil, slikt even iets weg en zegt dan manmoedig:
‘Tja, dat is dan pech…’
‘Wil je het voor dat bedrag aan mij verkopen?’ vraagt hij nu aan de nieuwe eigenaar.
‘Nee.’
‘Tweehonderd?’
‘Nee.’
‘Dan niet!’ zegt de misloper en geagiteerd draait hij zich om.
Thuis zet hij het schilderij op de eettafel. Het leunt tegen de muur en met haar ogen in zijn rug zet hij koffie. Net als hij voor zichzelf een beker vol wil schenken, komt Gerdien de kamer in. Ze ziet gelijk het schilderij, pakt een stoel en gaat er tegenover zitten.
‘Heb je dit gekocht, Hans?’
‘Ja.’
‘Duur?’
‘Dertig euro.’
‘Ze is mooi.’
Hans zegt niets en kijkt naar zijn vrouw. Starend naar het schilderij ziet hij dat haar ogen vochtig zijn geworden. Gedienstig pakt hij een papieren zakdoekje uit de keukenlade. Ze dept haar ogen en snuit zachtjes haar neus.
‘Ik vind haar mooi… lief ook…ze… ze doet wat met mij.’
‘Dat had ik ook. Ik moest het wel kopen.’
‘Ze mag blijven,’ zegt ze stellig.
Ze overleggen waar het schilderij moet hangen. Boven de tv is geen optie omdat ze haar dan tekort zouden doen. De muur van de trap valt ook af. Naar haar kijken wordt dan een vluchtig gebeuren. De keus valt op de muur boven de eettafel. Als ze de tafel een kwartslag draaien kunnen ze beiden aan het lange end zitten en samen het schilderij bewonderen.
Tijdens het avondeten zegt Gerdien, terwijl ze naar het schilderij kijkt:
‘Ze heet Bep.’
‘Hè? Hoe weet je dat?’
‘Geen idee, maar zo moet ze heten. Ik vind Bep een naam die precies bij haar past. Toen zij leefde was dat een hele gebruikelijke naam.’
‘Wanneer leefde ze dan?’
‘Uh…. 1901?’
‘Je gokt maar wat. Maar de naam Bep bevalt mij wel.’
‘Wie heeft het eigenlijk geschilderd?’ vraagt ze.
‘Goh, daar heb ik nog helemaal niet naar gekeken.’
Samen turen ze naar de rechter benedenhoek waar iets van een handtekening zichtbaar is.
‘Er staat iets van KUR met een hoop kriebels daarachter,’ ontdekt Hans.
Ze pakt de laptop en laat Google zoeken naar kunstenaars met namen die beginnen met KUR, KUB, RUB, RUK, BUK en BUR. Het levert niets op.
‘Ik ga morgen naar een antiquair. Misschien dat zo iemand ons verder kan helpen.’
Met Bep onder zijn arm stapt Hans de antiekzaak in en laat het schilderij zien.
‘Wat wilt u daarmee? Verkopen?’
‘Ik wil eerst weten wie de schilder is.’
De antiquair pakt een lampje en een groot vergrootglas, tuurt naar de handtekening, bekijkt de achterkant, zoekt in zijn computer en zegt dan:
‘Ik denk dat het een onbekende schilder is geweest. Hij staat niet in mijn systeem dus zoveel waarde zal dit doek niet hebben. Het is bovendien erg vuil. Veel aanslag van rook en zo…’
‘Hoeveel is ‘niet veel waarde’?’
‘Met honderd euro mag je de handen dichtknijpen.’
‘Hm. Ik heb al een bod van het dubbele.’
‘Dan doe ik er vijftig bovenop,’ klinkt het vlotjes.
‘Nee,’ zegt hij en loopt naar de uitgang.
Bijna bij de deur hoort hij de antiquair zeggen:
‘Vierhonderd?’
Het tovert een glimlach op het gezicht van Hans en zonder iets te zeggen, loopt hij de winkel uit.
De onbekende afkomst van Bep blijft knagen. Niet dat ze er minder intrigerend door wordt, minder meelevend of minder lief. Het is helaas wel zo dat je, wanneer je van iemand houdt, alles over hem of haar wil weten. Dat voelen Hans en Gerdien ook en na enig speurwerk zijn ze nu op weg naar Groningen. Daar woont een deskundige die eerst foto’s van het hele schilderij wilde zien en gedetailleerde opnames van de handtekening. Bep staat op de achterbank en kan niet anders dan zich dit gesol met haar te laten welgevallen.
De deskundige is een man op leeftijd, spierwit haar dat warrig alle kanten op lijkt te groeien, een kromme pijp tussen gele tanden en nogal shabby gekleed. Hij stelt zich voor als Arthur. ‘Niet the King,’ laat hij er op volgen. Hij gaat hen voor naar zijn werkkamer.
Zwijgend bestudeert hij het schilderij uitvoerig, pakt een wit doekje waar hij een heldere vloeistof op giet en gaat daarmee over de handtekening. Een bruine vlek blijft op het doekje achter en de handtekening is beter leesbaar.
‘Hoe bent u aan dit schilderij gekomen?’
‘Op de rommelmarkt gekocht.’
‘Opmerkelijk. Waarom?’
‘Omdat Bep mij aankeek. Ik kon het niet laten staan.’
‘Bep?’
‘Zo hebben wij haar genoemd. Het leek ons wel een mooie naam voor haar.’
‘Hm. Opmerkelijk. Zeer opmerkelijk.’
Arthur zet het doek op een schildersezel en verdwijnt zelf voor een groot deel in een diep donkerbruin, leren fauteuil. Voor de zoveelste keer steekt hij weer de brand in zijn pijp en vanachter een rookwolk klinkt de vraag:
‘Wat weet u van dit doek?’
‘Nou, niks eigenlijk.’
‘Mag ik vragen wat u er voor betaald heeft?’
‘Drie tientjes.’
‘Dertig euro? Zo zo, zeer opmerkelijk. Ik zal u er iets over vertellen. De schilder is Karl Von Rosenbach. Hij is in 1856 geboren en in 1934 gestorven. Zoals zijn naam al doet vermoeden was hij een Duitser. In Gronau zag hij het levenslicht en in München blies hij de laatste adem uit. Hij heeft ons geen groot oeuvre nagelaten en een behoorlijk deel van zijn werk is na zijn dood ook nog verloren gegaan. Twee wereldoorlogen zijn een ramp geweest voor veel kunstwerken. Wat hij schilderde was echter van hoge kwaliteit. Dat kunt u hier wel zien. Zeer gedetailleerd en zeer sprekend. Hij vertoefde regelmatig in ons land. In het Rijks hangt één werk van hem voorstellend een sluis in de Amstel. Dit is een volkomen onbekend werk en u koopt het op een rommelmarkt. Opmerkelijk. Zeer opmerkelijk.’
Ze zijn er even stil van en staren naar Arthur met wel duizend vragen in hun kop.
‘Die eerste letters zijn dus KVR,’ zegt Gerdien, ‘Geen wonder dat we niets konden vinden. En heeft u enig idee wie Bep is?’
Een nieuwe wolk tabaksrook ontneemt het zicht.
‘U zult begrijpen dat ik dat niet weet. Het hele doek is totaal onbekend. Dat het een echte Von Rosenbach is, staat voor mij wel vast. Wilt u niet weten wat het waard is?’
‘Uh… eigenlijk… liever n…’
‘U wilt het niet verkopen?’
‘Nee. Beslist niet.’
‘Ik ga het u toch zeggen omdat u de inboedelverzekering aan moet passen. In de huidige staat brengt het sowieso vijftigduizend euro op. Schoongemaakt en met wat kleine reparaties gaan we naar de zestig en als u het op een veiling aanbiedt kan er zomaar een ton op geboden worden.’
Ontzet staren ze de man aan. Deze merkt dat niet omdat zijn pijp hem meer zorgen baart. Het lukt hem niet deze opnieuw aan te steken.
‘Mag ik van deze ontdekking kond doen in de vakbladen?’ vraagt hij dan.
‘O nee! Beslist niet! We denken dat het de rust van Bep geen goed zal doen. Ze is op haar plek boven onze eettafel en dat laten we ook zo. Dat schoonmaken overwegen we wel maar verder willen we geen gedoe.’
‘Opmerkelijk maar invoelbaar. Wel jammer maar ik begrijp uw standpunt.’
Er staan niet veel oude statige herenhuizen op het gouden endje van de Botenmakerstraat. Na drie keer bij de verkeerde deur te hebben aangebeld, staan ze nu oog in oog met de verkoper van het schilderij. De naam en het adres van de vorige bewoners vindt hij na enig zoeken. Het is een adres in hun eigen stad en als ze daar op de stoep staan, blijkt echter dat zij daar zelf niet meer wonen. Hun dochter wel en met belangstelling hoort ze het verhaal over het schilderij aan en bekijkt ze de foto’s. Met geen woord reppen Hans en Gerdien over de mogelijke waarde en gelukkig vraagt de dochter er ook niet naar. Ze komt zelf met het idee om haar ouders niets over het doek te vertellen maar ze gewoon mee te nemen naar het huis van Hans en Gerdien om hen daar met het kunstwerk te confronteren. Er is een grote kans dat haar vader het herkent en er wellicht iets over kan vertellen. Het is per slot van rekening zijn geboortehuis.
De auto stopt voor de deur en twee oude, broze mensjes stappen, geholpen door hun dochter, met moeite uit. Ze worden door Hans en Gerdien welkom geheten en naar de eettafel begeleid. Twee stoelen staan klaar voor het schilderij dat met een laken is afgedekt.
‘Zoals we u al weet, hebben we iets gevonden en we hopen dat u het kent en er ons meer over kan vertellen,’ zegt Hans.
‘Zolang ik niet weet wat het is, wordt dat lastig maar goed, ik ben heel benieuwd,’ zegt de man van het oude echtpaar, ‘Ik houd wel van verrassingen en dit geheimzinnige gedoe mag ik wel. Kom maar op!’
Gerdien onthult het doek. Ze zien dat de adem van de oude man stokt. Zijn ogen worden groot en hij slaat zijn bibberende hand voor de mond.
‘Kristenezielen!’ stamelt hij dan, ‘Dat is lang geleden! Dat is tante Bep!’
©Peter Gortworst / aug. 2023
Meer van mij lezen?
http://www.boekenbestellen.nl/boek/wraak-kent-geen-winnaars
http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-glimlachende-dode
Wat een prachtverhaal. Mijn oog viel er zomaar op en je moet het gewoon lezen tot het eind!
LikeGeliked door 1 persoon
Mooie reactie. Dankjewel.
LikeGeliked door 1 persoon