Hermann

 

Hij zit in een rolstoel. Zijn rechterbeen is zo goed als weg en de voet en kuit van zijn andere been zijn in een dikke zwachtel verbonden. Hoe gaat dat als je samen in een kamer zit? Je raakt aan de praat en al pratend merk je dat het klikt: geen vrijblijvende gesprekjes over niets maar gelijk het diepe in met conversaties die ergens over gaan. Hij heeft een leven achter zich waarin de zeeën en de scheepvaart een wezenlijk bestanddeel vormen. Zo vrijgevochten als de golf die de eindeloos lange weg over de oceaan neemt, was ook zijn leven. Geen rust, nergens lang kunnen blijven, altijd onderweg. Drie keer getrouwd geweest, een zoon in Thailand, een dochter in Frankrijk en toch zo trouw als een hond. Met zijn drie vrouwen heeft hij nog altijd contact en ook zijn kinderen belt hij regelmatig. Zijn verblijf hier en zijn lichamelijke gezondheid maken hem onrustig. Al tien lange jaren heeft hij pijn en al dat gedokter zint hem niet meer.

We treffen ons bijna dagelijks en ik geniet van de flarden van zijn verhalen. Als hij iets wil vertellen over een stel protserige Duitsers op zijn cruiseschip, vergeet hij ze omdat er in de haven waar ze aan boord kwamen, ook iets was gebeurt wat het vertellen waard is. Als ik hem bij de les probeer te houden door te vragen naar die Duitsers, gaat het maar even goed want er is iets wat hem te binnen schiet en wat ook nog vertelt moet worden. Zelfs als je alle ‘verdamd noch mals, arschlochen en scheisen’ uit zijn vertelsels filtert, blijft het luisteren een vermoeiende bezigheid.

‘Luister verrückte Hollander, ik heb een besluit genomen’ zegt hij op een avond.
‘Morgen komt de professor aan mijn bed en dan ga ik hem vertellen dat ik niet meer wil dat er aan mij gedokterd wordt. Ik wil zo veel pijnstillers dat ik echt niets meer voel en dan ga ik naar huis.’
‘En dan?’
‘Dan wil ik dat mijn huisarts mij dezelfde medicijnen geef en dan zie ik wel.’
‘Wat zie je dan wel? Hoe lang je nog leeft?’
‘Ja, en ik hoop dat het nog heel lang is. Ik hoop dat ik nog naar Thailand kan om mijn Jasmijn te zien en mijn zoon. Het mooiste zou zijn als ik daar zou sterven.’
‘Ik help het je hopen. Wie neem je mee want alleen in een rolstoel gaat je dat niet lukken?’
‘Hadi gaat mee.’
Daarmee zijn alle mogelijke problemen opgelost. Hadi is zijn vriend die alles voor hem regelt en gaat regelen.

De volgende dag vertelt hij blij dat de professor ingestemd heeft met zijn verzoek. Over een paar dagen hebben ze de medicatie op orde en dan mag hij naar huis. Mijn tijd in het ziekenhuis wordt, wegens plaatsgebrek op de reha-afdeling voor twee weken afgebroken en we treffen elkaar voor de laatste keer. We praten zeker een uur met elkaar. Als ik hem zeg dat ik zijn besluit moedig vind, haalt hij zijn magere schoudertjes op.
‘Dood ga ik toch en laat het dan maar op een plaats zijn die ik zelf kies.’
Ik kan met hem meevoelen. Veel is er niet meer te kiezen dus dan dit maar als één van de laatste wensen. Met een ‘verrückte Hollander’ en een ‘stomme Duitser’ nemen we warm afscheid.

Twee weken geleden kom ik Hadi tegen in de hal van het ziekenhuis. Hermann is weer terug. Hij is uit bed gevallen en de wijkverpleging vond hem met een pijnlijke schouder en bult op zijn kop. Ik beloof hem ’s middags te bezoeken.

Er ligt een schamel hoopje mens in bed. Hij ligt gehurkt op zijn zij, klemt zich vast aan de zijkant van het bed en huilt.
‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer…..’
Als ik naar de geestelijke verzorgster kijk, die ook naast zijn bed zit, haalt ze haar schouders op. Ik snap dat. Herman is niet bereikbaar.

Als ik ’s avonds nog even ga kijken zit Hermann rechtop in zijn bed.
‘Ha, verrückte Hollander! Hoe gaat het?’
Ik ben blij verrast. Hij vertelt hoe het zo gekomen is en ze moeten niet denken dat hij hier blijft. Als ze ontdekken dat er met die schouder niets aan de hand is, kan hij wel weer naar huis. We kletsen wat en plotseling trekt hij de lade van zijn nachtkastje open. In een plastic zakje zit zijn baaltje shag.
‘Ik wil roken.’
‘Hè? Waar wil je dat doen?’
‘Hier natuurlijk. Draai er eentje voor mij.’
‘Dat kan je niet maken Hermann….’
‘Verdamd noch mal!! Ik wil roken!!
Ik draai een behoorlijk dun shagje en als Hermann daar de brand in steekt ga ik naar de badkamer. Gelukkig staat daar een fles aftershave en overdadig vernevel ik het spul in de kamer.
‘Ga de kamer uit en als je terugkomt moet je vertellen wat je ruikt,’ commandeert Hermann.
Gehoorzaam doe ik dat en als ik terug kom staat daar een muur van aftershave.
‘Als er nu een zuster komt, weet ze gelijk dat je hebt gerookt,’ deel ik hem bezorgd mee.
‘Wat willen ze met mij doen? Mij naar huis sturen?’ en zelden heb ik een zo schorre en intens sarcastische lach gehoord.

De volgende dag belt hij mij op.
‘Kom je nog?’
‘Ja, ik kom er aan.’
‘Weet je waar ik ben?’
‘Ik neem aan dat je in je kamer bent?’
Hij lacht: ‘Nee, ik ben op ons stekkie.’

De avonden van de volgende twee dagen zijn van ons. Hij vertelt van zijn jeugd. Een vader die zich verhangen heeft in de boomgaard, een broer die niet zijn echte broer was omdat zijn moeder vreemd was gegaan. Zodra het kon het huis uit en alleen op bezoek bij zijn moeder als hij geld nodig had.
‘Heb je niet één goede herinnering?’ vraag ik hem.
‘Ja, met mijn vader bij de aardbeien in de tuin. Hij plukte de dikste en mooiste voor mij.’

Sterven was voor Hermann het letterlijke einde. Met grote stelligheid had hij volgehouden dat er na de dood niets is. Opvallend dat die stelligheid verdwenen is voor een ‘je kan niet weten’. Sterven doe je alleen en de verwachting dat er toch iets is waar je je aan vast kan houden, is een godsgeschenk.

Hermann gaat dood. Dat was lange tijd al zeker maar niet zo zichtbaar als nu. Hij ligt stil in bed. De morfinepomp doet zijn werk. Eten en drinken krijgt hij niet meer en het is een kwestie van wachten. Als ik vraag waarom ze de morfine niet wat verhogen krijg ik als antwoord dat het slecht is voor de ademhaling. Ik houd mijn mond maar. Euthanasie is hier nog een taboe en zeker in een katholiek ziekenhuis.
Ik mag naar huis en ga ’s morgens nog even bij hem langs. Hij ligt er mooi bij. Jammer dat zijn ademhaling de deken nog beroert.

De golf die alle oceanen heeft gezien is stukgelopen op de rots van de dood. Op het kerkelijke feest van de geest heeft Hermann de zijne gegeven.

Hij weet nu.

Rust zacht, Hermann.

 

©peter gortworst / juni 2019
afbeelding: werkaandemuur.nl

 

 

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in korte verhalen en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

5 reacties op Hermann

  1. Wat prachtig beschreven. Achter de grootste mond schuilt meestal het meeste verdriet. Goed trouwens om ook weer eens wat van jou te horen!

    Liked by 1 persoon

  2. Paul zegt:

    Helemaal eens met Machteld.
    Het is goed dat je terug bent en dat we weer wat van je kunnen lezen. Zeker als het zo’n indrukwekkend verhaal is.

    Liked by 1 persoon

  3. Jannie Harmsen zegt:

    Wat ontzettend goed geschreven Peter. Ik ben erg onder de indruk van dit verhaal over je vriend Hermann. Respect!

    Liked by 1 persoon

  4. Ellie Schmitz zegt:

    Mooi!!

    Liked by 1 persoon

Laat een reactie achter op Ellie Schmitz Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s