Onheil van boven

Ze treffen elkaar op de voedselbank. Beiden niet armlastig, hongerig of onderbedeeld maar als er iets als een voedselbank is waar je een graantje kan meepikken zonder er veel moeite voor te doen, is dat natuurlijk meer dan welkom. De ene heet Trees en is een beetje het gevulde moeke die alles vooral gezellig wil houden. De ander heet Truus en zij is een dame die zich welvarender voordoet dan ze is.

Ze kennen elkaar al een tijdje. Alleen van gezicht want tot nu toe heeft geen van tweeën de ander nog gesproken. Dat zie je wel vaker. Je ziet elkaar regelmatig. Op straat, in de winkel of in het park maar elkaar spreken doe je niet. Het blijft vaak bij een bekend gezicht tot het moment daar is. Dat moment kan van alles zijn en pas dan ontdek je wie of wat die ander is. Soms valt het mee en soms tegen maar hoe dan ook: het bekende gezicht krijgt een naam.

Trees is een beetje onder de indruk van Truus. Ze is groter en is altijd zo mooi zwart gekleed. Niet matzwart maar glimmend en met allemaal witte spikkels. Als het licht een beetje meewerkt lijkt er, door het donkere zwart, iets van groen te schijnen. O, ze vind het prachtig maar het is niets voor haar. Het ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ is haar op het lijf geschreven. Zij is gewoon een grijze mus en dat bevalt haar prima.

Misschien is dat wel de reden waarom Truus haar niet aangesproken heeft. Waarom zal je je inlaten met een zo onbeduidend en armoedig geval? Ze zal het nooit hardop zeggen maar zij is natuurlijk beneden haar stand. O, ze zal best een lieve en zorgzame moeder voor haar kroost zijn maar dan in haar milieu. Een milieu waar zij zich absoluut niet voor interesseert en, afgaande op het volledig oninteressante en inhoudsloze gebabbel van deze grauwe mus, zal haar nageslacht wel net zo dom zijn als deze moeke. Appels vallen nu eenmaal niet ver van de boom.

En wat toevallig. Laten het nu net de echte appels zijn die hen nader tot elkaar brengt. Ze staan er bij en kijken er naar.
‘Ze zien er niet echt lekker uit,’  zegt Trees.
‘Nee,’ zegt Truus, ‘Ze lijken wel aangepikt en die zijn ook al bruin.’
‘Jammer. Ik had mijn kinderen wel wat lekkers gegund,’ zegt Trees met spijt in haar stem.
‘Hoeveel kinderen heeft u?’ wil Truus weten.
‘Zeven.’
Mijn God, denkt Truus. Zeven kinderen! Dat zal daar toch een puinhoop zijn.
‘U woont toch in dat huis met die blauwe dakpannen?’
‘Ja, maar gelukkig niet alleen. We hebben daar een kleine maar gezellige ruimte. Het enige nadeel zijn die zomergasten die naast ons wonen. Die zijn nogal luidruchtig. Gelukkig zijn ze alleen in de zomer hier. Het is anders geen harden. Ze vliegen met een noodgang door de straat en als je er wat van zegt, krijg je alleen maar te horen dat ze niet anders kunnen.’
‘Toch is het een vlijtig volkje,’ meent Truus. ‘Als mijn man ’s morgens vroeg aan het werk gaat zijn die gasten al druk in de weer. Dat verbaast mij elke keer weer omdat je niet verwacht dat die donkere types van die harde werkers zijn. Maar misschien moeten ze wel. Elke winter de warmte opzoeken kost natuurlijk het een en ander.’

Daar had Trees nog niet aan gedacht. Zij maakt zich meer zorgen om dat gevlieg en gejaag. Een botsing is zo gemaakt en dan maakt het niet uit of je een harde werker bent of een donker type.
‘Waar woont u?’ vraagt ze aan Truus.
‘Wij wonen vrijstaand. Wij hebben dit jaar een riante woning betrokken waarbij wij alleen de ingang moesten vergroten. Geen idee wie de vorige bewoners waren maar ze waren beslist klein van stuk. Nee, we hebben het met z’n vieren prima naar onze zin.’
‘O, u bent ook moeder?’
Dat had Trees niet verwacht. Ze kan zich niet voorstellen dat iemand met zo’n uiterlijk zich bezig houdt met schoonmaken, eten verzorgen en poep opruimen.
‘Nou,’ zegt ze blij, ‘Dan weet u ook alles van het huishouden en opvoeding.’
‘Ja, maar het maakt natuurlijk wel uit of je er twee hebt of zeven. Ik moet er niet aan denken. Nee, wij voeden ze op tot zelfdenkende en zelfstandige wezens die hun draai in het leven kunnen vinden. Je kan immers meer persoonlijke aandacht aan twee geven dan aan zeven. Nee zeg, ik moet er echt niet aan denken. Ze zouden voor galg en rad opgroeien en wie worden daar op aangekeken? Precies: de ouders.’

Als Trees over deze woorden nadenkt en concludeert dat haar leefstijl door deze dame wordt bekritiseerd, verduistert plotseling de lucht. Voor Trees weet wat er gebeurt, grijpt een sperwer Truus met beide poten vast. De nagels boren zich in haar vlees en het laatste wat Trees hoort, is de doodskreet van een spreeuw die weldra voer is voor de jongen van deze jager.

Ze is behoorlijk ontdaan. Haar hart klopt in haar keel en ze beseft dat ze vreselijk geluk heeft gehad. Het is misschien toch beter een grijze en onopvallende huismus te zijn dan een opzichtige spreeuw. Ze pikt nog snel een paar graantjes van de voedertafel en brengt dat naar haar kinderen. Kan ze hen gelijk een mooie levensles leren.

 

©peter gortworst / okt. 2019
foto: pinterest.co.uk

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Onheil van boven

  1. Nou ja zeg, die had ik niet aan zien komen. Mooie twist!

    Liked by 1 persoon

  2. Ha ha, wat een leuke draai aan het eind van het verhaal.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s